Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Brief aan de Hebreeën

De Brief aan de Hebreeën

 

Klik hier voor ‘smal’ lezen

Inhoud

Opschrift  >> Wie is de Auteur en wie zijn de Geadresseerden?

A.  Proloog – De verhevenheid van de Masjiach (1:1-4)

B.  
Dogmatisch deel (1:5 – 10:18)

1.  Als Zoon Gods Masjiach verheven boven de engelen (1:5 – 2:18)
a.  Superieur aan de engelen (1:5-14)
b.  Meer dan gewone aandacht nodig (2:1-4)
c.  Het Joodse voorrecht (2:5-18)

2.  
De Masjiach verheven boven Mozes, Jozua (3:1 – 4:13)
a.  Superieur aan Mozes in Gods Huis (3:1–6)
b.  Afval bij de Uittocht (3:7-19)
c.  Gods rust (4:1-11)
d.  Kracht van het woord Gods (4:12-13)

3.  
Hogepriesterschap van de Masjiach in Nieuw Verbond (4:14 – 8:13)
a.  Medegevoel met zwakheden (4:14-16)
b.  Geschikt om volmaakte Hogepriester te zijn (5:1-10)
c.  Geestelijk achterblijven; gevaar voor afval (5:11 – 6:8)

       c1  Gevolgen van het lasteren van de geest (6:4-8)
d.  Aanmoediging; hoop door belofte aan Abraham (6:9-20)
e.  Naar de orde van Melchizedek (7:1-28)
f.   Binnen het Nieuwe Verbond (8:1-13)

4.
Het Nieuwe Verbond beter (9:1 – 10:18)
a.  Offerdienst onder Oude Verbond typologisch (9:1-10)
b.  Het volmaakte heiligdom; een toereikend offer (9:11-28)

       b1  De voleinding der eeuwen (9:24-28)
c.  Offerdienst Oude Verbond ontoereikend; het volmaakte offer (10:1-10)
d.  De ware Hogepriester voor altijd aan Gods rechterhand (10:11-18)

C.  
Praktisch deel (10:19 – 12:29)

1.  God naderen in standvastigheid (10:19-25)
2.  Moedwillig zondigen onder het Nieuwe Verbond (10:26-31)
3.  Niet terugdeinzen bij de Antichrist (10:32-39)
4.  De geloofsgetuigen (11:1-40)

     a. Abel  b. Henoch  c. Noach  d. Abraham / Sara  e. Isaäk / Jakob

     f.  Jozef  g. Mozes / Israël  h. Rachab  i. Rechters / Profeten

5.  Het oog gericht op Yeshua; niet bezwijken onder correctie (12:1-17)
6.  Grotere verantwoordelijkheid binnen Nieuwe Verbond (12:18-29)

D.  
Naschrift (13:1-25)

1.  Vermaningen (13:1-9)
2.  Het Christelijk altaar (13:10-16)
3.  Slot (13:17-25)

Opschrift

ΠΡΟΣ ΕΒΡΑΙΟΥΣ


Het opschrift - Aan Hebreeën - ten spijt weten wij niet met zekerheid wie de afzender(s) en wie de geadresseerden waren van deze Brief, indien het document al als een Brief moet worden opgevat. Onzekerheid derhalve alom.
Het voert te ver om alle veronderstellingen die over auteur, eventuele scriptor en/of redacteur, de geadresseerden, zijn geopperd, de revue te laten passeren. Zelf gaan wij er vanuit - omdat het ons als het meest waarschijnlijke voorkomt - dat het om een door Gods geest geleid schrijven gaat waarin Paulus en Apollos hebben samengewerkt. De eerste (overwegend) als auteur, de tweede (overwegend) als degene die de ideeën in geschrifte heeft vastgelegd.

Zou men namelijk zonder enige beperking van Paulus’ auteurschap uitgaan, dan kan men geen verklaring geven voor de afwijkingen in taal, stijl, compositie en theologie, in vergelijking met zijn andere Brieven. De stijl van Hebreeën is namelijk die van een zeer bekwaam schrijver die het Grieks volkomen beheerst, sterk afstekend tegen de hortende en onregelmatige stijl die voor Paulus gewoon was.

Loochent men daarentegen elk verband met de apostel, of zou men dit beperken tot een zekere verwantschap in ideeën, dan worden wij voor het probleem geplaatst waarom Hebreeën zo vaak en in menig opzicht aan Paulus herinnert.
Bovendien stuit men dan op nog twee andere moeilijkheden:

a De moeilijk te beantwoorden vraag waarom men er binnen de Oosterse Christengemeenschap, met name in die van Alexandrië, al in een vroeg stadium vanuitging dat Paulus de auteur was.

b In de omstreeks 1930 ontdekte Chester Beatty P46, een papyrusmanuscript dat de Brieven van de apostel Paulus bevat en thans gedateerd wordt einde Eerste eeuw, komt ook Hebreeën voor, zelfs onmiddellijk gerangschikt na het boek Romeinen, wat als een bijna ongekende plaats wordt gezien. Volgens sir Frederic Kenyon duidt dat erop dat er op dat vroege tijdstip geen twijfel bestond ten aanzien van het Paulinische auteurschap.

De kerkhervormer Luther heeft, naar verluidt, als eerste geopperd dat Apollos de scriptor (redacteur) van de Brief moet zijn geweest. En daarvoor zijn enkele zeer krachtige redenen aan te voeren:
Apollos was afkomstig uit Alexandrië; was een geleerd man, goed onderlegd in de Schriften, en gerespecteerd in de vroege Gemeente:


Intussen arriveerde er in Efeze een uit Alexandrië afkomstige Jood, die Apollos heette. Hij was een ontwikkeld man, die goed onderlegd was in de Schriften. Hij had onderricht gekregen in de Weg van de Heer en verkondigde geestdriftig de leer over Yeshua, die hij zorgvuldig uiteenzette, ook al was hij alleen bekend met de doop zoals Johannes die had verricht.

In de synagoge begon hij nu vrijmoedig het woord te voeren. Toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen ze hem terzijde en legden hem de Weg van God juister uit. Toen hij naar Achaje wilde afreizen, moedigden de broeders hem daartoe aan en gaven hem een brief mee voor de discipelen met het verzoek hem gastvrij te ontvangen. Na zijn aankomst bleek hij door Gods genade een grote steun te zijn voor de gelovigen, want hij slaagde erin de Joden in het openbaar in het ongelijk te stellen door op grond van de Schriften aan te tonen dat Yeshua de Masjiach is.
(Hn 18:24-28)

De steun die Apollos in Achaje bleek te zijn voor de gelovigen aldaar, betrof vooral de leden van de gemeente te Korinthe. Maar vanwege zijn grote welsprekendheid en overige bekwaamheden droeg hij, ongewild weliswaar, bij tot sektarische verdeeldheid. Paulus schreef niettemin lovend over hem in zijn Eerste Korinthebrief:

Want wanneer iemand zegt: Ik ben waarlijk van Paulus, een ander echter: Ik van Apollos, zijn jullie niet mensen? Wat dan is Apollos? Wat immers is Paulus? Dienaren door wie jullie tot geloof kwamen, en aan ieder zoals de Heer schonk. Ik plantte, Apollos begoot, maar God gaf de groei, zodat noch hij die plant iets is, noch hij die begiet, maar God die de groei geeft. Hij nu die plant en hij die begiet zijn één, maar ieder zal het eigen loon ontvangen naar de eigen inspanning.

(1Ko 3:4-8)

Later troffen beide mannen elkaar te Efeze. En uit 1Ko 16:12 blijkt dat er toen sprake was van een nauwe band van samenwerking:

Maar wat broeder Apollos betreft, ik drong er herhaaldelijk bij hem op aan dat hij met de broeders naar jullie toe zou komen, en het was volstrekt niet [zijn] wil om nu te komen. Hij zal echter komen wanneer het hem gelegen komt.

Blijkbaar had de aanhang van Apollos verzocht om de terugkeer van hun vereerde leraar. Paulus had zich daar niet tegen verzet, maar Apollos zelf oordeelde dat niet raadzaam zolang de partijstrijd te Korinthe voortduurde. Kennelijk wilde hij niet dat er tussen hem en de apostel een wig werd gedreven.

Dat wij Apollos als de waarschijnlijke scriptor van Hebreeën zien, heeft niet alleen te maken met zijn geleerdheid en diep inzicht in de Schrift, maar vooral ook met zijn Alexandrijnse achtergrond, aangezien er in onze Brief duidelijke sporen zijn van de Alexandrijnse school en geest, waarvan de Joodse wijsgeer Philo een tijdlang de meest karakteristieke vertegenwoordiger was.

Niet dat diens ideeën in Hebreeën zijn overgenomen, want zijn pogingen om de taal en de opvattingen van de Griekse filosofie (Plato) met het geopenbaarde geloof van de Joden in harmonie te brengen en daarmee het Judaïsme in Griekse ogen aanvaardbaar te maken, was zeker verwerpelijk. Gods geest van inspiratie heeft de Bijbelse canon voor zulke Heidense beïnvloeding behoed. Niettemin worden diverse termen uit zijn vocabularium in Hebreeën teruggevonden:

1:3
απαυγασμα en χαρακτηρ; hier gezegd van de Masjiach die afstraling en nauwkeurige afdruk van God is; bij Philo de verhouding van de mens tot God.

4:12
τομωτερος; scherper; gezegd van het woord Gods (scherper dan enig tweesnijdend zwaard); bij Philo is de Logos τομευς; die snijdt.

5:9
αιτιος σωτηριας; oorzaak van redding; hier van de Masjiach gezegd, maar komt in ander verband bij Philo voor.

6:16
βεβαιωσις; (ook in Fp 1:7); bevestiging; bekrachtiging.

7:11
τελειωσις; (ook in Lk 1:45); verwezenlijking; volkomenheid; volmaaktheid.

8:1
κεφαλαιον; hoofdzaak.

11:10
τεχνιτης en δημιουργος; God als ontwerper (architect) en bouwmeester.

Er zijn ook overeenkomsten met Philo wat betreft wijze van argumentatie:

2:10; 7:26;
wat passend is.

2:1-3; 10:28-29; 12:9;
des te meer reden.

5:11 – 6:3;
pedagogisch.

7:2;
etymologie.

7:3;
waarover de Schrift zwijgt.

Sommige ideeën van Philo over de Mozaïsche wetgeving worden in Hebreeën in Christelijke zin gebruikt. Een voorbeeld is het gebruik van
τελειωσις in Hb 7:11-12

Indien volmaaktheid [τελειωσις] dan werkelijk door het Levitische priesterschap was - want op basis daarvan kwam het volk onder een systeem van wetten - waarom was het dan nog nodig dat er een andere priester zou opstaan naar de orde van Melchizedek, en niet genoemd naar de orde van Aäron? Want als het priesterschap verandert, vindt er noodzakelijkerwijs ook een verandering van de Wet plaats.

Uit dit alles moeten we wel concluderen dat aan het tot stand komen van Hebreeën iemand heeft (mee)gewerkt die een Alexandrijnse vorming had, zelfs met een onmiskenbare invloed van Philo. En dan denken we toch in de eerste plaats aan Apollos, van wie Lukas in de Handelingen met nadruk vermeldt dat hij uit Alexandrië afkomstig was.
Maar zelfs als we ervanuitgaan dat Paulus en Apollos het Hebreeëndocument samen zouden hebben opgesteld, is een andere vraag daarmee niet direct beantwoord: Wie vormen de beoogde lezerskring?


Terwijl Paulus en Apollos in het Evangelie samenwerkten in voornamelijk Heidens gebied, waren beide er niettemin op gebrand eveneens hun Joodse broeders te overtuigen van de waarheid dat Yeshua de door God gezonden Masjiach is.
Zoals we boven zagen slaagde Apollos in Korinthe erin
de Joden in het openbaar in het ongelijk te stellen door op grond van de Schriften aan te tonen dat Yeshua de Masjiach is.
En Paulus schrijft over zichzelf:


Ik zeg waarheid in [de] Masjiach, ik lieg niet daar mijn geweten met mij getuigt in heilige geest, dat er bij mij een grote droefheid is, en een onophoudelijke pijn in mijn hart. Want ik zou wel wensen zelf vervloekt te zijn, weg van de Masjiach, ten gunste van mijn broeders, mijn verwanten naar vlees, die Israëlieten zijn; aan wie het zoonschap en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de dienst voor God en de beloften [behoren], van wie de vaderen [zijn], en uit wie de Masjiach [is] wat het vlees betreft. Hij die over alles is, God, gezegend tot in eeuwigheid. Amen!

(Rm 9:1-5)

Om die reden zien wij Hebreeën als een goddelijk geschrift waarin beide mannen door YHWH werden gebruikt om hun Joodse broeders, van oorsprong Hebreeën -afgestamd als zij zijn van de Hebreeër Abraham- (volledig) te winnen voor de eigen Joodse Masjiach.

Want zelfs de Masjiachbelijdende Joden van de Eerste eeuw - met name zij die in Jeruzalem en Judea woonachtig waren - ijverden blijkbaar meer voor de Wet dan voor hun Masjiach Yeshua. Hoewel zij hem als hun rechtmatige Masjiach beleden, wees de praktijk van hun geloofsleven uit dat dit een gebrekkige belijdenis was, aangezien zij in heel veel opzichten nog aan de oude Joodse cultus vasthielden, waaronder zelfs het brengen van dierlijke offers in de tempel te Jeruzalem. Vergelijk Hn 21:17-26.
Voor de term Hebreeër vergelijk Gn 14:13; 2Ko 11:22; Fp 3:5.

Daarmee suggereren we helemaal niet dat de Masjiachbelijdende Joden in Judea ook de oorspronkelijke ontvangers van de Brief geweest moeten zijn. Het soort Judaïsme waarop in de brief wordt gezinspeeld, lijkt namelijk eerder Hellenistisch dan Judees te zijn geweest. De vermelding bijvoorbeeld - in Hb 6:9-10 - van de edelmoedigheid der lezers en hoe zij anderen bijstonden, lijkt een verwijzing te zijn naar de Joden in de diaspora. Uit zulke Schriftdelen als 1Ko 16:1-3 en Rm 15:25-26 blijkt immers dat juist de 'Heiligen' in Palestina door de laatsten materieel werden ondersteund.

Die conclusie schijnt bovendien bevestigd te worden door het consequente gebruik van de Septuagint (LXX) bij de vele verwijzingen naar Oudtestamentische passages in de Brief. Door de Hellenistische Joden werd die Griekse vertaling van de Hebreeuwse Geschriften op grote schaal gebruikt, hetgeen niet gezegd kan worden van de Palestijnse Joden.

Niettemin moeten we ook op dit punt erkennen dat we niet met zekerheid weten wie de oorspronkelijke ontvangers van de Brief geweest zijn. Wellicht mogen we daaruit de conclusie trekken dat het Geschrift altijd al een algemeen karakter droeg, bestemd voor alle Joodse mensen die tijdens het Messiaanse tijdperk op aarde zouden leven.
Wél geloven wij dat God het schrijven dusdanig leidde dat de nadruk is komen te liggen op de Eindtijd en op de gebeurtenissen die zich dán zouden gaan voltrekken.  Dat wil zeggen, in de bijzondere wereldperiode die samenvalt met de Zeventigste Jaarweek wanneer alle aandacht van de hemel opnieuw zal uitgaan naar het oude Godsvolk Israël (Dn 9:24-27).

Het Nieuwe [betere] Verbond dat in Hebreeën zo’n belangrijke plaats inneemt, wordt volgens Jr 31:31-34 eerst dán met Israël gesloten en werkelijk van kracht.
Voor Israël betekent een en ander ook de vervulling van het profetische woord aangaande het beloofde herstel van de natie in haar verhouding tot YHWH, haar God. 

En dán ook zal het Messiaanse koninkrijk worden opgericht, namelijk op de helft van die Laatste Jaarweek. En dat impliceert weer dat eerst dán het hogepriesterschap van de Masjiach, dat naar de orde van Melchizedek is - een gecombineerd koning-priesterschap- binnen het koninkrijk voor Israël in werking kan komen. Alweer een hoofdthema in Hebreeën (Psalm 110; Dn 2:44; Hn 1:6).

Zie:

De brief aan de Hebreeën - Welke Hebreeën?  


Tot slot kunnen we hierover opmerken dat het indrukwekkend is te zien hoe de opstellers van Hebreeën het aanpakten om hun broeders - eveneens Hebreeërs als zijzelf - voor de zaak van hun eigen (Joodse) Masjiach te winnen.
Er wordt daarbij een vorm van theologie gehanteerd die geheel verschilt van die waardoor de Paulinische Geschriften worden gekenmerkt:

- Het ideaalbeeld in Hebreeën is niet het zijn in Masjiach Yeshua, maar - weliswaar ook op basis van het verzoenend offer - het op aanvaardbare wijze naderen tot God (4:16; 7:25; 10:19-22; 11:6; 12:18-22).

- Geen uitweiding over het bij God gerechtvaardigd worden uit geloof in plaats van door werken der Wet.
De Wet is zeker een belangrijk punt van uitgang, doch ze wordt veeleer benut om de profetische beelden die er altijd al in lagen opgesloten te verduidelijken, t.w.:

de dienst bij de Tabernakel en de cultus van [dierlijke] offers;
de dienst van de Hogepriester op de jaarlijkse Verzoendag.

Dat zijn in Hebreeën uitgangspunten om de lezers van de waarheid over de Masjiach Yeshua te overtuigen. In hem wordt alle typologie tot werkelijkheden.

 

Hebreeën 1

 

A. Proloog – De verhevenheid van de Masjiach (1:1-4)


Πολυμερως και πολυτροπως παλαι ο θεος λαλησας τοις πατρασιν εν τοις προφηταις επ εσχατου των ημερων τουτων ελαλησεν ημιν εν υιω, ον εθηκεν κληρονομον παντων, δι ου και εποιησεν τους αιωνας∙ 


1-2 God, die in de Oudheid veelvuldig en op veel manieren tot de vaders sprak in de profeten, sprak op het laatst van deze dagen tot ons in [een] Zoon die hij tot erfgenaam van alle dingen stelde; door wie hij ook de aeonen maakte.

Zoals het geval is met het Boek Genesis, en ook met het Johannes’ Evangelie, begint onze Brief met de vermelding van God, Degene die zowel de Auteur is van de Oude als de Nieuwe openbaring. In de communicatie met zijn uitverkoren volk is er sprake van continuïteit.
In Voorchristelijke tijden trad YHWH Elohim met de (voor)vaderen van de Joden - zij die volgens het opschrift de geadresseerden zijn maar daarin aangeduid worden als Hebreeën - met een zekere regelmaat in contact.
Hij deed dat πολυμερως και πολυτροπως, letterlijk: in vele delen en op vele wijzen.
En inderdaad kwam Gods openbaring in delen; telkens kwam er een deel bij dat aan het voorafgaande werd toegevoegd.

En dat geschiedde ook telkens weer op een andere wijze: Patriarchen, priesters, koningen en profeten in eigenlijke zin, spraken namens God of legden zijn woorden in ieder geval in geschrifte vast. Wanneer zij onder inspiratie spraken of schreven, sprak God zelf tot de Joodse voorvaders.
De tekst noemt uitsluitend de profeten, waarmee te kennen lijkt te worden gegeven dat het geopenbaarde Woord principieel een profetisch Woord was.
Maar niet slechts de personen die God als zijn spreekbuis gebruikte verschilden; óók de wijze waarop Hij door hen zijn boodschappen overbracht was niet steeds dezelfde. Dat kon gebeuren door innerlijke verlichting, maar ook door middel van dromen en visioenen.

God, die in de oudheid veelvuldig en op veel manieren tot de vaders sprak in de profeten, sprak op het laatst van deze dagen tot ons in [een] Zoon…
De apostel zinspeelt op de regeling die YHWH, Israëls God, vanaf Mozes' tijd instelde.
Toen Israël onder het Wetsverbond tot een natie werd georganiseerd, rees namelijk de vraag hoe YHWH Elohim voortaan met zijn volk zou communiceren.

De Heidenvolken gaven zich af met waarzeggerij, geestenbezwering, uitlegging van voortekenen en toverij. Ook lieten zij zich in met bezweringen, het ondervragen van geesten en orakels, en het oproepen van de doden. Maar dergelijke dingen verfoeide YHWH:

Want van iedereen die dergelijke dingen doet heeft YHWH uw God een afschuw; en om dergelijke gruweldaden drijft Hij die volken voor u weg. Gij moet YHWH uw God onvoorwaardelijk trouw zijn. De volken die gij verdrijft mogen naar geestenbezweerders en waarzeggers geluisterd hebben, aan u staat YHWH dat niet toe. Uit uw eigen broeders zal YHWH uw God een profeet doen opstaan zoals ik dat ben, naar wie gij moet luisteren.

Gij hebt dat immers bij de Horeb, op de dag van de samenkomst, aan YHWH uw God gevraagd. Toen hebt gij gezegd: "Laat mij de stem van YHWH mijn God niet meer horen, en dat grote vuur niet meer zien, anders sterf ik". YHWH heeft mij toen gezegd: "Zij hebben gelijk. Ik zal uit hun eigen broeders een profeet doen opstaan zoals gij dat zijt. Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen en hij zal hun alles zeggen wat Ik hem opdraag. En van degene die geen gehoor geeft aan de woorden die hij in mijn naam spreekt, zal Ikzelf rekenschap vragen".
(Dt 18:12-19)

In dit Schriftdeel onthult Mozes dat YHWH op de Horeb, een top van het Sinaï gebergte, ten tijde van het geven van de Wet, voor Israel de profetenregeling in het leven riep. Door tussenkomst van profeten die hij, naar de noodzaak zich zou voordoen, voor het volk zou verwekken, zou God voortaan tot zijn volk spreken.
Uit wat volgt in Dt 18 moeten wij afleiden dat dit binnen Israël als een algemene regeling zou gelden:

Maar de profeet die overmoedig handelt door een woord in mijn naam te spreken dat ik hem niet geboden heb te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven. Wanneer u dan in uw hart zegt: Hoe kunnen wij het woord herkennen dat YHWH niet gesproken heeft? Wanneer die profeet in de naam van YHWH spreekt, en het gebeurt niet en het komt niet uit, dan is dat een woord dat YHWH niet gesproken heeft. In overmoed heeft die profeet dat gesproken; wees niet bevreesd voor hem.

(vv 20-22)

Niettemin zijn zowel binnen de Synagoge als de (Christelijke) Gemeente YHWHs woorden welke hij op de Sinaï tot Mozes sprak opgevat als een belofte naar de toekomst toe. Uiteindelijk, zo was (is) de verwachting, zou de Profeet opstaan, iemand die zelfs nog groter zou zijn dan Mozes, en wel in de persoon van de Masjiach.
Kort na de stichting van de (Christelijke) Gemeente op de Pinksterdag van 33 AD, werd die visie door de apostel Petrus bevestigd als zijnde correct. Zich richtend tot zijn broeders riep hij hen als volgt op:

Hebt dan berouw en keert je om, opdat jullie zonden worden uitgewist, zodat er wellicht tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en hij de voor jullie bestemde Masjiach moge uitzenden, Yeshua, die de hemel weliswaar moet opnemen tot tijden van herstel van alle dingen, waarover God bij monde van zijn heilige profeten van oudsher sprak.

