Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Twee Vrouwgemeentes - Deel 4

De Twee Vrouwgemeentes - Deel 4

De Evagemeente die Gods rust binnengaat

 

Mannelijk en vrouwelijk

Het geheimenis van man en vrouw in tegenbeeld

 

 

Mannelijk en vrouwelijk

 

En God schiep de mens naar zijn beeld;

naar Gods beeld schiep hij HEM;

mannelijk en vrouwelijk schiep hij HEN.

 

Deze weergave van Genesis 1:27 is niet gebruikelijk in onze Hollandse vertalingen. Gewoonlijk luidt de laatste zin: "man en vrouw schiep hij hen". Sommige vertalingen hebben de variant: als-man en als-vrouw schiep hij hen. Bewust geven wij weer: als-man en als-vrouw, aangezien er op beide plaatsen sprake is van slechts één woord, namelijk mannelijk respectievelijk vrouwelijk.

In Engelse vertalingen komt deze (betere) weergave gewoonlijk wel tot uitdrukking. Bijvoorbeeld de ASVmale and female created he them.

 

Omdat we later op dit punt terug willen komen, geven wij hier reeds aan hoe in de LXX "mannelijk en vrouwelijk" is vertaald, t.w.: αρσεν και θηλυ.

Wanneer Jezus volgens Mattheüs 19:4 naar Genesis 1:27 verwijst, wordt de frase "mannelijk en vrouwelijk" ook precies op die manier in het Grieks door Mattheüs  weergegeven.

In De Naardense Bijbel wordt Genesis 1:27 aldus vertaaldmannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen.

 

Wanneer we nu Genesis 1:27 in zijn context beschouwen, bijvoorbeeld 1:27 t/m 2:3, dan is het volgende duidelijk:

 

1.) Dit scheppingsgebeuren vond plaats tegen het einde van de Zesde Dag.

 

Terloops constateren we aan de hand van Hebreeën 4:3-4 dat met de schepping van de mens (mannelijk en vrouwelijk) "de grondlegging der wereld" had plaatsgevonden. Ook dat gebeurde dus nog binnen de 6e Dag. Want niet alleen was de menselijke schepping als mannelijk en vrouwelijk voortgebracht; JHWH had hen - nog steeds binnen die 6e Dag - de opdracht gegeven om vruchtbaar te zijn, tot velen te worden en de aarde te vullen. Bovendien was die opdracht vergezeld gegaan van zijn zegen.  Wellicht vindt u het de moeite waard e.e.a. in gedachte te houden, in aanmerking nemend dat deze uitdrukking ook verschijnt in Mattheüs 25:34; Lukas 11:50; Johannes 17:24; Efeziërs 1:4; Hebreeën 9:26; 1 Petrus 1:20; Openbaring 13:8 en 17:8. Het loont bijzonder om de genoemde Schriftplaatsen in het licht van Hebreeën 4:3-4 opnieuw te beschouwen en zich de implicaties ervan te realiseren.

 

2.) Er zit een zekere ruimte aan tijd tussen het scheppen van de mens naar Gods beeld en dat hij HEN vervolgens schiep als-man en als-vrouw.

 

In het zogeheten Tweede Scheppingsverslag, opgetekend in Genesis, hoofdstuk 2, wordt dat onmiskenbaar duidelijk. In vers 7 lezen wij over de aanvankelijke vorming van de mens uit het stof van de aardbodem (parallel met het eerste deel van Gn 1:27).

 

Vergelijk de beschrijving met die in Gn 2:19, niet alleen om vast te stellen dat mens en dier gevormd zijn uit identieke basismaterialen, maar ook om te constateren dat de 6e Dag nog steeds voortgang vond.

 

Vervolgens gebeurt er het een en ander, waarna wij in de vv 21 en 22 zien dat de schepping wordt voltooid door het voortbrengen van "mannelijk en vrouwelijk".

 

Zelf houden we rekening met de mogelijkheid dat tussen start en afronding, met inbegrip van de huwelijksvoltrekking,  niet minder dan 30 jaar verliepen.

Zie: Het verloop van de Rustdag

 

De gedetailleerde beschrijving van de schepping van mannelijk en vrouwelijk is nogal onthullend. Terwijl de mens in een soort narcosetoestand verkeerde, nam JHWH God één van zijn ribben en bouwde die vervolgens tot een vrouw.

Maar wat was het echte resultaat? Dat moet in overeenstemming zijn geweest met het laatste deel van Genesis 1:27 mannelijk en vrouwelijk schiep hij HEN. Er was niet slechts een vrouw tot bestaan gekomen, er was ook een man voortgebracht. De mens was door de ingreep getransformeerd tot een man. Bovendien had hij er een vrouw bij gekregen, de uitdrukking van zijn vrouwelijke zijde.

 

Kennis van het Hebreeuwse woord dat in deze passage met rib is vertaald, werkt in dit opzicht verhelderend. Dat woord (tseelaa‛, Strongnr. 6763) hangt samen met een werkwoord dat "kreupel gaan" of "mank lopen" betekent; letterlijk: "eenzijdig zijn". (Zie Strongnr. 6760)

Dat werkwoord vinden we terug in Genesis 32:31;  Jakob die voortaan mank ging aan zijn dijbeen nadat de gewrichtsholte tijdens de "worsteling" met de engel was ontzet. En vervolgens nog uitsluitend in Micha 4:6-7 en Zefanja 3:19, waar melding wordt gemaakt van het toekomstige joodse Overblijfsel dat vergaderd zal worden tot herstel, maar dat in de periode waarin aards Israël opgesloten is in haar ongehoorzaamheid kreupel gaat; een situatie die ook nu nog steeds voortduurt. Vandaar dat het substantief eerder de gedachte aan zijde dan aan rib oproept.

De LXX geeft het Hebreeuwse zelfstandige naamwoord weer met πλευρα [pleura] dat vooral de betekenis heeft van ZIJDE. Men vindt het dan ook terug in Genesis 2:21-22,  maar ook in Exodus 27:7 en 2 Samuël 16:13.

 

Een sprekend voorbeeld is Exodus 25:12. Er moesten ringen gemaakt worden zowel aan de ene als aan de andere kant (zijde) van de ark. In dezelfde trant ook Exodus 27:7, "de beide zijden van het altaar". Ook in 2 Samuël 16:13 is het moeilijk om aan een rib te denken: Simeï liep gelijk op met David en zijn mannen op de zijde (flank) van de berg, tegenover hen.

Conclusie? In Genesis 2:21-22 wordt inderdaad geleerd dat de vrouw "uit de man werd genomen" (v. 23), maar wat uit hem werd genomen was vooral zijn vrouwelijke zijde.

 

Geen wonder dat Mozes het hoofdstuk afsluit met Gods verklaring: Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en zij zullen tot één vlees worden. 

Waarom geen vreemde uitspraak?

De beide zijden van de mens, aanvankelijk harmonieus in hem verenigd, waren nu gescheiden, maar verlangden logischerwijs naar de eenwording. Om voortaan een harmonieus leven te kunnen leiden waren man en vrouw op elkaar aangewezen. De gescheiden delen zouden naar elkaar toe willen groeien.

 

Nog enkele opmerkingen in verband met het bovenstaande:

Eén vlees duidt in dit verband op de menselijke natuur. Vergelijk dit met één geest in 1 Korinthiërs 6:17.

 

* Op grond van het voorgaande lijkt het ons alleszins aannemelijk dat Adam, toen hij nog alleen was, een harmonieus leven in zichzelf kon leiden. Nergens lezen we immers dat hij zich eenzaam voelde of dat hij zich beklaagde over zijn situatie. Het was JHWH God zelf die opmerkte: Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik zal een hulp voor hem maken, als zijn tegenhanger (vers 18). Waarom niet goed? Gezien Gods voornemen dat hij in zijn Zoon, de toekomstige Messias, had opgevat.

 

Uit Efeziërs 5:28-32 blijkt dat JHWH in heel deze procedure reeds aan de verhouding dacht die er duizenden jaren later zou ontstaan tussen Christus en zijn gemeente. In het huwelijksverbond tussen man en vrouw zou een groot geheim worden vastgelegd dat t.z.t. onthuld zou worden, zodat christenen zich hun relatie tot hun Heer zouden gaan realiseren en zich daarover zouden kunnen verheugen.

 

* In Handelingen 17:26 constateert Paulus in zijn beroemde toespraak tot de Atheense wijsgeren dat God "uit één elke natie van mensen maakte". O.i. wordt met die uitspraak bevestigd dat mannelijk en vrouwelijk aanvankelijk in de ene mens verenigd waren. Na de scheiding van beide zijden konden vervolgens man en vrouw binnen het huwelijk "vruchtbaar zijn en tot velen worden".

Voorafgaand aan die tweedeling "kende" JHWH de vrouw "in" de mens Adam en daarmee ook het gehele toekomstige mensengeslacht, om in stijl te blijven met Nieuwtestamentisch taalgebruik. Vergelijk Romeinen 8:29; Efeziërs 2:10; 1:4.

 

Bijgevolg kwam Jezus - de laatste Adam - toen hij als volmaakt mens hier op aarde verbleef,  overeen met de mens en niet met de man Adam.

