Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Twee Vrouwgemeentes - Deel 2

De Twee Vrouwgemeentes - Deel 2

Een hernieuwd huwelijksverbond in de Wildernis

 

Mattheüs 23:37-39  

Psalm 118 

Hosea 2

Ezechiël 20:32-42

Jesaja 14

Jesaja 40

Hosea 3

Jeremia 31

 

Mattheüs 23:37-39

Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar gezonden zijn.

Hoe dikwijls wilde ik je kinderen bijeenvergaderen op de wijze waarop een hen haar kuikens vergadert onder de vleugels, maar jullie wilden niet.

Zie, jullie Huis wordt jullie woest achtergelaten.

Want ik zeg jullie: jullie zullen mij van nu af geenszins zien totdat jullie zeggen :

Gezegend hij die komt in naam van de Heer!

 

Over stemmingswisselingen gesproken! Hierover hebben we het uitgebreid gehad in Deel 1.

In de profetische beschrijvingen van het verloop van Israëls historie wisselen onheil en herstel c.q. redding zich in de Oudtestamentische profetieën geregeld af. En nu zien we hier, in Mattheüs 23:37-39, dat Jezus dat principe eveneens hanteert.

 

Enerzijds valt ons de scherpe veroordeling van het slechte deel van Israël op als hij spreekt over de nabije ondergang van de stad en de tempel. "Jullie Huis" als aanduiding van de tempel - die al genoemd werd in vers 35 - of impliciet ook van de stad als geheel, was in feite het ergste wat Jezus kon aankondigen.

Het hield immers in dat Jahweh God Israël niet langer als zijn Huis zou beschouwen. Zijn goedgunstige aanwezigheid zou tot het verleden behoren, of op z’n minst opgeschort worden.

Jezus kan daarbij Jeremia 12:7 in gedachten hebben gehad:

 

Ik heb mijn Huis verlaten; ik heb mijn erfdeel in de steek gelaten; ik heb de Geliefde van mijn ziel in de handpalm van haar vijanden gegeven.

 

Anderzijds blijkt Jezus' aankondiging van oordeel toch niet het laatste woord te zijn, zoals ook Gods uitspraak door Jeremia niet een definitieve veroordeling inhield. Ook al gaf Jahweh zijn volk in zekere zin prijs, het bleef niettemin zijn volk, zijn erfdeel, zijn Geliefde. In werkelijkheid lijdt hij als de liefhebbende Echtgenoot die corrigerend moet optreden omwille van de ontrouw van de partner. 

Zo is ook de aankondiging door Jezus dat God zich afkeert van aards Jeruzalem niet bedoeld als geldend voor altijd, want zijn weeklacht over de stad eindigt met een uitspraak die uiteindelijk hoopgevend is. Zinspelend op de lange periode tussen zijn optreden van dat moment en zijn hernieuwde aanwezigheid (paroesie), zegt hij immers:

 

Jullie zullen mij van nu af geenszins zien totdat jullie zeggen :

Gezegend hij die komt in naam van de Heer!

 

Traditioneel wordt die uitspraak uitgelegd als zou ze betekenen dat de Joden hem dan weer zullen zien en hem zullen begroeten met de profetische woorden van Psalm 118:26.

Op zondag 9 Nisan van het jaar 33 vervulde Jezus zowel Zacharia 9:9 als Psalm 118:26 toen hij zegevierend Jeruzalem binnenreed en zich aan de joden als hun koning aanbood. De details daarover vinden wij in Mattheüs 21:1-9.

Daaruit begrijpen we dat de schare die Jezus in triomf binnenhaalde in hem  de vervulling zag van Psalm 118:26. Ná Pinksteren zinspeelde Petrus bovendien op vers 22 van dezelfde Psalm toen hij ten overstaan van de Joodse Hoge Raad Jezus aanduidde met de Steen die door u, bouwlieden, werd behandeld alsof hij van geen belang was, die het hoofd van de hoek is geworden (Hn 4:11).

 

Psalm 118 bleek dus in de Eerste eeuw toepasbaar op Messias Jezus. En gezien Mt 23:37-39 zou de vraag gesteld kunnen worden of het Overblijfsel van de eindtijd wederom, maar dan op haar eigen wijze, het beeld van Psalm 118 zal vervullen doordat zij Jezus als hun ware Messias zullen begroeten.

Daarbij wordt door sommigen gedacht aan het beeld van de Grote Schare waarvan de leden in Openbaring 7:9-10 eveneens met palmtakken in hun handen worden gezien:

 

Na deze dingen zag ik en zie! Een talrijke menigte die niemand tellen kon, uit alle natiën en stammen en volken en talen, staande vóór de troon en vóór het Lam, gehuld in witte gewaden en palmtakken in hun handen.

En zij roepen luidkeels, zeggend: De redding aan onze God die op de troon is gezeten en aan het Lam.

 

Toch is het maar zeer de vraag of de Grote Schare met palmtakken in de handen opnieuw het beeld van Mt 21:1-9 zal vervullen. Even onzeker is de gedachte of er een link is met Psalm 118:26. Waarom?

Omdat de beelden van het boek Openbaring gewoonlijk teruggrijpen op OT- en niet op NT Schriftgedeelten. Openbaring 7:9 behoeft danook niet noodzakelijk te steunen op het tafereel van Johannes 12:12-13, waar eveneens de intocht in Jeruzalem wordt verhaald:

 

De volgende dag, toen de grote menigte die voor het feest gekomen was, hoorde dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij palmtakkenτα βαια των φοινικων - gingen uit hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend hij die komt in de naam van de Heer! en: De koning van Israël!

 

Te meer omdat in Op 7:9 palmtakken op een andere manier wordt weergegeven: φοινικες, of volgens het א-manuscript: φοινικας.

De א-weergave (φοινικας) wordt verder alleen nog aangetroffen in de Septuagint, in het apocriefe boek 2 Makkabeeën 10:7. Daar worden de vreugdevolle ceremoniën verhaald rondom de reiniging en het weer in gebruik nemen van de tempel te Jeruzalem na de ontwijding ervan door Antiochus IV:

 

Vol vreugde vierden ze acht dagen lang feest, zoals dat ook voor het Loofhuttenfeest gebruikelijk is …. Ze droegen met loof versierde stokken, groene twijgen en palmtakken (φοινικας) en zongen lofliederen op Hem die hen in staat had gesteld Zijn huis te reinigen. Bij algemeen besluit werd bepaald dat het hele Joodse volk voortaan ieder jaar deze dagen zou vieren.

(2 Makk 10:6-8; NBV)

 

Is het denkbaar dat in Openbaring 7:9 op deze geschiedschrijving wordt ingespeeld?

Persoonlijk achten wij dit niet onmogelijk:

(1) Het gaat hier om het Chanoekafeest dat Jezus blijkbaar erkende. Zie Jh 10:22-23.

(2) De ontwijding van de tempel door Antiochus IV werd door Daniël profetisch aangekondigd in Daniël 11:30-31.

(3) In Mattheüs 24:15 gaf Jezus te kennen dat die gebeurtenis typologische betekenis heeft. In de eindtijd zou de Antichrist, afgebeeld door Antiochus IV, de verwoestende gruwel oprichten.

(4) Zoals uit bovenvermeld citaat blijkt werd het feest Chanoeka volgens de wijze van het Loofhuttenfeest gevierd. Chanoeka wordt daarom ook wel aangeduid met Het Loofhuttenfeest van de maand Kislev.

Vandaar dat de feestvierders palmtakken droegen.

(5) In de context van het relaas – in vers 5 – is sprake van de reiniging van de ναος (of: νεως in Attisch Grieks), dat wil zeggen van het tempelheiligdom.

(6) In het bijbelboek Daniël – in hoofdstuk 8 – wordt geprofeteerd dat de Antichrist onder de figuur van een Kleine Horen zich arrogant zal verheffen; tegen de Hemel, ja, zelfs tegen God, de Vorst van het Heir.