Feitelijk sprak Mozes: "Een profeet voor jullie zal de Heer God verwekken uit jullie broeders, gelijk mij. Aan hem moeten jullie gehoor geven overeenkomstig alles wat hij tot jullie mocht spreken. Elke ziel nu die niet naar die profeet luistert, zal volledig uit het volk verdelgd worden". En alle profeten trouwens, van Samuël af en die daarna zijn gevolgd, zovelen als er spraken, kondigden deze dagen aan. Jullie zijn de zonen der profeten en van het verbond dat God met jullie voorvaders aanging, tot Abraham zeggend: "En in jouw zaad zullen alle families der aarde gezegend worden". God zond zijn Knecht, nadat hij hem deed opstaan, in de eerste plaats tot jullie, om jullie te zegenen door een ieder af te keren van jullie slechte daden.
(Hn 3:19-26)

Met de komst van de Masjiach werd het Profetentijdperk daarom niet alleen afgesloten, ze kwam met hem ook tot een climax. Hij was immers niemand anders dan Gods eigen Zoon, zijn Enigverwekte, in wie heel Gods voornemen is samengebald; zoals in Ef 3:11 wordt aangegeven: Naar het voornemen der eeuwen dat hij ontwierp in de Masjiach, Yeshua, onze Heer. 

 

In zijn pre-existentie had die Zoon altijd naast God, zijn Vader, in de hemel bestaan als diens evenbeeld. Als zodanig was hij door de Vader gebruikt om de aeonen [τους αιωνας; de eeuwen of wereldperioden] voort te brengen. In Paulus’ Brief aan de Kolossenzen wordt een en ander uitvoerig toegelicht:

Hij is evenbeeld van de onzichtbare God, eerstgeborene van alle schepping, omdat in hem alle dingen werden geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare dingen; hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: Alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen. En zelf is hij vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen in hem, hij die oorsprong is…, omdat het heel de Volheid goeddacht in hem te wonen.
(Ks 1:15-19)

Omdat
alle dingen niet alleen door hem, maar ook tot hem zijn voortgebracht en tezamen in hem bestaan, begrijpen wij dat hier kan worden gezegd dat God hém, de Zoon, stelde tot erfgenaam van alle dingen. Hij is degene door wiens tussenkomst God heel de overige schepping voortbracht. Maar ook het voortbestaan van die schepping is geheel en al aan hem ‘opgehangen’, d.i. van hem afhankelijk gemaakt. Tevens is hij einddoel van het geschapene, en daarom wordt ze hem als erfenis geschonken (Ps 2:7-8; Jh 16:15).

De leden van het Christelijke Gemeentelichaam genieten het onuitsprekelijke voorrecht om met hun Hoofd in die erfenis te delen (Rm 8:17), maar zulke grondwaarheden omtrent de Christelijke Gemeente worden in Hebreeën geheel buiten beeld gehouden, omdat de leden daarvan niet tot de specifieke kring van geadresseerden behoren. 

 

De schrijver richt zich tot het oude Gods volk Israël en identificeert zich volledig met hen die zich etnisch tot dat volk mogen rekenen, de Hebreeën. Dat is waarschijnlijk ook de voornaamste reden waarom hij zichzelf niet met name bekendmaakt. Zeer bewust vermijdt hij elke verwijzing naar zijn identificatie met de Christelijke Gemeente, welke er wel degelijk is. Maar hier is hij een Hebreeër onder de Hebreeën, zich geheel inlevend in de bestemming die God al vanouds met dat volk voor heeft (Ex 19:5-6; Fp 3:5).

Op het laatst van deze dagen sprak God tot ons in [een] Zoon…
Het gebruik van de aorist duidt aan dat het spreken als één enkele, nu geheel afgesloten daad, wordt samengevat. Gelet op de achtergrond van de Zoon - zijn veel hogere waardigheid boven de Profeten, trouwens boven al het andere geschapene - mocht niet verwacht worden dat in het Messiaanse tijdperk nog iemand anders namens God tot het Joodse volk zou spreken, en we kunnen constateren dat dit tot op heden waar is gebleken. 


Hetzelfde geldt voor de 70ste Jaarweek.

In die wereldperiode, welke tot de overgang naar het Millennium leidt en waarin Israël hersteld en het Messiaanse koninkrijk opgericht wordt, mag heel in het bijzonder van de gehoorzamen onder het volk verwacht worden dat zij (tenslotte) gehoor geven aan de Zoon en naar alles wat hij naar het volk toe heeft gecommuniceerd.
Wat hij sprak was immers beter en overtrof alles in waarde wat door de Profeten was gesproken, en het is niet redelijk te denken dat God buiten zijn Zoon nog iemand anders als communicator zal gebruiken. Al zulke ‘spreekbuizen’ - mochten ze desondanks zo vermetel zijn te beweren dat ze namens God spreken - zullen als vals bestempeld moeten worden. Bij voorbaat kan dit daarom al nu gezegd worden van de Pseudomasjiach die in de Eindtijd zal opstaan. In de Openbaring is hij bij voorbaat ontmaskerd als de Valse Profeet bij uitstek.

 

Zie 2Th 2:9-11; Hb 10:37; Op 13:11-15; 16:13.

Het maakt bovendien verschil of men naar een profeet of naar de Zoon luistert. God zal er zeker op toezien dat het woord van de profeet wordt vervuld, maar de Zoon kan zelf het door hem gesproken woord vervullen.
Ook moeten alle Joden die zich vijandig jegens deze Zoon blijven opstellen, zich terdege rekenschap geven van het feit dat dit hen vroeg of laat met die Machtige in botsing zal brengen. Dat hij vastbesloten is om in gehoorzaamheid aan God alle vijandschap teniet te doen, zou hen feitelijk op hun schreden moeten doen terugkeren. 

 

Helaas geeft de Schrift echter al bij voorbaat te kennen dat zelfs in de Eindtijd - wanneer het Joodse volk de krachtige uitwerking van het met hen te sluiten Nieuwe Verbond deelachtig zal worden - de meerderheid zich nog steeds zal verzetten tegen Yeshua als hun rechtmatige Masjiach. Slechts een Overblijfsel zal hem gehoor geven (Hb 6:4-8; Js 10:22-23).


Dezen ontgaat het - of beter, wensen er geen nota van te nemen - dat de vervulling van alles waarop de Joodse mens hoopt, in het bijzonder de beloften die aan hen en hun voorvaders werden gedaan, slechts door Masjiach Yeshua kan komen. Hij erft immers alle dingen, zodat tenslotte alles hem ter beschikking zal staan en aan hem onderworpen zal zijn.

Vergelijk Mt 5:1-5 als sprekend voorbeeld om vast te stellen hoe hij al die zaken kan aanwenden ten gunste van hen die hem gehoor geven.

Met het bovenstaande wil zeker niet gezegd worden dat de auteur van Hebreeën de goddelijke openbaringen aan de apostelen ontkende, met name die welke betrekking hebben op de onthulling van
het geheimenis aan de apostel Paulus in verband met de Christelijke Gemeente:

dat de Heidenen mede-erfgenamen zijn en medelichaam en mededeelgenoten van de belofte in Masjiach Yeshua (in de Efezebrief; 3:6)

dit geheimenis onder de Heidenen, hetwelk is [de] Masjiach in jullie, de hoop der heerlijkheid (in de Kolossenzenbrief; 1:27)

De auteur, naar alle waarschijnlijkheid Paulus zelf, beklemtoont in deze Brief slechts het culminerende karakter van Gods openbaring
in [de] Zoon, in vergelijking met de Oudtestamentische openbaring in de Profeten.
Hierin hebben wij wederom een krachtige aanwijzing dat de auteur de Joodse Gemeente op het oog had en niet tevens ook de Christelijke Gemeente.        

Om te voorkomen dat de Hebreeën wellicht zouden concluderen dat de Zoon niets meer is dan weer een ander instrument door wie God
op het laatst van deze dagen tot hen, de nakomelingen van de vaders, sprak, zorgde de geest van inspiratie ervoor dat er wordt uitgeweid over de uitnemendheid van de Zoon en zijn zeer verheven positie bij de Vader. De vermelding dat de Vader hem tot erfgenaam van alle dingen stelde, en ook dat God hem als Co-schepper gebruikte bij het creëren van de achtereenvolgende eeuwen [wereldtijdperken], geeft op zich al veel daaromtrent te kennen.

Maar de superlatieven zijn nog lang niet uitgeput:


ος ων απαυγασμα της δοξης και χαρακτηρ της υποστασεως αυτου, φερων τε τα παντα τω ρηματι της δυναμεως αυτου, καθαρισμον των αμαρτιων ποιησαμενος εκαθισεν εν δεξια της μεγαλωσυνης εν υψηλοις, τοσουτω κρειττων γενομενος των αγγελων οσω διαφορωτερον παρ αυτους κεκληρονομηκεν ονομα. 


3 Hij die afstraling der heerlijkheid is en afdruk van zijn wezen, die ook alle dingen draagt door zijn krachtig woord, heeft, nadat hij reiniging der zonden bewerkte, plaatsgenomen aan de rechterhand der majesteit in verheven plaatsen,

Afstraling der heerlijkheid zijnde en nauwkeurige afdruk van zijn wezen…
Met het participium praesens [tegenwoordig deelwoord] van
ειμι [zijn] wordt het tijdloze bestaan en de aard van de Zoon getekend. Zowel in zijn pre-existentie als ná zijn terugkeer in de hemelse tegenwoordigheid van zijn Vader, altijd was en is Gods luisterrijke pracht in hem zichtbaar. Hij is immers Gods evenbeeld; hier nader omschreven als afdruk van zijn wezen.
Het is hier niet voor het eerst dat de apostel deze thematiek aanroert. Eerder had hij aan de Korinthiërs geschreven hoe voor de Gelovigen Gods heerlijkheid zichtbaar is in de Zoon:

Maar zelfs indien ons Evangelie bedekt is, is het bedekt in hen die vergaan; in wie de god van deze eeuw de zinnen der Ongelovigen verblindde, opdat de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van de Masjiach, die beeld Gods is, niet zou doorschijnen [infinitief aorist van het werkwoord αυγαζω, stralen; schijnen] .
(2Ko 4:3-4)

Aangezien ongeloof Satan de gelegenheid biedt het verstandelijk waarnemen van de mens, zijn verstandelijke vermogens, in verkeerde richtingen te leiden, kunnen zij die het Evangelie consequent in ongeloof afwijzen de heerlijkheid van God nimmer zien, want die heerlijkheid wordt gedacht als een lichtbron waarvan de Zoon de uitstraling is.
We kunnen een vergelijking maken met de zon. Wij nemen de ‘heerlijkheid’ van de zon waar doordat de zonnestralen ons bereiken. Zodra dat door een wolkendek verhinderd wordt, lukt dat niet meer, ook al weten wij heel goed dat de zon zich aan het firmament bevindt.


Ongeveer zo is het eveneens gesteld met Gods heerlijkheid waarvan de Zoon de uitstraling is. Wijst men de Zoon in ongeloof af, zoals tot nu toe nog altijd met het merendeel der Hebreeën het geval is, dan verkeert men met betrekking tot God in geestelijke duisternis. Of belijdt men de Zoon slechts ten dele, waarvan bij veel Masjiach belijdende Joden sprake is, dan blijft het kennen van God op z’n minst gebrekkig.

Die ook alle dingen draagt door zijn krachtig woord…
Komt overeen met wat Paulus (kennelijk) kort hiervoor schreef in één van zijn Gevangenisbrieven
: Alle dingen bestaan tezamen in hem; hierboven reeds geciteerd vanuit Ks 1:17.

Het verschil in formulering heeft wellicht te maken met de (andere) scriptor, naar wij denken Apollos. De vraag is welke betekenis aan het hier gebruikte werkwoord φερω [in het participium praesens: φερων; dragend] moet worden toegekend.


In ieder geval niet in de zin van de mythische Atlas die de wereld zou torsen.
Dragen duidt immers niet alleen op omhoog houden maar ook op beweging. Aldus bezien houdt de Zoon al het geschapene niet alleen in stand, maar draagt hij het ook gestadig voorwaarts naar zijn uiteindelijke bestemming.
Door tussenkomst van de Zoon van zijn liefde heeft God al het geschapene voortgebracht (Ks 1:13-17). Maar ook het voortbestaan ervan is van hem afhankelijk gemaakt.

Het tijdloze bestaan van de Zoon in zijn heerlijkheid naast God (Jh 17:5) heeft slechts een korte onderbreking gekend, namelijk toen hij tijdelijk als mens op aarde verbleef, hier veelzeggend omschreven als de periode waarin
reiniging van de zonden door hem werd bewerkt, het voornaamste doel van het aardse leven van de Zoon. Maar zelfs toen, gestalte van een slaaf aangenomen hebbend…, in uiterlijk als mens bevonden (Fp 2:7), waren de hoedanigheden van Gods persoon in hem herkenbaar (Jh 12:45; 14:9).


Vanzelfsprekend kon hij als mens maar zeer beperkt Gods grote heerlijkheid uitstralen, want geen mens is in staat die heerlijkheid ten volle te zien - God in het aangezicht zien - en toch in leven te blijven (Ex 33:20). Maar tijdens het transfiguratietafereel ontvingen Petrus, Johannes en Jakobus een voorglimp daarvan in de heerlijkheid die Yeshua toen uitstraalde:
Zijn aangezicht straalde als de zon en zijn bovenklederen werden glanzend als het licht (Mt 17:1-2). Het uiterlijk van zijn gelaat werd anders en zijn kleding wit uitstralend (Lk 9:29).

Dat hij in die nederige gestalte
reiniging van de zonden bewerkte, hield concreet in dat hij de mensheid in beginsel van de Zonde reinigde. Dit kon geschieden door zijn plaatsvervangend sterven, waardoor voor ons de straf voor de zonde werd betaald (2Ko 5:14-15; Rm 6:23).
Als zodanig overwon hij de Zonde en werd ze om zo te zeggen als vuil verwijderd.
Door die daad van verlossing werd de basis voor de herschepping of wedergeboorte gelegd (Mt 19:28), of (geformuleerd in de geest van Rm 8:20-22) voor de tweede fase in het scheppingsproces:
Want wij weten dat de gehele schepping tot nu toe tezamen zucht en tezamen in barensnood verkeert.  

 

Zie ook: Lukas 17:11-19 / De Tien Melaatsen

Binnen de kerkelijke christenheid wordt in verband met de reiniging der zonden op dogmatische wijze geleerd dat de Zoon bij zijn opstanding op de derde dag zijn menselijk lichaam terugontving, maar dan in een nieuwe (niet te verklaren noch uit te leggen) ‘verheerlijkte staat’.
Dat leerstuk wordt gewoonlijk verdedigd met een verwijzing naar Yeshua’s eigen woorden welke hij tot zijn bevreesde leerlingen sprak toen hij op de avond van de opstandingsdag in een afgesloten kamer aan hen verscheen. Dat hij zich, volkomen onverwacht, voor hun ogen materialiseerde en zich zomaar, in zichtbare gestalte, in hun midden bevond, is even te veel voor hun gewone menselijke ervaring (Lk 24:38-40; Jh 20:19):

Waarom zijn jullie verontrust en om welke reden komen er twijfels op in jullie hart? Ziet mijn handen en mijn voeten, dat ik het zelf ben; raak me aan en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, gelijk jullie zien dat ik heb. En toen hij dit zei, toonde hij hun de handen en de voeten.

In het ‘Christelijk’ dogma gaat het uiteraard om de woorden want een geest heeft geen vlees en beenderen, gelijk jullie zien dat ik heb. En daaruit trekt men dan de conclusie dat Yeshua was opgestaan in zijn eigen lichaam. Bleek bovendien zijn stoffelijk overschot ’s morgens niet verdwenen te zijn?
Maar wat de leerlingen werkelijk zagen was een hemels persoon die een zichtbaar, fysiek lichaam had
gematerialiseerd. Voor hen was dit in hun situatie de enige manier om de opgewekte Masjiach te kunnen waarnemen.
En hier, uit vers 3, kunnen we afleiden dat dit de juiste gevolgtrekking moet zijn. Want ook na zijn opstanding was Yeshua
afstraling der heerlijkheid en nauwkeurige afdruk van zijn Gods wezen, en vanzelfsprekend heeft de Vader God nooit in een ‘verheerlijkt menselijk lichaam’ bestaan.

Veel belangrijker is dat we onderscheiden dat met de verwijzing naar de reiniging der zonden, in de proloog al meteen op het voornaamste thema in onze Brief wordt gedoeld: De Masjiach die als de Hogepriester groter dan Aäron het eigenlijke Heiligdom, de hemel, is binnengegaan met het offer van zijn eigen leven, het volmaakte slachtoffer dat de kracht heeft zonden werkelijk te verzoenen. 


Vandaar dat we in samenhang daarmee lezen dat hij, de Zoon,
plaats nam aan de rechterhand der majesteit in verheven plaatsen. Wederom om de lezers attent te maken op de grote voortreffelijkheden van de Zoon in vergelijking met zijn voorgangers, de Profeten. Plaats nemen in die positie betekent niet alleen het genieten van goddelijke eer maar tevens de mogelijkheid tot uitoefening van universele macht (Mt 28:18).

Daarmee wordt voor het eerst in de Brief gezinspeeld op Psalm 110, de bekende Messiaanse Psalm waarover Yeshua tijdens zijn bediening met zijn religieuze vijanden in discussie raakte (Mt 22:41-46).
Wij zullen zien dat die Psalm nog vele malen gehanteerd zal worden om de positie toe te lichten die de Zoon als de Koning-hogepriester in het toekomstig
koninkrijk voor Israël zal innemen.

τοσουτω κρειττων γενομενος των αγγελων οσω διαφορωτερον παρ αυτους κεκληρονομηκεν ονομα. 


4
zoveel beter geworden dan de engelen in zoverre hij een uitnemender naam heeft geërfd dan zij.

De Zoon verkeerde als de Enigverwekte en Co-schepper van de Vader altijd al in een verheven positie boven de engelen. Zijn superioriteit over hen kwam vanaf het begin tot uitdrukking in het feit dat ook zij in hem bestaan, en tot hem [of: voor hem] zijn geschapen (Ks 1:16-17). Als de aartsengel gaf hij derhalve leiding aan hen en bepaalde hij hun toewijzingen. Teksten als Mt 16:27; 24:31 en Op 12:7 geven te kennen dat zij zijn engelen zijn. Zo was de situatie in zijn pre-existentie, maar is ze ook ná zijn terugkeer in de hemel.

Toch zegt onze tekst dat de Zoon, na zijn aardse missie voltooid te hebben,
beter werd dan de engelen. Met name is hem een uitnemender naam ten deel gevallen.
Dit kan begrepen worden wanneer wij zijn tijdelijke positie als mens in aanmerking nemen. In 2:9 zal over hem gezegd worden:
Yeshua, die een weinig minder dan de engelen gemaakt was. Tijdens die korte periode stonden de engelen boven de op aarde levende Masjiach (Lk 22:43, 2Pt 2:11).

Maar nu zetelt hij aan Gods rechterhand in de hemel. Terwijl dat op zichzelf reeds op een ereplaats en positie van gunst duidt, is hij ook verder boven de engelen verheven door de nieuwe plaats die hij vanaf die tijd bij God ging innemen. Die verheven positie - in het Bijbelse spraakgebruik aangeduid met
naam - wordt nergens beter verwoord dan in Fp 2:9-11.

Daarom ook verhief God hem hoog en gaf hem goedgunstig de naam die boven elke naam is, opdat in de naam van Yeshua elke knie zich zou buigen van hen die in de hemel en van hen die op de aarde en van hen die onderaards zijn, en elke tong openlijk zou belijden dat Yeshua Masjiach Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader.

Beter geworden…
De comparatief κρειττων [beter; voordeliger; geweldiger] wordt in Hebreeën 13x gebruikt, hier voor de eerste maal; telkens om de Masjiach en de nieuwe Messiaanse regeling tegenover de dingen te plaatsen die aan hem voorafgingen:

- Betere vooruitzichten voor hen die op de verdiensten van Masjiach Yeshua steunen, zij die de ware Messianisten zijn (6:9).
- Het mindere wordt gezegend door het meerdere [betere] (7:7).
- Een betere hoop dan de Wet bood (7:19).
- Yeshua Borg van een beter Verbond (7:22).
- Yeshua Middelaar van een beter Verbond dat berust op betere beloften (8:6).
- Betere slachtoffers voor het reinigen der dingen die tot de hemelsfeer behoren (9:23).
- Messianisten hebben een beter en blijvend bezit (10:34).
- De patriarchen waren op zoek naar een beter vaderland (11:16).
- Een betere opstanding dan de tijdelijke (11:35).
- God voorzag iets beters voor de Messianisten (11:40).
- Het bloed van Yeshua spreekt beter dat Abels bloed (12:24).

Het valt op dat de auteur (met zijn scriptor) een voorkeur heeft voor het gebruik van comparatieven. Naast beter treffen we nog andere aan: uitnemender; meer; lager; groter; overvloediger; minder; hoger; volmaakter; erger. En dat allemaal om zijn argument dat de Christelijke regeling superieur is aan de oude, Joodse ordening, kracht bij te zetten.

 

a. Superieur aan de engelen (1:5-14)


Τινι γαρ ειπεν ποτε των αγγελων,
Υιος μου ει συ, εγω σημερον γεγεννηκα σε;
και παλιν,
Εγω εσομαι αυτω εις πατερα, και αυτος εσται μοι εις υιον; 


5 Want tot wie van de engelen heeft hij ooit gezegd:
Jij bent mijn zoon, ik heb je heden verwekt ?
En wederom:
Ik zal hem tot Vader zijn, en hij zal mij tot zoon zijn ?

Jij bent mijn zoon, ik heb je heden verwekt…
Vanaf hier worden zeven van Gods uitspraken vanuit de Septuagintversie van het OT geciteerd om de superioriteit van de Zoon boven de engelen kracht bij te zetten.
De eerst is ontleend aan de bekende Messiaanse Psalm 2, vers 7.
Vanaf de oude Christelijke traditie heeft men dit citaat (terecht) opgevat als de oorspronkelijke generatie van de Zoon uit de Vader, toen God zijn Zoon voortbracht als zijn evenbeeld -
het beeld van de onzichtbare God - waarbij hij afstraling der heerlijkheid en afdruk van zijn wezen werd (Ks 1:15; Hb 1:3).

Raadplegen we ook Hn 13, waar we lezen over een toespraak die de apostel Paulus eens hield in de synagoge van Pisidisch Antiochië, dan zullen we zien dat hij de tekst van Psalm 2 eveneens citeerde en in verband bracht met de opstanding van de Masjiach.
Terecht natuurlijk, want ook toen verwekte de Vader de Zoon tot hernieuwd leven.