Zie 1 Timotheüs 2:5

Want er is één God, ook één Middelaar van God en mensen, mens Messias Jezus die zichzelf gaf een losprijs-tegenover ten behoeve van velen

 

De uitdrukking overeenkomstige losprijs, of letterlijk losprijs-tegenover, duidt  o.i. op de overeenkomst tussen de mens Jezus en Adam, zoals oorspronkelijk geschapen naar het beeld van God; de eerste fase dus, zoals vermeld in Genesis 1:27. Dit lijkt bevestigd te worden in 1 Korinthiërs 15:45. Daar plaatst de apostel "de laatste Adam" tegenover de Adam van Genesis 2:7. De eerste mens, Adam, werd tot een levende ziel.

 

Het geheimenis van man en vrouw in tegenbeeld

 

Aldus zijn ook de mannen verplicht hun eigen vrouwen lief te hebben als hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. Want niemand haatte ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt en koestert het, gelijk ook de Messias de Gemeente; omdat wij ledematen van zijn Lichaam zijn. Daarom zal een mens de vader en de moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en de twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot, maar ik spreek met het oog op [de] Messias en de Gemeente.

 

Deze passage in Efeziërs 5:28-32 onthult iets heel bijzonders. Zonder dat wij als mensen ons ervan bewust waren, lag er in de verbintenis van man en vrouw in hun onbedorven Edense situatie een groots geheim opgesloten. Dat geheim zou pas openbaar worden in de relatie die zou ontstaan tussen Messias Jezus en zijn Vrouwgemeente.

Het lijkt ons hier op z'n plaats om met nadruk vast te stellen dat de Vrouw in deze verbintenis een collectief is, de christelijke gemeente. Natuurlijk bestaat de gemeente uit afzonderlijke personen, zowel mannen als vrouwen. Het is evenwel niet de bedoeling dat wij onszelf in onze verhouding tot Christus zien als hetzij man of vrouw. Integendeel, "in" Christus zijn wij allen zonen van God. Galaten 3:26-28 maakt dat onmiskenbaar duidelijk:

Want allen zijt gij zonen Gods door het geloof in Christus Jezus. Want zovelen als in Christus werden gedoopt, hebben zich met Christus bekleed; daarbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije; er is geen mannelijk en vrouwelijk (αρσεν και θηλυ) want allen zijt gij één in Christus Jezus.

 

Dat is onze nieuwe geestelijke situatie "in" Christus, het resultaat van de "nieuwe schepping". Galaten 6:15. Deze Vrouwgemeente bestaat dus uit (geestelijke) zonen van God.

De gedachte uit 2 Korinthiërs 11:2-3 is ons ongetwijfeld erg vertrouwd: het gevaar verdorven te worden in onze geest door niet op onze hoede te zijn voor de subtiele verleidingen van Satan. Maar bekijk de passage toch nog eens wat meer van nabij:

Want ik ben ijverzuchtig om u met een ijverzucht van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als eerbare maagd aan Christus aan te bieden. Maar ik vrees dat, zoals de Slang in haar listigheid Eva verleidde, uw gedachten op de een of andere manier verdorven zouden kunnen raken, weg van de eenvoud en de eerbaarheid jegens Christus.

 

Als we de waarschuwing die hierin ligt opgesloten even laten voor wat ze is, dan valt het ons wellicht op dat de Vrouwgemeente door Paulus wordt vergeleken met Eva in haar onbedorven, Edense toestand. Wat betekent dat? Dat die Vrouwgemeente zich intussen al zo’n 1970 jaar in een Evasituatie bevindt; paradijselijk derhalve, zonder de bedorvenheid en de gebrekkigheid die uit de zondeval zijn voortgevloeid. Dit alles vanzelfsprekend bezien vanuit een geestelijk gezichtspunt. Laten we eens nagaan hoe de Vrouwgemeente dat geluk ten deel is gevallen.

 

Het lag allemaal reeds opgesloten in het geheim der schepping van mannelijk en vrouwelijk en de huwelijksverbintenis. Maar die dingen nemen in Christus een nieuw, een geestelijk aspect aan.

Zoals we al zagen verscheen Christus in de 1e eeuw als de "laatste Adam". Overeenkomstig zijn eeuwige voornemen dat hij in Christus opvatte, toen hij deze eniggeboren Zoon voortbracht, wist JHWH reeds bij zichzelf - al de tijd die sindsdien verstreek - dat in die "laatste Adam " de grondslag zou liggen voor het tot bestaan brengen van de christelijke gemeente, de verzameling van individuen die voor zijn Zoon als een Vrouw zou zijn. Zie Efeziërs 3:9-11.

Daarom lezen wij in 1 Korinthiërs 15:45 "de eerste mens, Adam, werd tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakende geest". Hieruit kunnen wij afleiden dat Christus het beginsel is van het nieuwe leven dat de leden van zijn gemeente gaan ervaren. Zoals we zagen noemt de bijbel dit een "nieuwe schepping".

Die uitdrukking komt niet alleen voor in Galaten 6:15,  maar ook in 2 Korinthiërs 5:17

Zodat, indien iemand in Christus is, er sprake is van een nieuwe schepping; de vroegere dingen zijn voorbijgegaan; zie! nieuwe dingen zijn ontstaan. Maar alle dingen zijn uit God.

 

De oorsprong van al het nieuwe ligt dus te allen tijde bij God. Hij is de oorsprong van alles, ook van de nieuwe schepping. Nadat de apostel Paulus in Efeziërs 2:8-9 eerst heeft aangetoond dat redding, dus het leven, Gods gave is, een vrije gunst van hem, los van 's mensen eigen inspanningen, zegt hij vervolgens in vers 10 :

Want zijn maaksel zijn wij, geschapen in Christus Jezus

 

Verderop in de Efeziërsbrief wordt echter aangetoond dat de schepping zich op de Evawijze voltrekt: JHWH schiep Eva, maar Adam lag aan haar schepping ten grondslag. Eén van zijn zijden lag aan de basis van Gods scheppingsdaad. Hetzelfde geldt voor de Vrouwgemeente. De leden ervan zijn Gods zonen. Als kinderen van God "zijn zij niet uit bloed noch uit een vleselijke wil noch uit de wil van een man geboren, maar uit God." -Johannes 1:12-13.

Dus geboren uit God, maar wel op basis van Christus' loskoopoffer.

Dat lezen wij in Efeziërs 5:25

Mannen, hebt jullie vrouwen lief, zoals ook de Christus de gemeente liefhad en zich voor haar heeft overgegeven [in de dood die het karakter had van een verzoenend slachtoffer].

 

Merk op dat Christus zich aan een offerandelijke dood heeft overgeleverd en dat hij dit in de eerste plaats voor zijn Vrouwgemeente deed. Natuurlijk heeft de kracht van zijn slachtoffer een veel verder reikend effect, maar ze was toch allereerst en vooral bedoeld voor zijn bruid, de Evagemeente. -Vergelijk 1 Johannes 2:2. Met dit beeld blijft daarom de Evawijze van scheppen gehandhaafd.

 

Wat dit bijzondere punt betreft - overeenkomsten tussen Eva en de gemeente - kunnen wij elkaar ook herinneren aan het verslag dat Johannes heeft opgetekend over Jezus' lijden en dood in Johannes, hoofdstuk 19.

Na eerst vermeld te hebben, in 19:31-33, dat de joden haast hadden om de drie dode lichamen van de executiepalen te verwijderen, reden waarom men ertoe overging de beenderen van de twee misdadigers te breken - wat in Jezus' geval niet nodig bleek - verhaalt Johannes vervolgens wat een Romeinse soldaat deed om zich van Jezus' dood te vergewissen (vers 34):

Maar één der soldaten stak met een speer in zijn zijde [πλευρα, pleura, zoals in de LXX, Genesis 2:21-22] en terstond kwam er bloed en water uit.

 

Het is belangwekkend te constateren dat de bijbel hier verband legt tussen het uiterlijke bewijs van Christus' dood en één van zijn lichaamszijden. Het is waar dat met de handeling door de soldaat een profetie in vervulling ging (zie vers 37 en Zacharia 12:10), maar het lijkt ons niet ondenkbaar dat er tegelijkertijd sprake is van een verwijzing naar Genesis, hoofdstuk 2.

 

Als we nu weer de draad oppakken in Efeziërs 5, vanaf vers 26 t/m 32, dan kunnen we zien dat Christus zijn Vrouwgemeente niet alleen het leven heeft gegeven, maar haar vervolgens ook gereed maakt om haar te zijner tijd, bij de paroesie, aan zichzelf te kunnen aanbieden.

Hij heeft zich voor haar overgegeven opdat hij haar zou heiligen, [haar] gereinigd hebbende door het waterbad in het woord, opdat hij de gemeente glorierijk zou kunnen aanbieden aan zichzelf, geen vlek of rimpel of iets dergelijks hebbend, maar dat zij heilig zij en zonder smet.

 

Opdat hij haar zou heiligen; op deze manier wordt hier het doel van Christus’ offerdood aangegeven: opdat hij de gemeente in heerlijkheid aan zichzelf – de Bruidegom – zou kunnen aanbieden. In dit verband kunnen wij ook denken aan de sublieme gedachte van Hebreeën 10:14 waar hetzelfde oogmerk wordt verwoord:

Want door één slachtoffer heeft hij voor altijd volmaakt gemaakt hen die geheiligd worden.