Het dagelijks offer zal hem ontnomen worden en zijn heiligdom zal vertrapt worden. Maar na 2300 avonden en morgens zal het heiligdom in rechten staat hersteld worden.

Zie Dn 8:9-14.

 

Welke details omtrent de Grote Schare van Openbaring 7:9 mogen wij uit dit alles wellicht afleiden?

Welnu, in dat visioen zien wij hen voor de troon van God, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen, terwijl zij redding toeschrijven aan God en aan het Lam. Naderhand zal een Oudste aan Johannes uitleggen dat zij uit de Grote Verdrukking komen; dat zij hun gewaden hebben gewassen en wit hebben gemaakt in het bloed van het Lam; en dat zij om die reden zich voor de troon van God bevinden en hem dag en nacht dienen in zijn ναος (Op 7:10, 14-15).

 

Tegen die tijd is de Grote Schare blijkbaar door de tegenbeelden gegaan van de hierboven opgesomde voorbeeldige gebeurtenissen. Gods heiligdom is na de neerwerping ervan door de Antichrist, in rechten staat hersteld; de ναος is gereinigd zodat de tegenbeeldige Levieten, de getrouwe joodse Rest, daarin God voortdurend kunnen dienen; het Loofhuttenfeest van het Millennium – het feest van de grote inzameling – kan gevierd worden.

Vergelijk Zc 14:16-19; Lv 23:33-36, 39-43 en Dt 16:13-15.

 

Psalm 118

De lezer zal nu ongetwijfeld opmerken: In deze visie verdwijnt de Grote Schare uit het beeld van Psalm 118:26!

Dat is op zich juist. Niettemin geloven wij dat het joodse Overblijfsel als de tegenbeeldige Levieten wel degelijk veel met Psalm 118 te maken heeft, want bij zorgvuldige beschouwing van de Psalm dringt de gedachte zich aan ons op dat het feitelijk de Vrouwgemeente van etnisch Israël moet zijn die - in het Overblijfsel gepersonifieerd – in deze Psalm aan het woord is. Beschouw enkele verzen:

 

118:5

In benauwdheid riep ik Jahweh aan. Jahweh antwoordde mij en gaf mij verademing.

De hier genoemde benauwdheid correspondeert met de Grote Verdrukking waaruit Jakob zal worden gered.

Jr 30:7; Dn 12:1; Mt 24:21-22.

In die moeilijke tijd zal het gebed van Israëls Rest gehoord worden; en dat gebed zal beantwoord worden met verademing; letterlijk: in de ruimte geplaatst worden.

 

118:10-12

Alle Heidenvolken hadden mij omringd… Zij hadden mij omringd als bijen, zij zijn uitgedoofd als een vuur van dorens.

In het boek Zacharia dat sterk eindtijdgericht is, worden alle natiën door Jahweh tegen Jeruzalem ten oorlog vergaderd (Zc 14:2-3).

Die natiën zullen zijn als een vuur van dorens, d.i. kortstondig opflikkerend en knetterend, maar spoedig uitgebrand. Vergelijk Ps 83:13-14; Jr 25:31-33; 30:23-24.

Van de Messias kan niet gezegd worden dat hij, toen hij op aarde was, door alle natiën werd omringd; noch dat ze toen werden uitgeblust als een vuur van doornbossen.

 

118:17-18 

Ik zal niet sterven maar leven, en ik zal de werken van Jahweh vertellen. Jahweh heeft mij wel streng gecorrigeerd, maar aan de dood heeft hij mij niet overgegeven.

God hoefde zijn Zoon Jezus niet streng te corrigeren, wél zijn Volk. Voor de joodse Rest geldt: Wél correctie, maar géén verdelging. Zie Jr 30:11; 10:24-25

 

118:19-21

Open mij de poorten der rechtvaardigheid, ik zal daardoor binnengaan, ik zal Jahweh loven.

Dit is de poort van Jahweh, de rechtvaardigen zullen daardoor binnengaan.

Ik zal u loven, omdat u mij hebt verhoord en mij tot redding werd.

Het Overblijfsel van Israël verzoekt om het paleis [de ναος, LXX] van de Grote Koning te mogen binnengaan.

Een passend verzoek, want uit Op 7:14 en 22:14 weten wij nu reeds dat dit verzoek gehonoreerd zal worden. De leden van Israëls Overblijfsel zullen hun gewaden mettertijd wassen en wit maken in het bloed van het Lam en bijgevolg het Nieuwe Jeruzalem, de Tempelstad, binnengaan door haar poorten. 

 

Vergelijk ook Ps 45:14b-15, waar we vernemen dat zij de maagden zijn die als metgezellinnen van Jezus' Bruidgemeente zullen optreden en het paleis [eveneens ναος, LXX] van de Koning zullen binnentreden.

 

118:22-23

De Steen, die de bouwlieden verachtten, is tot hoofd van de hoek geworden.

Vanwege Jahweh is dit: Een wonder in onze ogen!

Er is gesuggereerd dat deze gedachte letterlijk werd vervuld bij de bouw van de Tweede tempel.

Toen volgens Ezra 3:10-13 op feestelijke wijze het fundament werd gelegd, verheugden niet alle aanwezigen zich over die gebeurtenis. De ouden onder het volk die Salomo’s tempel nog hadden gezien, weenden luid. Die grondsteen werd als een dermate armoedig begin gezien dat men hem niet geschikt achtte om als grondslag te fungeren voor Gods glorierijke Huis. 

 

Het kan heel goed zijn dat Psalm 118:22 op dat beeld rond de bouw van de tweede tempel steunt.

De frase de Steen die de bouwlieden hebben veracht, kan om die reden tot een destijds gebruikelijk gezegde zijn geworden:

Wat aanvankelijk als niets wordt beschouwd,  wordt naderhand van overwegend belang.

 

In die zin is een dergelijk gezegde breed toepasbaar. De bekendste toepassing is uiteraard die op Messias Jezus. Hijzelf, en later ook zijn apostel Petrus verwezen naar de joodse 'bouwlieden' die hun Messias als van geen betekenis achtten. Toch is hij door God hemelhoog verheven en de grondslag geworden van al Gods voorzieningen voor redding (Mt 21:42; Hn 4:11-12; Fp 2:9-11; Ef 2:20-21).

 

Een gezegde dus, of spreekwoord, dat breed kan worden toegepast, maar wel volgens een regel die in de Bijbel consequent wordt gehanteerd: in de toepassingen moet een zekere analogie herkenbaar zijn. Welnu, we zagen reeds in de opbouw van Ps 118 dat het joodse Overblijfsel daarin centraal staat. Vandaar dat wij aannemen dat vers 22 ook in verband met die getrouwe Rest een zelfde idee onthult: Van absoluut niets geacht tot hoofdzaak geworden.

 

Psalm 118:22 wijst daarom op een grootse waarheid die een commentator in de volgende bewoordingen vertolkte:  

Een beeld der macht en grootheid, tot welke Israël uit zijn diepe vernedering te midden der volkeren verheven zal worden.

Een dergelijk wonder kan slechts door Jahweh plaats vinden. Menselijk gezien lijkt het nauwelijks mogelijk dat het ook werkelijk gebeuren zal. Vandaar vers 23:

Vanwege Jahweh is dit: Een wonder in onze ogen!

 

Het wonder is gelegen in de omstandigheid dat Israël - door de heersers der natiën bij het opbouwen van hun rijken veracht en vaak vervolgd - vanwege Jahweh God tot de hoeksteen wordt gemaakt van een nieuwe, gezonde Wereldorde.

De herstellingsprofetieën ondersteunen die zienswijze.

 

Want aldus spreekt Jahweh: Jubelt van vreugd over Jakob; juicht om het hoofd der natiën. Verkondigt, looft en zegt: Jahweh heeft zijn volk gered, de Rest van Israël!

(Jr 31:7)

  

Profetieën die laten uitkomen dat het als niets geachte Israël van overwegend belang wordt, treffen we verder aan in:

Jesaja 32:1-3; 44:21-23; 51:21-23; 60:10, 13-14; 61:5-7; 62:2-4, 11-12.