Daarmee constateren we terloops een opmerkelijke gang van zaken: Wij weten uit Schriftgedeelten als Mt 19:28; Gl 6:15-16; 2Ko 5:17; Tt 3:5, dat er een wederverwekking (wedergeboorte) zal plaats vinden voor het Israël Gods en vervolgens ook voor de hele mensheid (Rm 8:22-23). Maar doordat hij plaatsvervangend voor de mensheid stierf, moest ook de Zoon de ervaring opdoen van een wederverwekking. En dat gebeurde zoals we allen weten op de derde dag na zijn dood, en wel als de eerste van alle gestorvenen (1Ko 15:23-24). Als vanzelfsprekend doet ons dat denken aan Ks 1:18


Hij die oorsprong is, eerstgeborene uit de doden, opdat hijzelf in alle dingen de voorrang zou hebben

In alle dingen heeft de Zoon de voorrang, ook in de wederverwekking, met een betere situatie als resultaat, precies zoals ook met de mensheid het geval zal zijn.
Hoewel de engelen ook
zonen Gods worden genoemd (Jb 2:1; 38:7), kent God alleen aan de Masjiach het werkelijke zoonschap toe. Hij alleen is de Eerstgeborene, want God zelf verwekte hem oorspronkelijk, en ook Hijzelf was Degene die zijn zoon wederverwekte toen hij hem bij de opstanding het leven teruggaf (Op 3:14; Ks 2:12).
Voor alle anderen is de Zoon
oorsprong, zowel in de eerste als in de tweede fase van het scheppingsproces. Zie onze eerdere verwijzing naar Ks 1:15-19.

Ik zal hem tot Vader zijn, en hij zal mij tot zoon zijn…
Het citaat komt uit 2Sm 7:14, het Schriftdeel waarin de profeet Nathan aan David Gods belofte overbrengt van een blijvend koninklijk Huis in zijn geslachtslijn (2Sm 7:11-19).
Maar in de vv 12-14 doelt de profeet op Davids zoon Salomo die voor de naam YHWH een Huis, d.i. de tempel, zal bouwen. Gods verhouding tot hem wordt getekend met de woorden:
Ik zal hem tot Vader zijn, en hij zal mij tot zoon zijn.
In ons vers wordt dit in typologische zin op de Masjiach toegepast. Begrijpelijk, aangezien heel de context in 2Sm 7 messiaans van karakter is: Gods verbond met David zal uitmonden in de Messiaanse heerschappij van Yeshua, aan wiens koningschap geen einde zal zijn (Lk 1:32-33).

οταν δε παλιν εισαγαγη τον πρωτοτοκον εις την οικουμενην, λεγει,
Kαι προσκυνησατωσαν αυτω παντες αγγελοι θεου. 


6
Maar wanneer hij wederom de Eerstgeborene binnenleidt in de bewoonde aarde, zegt hij:
En laten alle engelen Gods hem eer bewijzen.

Het citaat komt uit Dt 32:43, hoewel Ps 97:7 ook in beeld is, beide volgens de LXX.

Dt 32:43 luidt, in afwijking van de Masoretische tekst (M):


Verheugt u hemelen met hem,
en
laten al Gods zonen zich voor hem neerwerpen;
verheugt u natiën met zijn volk,
en
laten al Gods engelen sterk worden in hem,
want Hij zal het bloed van zijn zonen wreken,
en Hij zal wraak oefenen en straf vergelden aan zijn vijanden,
en de haters zal Hij vergelden;
en de Heer zal het land van zijn volk reinigen.

Door het citaat in te leiden met wanneer hij wederom de eerstgeborene binnenleidt in de bewoonde aarde, geeft de geest te kennen dat de inhoud ervan geldt voor de tijd van de wederkomst van de Masjiach. Bij zijn paroesie (tegenwoordigheid) zal hij opnieuw zijn intrede doen in de bewoonde aarde, οικουμενη; een substantief dat eigenlijk een vorm van het werkwoord οικεω is, namelijk het vrouwelijke participium praesens passivum, waardoor het primair de betekenis heeft van wat bewoond is, derhalve de bewoonde aarde (of: de mensenwereld; maar aarde heeft voorkeur omdat γη in het Grieks eveneens vrouwelijk is).

Volgens Mt 24:3 (
Wat zal het teken zijn van je paroesie en van de voleinding der eeuw?) en 25:31 (waar één van de vele onderdelen der paroesie wordt besproken) zal de Mensenzoon bij zijn paroesie in zijn heerlijkheid komen in gezelschap van al zijn engelen. Volgens onze tekst is dat voor de engelen Gods een speciale gelegenheid om de Zoon eer te bewijzen [προσκυνεω; als huldeblijk zich neerwerpen]. De imperatief [προσκυνησατωσαν] wijst op Gods uitdrukkelijke wens daartoe.

 

και προς μεν τους αγγελους λεγει, 

Ο ποιων τους αγγελους αυτου πνευματα, και τους λειτουργους αυτου πυρος φλογα∙
προς δε τον υιον,
Ο θρονος σου, ο θεος, εις τον αιωνα του αιωνος, και η ραβδος της ευθυτητος ραβδος της βασιλειας σου.
ηγαπησας δικαιοσυνην και εμισησας ανομιαν∙
δια τουτο εχρισεν σε ο θεος, ο θεος σου, ελαιον αγαλλιασεως παρα τους μετοχους σου∙ 


7-9
Ook zegt hij van de engelen weliswaar:
Die zijn engelen winden maakt en zijn openbare dienaren een vuurvlam,
maar van de Zoon:
Jouw troon, o god, tot in de eeuw der eeuw en de scepter van het recht scepter van jouw koninkrijk.
Jij had rechtvaardigheid lief en je haatte wetteloosheid;
om die reden zalfde God, jouw God, je met olie van uitbundige vreugde, meer dan je deelgenoten.


Die zijn engelen winden maakt en zijn openbare dienaren een vuurvlam…
Het citaat is ontleend aan Ps 104:4 volgens de LXX.
Het thema van die Psalm betreft Gods heerschappij over de schepping, maar Paulus liet ons reeds weten (in vers 3) dat de
Zoon alle dingen draagt door zijn krachtig woord. Om die reden en ook vanwege het feit dat de Vader en de Zoon van gelijke natuur en gelijke doelstelling zijn (Jh 10:30; Ik en de Vader zijn één), voelt hij zich vrij om alles wat oorspronkelijk in het geschreven Woord van de Vader werd gezegd, ook op de Zoon toe te passen.
Evenals de Vader kan ook de Zoon de engelen gebruiken als krachtige instrumenten, vergelijkbaar met de uitwerking van (storm)wind en vuur, om de goddelijke wil te volbrengen. Vergelijk in de voorafgaande Psalm (103) de vv 19-22.

Maar ook in dit geval worden van de Zoon grotere dingen gezegd. Paulus baseert zich op de bekende Psalm 45, waarvan het messiaanse karakter ook altijd door de Joden is erkend.

De toekomstige Masjiach wordt in de Psalm lof toegezwaaid wegens zijn schoonheid, beminnelijkheid en strijder voor de zaak van waarheid, ootmoed en recht. Om zijn Masjiachrijk op aarde te vestigen zal hij weerstand biedende volken moeten uitschakelen (vv 1-5). Vergelijk Ps 2:7-12; 110:5-7.


In het tweede gedeelte van de Psalm wordt hij verheerlijkt als de toekomstige Bruidegom die zijn Bruid, met haar gevolg van maagdelijke metgezellinnen (Bruidsmeisjes), het paleis van de koning binnenleidt (vv 10-16).

Vergelijk Op 19:6-9; Mt 25:1-12.

Het grotere van de Zoon boven de engelen betreft in dit geval natuurlijk allereerst dat hij de Messiaanse koning zal zijn. In 2:5 zal gezegd worden dat God in zijn voornemen
de komende bewoonde aarde waarover wij spreken, niet aan engelen onderwierp.
Maar de waardigheid van de Zoon gaat nog veel verder.
Paulus beroept zich op Psalm 45 omdat daarin de toekomstige koning als god wordt toegesproken:
Jouw troon, o god, tot in de eeuw der eeuw en de scepter van het recht scepter van jouw koninkrijk.

Daardoor toont de apostel aan de Joden die moeite hebben met Yeshua als hun rechtmatige Masjiach, dat zijzelf - aan de hand van voor hen bekende messiaanse psalmen - hadden kunnen weten dat de Masjiach in principe bovenaards zou zijn, ja, goddelijk: Gods eigen, door hem verwekte Zoon, de Enigverwekte.

Johannes zou in zijn Evangelie schrijven:

 

Het Woord was goddelijk…Niemand zag ooit God; [de] Enigverwekte god, hij die in de boezem van de Vader is, die verklaarde [hem] (Jh 1:1, 18).

 

Maar niet alleen de wijze van aanspreken als 'god', ook de rest van het citaat toont de superieure waardigheid van de Zoon boven de engelen:
● Zijn messiaanse heerschappij strekt zich uit
tot in de eeuw der eeuw, wat elders van God wordt gezegd (Ps 10:16; 145:13).
● Hij zal zijn heerschappij volgens de absolute maatstaven van het recht uitoefenen (Js 11:4; 32:1).
● YHWH Elohim zelf heeft hem gezalfd omdat hij
rechtvaardigheid liefhad en wetteloosheid haatte (Lk 4:16-21; Hn 10:38).

 

Altijd, in zijn pre-existentie, maar ook tijdens zijn leven op aarde, gaf hij blijk van haat ten aanzien van alle wetteloosheid en toonde hij tegelijkertijd zijn liefde voor rechtvaardigheid (Fp 2:5-6).
Gebeurtenissen waarbij hij zijn haat ten aanzien van wetteloosheid demonstreerde, waren ondermeer de twee gelegenheden waarbij hij de tempel van hebzuchtige religieuze huichelaars reinigde, en toen hij in de laatste week van zijn aards optreden de religieuze elite als huichelaars en moordzuchtige vervolgers ontmaskerde (Mattheüs, hoofdstuk 23).

Intussen toonde hij zijn haat ten aanzien van wetteloosheid (zonde) door er zelf volkomen vrij van te blijven. Daarom kon hij zijn tegenstanders terecht vragen:
Wie van jullie overtuigt mij van zonde? (Jh 8:46).
En in Hb 7:26 van onze Brief zal de apostel nog van de Zoon zeggen dat hij
loyaal, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars was. Als bevestiging daarvan schreef Petrus: Die geen zonde beging; noch werd er bedrog in zijn mond gevonden (1Pt 2:22).

 

Meer dan je deelgenoten(1)
Waarschijnlijk doelt de auteur daarmee op de andere koningen in Davids geslachtslijn, maar ook op Aäron en diens opvolgers die gezalfd werden om Hogepriester te zijn (Ex 30:25, 30; 1Sm 16:13; 2Sm 5:3; 1Kn 1:38-39).


Als de blijvende koning in Davids dynastie verenigt Yeshua in zich niet alleen het Masjiachschap, maar ook het Hogepriesterschap, en dat kan van geen zijner voorgangers gezegd worden. Hij immers zal volgens een geheel nieuwe orde, namelijk die van Melchizedek, Koning-hogepriester zijn (Psalm 110; Lk 1:32-33).

Meer dan je deelgenoten(2)
Hoewel de Christelijke Gemeente in onze Brief nauwelijks in beeld komt, kunnen we niet voorbijgaan aan Rm 8:29

Want hen die hij tevoren kende, bestemde hij ook tevoren tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon, opdat hij Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.

Als leden - en daarom deelgenoten - van zijn Gemeentelichaam hebben ook geroepen Christenen een zalving met heilige geest ontvangen, maar hun Hoofd is gezalfd met de olie van uitbundige vreugde, aangezien de Vader veel behagen schepte in zijn morele kwaliteiten.
Als de zondaars die allen van nature zijn, konden ook zij slechts op grond van zijn verdienste, en dankzij Gods liefderijke gunst, een zalving ontvangen (2Ko 1:21; Ef 1:13-14).  

 

και,

Συ κατ αρχας, κυριε, την γην εθεμελιωσας,
και εργα των χειρων σου εισιν οι ουρανοι∙
αυτοι απολουνται, συ δε διαμενεις∙
και παντες ως ιματιον παλαιωθησονται,
και ωσει περιβολαιον ελιξεις αυτους,
ως ιματιον και αλλαγησονται∙
συ δε ο αυτος ει
και τα ετη σου ουκ εκλειψουσιν. 


10-12
En
Gij, Heer, grondvestte in beginperiodes de aarde,
en werken van jouw handen zijn de hemelen.
Zij zullen vergaan, maar gij blijft steeds;
en als een kleed zullen alle verouderen,
en als een mantel zult gij ze oprollen;
als een kleed ook zullen ze verwisseld worden.
Maar gij bent dezelfde

en jouw jaren zullen geen einde nemen.

Het citaat is ontleend aan Ps 102:26-28, en precies zoals hij de 104e Psalm in vers 7 toepaste op de Zoon - terwijl niettemin het thema ervan Gods heerschappij over de schepping is - gaat Paulus ook nu aan de gang met Psalm 102. En terecht natuurlijk, want als Co-schepper was de Zoon in zijn pre-existentie nauw betrokken bij het voortbrengen van de hemelen en de aarde.
Bovendien wordt in Psalm 102 het herstel van Sion in de Eindtijd aangekondigd, wat vergezeld zal gaan van de (geestelijke) bevrijding van een Overblijfsel -
het volk dat geschapen zal worden - en dat zijn messiaanse perspectieven (de vv 14 en 19).

Paulus baseert zijn argument op het feit dat, ook al zijn de hemelen en de aarde aeonen oud en daarom naar het schijnt van blijvende duur, die geschapen dingen toch aan verval, slijt en veroudering onderhevig zijn, terwijl God, de Schepper ervan, onsterfelijk is; zijn bestaan zal geen einde nemen. Vergelijk Lk 16:17.
Maar omdat wat voor God geldt, eveneens op de Zoon toepasselijk is, kan de apostel opnieuw de Zoon tegenover al het (andere) geschapene stellen, waaronder ook de engelen.

En wat is het verschil? De stoffelijke hemelen en aarde zijn vergankelijk, zoals een kledingstuk dat aan slijt onderhevig is, en als een mantel die opgerold en weggeborgen wordt. De Zoon Gods daarentegen blijft, en dat voor altijd; het praesens van
διαμενω [διαμενεις], drukt het absoluut blijvende uit [maar gij blijft steeds]. Daarom ook: uw jaren zullen geen einde nemen.
Het kenmerk van de altijd blijvende Zoon is in overeenstemming met de duurzaamheid van zijn troon (vers 8) en accentueert de tegenstelling tussen de veranderlijkheid van de engelen en de bestendige, blijvende hoedanigheid van de Zoon.

 

προς τινα δε των αγγελων ειρηκεν ποτε,

Καθου εκ δεξιων μου εως αν θω τους εχθρους σου υποποδιον των ποδων σου;
ουχι παντες εισιν λειτουργικα πνευματα εις διακονιαν αποστελλομενα δια τους μελλοντας κληρονομειν σωτηριαν; 


13-14 Tot wie van de engelen echter heeft hij ooit gezegd:
Zit aan mijn rechterhand, totdat ik je vijanden stel tot voetbank van je voeten?
Zijn zij niet allen geesten in een openbare toewijzing, uitgezonden voor dienst ten behoeve van hen die redding gaan beërven?

Het zevende en laatste citaat komt uit de sleutelpsalm 110, waarnaar voor de eerste maal in vers 3 werd verwezen. Als vervulling van die Psalm nam de Zoon na zijn terugkeer in de hemel plaats aan de rechterhand der majesteit in verheven plaatsen.
In zijn bewijsvoering steunt Paulus in Hebreeën voornamelijk op Ps 110:1-6

1 Van David; een psalm. Zo spreekt YHWH tot mijn Heer: "Zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden leg tot een voetbank uwer voeten".
2 De scepter van uw sterkte zal YHWH vanuit Sion zenden: "Heers te midden van uw vijanden".
3 Uw volk zal zich gewillig aanbieden op de Dag van uw strijd. In de pracht der heiligheid, uit de schoot der dageraad, hebt gij de dauw van uw jeugd.
4 YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij zijt priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek".
5 De Heer aan uw rechterhand verplettert koningen op de Dag van zijn toorn.
6 Hij zal gericht houden onder de Heidenvolken; hoopt lijken op; verplettert het Hoofd van een volkrijk land.


Door de Masjiach uit te nodigen plaats te nemen aan zijn rechterzijde, verschaft God zijn Zoon niet alleen een ereplaats maar laat hij hem tevens delen in de uitoefening van zijn universele heerschappij.
Met de bijzin
totdat ik je vijanden stel tot voetbank van je voeten, wordt niet bedoeld dat het zitten op die voorname plaats te eniger tijd zal eindigen. Eerder wordt daarmee geduid op een belangrijk doel dat op een zeker tijdstip in de universele geschiedenis verwezenlijkt moet worden:

 

De volkomen onderwerping van alle Godvijandige krachten op de Dag van zijn toorn, waaronder de koningen van vers 5; de Heidenvolken en het Hoofd van een volkrijk land van vers 6, wellicht de Antimasjiach van de Eindtijd.


Vergelijk Jr 25:31-38; Ez 39:17-22; Op 19:11-21.

Het contrast met de engelen is groot. Hoe verheven ook, alle zijn zij God en zijn Zoon dienstbaar in een positie van
λειτουργια, een term die doelt op staats- en andere publieke diensten, maar ook dienst in religieuze zin, zoals de periodieke tempeldienst der priesters (Lk 1:23).
Het beeld komt overeen met het tafereel in Daniël, hoofdstuk 7, waar we met Daniël in zijn visioen talloze engelen zien die zich voor Gods troon in de hemel bevinden, gereed voor dienst:
Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem (Dn 7:9-10).

En nu wordt hier onthuld dat zij voortdurend worden uitgezonden [het participium van
αποστελλω staat in het praesens passivum] om mensen bij te staan, gelovigen in de Masjiach, opdat de redding die God voor hen op het oog heeft - welke als het ware voor hen in de vorm van een erfenis is weggelegd - zonder mankeren zal worden gerealiseerd.

Zoals de engelen naderbij kwamen en hem [Yeshua] gingen dienen na zijn overwinning op Satan (Mt 4:11), dienen zij ook de leden van het Israël Gods die één zijn met hun Heer (Ps 34:8).

 

 

 

Wanneer we kort terugblikken op de zeven citaten vanuit het OT die de auteur gebruikt om de superioriteit van de Zoon boven de engelen te bewijzen, komen we tot de verrassende gevolgtrekking dat de heilige geest het zó heeft gearrangeerd dat ze precies in de juiste numerieke volgorde verschenen.

1
Jij bent mijn zoon, ik heb je heden verwekt.
Het getal één wijst op suprematie (Zc 14:9;
YHWH zal koning worden over heel de aarde; op die dag zal hij één zijn en zijn naam één).

Alléén de Zoon is rechtstreeks door de Vader verwekt en wederverwekt.

2
Ik zal hem tot Vader zijn, en hij zal mij tot zoon zijn.
Het getal twee herinnert aan de noodzaak van (minstens) twee getuigen. Hier wordt de unieke verhouding Vader-Zoon bevestigd door een tweede getuigenis.

3
Wanneer hij wederom de Eerstgeborene binnenleidt in de bewoonde aarde: Laten alle engelen Gods hem eer bewijzen.
Het getal
drie is verbonden met zaken die beslissend zijn; definitief gemanifesteerd (1Sm 3:8; Lk 13:7; Hn 10:16).

De paroesie is een manifestatie van de Zoon (2Th 2:8); de engelen bewijzen hem dan eer.
Bovendien zal dit de derde keer zijn dat de Vader de Zoon de oikoumenè binnenleidt. De eerste keer was bij zijn menswording, de tweede bij zijn opstanding en de derde bij zijn paroesie. Bij alle drie gelegenheden werd (wordt) hij door de engelen geëerd (Lk 2:9-14; 24:1-7).

4 Die zijn engelen winden maakt en zijn openbare dienaren een vuurvlam.
Vier is het getal dat verbonden is met Gods aardse schepping (Op 4:6-7; 7:1).
Evenals de Vader kan ook de Zoon de engelen gebruiken om de goddelijke wil op aarde te volbrengen.

5 Jouw troon, o god, is tot in de eeuw der eeuw en de scepter van het recht scepter van jouw koninkrijk.
Het getal
vijf duidt op bovenaards (1Kn 6:24); de Masjiach van het koninkrijk voor Israël is goddelijk van aard.
Vijf verwijst ook naar het Overblijfsel van Israël dat, in de voorstelling van de vijf verstandige maagden, in de 70ste jaarweek de Bruidegom zal vergezellen naar het bruiloftsfeest (Mt 25:1-10). Het 5e citaat is immers ontleend aan Ps 45, en in de vv 15-16 zien we bij voorbaat hoe zij, als de maagdelijke metgezellinnen (Bruidsmeisjes) van de Bruid het paleis van de koning worden binnengeleid.

6 De aarde, en de hemelen…zullen vergaan, maar gij blijft steeds; en als een kleed zullen alle verouderen, en als een mantel zult gij ze oprollen; als een kleed ook zullen ze verwisseld worden. Maar gij bent dezelfde en uw jaren zullen geen einde nemen.
Het getal zes is het getal van de mens in zijn onvolmaaktheid, moeite en arbeid: Zes dagen het land bewerken; zes watervaten (Jh 2:6).
In tegenstelling tot de Adamitische mens komt er geen voortijdig einde aan de Zoon. Hij wordt niet weggenomen ‘in het midden van zijn dagen’.

7 Zit aan mijn rechterhand, totdat ik je vijanden stel tot voetbank van je voeten.
Zeven is het getal van hemelse volmaaktheid, van voltooiing en van rust na een volbracht werk (Gn 2:3).
Yeshua nam, nadat hij reiniging der zonden bewerkte, plaats aan de rechterhand der majesteit in verheven plaatsen.

 

Hebreeën 2

 

b. Meer dan gewone aandacht nodig (2:1-4)


Δια τουτο δει περισσοτερως προσεχειν ημας τοις ακουσθεισιν, μηποτε παραρυωμεν. ει γαρ ο δι αγγελων λαληθεις λογος εγενετο βεβαιος, και πασα παραβασις και παρακοη ελαβεν ενδικον μισθαποδοσιαν, πως ημεις εκφευξομεθα τηλικαυτης αμελησαντες σωτηριας; ητις, αρχην λαβουσα λαλεισθαι δια του κυριου, υπο των ακουσαντων εις ημας εβεβαιωθη, συνεπιμαρτυρουντος του θεου σημειοις τε και τερασιν και ποικιλαις δυναμεσιν και πνευματος αγιου μερισμοις κατα την αυτου θελησιν. 