 

Christenen leven vanuit geloof, een geloof dat steunt op het loskoopoffer. Op grond van dat geloof wordt de christen gerechtvaardigd, of voor altijd tot volmaaktheid gebracht. Heiliging evenwel is een voortgaand proces en voltrekt zich aan elk lid van de gemeente in de mate dat hij zich onder Christus' leiding openstelt voor de krachtige invloed van Gods geest en woord. Dat elke christen daarmee ernst dient te  maken, moge blijken uit Hebreeën 12:14

Jaag vrede na met allen; ook de heiliging zonder welke niemand de Heer zal zien.

 

In 1 Thessalonicenzen 4:3 verklaart Paulus met nadruk dat dit Gods expliciete wil ten aanzien van de christen is: Want dit is Gods wil, de heiliging van u. Waarom? Omdat de christen daardoor geschikt wordt om zijn Heer op een waardige wijze te vertegenwoordigen. Hij kan dan op een aanvaardbare manier als zijn getuige  optreden. Ook bevindt hij zich dan in de positie om de voortreffelijkheden bekend te maken van hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht.

Christenen zijn dan ook geroepen in heiliging en niet met het oog op onreinheid. Zie 1 Thessalonicenzen 4:7; Handelingen 1:8 en 1 Petrus 2:9

Neemt u eens de moeite om 1 Petrus 2:9 nader te beschouwen en te vergelijken met Exodus 19:5-6 om vast te stellen dat de christelijke gemeente inderdaad op de olijfboom is geënt en in deze tijdsperiode het Israël Gods vertegenwoordigt.

 

Terwijl heiliging o.l.v. Christus dus een voortgaande zaak is, heeft hij ons wel door één offerdaad voor altijd tot volmaaktheid gebracht. De "nieuwe schepping" is daarom OK, om het populair uit te drukken. Net zo OK als de vrouw Eva toen zij als schepping verscheen. Vandaar Paulus’ vergelijking van de Vrouwgemeente met de vrouw Eva in 2 Korinthiërs 11:2-3.

Zie verder Hebreeën 7:19 en 10:19-22, waaruit wij vernemen dat er voor ons geen belemmering meer is om tot God te naderen.

 

Eva, in haar verbondenheid met Adam, kende eveneens geen enkel obstakel in haar verhouding tot God. Zij was eenvoudig volmaakt geschapen uit Adam. Maar om de nieuwe schepping perfect te laten zijn, moest er eerst een verzoenend offer worden gebracht. Pas toen konden al onze zonden, zowel die uit het verleden als alle toekomstige, op grond van ons geloof worden weggedaan.

Dat is de strekking van Hebreeën 9:25-26. Christus hoefde niet telkens weer, generatie na generatie, het offer van zichzelf te brengen. Integendeel, toen hij zich bij de voleinding der eeuwen manifesteerde, heeft hij eens voor altijd het toereikende offer gebracht om allen die voor loskoping in aanmerking komen - van alle generaties voor hem, zowel als van alle generaties na hem - van hun zonde te kunnen bevrijden.

Wellicht wordt de terugwerkende kracht van het offer treffend getypeerd in de uitdrukking: Het Lam geslacht zijnde vanaf de grondlegging der wereld. –Openbaring 13:8

Vandaar dat we vol vertrouwen kunnen zijn, zoals Hebreeën 10:22 ook zegt:

Laten wij met een waarachtig hart naderen, in volle verzekerdheid van het geloof, de harten door besprenkeling ontdaan van een boos geweten en het lichaam gebaad zijnde met rein water.

 

Door ons geloof in Christus als de door God Gezondene, zijn wij van de dood overgegaan tot het leven (Johannes 5:24). Door nu ook verder een leven vanuit dat geloof te leiden, kunnen wij in vol vertrouwen tot God naderen aangezien er voor hen die in Christus Jezus zijn geen veroordeling is. -Romeinen 8:1.

Deze onbelemmerde toegang tot God in onze volmaakte geestelijke staat, biedt nog een andere bijzondere gelegenheid: met God rust houden op de Zevende Dag, zijn Rustdag.

 

 

Want WIJ gaan de rust binnen, wij die tot geloof zijn gekomen.....

Want ergens heeft hij over de Zevende Dag aldus gesproken:

En God rustte op de Zevende Dag van al zijn werken

 

Ja inderdaad, christenen gaan Gods Rust binnen, d.i. de Rust van de 7e Dag die nu al duizenden jaren voortduurt vanaf de grondlegging der wereld (Genesis 2:2-3; Hebreeën 4:3-4). En waarom gaan christenen die grote Sabbatsrust binnen? Omdat zij geloof oefenen in Christus en daardoor in de positie komen van de vrouw Eva in haar volmaaktheid, niet bedorven door de smet van zonde. Denk terug aan Hebreeën 10:14 en 22

Want door één slachtoffer heeft hij voor altijd volmaakt gemaakt hen die geheiligd worden…Laten wij met een waarachtig hart naderen, in volle verzekerdheid van het geloof, de harten door besprenkeling ontdaan van een boos geweten en het lichaam gebaad zijnde met rein water.

 

Ons christenen wordt telkens weer verzekerd dat wij in Christus vrije toegang tot God genieten. Die omstandigheid alleen reeds maakt onze positie voor het aangezicht van God vergelijkbaar met die van Adam en Eva in hun volmaakte paradijsstaat. Die eerste mensen verheugden zich met God in zijn Zevende Dag van Rust. Diezelfde vreugde valt christenen ten deel.

Wanneer JHWH God derhalve in Psalm 95:11 de natie Israël eraan herinnert dat hij de wildernisgeneratie had gezworen dat zij nimmer zijn rustplaats – dat wil zeggen het beloofde land Kanaän – zouden binnen gaan (vergelijk Numeri 14:22-23),  kon die Kanaänrust hooguit typologisch zijn. Zelfs voor de Israëlieten die zich niet weerspannig gedroegen tijdens alle omzwervingen in de wildernis, en die door Jozua het land werden binnengeleid, was Kanaän niet de plaats van de ware Rust (Hebreeën 4:8).

Het tegenbeeld van de Kanaänrust zal aards Israël ervaren tijdens het Millennium. Door Jezus Christus die groter is dan Jozua, zullen zij – te beginnen met het Overblijfsel – die Rust worden binnengeleid. –Jozua 22:4. Die Millenniumrust valt derhalve samen met de laatste 1000 jaar van Gods grote Sabbatrust op de Zevende Dag.

 

De mogelijkheid om met God (echte) Rust te genieten, de Rust van de 7e Dag, wordt door de auteur van de Hebreeënbrief aangesneden in de hoofdstukken 3 en 4. Vooral het gedeelte van 3:16 t/m 4:11 verschaft sleutelpunten tot begrip.

Desondanks wordt algemeen erkend dat juist dit gedeelte moeilijk te doorgronden is. De volgende punten worden om die reden slechts ter beoordeling aan u aangeboden:

 

1. Na haar schepping ging de vrouw Eva automatisch de Rust binnen. Er waren voor haar geen belemmeringen. Zij genoot vrede met God en kon in haar verbondenheid met Adam vrijelijk tot God naderen. Door hun daad van opstand die tot uitdrukking kwam in ongehoorzaam gedrag, daarbij blijk gevend van een gebrek aan vertrouwen c.q. geloof, ging die situatie al snel voor hen verloren. Echter niet alleen voor hen, maar ook voor ons, al hun nakomelingen. Het is precies datgene wat wij in Adam zijn kwijtgeraakt, maar ook precies datgene wat in Christus aan zijn Vrouwgemeente wordt hersteld.

 

2. Het is duidelijk dat het Gods wens is dat zijn kinderen de Rust binnengaan. Dat blijkt ondermeer uit 4:1

Laten wij er daarom voor vrezen, aangezien er een belofte is overgebleven zijn Rust in te gaan, dat niet iemand van ons te eniger tijd lijkt achtergebleven te zijn 

 

In feite is dit een geïnspireerde aanmoediging om een eerbiedige vrees te koesteren dat wij niet achterblijven, dat wil zeggen dat we ons weer identificeren met onze vroegere levenswijze toen wij nog los van Christus waren. Jezus zou zeggen: "Denkt aan de vrouw van Lot" (Lukas 17:32). Lots vrouw draalde en bleef achter, terwijl er een belofte/gelegenheid was tot ontkomen. Zo is er ook thans, in het Heden (4:7) d.i. in het christelijke tijdperk, de belofte, ja, een uitnodiging de Rust van God binnen te gaan.

Dit vers (4:1) is een duidelijke voortzetting van 3:18-19: "Laten wij derhalve ervoor vrezen...etc". Er wordt een conclusie getrokken uit wat voorafging, uit de vermelding dat Israël het Land der Belofte - de hun in het vooruitzicht gestelde (typologische) rust - niet kon binnengaan. Vergelijk Deuteronomium 12:9.