Ezechiël 36:33-36.

Psalm 45:15-16; 47:1-4; 102:1-8, 13-18; etc.

 

Zoals Farao Israël als natie minachtte (Ex 5:1-3), zal ook de toekomstige Antichrist aanmatigend van oordeel zijn dat hij Israël als van geen belang terzijde kan schuiven (Js 10:8-11).

Maar Gods krachtige rechterhand bracht ondergang over de Farao terwijl Israël werd uitgeleid tot redding en naderhand in het Beloofde Land werd verhoogd als Gods eigen erfdeel.

Zie Ex 15:4-7, 16-18.

 

Psalm 44:1-8 geeft aan dat het niet anders zal gaan in de voleinding der eeuw waarin de Antichrist als een 8e koning op tirannieke wijze als wereldheerser optreedt.

Dn 11:44-45; Js 10:15-27, 33-34; Op 17:11.

 

Het lijkt waarschijnlijk dat dit bij uitstek bijbelse thema aan de basis ligt van het moeilijk te begrijpen schriftdeel Openbaring 11:1-12, waarin het optreden van de Twee getuigen in de toekomstige Dag des Heren wordt beschreven. Diverse passages afkomstig uit het boek Zacharia, de hoofdstukken 2-4, zijn opvallend in dit deel van de Apocalyps vertegenwoordigd. De uitwerking daarvan in hoofdstuk 11 geeft ons opnieuw de verzekering dat de verachte joodse Steen een hemelhoge verheffing zal ervaren.

Zie Deel 3 in deze serie.

 

118:24-26

Dit is de dag die Jahweh gemaakt heeft. Laat ons juichen en verheugd zijn daarop.

Ach Jahweh, red toch. Ach Jahweh, laat het toch gelukken, smeken wij u.

Gelukkig hij die komt in de naam van Jahweh. Wij verwelkomen u met zegen vanuit het Huis van Jahweh.

De Dag die Jahweh heeft gemaakt is de toekomstige dag waarop het nieuwe paleisachtige tempelheiligdom (naos) wordt ingewijd.

In de woorden van vers 19 had het Overblijfsel Jahweh reeds verzocht voor hen de poorten der rechtvaardigheid (van het heiligdom) te openen opdat zij naar binnen konden gaan. Nu zijn zij, tezamen met het hemelse deel van het Israël Gods, de complete naos, een woonplaats van God in geest.

 

In Het Messiaanse tijdperk wordt de naos immers opgebouwd uit mensen (Efeziërs 2:20-22).

Welnu, het bouwwerk is  voltooid; de inwijding is daar.

Indien we consequent vasthouden aan de lijn van redenatie welke we tot hiertoe volgden is de Gelukkige die komt in de naam van Jahweh, ook nu de joodse Rest. De leden daarvan worden door de (reeds aanwezige) hemelse priesterschap met zegen verwelkomd.

 

Indien dát de principiële betekenis van deze passage is, hoe moeten we dan tegen Jezus’ woorden in Mattheüs 23:39 aankijken? Wellicht meer genuanceerd dan werd gesuggereerd in de inleiding van dit Deel 2.

 

Want ik zeg jullie: jullie zullen mij van nu af geenszins zien totdat jullie zeggen :

Gezegend hij die komt in naam van de Heer!

 

Jezus wist heel goed dat hij twee dagen eerder door het volk met deze woorden was verwelkomd. Gedurende de 20 eeuwen die daarop gingen volgen zouden de Joden evenwel ontkennen dat de Messias was gekomen. Naar zijn wederkomst zouden zij dus zeker niet uitzien.

Toch verzekerde Jezus hun dat zij – of liever gezegd hun tegenhangers van de eindtijd met dezelfde instelling als zij, d.i. moordzuchtig – hem niettemin zouden 'zien'. Maar die gebeurtenis zou samenvallen met hun geloof in en steun aan de pseudo-Messias. Met zijn uitspraak kan Jezus dus gezinspeeld hebben op de mogelijkheid dat in de 70e Jaarweek het ontrouwe deel van Israël hun eigen Messias, de Antichrist, met de woorden van Psalm 118 zou inhalen.

 

Voor deze zienswijze pleit eveneens Mt 24:4-5.

Het eerste namelijk waarvoor Jezus waarschuwde nadat hem gevraagd was naar het teken van zijn paroesie en de voleinding der eeuw, is de verschijning van misleiders in zijn naam die zich voor de Messias zouden uitgeven.

Zie ook Mt 24:23-25.

 

118:27-29

God is Jahweh; hij geeft ons licht. Bindt het feestoffer met koorden tot aan de horens van het altaar.

Gij zijt mijn God; u wil ik lofprijzen, mijn God, ik zal u verhogen.

Brengt dank aan Jahweh, want hij is goed, want eeuwig duurt zijn liefderijke gunst.

Het slotgedeelte van deze Psalm toont ons de glorierijke toekomst in de vorm van een feestelijke Loofhuttenviering, de grote inzameling gedurende het Millennium. Zie ook Zc 14:16-19.

 

In het bijzonder bij de overgang naar het Millennium toont Jahweh dat hij de ware Goddelijke is, de enige Machtige. In zijn liefderijke gunst straalt een vloed van geestelijk licht van zijn aangezicht naar het Overblijfsel.

Op hun beurt geven zij gehoor aan de oproep om zichzelf geheel en al aan God aan te bieden, in de tegenbeeldige aardse voorhof.

Dát is de voor hen bestemde plaats binnen de naos om God te lofprijzen en hem voor het oog van allen te verhogen.

Daar ook brengen zij het feestoffer, dat als het ware met koorden van liefde wordt verbonden aan de hoeken van het altaar.

 

Precies zoals voor christenen thans het geval is, geldt ook voor hen dat de liefde van de Messias hen dringt (2Ko  5:14). Ook zij voelen zich gebonden aan het altaar van Gods wil waarop het slachtoffer van Jezus' leven verzoening met God voor hen bracht. In deze "gebondenheid" ervaren zij de ware vrijheid. Zij zijn niet langer het Jeruzalem van thans dat met haar kinderen in slavernij verkeert (Hb 10:5-10 en Gl 4:25).

 

Zie: Offerdienst Oude Verbond ontoereikend; het volmaakte offer

alsook Het christelijk altaar

en Vrouwe Sion - de Onvruchtbare die toch baarde

 

==================================================

 

Hosea 2

Maar wij keren terug tot Hosea's huwelijk met Gomer, waarmee wij ons in Deel 1 al hebben beziggehouden.

Hoe ging het verder in die huwelijksrelatie?

We zagen wat deze verhouding voor Hosea allemaal inhield: "een vrouw van hoererij en kinderen van hoererij", waardoor werd uitgebeeld dat Israël door hoererij zich van het volgen van haar Echtgenoot Jahweh afkeerde.

In Hosea 2:2-13 wordt Gods aanklacht jegens Israël in details geformuleerd.

 

Hs 2:2 

Klaagt uw moeder aan, klaagt haar aan. Want zij is niet mijn vrouw en ik ben haar man niet. Laat zij de tekens van de ontucht wegdoen van haar gezicht en de tekens van het overspel wegdoen tussen haar borsten.

"De tekens van ontucht" zijn blijkbaar de sieraden die gedragen werden in de Baälcultus en daarom tekens van ontrouw jegens Jahweh.

 

Hs 2:3

Anders kleed ik haar helemaal uit, zet ik haar moedernaakt neer, maak ik van haar een woestijn, verander ik haar in uitgedroogd land en laat ik haar sterven van dorst.

"Naakt uitkleden" ziet terug op het oude gewoonterecht dat een echtgenoot zich ontslagen wist van de verplichting een ontrouwe echtgenote nog langer te onderhouden. Zie Jeremia 13:22.

In vers 9 kunnen wij zien dat ook Jahweh zich aan dat recht houdt.

 

Hs 2:4-5

En ook met haar kinderen geen erbarmen! Het zijn kinderen van ontucht!