1-4 Daarom moeten wij overvloediger acht geven op de dingen die gehoord zijn, opdat wij nooit afdrijven. Want indien het woord door engelen gesproken vast bleek te zijn en elke overtreding en ongehoorzaamheid gerechte vergelding ontving, hoe zullen wij ontkomen als wij zo’n grote redding zouden veronachtzamen, waarover - na een aanvang genomen te hebben - gesproken werd door de Heer, voor ons bevestigd door hen die het gehoord hadden, God meegetuigend, zowel door tekenen als wonderen en diverse krachten en uitdelingen van heilige geest overeenkomstig zijn wil?

De auteur heeft in onze Brief de gewoonte om na elke uiteenzetting een vermanend deel te laten volgen; in deze passage (2:1-4) is de vermaning gebaseerd op heel hoofdstuk 1.
Omdat God
op het laatst van deze dagen tot ons [Hebreeën] sprak bij monde van zijn Zoon, is het een volstrekte noodzaak hem gehoor te geven.
Er wordt een vergelijking gemaakt met de oude openbaring, met name de Mozaïsche wetgeving, welke door de tussenkomst van engelen werd ontvangen (Hn 7:38, 53; Gl 3:19). Die openbaring bleek een vast woord te zijn, gelet op de sancties die verbonden waren met elke overtreding (daad) en ongehoorzaamheid (een met God strijdige gezindheid).

Welnu, wanneer die oude openbaring niet ongestraft genegeerd kon worden, hoeveel temeer aandacht verdient dan de nieuwe die bovendien tot de Joden is gekomen door tussenkomst van de Zoon die zoveel hoger is dan de engelen!
Uit de bewoordingen blijkt al hoe het met de lezers gesteld is; zij schatten die nieuwe openbaring niet op haar superieure waarde. 

 

Er is een neiging om eraan voorbij te glijden, wat de betekenis is van het werkwoord παραρρυεω. Xenophon gebruikte het voor de voorbij stromende rivier. Vandaar de hier gebruikte metafoor afdrijven, iets wat gemakkelijk met een boot kan gebeuren als ze niet vastgelegd is aan het anker. Vergelijk Hb 6:19.

Als wij zo’n grote redding zouden veronachtzamen…
Dat de nieuwe openbaring zich ook inhoudelijk op een veel hoger niveau beweegt dan de oude, wordt te kennen gegeven door de ene samenvattende term redding. De Wet schreef immers alleen maar voor en verleende niet de kracht ze volkomen na te leven; daarom was de Wet slechts aanleiding tot zonde en bijgevolg veroordeling (Gl 3:10, 19).


De
σωτηρια [redding] van de nieuwe openbaring belooft geen (eventuele) tijdelijke beloning, maar niets minder dan bevrijding van de zonde en redding van een eeuwige dood. Die redding is dan ook van zodanige aard dat geen grotere denkbaar is: zo’n grote redding.

In de Eerste eeuw, met de komst van de Masjiach, heeft de verkondiging van die redding als goed nieuws (Evangelie) een aanvang genomen. Hijzelf sprak er als eerste over en sindsdien is er niet meer over gezwegen; door elke generatie van gelovigen wordt de boodschap opnieuw bevestigd.
En God zelf, van zijn kant, voegt zijn eigen getuigenis toe aan de menselijke verkondiging. Het partcipium van
συνεπιμαρτυρεω [meegetuigen] staat in het praesens, wat aangeeft dat Gods betrokkenheid voortduurt: De inbreng van een bovennatuurlijk element.

In de vroege periode van het Christendom omvatte Gods bijdrage tekenen, wonderen, krachten en uitdelingen van heilige geest. Bij het laatste kunnen we denken aan de verscheidenheid van charismata (geestesuitingen).

Zie 1 Korinthiërs, hoofdstuk 12.
De eerste drie termen -
tekenen, wonderen, krachten - werden ook door Petrus vermeld in zijn Pinksterdagrede om zijn Joods gehoor te laten weten dat God die bovennatuurlijke zaken had aangewend om zijn volk te tonen dat Yeshua hun Masjiach is:

Mannen van Israël, hoort deze woorden: Yeshua, de Nazoreeër, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet.
(Hn 2:22)

Zoals de oude openbaring bij de Sinaï gepaard ging met wonderbare verschijnselen (Hb 12:18-21), zo is evenzo de nieuwe openbaring bevestigd door de vele wonderbare gebeurtenissen waarvan de prediking van Yeshua en de apostelen vergezeld is gegaan. De Evangeliën en het Boek Handelingen hebben daarover uitvoerig verslag gedaan.
Wanneer de Hebreeën aan dit alles onvoldoende aandacht geven - en de toonzetting van de vermaning in ons Schriftdeel is van dien aard dat dit bij hen al het geval lijkt te zijn - dan komt onvermijdelijk grote geestelijke rampspoed.

Een eerlijke beschouwing van het Joodse 'plaatje' van de afgelopen 1950 jaar sinds onze Brief geschreven werd, bevestigt die waarheid. In plaats van
overvloediger acht te geven op de dingen die gehoord zijn - dat is nog méér aandacht hebben voor de nieuwe dan de oude openbaring - hebben de Joden als volk juist het tegenovergestelde gedaan: Zowel hun Masjiach als dit soort Joods-christelijke Geschriften hebben zij terzijde geschoven en in plaats daarvan zich voornamelijk beziggehouden met Talmoedische leringen. 

 

Bij die beschouwingen hebben zij zich zelfs nog meer verlaten op de (discutabele) mondeling overgeleverde wet en de commentaren daarop van hun rabbijnen, dan op het (werkelijk) door God geïnspireerde Woord zoals vervat in de Tanakh.
Maar hoe dan ook, voor een nog te verschijnen Joods Overblijfsel in de 70ste  Jaarweek ligt om zo te zeggen deze Brief, samen met alle andere Joods-christelijke Geschriften, gereed ter raadpleging zodra de leden van die Rest met Gods hulp uit de eeuwenlange verharding te voorschijn komen.

Vergelijk Js 10:22; Mc 5:7-9; 7:18-20; Zf 3:12-20; Rm 11:7, 25-36.

 

c. Het Joodse voorrecht (2:5-18)


Ου γαρ αγγελοις υπεταξεν την οικουμενην την μελλουσαν περι ης λαλουμεν.

5 Want niet aan engelen onderwierp hij de toekomstige bewoonde aarde waarover wij spreken.

Hoewel de apostel hier een nieuwe uiteenzetting start (2:5-18), bouwt hij toch voort op de grondslag van hoofdstuk 1, want het is duidelijk dat hem de suprematie van de Zoon boven de engelen nog steeds voor de geest staat. Toch is er sprake van een wending in thema. De auteur richt de aandacht van zijn lezers op de vraag: Aan wie onderwierp YHWH Elohim in zijn voornemen
de toekomstige bewoonde aarde?

De apostel blijkt (uiteraard) goed ingevoerd te zijn in de theologische vraagstukken die binnen het Jodendom spelen. De uitdrukking "de komende wereld" is welbekend in het Rabbijnendom en ze wordt gebruikt om het onderscheid aan te geven met de wereld van nu. Thans nog de huidige wereld, maar hierna de heerschappij van de Masjiach, in "de wereld die komt".

Hieruit blijkt wederom dat de Hebreeënbrief door en door Joods georiënteerd is en zeker niet gericht tot de Christelijke Gemeente. De auteur richt de aandacht van zijn lezers veeleer op een algemeen onder Joden heersende verwachting: De wereld die nog moet aanbreken in de Messiaanse tijd. Aan de 'Gemeente-eeuw' van thans wordt geheel voorbijgegaan; de toekomstblik wordt gefocust op de tijd van de wederoprichting van het Messiaanse koninkrijk, het koninkrijk voor Israël, waarvan de apostelen al in hun dagen het herstel verwachtten (Hn 1:6-7).

Welnu, die oikoumenè van de toekomst zal niet onder de leiding van engelen worden geplaatst: Want niet aan engelen onderwierp hij [God, onderwerp van het vorige vers] de bewoonde aarde die aanstaande is, waarover wij spreken.
De voornaamste taak die de engelen in verband met Gods voornemen in deze zaak hebben, werd al in vers 14 van het eerste hoofdstuk geformuleerd: Op geregelde basis worden zij uitgezonden voor dienst ten behoeve van hen die redding gaan beërven.

 

Niet aan engelen onderwierp hij de toekomstige bewoonde aarde…
De toonzetting suggereert dat God daarvoor een goede reden heeft. De indruk wordt gewekt of de engelen zich in het verleden voor die toewijzing gediskwalificeerd hebben. Welke aanwijzingen hebben we wat dat betreft?
Hoe vreemd het ons wellicht toeschijnt, vers 9 in de Brief van Judas biedt ons blijkbaar een sleutel:

Toen de aartsengel Michaël echter een geschil had met de Duivel en disputeerde over het lichaam van Mozes, durfde hij geen oordeel van lastering uit te brengen, maar zei: "Moge de Heer je bestraffen"!

Michaël, de aartsengel - de enige dus en in onze opvatting niemand anders dan de hemelse Zoon van God - waakte ervoor niet aanmatigend tegen de Duivel op te treden. Waarom? Omdat de Duivel binnen het Rijk der engelen eens een positie bekleedde waaraan hoge waardigheid was verbonden, en die waardigheid moet, zolang God die opstandeling niet volledig verdreven heeft, ook nu nog geëerbiedigd worden, want nog altijd oefent hij immense macht uit.
Zelfs Michaël schrok er voor terug ook maar enig smadelijk woord van veroordeling tegen hem uit te brengen. Vergelijk Zc 3:1-2;  Jh 12:31; 14:30;  Ef 2:2.

Als de heerser der wereld is Satan inmiddels wel geoordeeld, maar nog niet uit zijn positie van macht verdreven (Jh 16:11).
De verzoeking in de wildernis verschaft ons een verder inkijkje in het onderwerp. Lukas legde daarover in hoofdstuk 4 van zijn Evangelie het volgende vast:

En nadat hij hem opwaarts had gevoerd, toonde hij hem in een ogenblik tijds alle koninkrijken der bewoonde wereld. En de Duivel zei tot hem: Aan jou zal ik al deze macht en de heerlijkheid ervan geven, want aan mij is ze overgegeven en aan wie ik ook wil, geef ik ze. Jij dan, indien je voor mijn aangezicht een daad van aanbidding verricht, zal alles van jou zijn. En in antwoord zei Yeshua tot hem: Er staat geschreven: De Heer, uw God, moet gij aanbidden en hem alleen dienstbaar zijn.

Het is duidelijk dat de Duivel macht over de wereld der mensheid, de huidige oikoumenè, uitoefent: Tot Yeshua zei hij: aan mij is ze overgegeven en aan wie ik ook wil, geef ik ze, en de Heer weersprak hem niet.
Toen Satan dan ook (volgens Job 1 en 2) voor Gods aangezicht verscheen te midden van andere zonen Gods en God hem de vraag stelde waar hij vandaan kwam, kon hij kennelijk naar waarheid zeggen dat hij op zijn eigen rijksgebied had rondgewandeld.

Dat Satan naar eigen wens macht delegeert zoals hij aan Yeshua te kennen gaf, vernemen we uit Daniël, hoofdstuk 10. Over de wereldmachten heeft hij zijn eigen demonenvorsten aangesteld (Dn 10:13, 20).

 

Zie de Studie: Michaël, de aartsengel, in conflict met Satans Rijk


Ook Ef 6:11-12 is wat dat betreft onthullend:

Want onze worsteling is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen.

Over de macht die Satan over de huidige wereld der mensheid uitoefent, zei hij tot Yeshua: Ze is aan mij overgegeven.
Hoe en wanneer geschiedde dat?
Dikwijls wordt daarvoor verwezen naar Ezechiël, hoofdstuk 28, waar de Duivel kennelijk wordt toegesproken in de persoon van de koning van Tyrus:

11 De HEER richtte zich tot mij:
12 ‘Mensenkind, hef over de koning van Tyrus een dodenklacht aan: “Dit zegt God, de Heer: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid.
13 Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar.
14 Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen.
15 Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg.
16 Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande ik je van de berg van God en verdreef ik je van je plaats tussen de vurige stenen.
17 Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld. Daarom heb ik je op de aarde neergeworpen, als een schouwspel voor andere koningen.
18 Door je grote schuld, door je oneerlijke handel, waren je heiligdommen ontwijd. Daarom liet ik een vuur in je oplaaien dat je heeft verteerd, ik maakte van jou een hoop as op de grond, voor ieder die het wil zien.
19 Alle volken die je kenden staan verbijsterd; je bent een schrikbeeld geworden, tot in eeuwigheid zul je er niet meer zijn.”
(nbv)

De gebruikte terminologie lijkt inderdaad de status van de koning van Tyrus ver te overstijgen. Zinnebeeldig wordt gesproken over de grote schoonheid die deze zoon van God ooit had; maar ook over de hoge positie die hij kennelijk van God had ontvangen in de hof van Eden, een positie van groot vertrouwen en grote verantwoordelijkheid, naar het schijnt die van opziener over de mensheid.
Behorend tot de orde der cherubim wordt hij voorgesteld met zijn
vleugels beschermend uitgespreid.
En hoewel er wordt gezegd dat YHWH Elohim na zijn opstand tegen hem optrad, staat er niet met zoveel woorden dat God hem (al) zijn macht ontnam.

Het bovenstaande verschaft ons op z’n minst een idee waarom God blijkbaar valide redenen heeft de toekomstige oikoumenè niet aan het gezag van engelen te onderwerpen.
Resteert uiteraard de vraag: Maar aan wie dan wel wordt het bestuur van "de komende wereld" toevertrouwd?

 

διεμαρτυρατο δε που τις λεγων,
Τι εστιν ανθρωπος οτι μιμνησκη αυτου,
η υιος ανθρωπου οτι επισκεπτη αυτον;
ηλαττωσας αυτον βραχυ τι παρ αγγελους,
δοξη και τιμη εστεφανωσας αυτον,
παντα υπεταξας υποκατω των ποδων αυτου.

6-8a Maar iemand betuigde ergens, zeggend:
Wat is een mens dat gij hem gedenkt,
of mensenzoon dat gij naar hem omziet?
Gij maakte hem een weinig lager dan engelen;
met heerlijkheid en eer kroonde gij hem;
alle dingen onderwierp gij onder zijn voeten.


De auteur richt de aandacht op (alweer) een bekende Psalm (8).
Kennelijk kan in die Psalm de sleutel worden gevonden op de vraag: Aan wie wordt de oikoumenè van de toekomst onderworpen?
Eigenlijk werd al in hoofdstuk 1, vers 6 - de enige andere plaats in de Brief waar de term oikoumenè verschijnt - dienaangaande de richting aangegeven die tot de oplossing van het vraagstuk moet leiden:

Maar wanneer hij wederom de eerstgeborene binnenleidt in de bewoonde aarde, zegt hij: "En laten alle engelen Gods hem eer bewijzen".

We stelden vast dat daarmee gedoeld wordt op de tijd van de paroesie van de Zoon, de wereldperiode die samenvalt met de zeven jaar van de laatste (70e) Jaarweek voor Israël (Dn 9:24-27).
Volgens Mt 25:31 komt de Mensenzoon dan - in gezelschap van zijn engelen - in zijn heerlijkheid en zal hij op de troon zijner heerlijkheid plaats nemen.
Uit de verzen 34 en 40 van Mt 25 kan worden afgeleid dat die troon dezelfde is als die welke al eerder in 1:8 werd genoemd: de troon van de koning van het Messiaanse koninkrijk.

De frase binnenleiden in de bewoonde aarde heeft Joodse reminiscenties. Ze zinspeelt op de tijd dat YHWH zijn volk Israël in het bezit stelde van Kanaän, het aan hen beloofde land. In het overwinningslied waarin Mozes voorging, nadat de doortocht door de Rode Zee met bovennatuurlijke hulp veilig was volbracht, zinspeelde hij al op die gebeurtenis:

Gij brengt hen binnen en plant hen op een berg van uw erfdeel; een vaste plaats voor u om te verblijven, die gij hebt gemaakt, o YHWH: een heiligdom, Heer, dat uw handen hebben bereid! YHWH zal heersen voor eeuwig en immer!
(Ex 15:17-18)

Evenzo zal de Vader, bij de terugkeer van zijn Zoon naar de aarde, volgens Psalm 2 zeggen: Vraag mij en ik zal natiën geven tot je erfdeel, de einden der aarde tot je bezit.
Bij zijn eerste (vroegere) komst ervoer de Zoon een verdrijving uit de oikoumenè; vandaar de tegenstelling:
Wanneer hij wederom de eerstgeborene binnenleidt.

Destijds weliswaar verworpen en verdreven, maar dan, bij zijn paroesie, binnengaan in majesteit: komen in de heerlijkheid van zijn Vader (Mt 16:27).
Eén ding kan derhalve nu al met zekerheid worden geconcludeerd: De supervisie over de oikoumenè ligt bij de Mensenzoon en niet bij de engelen.

Wat is de mens dat gij hem gedenkt, of de mensenzoon dat gij acht op hem geeft?
Het citaat is, zoals reeds opgemerkt, afkomstig uit Psalm 8, maar dan volgens de versie van de LXX. Het is een Psalm die begint met de verheerlijking van de Schepper God, maar dan overgaat tot een beschouwing van de plaats welke de mens in diens schepping ontving. De Masoretische tekst luidt:


Aan de leider, op de Gittith. Een melodie van David.
O YHWH, onze Heer, hoe majestueus is uw naam op de ganse aarde, Gij, wiens waardigheid wordt verhaald boven de hemelen!
2 Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt gij sterkte gegrondvest, wegens degenen die blijk geven van vijandschap jegens u, om de vijand en degene die zijn wraak neemt, te doen ophouden.
3 Wanneer ik uw hemel zie, het werk van uw vingers, de maan en de sterren die gij hebt bereid,
4 wat is dan de sterfelijke mens dat gij aan hem denkt, en de zoon van Adam dat gij voor hem zorgt?
5 Voorts hebt gij hem ook een weinig minder dan goddelijken gemaakt, en met heerlijkheid en pracht hebt gij hem toen gekroond.
6 Gij doet hem heersen over de werken van uw handen; alles hebt gij onder zijn voeten gelegd:
7 Kleinvee en runderen, die allemaal, en ook de dieren van het open veld,
8 de vogels van de hemel en de vissen der zee, al wat langs de paden der zeeën trekt.
9 O YHWH, onze Heer, hoe majestueus is uw naam op de ganse aarde!


In eerste instantie richt Psalm 8 de schijnwerper niet op de Masjiach, noch op zijn Rijk over de toekomstige oikoumenè, hoewel de term mensenzoon [volgens LXX] reeds een heenwijzing naar hem is.
De Psalmist blikt terug op Adam, de eerste mens, en op de verantwoordelijkheden die God aan hem, en daarmee aan zijn hele nageslacht, toevertrouwde, en hij verbaast zich over het feit dat YHWH die de hemel, de maan en de sterren schiep zoveel aandacht heeft voor de nietige mens die zich in een lagere positie bevindt dan de engelen:
Een weinig minder dan goddelijken gemaakt.

Terwijl de Psalmist de grootsheid en de heerlijkheid van de hemellichamen beschouwde, moest hij wel een vergelijking maken met de mens in zijn huidige situatie: De enosh, d.i. de frêle, ziekelijke, zwakke sterfelijke mens.
Vergelijk Ps 103:14-16

Want Hijzelf weet zeer goed hoe wij zijn gevormd, gedachtig dat wij stof zijn. Wat de sterfelijke mens [enosh] betreft, zijn dagen zijn als die van het groene gras; als een bloesem van het veld, zo bloeit hij. Want er hoeft maar een wind over te gaan en hij is niet meer.

Zie ook Job 4:17 en Ps 9:19-20. 

Dat de mens bij zijn schepping slechts een weinig minder dan engelen werd, verklaart hij uit het feit dat YHWH hem met heerlijkheid en pracht kroonde en hem doet heersen over zijn aardse werken, ja, alles [in de dierenwereld] onder zijn voeten legde.
Vergelijk Gn 1:26-28, waar we lezen dat (ook) de mens naar Gods beeld en gelijkenis werd geschapen, wat zijn grootse toewijzing in Gods dienst aannemelijk maakt.

Het citaat in onze Brief wordt door de apostel nogal vaag ingeleid:
Iemand betuigde ergens [διαμαρτυρομαι; betuigen; plechtig verzekeren of verklaren, in juridische zin].
Hij vermijdt het om de schrijver te noemen en waar de tekst wordt gevonden. Daardoor komt alle nadruk op de inhoud van het getuigenis zelf te liggen, maar ook op het gezag van de heilige geest die de schrijver inspireerde (2Sm 23:1-2).

Het biedt de apostel tevens de mogelijkheid en (goddelijk) recht om naar de diepere zin van de Psalm te zoeken. Zoals we zullen zien komt hij dan uit bij de Mensenzoon bij uitstek: Yeshua de Masjiach. De tekst kan dan als volgt gelezen worden:

"Wat is de Mensenzoon Yeshua dat u hem zo hoog verhief? Bij de incarnatie plaatste u hem tijdelijk een weinig beneden de engelen, maar na zijn opstanding en terugkeer naar de hemel kroonde u hem met eer en heerlijkheid en werd al het geschapene onder zijn heerschappij gebracht".

εν τω γαρ υποταξαι [αυτω] τα παντα ουδεν αφηκεν αυτω ανυποτακτον. νυν δε ουπω ορωμεν αυτω τα παντα υποτεταγμενα∙

8b Want door alle dingen aan hem te onderwerpen, liet hij niets over wat niet aan hem onderworpen zou zijn. Thans zien wij echter nog niet dat alle dingen aan hem onderworpen zijn.

In eerste instantie weer een terugverwijzing naar het mensdom dat in zijn voorvader, Adam, zulke schitterende vooruitzichten ontving, maar dat door opstand en zonde dat alles kwijtraakte en in plaats daarvan verviel tot wanbestuur.
Vandaar dat niemand van ons thans nog in het geheel niet ziet dat alle dingen aan hem onderworpen zijn.

 

Niettemin benadrukt de Psalmist dat het mensenkind met heerlijkheid en eer werd gekroond teneinde heerschappij uit te oefenen over alle (aardse) werken van Gods handen. Maar de Hebreeënbrief laat krachtig uitkomen dat wegens Adams val de huidige status van de mens aan Gods maatstaf tekort schiet. Voor het vervullen van de oorspronkelijke opdracht moet de mens tot zijn heerlijkheid worden hersteld, en - door wedergeboorte - het ware zoonschap deelachtig worden.

Thans zien wij echter nog niet dat alle dingen aan hem onderworpen zijn…
Met de inlassing van de woorden nog niet suggereert de apostel reeds dat de verborgen zin van de psalmtekst heus wel in vervulling zal gaan, maar dan wel op een andere manier dan verwacht mocht worden bij de oorspronkelijke schepping van de mens. Bijgevolg voelen we daarmee nu reeds aan dat de dingen die in de oorspronkelijke schepping niet werden gerealiseerd, in de nieuwe- of herschepping (wedergeboorte) wél degelijk verwezenlijkt gaan worden en dat niemand anders dan de Masjiach daarbij de hoofdrol vervult.