En hoe luidt de conclusie? Dat een gepaste vrees op z'n plaats is. Waarom? Vanwege het gevaar tot ongeloof te vervallen. Israël ging immers niet binnen wegens ongeloof. Hierop wordt dieper ingegaan in 4:2. Ook aan etnisch Israël was evangelie of goed nieuws bekendgemaakt. Maar wat zij vernamen baatte hun niet. Zij stelden niet echt geloof in de beloften van God; zij hadden hun twijfels daaromtrent. Het gevolg? Zij vielen terug in hun vroegere manier van leven. Zie als bewijs hiervoor o.a. Numeri 14:2-4. Vrees dus ongeloof! Vergelijk Romeinen 11:20 met precies dezelfde gedachte.

 

3. Kanaän was niet de echte Rust (4:8), maar was slechts typologisch. Jozua was namelijk niet te vergelijken met Christus. Ook met betrekking tot Jozua is Christus veel groter, zoals hij dat ook is ten aanzien van de engelen (1:4), Mozes (3:4-5), Aäron (7:11), etc. Bovendien werden in de typologische rustplaats in het kader van het Wetsverbond offers gebracht die niet toereikend waren. Wat verloren was gegaan met de zondeval, t.w. volmaaktheid en vrije toegang tot God, kon door de dierlijke offers niet teruggebracht worden; daarvoor misten die offers de kracht.

Zie Hebreeën 9:6-9; 11-14.

 

4. Hoe ziet het leven van een christen die met God rust houdt op zijn Zevende Dag er eigenlijk uit? Het schriftdeel 4:9-10 verschaft het belangwekkende antwoord op die vraag:

Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God. Want wie tot zijn Rust is ingegaan heeft ook zelf gerust van zijn werken zoals God van de zijne.

 

Ongetwijfeld één van de belangrijkste verklaringen die in de bijbel te vinden zijn: Een revolutionair nieuw principe van leven volgens welke de mens eigenlijk altijd al had moeten functioneren, van het begin af. Het is die wijze van leven waarvan wij door de zonde zijn afgevallen, maar waartoe we nu in Christus zijn hersteld.

Wat kan de betekenis zijn van "gerust van zijn werken zoals God van de zijne"? We kunnen onmogelijk uitgaan van de veronderstelling dat God ooit rust van goede, juiste werken. "De Rots, volmaakt is zijn activiteit", heeft Mozes opgemerkt volgens Deuteronomium 32:4. Op zijn beurt zei Jezus: "Mijn Vader is tot nu toe blijven werken, en ik blijf werken". -Johannes 5:17.

 

De wekelijkse sabbat - die de joden telkens weer herinnerde aan de grote Sabbatsrust van JHWH - weerhield Jezus er niet van om op die dag voortreffelijke werken te verrichten.

Wat de mens betreft, is de zaak duidelijker. Er zijn werken waarvan hij behoefte heeft dat hij ze voortaan niet meer verricht, er voorgoed van rust, t.w.:

a. Verdorven activiteiten die verricht worden in verzet tegen God, "dode werken" die ook in Hebreeën worden vermeld (6:1 en 9:14). Paulus heeft zulke werken opgesomd in Romeinen 1:29-32, onder vermelding van het gerechtelijke vonnis van God dat zij die zulke dingen beoefenen, des doods waardig zijn.

b. Waarschijnlijk het meest voor de hand liggend in onze context: het verrichten van werken om onze eigen (vermeende) rechtvaardigheid te bewerken.

 

Rusten van zulke werken impliceert rust vinden in een leven van volledige afhankelijkheid van God in Christus, overeenkomend met de levenswijze die Paulus zo vaak in zijn brieven beschrijft, namelijk een leven leiden vanuit geloof in Christus in plaats van de ijdele inspanningen om de werken der Wet te verrichten.

Vanuit dit gezichtspunt benaderd is het niet zo moeilijk meer om te onderscheiden wat 4:10 bedoelt te zeggen, t.w.: Zoals God rustte van datgene waarmee hij zich tot en met de 6e Dag had beziggehouden - zijn scheppingsactiviteiten, zo gaat een mens evenzo Gods Rust binnen door op te houden waarmee hij bezig is geweest: trachten op eigen kracht zijn redding te bewerken.

 

Overgaan op zo'n nieuwe levenswijze is bijzonder begeerlijk, aangezien het vrede met God inhoudt, ook het beoefenen van een bevredigende aanbidding van God waarin men vrije toegang tot hem geniet, niet gehinderd door welke doelloze religieuze riten maar ook. Vandaar de slotaanmoediging in 4:11

Laten wij er dus ernst mee maken om tot die Rust in te gaan

 

Waarom er ernst mee maken? Gezien het waarschuwende voorbeeld van Israël waarop Paulus telkens weer bereid is te wijzen: Hun terugkerend patroon van ongehoorzaamheid met al de catastrofale gevolgen vandien.

Door het optreden van de Antichrist in de eindtijd zal het naamchristendom naar verwachting meegesleept worden in een ongekende afvalligheid van Christus. Vergelijk Numeri 13:32-33 en 14:28-30, waar wij vernemen dat  de ziekelijke vrees van Israël voor de Nefilim - een indrukwekkend reuzengeslacht - leidde tot hun afvalligheid en bijgevolg tot Gods eed dat zij zijn Rust niet zouden binnengaan. Ons huidige rusten met God hangt samen met ons geloof in de ware Christus, een vertrouwen dat bij de opkomst van de pseudo-Messias ongetwijfeld beproefd zal worden. Er staat dus voor ons heel wat op het spel!

 

 

Wat zal ons helpen om tot de paroesie te leven binnen het door God bedoelde patroon van de Zevende Dag? Blijkbaar verschaft het volgende vers, 4:12, het antwoord op die vraag:

Want het Woord van God is levend en vol van uitwerking en scherper dan elk tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot scheiding van ziel en geest alsook van gewrichten en merg; ook [is het] een rechter van opvattingen en bedoelingen van [een] hart.

Volgens de NBV:  Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden.

 

Aangezien ongeloof een kwestie van het hart is, kan het gemakkelijk verborgen blijven voor menselijke waarneming, maar nooit voor God. Zijn Woord is levend,  krachtig in z’n uitwerking en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, ja zo intens uitwerkend dat het helemaal tot de binnenste delen van iemands persoonlijkheid kan doordringen.

In dit vers gebruikt de auteur van Hebreeën het woord kritikos (κριτικος) dat rechter betekent. Toegepast op het Woord van God houdt e.e.a. in dat dit Woord de macht bezit zowel de ideeën/opvattingen als de mentale neigingen van het hart te [be]oordelen. Het is in staat om de morele waarde van een mens vast te stellen.

 

Gods Woord dat in oude tijden door de profeten werd gesproken bezat reeds een innerlijke kracht, maar het Woord dat God met het aanbreken van het Messiaanse tijdperk door zijn Zoon heeft gesproken (1:1-2), daarna uitgewerkt door de apostelen, heeft zo'n dynamiek dat het bij de gelovige hoorders iets nieuws kan scheppen.

Zie Romeinen 1:16 "Het is in feite Gods kracht tot redding voor een ieder die gelooft". En ook 1 Petrus 1:23 "Gij hebt een nieuwe geboorte ervaren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God".

 

Wat kan derhalve verstandiger zijn dan ons gewillig door dit Woord te laten leiden? Psalm 95 bijvoorbeeld die in Hebreeën, hoofdstuk 4 herhaaldelijk wordt geciteerd, is niet een dode letter gebleken, ondanks de ongehoorzaamheid van de meeste Israëlieten. Door het evangelie heeft het daarentegen een nieuwe en blijvende gelding gekregen. Er is met Christus een nieuw Heden aangebroken [dat trouwens nog steeds voortduurt], waarin de gelegenheid openstaat om alsnog die begerenswaardige Rust van God binnen te gaan en volledig te beleven. Zie 4:6-7 en 9.

 

Aan de hand van Efeziërs 5:30-32 stelden we vast dat er destijds, in de schepping van mannelijk en vrouwelijk een "groot geheim" lag opgesloten. De vele aspecten van dat geheimenis zijn in het werk van Christus met betrekking tot zijn Vrouwgemeente volledig aan het licht gekomen.

We zijn nu dan ook beter in staat te begrijpen waarom Paulus Genesis 2:24 een geheim noemt.

Dit komt omdat JHWH niet meteen de diverse facetten van zijn voornemen onthulde i.v.m. de huwelijksverbintenis van mannelijk en vrouwelijk in Genesis. Naderhand verschenen er in het OT wel hints en aanwijzingen dat het menselijke huwelijk als de relatie was tussen God en zijn volk, maar eerst toen Christus verscheen werd het geheim pas echt in zijn details ontvouwd. Het wachten was al die tijd op de openbaring van Christus en zijn gemeente. Bijgevolg vormt het christendom de sleutel voor de ontsluiting van het mysterie. Evenzo maakt het Christendom ons begrip van het huwelijksverbond volledig.

 

Naar wij verwachten zal bij het begin van de 70e Jaarweek de vervulling aanbreken van 1 Thessalonicenzen 4:16-17 (Zie de passages in Deel 3 over de 70e Week):

Omdat de Heer zelf met een bevelende roep, met een stem van een aartsengel en een bazuin van God, zal neerdalen vanaf de hemel en de doden in Christus zullen eerst opstaan; daarna zullen wij, de levenden, de overgeblevenen, tegelijk met hen worden weggerukt in wolken de Heer tegemoet in de lucht; en aldus zullen wij altijd met de Heer zijn.