Hun moeder immers heeft ontucht bedreven en zij die zwanger van hen is geweest heeft zich schandelijk misdragen. Haar leus was: ik ga mijn minnaars achterna; die bezorgen mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank!

In haar afgoderij was Israël tot dezelfde gedachtegang vervallen als de heidense Kanaänieten die meenden dat zij de vruchten van het land ontvingen van hun goden, die in hun visie voor de ware eigenaars van de bodem doorgingen.

 

Hs 2:6-8 

Daarom ga ik, Jahweh, met dorens uw weg versperren; met een muur ga ik haar insluiten, zodat ze niet meer op pad kan. Als zij haar minnaars achterna wil, zal zij hen niet bereiken; als ze hen zoekt, zal ze hen niet vinden. Dan zal ze zeggen: Ik wil terug naar mijn eerste man, want toen had ik het beter dan nu. Zij wil maar niet weten dat ik het ben die haar koren bezorg en most en olie, dat ik haar verrijk met het zilver en met het goud waar ze Baäls van maken.

Israël wil maar niet erkennen dat alle voorspoed van Jahweh God komt.

Die houding is terug te voeren op onwetendheid - hoewel een schuldige onwetendheid - die ontstaat wanneer men verstrikt raakt in valsreligieuze ideeën. Vergelijk Hs 4:6.

 

In vers 8 komt voor de eerste maal in dit bijbelboek de naam Baäl voor. Baäl betekent heer, eigenaar, gewoonlijk van een bepaald gebied. Baäl was een landbouwgod en zijn cultus een natuurdienst, die met zedelijke uitspattingen vergezeld ging.

In de LXX staat Baäl in het vrouwelijk enkelvoud. Israël maakte zilveren en gouden beeldjes voor Vrouwe Baäl.

Er wordt daarom verondersteld dat Baäl een tweeslachtige god was. Bij de losbandige riten voor deze androgyne god droegen de mannen danook vrouwenkleren en de vrouwen mannenkleding. 

 

Hs 2:9-10 

Daarom neem ik mijn koren terug zodra de oogsttijd komt, en ook mijn most, zodra het zijn tijd is; daarom ruk ik mijn wol en mijn vlas van haar weg, die haar naaktheid moeten bedekken.

Dan stel ik haar schaamte ten toon voor de ogen van haar minnaars en niemand ontrukt haar aan mijn hand.

Als Jahweh zijn goede dingen van Israël wegneemt blijft zij "naakt" achter en stelt hij haar voor de ogen van haar minnaars te kijk. Want in de cultus van Baäl moet zij dan zonder offergaven verschijnen.

 

Hs 2:11

Ik maak een eind aan al haar plezier, haar hoogtijdagen, haar nieuwe maan, haar sabbat en al haar festiviteiten.

Waarom zou Jahweh haar feestgelegenheden - wekelijks, maandelijks en jaarlijks - doen ophouden, aangezien hijzelf ze als inzettingen had gegeven? Waarschijnlijk omdat zij door de Israëlieten misbruikt werden, hetzij

a.) voor de eigenlijke Baäldienst, of

b.) voor een onwettige cultus die in naam aan Jahweh was gewijd, maar waar het op zijn Kanaänitisch toeging.

 

Hs 2:12

Ik verwoest haar wingerden en vijgenbomen, waarvan zij beweert: Dit is het loon dat ik gekregen heb van mijn minnaars. Ik maak er verwilderd hout van, waar de dieren aan vreten.

Vooral de wijnstok en de vijgenboom – de "paradijs"-bomen, vergelijk - worden door die joodse afgodendienaars voor een geschenk van de Baäls gehouden. Omdat het door Jahweh echter als hoerenloon wordt bezien, gaat hij er toe over om er een woud, een wildernis, van te maken.

Vergelijk Gn 3:7; Rc 9:10-13, Mc 4:4 en Zc 3:10.

 

Hs 2:13

Ik vraag haar rekenschap voor de dagen die zij aan de Baäls gewijd heeft, waarop zij offervuren voor hen brandde, waarop zij, gesierd met haar ringen en halstooi haar minnaars achterna ging en mij vergat.

Dit zouden we de climax kunnen noemen van een roerende klacht van Iemand wiens liefde werd versmaad: "En mij vergat zij!". Dus ook: "Daarvoor vraag ik haar rekenschap"

 

Jahweh God doet altijd wat hij aankondigt. Hij zal - en heeft dat ook gedaan – etnisch Israël rekenschap vragen. Maar, zoals al eerder opgemerkt, na toediening van correctie volgt genezing. Hoe kan dat? Vanwege het Overblijfselprincipe. Jesaja profeteerde korte tijd ná Hosea:

 

Een Overblijfsel zal terugkeren, het Overblijfsel van Jakob, tot de Sterke God.

Want al ware uw volk, o Israël,  als het zand der zee, een Rest daarvan keert terug.

 

Er resteert dus een goed deel van Israël. Dat is de grondslag waarom er genezing, herstel, kan komen. Voor het slechte deel geldt:

 

Tot een volledig einde is vastbesloten: overvloeiende rechtvaardigheid. Want een volledig einde waartoe vastbesloten is voltrekt de Heer, Jahweh der legerscharen, in het midden van het gehele land. 

 

Zie Jesaja 10:21-23 waar de betekenis van de naam van één van Jesaja's zonen Schear-Jaschub [Rest-Terug] wordt uitgewerkt in een concrete voorzegging en waarin wordt onthuld dat de naam dubbelzinnige betekenis heeft: Hoopvol voor de Rest die tot God terugkeert en daardoor ontsnapt aan een grote catastrofe die over het onvermurwbare deel komt (Js 7:3).

Voor de laatsten ligt derhalve slechts dreiging opgesloten in Rest-Terug: Oordeel in de vorm van rampspoed over het ontrouwe deel, maar herstel en zegen voor de getrouwe Rest.

 

Daarom neemt Hosea, hoofdstuk 2 op dit punt, bij vers 14, weer zo'n wending die we niet vlug verwacht zouden hebben: Jahweh zal alsnog van zijn genegenheid jegens zijn Vrouwgemeente Israël blijk geven.

Een enorm tijdvak in de historie overbruggend, spreekt Jahweh bij monde van de profeet aldus:

 

Hs 2:14-20

Daarom, zie! Ik overreed haar en breng haar in de wildernis en spreek tot haar hart.

En ik wil haar van daaruit haar wijngaarden geven en het dal van Achor tot een poort der hoop; en zij zal daar volgzaam zijn als in de dagen van haar jeugd en als in de dag toen zij vanuit het land Egypte optrok.

En het zal zijn op die dag, zegt Jahweh, dat gij zult roepen Isji ["Mijn echtgenoot"] en gij zult mij niet meer noemen Baäli ["Mijn eigenaar"].

Want ik verwijder de namen der Baäls uit haar mond, en zij zullen niet meer bij hun naam gedacht worden.

En ik wil voor hen op die dag een verbond sluiten met de beesten van het veld en met de vogels des hemels en met het kruipend gedierte van de aardbodem, en boog en zwaard en oorlog zal ik uit het land verbreken, en ik wil hen veilig doen neerliggen.

En ik zal mij aan u verloven voor altijd, mij aan u verloven in rechtvaardigheid en in gerechtigheid en in liefderijke goedheid en in barmhartigheden.

En ik zal mij aan u verloven in getrouwheid; en gij zult Jahweh kennen.

 Het is duidelijk: Jahweh neemt zijn Vrouwgemeente Israël terug. Maar wanneer gaat dat gebeuren?

Dat moet zijn omstreeks de overgang naar het Millennium, gezien de paradijsbelofte van vers 18.

De paradijsvrede zal hersteld worden: En ik wil voor hen op die dag een verbond sluiten met de beesten van het veld en met de vogels des hemels en met het kruipend gedierte van de aardbodem, en boog en zwaard en oorlog zal ik uit het land verbreken, en ik wil hen veilig doen neerliggen.