 

τον δε βραχυ τι παρ αγγελους ηλαττωμενον βλεπομεν Ιησουν δια το παθημα του θανατου δοξη και τιμη εστεφανωμενον, οπως χαριτι θεου υπερ παντος γευσηται θανατου.

9 Maar wij zien Yeshua - die een weinig lager dan engelen gemaakt was - wegens het lijden des doods met heerlijkheid en eer gekroond, opdat hij door Gods liefderijke gunst voor ieder de dood zou smaken.

Maar wij zien Yeshua…
Eindelijk! De naam waarmee de Joden zo’n moeite hebben is genoemd.
Hij die tot nu toe voornamelijk werd aangeduid als Zoon (Gods), en slechts éénmaal als de Heer (2:3), wordt tenslotte bij de naam genoemd die hij gedurende de korte tijd dat hij op aarde verbleef - in een situatie van vernedering: een weinig lager dan engelen - als mens droeg.

Degenen die destijds niet in hem geloofden - met name de Joods religieuze elite, maar door hun invloed ook het volk - verwezen gewoonlijk naar hem als Yeshua de Nazarener.
Vergelijk Jh 18:5; 19:19; Mt 26:71; Lk 18:37.


Maar zijn eigen mensen, de leerlingen, spraken hem aan als Meester, Heer, of Leraar (Jh 13:13). Alleen de twee leerlingen van Emmaüs verwezen naar hem als
Yeshua de Nazarener, maar dat was in een situatie waarin hun geloof wankelde (Lk 24:19).
Al op de Pinksterdag zag Petrus in dat de naam Yeshua bij zijn Joodse broeders een mate van weerstand opriep die overwonnen moest worden:

Mannen, Israëlieten, hoort deze woorden: Yeshua de Nazoreeër, een man, vanwege God aan jullie getoond door krachten, wonderen en tekenen welke God door hem in jullie midden verrichtte, zoals jullie zelf weten… Deze Yeshua heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. Nu hij dan door de rechterhand van God is verhoogd en de belofte van de heilige geest heeft ontvangen bij de Vader, heeft hij deze uitgestort, wat jullie zowel zien als horen… Laat het hele huis van Israël daarom zeker weten dat God hem zowel tot Heer als Masjiach maakte; deze Yeshua die jullie aan een paal hingen. Toen zij dit hoorden, werden zij diep in het hart getroffen.
(Handelingen 2)

Maar wij zien Yeshua - die een weinig lager dan engelen gemaakt was - wegens het lijden des doods met heerlijkheid en eer gekroond…
De auteur gaat Psalm 8 op Masjiach Yeshua toepassen en daarmee krijgen de in die Psalm gebezigde termen hun volle, diepere betekenis. Hoewel niet met zoveel woorden aangegeven, wordt door de tegenstelling te kennen geven dat de bewoonde aarde van de toekomst aan hem onderworpen zal zijn. 


Ook is hij, als de Mensenzoon in de Psalm, door God tot een hoge positie verheven, maar in zijn geval wegens een zeer speciale reden:
het lijden des doods.
Bijgevolg zien wij - de auteur doelt op allen die met ogen des geloofs waarnemen - de Masjiach thans aan Gods rechterhand, gekroond als hij is met heerlijkheid en eer.
Stefanus zag de verheerlijkte Yeshua in een visioen aan Gods rechterhand staan, maar zij die geloof stellen in het Woord zien de Mensenzoon in die positie met de ogen van de geest die het Woord inspireerde (Hn 7:55-56; Fp 2:9).

Opdat hij door Gods liefderijke gunst voor ieder de dood zou smaken…
Met deze woorden bevestigt de auteur de leer van het plaatsvervangend lijden en sterven van de Masjiach, een allerbelangrijkst leerstuk dat hij ook bij de leden van Yeshua’s Gemeentelichaam inprentte, en waarover eigenlijk alle mensen geïnformeerd zouden moeten zijn (2Ko 5:14-15, 21).
In verband met de Hebreeën - de eigenlijke lezerskring van onze Brief - krijgt deze gewichtige doctrine speciale betekenis, opnieuw gelet op de strekking van Psalm 8. Hoe dan wel?

Welnu, de mensheid in Adam verwezenlijkte door zonde en de morele zwakheid die daarvan het gevolg was, niet de perspectieven welke God haar bij de schepping in het vooruitzicht stelde. Maar door geloof te stellen in Yeshua’s plaatsvervangend lijden en sterven, kan ieder van de Hebreeën in Yeshua, hun voornaamste broeder en Masjiach, ja, hij die het eigenlijke Zelf van Israël is, de nieuwe geboorte van de geest ontvangen welke hem geschikt maakt om in het
koninkrijk van priesters zijn plaats in te nemen:

Nu was er een mens uit de Farizeeën, zijn naam was Nikodemus, een overste der Joden; deze kwam 's nachts bij hem en zei tot hem: "Rabbi, wij weten dat jij van God bent gekomen als leraar; want niemand kan deze tekenen doen die jij doet, tenzij God met hem is". Ten antwoord zei Yeshua tot hem: "Voorwaar, voorwaar, ik zeg je: indien iemand niet van boven verwekt wordt, kan hij het koninkrijk Gods niet zien". Nikodemus zei tot hem: "Hoe kan een mens verwekt worden als hij oud is? Hij kan toch niet een tweede maal in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden?" Yeshua antwoordde: "Voorwaar, voorwaar, ik zeg je: indien iemand niet verwekt wordt uit water en geest, kan hij niet binnengaan in het koninkrijk van God. Wat uit het vlees verwekt is, is vlees; en wat uit de geest verwekt is, is geest. Verwonder je niet dat ik tot je zei: Jullie moeten van boven verwekt worden".
(Jh 3:1-7)

Daarmee krijgt ook vers 14 van hoofdstuk 1 in de Hebreeënbrief zijn volle betekenis: Met hen die redding gaan beërven wordt gedoeld op de Hebreeën die in Yeshua de nieuwe geboorte van de geest ervaren en daardoor in de positie komen om tezamen met hem Psalm 8 volledig te vervullen (Ez 11:17-20). Op de toekomstige bewoonde aarde zullen zij het koninkrijk voor Israël naar de mensen der Heidenvolken toe dienen en vertegenwoordigen. Als de voorzegde koninklijke priesterschap zullen zij dan tot zegen voor de gojim [Heidenen; de mensen der natiën] kunnen worden.
Vergelijk: Gn 22:18; Ex 19:5-6; Jh 4:22; Op 20:6.

 

Επρεπεν γαρ αυτω, δι ον τα παντα και δι ου τα παντα, πολλους υιους εις δοξαν αγαγοντα τον αρχηγον της σωτηριας αυτων δια παθηματων τελειωσαι.

10 Want het paste hem, om wie alle dingen zijn en door wie alle dingen zijn, aangezien hij vele zonen tot heerlijkheid wilde leiden, de Bewerker van hun redding door lijden tot volmaaktheid te brengen.

De apostel legde in het vorige vers (9) uit dat het lijden van Yeshua, resulterend in zijn dood, voor God reden was om zijn Zoon met heerlijkheid en eer te kronen. En terecht, want de onschuldige Yeshua stierf aldus plaatsvervangend voor de gehele Adamitische mensheid; principieel werd het oordeel dat in Adam op ons rustte, toen van ons weggenomen. Het is precies zoals Johannes in zijn Evangelie stelt:

Want God zond de Zoon niet naar de wereld uit opdat hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door hem gered zou worden. Hij die geloof oefent in hem, wordt niet geoordeeld. Hij die geen geloof oefent, is reeds geoordeeld, omdat hij geen geloof heeft gesteld in de naam van de Enigverwekte Zoon Gods.
(Jh 3:17-18)

En nu voegt de apostel er aan toe dat dit voor de heilige en rechtvaardige God passend was om zó, en niet anders, te handelen; het was volkomen in overeenstemming met zijn wezen. Waarom?
Primair omdat het leven dat in Adam verloren was gegaan slechts teruggekocht kon worden door het verschaffen van een losprijs van overeenkomstige waarde. Alleen de zondeloze Yeshua, de laatste Adam, kon daarin voorzien.
De rechtvaardige beginselen welke aan die procedure ten grondslag liggen, treffen we onder meer aan in Ex 21:23 (ziel voor ziel); Mt 20:28 (om zijn ziel te geven als losprijs); 1Tm 2:3-6.

Daarnaast noemt onze Brief andere, aanvullende redenen, te beginnen met het vers onder beschouwing.
God heeft zich in zijn voornemen ten doel gesteld vele zonen tot heerlijkheid te brengen, of te leiden. Zoals we al eerder uit het contextuele verband concludeerden, had God daarmee hen op het oog die op de aanstaande bewoonde aarde het koninkrijk Gods naar de mensheid toe zullen vertegenwoordigen, en dat in nauwe verbondenheid met hun Masjiach.

Welnu, in de procedure die tot hun heerlijkheid moet leiden, dacht het God goed zijn Zoon daarin een centrale rol te laten vervullen, niet alleen door het vrijkopende offer te verschaffen maar ook door als Leidsman of Bewerker van hun redding op te treden. Om die toewijzing, in feite een hogepriesterlijke taak, met compassie te vervullen had hij zelf opleiding op aarde nodig. Hij moest eerst zelf een loopbaan volgen waarin hij veel zou moeten verduren, waaronder de hardnekkige tegenstand en tegenspraak van zijn eigen, zondige volksgenoten en tenslotte de schande van een dood aan een martelpaal (Hb 12:1-3).
In feite is de apostel bezig al richting de verzen 17-18 te werken, waar slotconclusies worden geformuleerd:

Vandaar dat hij in alle opzichten aan de broeders gelijk moest worden gemaakt, opdat hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou worden in de dingen die God betreffen, om verzoening te doen voor de zonden van het volk. Want doordat hij zelf heeft geleden toen hij beproefd werd, kan hij hen die beproefd worden, helpen.

Zie ook Hb 4:15-16 en 5:8-9.

 

ο τε γαρ αγιαζων και οι αγιαζομενοι εξ ενος παντες∙ δι ην αιτιαν ουκ επαισχυνεται αδελφους αυτους καλειν, λεγων,
Απαγγελω το ονομα σου τοις αδελφοις μου,
εν μεσω εκκλησιας υμνησω σε∙
και παλιν,
Εγω εσομαι πεποιθως επ αυτω∙
και παλιν,
Ιδου εγω και τα παιδια α μοι εδωκεν ο θεος.

11-13 Want zowel hij die heiligt als zij die geheiligd worden, [stammen] allen uit één; om welke reden hij zich niet schaamt hen broeders te noemen, zeggend:

Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen,
in het midden der Gemeente zal ik u lofzingen

En wederom:
Ik zal mijn vertrouwen stellen op hem.
En wederom:
Zie, ik en de kinderen die God mij gegeven heeft.

Merk op dat Yeshua van object - de bewerker van hun redding - subject is geworden: hij die heiligt. Ten einde in Gods voornemen de redding van zijn (Joodse) broeders te bewerken en hen tot heerlijkheid te leiden - d.i. hen tot een positie van uitnemendheid als Gods zonen te brengen - moeten zij geheiligd worden.
Heiliging
is voor de Hebreeën geen onbekend idee, integendeel; wanneer Israëlieten binnen het Oude Verbond tot God wilden naderen, dan moest al het onreine van hen worden weggedaan. Zij moesten geheiligd worden om maar enigszins in de nabijheid van hun door en door heilige God te kunnen komen (Ex 19:10-14; Lv 19:1-2; 20:26; 1Pt 1:15-16).

Als gesetteld volk heiligde de priester de Israëlieten met uiterlijke middelen - het bloed van bokken en stieren (Hb 9:13) - maar binnen het Nieuwe Verbond zal Yeshua als Koning-hogepriester optreden en zijn (Joodse) broeders heiligen krachtens het betere slachtoffer van zijn eigen ziel, aangezien hij (ook) voor hen de dood smaakte (vers 9).
In Hb 13:12 zullen we lezen dat Yeshua, om het volk met zijn eigen bloed te kunnen heiligen, buiten de poort heeft geleden. Zie ook Hb 10:10, 14, 29.

Terwijl de apostel in zijn Brieven aan de (overwegend Heidenssamengestelde) Christelijke gemeentes geregeld spreekt over gerechtvaardigd worden uit geloof, laat hij die formulering in onze Brief geheel achterwege en legt hij alle nadruk op het naderen van God op grond van heiliging (Rm 1:17; Gl 3:11).
Weliswaar gebruikt Paulus óók in Hb 10:38 de door hem veel gebruikte, aan de profeet Habakuk ontleende zinsnede De rechtvaardige, door geloof zal hij leven, maar dáár in het eigenlijke contextuele verband bij de profeet: Niet terugschrikken voor de vreeswekkende 'Chaldeeër', de Antichrist van de Eindtijd (Hk 1:5 – 2:5; Hb 10:36-39).

 

Zie: Niet terugdeinzen bij de Antichrist


Dit laat wederom uitkomen dat het 'plaatje' in Hebreeën Joods georiënteerd is.

Zowel hij die heiligt als zij die geheiligd worden, [stammen] allen uit één…
Door zijn lijden is Yeshua bron geworden van de heiliging van zijn Joodse broeders, want dat is precies het punt dat Paulus te kennen geeft door zijn vermelding dat zij allen uit één [stammen].
Hoewel het waar is dat de Masjiach en zijn broeders als zonen beide hun oorsprong in God hebben (
Dt 14:1), is het ook waar dat beide hun afstamming kunnen terugvoeren op één gemeenschappelijke voorvader, Abraham.
Dat we de frase aldus moeten opvatten blijkt uit:

a De citaten die volgen.
b Omdat in het voorafgaande is aangetoond dat de Joodse Heiligen in verbondenheid met hun Masjiach leiding zullen hebben op de toekomstige bewoonde aarde.
c Zo meteen, in de verzen 16 en 17, zal worden verwezen naar Abrahams nageslacht (zaad) in het vlees, het Joodse volk.

De apostel lijkt Js 51:1-2 in gedachten te hebben gehad:

Luistert naar mij, gij die rechtvaardigheid najaagt, gij die YHWH zoekt. Ziet naar de rots waaruit gij gehouwen zijt, en naar de uitholling van de put waaruit gij gegraven zijt. Ziet naar Abraham, uw vader, en naar Sara, die u baarde. Want hij was één toen ik hem riep, en ik ging ertoe over hem te zegenen en hem tot velen te maken.

 

Abraham was één toen God hem riep; alleen derhalve, één enkel persoon, maar hij zou door Gods zegen talrijk, tot velen gemaakt worden. Het εις [één] in de LXX wordt bij Paulus in de genitief (vanwege εξ) ενος [één].

Om zijn bewering kracht bij te zetten dat Yeshua en zijn broeders een gemeenschappelijke achtergrond hebben als het zaad ter zegening dat aan Abraham beloofd was, citeert de apostel eerst uit de bekende messiaanse Psalm 22:23 >
Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der Gemeente zal ik u lofzingen.
Op de vooravond van zijn dood kon Yeshua in zijn gebed tot zijn Vader verklaren dat hij precies dát had gedaan (Jh 17:6).

Toen hij op aarde zijn bediening volbracht erkende Yeshua dat de natie van het natuurlijke besneden Israël de Gemeente van God, YHWH, was. En de apostel laat nu uitkomen dat daarin met het aanbreken van het Messiaanse tijdperk geen verandering was gekomen.

Paulus ondersteunt geen substitutietheologie of vervangingsleer. Er zouden in Gods voornemen twee Gemeenten verschijnen teneinde voor de tegenbeeldige Tabernakel, de Tempelstad Nieuw Jeruzalem, de priesters [de hemelse, Christelijke Gemeente] en de Levieten [de aardse, Joodse Gemeente] te verschaffen.

 

Zie: Nieuw Jeruzalem - De Heilige Stad

Ik zal mijn vertrouwen stellen op hem…
en: Zie, ik en de kinderen die God mij gegeven heeft…
Hoewel beide citaten uit Jesaja 8 komen, respectievelijk
de verzen 17 en 18, worden zij hier door και παλιν [en wederom] met elkaar verbonden om de pregnantie van elk afzonderlijk goed te laten uitkomen.

In het achtste hoofdstuk wordt profetisch de samenzwering aangekondigd die de Assyriër, de Antichrist van de Eindtijd, op touw zet. Van de zijde van die "machtige en de vele wateren van de Rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid", zal het Joodse Overblijfsel het zwaar te verduren krijgen, zoals we in de vv 7 en 8 lezen (nbg):

Deze zal buiten al zijn beddingen stijgen en buiten al zijn oevers rijzen,
binnendringen in Juda, overstromen en steeds verder om zich heen grijpen, reiken tot aan de hals; ja,
zijn uitgespreide vleugelen zullen de breedte van uw land vullen, o Immanuël.

Daarop zegt Jesaja (in 8:17 en 18):

Ik blijf op YHWH vertrouwen; op hem blijf ik hopen, al verbergt hij zich voor Jakobs huis! Zie, ik en de kinderen, die YHWH mij gaf, zijn tekens en zinnebeelden in Israël, gegeven door YHWH der heirscharen, die woont op de Sion.

In de 70ste Jaarweek zullen Yeshua en zijn Joodse broeders die woorden vervullen. Zij zullen voor etnisch Israël dat, afgezien van een gelovige Rest, tot het einde zal voortgaan in haar verharding jegens de ware Masjiach, tot tekenen en wonderen gemaakt worden.
Dan zullen de speciale namen die Jesaja aan zijn kinderen moest geven, hun volle profetische betekenis krijgen:

Schear-Jaschub [ Rest terug ]; zie
Js 7:3; 10:21-22.

Immanuël [ Met ons God ];
Js 7:14; 8:8; Mt 1:23.

Maher-Schalal-Chaz-Baz [ Haastig buit spoedig roof ];
Js 8:1, 3.

De Rest van Israël die tot geloof in de Masjiach komt en bijgevolg terugkeert tot hernieuwde gehoorzaamheid aan God, zal iets wonderlijks worden voor de wereld. In hen zullen mensen der Heidenvolken onderscheiden met wie precies God in gunst zal zijn. Door zich om die reden bij een man die een Jood is aan te sluiten, zullen zij de gelegenheid ontvangen om Yeshua’s (Joodse) broeders van de Eindtijd goed te doen en hulp te bieden tijdens de Grote Verdrukking die de Antichrist met zijn aanhang over hen zal brengen. Vergelijk Zc 8:23; Mt 24:15-22; 25:34-40.

Maar ook aan de ongelovige Joden zal zich een wonderteken voltrekken. Door zich over te geven aan het spiritisme van de demonische Antichrist, zullen zij tot buit en roof worden (
Js 8:19-22).
Dat Yeshua zich in die cruciale wereldperiode met zijn Joodse broeders zal identificeren, blijkt uit
Mt 25:40, 45, en komt overeen met het feit dat de apostel in onze Brief de woorden van Jesaja op de lippen van de Masjiach legt.

 

επει ουν τα παιδια κεκοινωνηκεν αιματος και σαρκος, και αυτος παραπλησιως μετεσχεν των αυτων, ινα δια του θανατου καταργηση τον το κρατος εχοντα του θανατου. τουτ εστιν τον διαβολον, και απαλλαξη τουτους, οσοι φοβω θανατου δια παντος του ζην ενοχοι ησαν δουλειας.

14-15 Daar dan de kinderen aan bloed en vlees deelachtig zijn, kreeg ook hijzelf op bijna gelijke wijze daaraan deel, opdat hij door de dood hem machteloos zou maken die het geweld des doods bezit, dat is de Duivel, en dezen zou bevrijden, zovelen als door vrees van de dood hun leven lang aan slavernij onderworpen waren.

De twee verzen worden het best begrepen vanuit hetgeen voorafging. Yeshua heeft principieel voor elk mens de dood gesmaakt. Daardoor kon hij de bewerker van redding worden van allen die God in zijn voornemen tot de heerlijkheid van het zoonschap bestemde, in de context geparticulariseerd tot hen die zaad van Abraham zijn, zelfs nog verder toegespitst op die Joodse broeders van de Masjiach die God hem als 'kinderen' schonk, zodat zij tezamen met hem in de Eindtijd tot tekenen en wonderen kunnen worden binnen een hersteld Israël.

Op de weg daarheen vormt de Duivel, de mensendoder van het begin af, een groot obstakel. Al vroeg kwam dat aan het licht in het Bijbelboek Job, waarin het lijden van Israël tevoren werd uitgebeeld in het beproevingsvolle lijden van Gods knecht Job. Vergelijk Jb 1:8; 2:3; 42:7-8 met Js 41:8-9. Zie: Toelichting Js 41:8-9.

Direct bij het begin van het Boek Job is het duidelijk dat er een strijdvraag bestaat tussen God en de Satan welke aldus geformuleerd zou kunnen worden: Is Gods soevereine heerschappij rechtmatig en zal de mens onder beproeving God trouw blijven en aan Gods recht vasthouden?
Eigenlijk lag de oorsprong van die strijdvraag al in Eden. Satan betichtte God rechtstreeks van een leugen door te zeggen dat noch Eva’s leven noch dat van Adam van gehoorzaamheid aan God afhing. God onthield zijn schepselen iets goeds: Het vermogen om hun eigen maatstaven in het leven te bepalen. Hij slaagde erin Eva te doen geloven dat zij beter af zou zijn als zij haar eigen beslissingen nam, het primaire punt in de strijdvraag: Betwisting van de rechtmatigheid van Gods soevereiniteit.

Satans aanval op Gods soevereiniteit bleef niet beperkt tot Eden.
Hij had immers een schijnbaar succes behaald. Hij kon er nu toe overgaan de loyaliteit van al Gods andere schepselen in twijfel te trekken, een nauw verwant tweede strijdpunt. Niet alleen Adams nakomelingen, maar ook al Gods geestenzonen en zelfs Gods geliefde eerstgeboren Zoon raakten betrokken bij Satans uitdaging.
En dat nu werd duidelijk in de dagen van Job. 
Tegenover YHWH beweerde Satan dat zij die God dienen, dit niet doen uit liefde voor hem, noch omdat zij ingenomen zouden zijn met de wijze waarop hij heerschappij voert, maar geheel om zelfzuchtige redenen. Als zij aan beproevingen worden onderworpen, zwichten allen voor zelfzuchtige verlangens.
In die strijdvraag blijkt Satan in het bezit te zijn van een krachtig machtsmiddel,
het geweld des doods:

Op de dag dat de hemelingen gewoonlijk bij YHWH hun opwachting maken, kwam Satan weer met hen mee om ook zijn opwachting te maken. En YHWH zei tot Satan: 'Waar ben je allemaal geweest?' 'Ik heb rondgezworven over de aarde,' antwoordde Satan. 'Wel,' vroeg YHWH, 'heb je ook gelet op Job, mijn dienaar? Op aarde is er geen tweede zoals hij, onberispelijk, rechtschapen, hij vreest God en houdt zich ver van het kwaad. Zijn leven is nog altijd even onberispelijk, zelfs nadat je Mij hebt overgehaald hem zonder enige aanleiding te ruineren.' Satan gaf ten antwoord: 'Dat is hem zijn huid wel waard! Want alles wat een mens bezit geeft hij graag in ruil voor zijn leven. Maar pak hem eens aan, tref hem in zijn gezondheid: wedden dat hij U vloekt in uw gezicht.'
(Jb 2:1-6)

Mijn knecht Job, zoals God zelf hem noemde, bleef loyaal aan YHWH, ook al wankelde hij soms. Voor hem was het onbegrijpelijk waarom juist hij zoveel lijden moest doormaken, degene die door God zelf werd omschreven als: zo onberispelijk en rechtschapen, die God vreest en het kwaad schuwt.
Wat rechtschapenheid betreft, was er toentertijd zelfs niemand op aarde als hij.
Omdat hij niet kon weten wat zich, onzichtbaar voor hem, in de hemelsferen afspeelde, vroeg Job zich voortdurend af wat God toch met hem voor had. Zag hij dan niet hoe rechtvaardig hij, Job, wel was! Bijna gaf hij God de schuld van alles.
Vergelijk
Jb 27:2; 32:2; 33:8-11.