 

Dit schriftdeel waarin de opname/wegvoering van de gemeente wordt beschreven, onthult dat de Heer zelf bij zijn wederkomst zijn Vrouwgemeente tot zich zal roepen. Allen, levenden en doden, worden veranderd en gaan "de Heer tegemoet in de lucht". Vervolgens moet niet lang daarna in de hemel de aankondiging gehoord worden van Openbaring 19:7-9

Omdat de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereed gemaakt; en het werd haar gegeven getooid te zijn met schitterend, rein, fijn linnen; want het fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen. En hij zegt tot mij: Schrijf, gelukkig zij die geroepen zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam.

 

Vanzelfsprekend zijn de genodigden tot het bruiloftsmaal zeer gelukkig te noemen. Probeert u zich het tafereel eens voor te stellen: Christus leidt zijn bruidsgemeente de feestzaal binnen en doet haar aan tafel aanzitten (Lukas 22:30). De Vader verheft zich en richt het woord tot al zijn aanwezige geestelijke zonen, maar in het bijzonder tot de gemalin van zijn Eniggeborene. Een greep uit de bruiloftsrede:

Dit nu, mijn dierbaren, waarvan wij thans getuige zijn en waarin wij ons allen verheugen, was de opzet van het huwelijk. Dit is waarnaar het huwelijk onder de mensenkinderen verwees.

Daarom hebben wij jullie geschapen tot mannelijk en tot vrouwelijk en werd het huwelijksverbond ingesteld.

De schaduwen hebben nu alle hun doel gediend, de werkelijkheden zijn verschenen. Om die reden zal er voortaan geen huwelijk meer zijn, noch zal ook maar iemand ten huwelijk worden gegeven.

De eeuw van Adam is afgesloten, een nieuwe eeuw is aangebroken.

Deze - uiteraard zeer menselijke - voorstelling van zaken kan ons wellicht behulpzaam zijn om de grootse waarheden die zo lang achter het menselijke huwelijk zijn schuilgegaan, naar waarde te schatten. Ook kan ze ons misschien helpen een voor velen moeilijk te verteren waarheid te verwerken, namelijk datgene wat Jezus zelf  over de toekomst van het huwelijk heeft aangekondigd volgens Lukas 20:34-36.

En Jezus zei tot hen: De zonen van deze eeuw huwen en worden uitgehuwd. Zij echter die waardig gerekend worden deel te krijgen aan die eeuw en aan de opstanding die uit de doden is, huwen niet, noch worden zij uitgehuwd. Want zij kunnen niet meer sterven daar zij aan de engelen gelijk zijn; en als zonen van de opstanding zijn zij zonen Gods.

 

De zonen van dit aeon (deze eeuw) huwen, maar....

Alleen al de speciale manier waarop Jezus zich uitdrukt wijst er op dat huwen beperkt is tot het huidige tijdperk dat gekenmerkt wordt door onze verbondenheid met Adam vanwege onze afstamming van hem. Thans  zijn alle mensen nog zonen van dat Adamitische tijdperk en derhalve wordt er gehuwd, althans de mogelijkheid daartoe staat open, nog steeds.  Maar in het aeon dat aanstaande is - het Millennium – zal voor allen die dan de gelegenheid ontvangen op aarde te leven, het huwelijk niet meer aan de orde zijn.

De context laat zien dat Jezus reageerde op een vraag van de Sadduceeën die eropuit waren de opstandinggedachte belachelijk te maken. Hun vraag had betrekking op een vrouw die in het kader van het leviraatbeginsel 7x gehuwd was geweest. Van wie zou zij in de opstanding de echtgenote zijn, want de 7 broers hadden haar allen tot vrouw gehad (20:27-33). De vragenstellers associeerden hun (fictieve) probleem duidelijk met de aardse opstanding en wij zijn van mening dat Jezus hun ook vanuit dat gezichtspunt van repliek diende. Dat Jezus hier, in Lukas 20 in zijn antwoord het huidige en het toekomstige aeon in zijn antwoord betrok (hetgeen niet het geval is in de parallelverslagen Mattheüs 22 en Markus 12), moeten wij waarschijnlijk toeschrijven aan Lukas’ lezerskring die voornamelijk Hellenistisch geweest zal zijn.

 

Maar wat is dan de betekenis van de zinsnede Want zij kunnen niet meer sterven daar zij aan de engelen gelijk zijn?

Het antwoord schijnt te zijn: Zij zijn niet langer Adams zonen en kunnen dus ook niet meer de Adamitische dood sterven. Er is intussen n.l. het een en ander gebeurd waardoor zij niet meer Adams zonen, maar Gods zonen zijn. Zoals alle engelen afzonderlijk door God zijn geschapen, hebben ook allen die dan op aarde zijn - ieder afzonderlijk - een herschepping ervaren; of zij nu tot de overlevenden of tot de opgewekten uit de doden behoren.  In beide gevallen is God met zijn grote macht tussenbeide gekomen (Mattheüs 19:28; 22:29; Markus 12:24). 

 

De vervulling van andere hoogst belangrijke zaken - hoewel reeds lang in petto - is dan van start gegaan, zoals die van Romeinen 8:19-22.

Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods. Want de schepping werd aan vruchteloosheid onderworpen....op basis van hoop, dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij des verderfs tot de glorierijke vrijheid der kinderen Gods.

Want wij weten dat heel de schepping tezamen zucht en in barensnood is, tot nu toe.

 

In dit schriftdeel ontvangen wij een extra argument om te veronderstellen dat bij de intrede van het Millennium het huwelijk en het baren van kinderen tot het verleden zal behoren. Waarom? Omdat de tijd is aangebroken dat het huwelijk in de hemel – waar het menselijke huwelijk naar vooruitwees – vruchtbaar moet worden. En dat nu hangt precies samen met het feit dat de zonen Gods – Christus’ Vrouwgemeente in de hemel - openbaar worden gemaakt. Dat wil zeggen dat hun heilzame invloed zich naar de mensen op aarde begint uit te strekken als het Nieuwe Jeruzalem dat vanaf God uit de hemel neerdaalt (Openbaring 21:2-4).

 

Naar het schijnt heeft het boek Ruth om deze reden een plaats in de bijbel gekregen. Twee van de 3 hoofdfiguren in het verhaal zijn namelijk vrouwen: Naomi en Ruth. Bovendien steunen beide vrouwen wat hun vooruitzichten in het leven betreft, op de derde hoofdfiguur, Boaz die voor hen een losser of vrijkoper wordt.

Het ligt daarom voor de hand om Boaz in zijn tegenbeeldige betekenis te vereenzelvigen met Jezus Christus, de loskoper van de twee Vrouwgemeentes die in de bijbel een plaats hebben, tezamen vormend het zaad van Abraham.

 

In het verhaal is ook nog sprake van een pseudo-losser die in het Hebreeuws met Peloni Almoni wordt aangeduid (4:1-6). Deze figuur komt nietom te redden, maar uitsluitend voor eigen voordeel; om het met de kwalificaties van Christus zelf aan te geven: om te plunderen, te slachten en te vernietigen. Zie Johannes 10:9-11. Aangezien hij blijkbaar een afbeelding is van de Antichrist, moeten wij de vervulling van de typen vooral in de eindtijd zoeken.

 

Naomi komt dan overeen met de Vrouwgemeente van JHWH, aards Israël in haar weduwestaat, zoals zij zichzelf ook ziet: Mara. Waarom? Omdat zij het gevoel heeft dat de Almachtige het haar zeer bitter heeft gemaakt. Vol ben ik heengegaan, maar leeg deed JHWH mij terugkeren (1:20-21). Naomi is niet alleen weduwe maar ook zonder kinderen. Haar beide zonen zijn kinderloos gestorven (1:4-5). Zij is als vrouwe Sion, weduwe en beroofd van kinderen, schijnbaar zonder hoop (1:11 en Jesaja 49:14, 21).

In Ruth zien we de andere Vrouwgemeente van de bijbel, Christus’ Bruid. De christelijke gemeente is als de heidin Ruth, qua samenstelling overwegend van heidense achtergrond.

Aanvankelijk kwam Ruth binnen Israëls burgerschap (Efeziërs 2:11-22) door haar huwelijk met Machlon (4:10). Haar huwelijkseed had haar adoptie tot gevolg in de gelederen van het aan Abraham beloofde zaad. Zo kwam de Ruthgemeente in het tegenbeeld op de olijfboom "Israël" waarop de Naomigemeente zich van nature bevond.

Vergelijk Exodus 4:22; Romeinen 8:14-16; 9:4-5; 11:17-18.

 

Terwijl de Ruthgemeente door de aanvankelijke adoptie deel krijgt aan wat werkelijk "Israël" is (Romeinen 9:6), en in die situatie de eerstelingen der geest bezit als onderpand van de erfenis die komt, wacht zij niettemin vurig op de volledige adoptie: de verlossing [door losprijs] van het lichaam (Romeinen 8:23; 2 Korinthiërs 1:22; 5:5). Wanneer die gebeurtenis door de verandering tot hemels leven plaats vindt, kan ook het huwelijk met Jezus Christus, de tegenbeeldige Boaz, in de hemel worden voltrokken.

