Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Antichrist & Israël – Hoofdstuk 2

Antichrist & Israël – Hoofdstuk 2

De Antichrist in Johannes brieven

 

1 Johannes 2:17-18 

1 Johannes 2:22-23

1 Johannes 4:1-3

2 Johannes 7

 

De volgende gedeelten in de brieven van Johannes maken melding van de Antichrist. Wij zullen ze in volgorde citeren, zoveel mogelijk letterlijk naar het Grieks en in hun relatie met de context:

 

1 Johannes 2:17-18

En de wereld is bezig voorbij te gaan, óók haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in de eeuwigheid. Kinderen, het is [een] laatste uur; en zoals jullie hoorden dat [een] Antimessias komt, zijn ook nu vele antimessiassen opgestaan, waaruit wij weten dat het [een] laatste uur is.

 

Dat de wereld met haar begeerte voorbijgaat doet Johannes onder inspiratie van de geest denken aan het einde van alle dingen. Er zal dan een Antichrist verschijnen. In zijn denken legt Johannes dus een verband met de eindtijdverwachting. In die eindfase van de huidige geschiedenis verwachten christenen in de eerste plaats de wederkomst van hun Heer, Messias Jezus. Maar het is tegelijkertijd de periode waarin de Antichrist op het toneel zal verschijnen.

 

Merk op, in 1Jh 2:28, hoe Johannes de ware Gezalfde [Messias (Heb); Christus (Gr)] in verband brengt met de Antichrist. Hij moedigt zijn joodse broeders van de eindtijd namelijk aan om in nauwe verbondenheid met Jezus te blijven zodat zij hem bij zijn paroesie -in het bijzonder bij de climax daarvan, wanneer hij voor allen openbaar wordt gemaakt- niet beschaamd uit de weg hoeven te gaan, maar juist blijk mogen geven van een vrijmoedig vertrouwen: En nu, kindertjes, blijft in hem, opdat wij -indien hij openbaar gemaakt wordt- vrijmoedigheid mogen hebben en niet beschaamd terugwijken van hem in zijn paroesie.

 

Vanwaar de nadruk op een mogelijk beschaamd staan tegenover de ware Messias bij zijn wederkomst? Vanwege het gevaar door misleiding slachtoffer te worden van het optreden van de Antichrist en/of antichristelijke elementen. Want daarover weidt Johannes in de context juist uit. Lees aub 1 Johannes 2:22-27, en het accent dat ligt op de factor misleiding in vers 26.

Zie ook: Waarschuwingen tegen antichristelijke leringen

 

Dat misleiding in de eindtijd en bijgevolg beschaamd staan tegenover de ware Messias bij zijn tegenwoordigheid niet denkbeeldig is, blijkt uit Mattheüs 24:30, waar ons bij voorbaat wordt getoond dat "alle stammen der aarde zich in weeklacht zullen slaan". Hoe dat zo? Waarom verheugen zij zich niet als de Mensenzoon komt in kracht en grote heerlijkheid?

Blijkbaar omdat zij tot hun ontsteltenis tot de conclusie komen dat zij de verkeerde Messias hebben gevolgd. Zij hebben zich laten misleiden door de valse, de pseudomessias, en zij komen nu te laat tot de ontdekking dat het oordeel onontkoombaar is.

 

Als we nog even naar onze eerste tekst kijken hierboven, dan zegt Johannes feitelijk iets bijzonders. Hij gaat duidelijk uit van het gegeven dat er onder christenen een bepaalde verwachting bestaat i.v.m. de komst van de Antichrist, maar hij voegt daaraan nog iets toe. In onze eigen woorden zouden we vers 18 ook aldus kunnen weergeven:

"Jullie verwachten dat er een Antichrist komt. Juist, dat klopt; maar ik zeg jullie dat er nu al vele antichristen zijn". Johannes spreekt blijkbaar zowel in het enkelvoud als in het meervoud.