Met de hulp van Elihu, maar ook doordat God zelf vanuit een storm tot hem sprak, kwam Job tot het juiste inzicht en bijgevolg tot inkeer. Of hij daarbij ook begrepen heeft dat God toestaat dat juist het allerbeste wat hij op aarde heeft, door Satan tot het uiterste beproefd mag worden, weten wij niet. In ieder geval toonde hij berouw "in stof en as". Bijgevolg werd hij in zijn vroegere waardigheid hersteld. Ja, hij ontving
dubbel terug (Jb 42:6, 10).

Het lijden van Israël door de eeuwen heen, dat (voorlopig) zijn climax bereikte met de Holocaust, tekende zich al af in het lijden van
mijn knecht Job.
Het getrouwe deel van Israël zal er mettertijd van kunnen getuigen dat het hun evenzo is vergaan als Job, zowel in lijden als in herstel.
En precies zoals Elihu Job 'oprichtte' door hem te informeren omtrent de verhouding tot YHWH Elohim die voor hem gepast was - geen eigen rechtvaardigheid - zo zal ook Yeshua, Israëls eigen Masjiach, een Overblijfsel oprichten en tot God terugbrengen (
Js 49:6).

Hij is als geen ander daartoe in staat, want naar de voorzegging in
Gn 3:15 bleek hij tijdens zijn bediening op aarde in de eerste plaats het voorwerp van vijandschap [de betekenis van de naam Job] van de Duivel te zijn. Zoals hij was er beslist helemaal niemand op aarde.
Satans vijandschap leidde er uiteindelijk toe dat Yeshua door zijn toedoen werd gedood; zoals God al had voorzien:
in de hiel vermorzeld.
Maar daarmee verschafte hij aan zijn Vader tevens het antwoord waarmee deze in de strijdvraag de hoon van Satan definitief kan beantwoorden:

Wees wijs, mijn zoon, en verheug mijn hart, opdat ik een antwoord heb voor wie mij hoont (Sp 27:11).

Yeshua gaf volledig gehoor aan die oproep – en van groot belang - in zijn positie als het voornaamste lid van Gods uitverkoren volk Israël.
Dáárom kan er herstel voor Israël aanbreken en dáárom kan in haar alsnog
Ex 19:5-6 vervuld worden: In het Millennium dienen als een heilig volk, als een koninkrijk van priesterlijke zonen die tot heerlijkheid zijn geleid (Op 20:6).
En ook dáárom wordt tenslotte, bij de oprichting van het Messiaanse Rijk, alle macht aan Satan ontnomen en gegeven aan
het volk der Heiligen van de Allerhoogste (Op 11:15-17; 12:7-12):

En het koningschap en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel werden gegeven aan het volk der Heiligen van de Allerhoogste. Zijn koninkrijk is een eeuwig koninkrijk, en alle heerschappijen zullen hém dienen en gehoorzamen.
(Dn 7:27)
       

Opdat hij door de dood hem machteloos zou maken die het geweld des doods bezit, dat is de Duivel…
Een wonderlijke paradox: In het machtsmiddel dat Satan hanteert,
het geweld des doods, daarin juist is hijzelf overwonnen, door de dood van de Zoon. Want in alle opzichten vervulde de Zoon daarmee Gods voornemen:

De strijdvraag werd definitief beslecht:

Gods heerschappij werd gerechtvaardigd. De rechtschapenheid van de Mensenzoon, waarin hij de hele mensheid en met name Israël vertegenwoordigde, kon niet gebroken worden.

● De mensheid werd losgekocht van de Adamitische dood:

Zij die in geloof daarop reageren worden ontrukt aan de slavernij waaraan zij hun leven lang onderworpen waren; zij ervaren nu reeds een geestelijke bevrijding van de dreiging die de dood voor alle mensen inhoudt.

 

De Joden als etnisch volk hebben die bevrijding nog steeds niet ervaren, en hoewel het niet met zoveel woorden in ons tekstdeel wordt gezegd, mag blijkbaar wel de conclusie worden getrokken dat slavernij aan vrees voor de dood bij sommigen van hen weerspiegeld wordt in hun ijverige Wetbetrachting.

In lichtende tegenstelling daarmee wordt ons in Op 12:10-11 bij voorbaat getoond dat de Joodse Rest van de Eindtijd juist op grondslag van hun geestelijke bevrijding eveneens een antwoord aan Satan zal kunnen geven, daarmee tonend dat zij Masjiach Yeshua in geloof hebben omarmd:

En ik hoorde een grote stem in de hemel, zeggend: Thans is geschied de redding en de kracht en het koninkrijk van onze God en de macht van zijn Masjiach, aangezien de Beschuldiger van onze broeders die hen dag en nacht voor onze God beschuldigt, werd neergeworpen. En zij hebben hem overwonnen wegens het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun ziel niet liefgehad tot de dood.

● Satan kan daarom met recht uit zijn positie worden gezet.

● De mensheid kan in het Millennium worden opgewekt om, volgens eigen keuze, het werkelijke leven te ontvangen, daarin bijgestaan door het aardse zaad van Abraham. Zie:
De schepping in barensnood

 

ου γαρ δηπου αγγελων επιλαμβανεται, αλλα σπερματος Αβρααμ επιλαμβανεται.

16 Want waarlijk, engelen komt hij niet te hulp, maar zaad van Abraham komt hij te hulp.

Eindelijk geïdentificeerd! Met hen die tot nu toe werden aangeduid als


- vele zonen die tot heerlijkheid moesten worden geleid (v 10);
- zij die geheiligd worden (v 11);
- mijn broeders, behorend tot de Gemeente in welks midden de Masjiach verbleef (v 12);
- de kinderen die God Yeshua schonk (v 13);


had de apostel steeds Abrahams zaad naar het vlees in gedachten.
En hén komt Yeshua, de Hogepriester, te hulp.

Het werkwoord επιλαμβανομαι, dat hier tweemaal gebruikt is, heeft met de genitief de betekenis van iemand of iets (vast)grijpen, in de zin van hulp bieden; bijstand verlenen; zich het lot aantrekken; zich bekommeren om. Ook in
8:9 zal het door de apostel in die betekenis worden gebruikt. Vergelijk Mt 14:31, Yeshua die de angstige Petrus vastgreep.

Engelen komt hij niet te hulp, maar zaad van Abraham…
Waarom? Omdat God in zijn voornemen de toekomstige bewoonde aarde
niet aan engelen onderwierp, maar aan Abrahams zaad: Yeshua en, in verbondenheid met hem, zijn (Joodse) broeders. Want hun geldt de belofte dat in het zaad van de patriarch de Heidenen gezegend zullen worden.
Het vers komt qua samenstelling sterk overeen met vers 5:
Want niet aan engelen onderwierp hij de toekomstige bewoonde aarde waarover wij spreken.

Zoals we zagen hebben de Joodse getrouwen van Abrahams zaad veel hulp of bijstand nodig. Evenals alle andere mensen worden zij, als Adams afstammelingen, in zonde geboren. Daarom ook, hebben zij - weer precies als alle anderen - het bevrijdende effect van het plaatsvervangend sterven van hun Masjiach nodig. Eerst dan kunnen zij verder geleid worden op de weg naar de heerlijkheid van het zoonschap en de heiliging ervaren.
In Openbaring, hoofdstuk 7, zien wij het eindresultaat: Abrahams niet te tellen zaad, teruggebracht uit de diaspora, vóór de troon van God, dienst verrichtend als een heilige priesterschap in Gods Tempelstad:

Na deze dingen zag ik en zie! Een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle Heidenvolken en stammen en volken en talen, staande vóór de troon en vóór het Lam, gehuld in witte gewaden en palmtakken in hun handen. En zij roepen luidkeels, zeggend: De redding [behoort] aan onze God die op de troon zit en aan het Lam… En één uit de Oudsten antwoordde, zeggend tot mij: Dezen die getooid zijn in de witte gewaden, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen? En ik zei tot hem: Mijn Heer, gij weet [het]. En hij zei tot mij: Dezen zijn zij die komen uit de Grote Verdrukking, en zij hebben hun gewaden gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam. Daarom zijn zij voor de troon van God en verrichten zij voor hem dag en nacht heilige dienst in zijn tempelheiligdom. En hij die op de troon zit zal zijn tent over hen vestigen. Zij zullen geen honger of dorst meer hebben; de zon noch enige andere hitte zal op hen vallen. Want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen geleiden naar bronnen van wateren des levens. En God zal elke traan uit hun ogen wegwissen.

Er zijn weliswaar ook zondige engelen, maar die hebben zich, elk afzonderlijk, bewust tegen God gekeerd. Een geheel andere situatie daarom dan de zondige mensheid die buiten haar wil aan ijdelheid - de slavernij van het verderf - werd overgegeven. De leden van de mensheid krijgen daarom de gelegenheid zich het verzoenend offer van de Masjiach ten nutte te maken en uiteindelijk de glorierijke vrijheid te verwerven die bij ware kinderen van God hoort (Rm 8:20-21).
Voor de engelen die zondigden geldt echter dat God hen
tot het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaart (Judas 6).

 

οθεν ωφειλεν κατα παντα τοις αδελφοις ομοιωθηναι, ινα ελεημων γενηται και πιστος αρχιερευς τα προς τον θεον, εις το ιλασκεσθαι τας αμαρτιας του λαου∙ εν ω γαρ πεπονθεν αυτος πειρασθεις, δυναται τοις πειραζομενοις βοηθησαι.

17-18 Vandaar dat hij in alle opzichten aan de broeders gelijk moest worden gemaakt, opdat hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou worden in de dingen die God betreffen, om verzoening te doen voor de zonden van het volk. Want doordat hijzelf heeft geleden toen hij beproefd werd, kan hij hen die beproefd worden, helpen.

Eigenlijk zijn de zaken die in deze afsluitende verzen aan de orde komen, al in het voorafgaande gedeelte benoemd. Yeshua’s positie als de nieuwe Hogepriester - het centrale thema van onze Brief - komt hier, zoals het sommigen misschien toeschijnt, dan ook niet 'uit de lucht vallen'. Al bij de vv 10 en 11 stelden we vast dat de taak om vele zonen tot heerlijkheid te brengen door heiliging, een priesterlijke taak is.
En ook het doel van de incarnatie was daar reeds in beeld: Aan de broeders gelijk worden door deel te krijgen aan bloed en vlees teneinde door lijden de geschiktheid te verwerven voor de Hogepriesterlijke toewijzing. Dat dit hem tevens de gelegenheid bood verzoening te doen voor de zonden van het volk - door het ten offer brengen van zijn eigen ziel - was in vers 9 eerder aldus aangegeven: door Gods liefderijke gunst voor ieder de dood smaken.

Overigens moeten we de frase - in alle opzichten aan de broeders gelijk gemaakt - beslist relativeren, maar ook dat had de apostel al te kennen gegeven in vers 14 door te schrijven: Daar dan de kinderen aan bloed en vlees deelachtig zijn, kreeg ook hijzelf op bijna gelijke wijze daaraan deel. 


Bij de incarnatie nam Yeshua de menselijke natuur aan. Zeker!

Maar…, hij kreeg geen deel aan onze erfenis van Adam. Wel menselijk, maar niet zondig en niet onderhevig aan onze ziektes die het gevolg zijn van onze 'slavernij aan het verderf'.
Vergelijk dit met
Hb 4:15, waar in alle opzichten eveneens door de apostel wordt gerelativeerd door de toevoeging: maar zonder zonde.
Als degene die volkomen vrij was van de zonde en ook daarvan vrij bleef, kon Yeshua de Verlosser van de gehele mensheid worden, plaatsvervangend voor haar sterven:
Voor ieder de dood smaken (vers 9).


Maar ofschoon Yeshua voor ieder de dood smaakte, beperkt de apostel zich in onze Brief tot het Joodse volk; hij gaat voorbij aan de wereld daarbuiten. Veeleer stelt hij zich op het oude standpunt dat de wereld tot op de komst van de Masjiach verdeeld was in twee groepen: Gods uitverkoren volk enerzijds en de Heidenwereld anderzijds. En tot op de dag van vandaag geldt voor een orthodoxe Jood dat in die situatie geen verandering is gekomen.

Zelfs de apostel gaat, om zijn doel in deze Brief te bereiken, geheel voorbij aan 1Ko 10:32, waaruit kan worden afgeleid dat sinds de Eerste eeuw in werkelijkheid de tweedeling tot een driedeling is geworden: Joden, Heidenen, Christenen.

 

Dat bij de Opname de oorspronkelijke tweedeling terugkeert wordt onder meer duidelijk in de parabel der schapen en bokken in Mt 25. De Heidenschapen worden aan de rechterhand van de koning geplaatst en de Heidenbokken aan zijn linkerhand, en waarom? Omdat zij goed deden, of dat juist nalieten, jegens de Joodse broeders van de Masjiach, degenen op wie in de Eindtijd duidelijk Gods gunst zal rusten (Zc 8:23).
Die toekomstige situatie in aanmerking nemend verschaft een en ander ons een extra reden voor de veronderstelling dat Hebreeën vooral bedoeld is voor de Joodse Rest die in die cruciale wereldperiode op het religieuze toneel in het brandpunt zal staan.


Vandaar dat hij in alle opzichten aan de broeders gelijk moest worden gemaakt…om verzoening te doen voor de zonden van het volk…
Vandaar slaat terug op de vermelding in vers 16 dat Yeshua uitsluitend Abrahams zaad te hulp komt, het zaad waartoe hij zelf behoort evenals zijn (Joodse) broeders [allen stammen uit één; vers 11].
En juist die omstandigheid plaatst hem in de positie
verzoening te bewerken voor de zonden van het volk, d.i. zijn eigen, Joodse volk. Want een primaire vereiste die in de Wet aan een Losser, of Terugkoper, werd gesteld was het feit dat hij tot dezelfde familie behoorde van degene die moest worden vrijgekocht; hij moest een bloedverwant zijn.


Om die reden verheugde Naomi zich zeer dat Ruth bij het aren lezen 'bij toeval' in nauw contact was gekomen met Boaz: "De man is aan ons verwant, hij is één van onze lossers" (
Rt 2:2-20; 3:12-13; 4:1-10, 14-15).

Zie: Ruth en de Antichrist

Dit verklaart alle gebezigde uitdrukkingen in de onmiddellijke context:
- zowel hij die heiligt als zij die geheiligd worden, [stammen] allen uit één;
- ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen;
- ik en de kinderen die God mij gegeven heeft;
- daar dan de kinderen aan bloed en vlees deelachtig zijn, kreeg ook hijzelf op bijna gelijke wijze daaraan deel;
- vandaar dat hij in alle opzichten aan de broeders gelijk moest worden gemaakt.
En waarom?

Om verzoening te doen voor de zonden van het volk! Want dit werd slechts mogelijk door Yeshua’s eenheid met hen. Toen de Masjiach één werd met zijn volk werd hun schuld de zijne. Profetisch was hem dit al in het vooruitzicht gesteld:

Want rampspoeden hebben mij omgeven totdat ze niet meer te tellen waren. Meer dwalingen van mij hebben mij achterhaald dan ik kon overzien; ze werden talrijker dan de haren van mijn hoofd, en mijn eigen hart heeft mij verlaten (Psalm 40).
Hij werd onder de overtreders geteld; en hijzelf droeg van velen de zonde, en voor de overtreders ging hij bemiddelen (Jesaja 53).
O zwaard, ontwaak tegen mijn herder, ja, tegen de fysiek sterke man die mijn metgezel is, is de uitspraak van YHWH der legerscharen. Sla de herder, en laten de [schapen] van de kudde verstrooid worden; en ik zal stellig mijn hand doen terugkeren over hen die onbetekenend zijn (Zacharia 13).
Hij die zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard (Romeinen 8).

Waarom spaarde God zelfs zijn eigen Zoon niet? Omdat de zonden van zijn volk met wie hij één was, op hém werden gevonden. Dáárom ontwaakte Gods zwaard tegen de Zoon, zijn metgezel! Want in diens verbondenheid met zijn volk werd hij schuldig verklaard.
In Rm 3:19-26 schreef de apostel in algemene zin dat God, door de kwestie van verlossing aldus aan te pakken, zijn eigen rechtvaardigheid kenbaar heeft gemaakt:

Wij weten echter dat alle dingen die de Wet zegt, tot hen spreekt die onder de Wet zijn, opdat elke mond gestopt en de hele wereld strafwaardig voor God wordt. Daarom zal uit werken der Wet geen vlees voor zijn aangezicht gerechtvaardigd worden. Door [de] Wet is immers precieze kennis van zonde.

Maar nu is buiten [de] Wet om Gods rechtvaardigheid geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten wordt getuigd, namelijk Gods rechtvaardigheid wegens getrouwheid van Yeshua Masjiach voor allen die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen zondigden en komen tekort aan de heerlijkheid Gods, en naar zijn liefderijke gunst worden zij vrijelijk gerechtvaardigd door de verlossing die in Masjiach Yeshua [is]. Hem stelde God als verzoendeksel door het geloof in zijn bloed, tot betoon van zijn rechtvaardigheid, door voorbij te gaan aan de zonden die vroeger hadden plaatsgevonden tijdens de verdraagzaamheid van God. Hij deed dit om zijn rechtvaardigheid te tonen in deze tijd, opdat hijzelf rechtvaardig is én hem rechtvaardigt die uit [de] getrouwheid van Yeshua [is].


Want doordat hijzelf heeft geleden toen hij beproefd werd, kan hij hen die beproefd worden, helpen.
Hierin lezen wij nog een reden waarom God de toekomstige bewoonde aarde in zijn voornemen niet onderwierp aan engelen, maar aan Abrahams zaad, Yeshua voorop.

Zowel Yeshua als zijn broeders weten wat het inhoudt lijden te verduren onder beproevingen; om zowel fysieke als emotionele pijnen te doorstaan. Engelen hebben dergelijke zaken nimmer ervaren.
En zoals dit Yeshua geschikt maakte om als een barmhartig, meelevend Hogepriester op te treden jegens zijn volk, kunnen zijn broeders op hun beurt geschikte, meevoelende koningpriesters worden voor al die mensen met hun vele achtergronden die in het Millennium door opstanding voor de Grote Witte Troon zullen verschijnen (
Op 20:6, 11-15)

 

Eerst in Hb 4:14 zal de apostel opnieuw de aandacht van zijn lezers op deze nieuwe Hogepriester in Gods regeling richten.  

 

Hebreeën 3

 

2. De Masjiach verheven boven Mozes, Jozua (3:1 – 4:13)

 

a. Superieur aan Mozes in Gods Huis (3:1–6)


Οθεν, αδελφοι αγιοι, κλησεως επουρανιου μετοχοι, κατανοησατε τον αποστολον και αρχιερεα της ομολογιας ημων Ιησουν,

 1
Dientengevolge, heilige broeders, deelgenoten ener hemelse roeping, beschouwt aandachtig de apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Yeshua,

Zoals gebruikelijk volgt ook nu na de leerstellige uiteenzetting (2:5-18) een, overigens beargumenteerd, vermanend gedeelte (3:1 - 4:14).

De introductie van de Hogepriester volgens de nieuwe ordening in het vorige vers, doet de auteur terugdenken aan de oude regeling onder de Wet. En dat brengt hem als vanzelfsprekend de grote figuur van de Wet, de man Mozes, voor de geest.
Bij nadere beschouwing blijkt zelfs dat de Wet, opgevat in de ruimste zin - bestaande uit de eerste vijf Bijbelboeken, de Pentateuch, door Mozes op schrift gesteld - bron is voor nagenoeg alles wat nog zal volgen in de Brief. Reden te meer voor de apostel om nu de twee Middelaars te vergelijken, van respectievelijk het Oude- en het Nieuwe Verbond, nadat hij in de proloog de Profeten en vervolgens ook de engelen tegenover de Zoon plaatste.

Vanzelfsprekend zijn de heilige broeders die nu vermaand worden om zorgvuldig de Hogepriester van de nieuwe regeling te beschouwen [κατανοεω; waarnemen; aandachtig beschouwen], de broeders uit de voorafgaande context, Yeshua’s eigen, Joodse broeders, de vele zonen die hij als hun Hogepriester in Gods voornemen tot heerlijkheid moet leiden. Reeds onder het Oude Verbond waren de Israëlieten Gods zonen:

Zonen van YHWH, jullie God, zijn jullie. Jullie mogen je omwille van een dode geen insnijdingen toebrengen, noch kaalheid op jullie voorhoofd aanbrengen. Want jullie zijn een volk, dat voor YHWH, jullie God, heilig is. Uit alle volken die op de aardbodem zijn heeft YHWH jullie uitverkoren om Hem een eigen volk te zijn.
(Dt 14:1-2)

 
Dezen zijn
deelgenoten ener hemelse roeping.

Merk evenwel allereerst het verschil op met de prijs van Gods omhoog roeping in Masjiach Yeshua, in Fp 3:14, waarmee Paulus doelde op de hemelse bestemming van de leden van Yeshua’s Gemeentelichaam.
De leden van de Joodse Gemeente hebben die bestemming niet. Zoals uitgebreid beredeneerd in het vorige hoofdstuk zullen zij tijdens het Millennium op
de bewoonde aarde van de toekomst als een Koninklijke priesterschap het Rijk van de Masjiach naar de Heidenvolken toe vertegenwoordigen.