 

Dat we binnen de omlijsting van die geluksprofetie moeten kijken in de richting van een aardse, voorspoedige situatie, wordt ondersteund door vers 23 waar de betekenis van Jizreël ["God zal zaaien"] wordt toegepast doordat ten aanzien van het teruggekeerde, herstelde Israël wordt aangekondigd:

 

Dan zal ik haar voor mij zaaien in de aarde, en ik wil barmhartigheid betonen aan Lo-Ruchama ["Haar die geen barmhartigheid werd betoond"].

 

Teneinde Israël terug te winnen en om haar liefde te verwerven leidt Jahweh haar in de woestijn (of wildernis), en spreekt daar tot haar hart (vers 14). Een beeld dat wel moet appelleren aan haar genegenheid voor haar echtgenoot omdat het niets anders dan warme herinneringen aan haar jeugdtijd in haar moet wakker maken.

 

Maar de wildernis is niet bepaald een ideale plaats, zal men zeggen. Dat is voor God geen probleem.

Destijds, na de Uittocht, bewees Jahweh dat hij zelfs in de wildernis voor een miljoenenvolk kon zorgen door hen van al het nodige te voorzien.

En we wezen ook al op de verzen 18 en 23, waaruit kan worden opgemaakt dat God een totale ommekeer kan brengen in ongunstige omstandigheden.

 

Vers 15 toont Gods wondermacht: En ik wil haar van daaruit [de wildernis] haar wijngaarden geven en het dal van Achor tot een poort der hoop.

Te midden van het dorre land verschaft Jahweh wijngaarden, wat neerkomt op niets minder dan leven uit de dood. Het volk kan daaruit leren dat het alle zegeningen uitsluitend van Jahweh, de Heilige van Israël, ontvangt en van geen enkele andere "god".

Ook de vermelding van het Achordal duidt op ommekeer.

 

Jozua 7:24-26 verhaalt dat Achan op die plaats werd gestenigd en dat Israël door die daad onder de banvloek vandaan kwam, zodat het Ongeluksdal toen al een poort der hoop werd voor het volk.

Naar precies die wijze zal Jahweh in de toekomst evenzo zijn Achordal, d.i. zijn gelegenheid tot verzoening, aanbieden. Als een poort der hoop zal dat wat voor Israël lang een 'Ongeluksdal' was, opnieuw worden opengesteld.

Dus ook op dit punt een keer in de gebeurtenissen: de dreiging van verwerping waarop de verzen 2 t/m 13 schenen aan te sturen, maakt plaats voor hoop op een nieuwe toekomst, ja, zowaar op een herstelde huwelijksrelatie.

Een tweede honeymoon, aldus een zekere commentator.

 

De ervaring die Israël met Jahweh in de wildernis heeft, leidt tot bezinning en een nieuwe gezindheid wat een echte terugkeer inluidt. Zij herinnert zich weer het voornaamste gebod van de Tien geboden: Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben (Ex 20:3-5).

De namen der Baäls zullen niet meer op haar lippen komen. Vers 16 bevat op dat punt weer één van Hosea's woordspelingen. Voortaan zal zij Jahweh God haar Isji noemen en niet meer Baäli, d.i. "mijn man", of "mijn echtgenoot" en niet meer "mijn heer" of "mijn eigenaar". Weg met alle vermelding van "Baäl".

 

Ezechiël 20:32-42

In verband met Israëls toekomstig herstel is het beeld van de wildernis een bekend bijbels gegeven.

In Jesaja 40:1-11 is het Wildernismotief de inleiding tot een reeks van herstelprofetieën waarin God zich aan het hoofd van zijn verstrooide volk plaats voor de terugkeer naar Jeruzalem. De dwaling van het volk is namelijk afbetaald. Israël heeft uit Gods hand een dubbel portie ontvangen.

 

Ezechiël 20:32-42 verschaft verdere details over die tijd, maar laat tegelijkertijd uitkomen dat de "wildernis der volken", zoals de profeet die nu nog toekomstige toestand aanduidt, cruciaal zal zijn voor wat betreft de bestemming van elke afzonderlijke Jood. De opstandigen en de verstokte overtreders zullen uitgeschift worden en nimmer op Israëls bodem komen.

Dat op zich doet al vermoeden dat die "wildernis" een link moet hebben met de "wildernis" van de Openbaring.

Zie Openbaring 17:3.

 

Maar ook Op 12:6 en 14 komt daarbij in beeld. Het schriftdeel doet erg denken aan Hosea 2:14-15, omdat profetisch getoond wordt hoe Jahweh God tijdens de tweede 3½ jaarperiode van de 70e Jaarweek in geestelijk opzicht voor zijn tot hem teruggekeerde vrouw zal zorgen:

 

En de Vrouw vluchtte naar de wildernis waar zij een door God bereide plaats heeft opdat zij haar aldaar zouden voeden 1260 dagen… En aan de Vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij naar de wildernis, naar haar plaats mocht vliegen, alwaar zij wordt gevoed een tijd en tijden en een halve tijd, weg van het aangezicht van de Slang.

 

Het beeld dat daarbij wordt opgeroepen herinnert eraan hoe Jahweh zijn volk ten tijde van de Exodus uit Egypte naar de voet van de Sinaïberg leidde en hen daar rijkelijk geestelijk voedde doordat hij zich op een nieuwe, ongekende wijze aan hen openbaarde.

In Jesaja 40:3 en Ezechiël 20:35-36 is wildernis de weergave van het Hebreeuwse MiDBaaR, de gebruikelijke term om het gebied aan te geven waar Israël gedurende 40 jaar verbleef en rondtrok.

 

Oók in Deuteronomium 32:10 verschijnt dit woord, naast evenwel nog twee andere termen die eveneens de aard van het terrein beschrijven:

 

Hij [Jahweh] vond hem [Israël] in een land van wildernis [MiDBaaR], in een leegte [THooHoe] van woest land [JeSJiMooN] vol gehuil.

 

Hoe moeten wij ons nu de eschatologische zin van MiDBaaR voorstellen, zoals beschreven in Ezechiël 20?

Ik zal u leiden uit de volken, u verzamelen uit de landen waarheen gij  verstrooid zijt, met sterke hand en met uitgestrekte arm, en met uitgestorte gramschap. Ik zal u brengen in de wildernis der volken en daar met u in het gericht treden, van  aangezicht tot aangezicht. Zoals ik met uw vaderen in het gericht trad in de wildernis van het land Egypte, zo zal  ik u oordelen, verklaart de Heer Jahweh.

(Ez 20:34-36)

 

De ervaring die Israël in de 15e eeuw v.Chr. opdeed met Jahweh toen zij na hun uittocht in de wildernis van het land Egypte terechtkwamen, gaat zich blijkbaar herhalen bij hun uitleiding uit de volken ten tijde van het schrikbewind van de Antichrist. God zal Israël in de wildernis der volken brengen en daar met hen in het gericht treden.

Maar nogmaals: waarop duidt die uitdrukking de wildernis der volken?

 

Naar het zich laat aanzien worden dienaangaande in Jesaja hoofdstuk 14 aanwijzingen verschaft.

Want daar wordt Israëls Rest die de Grote Verdrukking doorstaat (v. 3), profetisch geboden een kernachtige spreuk vol metaforen (v. 4) aan te heffen met betrekking tot de koning van Babylon, die in vers 25 ook wordt aangeduid met de Assyriër, waardoor we met zekerheid weten dat de heilige geest feitelijk de Antichrist op het oog heeft.

 

Dat de Antichrist het voorwerp is van de spreukachtige spotrede, blijkt trouwens uit het lied zelf (v. 6):

 

Die in verbolgenheid volken sloeg met een slaan zonder ophouden, die in toorn natiën vertrad in meedogenloze vervolging.

 

In de eerste helft van de 70e Jaarweek maakt de Antichrist korte metten met de regeringsmacht der natiën. Hun tijden lopen teneinde (Lukas 21:24).