Wellicht -we drukken ons voorzichtig uit, als een mogelijkheid- hebben we ook hier opnieuw te maken met zaken die tegenover elkaar staan, t.w. Jezus, als de ware Christus en als het Beloofde Zaad – enkelvoud dus,  zie Galaten 3:16 - en alle ware christenen (meervoud) die ook tot het zaad van Abraham gerekend worden, ja, zelfs een niet te tellen menigte. Zie Galaten 3:29, en vergelijk Genesis 15:5.

 

Het groeiende aantal antichristen in Johannes' dagen aan het einde van de 1ste eeuw bleken pseudo-christenen te zijn die zich tot een gevaarlijke stroming ontwikkelden en zich beroemden op hun z.g.n. speciale KENNIS, in het Grieks GNOSIS. Vandaar dat zij bekend kwamen te staan als aanhangers van het Gnosticisme. In die nieuwe benadering van het christendom stond niet de waarheid van het Evangelie voorop. Nee, het ging hen om indruk makende ideeën, niet om historische feiten.

 

Zo zou Jezus niet in het vlees op aarde zijn gekomen (de menswording), maar ook de opstanding maakten zij tot iets belachelijks. Zij beschouwden zichzelf als zeer verlicht en ontkenden dat zij verlossing van zonden nodig hadden. Door hun "gnosis" waren zij boven alle morele verdenkingen verheven; zij ontkenden hun zondigheid. De Mensenzoon Jezus als de menselijke losprijs was in hun visie dus absoluut niet nodig.

In 1 Johannes 1:8-10 kan men Johannes' geïnspireerde reactie op zulk afvallig denken nalezen. Maar vooral ook in onze tweede tekst die wij in volgorde van de brief willen beschouwen, polemiseert Jezus’ geliefde apostel tegen deze mensen, die uit ons zijn zij voortgekomen, maar zij waren niet uit óns; want, indien zij uit ons waren, waren zij wel met ons gebleven (1Jh 2:19):

 

1 Johannes 2:22-23

Wie anders is de leugenaar dan hij die loochent dat Jezus de Messias is? Deze is de antichrist, hij die de Vader en de Zoon loochent. Ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet; hij die de Zoon belijdt, heeft ook de Vader.

 

Het zal duidelijk zijn dat in deze passage wordt aangetoond wat binnen het christendom echte afvalligheid inhoudt: tegenspreken, of liever nog, glashard ontkennen dat Jezus, Gods Zoon, de ware Christus of Messias is; Degene

• die van God uit de hemel werd gezonden en in het vlees verscheen, "geworden uit een vrouw" (letterlijk naar Galaten 4:4);

• die bijgevolg "zijn ziel kon geven als losprijs in ruil voor velen" (Mt 20:28);

• die -volgend op zijn offerandelijke dood- door de Vader werd opgewekt en hersteld tot zijn oorspronkelijke natuur (1Ko 15:45);

• die tot de hemel werd verhoogd en als Gods ware Hogepriester de waarde van de losprijs aanbood in het tegenbeeldige Allerheiligste (Hb 9:11-12); en

• die door God "zowel tot Heer als tot Messias werd gemaakt" (Hn 2:32, 36; Fp 2:9-11).

 

Zulk een afvalligheid nu is kenmerkend voor antichristelijk denken, aangezien daardoor de grondslag van het christendom wordt aangetast. Een ieder die voor een christen wil doorgaan maar die de Zoon aldus loochent, is de leugenaar bij uitstek.

Johannes aarzelt niet om die krasse uitdrukking te gebruiken omdat bij zo'n persoon kwade trouw verondersteld moet worden. Zo iemand handelt opzettelijk, heel bewust, in strijd met datgene wat wij vanaf het begin over Messias Jezus hebben gehoord; zie 1 Johannes 2:24 >> Wat jullie betreft, laat wat gij vanaf [een] begin hoorde, in jullie blijven. Indien in jullie blijft wat gij vanaf [een] begin hoorde, zult ook gij in de Zoon en in de Vader blijven.

 

Om de ernst van de zaak zo duidelijk mogelijk te krijgen; dat in deze kwestie werkelijk de grondslag van het hele christendom in het geding is, zouden wij de aandacht van de lezer willen vestigen op het klassieke bijbelgedeelte in Mattheüs 16:13-18.

