Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Antichrist & Israël – Hoofdstuk 3

Antichrist & Israël – Hoofdstuk 3

Het mysterie der wetteloosheid

2Th 2:1-2

2Th 2:3-4

2Th 2:5-6

2Th 2:7

 

In Deel 1 en Deel 2 hebben we getracht enig inzicht te verschaffen in het fenomeen Antichrist, de mysterieuze figuur die in de eindtijd zo'n heel bijzondere rol gaat vervullen in Gods voornemen. Bij wijze van samenvatting een opsomming van enkele basisbegrippen:

 

• In zijn optreden plaatst hij zich TEGENOVER de ware Christus en IN DE PLAATS van hem; de dubbele betekenis van het Griekse anti [αντι - χριστος]. Dus enerzijds verzet, anderzijds misleiding.

 

• Hij is in principe geestelijk qua natuur, d.i. een geestelijke, bovennatuurlijke macht; een macht daarom die uit de demonenwereld voortkomt.

 

• DE Antichrist [αντιχριστος] is een macht van de eindtijd, maar reeds vanaf Johannes' dagen zijn er op het wereldtoneel schijnchristenen geweest die niet de juiste belijdenis hebben afgelegd omtrent de historische persoon Jezus Messias, de Zoon van God, die weliswaar geestelijk van natuur is, maar die tijdelijk op aarde heeft vertoefd als mens. Toen dan ook een werkelijk menselijke persoon die bijgevolg zijn volmaakte menselijke leven kon geven als een verzoenend slachtoffer.

 

• Deze schijnchristenen die een afwijkende belijdenis hebben in vergelijking met de belijdenis van Petrus, zijn antichristelijke elementen die het juiste fundament waarop de Messias zijn gemeente bouwt - het petrafundament – ondermijnen (Mt 16:18).

 

• Dit antichristelijk denken is in feite afvalligheid, maar is op zichzelf, hoe gevaarlijk ook, nog maar een voorproefje van de Grote Afval die zich in de eindtijd zal manifesteren.

 

En die conclusie brengt ons rechtstreeks naar het hoofdstuk in de Bijbel dat de komst van DE Antichrist voor het eerst vrij uitvoerig heeft beschreven, redelijk gedetailleerd en verhelderend.

Wij doelen op 2 Thessalonicenzen, hoofdstuk 2. 

Met name gaat het om het gedeelte 1 t/m 12, een Bijbelpassage die ook wel is aangeduid met de term "de apocalyps" van Paulus' Twee Thessalonicenzenbrief.

Volledigheidshalve moeten we hieraan toevoegen dat de Antichrist niet pas in die Brief voor het eerst in de Bijbel wordt vermeld. Want wij zagen al in Deel 1 dat reeds in Genesis 3:15 op hem werd gezinspeeld. En zelfs vrij uitvoerig wordt hij opgevoerd in de Profetenboeken van het Oude Testament. Te denken valt aan Jesaja, Ezechiël en (vooral) ook Daniël. Maar in die profetische beschrijvingen bleef hij toch - ook voor de Joden - erg geheimzinnig; een heel mysterieuze figuur.

Te beginnen met Paulus' behandeling van het thema werden dan ook voor het eerst zaken verduidelijkt; facetten van het mysterie werden ontsluierd.

 

Het lijkt daarom wenselijk om 2 Thessalonicenzen 2:1-12 vers-voor-vers door te nemen. Voordat we dit gaan doen, het volgende: In Deel 1 stelden we vast dat de Antichrist een replica is van de Anti-god Satan, de Duivel. Zoals we weten zijn er twee aspecten van Satans wezen die in de bijbel vooral worden beklemtoond, t.w.:

1.  De brute tegenstander van christengelovigen die rondgaat als een brullende leeuw, op zoek om te verslinden (1Pt 5:8).

2.  De slang die door listigheid iemands geest probeert te verderven (2Ko 11:3).

Of samengevat:  INTIMIDATIE  en  MISLEIDING.

 

Het verbaast dus absoluut niet dat we dit tweevoudige aspect, dit dualisme, ook bij de Antichrist aantreffen. Bovendien is dit dualisme zo kenmerkend dat we daarop te zijner tijd beslist dieper moeten ingaan. Het punt is namelijk dat de ene keer het accent ligt op het aspect bruutheid of intimidatie, een andere keer op misleiding cq bedrog, wanneer de bijbelschrijvers hem typeren.

De lezer kan voor zichzelf nagaan welk van de twee aspecten in Paulus' beschrijving dominant aanwezig is.

 

2Th 2:1-2   

Wij verzoeken jullie echter, broeders, met betrekking tot de paroesie van onze Heer Jezus Messias en onze bijeenvergadering tot hem, dat jullie niet vlug van je denkvermogen geschud noch verschrikt worden, hetzij door een geest of door een woord of door een brief als door ons, alsof de Dag van de Heer aangebroken is.