Hun roeping moeten wij, gelet op de context van de verzen die voorafgingen en die volgen, in verband brengen met Mozes die bij de Sinaï tussen YHWH Elohim en Israël stond. Bij die gelegenheid sprak God vanuit de
επουρανιος [hemelse sfeer of -regio] tot Mozes die het volk vertegenwoordigde:

Drie maanden na hun vertrek uit Egypte, op de dag af, bereikten de Israëlieten de Sinaï-woestijn. Zij waren vertrokken uit Refidim en kwamen aan in de Sinaï-woestijn waar zij dicht bij de berg hun kamp opsloegen. Mozes ging de berg op, naar God. Toen hij boven was sprak YHWH hem daar aan en zei: "Dit moet gij zeggen tot het huis van Jakob en doen weten aan de zonen van Israël. Met eigen ogen hebt gij gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, hoe Ik u op arendsvleugelen gedragen en hier bij Mij gebracht heb. Als gij aan mijn woord gehoorzaamt en mijn verbond onderhoudt, dan zult ge - hoewel de hele aarde Mij toebehoort - van alle volken op bijzondere wijze mijn eigendom zijn. Gij zult mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn. Deze woorden moet gij de Israëlieten overbrengen". Mozes ging terug, riep de Oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat YHWH hem had opgedragen. Eenstemmig gaf het volk dit antwoord: "Alles wat YHWH zegt zullen wij volbrengen". Mozes bracht het antwoord van het volk weer over aan YHWH.
(Ex 19:1-8)

Hierover zou Stefanus later tot mede-Israëlieten zeggen dat Mozes bij die gelegenheid
met de engel op de berg was die tot hem en onze voorvaders sprak en dat hij levende uitspraken ontving om jullie te geven (Hn 7:37).
Aldus werden de Israëlieten als volk deelgenoten ener hemelse roeping. In het Grieks ontbreekt het artikel, waarmee te kennen wordt gegeven dat er ook andere roepingen met een hemelse oorsprong zijn (Rm 9:11; 11:29; Hb 5:4; 11:8).

In Hb 9:15 zullen wij nog zien dat bovenstaande visie eveneens wordt verwoord. Men lette vooral op het feit dat de geroepenen geïdentificeerd worden als degenen die zich voorheen onder het vroegere (eerste) Verbond bevonden:

En daarom is hij Middelaar van een Nieuw Verbond, opdat - nu er een dood plaatsvond tot verlossing van de overtredingen onder het eerste Verbond - de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis zouden ontvangen. 

Beschouwt de apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Yeshua…
De Masjiach wordt voorgesteld als apostel en Hogepriester. Aποστολος heeft hier de (eigenlijke) betekenis van gezondene. Op aarde was Yeshua de gezondene van de Vader. Johannes attendeert ons geregeld daarop (Jh 5:23-24; 17:3, 18). 


In zijn zending kwam ook zijn hogepriesterlijke functie tot uitdrukking. Rondwandelend in de tegenbeeldige aardse Voorhof, zag hij er nauwlettend op toe dat het lichaam dat God hem bereid had op de juiste wijze op het tegenbeeldige altaar ten offer werd gebracht (
Hb 10:5-10; 13:10). Daarom duidt de auteur hem hier aan met de naam die hij als mens droeg, Yeshua. Ook is de Hogepriester de persoon die staat tussen God en de mens en hem daarom naar God toe bemiddelt, vertegenwoordigt (Hb 5:1; 8:6).

De genitief
van onze belijdenis slaat terug op beide substantieven apostel en Hogepriester, omdat het artikel vóór het tweede niet herhaald wordt. Zij die geloof stellen in de Messianiteit van Yeshua, geven uiting aan dat geloof. Na zijn waardigheid zorgvuldig beschouwd te hebben belijden zij hem gezamenlijk als de gezondene van God in een hogepriesterlijke hoedanigheid. Vergelijk Hb 2:1.

 

πιστον οντα τω ποιησαντι αυτον ως και Μωυσης εν [ολω] τω οικω αυτου.

 2 die getrouw is aan degene die hem maakte, zoals ook Mozes in heel zijn huis.

Met Joodse mensen spreken over de man Mozes is tot op heden een gevoelige zaak gebleken. De opkomst van het Christendom, waarin Yeshua als de Masjiach en als de ware Middelaar bij God wordt beleden, heeft daartoe in niet geringe mate bijgedragen. Naarmate de Joden feller werden in hun verwerping van Yeshua, groeide hun verering van hem door wiens tussenkomst de Oude openbaring was ontvangen: Mozes, de grote leider van de Exodus en degene die bij de Sinaï tussen God en hun voorvaderen stond bij het ontvangen van de Thorah.

De geest van inspiratie lijkt met dat gegeven op delicate wijze rekening te houden. Mozes rücksichtslos afschilderen als in waardigheid ver beneden de Zoon van God staande, zou bij een Jood - voor wie alles verbonden is met deze grote figuur, heel zijn religieus leven, al zijn ideeën omtrent God, zijn verwachtingen voor de toekomst - ongetwijfeld slechts grote verontwaardiging wekken.
In volledig begrip daarvoor wijst de auteur daarom allereerst op Mozes’ getrouwheid. Zeker, de Zoon geeft ook van grote getrouwheid blijk jegens Degene die hem maakte, maar hetzelfde kan van Mozes gezegd worden.
De apostel verwijst naar Numeri, hoofdstuk 12, waar YHWH Mirjam en Aäron terechtwijst in verband met hun jaloerse houding ten opzichte van hun jongere broer Mozes:

YHWH zei onmiddellijk tegen Mozes, Aäron en Mirjam: ‘Ga met u drieën naar de tent van samenkomst.’ Zij gingen er met hun drieën heen. Nu daalde YHWH in een wolkkolom neer, nam plaats bij de ingang van de tent en riep Aäron en Mirjam, die beiden naar voren kwamen. Hij zei: ‘Luister naar wat Ik te zeggen heb. Aan uw profeten maak Ik mij in visioenen bekend en Ik spreek tot hen in dromen. Met mijn dienaar Mozes doe Ik dat niet. Hij is mijn vertrouweling, in heel mijn huis. Met hem spreek Ik van mond tot mond, duidelijk en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van YHWH. Hoe hebt u zich tegen mijn dienaar Mozes durven keren?’  
(Nm 12:4-8; wv78)

In vers 7 spreekt YHWH Elohim over de positie die hij Mozes had toevertrouwd, zijn vertrouweling, in heel mijn huis, waarschijnlijk doelend op zijn volk Israël -dikwijls ook aangeduid als het "Huis Israëls"- maar dan in zijn voornemen om dat uitverkoren volk van hem tot het aardse deel van de tegenbeeldige Tabernakel, de Tempelstad Nieuw Jeruzalem, te maken.
De apostel baseert zich weer op de LXX waar vers 7 aldus wordt weergegeven:


Ουχ ουτως ο θεραπων μου Μωυσης εν ολω τω οικω μου πιστος εστιν
Niet aldus mijn dienaar [M: ebed; knecht] Mozes; hij is getrouw in heel mijn huis

De geest van inspiratie legt alle nadruk op Mozes’ getrouwe houding; hij kweet zich nauwgezet van zijn vele verantwoordelijkheden die God de leider van zijn volk op de schouders had gelegd. Natuurlijk weten wij allen uit het zelfde Bijbelboek ook dat hij op een cruciaal moment in zijn persoonlijk geloof te kort schoot en in gebreke bleef de heiligheid van YHWH voor de ogen van het volk hoog te houden op een wijze zoals van hem verwacht had mogen worden (
Nm 20:1-13). 

Als Adamitisch mens had Mozes uiteraard zijn zwakheden, precies zoals wij allemaal. Maar nooit bleef hij in gebreke om de woorden van God gehoorzaam over te brengen, hetzij aan de machtige Farao, hetzij aan zijn broeders. Bij het oprichten van de Tabernakel hield hij zich nauwgezet aan alle details van het model dat hem op de Sinaï was verstrekt. Ook bij de installatie van de priesterschap ging hij precies volgens Gods instructies te werk: Mozes deed nu naar alles wat YHWH hem geboden had. Juist zó deed hij (Ex 40:16).

De apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Yeshua, die getrouw is aan hem die hem maakte…
Op het punt van getrouwheid wordt er geen verschil vastgesteld tussen Mozes en Yeshua. Maar wat wordt in vers 2 bedoeld met
Degene [God] die hem [Yeshua] maakte?
Velen vertalen: "Degene die hem aanstelde", dat wil zeggen als Hogepriester. Die gedachte lijkt voor de hand liggend, gelet ook op Hb 5:4-5


Ook neemt niemand voor zichzelf de eer, maar wanneer hij door God is geroepen, evenals ook Aäron. Zo óók de Masjiach; hij verheerlijkte niet zichzelf om Hogepriester te worden, maar hij die tot hem sprak: 
Mijn zoon ben jij, ik heb je heden verwekt.  

Niettemin menen wij dat ποιεω [maken] hier wordt gebruikt in de betekenis van creëren; voortbrengen. God is Degene die zijn Zoon voortbracht, en dat met de bedoeling om door zijn tussenkomst alle andere dingen voort te brengen, zoals ook reeds in Hb 1:2-3 werd aangegeven:

 

Die hij tot erfgenaam van alle dingen stelde; door wie hij ook de eeuwen maakte. Hij die afstraling der heerlijkheid is en afdruk van zijn wezen, die ook alle dingen draagt door zijn krachtig woord.


Ook het voortbestaan van alle geschapen dingen is geheel en al van hem afhankelijk gemaakt. En omdat uit
Ks 1:15-19 kan worden begrepen dat de Zoon tevens einddoel van al het geschapene is, is de schepping hem als erfenis geschonken.
Die benadering zal ons helpen om het volgende vers (3) te duiden.

Welnu, in die hoedanigheid, als Gods Eerstgeborene en degene door wiens tussenkomst God alles tot stand brengt, heeft hij altijd getrouw Gods wil vervuld, zowel in zijn pre-existentie, als tijdens de incarnatie, alsook daarna, na zijn opstanding en hemelvaart. Altijd en in alle dingen heeft hij zich volkomen getrouw getoond.
Daarom is het participium van het werkwoord zijn in het praesens gegeven [
οντα], d.i. voortdurend in het Heden.

Hoe prachtig verwoordde hij zelf bij de Jakobsbron zijn nimmer aflatende toewijding aan het doen van Gods wil en het tot een juist einde brengen van al diens werk; het strekt hem als het ware tot voedsel.
En zoals we nog in hoofdstuk 10 van onze Brief zullen lezen, schept hij daarin een groot behagen; of, naar Psalm 40,
hij heeft lust om Gods wil te doen, aangezien de Wet van zijn God in zijn binnenste is (Jh 4:34; Ps 40:9; Hb 10:7-9).


Wat dat betreft zien we in de overgang naar Mozes in het tweede deel van ons vers een aanzienlijke verenging. Zeker, Mozes was ook getrouw, maar zijn getrouwheid wordt beperkt tot dienst in Gods huis.


πλειονος γαρ ουτος δοξης παρα Μωυσην ηξιωται καθ οσον πλειονα τιμην εχει του οικου ο κατασκευασας αυτον. πας γαρ οικος κατασκευαζεται υπο τινος, ο δε παντα κατασκευασας θεος.

3-4 Want deze is meer heerlijkheid waard geacht dan Mozes, voor zover als hij die het Huis toebereidde, meer eer heeft dan het Huis [zelf]. Want elk huis wordt door iemand toebereid, maar hij die alle dingen toebereidde [is] God.

De apostel gaat er nu toe over om de superioriteit van de Masjiach boven die van Mozes te beschrijven, maar nog steeds met veel begrip voor de Joodse gevoelens. Uit zijn woordkeuze blijkt immers dat ook Mozes heerlijkheid ervoer in de positie waarin hij God dienstbaar was voor het volk. Wellicht heeft Paulus hier teruggedacht aan Exodus 34.

Toen Mozes de berg Sinaï afdaalde met de twee stenen platen, de tekst van het verbond, was hij zich er niet van bewust dat zijn gezicht glansde omdat hij met Hem gesproken had. Maar Aäron en de overige Israëlieten zagen de glans op het gezicht van Mozes wel, en zij durfden hem niet te naderen. Maar toen Mozes hen riep kwamen Aäron en al de leiders van de gemeenschap naar hem toe. Mozes bracht hun verslag uit. Daarna kwamen al de Israëlieten naar hem toe. Hij hield hun alles voor wat YHWH hem op de berg Sinaï gezegd had. Toen Mozes zijn toespraak beëindigd had, deed hij een doek over zijn gezicht. En telkens als Mozes naar YHWH ging om hem te spreken, deed hij de doek af tot hij weer buiten kwam. Als hij dan, naar buiten gekomen, de Israëlieten ging meedelen wat zij moesten doen, deed hij, om de Israëlieten de glans op zijn gezicht niet te laten zien, de doek weer voor zijn gezicht tot hij opnieuw naar binnen ging om met YHWH te spreken (Ex 34:29-35).

In ieder geval zou hij later, in 2Ko 3:7-11, bevestigen dat de invoering van dat Oude bestel onder de Wet, met Mozes als middelaar, in heerlijkheid tot stand kwam. Er overigens wel direct aan toevoegend dat de Nieuwe regeling - die van de geest in het Messiaanse tijdperk - de oude verre in heerlijkheid overtreft.
En ook hier is van
meer heerlijkheid sprake, namelijk die van de Masjiach in vergelijking met Mozes. Om dat aan te tonen maakt de apostel Gods huis waarin Mozes als eerste op een vooraanstaande wijze diende, tot het centrale thema van deze perikoop.

Zoals met alle dingen die bij God hun oorsprong vinden het geval is, werd ook Israël - Gods Huis -
toebereid, of: in gereedheid gebracht, en wel door zijn Zoon als instrument (handelend persoon). Het gebruiikte werkwoord κατασκευαζω duidt eerder op inrichten; in gereedheid brengen; bereiden, dan op bouwen.

Nu is het uiteraard zó dat elk huis, hoe schitterend ook ontworpen en hoe bekwaam ook ingericht, altijd in eer achterblijft bij degene die het toebereidde (in gereedheid bracht). Welnu, aangezien de Zoon – namens God - Israël toebereidde als diens Huis, gaat alle eer naar hem en is hij meer heerlijkheid waard geacht dan Mozes die, hoe getrouw hij ook was, slechts in dat Huis diende.


Dat het Huis uiteindelijk God toebehoort, wordt te kennen gegeven met vers 4 >
Want elk huis wordt door iemand toebereid. Natuurlijk; en wat Israël betreft gebruikte God zijn Zoon als de bereider of inrichter. Maar hij die alle dingen toebereidde [is] God. Alles bestond van meet af in zijn voornemen.

 

και Μωυσης μεν πιστος εν ολω τω οικω αυτου ως θεραπων εις μαρτυριον των λαληθησομενων, Χριστος δε ως υιος επι τον οικον αυτου∙ ου οικος εσμεν ημεις, εαν[περ] την παρρησιαν και το καυχημα της ελπιδος κατασχωμεν.

5-6 En Mozes was inderdaad getrouw in heel zijn Huis als ondergeschikte, tot een getuigenis der dingen die in de toekomst gesproken zouden worden, doch [de] Masjiach als Zoon óver zijn Huis; wiens Huis wij zijn, indien wij de vrijmoedigheid en het roemen der hoop tot het einde toe stevig vasthouden.

De apostel sluit zijn betoog over de grotere waardigheid van de Masjiach boven die van Mozes af in de vorm van een samenvatting. Als de persoon die voor God handelt in het bereiden of gereedmaken van alle dingen - waaronder ook het Huis Israëls - is Yeshua meer eer waardig dan Mozes die slechts een ondergeschikte was in dat Huis.
Zoals we boven zagen is θεραπων ontleend aan de LXX-versie van Nm 12:7. Hoewel een eretitel, duidde ze niettemin op het innemen van een ondergeschikte plaats. Mozes was als een hofmeester, de eerste onder andere dienaren, maar toch deel uitmakend van het dienstpersoneel.
Paulus’ redenering komt dus feitelijk op het volgende neer: "Broeders, wie is groter in het Huis, een dienaar zoals Mozes was, of de Zoon van de Eigenaar, Yeshua Masjiach, die namens zijn Vader over het Huis gaat?"

Mozes’ ondergeschiktheid komt op nog een andere wijze tot uiting door de toevoeging: tot een getuigenis der dingen die in de toekomst gesproken zouden worden.
De apostel zinspeelt hier al op de dingen waarover hij vanaf hoofdstuk 7 breed zal uitweiden, namelijk dat de nieuwe openbaring wortelt in de oude: de grondgedachte van de Hebreeënbrief. Vooral zal hij duidelijk maken dat de dingen die door Mozes’ tussenkomst een aanvang namen een typologisch karakter hadden: T.w. de inzettingen van de Wet, het Tabernakelheiligdom, en de vele priesterlijke diensten die in samenhang daarmee verricht werden.


Benaderd vanuit die optiek kan wederom gesteld worden dat Mozes’ waardigheid achter blijft bij die van de Masjiach. Terwijl Mozes diende om de nieuwe openbaring voor te bereiden door het opvoeren van ‘schaduwen’, geeft de Masjiach gestalte aan de werkelijkheden.

Vergelijk Hb 8:5-6; 10:1; Ks 2:17.

Om die reden doen wij allen, maar in het bijzonder de Hebreeën - de Joodse lezers van onze Brief - er goed aan de vermaning van de profeet Maleachi ter harte te nemen die binnen een context van Eindtijdgebeurtenissen - de komst van ‘Elia’ en het aanbreken van de grote en geduchte Dag van YHWH - schreef:

Gedenkt de Wet van Mozes, mijn knecht, die ik hem op Horeb geboden heb voor heel Israël, inzettingen en verordeningen.
(Ml 4:4)

De ware Joodse Gemeente naar het vlees zal in het tegenbeeld van de Tabernakel - de Tempelstad Nieuw Jeruzalem - immers dienen als de tegenbeeldige Levieten die, eveneens volgens Maleachi, YHWH weer een offergave zullen aanbieden die hem aangenaam zal zijn, als in de dagen van weleer en als in de jaren der oudheid (Ml 3:1-4).
Kennis daarom van de schaduwen van de vroegere offerdienst zal dezen helpen begrip te verkrijgen van de toepassing der werkelijkheden.
Vandaar ook dat de Masjiach zelf zei dat hij niet gekomen was om de Wet of de Profeten teniet te doen: Ik ben niet gekomen om teniet te doen, maar om te vervullen (Mt 5:17-18).

Indien wij de vrijmoedigheid en het roemen der hoop tot het einde toe stevig vasthouden…
Hoewel de apostel al in 2:1 had gewaarschuwd voor het gevaar van wegdrijven of afglijden, spreekt hij hier - voor de eerste maal- ronduit over de mogelijkheid van afvalligheid. De Hebreeën kunnen in de zelfde situatie terechtkomen als hun voorvaders in de wildernis. Naar het patroon van de Oudheid zullen zij in de 70ste  Jaarweek voor Israël weg moeten trekken uit het ‘Egypte’ van deze wereld, daarbij in de wildernis der volken gerakend, zoals een andere profeet met betrekking tot de Eindtijd voorspelde:

Zo waar als ik leef, spreekt de Heer YHWH, met sterke hand en uitgestrekte arm en door het uitstorten van gramschap zal ik tonen koning over u te zijn: Ik zal u leiden uit de volkeren, u verzamelen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, met sterke hand en uitgestrekte arm, en door het uitstorten van gramschap. Ik zal u brengen in de woestijn der volkeren en u daar vonnissen, van aangezicht tot aangezicht. Zoals ik uw vaderen gevonnist heb in de woestijn van Egypteland, zo zal ik het u doen, spreekt de Heer YHWH. Ik zal u onder de staf doen doorgaan en u brengen in de band van het Verbond; dan zal ik uit u uitzuiveren de opstandelingen en de afvalligen; want wel zal ik hen leiden uit het land waarin zij zich als vreemdelingen ophouden, maar in Israëls land komen zij niet. Zo zult gij weten, dat ik YHWH ben.
(Ez 20:33-38)

Het is raadzaam om zorgvuldig kennis te nemen van deze nieuwe themalijn welke hier door de apostel in Hebreeën wordt ontwikkeld:

a
Allereerst natuurlijk door hen die zelf Hebreeën zijn. Zeker als zij in de Eindtijd niet uitgezuiverd willen worden als opstandelingen en afvalligen doordat zij tot het einde toe hun ware Masjiach zouden ontkennen. 

 

De roeping van Israël naar het vlees is immers voorwaardelijk, zoals ze trouwens altijd geweest is: Indien gij mijn stem strikt zult gehoorzamen.

Ook in de Eindtijd is dat niet anders, wat op zich reeds blijkt uit de leer van een (nog) te verschijnen Overblijfsel. De term impliceert immers een Rest, een duidelijke minderheid dan ook van alle Hebreeën!

b
Maar ook door de leden van Yeshua’s Gemeentelichaam, die uiteraard ook zeer veel belang stellen in onze Brief, maar wier roeping onvoorwaardelijk is. Zij moeten zichzelf dus vooral niet zien in het perspectief van deze Hebreeënbrief, maar veeleer in het licht van die Paulinische Brieven welke speciaal met het oog op de Christelijke Gemeente werden geschreven, t.w. Romeinen tm Filemon.

Zie ook: Geen werkelijk dilemma

 

b. Afval bij de Uittocht (3:7-19)


Διο, καθως λεγει το πνευμα το αγιον,
Σημερον εαν της φωνης αυτου ακουσητε,
μη σκληρυνητε τας καρδιας υμων ως εν τω παραπικρασμω,
κατα την ημεραν του πειρασμου εν τη ερημω,
ου επειρασαν οι πατερες υμων εν δοκιμασια
και ειδον τα εργα μου τεσσερακοντα ετη∙
διο προσωχθισα τη γενεα ταυτη
και ειπον, Αει πλανωνται τη καρδια∙
αυτοι δε ουκ εγνωσαν τας οδους μου∙
ως ωμοσα εν τη οργη μου,
Ει εισελευσονται εις την καταπαυσιν μου.

7-11 Daarom, gelijk de heilige geest zegt:
Heden, als jullie zijn stem horen,
verhardt jullie harten niet zoals in de opstandigheid,
ten tijde van de beproeving in de wildernis,
waar jullie vaderen [mij] beproefden door [mij] te onderzoeken
en zij zagen mijn werken veertig jaar.
Daarom kreeg ik een afkeer van dit geslacht
en zei: "Altijd dwalen zij af met het hart;
juist zij leerden mijn wegen niet kennen",
zodat ik zwoer in mijn toorn:
"Indien zij zullen ingaan in mijn rust".

Het is niet mogelijk Mozes in beeld te brengen en niet stil te staan bij de immense volksverhuizing waaraan hij destijds met Gods hulp leiding moest geven, maar tegelijkertijd ook bij alle strubbelingen die hij vrijwel voortdurend van de zijde van het volk ondervond.
De gebeurtenissen bereikten een climax te Kades toen de 12 verspieders bij hun terugkeer uit Kanaän een ontmoedigend bericht uitbrachten, althans 10 van hen. Het verslag over het rampzalige effect daarvan op het volk vinden wij in Numeri 12:16 tot en met 14:38. 