De demonen eisen nu rechtstreeks voor zichzelf de wereldheerschappij op. Niet langer wensen zij door tussenkomst van de Grote Stad Babylon invloed op de koningen der aarde uit te oefenen (Openbaring 17:11-12, 18; zie Deel 3 en Openbaring 17).

 

In Habakuk 1:5-11, 14-17; 2:5 wordt zijn niet te stuiten veldtocht in levendige taferelen geschilderd.

De natiën blijken absoluut niet bij machte hem te weerstaan; hun politieke machthebbers zijn iets lachwekkends voor hem

Daarbij valt het op dat vanaf Hk 2:6 een spreuk in de vorm van een aanklacht jegens hem wordt aangeheven, precies zoals het geval is in Jesaja 14. We schijnen met parallelle Schriftgedeelten te maken te hebben.

 

Jesaja 14

Dat hij de heerschappij die tot dan toe door de natiën werd uitgeoefend, tot een einde brengt, blijkt uit Jesaja 14:9-10. Als de Antichrist het gebied van de Dood betreedt, blijken alle koningen der aarde daar reeds aanwezig te zijn, want zij werden door zijn toedoen machteloos gemaakt.

O morgenster, zoon van de dageraad,  hoe ben jij uit de hemel gevallen. Jij die de natiën machteloos maakte, neergehouwen ter aarde ben jij.

(Js 14:12)

 

De gebruikelijke arrogantie waarmee de Antichrist steeds wordt getekend, vinden wij ook in de verzen 13 en 14:

En je zei nog wel in je hart: Ik zal tot in de hemel opstijgen, boven de sterren Gods wil ik mijn troon verheffen, ik wil mij neerzetten op de berg Safon [de berg waar de goden bijeenkomen] aan de zijden van het Noorden. Ik zal opstijgen boven de hoogten der wolken; ik zal de Allerhoogste gelijk zijn.

 

Maar zij die door hem tot slachtoffer werden gemaakt, zullen hem bij zijn neerwerping in het gebied van de Dood met stomme verbazing aanstaren en uitroepen:

Is dit de man die de aarde liet sidderen; die koninkrijken deed schudden; die de bewoonde wereld als de wildernis [MiDBaaR] maakte en de steden ervan neerhaalde?

(Js 14:16-17)

 

Dit nu geeft ons enig idee hoe de uitdrukking de wildernis der volken verstaan moet worden.

Het is blijkbaar de situatie waarin de bewoonde wereld geraakt onder de afschuwelijke heerschappij van de Antichrist. In de trant van Deuteronomium 32:10 kunnen we dan denken aan een trieste woestenij waar alle reguliere leven is weggevallen. De gebruikelijke menselijke instituties functioneren niet langer.

 

Deze opvatting omtrent de wildernis der volken impliceert dat etnisch Israël zich niet geografisch behoeft te verplaatsen zoals destijds bij de Exodus het geval was. Gods Verbondsvolk geraakt in de wildernistoestand door de catastrofale veranderingen die binnen de volken, te midden waarvan zij altijd al woonden, zullen plaatsgrijpen.

Uit Openbaring 16:2-21 kan namelijk opgemaakt worden dat Gods toorn gericht is tegen het hele systeem dat ten tijde van de heerschappij door de Antichrist op aarde onder de mensen wordt opgebouwd.

 

De Eerste schaal veroorzaakt bijvoorbeeld een kwaadaardige zweer aan de mensen die het merkteken van het Beest hebben ontvangen en zijn beeld aanbidden (v. 2).

De Vijfde schaal wordt uitgegoten op de troon van het Beest zelf (v. 10).

De Zesde schaal van Gods toorn treft de grote rivier de Eufraat waaraan Babylon, de schuilplaats der demonen, is gelegen (v. 12).

De Zevende schaal treft de lucht of de Satanische geest die door de aanhangers van de Antichrist wordt geademd.

 

Dat de Pseudomessias de bewoonde wereld tot een wildernis maakt, heeft dus kennelijk ook te maken met de gevolgen die het uitgieten van de schalen op de maatschappij op aarde heeft. Jahweh frustreert alle inspanningen die de demonen en hun menselijke aanbidders in het werk stellen.

 

In Jesaja hoofdstuk 3 wordt een soortgelijk beeld geschilderd. Doordat Jahweh steun en stut uit Jeruzalem en Juda wegneemt, is anarchie en chaos binnen de maatschappij het gevolg. Zie Jesaja 3:1-7.

  

Jesaja 40 (NBV)

Dat in de eindfase in zeker opzicht een herhaling van de Egyptische Exodus zal plaatsvinden, toen Jahweh als het ware voortschreed in de wildernis aan het hoofd van zijn volk (Deuteronomium 33:2-3), vernemen wij ook uit Jesaja 40:1-11.

 

Js 40:1-2

Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.

Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan,

omdat zij een dubbele straf voor haar zonden uit de hand van de HEER heeft ontvangen.

Er is geweldig goed nieuws voor allen die over Sion treuren (Js 61:2-3; 66:10).

De ballingschap loopt ten einde. Er is troost voor mijn volk. De dwaling is afbetaald. Uit de hand van Jahweh heeft Israël een dubbel portie aan correctie ontvangen.

 

Js 40:3-5

Hoor, een stem roept:

‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God.

Laat elke vallei verhoogd worden en elke berg en heuvel verlaagd, laat ruig land vlak worden

en rotsige hellingen rustige dalen.

De luister van de HEER zal zich openbaren voor het oog van al wat leeft.

De HEER heeft gesproken!'

Er is iemand die roept. Wellicht een heraut uit het hemelse hof.

Hij roept anderen op tot het bereiden van een koninklijke weg voor Jahweh door de wildernis heen.

Jahweh is namelijk van plan zich aan het hoofd van de ballingen te plaatsen voor de terugkeer naar Jeruzalem; een voortdurend terugkerend thema in het bijbelboek Jesaja:

Zie 11:16; 30:21; 35:8-10; 42:16: 43:16, 19; 48:17; 49:11; 51:10; 55:7; 57:14; 62:10.

 

Ook nu – zoals bij de vroegere uittocht – loopt het hele gebeuren uit op een theofanie, een revelatie van Jahwehs heerlijkheid, niet slechts aan Israël, zoals destijds, maar nu voor het oog van alle mensen. Alle levenden tezamen zullen er getuige van worden.

 

Js 40:6-8

Hoor, een stem zegt: ‘Roep!' En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen?

De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem.

Het gras verdort en de bloem verwelkt wanneer de adem van de HEER erover blaast.

Ja, als gras is dit volk.'

Het gras verdort en de bloem verwelkt, maar het woord van onze God houdt altijd stand.

Jesaja hoort de aansporing: "Roep!". Maar de vraag is: Wat? Wat precies zal ik roepen?

Dit: De vergankelijkheid van alle vlees in contrast met het eeuwige karakter van Gods Woord; vooral het niet blijvend zijn van ’s mensen loyale liefde. Tegenover de Verbondsontrouw van Israël staat Jahwehs profetische Woord van belofte dat hij altijd nakomt.

 

Js 40:9-11

Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion, verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem, verhef je stem, vrees niet.

Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!' Ziehier God, de HEER !

Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen. Zijn loon heeft hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit.

Als een herder weidt hij zijn kudde: zijn arm brengt de lammeren bijeen, hij koestert ze, en zorgzaam leidt hij de ooien.

 

De vreugdebode van Sion/Jeruzalem kan dus een hoog punt beklimmen om de opwindende boodschap uit te schreeuwen:

Jahweh, de Overwinnaar is op komst. Hij gaat opnieuw zijn heerschappij vestigen.

 

Wat voert hij als zijn buit mee? Zijn verloste volk! Jahweh, de koning, is ook een herder voor hen.

Vergelijk Js 52:7-10.

 

Wij kunnen echter niet aan het gegeven voorbij gaan dat de wildernis ook een plaats wordt waar Jahweh met zijn halsstarrige volk in het gericht zal treden, zoals hij deed in de wildernis van Egypte.