 

Die verandering tot de geestelijke natuur breekt aan bij de 70e Jaarweek. Op sublieme wijze wordt dat keerpunt in het verhaal blijkbaar verzinnebeeld door wat men gewoonlijk noemt: de scène op de dorsvloer (3:5-13).

Nadat Ruth (zinnebeeldig) van Pesach tot Pinksteren (zie 1:22 en 2:23) onder Boaz’ leiding op het veld in de oogst heeft gearbeid, wil zij nuhemzelf. Hij is immers losser! Na geleefd te hebben in de periode van onderpand, verlangt zij nu naar de volledige verlossing.

Naomi zinspeelt op die nieuwe situatie als zij bij de terugkeer van haar schoondochter de vraag stelt: Wie [zijt] gij, mijn dochter?, daarmee zinspelend op de verandering van status die zij in stilte voor Ruth verwacht (3:16).

 

Er zijn nog andere bijbelse reminiscenties die we aan die "dorsvloerscène" kunnen relateren:

Ruth 3:2; Mattheüs 13:39; Lukas 3-16-17

* Boaz – bij wiens meisjes je bent geweest – Zie! Hij want de dorsvloer der gerst, vannacht.

* De oogst is een voleinding der eeuw.

* Hij zal u dopen in heilige geest en vuur; zijn wanschop is in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren en het graan in zijn voorraadschuur bijeen te brengen; maar het kaf zal hij verbranden met onuitblusbaar vuur.

 

Ruth 3:3; Openbaring 19:7-8

* Baad je dan, zalf je, doe je kleed om en daal af naar de dorsvloer.

* De bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereed gemaakt; en het werd haar gegeven getooid te zijn met schitterend, rein, fijn linnen; want het fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen.

 

Duidelijk is dat in de scène op de dorsvloer de kern van het verhaal wordt verteld. Trouwens, het verhaal verdicht zich stap voor stap richting van dat kerngebeuren:

In de inleiding wordt de tijd zeer algemeen aangeduid (1:1)

Het geschiedde in de dagen dat de rechters richtten.

 

Na de dood der mannen focust het verhaal zich op de terugreis naar Bethlehem [huis van brood]. Naomi had namelijk vernomen dat JHWH had omgezien naar zijn volk door hun brood te geven (1:6). Indrukwekkend op die terugreis is het moment dat Ruth zonder enig voorbehoud haar trouw belijdt jegens Naomi, het volk Israël en JHWH de God van dat volk (1:16)

Dring er bij mij niet op aan je te verlaten door terug te keren van achter jou. Waarheen jij gaat, zal ik gaan en waar jij vernacht zal ik vernachten; jouw volk is mijn volk en jouw God mijn God.

 

In Bethlehem aangekomen, vernauwt het verhaal zich tot het oogstseizoen, waarin Ruth haar eerste ervaring heeft met Boaz die ertoe wordt gebracht ten aanzien van haar de volgende zegenwens uit te spreken (2:12)

Moge JHWH je handelwijze vergelden en mag je een volmaakt loon ontvangen van JHWH, de God van Israël, onder wiens vleugels je bent komen schuilen.

 

Uiteindelijk verdicht het verhaal zich tot één nacht, ja, tot één enkele gebeurtenis tijdens die nacht, namelijk het cruciale moment dat Ruth Boaz de gelegenheid biedt zijn zegenwens tot werkelijkheid te maken. Zij geeft hem ondubbelzinnig te verstaan dat zij het loon van JHWH door zijn tussenkomst wil ontvangen (3:9)

Spreid toch je vleugel uit over je dienares, je bent immers losser.

 

Daarna begint het element tijd in het verhaal zich weer te verwijden. Na het aanbreken van de dag, worden wij naar de gebeurtenissen in de poort verplaatst. In de tegenwoordigheid van 10 van de oudere mannen en in aanwezigheid van het volk dat als getuige zal optreden, vernemen wij iets omtrent de onderhandelingen die gevoerd worden tussen Boaz en Peloni Almoni, waarin het leviraatbeginsel uitgangspunt is. De laatste is aanvankelijk bereid te lossen. Hij veronderstelt dat het slechts gaat om het veld dat Elimelech had toebehoord, uit de hand van Naomi te kopen. Gezien de ouderdom van Naomi hoefde hij – naar hij meende – geen rekening te houden met de mogelijkheid van een zwagerhuwelijk teneinde de naam van de gestorven man over zijn erfdeel te doen verrijzen door het verwekken van een zoon in zijn plaats. Maar Boaz heeft iets geheel onverwacht voor hem in petto (4:1-5)

Op de dag dat je het veld koopt uit de hand van Naomi, koop je Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, erbij om de naam van de gestorvene in stand te houden op zijn erfdeel.

 

Waarom verklaart die Peloni Almoni in Ruth 4:6, nadat Boaz hem duidelijk heeft gemaakt dat de lossing van het veld ook de lossing van Ruth als bruid [plaatsvervangend voor Naomi] omvat, tot tweemaal toe: Ik kan niet lossen ?

Zijn eigen verklaring luidt: Ik zou mijn eigen erfdeel te gronde richten .

Hij had geen probleem om zich te verrijken met het erfdeel van Naomi. Aangezien er in de lijn van Elimelech geen kinderen meer waren en Naomi te oud was geworden, zou het stuk land blijvend bij hem terechtkomen. Zou hij echter Ruth huwen dan zou hij het veld kwijtraken zodra er sprake was van nageslacht. Hij handelde dus uit puur eigen belang en stelde zich harteloos op ten aanzien van zijn behoeftige verwanten.

 

In het tegenbeeld laat de Antichrist, de pseudo-messias, zich ook slechts door goddeloze zelfzucht leiden en stelt hij zich harteloos op ten aanzien van de twee Vrouwgemeentes. Dat hij bij het begin van de 70e Jaarweek een verbond aangaat met de velen (Da 9:27), de ongelovige meerderheid van het joodse Volk, is dan ook uit puur eigenbelang.

Om als hun langverwachte messias geaccepteerd te worden, is hij bereid medewerking te verlenen aan het wederoprichten van een tempel, de derde stoffelijke tempel in het religieuze leven der Joden onder de Wet van Mozes. Maar juist dat brengt voor de tegenbeeldige Peloni Almoni een beperking met zich. Enerzijds bezit hij op basis van de Wet de ‘oudste rechten’, anderzijds ontbeert de Wet de kracht tot de ware verlossing, aangezien het onmogelijk is dat het bloed van jonge stieren en bokken  zonden wegneemt  (Hebreeën 10:4).

Vergelijk in verband met de (nog) op te richten Derde Tempel en Gods zienswijze ten aanzien van de herleving van de oude offercultus: Jesaja 66:1-6.

 

Als de tegenbeeldige Boaz is Jezus evenwel het ware Heiligdom binnengegaan met de waarde van zijn eigen vergoten bloed, en daarmee heeft hij een eeuwige bevrijding verworven (Hebreeën 9:12).

De Antichrist daarentegen heeft niets anders te bieden dan een machteloze Wet waarop hij noodzakelijkerwijs moet terugvallen om de ongelovige Joden van de eindtijd ter wille te zijn (Hebreeën 7:19; Romeinen 8:3). Vandaar dat hij zal moeten toegeven: Ik kan niet lossen!

 

Het tijdsbeeld verruimt zich verder: Ruth wordt zwanger en Obed wordt geboren. Verrassend is in dat verband het getuigenis der vrouwen van de stad (4:13-17)

Gezegend zij JHWH die het je niet aan een losser heeft laten ontbreken op deze dag. Zijn naam worde geroepen in Israël! Hij zal je ziel doen terugkeren en je in je grijsheid verzorgen, want je schoondochter, die je waarlijk liefheeft, heeft hem gebaard, zij die beter dan zeven zonen is voor jou…De buurvrouwen riepen hem een naam toe en zeiden: Aan Naomi is een zoon geboren.

 

Uiteindelijk waaiert het tijdsbeeld weer in alle breedte uit met een verwijzing naar de 10 generaties die de tijd overbruggen tot op  koning David (4:18-22).

Maar wat in het kader van onze redenatie speciaal belangrijk is, is de procedure der terugkoop. Het zal duidelijk zijn dat beide vrouwen door Boaz werden gelost, waarbij Ruth de plaats inneemt van Naomi. Ten aanzien van Ruth wordt enerzijds gezegd Als jij het veld lost, koop je Ruth erbij; terwijl anderzijds met betrekking tot Naomi wordt verklaard Gezegend zij JHWH die het jou niet aan een losser heeft doen ontbreken.

Ook wordt van Obed gezegd dat hij Naomies [leviraat]zoon is.

Evenzo wordt de aardse Vrouwgemeente Israël in haar ouderdom geschraagd of verzorgd. De loskoper Christus wordt een hersteller van haar ziel. Het huwelijk tussen Christus en de Ruthgemeente draagt hier in hoge mate toe bij. De vrucht van dat huwelijk – de tegenbeeldigde Obed [dienaar of knecht] – zal als het ware gestalte krijgen in Sions zonen. Vrouwe Sion zal dan ook te zijner tijd in haar hart zeggen (volgens Jesaja 49:21)

Wie heeft mij dezen gebaard, daar ik een vrouw ben beroofd van kinderen en onvruchtbaar, verbannen en gevangengenomen? Wat dezen betreft, wie heeft grootgebracht? Zie! Ik was alleen achtergelaten. Dezen – waar komen zij vandaan?