Aan zijn leerlingen stelde Jezus de beroemde vraag: "Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?".

Na opgesomd te hebben wat er aan ideeën over Jezus de ronde deed, moeten de leerlingen op zijn aandrang ook zelf hun opvattingen ventileren. En blijkbaar als spreekbuis voor hen allen, zegt Petrus ronduit: Jij bent de Messias, de Zoon van de levende God.

 

Heel bijzonder nu is hierop Jezus' reactie: "Gelukkig ben jij, Simon Barjona, omdat vlees en bloed [dit] niet aan jou onthulden maar mijn Vader die in de hemelen is".

Jezus erkent hier duidelijk dat Petrus, als vertegenwoordiger van alle overige leerlingen, speciale hulp van God had gekregen om tot de juiste gevolgtrekking te komen. De Vader had hem geholpen om zijn opvatting omtrent Jezus niet te baseren op een vleselijke redenatie, maar de zaak vanuit een hoger, een geestelijk standpunt te benaderen.

Dat de kwestie blijkbaar aldus in elkaar steekt, moge blijken uit Petrus' reactie op Jezus' aankondiging van zijn naderende dood, slechts een klein eindje verder in dit hoofdstuk; in Mt 16:21-23.

Daaruit kunnen wij concluderen dat Petrus uit zichzelf niet erg geneigd was geestelijk te denken, maar veeleer vleselijk, zoals mensen trouwens gewoonlijk doen. Hieruit begrijpen we dat voor het vatten van geestelijke waarden hulp van de hemel nodig is.

 

Maar Jezus ging nog een stap verder. Hij liet namelijk vervolgens uitkomen dat deze belijdenis van Petrus betreffende de Messias, Gods eigen Zoon -die geestelijke benadering, tot stand gekomen met Gods hulp- de grondslag zou worden waarop Jezus zijn gemeente in de naaste toekomst zou bouwen. Jezus doet dat op een bijzondere manier, o.a. door gebruik te maken van een woordspeling en verder door op zijn beurt Petrus te identificeren, ongeveer zoals Petrus kort daarvoor met betrekking tot Jezus had gedaan:

 

En ik van mijn kant zeg tot jou: Jij bent Petros [πετρος; rotsblok; steen] en op deze petra [Grieks πετρα; eveneens rotsblok / steen, maar wel een vrouwelijk woord] zal ik mijn gemeente bouwen en de poorten van Hades zullen haar niet overweldigen.

Hieruit kunnen we een heel speciale waarheid afleiden: Allen die leden worden van de christelijke gemeente, worden dat op precies die ene basis: Zij erkennen met Gods hulp en belijden dat ook dat Jezus de Zoon van God is, de ware Messias, gekomen in het vlees, etc. (conform alle waarheden die in de Bijbel op hem betrekking hebben en die hierboven werden opgesomd).

 

In Romeinen 10:9 geeft Paulus deze grondslag voor opneming in de gemeente  aldus aan: "Indien je in je mond belijdt 'Heer [is] Jezus' en in je hart gelooft dat God hem uit doden opwekte, zal je worden gered".

 

Belijden dat Jezus voor u Heer is, komt u thans wellicht als een vanzelfsprekende zaak voor; een geloofspunt dat in uw ogen onomstreden is. Maar in de dagen dat de apostel de Romeinenbrief schreef was iets dergelijks beslist niet het geval. De Joden bijvoorbeeld die Jezus als hun Messias afwezen haalden het niet hun hoofd de titel Kurios (Heer) op iemand anders toe te passen dan op hun God JHWH, want dat lazen zij immers in de LXX (Septuagint).  Bijvoorbeeld Js 61:1 >> Pneuma Kuriou ep' eme [De geest van de Heer JHWH is op mij; volgens M].

Maar ook de mensen der Heidenvolken hadden in de aanbidding van de keizer hun eigen Kurios. Zowel voor een jood als een heiden was het toentertijd derhalve een grote stap om Jezus hun Heer te gaan noemen, in die mate zelfs dat het een toetssteen werd voor waar geloof in Messias Jezus.