Wezagen dat reeds bij Ezechiël 20:35-36.

Vergelijk ook Nm 13:27-14:30 en 1Ko 10:7-10).

 

Wat staat God voor ogen bij dit Gericht? Het antwoord verschaft hijzelf in Ezechiël 20:38

De weerspannigen en zij die tegen mij overtredingen begaan zal ik uit u verbannen.

Uit het land van hun omzwervingen wil ik hen leiden, maar op de grond van Israël zullen zij niet komen. En gij zult weten dat ik Jahweh ben.

 

Welk criterium zal God hanteren om degenen uit te schiften die het niet waardig zijn terug te mogen keren op de bodem van Israël?

Destijds in de wildernis van Paran, ten tijde van het uitzenden van de verspieders, was het criterium geloof/ongeloof. Jahweh beschouwde het ongeloof van de meerderheid - ondanks alle tekenen en wonderen die zij gezien hadden - als een blijk van minachting jegens zijn Persoon. Bijgevolg zwoer hij dat zij nimmer het Beloofde land van rust zouden binnengaan (Nm 14:11, 22-23).

 

In het Gericht van de nabije toekomst zal het niet anders zijn:

Zij die hardnekkig in ongeloof volharden; die zich niet gewillig betonen jegens Gods voorzieningen in hun ware Messias Jezus van Nazareth; die zich achter een Pseudomessias blijven stellen, hij die de bewoonde wereld tot een wildernis maakt. Die hem blijven nalopen ondanks al zijn verraderlijk handelen, hebben Gods gramschap en bijgevolg hun ondergang te vrezen.

 

Jesaja 1:18-20 laat zien dat dit de uitkomst van Gods oordeel jegens hen zal zijn:

Komt toch en laten wij de zaken rechtzetten tussen ons, zegt Jahweh.

Al zijn uw zonden als scharlaken, ze zullen zo wit worden als sneeuw; al zijn ze rood als karmozijn, ze zullen als wol worden.

Indien gij u gewillig betoont en luistert, zult gij het goede van het land eten. Maar indien gij weigert en weerspannig zijt, zult gij door een zwaard verteerd worden; want Jahwehs mond heeft dit gesproken.

 

==================================================

 

Hosea 3

Nu echter weer alle aandacht voor Gods herstelde huwelijksrelatie met Israël.

God belooft dat hij zich in dit tweede geval aan Israël zal verloven voor altijd en dat zal doen in rechtvaardigheid, gerechtigheid, loyale liefde, barmhartigheden en getrouwheid (Hs 2:19-20). 

Die belofte wijst op een heel nieuwe grondslag. Trouwens, bij God voltrekken zich zulke zaken altijd op de juiste wettelijke basis.

 

Het eerste huwelijksverbond - dat van de Sinaï - is door het ontrouwe gedrag van Israël verbroken. Er moet derhalve een nieuw verbond in het leven worden geroepen. Bovendien moet Israël worden teruggekocht.

Denk aan Gomer. Nadat Jahweh tegen Hosea had gezegd:

"Ga nogmaals, bemin een vrouw die door een metgezel wordt bemind en overspel pleegt",

 

lezen wij dat Hosea tot de volgende actie overging:

Toen kocht ik mij haar voor 15 zilverstukken en 1 1/2 homermaat gerst.

    (Hs 3:1-2)

 

Om haar opnieuw als vrouw te kunnen bezitten, moest Hosea haar terugkopen omdat ze intussen een slavin was geworden.

Hetzelfde geldt voor Israël. Jezus zei in zijn optreden tot leden van etnisch Israël:

 

Ik zeg u: Al wie zonde doet, is een slaaf van de zonde. Bovendien blijft de slaaf niet voor eeuwig in het huisgezin; de zoon blijft voor eeuwig. Indien de Zoon u daarom vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn.

(Jh 8:34-36)

 

Hosea betaalde 15 zilverstukken als geldbedrag; d.i. de halve prijs voor een slavin; en de rest in de vorm van graan; geen tarwe maar gerst, een vergoeding voor het voedsel voor haar.

Het is duidelijk: Ook met betrekking tot zijn Verbondsvolk is een "transactie" nodig, een wettelijke basis op grond waarvan Jahweh zich weer met zijn Vrouwgemeente kan inlaten.

 

De bijbel laat zien dat het Nieuwe Verbond in die noodzakelijke grondslag voorziet.

Zelfs Hosea 2:20 zinspeelt reeds op het Nieuwe Verbond door te vermelden wat er van de zijde van het volk mag worden verwacht:

En gij zult Jahweh stellig kennen

een welbekende conditie van dat Verbond.

 

Jeremia 31

Later werd bij monde van Jeremia – in Jeremia 31:31-34 - dat nieuwe huwelijksverbond gedetailleerd aangekondigd. Voor velen komt het wellicht als een verrassing te vernemen dat het Nieuwe Verbond in de eerste plaats wordt gesloten met het oog op etnisch Israël. Natuurlijk hadden wij allen dat altijd al zelf kunnen vaststellen aan de hand van de inleidende woorden in vers 31, maar aangezien in de meeste christelijke denominaties het Nieuwe Verbond vrijwel steeds met de christelijke gemeente wordt geassocieerd, is men over het algemeen geneigd voorbij te gaan aan het feit dat Gods oude Verbondsvolk in het beeld is.

 

In het boek Jeremia laat Jahweh geregeld door zijn profeet weten dat, indien Israël tot hem wil terugkeren, die mogelijkheid voor haar openstaat. Zie Jr 3:22 en 4:1-2.

In Jr 23:5-8 wordt al een herstel aangekondigd. In de Messiaanse tijd zal Juda gered worden en Israël zal in zekerheid verblijf houden.

 

En dan volgt in Jr 31:31-34 de aankondiging van de vernieuwing van het huwelijksverbond.

In het profetisch perspectief van Jeremia blijft dat Nieuwe Verbond tot etnisch Israël beperkt. Merk namelijk op hoe de inleiding gesteld is:

 

Zie! Er komen dagen, verzekering van Jahweh, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal; niet één gelijk het verbond dat ik met hun voorvaders heb gesloten op de dag dat ik hen bij de hand vatte om hen uit het land Egypte te leiden, mijn verbond dat zij verbroken hebben, terwijl ik hen als echtgenoot bezat.

 

In zijn Hebreeënbrief gaat de apostel Paulus diep in op dat Nieuwe Verbond.

Zie Hb 8:6-13; 9:15; 10:14-17; 12:22-24 en 13:20.

In Hebreeën 8 beschrijft hij de uitnemender openbare dienst van Jezus Messias op grond van dat Nieuwe Verbond, aangezien hij ook Middelaar is van een beter verbond dat wettelijk berust op betere beloften.

 

De toepassing van het Nieuwe Verbond mag volgens die zelfde Paulus overigens worden uitgebreid tot de leden van de christelijke Gemeente, de hemelse Vrouwgemeente.

Hoewel het Nieuwe Verbond niet met hen wordt gesloten, ontvangen zij wél de voordelen er van en dat zelfs in de eerste plaats.

Zie 2Ko 3:4-6.

 

Die opvallende gang van zaken houdt verband met het feit dat zij door hun geloof in Messias Jezus hem gingen toebehoren. Bijgevolg worden zij, zoals in Galaten 3:29 wordt getoond, tezamen met hem een deel van Abrahams Zaad en daardoor ook erfgenamen van de beloften die aan Abraham werden gedaan:

 

Bovendien, indien jullie van [de] Messias zijn, zijn jullie werkelijk Abrahams zaad, volgens een belofte erfgenamen.

 

Met etnisch Israël kreeg de christelijke gemeente aldus deel aan de beloften die van nature voor Abrahams nakomelingen (via Isaäk en Jakob) gelden.

In Romeinen 11:17 wordt die belangrijke waarheid door de apostel Paulus toegelicht en nader uitgewerkt:

Door enting op de Israëlitische olijfboom hebben de christelijke takken deel gekregen aan de wortel der vetheid van die olijfboom.