 

In Jesaja 66:7-9 verschijnen antwoorden op deze vragen, maar het wonderbaarlijke van de gebeurtenis blijft overeind. Uiteindelijk wordt het niet (meer) verwachte wonder aan JHWH toegeschreven die zijn Vrouw weer in vrede tot zich neemt (v. 12):

Voordat zij in barensnood verkeerde, heeft zij gebaard; voordat de pijn der weeën haar overviel, bracht zij een mannelijk [kind] ter wereld. Wie heeft zoiets gehoord, wie heeft iets dergelijks gezien? Wordt een land op één dag voortgebracht of een natie in één keer geboren? Maar Sion heeft nauwelijks barensweeën gekregen, of zij baarde al haar zonen. Zou Ik ontsluiten en niet doen baren? zegt JHWH. Of zou ik die doet baren de schoot toesluiten? zegt uw God……. Want zo zegt JHWH: Zie, Ik doe haar vrede toestromen als een rivier en de heerlijkheid der natiën als een overvolle beek.

 

Ook in het sterk typologische verhaal van Naomi en Ruth verschijnt één van de hoofdthema’s in de bijbel: Teneinde het zaad van Abraham tot zegen voor de natiën te laten worden, worden er 2 Vrouwgemeentes ten tonele gevoerd. Weliswaar is elk van die 2 gemeentes een afzonderlijke verzameling van personen, maar tegelijkertijd vormen zij in veel opzichten een eenheid.

In het boek Ruth komt dit punt sterk tot uiting. ● Hoewel Ruth baart, zeggen de vrouwen: Aan Naomi is een zoon geboren! Beide worden als de moeder van hetzelfde kind beschouwd. ● Tijdens de beraadslagingen in de poort, laat Boaz de 2 weduwen samenvallen. Door de overgang te maken van de weduwe Naomi naar de weduwe Ruth is Boaz in de gelegenheid het lossen van het veld in samenhang met het zwagerhuwelijk, met Ruth te verbinden. Niet alleen vallen beide vrouwen daardoor samen als de moeders van hetzelfde kind maar ook als de erfgenamen van hetzelfde stuk land.

 

Dit begrip omtrent de 2 Vrouwgemeentes werpt licht op enkele moeilijke bijbelse vraagstukken, t.w.: a. Wie is eigenlijk de onvruchtbare vrouwvan Jesaja 54:1? De context (54:1-10) wijst duidelijk in de richting van aards Israël, maar in Galaten 4:26-31 brengt Paulus de profetie in verband met de christelijke gemeente en spreekt hij over het Jeruzalem dat boven is, de moeder van christenen als een vrije vrouw die met de onvruchtbare Sara wordt gelijkgesteld. b. Welke vrouw wordt vertegenwoordigd door de zwangere vrouw van Openbaring 12:1-2? Ogenschijnlijk is zij hemels want Johannes ziet haar in de omlijsting van een groot teken in de hemel. In vers 5 evenwel lezen wij dat die vrouw een zoon baart, een αρσεν d.i. mannelijk [kind], verwijzend naar Jesaja 66:7 (zie boven). En vervolgens vlucht zij naar de wildernis (de verzen 6 en 14) en zien we haar kennelijk in een aardse setting: de draak (slang) braakt de vrouw water achterna, een rivier gelijk om haar daardoor te doen verdrinken. De aarde komt de vrouw echter te hulp, opent haar mond en verzwelgt de rivier (de verzen 15 en 16).

 

Het is onze overtuiging dat de oplossing gelegen is in het feit dat het in genoemde schriftgedeelten steeds gaat om één vrouw, namelijk het ene Israël Gods van Galaten 6:16. Maar die ene vrouw zien we in de praktijk terug in 2 uitdrukkingswijzen: aards Israël en hemels (of: geestelijk) Israël. In Romeinen 11 heeft Paulus op afdoende wijze de basis voor die opvatting toegelicht door uit te leggen dat er sprake is van de ene olijfboom "Israel" waarvan de takken uiteindelijk gevormd zullen worden door de leden van de beide Vrouwgemeentes. En zo zal heel Israël worden gered! –Romeinen 11:17, 24-26. Zie voor een uitgebreidere behandeling van dit leerpunt: Profetische Beelden (Leviticus 12), eveneens op deze Site.

 

Tot slot keren we terug naar het menselijke huwelijk en het grootse geheim dat daarin al sinds Adam en Eva heeft opgesloten gelegen (Efeziërs 5:31-32). We stelden vast dat het mysterie onthuld wordt in de verbintenis tussen Christus en zijn Evagemeente. Nu is het een bijbelse regel dat wanneer de werkelijkheden verschijnen de schaduwen of voorafbeeldingen hun tijd gehad hebben en daarom moeten verdwijnen. Om die reden zijn we wat dieper ingegaan op Lukas 20:34-36 waar Jezus het tot een einde komen van het menselijke huwelijk heeft geleerd.

Dat leerpunt geeft echter aanleiding tot de volgende vraag: Zal de beëindiging van de instelling van het huwelijk ook inhouden dat het principe van mannelijk en vrouwelijk wordt teruggedraaid? Dit lijkt geen onterechte vraag, immers:

1. Over de schepping van de mens hebben we in Genesis 1:27 het volgende gelezen: En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep hij hemmannelijk en vrouwelijk schiep hij hen. Met het oog op het huwelijk werd de aanvankelijk geschapen mens tot mannelijk en vrouwelijk geschapen.

2. In Romeinen 8:22 leert de bijbel dat de schepping nog altijd in barensnood verkeert! Betekent die uitspraak dat de schepping nog op afronding wacht?

Citaat: All creation is pregnant in strained expectancy awaiting the revelation of the sons of God, sighing and groaning in travail pains.

Wat valt er in dit verband te zeggen over Jeremia 31:22?

Hoe lang zult gij u her- en derwaarts wenden, o afkerige dochter. Want JHWH schept iets nieuws in het land: Vrouwelijk zal man omvangen.

 

Heel geheimzinnige taal. Duidelijk is alleen het volgende:

a. Er wordt profetisch een beroep gedaan op etnisch Israël om zich weer tot haar echtgenoot JHWH te keren, en zich niet langer tot andere "Baäls" te wenden. Hierbij dienen we te bedenken dat dit een passage is binnen hoofdstuk 31, het hoofdstuk waarin het Nieuwe Verbond wordt aangekondigd (v. 31 t/m 34), dat bedoeld is om als een hernieuwd huwelijksverbond te dienen. Nu reeds weten wij bij voorbaat dat een getrouwe Rest op grond van die regeling tot een hernieuwde relatie zal geraken met JHWH God.

b. JHWH schept iets totaal nieuws op aarde. Het zou niet vreemd zijn als het nieuwe gezien moet worden in het kader van het Nieuwe Verbond. De verzen 22 en 31 bevinden zich in een zelfde context.

c. Beschouwd vanuit Genesis 1:27b, is hier alleen het woord vrouwelijk gebruikt. Het woord mannelijk [Hebreeuws: ZaaKaaR] verschijnt niet in vers 22. In plaats daarvan wordt het Hebreeuwse woord GeBeR gebruikt dat niet zomaar man betekent, maar eigenlijk betrekking heeft op een man die sterk wordt geacht; sterk in de zin dat hij zich onderscheidt van vrouwen, kinderen, en andere personen die niet fysiek sterk of strijdbaar zijn.

Om die reden geeft de NW-versie GeBeR steeds weer met fysiek sterke man. De Naardense Bijbel vertaalt ondermeer met kerel; vent: Een vrouw omvangt een vent. [Maar in 30:6 is de vent een kerel: Waarom heb ik dan elke kerel gezien met zijn handen op zijn heupen als een barende vrouw?].

Vergelijk o.a.  Exodus 12:37; Psalm 34:8(9) en Jesaja 22:17.

 

De Groot Nieuws Bijbel (1984) heeft een opmerkelijke weergave:

Ik begin iets heel nieuws: zo nieuw, zo anders zal het zijn, dat de vrouw een man kan zijn, en de man een vrouw.

Dit is wat men noemt een interpreterende vertaling, iets wat in verband met deze passage feitelijk niet verantwoord is. Waarom niet? Omdat het een algemeen aanvaarde (vertaal)regel is dat een moeilijke passage die kennelijk een geheim in zich bergt, niet uitleggend mag worden weergegeven. Wat kennelijk bedoeld was om als een geheim te dienen, moet ook een geheim worden gelaten.

In een latere GNB-versie (1996) is Jeremia 31:22 overigens ingrijpend aangepast:

Ik begin iets heel nieuws; zo nieuw, zo anders zal het zijn: de vrouw  zoekt haar  man.

 

Het zou interessant zijn te vernemen waarom de oorspronkelijke versie luidde dat de vrouw een man kan zijn en de man een vrouw. Welke overwegingen speelden daarbij een rol? En waarom werd in de latere versie een geheel andere benadering gepresenteerd? Hoe dan ook, de vraag blijft: Wat is het spectaculair nieuwe dat JHWH op aarde schept?