 

Uit deze openingsverzen valt af te leiden dat de broeders van de gemeente te Thessalonika sterk waren gefocust op de wederkomst. Kennelijk waren zij na de ontvangst van Paulus' Eerste brief dienaangaande ongefundeerde verwachtingen gaan koesteren. Met 1Thessalonicenzen 4:15-17, het belangrijke Schriftdeel over de Opname, waren zij blijkbaar "aan de haal" gegaan: De reeds gestorven broeders zouden opstaan en tezamen met de levenden opgenomen worden, de Heer tegemoet in de lucht.

 

Speculaties omtrent de nabijheid van die gebeurtenis veroorzaakten zowel schrik als opwinding voor wat betreft De Dag van de Heer; want die Dag was niet alleen de tijd voor de paroesie maar ook een Dag van oordeel en vergelding.

Zie 1Th 5:1-3

Kortom, door de geruchtenstroom die op gang was gekomen en wat Paulus OF gezegd OF geschreven zou hebben over het onderwerp, hadden zij hun nuchtere kijk zo goed als verloren en concludeerde men zelfs: "Het is zover, de Dag van de Heer is daar!".

 

Sommigen waren om die reden gestopt met het verrichten van werelds werk en gaven zich over aan een ongeregeld leven. Zie 2Th 3:10-11.

Hoog tijd dus voor Paulus om hen met de nuchtere feiten te confronteren:

 

2Th 2:3-4

Laat niemand jullie op enigerlei wijze misleiden, want wanneer niet eerst de afval komt en de Mens der Wetteloosheid wordt geopenbaard, de Zoon der Vernietiging [is de Dag van de Heer nog geen realiteit], hij die weerstaat en zich verheft boven al wat god of voorwerp van verering heet, zodat hij zich neerzet in het tempelheiligdom van de [ware] God, zichzelf tonend dat hij goddelijk is.

 

Het zal duidelijk zijn wat Paulus hier vaststelt. De Dag van de Heer is pas zichtbaar wanneer zich twee belangrijke zaken voordoen: de Afval en het verschijnen van de Antichrist. 

Opmerkelijk is dat de apostel helemaal geen verdere uitleg geeft, noch omtrent de Afval noch over de Antichrist, door hem aangeduid als de Mens der Wetteloosheid, d.i. de belichaming van wetteloosheid. Hieruit moeten wij wel afleiden dat deze zaken bij deThessalonicenzen bekend waren, en dat dit zo is blijkt inderdaad uit wat volgt in de verzen 5 en 6.

 

Eerst moeten we echter vaststellen dat Paulus in de verzen 3 en 4 verschillende kwalificaties gebruikt om de Antichrist nader te typeren; aanduidingen die ons ondanks de summiere toelichting toch behoorlijke aanknopingspunten verschaffen om te begrijpen om wie of wat het allemaal gaat.

 

1.  De Mens der Wetteloosheid.

Die benaming wijst er op dat hij de Wetteloosheid in persoon zal zijn. Maar daarmee wordt zijn activiteit ook meteen heel duidelijk in de eindtijd geplaatst. Waarom? Omdat Jezus in zijn "eindtijdrede" onder meer het volgende aankondigde: En wegens het toenemen der wetteloosheid zal de liefde der velen verkoelen.

Vandaar de terechte conclusie dat de Antichrist de sinistere figuur van de "de laatste dagen" zal zijn (Mt 24:12).

 

Voor de verklaring van 1 Johannes 2:18, waarin Johannes reeds in zijn dagen waarschuwde voor antichristelijke leringen, verwijzen wij de lezer naar

a  Waarschuwingen tegen antichristelijke leringen 

b  De Antichrist in Johannes brieven

 

2.  De Zoon der Vernietiging.

Die aanduiding typeert de Antichrist als een verrader. Want de enige andere keer dat deze uitdrukking in de Schrift wordt gebruikt, wordt ze toegepast op Judas, de verrader. Jezus zelf noemde hem in Jh 17:12 de zoon der vernietiging. De betekenis van de uitdrukking gaat evenwel verder, zoals zal blijken in vers 8. Zijn aanwezigheid op het aardse toneel zal heel kort zijn. Zodra hij geopenbaard wordt, is ook zijn einde vrijwel nabij. Op 17:8 laat dat punt wel heel nadrukkelijk uitkomen, met de voorzegging dat het Beest op het punt staat uit de afgrond op te stijgen, en het gaat heen in vernietiging.

 

3.  De Tegenstander.

Hij verheft zich namelijk arrogant boven alles wat god of voorwerp van verering heet, zodat hij zich neerzet in het tempelheiligdom van de [ware] God, zichzelf tonend dat hij goddelijk is.

Vooral die typering is onthullend.

 

a Omdat ze in overeenstemming is met het meest opvallende kenmerk waaraan de Antichrist te herkennen zal zijn, een kenmerk dat vrijwel steeds opduikt zodra hij ergens in de Bijbel wordt opgevoerd, namelijk zijn mateloze arrogantie tegenover de ware God zelf, tegen wie hij zich aanmatigend verzet, in grootspraak en in optreden.