En wat vertegenwoordigt die wortel der vetheid allemaal?

Heel veel; Romeinen 9:3-5 verschaft het antwoord:

 

-de aanneming als zonen;

-de heerlijkheid;

-de verbonden

-de wetgeving;

-de heilige dienst;

-de beloften.

 

Omdat beide gemeentes – aards en hemels Israël – deel krijgen aan dezelfde kostbare voorzieningen, vormen zij tezamen het ene Israël Gods (Gl 6:16).

Maar de christelijke gemeente gaat in het ontvangen van die voorzieningen voorop. Christenen zijn de eersten die op basis van Jezus’ offer in een geheel nieuwe, speciale verhouding tot God komen als zijn zonen (Rm 8:14-17).

Bovendien gaan zij nog in een ander opzicht het etnische Israël voor, namelijk in het ontvangen van wel heel bijzondere zegeningen. Want hoewel beide in Gods voornemen gebruikt zullen worden om als Abrahams zaad tot zegen voor de Heidenvolken te zijn, zal de christelijke gemeente die rol vervullen als het hemelse deel van het Israël Gods.

 

Het is daarom beslist niet vreemd dat het Nieuwe Verbond persoonsgericht is. Terwijl het Oude Verbond collectief met de hele natie werd gesloten wordt het Nieuwe Verbond gekenmerkt door haar persoonlijke karakter.

In vergelijking met het Verbond van de Sinaï geldt danook op dit punt wat Jr 31:32 uitdrukkelijk zegt:

 

Niet één gelijk het verbond dat ik met hun voorvaders heb gesloten.

 

Het oude verbond was voor etnisch Israël een nationale verplichting. Het volk als geheel werd voor het houden ervan aansprakelijk gesteld. Maar in het Nieuwe Verbond wordt ieder persoon in zijn godsdienstige beleving zelfstandig. Het wordt een persoonlijke, innerlijke beleving, waardoor zijn relatie tot God op een veel hoger niveau komt te verkeren.

 

Het is belangwekkend om te zien hoe dat al via Jeremia werd aangegeven, direct voorafgaand aan de aankondiging van het sluiten van een Nieuw Verbond. Zie Jeremia 31: 29-30

 

In die dagen zal men niet meer zeggen: "De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, maar de tanden van de zonen werden er stroef van".

Integendeel, IEDER zal om zijn EIGEN onrecht sterven. ELK MENS die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen stroef worden.

 

Zoals we al eerder zagen noemde Hosea het ongeluksdal - Achor - "een poort [of toegang] tot de hoop".

De werkelijke basis daarvoor is evenwel gelegen in de omstandigheid dat elke Jood, een ieder afzonderlijk, de voorzieningen van het Nieuwe Verbond zal moeten aanvaarden.

Omdat Messias Jezus de Middelaar van dat Verbond is, impliceert een en ander dat zij zich alsnog tot hun ware Messias zullen moeten keren, in het geloof "dat er in niemand anders redding is" (Hn 4:12).

 

Een Rest zal dat ook daadwerkelijk doen, kennelijk binnen de beproevingsvolle "wildernis"-ervaring.

In Zacharia 9:11-12 worden dezen als volgt aangemoedigd:

 

Ook wat u betreft [o Vrouw; blijkbaar Sion], vanwege het bloed van uw verbond zend ik uw gevangenen heen uit de put waarin geen water is. Keert terug naar de vesting, gij gevangenen van de hoop.

 

Zoals er nog perspectief was voor Gomer na haar terugkoop, zo ook voor etnisch Israël. Maar m.b.t. Gomer stelde Hosea wel restricties vast:

 

En ik zeg tot haar: Vele dagen zul je bij mij zitten, zonder te hoereren of aan een man toe te behoren. En zo zal ik tegenover jou  zijn.

(Hs 3:3)

 

Tot aan haar verbetering, zou Gomer dus lange tijd, "vele dagen", bij Hosea moeten wonen, maar in afzondering, zodat elke omgang met andere mannen onmogelijk zou zijn. En letterlijk voegt Hosea er aan toe: "En ik ook aan u", wat wil zeggen: "Evenals gij in uw afzondering mij zult blijven toebehoren, zo blijf ik u toebehoren".

Het symbolisme van dit alles wordt nader verklaard in de verzen 4 en 5.

 

Want de zonen van Israël zullen vele dagen zonder koning en zonder vorst en zonder slachtoffer en zonder zuil en zonder efod en terafim wonen. Daarna zullen de zonen van Israël terugkeren en Jahweh hun God en David, hun koning, zoeken; en bevend zullen zij tot Jahweh en tot zijn goedheid komen, in het laatst der dagen.

 

Inderdaad, vele dagen - nu al ruim 19 eeuwen - leeft etnisch Israël zonder een staatkundig bestel en ook zonder godsdienstig leven in georganiseerde vorm zoals vroeger het geval was.

Aldus is haar op een wel heel effectieve wijze ontnomen wat haar voorheen bracht tot afgodische kontakten met haar minnaars. Als vrucht van deze afzondering moeten de Israëlieten tenslotte zover komen dat zij weer hun God Jahweh en hun ware Messias uit Davids koninklijke huis, Jezus, gaan zoeken.

 

Destijds, bij de scheuring van het koninkrijk na de dood van Salomo, was Israël de ware aanbidding gaan verzaken, tegelijk met het beëindigen van hun aanhankelijkheid aan Davids koninklijke huis.

Zie 1 Koningen 12:16, 25-30.

 

Hun berouwvolle houding na ca. 3000 jaar, jegens God, zal dan ook logischerwijs vergezeld gaan van hun terugkeer tot Davids huis.

Dit helpt ons Jesaja 63:18-19 naar waarde te schatten. De tijd dat Gods heilig volk een natie was onder theocratisch bestuur met een troon en heiligdom in Jeruzalem, is kort gebleken in vergelijking met de lange periode die getypeerd wordt door Hosea: zonder koning / vorst / slachtoffer.

 

Maar dan, na zo'n lange tijd, zullen zij "bevend" [van ontzag] tot Jahweh en tot zijn goedheid komen en op die manier de gramschap ontlopen die over het slechte deel van Israël zal komen dat zich tot het einde toe zal verharden ten aanzien van de goedheid die God in zijn Messias ten toon spreidt.

Zie een soortgelijke gedachte in Jeremia 31:10-12 waar de nadruk ligt op de uiting van vreugde waarmee Israël tot God zal terugkeren. Op de hoogte van Sion zullen zij stralen over Jahwehs goedheid.

 

In de "laatste dagen", d.i. in de 70e Jaarweek, gaat dit alles zich dus zonder mankeren voltrekken.

Mochten wij daarover nog twijfels koesteren en ons afvragen of Israëls herstel zich echt zal voordoen, dan doen wij er goed aan nogmaals naar de beschrijving van het Nieuwe Verbond te kijken in Jeremia 31:31-34, maar vervolgens ook naar het gedeelte dat er direct op volgt, de vv. 35 t/m 37.

 

Wanneer alleen zal Israël niet langer voor altijd een natie voor Gods aangezicht zijn?

Of: Alleen in welk geval zou het mogelijk zijn dat Jahweh het gehele zaad van Israël verwerpt?

Zie het antwoord volgens de NBV-versie:

 

Dit zegt de HEER,

die de zon heeft gemaakt als het licht voor de dag, de maan en sterren als de lichten voor de nacht,

die de zee opzweept, zodat de golven bruisen, wiens naam is HEER van de hemelse machten:

Pas als deze orde ophoudt te bestaan – spreekt de HEER –

bestaat ook Israël niet meer, is het niet meer voor altijd mijn volk.

 

Dit zegt de HEER: Zoals de hoogte van de hemel niet gemeten wordt, de diepte van het fundament der aarde niet gepeild, zo verwerp ik niet het nageslacht [zaad] van Israël om alles wat het heeft misdaan – spreekt de HEER.

 

-.-.-.-.-.-