 

Zulk een belijdenis kwam/komt dan ook met bovennatuurlijke hulp tot stand, zoals Jezus al eerder te kennen had gegeven volgens Johannes 6:44 "Niemand kan tot mij komen tenzij de Vader die mij zond hem trekt".

En juist die waarheid wordt door Johannes uitgewerkt in zijn eerste brief, ook wanneer hij voor de derde maal melding maakt van de Antichrist. Zie maar:

 

1 Johannes 4:1-3

Geliefden, gelooft niet elke geest, maar beproeft de geesten of ze uit God zijn, omdat vele valse profeten uitgegaan zijn tot de wereld. Hierin leert gij de geest van God kennen: elke geest die Jezus Messias belijdt [als] gekomen zijnde in vlees, is uit God; en elke geest die Jezus niet belijdt, is niet uit God; en deze is die van de Antichrist, van wie gij gehoord hebt dat hij komt, en nu reeds is hij in de wereld.

  

Ook hier wordt duidelijk de juiste grondslag van de gemeente in verband gebracht met de invloed die van Gods geest uitgaat. Alléén die geest helpt de gelovige tot de juiste belijdenis betreffende de ware Messias [Christus] te komen. Het is de bevestiging van het voorafgaande vers (1Jh 3:24) dat het bezitten van de heilige geest het onbedrieglijke kenmerk is van iemands gemeenschap met God: Hierin komen wij te weten dat hij in ons blijft: uit de geest die hij ons gaf.

 

Maar er is nog een andere conclusie te trekken.

Het Petra-fundament van Mattheüs 16:18 -de correcte  zienswijze en belijdenis omtrent Jezus- heeft alles te maken met God zelf. Hij alleen is de echte Rots waarop Messias Jezus zijn gemeente bouwt.

Het is werkelijk schitterend om te constateren dat dit dogma al profetisch was vastgelegd in het boek Jesaja, 51:1-2. Zoals het vleselijke Israël haar afstamming kon terugvoeren op Abraham (de rots waaruit zij gehouwen waren) en zijn vrouw Sara (de uitholling van de put waaruit zij gegraven waren), precies zó is het gesteld met het ware Israël van God. Vanwege hun door God geschonken geloof in zijn Zoon Jezus, zijn zij gehouwen uit hun Rots, JHWH God, de Vader.

En met betrekking  tot Sara, "de vrije vrouw", kunnen we wijzen op de betekenisvolle uitspraak van de apostel Paulus: "Het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is onze moeder" (Galaten 4: 26).

 

Zie de Studie: Vrouwe Sion, de Onvruchtbare die toch baarde

 

Dat JHWH de ware Rots is, werd al door Mozes uitgeroepen in het bekende lied van Mozes in Deuteronomium 32, vooral vers 4: "De Rots, volmaakt is zijn activiteit, want al zijn wegen zijn gerechtigheid". Toegepast op Israël zegt Mozes vervolgens in vers 6 over de Rots JHWH: "Is hij niet uw vader die u heeft voortgebracht, hij die u maakte en u vervolgens stabiliteit gaf?".

Zo kan ook het Israël Gods haar herkomst op God terugvoeren.

In de LXX wordt in Jesaja 51:1 het woord rots vertaald met petra

 

Alles bij elkaar genomen zien we dus hoe afvallig het Antichristelijk denken is en kunnen we 1 Johannes 2:23 naar waarde schatten: "Een ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet".

In het volgende deel zullen wij beginnen om de Antichrist te benaderen vanuit 2 Thessalonicenzen, hoofdstuk 2, om te laten zien dat DE Antichrist door zijn machtige invloed in de eindtijd juist die afval zal bewerken waarover wij het hierboven uitvoerig hebben gehad.

 

Maar dat zal een Afval op ongekend grote schaal zijn. De voortekenen daarvan zijn evenwel vanaf - op zijn minst - Johannes' dagen merkbaar geweest in het afvallig, antichristelijk denken van individuele (schijn)-christenen.