De volgende Schriftgedeelten geven daarvan een impressie:

Daniël 7:8, 20; 8:11, 25 en Openbaring 13:5-6.

 

b Omdat Paulus hier teruggrijpt op Daniël 11:36-37 waar sprake is van de Koning van het Noorden die optreedt in de eindtijd.

Deze koning is de centrale figuur in het resterende deel van Daniël, hoofdstuk 11, de verzen 36 tm 45. En die zogeheten Koning van het Noorden  is ook al zo'n mysterieus figuur die Bijbelverklaarders altijd hoofdbrekens heeft gegeven.

Maar één punt is helder: De Mens der Wetteloosheid, alias de Antichrist, wordt –hoewel hij een geestelijke macht is - in de verzen 36 en 37 van Daniël 11 getekend als een KONING, een politiek heerser derhalve.

 

Die conclusie ontkracht derhalve de opvatting dat de Antichrist al in een ver verleden op (vooral) het religieuze toneel der wereld verschenen zou zijn, met name in de vorm van de christenheid met haar klasse van geestelijken. De voornaamste reden die sommige religieuze denominaties voor die opvatting hebben is de geloofsafval die zich vanaf ongeveer de Derde eeuw na Christus inzette. Die afvalligheid van het ware Christendom zou dan de vervulling zijn van de voorzegde geloofsafval waarop 2Th 2:3 zinspeelt.

 

Maar de Antichrist zal zich naast een godheid vooral opwerpen als een politiek heerser, niet als een klasse van afvallige geestelijke leiders. De opvatting dat de Antichrist al heel lang geleden zou zijn verschenen, vertegenwoordigt derhalve een heel gevaarlijke visie. Ze geeft namelijk niet alleen voedsel aan een zelfgenoegzame houding, maar houdt ook in het geheel geen rekening met de geestelijke gevaren die in de naaste toekomst zullen opdoemen. De gedachte aan een naderend geestelijk gevaar is dan immers totaal afwezig.

 

2Th 2:5-6 

Herinneren jullie je niet dat ik, toen ik nog bij jullie was, deze dingen met jullie placht te bespreken? En nu weten jullie wat [hem] weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt.

  

Paulus zegt dus zoveel als "Waar zit jullie geheugen? We hebben het toch vaak genoeg met elkaar over deze zaken gehad. Maar goed, nu jullie herinnering is opgefrist weten jullie ongetwijfeld weer dat de paroesie er gewoon nog niet kan zijn en ook dat de Dag van de Heer nog niet is aangebroken; de Opname heeft derhalve nog niet plaats gevonden. En waarom het nog niet zover is weten jullie eveneens: Er is immers van een belemmering sprake zodat hij niet maar kan verschijnen wanneer hij dat zelf wenst. Absoluut niet. God heeft de regie in handen, wat inhoudt dat die arrogante pseudo-god pas eerst geopenbaard wordt wanneer de tijd daarvoor in Gods voornemen is aangebroken".

 

De Thessalonicenzen waren dus best goed geïnformeerd; en wij zouden dat ook wel willen, want wij blijven toch wel met enkele vragen zitten, zoals de kardinale vraag die Bijbelonderzoekers zich alle eeuwen door hebben gesteld: Wat is precies datgene wat de Antichrist tegenhoudt; welke belemmering verhindert tot op heden zijn verschijning op het wereldtoneel? Het volgende vers geeft wel enige indicatie dienaangaande, maar lost het probleem niet echt op.

 

2Th 2:7   

Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds werkzaam; alleen die weerhoudt, totdat hij uit het midden geraakt.

 

Niet alleen de Antichrist is een Bijbels mysterie, maar ook het taalgebruik van de apostel klinkt heel geheimzinnig. Wat we vanuit vers 7 wijzer zijn geworden is dat

a er reeds antichristelijke activiteit merkbaar is, maar dat feit was zelfs reeds bij ons niet geheel onbekend, gelet op 1Jh 2:18, en

b er iets speciaals is wat het verschijnen van de Antichrist verhindert.

In vers 6 wat weerhoudt, verbonden met een zaak [το κατεχον], maar hier (in vers 7) die weerhoudt, verbonden met een persoon [ο κατεχων].

 

Wat de betekenis daarvan ook moge zijn, aan de woorden in 2:11 kan in ieder geval niet worden voorbijgegaan. Daar immers zal de apostel het volgende schrijven: En om die reden zendt God hun een werking van dwaling zodat zij geloof hechten aan de leugen.

God zelf heeft dus blijkbaar in de eerste plaats te maken met dat wat de Antichrist nog weerhoudt. Tevens wordt het feit van zijn uiteindelijke verschijning in verband gebracht met een werking van dwaling die God bewust tot de mensen laat gaan. Maar daarover meer in Deel 4.

 

-.-.-.-