 

Zoals reeds opgemerkt wordt het nieuw te creëren fenomeen aangekondigd binnen een context waarin het Nieuwe Verbond wordt aangekondigd. Dat Verbond is in eerste instantie bedoeld om als een hernieuwd huwelijksverbond te dienen voor etnisch (aards) Israël in haar relatie tot JHWH God. Maar dit wordt eerst actueel als in de eindtijd de getrouwe Rest op het toneel verschijnt, dus in de tijd van de Antichrist. Intussen, en wel onmiddellijk vanaf 33 n. Chr., zijn de voordelen van het Nieuwe Verbond meegedeeld aan het geestelijke Israël, Christus' Vrouwgemeente. En waarom? Omdat door enting op de olijfboom "Israël", de christelijke gemeente deel kreeg aan de wortel der vetheid van die boom, dus ondermeer aan de aanneming als zonen,…de verbonden,…de beloften, etc. (Romeinen 11:17; 9:4).

Het principe blijkt derhalve aldus te zijn: De kenmerken van het Nieuwe Verbond vallen eerst aan Israël-hemels ten deel, naderhand aan Israël-aards; een zeer belangrijk principe voor correct bijbelbegrip.

 

In het bijbelboek Hebreeën lijken de twee partijen in het Nieuwe Verbond JHWH God en de christelijke gemeente te zijn, met Jezus als de Middelaar tussen God en mensen (Hebreeën 12:24; 1 Timotheüs 2:5). Nergens vermeldt Paulus evenwel dat het Verbond ook werkelijk gesloten zou zijn tussen God en geestelijk Israël. Integendeel, wanneer de apostel uitlegt dat Jezus de Middelaar is geworden van een beter Verbond, wettelijk bevestigd op betere beloften, verwijst ook hij naar Jeremia 31 en naar het feit dat het Nieuwe Verbond eenhernieuwd verbond is tussen aards Israël en hun God JHWH (Hebreeën 8:6-13). Evenzo in 9:15-17. Want als daar wordt vermeld dat Jezus Middelaar is geworden van een Nieuw Verbond opdat zij die geroepen zijn de belofte van de eeuwige erfenis zouden ontvangen, wordt er in principe nog steeds gedoeld op aards Israël door de toevoeging: om [hen] door losprijs te verlossen van de overtredingen onder het eerste verbond.

Wél is zeer duidelijk dat Paulus laat uitkomen dat christenen de ontvangers zijn van de voordelen van het Nieuwe Verbond, zelfs als eersten, zodat zij aards Israël daarin voorafgaan. Zie als nog een voorbeeld daarvan 10:14 – doelend op christenen die in een proces van heiliging verkeren maar door het ene offer reeds gerechtvaardigd of volmaakt zijn gemaakt – in de context van 10:14-18.

 

Uitgaande van dat principe rijst dan de vraag: Hebben wij het aangekondigde nieuwe: vrouwelijk zal man [een sterke] omringen [of: omvangen] reeds in christenen gedemonstreerd gezien? Is duidelijk waarneembaar, of wellicht te beredeneren, dat er een eerste toepassing is geweest binnen de christelijke Vrouwgemeente?  Uit 1 Korinthiërs 12:12, 27 kan wellicht afgeleid worden dat die vraag bevestigend beantwoord moet worden:

Want zoals het lichaam één is en [toch] vele leden heeft, dus alle leden van het lichaam, [hoewel] vele zijnde, één lichaam vormen, zo ook de Christus…Gij nu zijt Christus’ lichaam en leden , [elk] ten dele.  

Of beschouw 1 Petrus 1:8:

Zonder hem gezien te hebben hebt gij hem lief; in hem die gij nu nog niet ziet gelooft gij, u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde  verblijdend,

 

De GeBeR of krachtige man die door vrouwelijk – zijn Evagemeente – wordt omvangen, is duidelijk Christus. In Zacharia 13:7 wordt profetisch naar Christus vooruitgewezen als een GeBeR, een krachtige of sterke man.

 

In het geval van etnisch Israël kan een overeenkomstige redenatie worden gevolgd. In de Jeremiatekst wordt immers een dringend beroep gedaan op die Vrouwgemeente om nu eindelijk eens haar eigenzinnige wegen te verlaten. De betekenis daarvan kan heel goed zijn - wat velen ook veronderstellen - dat etnisch Israël zich weer met hart en ziel tot haar echtgenoot moet wenden en dat ook zal doen. En waarom nu plotseling wel? Vanwege het nieuwe dat JHWH creëert; dat wil zeggen: er komt een factor of een omstandigheid in het spel die er voorheen niet was.

En dat moet dan - gezien het hierboven geformuleerde principe - natuurlijk iets zijn wat zich al duidelijk aan de christelijke Evagemeente heeft voltrokken.

 

Welnu, het bijzondere aspect van het Nieuwe Verbond is de nieuwe omstandigheid dat God aan het werk gaat in het binnenste van mensen:

Ik wil mijn wet in hun binnenste leggen, en in hun hart zal ik ze schrijven

 

Dit nieuwe principe van leven in onze verhouding tot God heeft ons, christenen, tot een nieuwe schepping gemaakt en ons in staat gesteld de Rust van de 7e Dag binnen te gaan. Het zal iets soortgelijks tot stand brengen voor aards Israël. Dit nieuwe principe van functioneren staat gedetailleerd geformuleerd in zulke bijbelgedeelten als Jeremia 32:37-41 en Ezechiël 36:24-28. Een greep uit het laatste schriftdeel:

En ik wil u een nieuw hart geven, en een nieuwe geest zal ik in uw binnenste leggen, en ik wil het stenen hart uit uw vlees wegnemen en u een hart van vlees geven. En mijn geest zal ik in uw binnenste leggen, en ik wil dusdanig handelen dat gij in mijn voorschriften zult wandelen en mijn rechterlijke beslissingen zult onderhouden en werkelijk zult uitvoeren.

 

Als dat het nieuwe is dat God volgens Jeremia 31:22 creëert zodat Israël haar echtgenoot, de Sterke, "omringt"; met andere woorden, mocht het voorgaande de juiste interpretatie inhouden, dan is dat uiteraard volkomen bevredigend. Voor aards Israël zal een en ander eveneens een nieuwe schepping betekenen, maar één die veel verder zal gaan dan in het geval van geestelijk Israël. In het geval van christenen hangt hun nieuwe schepping samen met de omstandigheid dat zij in Christus zijn; dat Gods geest inwonend is. In hun vleselijke organisme vindt geen verandering plaats. Om die reden zuchten ook zij – die de eerstelingen van de geest hebben- in zichzelf en blijven zij in afwachting van de volledige adoptie: het verlost worden van hun lichaam krachtens Christus’ loskoopoffer. –2 Korinthiërs 5:17; Romeinen 8:9-11, 15, 23.

 

Geheel anders ligt de zaak bij het Israël dat op aarde blijft. De leden daarvan zullen geen verandering tot een geestelijke natuur ervaren, maar God zal werkelijk in hun vleselijke organisme ingrijpen. Welnu, wanneer de zaak aldus ligt, dan zou het niemand hoeven te verbazen dat God nog verder kan gaan, door namelijk tegelijkertijd de mens lichamelijk tot zijn oorspronkelijke, harmonieuze status terug te brengen, niet meer gescheiden van zijn vrouwelijke zijde.

 

Mocht die betekenis opgesloten liggen in Jeremia 31:22 - dat in de toekomst mannelijk en vrouwelijk weer tezamen in de mens aanwezig zullen zijn, dan hebben we wat de christelijke gemeente betreft – die immers altijd voorop gaat – het precedent van Galaten 3:26-28. Want in dat schriftdeel wordt de nieuwe schepping als volgt beschreven:

Allen zijt gij zonen van God…Want zovelen als in Christus gedoopt werden, hebben zich met Christus bekleed…Er is [in Christus]  geenαρσεν και θηλυ. 

 

In een eerder commentaar in dit Deel 4 hebben we erop gewezen dat "het niet de bedoeling is dat wij onszelf in onze verhouding tot Christus zien als hetzij man of vrouw. Integendeel, in Christus zijn wij allen zonen van God". Evenzo wordt met betrekking tot de leden van aards Israël en de positie die zij als teruggenomen Vrouwgemeente ten aanzien van JHWH zullen innemen, in Hosea 1:10 (2:1) aangekondigd:

En op de plaats waar men tot hen placht te zeggen: Lo-Ammi zijt gij, zal tot hen gezegd worden: zonen van de levende God.

 

Hierboven refereerden we al terloops aan Jeremia 30:6. In dat schriftdeel lijken de Hebreeuwse woorden mannelijk en sterke[man] synoniemen te zijn:

Vraagt toch en ziet of mannelijk baart. Waarom heb ik dan iedere sterke[man] gezien met zijn handen op zijn heupen zoals een barende?

 

Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat mannelijk in het bijzonder op een GeBeR – een sterke[man] – betrekking heeft. Aldus bezien zou de tekst 31:22 ook als volgt gelezen kunnen worden:

Vrouwelijk zal GeBer [mannelijk] omringen

 

Wij wachten met spanning af!