Binnen sommige denominaties wordt het optreden van de Antichrist ten onrechte beperkt tot dat afvallig christelijk denken met een accent op de rol die de geestelijken van de christenheid sinds de Derde eeuw daarin vervulden. Even onterecht worden afzonderlijke personen die eens binnen een kerkelijke organisatie functioneerden maar deze later de rug toekeerden –meestal omdat zij de leer ervan niet langer konden accepteren- soms ook als antichristen bestempeld.

Een favoriete tekst die daarbij wordt gehanteerd is de vierde en laatste passage met betrekking tot de Antichrist. Maar dan zijn we in de Tweede brief van de apostel Johannes, t.w.:

 

2 Johannes 7

Omdat veel bedriegers uitgingen tot de wereld, die niet belijden Jezus Messias komend in vlees. Deze is de bedrieger en de Antichrist.

 

Inhoudelijk verschilt dit vers niet van 1 Johannes 4:2 (Hierin leert gij de geest van God kennen: elke geest die Jezus Messias belijdt gekomen zijnde in vlees, is uit God).

In dit vers wordt daarom niet over een toekomstige terugkeer in het vlees van Jezus gesproken. Dat zou ook niet kunnen want met betrekking tot zijn wederkomst maakte Jezus zelf duidelijk dat dit niet in het vlees, zichtbaar voor mensen, zou plaatsvinden. Hij werd immers als geest opgewekt om nooit meer een mens van vlees en bloed te worden: De laatste Adam werd tot een levendmakende geest [bij zijn opstanding], in tegenstelling tot de oorspronkelijke Adam die bij zijn schepping door God tot een levende ziel werd (1Ko 15:45).
Zie ook: Jh 14:19; 1Pt 3:18, en Waarschuwing voor misleiders 

 

Satans handlangers zijn er onvermoeid mee bezig om dit profiel van de ware Messias te verdraaien, opdat Jezus, de Zoon van God, toch maar vooral anders wordt voorgesteld dan hij werkelijk is. In de volgende verzen van de 2 Johannes brief wordt voor zulk een verdraaide leer gewaarschuwd:

 

Let op jezelf, opdat jullie niet de dingen te gronde richten die wij tot stand brachten, maar een vol loon moogt ontvangen. Ieder die daarbovenuit gaat en niet blijft in de leer van de Messias, heeft God niet. Hij die in de leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon. Indien iemand tot jullie komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en zegt niet tot hem: Het ga je goed! Want wie tot hem zegt: Het ga je goed! krijgt deel aan diens goddeloze werken.

(2Jh 8-11)

 

De hele passage heeft overduidelijk betrekking op het afvallig antichristelijk denken en het verbreiden van die "leer". Het is dus volkomen absurd om het Schriftdeel toe te passen op kerkleden die een of andere vorm van onchristelijk, vleselijk gedrag vertonen zoals bijvoorbeeld in 1 Korinthiërs 5:11 wordt aangegeven, waar Paulus melding maakt van hoereerders, hebzuchtigen, afgodendienaren, beschimpers, dronkaards.

Het enige wat Paulus over zulke kerkleden aangeeft is dat mede-christenen zich niet langer in hun gezelschap moeten ophouden en ZELFS niet met hen moeten eten, als een uiterste sanctie.

 

Kerkleden die blijk geven van het soort antichristelijk denken waarover het in de Johannes' brieven gaat en die aan zulk een leer ook openlijk uiting geven, zijn betrekkelijk zeldzaam. Vandaar dat Glenn W. Barker in zijn behandeling van 2 Johannes (2 John), op blz 365-366 schreef:

 

Admittedly great care should be exercised before applying such a radical withholding of hospitality from anyone.

For the elder [John] it was applied only to antichristians who were committed to destroying the faith of the community.

The issue involved more than disagreements in interpretation or personal misunderstandings among members of the body of Christ. It was radical and clearly defined unbelief, and it involved active and aggressive promotion of perversions of truth and practice that struck at the heart of Christianity.

-.-.-.-