In hun opstand wilden de Israëlieten die niet meer tot rede waren te brengen, hun leider Mozes door een ander Hoofd vervangen en naar Egypte terugkeren. Zij beraadslaagden zelfs om Mozes en Aäron door steniging ter dood te brengen (Nm 14:4, 10).
Dit leidde tot een breuk met YHWH, hun Elohim en Koning.
Het gevolg was dat die opstandige Israëlieten 40 jaar de verantwoordelijkheid voor hun dwaling moesten dragen, gedurende welke periode de hele generatie van 20 jaar en ouder in de wildernis aan haar einde kwam (
Nm 14:29-34). Hun verblijf in de "eenzame, huilende woestijn" werd als gevolg daarvan op een pijnlijke wijze verlengd (Dt 32:10):

YHWH sprak tot Mozes en Aäron: "Mijn geduld met deze verdorven gemeenschap die tegen Mij mort, is uitgeput! Dat voortdurend gemor van de Israëlieten heb Ik nu genoeg gehoord. Zeg hun: Zo waar Ik leef - aldus spreekt YHWH - wat Ik u heb horen zeggen, dat zal Ik ook met u doen. In deze woestijn zullen de lijken liggen van allen die tegen Mij hebben gemord, van al uw ingeschrevenen, van ieder boven twintig jaar. Gij zult het land dat Ik u met opgeheven hand als woonplaats heb toegezegd, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, zoon van Jefunne, en Jozua, zoon van Nun. Maar uw kleine kinderen van wie gij gezegd hebt, dat zij buitgemaakt zouden worden, die zal Ik er binnenvoeren en zij zullen het land leren kennen dat gij versmaad hebt. Uw lijken zullen in deze woestijn komen te liggen, en veertig jaren zullen uw zonen in de woestijn als herders rondzwerven en boeten voor uw ontrouw totdat uw lijken in de woestijn vergaan zijn. Voor elke dag van de veertig dat gij het land verkend hebt, zult gij een jaar uw misdaden boeten, veertig jaar in totaal, zodat gij weet wat het betekent u tegen Mij te verzetten. Ik YHWH heb gesproken. Dit zal Ik zeker doen met heel deze verdorven gemeenschap die tegen Mij heeft samengespannen: in deze woestijn zullen zij tot de laatste man sterven".
(Nm 14:26-35; WV78)

In Psalm 95 herinnert koning David - volgens Hb 4:7 de schrijver van die Psalm - Gods volk Israël aan die catastrofale ontwikkeling. Als het volk van zijn weide en als de schapen van zijn hand (vers 7) moeten zij zich er nu voor hoeden tegen hun Opperherder God in opstand te komen. Veeleer moeten zij op elk moment van het ‘Heden’, d.i. telkens wanneer zij Gods wil vernemen, gewillig gehoor geven en niet toelaten dat hun hart verstokt wordt; zich in opstandigheid verhardt. Verzetten zij zich tóch, dan zal het hun vergaan als hun voorvaders in de wildernis.

David legde die Psalm in geschrifte vast, méér dan duizend jaar voordat hij hier in onze Brief door de apostel werd geciteerd, maar ook voor hém blijft de inhoud door en over de tijden heen zijn onwrikbare geldigheid voor Israël behouden. Onder dezelfde leiding als die waardoor David werd geïnspireerd, Gods geest, acht de apostel het passend de gedachte van voorwaardelijkheid uit vers 6 kracht bij te zetten: In het Messiaanse tijdperk kunnen de Hebreeën slechts dan het Huis van God zijn, indien wij de vrijmoedigheid en het roemen der hoop tot het einde toe stevig vasthouden.
Alleen daardoor kunnen de consequenties worden vermeden welke de leden van de wildernisgeneratie ondervonden door ernstig in gebreke te blijven de vrijmoedigheid en het roemen der hoop tot het einde toe stevig vast te houden.

De Hebreeuwse tekst van de Psalm drukt in vers 7 een wens uit: Och of gij heden naar zijn stem zoudt willen luisteren! Maar in de Septuagint wordt de wens tot een zin met een voorwaardelijk karakter: Heden, als jullie zijn stem horen.
Heden staat met heel zijn gewicht voorop. Heden is nu, op dit moment; voor de lezers van Hebreeën op z’n laatst wanneer zij in 70ste Jaarweek nog eenmaal de gelegenheid ontvangen om gunstig te reageren op het feit dat Yeshua hun ware Masjiach is en de Antichrist de valse, ook al zal die laatste door de velen in grote euforie worden binnengehaald als de Masjiach waarnaar zij - tijdens hun lange periode van verharding en verblijvend in de Diaspora - zo vurig uitzagen.

 

De realiteit van het Heden houdt namelijk in dat de Joden als Gods volk Zijn wegen nog altijd niet echt hebben leren kennen (Dn 9:27 en Vervolg).

Zie ook Mt 24:12-15, waar we kunnen lezen hoe Yeshua in zijn Eindtijdrede aanhaakte aan de in vers 27 aangekondigde verwoestende gruwel.

In een eerdere fase van hun Uittocht, slechts korte tijd na hun doortocht in de Rode Zee, waren de Israëlieten al begonnen met morren tegen Mozes, namelijk toen zij Rafidim bereikten en er geen drinkwater voorhanden was. Op Gods aanwijzing sloeg hij toen water uit de rots (
Ex 17:1-7). Volgens M luidt vers 7 aldus:

Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten der Israëlieten en omdat zij YHWH hadden uitgedaagd door zich af te vragen: "Is YHWH nu bij ons of niet"?

De apostel volgt de LXX tekst van Psalm 95, waar de Hebreeuwse plaatsnamen Massa en Meriba zijn vertaald om de woordspeling te behouden. Massa betekent namelijk Beproeving [Grieks: πειρασμος], en Meriba Ruzie of Strijd. Die tweede naam wordt in de LXX tot Verbittering, Uitdaging of Opstandigheid [παραπικρασμος]. Hoe dan ook, daardoor komt in ieder geval alle nadruk te liggen op het laakbare gedrag van Israël.

Waar jullie vaderen mij beproefden door mij te onderzoeken en zij zagen mijn werken veertig jaar; daarom kreeg ik een afkeer van dit geslacht…
Hier permitteert de apostel zich - wederom onder de sturing van de geest - een opmerkelijke vrijheid ten aanzien van de LXX tekst, en helemaal in vergelijking met de M tekst: Terwijl de 40 jaar in de oorspronkelijke tekst een periode is waarin God een walging voelde voor zijn opstandig volk, dus van meet af ná het voorval bij Rafidim, krijgt die periode bij Paulus het karakter van verdraagzaamheid wat God betreft. Goedgunstig bleef hij Israël met zijn wonderdaden confronteren, maar omdat zij zich bleven verharden kreeg hij tenslotte een diepe afkeer van zijn volk, want daardoor werd de schuld van het volk verzwaard.

Een treffend bewijs van Israëls aanhoudende hardnekkigheid vinden wij in Numeri, hoofdstuk 20. Zeker, veertig jaar lang waren zij getuige geweest van Gods werken, maar toen zij tegen het einde van die lange periode van omzwervingen opnieuw te Kades hun kamp opsloegen, herhaalde zich de situatie van veertig jaar eerder: Er was nogmaals geen water voor de vergadering. En wederom zocht het volk ruzie met Mozes. De wateren die ook toen uit de rots te voorschijn kwamen, werden passend de wateren van Meriba genoemd (
Nm 20:1-13; Dt 32:51).

Met het daarom kreeg ik een afkeer van dit geslacht wijst de apostel de Hebreeën derhalve op de ernst van de situatie. Zij moeten de positie van Israël als volk voor Gods aangezicht niet bagatelliseren, want het is Gods waarneming dat zij voortdurend dwalen; het is niet iets van voorbijgaande aard. En die omstandigheid heeft bovendien te maken met de gesteltenis van hun diepste innerlijk, hun hart. Juist zij leerden bijgevolg de wegen van YHWH niet kennen [αυτοι staat met nadruk voorop].

Juist degenen die, in vergelijking met het Heidendom, zo bevoorrecht waren, bleven onkundig van de diepe zin van Gods handelen.

Indien zij zullen ingaan in mijn rust…
De elliptische eedformule is typerend voor de Hebreeuwse wijze van uitdrukken. We zouden als volgt kunnen aanvullen:
Ik ben niet de waarachtige God indien zij in mijn rust zouden ingaan.
In hoofdstuk 4 zal de apostel nog uitgebreid te spreken komen over Gods Rust.


Hier merken we slechts op dat het in de Oudheid ging om de rust die het volk in typologische zin zou kunnen genieten bij hun vestiging in het Beloofde Land: In vrede en voorspoed levend, een ieder zittend onder zijn eigen wijnstok en onder zijn eigen vijgenboom (1Kn 4:20-25).
Typologie moet evenwel te zijner tijd overgaan in de werkelijkheid van de (betere) tegenbeelden. Zie bijvoorbeeld Mc 4:1-4 (WV78):

Op het eind van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH vast zal staan als de eerste der bergen, verheven boven de heuvels en de volken stromen naar hem toe, de vele naties gaan op weg en zeggen: "Komt, laat ons opgaan naar de berg van YHWH, naar het huis van Jakobs God: dan zal Hij ons zijn wegen wijzen en wij zullen zijn paden bewandelen. Ja, in Sion ontspringt de wet, in Jeruzalem het woord van YHWH". Hij zal recht doen tussen de vele volken en machtige naties tuchtigen, al wonen zij nog zo ver. Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen en hun speerpunten tot snoeimessen; geen volk heft het zwaard meer tegen een ander en de oorlog leren zij niet meer. Een ieder zal onder zijn wingerd zitten of onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt. Want de mond van YHWH heeft gesproken, van YHWH van de legerscharen.

 

βλεπετε, αδελφοι, μηποτε εσται εν τινι υμων καρδια πονηρα απιστιας εν τω αποστηναι απο θεου ζωντος, αλλα παρακαλειτε εαυτους καθ εκαστην ημεραν, αχρις ου το Σημερον καλειται, ινα μη σκληρυνθη τις εξ υμων απατη της αμαρτιας∙

12-13 Let op, broeders, dat er nooit in iemand van jullie een goddeloos, ongelovig hart zal zijn, door af te vallen van een levende God, maar vermaant elkaar elke dag, zolang het Heden genoemd wordt, opdat niemand onder jullie verhard wordt door bedrog der zonde.

De apostel gaat de lessen die aan het Wildernisverhaal ontleend kunnen worden, op zijn Joodse broeders toepassen. Hen aanspreken met ‘broeders’ geeft een overredende klank aan zijn woorden, maar moet ook een vertrouwelijke atmosfeer scheppen en gemeenschapsbesef. Het is goed dat zij zich verantwoordelijk voor elkaar weten; wat hun voorvaders overkwam kan ook met hen gebeuren als zij niet voortdurend alert zijn op de feiten aangaande Israël. Geen Hebreeër die oprecht en met een eerlijk hart de geschiedkundige verslagen van de eigen heilige Geschriften raadpleegt, kan voorbijgaan aan de trieste zaken die daarin omtrent Israël zijn vastgelegd.

Hoewel zeer begunstigd als een door God uitverkoren volk, heeft de meerderheid der Israëlieten [Hebreeën] God niet behaagd. Integendeel! "Het is een volk van mensen die voortdurend van mij afdwalen. Hun hart is niet werkelijk in aanhankelijkheid op mij gericht", zo stelde Hij vast.

Zelfs voor de Joden van de Eindtijd die meer dan ooit tevoren door God begunstigd zullen worden, doordat zij de zegeningen van een nieuw met hen te sluiten Verbond zullen ontvangen - waaronder het deel hebben aan de heilige geest die hen tot één Gemeenschap verbindt - lopen het gevaar in het spoor van hun voorvaders te volharden (
Jr 31:31-34; Hb 12:24-25). Het gemurmureer tijdens de woestijnreis van enkelen met een hart vol ongeloof wekte nagenoeg het hele volk tot opstand en afval. Vandaar de waarschuwing; geparafraseerd:


"Past dus op, broeders! Het gevaar van afvallen van YHWH, de levende God, is niet denkbeeldig, maar veeleer een reële mogelijkheid. Ook in jullie kan zich, naar het voorbeeld van de Exodusgeneratie, een goddeloos hart, vol van ongeloof ontwikkelen".

De opstandelingen van destijds wilden naar Egypte terugkeren, nota bene naar het Slavenhuis! Waren zij vergeten dat zij daar tot slavenarbeiders waren gemaakt en werden uitgebuit om bij te dragen aan het oprichten van immense bouwwerken waardoor Egypte zich tot grote heerlijkheid binnen de toenmalige Heidenwereld kon verheffen? Ja en Nee!
Want hoewel zij hadden moeten zuchten onder de verdrukking, verkeerden zij toen wel te midden van een natie die de ‘glans’ had van culturele schoonheid gepaard aan grote wereldse macht. En die glans en schoonheid had toch een zodanige invloed op hen uitgeoefend dat zij zich er onmiskenbaar door aangetrokken voelden. En vooral omdat zij moesten rondtrekken door een woest land, in een eenzame, huilende woestijn, konden die beelden van glans en schoonheid zich gemakkelijk aan hun onstandvastige geest opdringen.

Vertaald naar de toekomst, wanneer de Hebreeën van de Eindtijd zich in de wildernis der volken -
מִדְבַּר הָעַמִּים - zullen bevinden, kan dan de leus zijn: "Liever terug naar de ‘pracht’ der oude ceremonieën onder het Jodendom van onze traditie, en dienstbaar zijn aan de Wet. Laten we vooral ons leven in de wereld voortzetten zoals voor ons gewoon was". 

Zie: Ezechiël 20:35


Zoals de wildernisgeneratie de verlossing uit het Slavenhuis versmaadde, is het zeer wel denkbaar dat de Eindtijdgeneratie zo’n grote redding veronachtzaamt.
Dit zou van de zijde der Hebreeën de ergst denkbare zonde inhouden, definitief tot apostasie vervallen; een onvergeeflijke actie waaruit geen enkel herstel nog mogelijk is. Verdere gelegenheden tot inkeer zullen namelijk niet meer worden geboden. Zij kozen er voor zich te laten bedriegen door de zonde. Die zal hen met haar valse voorstelling van zaken in een onomkeerbare situatie van verharding gemanoeuvreerd hebben.
Vergelijk
Hb 2:3; 6:4-6; 10:26-31.

Vermaant elkaar elke dag, zolang het 'Heden' genoemd wordt…
Een aanmoediging die beslist op z’n plaats is, maar voor Joden een grote uitdaging! Waarom?
Omdat velen van hen niet van mening zijn dat zij ook maar van iemand raad en/of vermaning nodig zouden hebben. Niet weinigen zijn overtuigd van de eigen rechtschapenheid en rechtvaardigheid.
Ongetwijfeld is er veel hulp van de hemel nodig wil de gemiddelde Joodse mens de parabel, waarin hun Masjiach het roemen op de eigen uitnemendheid in hoge mate relativeerde, naar waarde schatten:

Hij nu sprak ook tot sommigen die van zichzelf overtuigd waren dat zij rechtvaardig waren en de overigen als niets achtten, deze parabel: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden, de één een Farizeeër en de ander een tollenaar. De Farizeeër bad, na zich daar opgesteld te hebben, bij zichzelf deze dingen: O God, ik dank u, dat ik niet ben zoals de overigen der mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook zoals deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al wat ik verwerf.

 


De tollenaar echter bleef op een afstand staan en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg zich aanhoudend op de borst, zeggend: O God, doe verzoening voor mij, de zondaar! Ik zeg jullie: deze daalde, in tegenstelling tot gene, gerechtvaardigd af naar zijn huis; want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd, maar wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
(Lk 18:9-14)

Wellicht heeft Yeshua in deze parabel reeds de vinger gelegd op datgene wat in de 70ste Jaarweek een moeilijk te overwinnen obstakel voor een Jood zal vormen, ook voor hen die tot het Overblijfsel zullen blijken te behoren: nederig erkennen
¹ dat hij een zondaar is zoals alle andere mensen en daarom verzoening nodig heeft, en
² dat alleen God die verzoening kan bewerken doordat Hij heeft voorzien in het toereikende slachtoffer.
Het zal beslist geen toeval zijn dat de apostel in de kern van onze Brief juist op dat punt zeer in bijzonderheden zal treden.

Maar niet alleen hier, ook in
Hb 10:24-25 zullen de Hebreeën merken dat de apostel er bij hen op zal aandringen gemeenschapszin jegens elkaar te betonen door op de bijeenkomsten in de synagogen (of elders) de gelegenheid te benutten om elkaar liefdevol te steunen, door wederzijdse aansporing en aanmoediging; en zoveel te meer naarmate jullie de Dag zien naderen.

 

μετοχοι γαρ του Χριστου γεγοναμεν, εανπερ την αρχην της υποστασεως μεχρι τελους βεβαιαν κατασχωμεν, εν τω λεγεσθαι,
Σημερον εαν της φωνης αυτου ακουσητε,
μη σκληρυνητε τας καρδιας υμων ως εν τω παραπικρασμω.
τινες γαρ ακουσαντες παρεπικραναν; αλλ ου παντες οι εξελθοντες εξ Αιγυπτου δια Μωυσεως; τισιν δε προσωχθισεν τεσσερακοντα ετη; ουχι τοις αμαρτησασιν, ων τα κωλα επεσεν εν τη ερημω;


14-17 Want wij zijn deelgenoten geworden van de Masjiach, mits wij het beginsel van de vaste grondslag tot het einde toe stevig vasthouden, terwijl er gezegd wordt:
Heden, als jullie zijn stem horen,

verhardt jullie harten niet zoals bij de opstandigheid.
Want wie waren opstandig toen zij hoorden? Soms niet allen die door Mozes uit Egypte wegtrokken? Van wie dan kreeg hij veertig jaar een afkeer? Niet van hen die zondigden, wier lijken vielen in de wildernis?

Een deelgenoot geworden zijnde van de Masjiach houdt voor een Jood in dat hij zich in zijn geloof volkomen verenigd heeft met de voornaamste onder zijn broeders, Yeshua. Hij onderscheidt en erkent volmondig dat Gods plan en de uitvoering daarvan geheel in hem besloten ligt, wat tevens betrekking heeft op de verwezenlijking van Israëls roeping, lang geleden bij de Sinaï. Voortaan is dat persoonlijk voor hem het beginsel van de vaste grondslag, en daarmee identificeert hij zich van harte. 

 

Welke negatieve druk ook op hem wordt uitgeoefend, vooral van de zijde van zijn eigen stamgenoten, dát is zijn fundament waarop hij voortaan bouwt; dát de grondslag, zijn uitgangspunt, waarop voor hem alles berust: Zijn vertrouwen, zijn zekere hoop voor de toekomst, zoals in 11:1 ook door de apostel geformuleerd zal worden: Geloof nu is de vaste grondslag der dingen waarop wordt gehoopt.

De apostel herinnert nogmaals aan de rebellie welke de Israëlieten die geen vertrouwen stelden in YHWH Elohim en zijn menselijk werktuig, al in een vroeg stadium van de Uittocht ontketenden. Hun provocerend gedrag greep als een niet te stuiten epidemie om zich heen. Bijna allen werden erin meegesleept. De enkele uitzonderingen, Jozua en Kaleb, worden verwaarloosd.


En de apostel zegt nu: "Het is heel goed om dat te weten en in herinnering te houden. Zulke dingen kunnen zomaar opnieuw plaats vinden".

Ja, zeker, oprechte Joden kunnen er zelfs op rekenen dat dit beslist weer staat te gebeuren; het geïnspireerde Woord voorziet dat de geschiedenis zich bij de ‘Uittocht’ van de Eindtijd - de terugkeer uit de Diaspora - zal herhalen.

Maar ook dit moet bedacht worden: Gods afkeer, ja, zijn walging, betrof juist dat Exodusgeslacht. Waar liep hun provocerende houding op uit? Hoe liep het af met hun rebellie? Zij zijn nooit in het Beloofde land, de plaats der rust, gearriveerd. Hun karkassen bleven voor altijd achter in de wildernis!

 

τισιν δε ωμοσεν μη εισελευσεσθαι εις την καταπαυσιν αυτου ει μη τοις απειθησασιν; και βλεπομεν οτι ουκ ηδυνηθησαν εισελθειν δι απιστιαν.

18-19 Aan wie dan zwoer hij dat zij niet zouden ingaan in zijn rust? Niet aan hen die ongehoorzaam waren? Zo zien wij dat zij niet konden ingaan vanwege ongeloof.

Degenen die zondigden van vers 17, worden nu gekentekend als zij die ongehoorzaam waren. Het gehele gedrag der Israëlieten tijdens de Uittocht was één massaal verzet tegen Gods wil; daarin lag ten diepste de oorzaak van hun ondergang. Zij vertrouwden niet op Gods beloften noch op de leiding waarin hij door Mozes voorzag, ook al werd deze ten aanschouwen van het volk vanuit de hemel door wonderdaden ondersteund.
Israël kreeg meerdere malen de majesteit van God te zien, maar in een nog meer laakbare mate dan de Heidenwereld hebben zij, terwijl zij God kenden, hem niet als God verheerlijkt of gedankt (Rm 1:21).

Hoe begrijpelijk derhalve dat God zijn oordeel ten aanzien van hen met een eed onomkeerbaar maakte: Indien zij zullen ingaan in mijn rust.
Waarmee door YHWH gezegd wil worden: "Mocht dat toch gebeuren, dan zou dat bewijzen dat ik niet de ware God ben".
Zie
vers 11 en Psalm 95:11 (M); LXX.


Maar natuurlijk is iets dergelijks ondenkbaar voor een God die van het begin af de afloop vertelt, en van oudsher de dingen die niet gedaan zijn; die zegt “Mijn raad zal tot stand komen en al mijn welbehagen zal ik doen” (Js 46:10).
Dat God niet vals zwoer, moge blijken uit Jz 5:4-7, waar de reden wordt vermeld waarom het volk te Gilgal, vlak voor de doortocht door de Jordaan om naar het Beloofde Land over te steken, massaal besneden moest worden:

De reden waarom Jozua hen besneed was deze: Alle strijdbare mannen, die uit Egypte waren getrokken, waren tijdens de tocht uit Egypte onderweg in de woestijn gestorven. Bij het vertrek uit Egypte was heel het volk wel besneden, maar allen die onderweg in de woestijn waren geboren, waren niet besneden. Veertig jaar lang immers hadden de Israëlieten in de woestijn gezworven, totdat niemand meer in leven was van al de strijdbare mannen, die uit Egypte waren getrokken en die niet naar de stem van YHWH hadden geluisterd. YHWH had gezworen, dat deze mannen niet het land van melk en honing zouden zien, dat Hij aan hun vaderen onder ede beloofd had. YHWH had hun zonen in hun plaats gesteld en deze zonen liet Jozua nu besnijden; zij waren nog onbesneden, omdat men ze onderweg niet besneden had.

Zo zien wij dat zij niet konden ingaan vanwege ongeloof…
Hoe ernstig is ongeloof!

Met name het ongeloof van het praktische soort dat met God geen rekening houdt, ondanks de vele manieren waarop hij zich duidelijk manifesteert.
De Hebreeën moeten goed inzien wat in dat geval altijd de slotsom moet zijn, een eindconclusie waartoe ook hier de apostel komt: Er is dan absoluut geen mogelijkheid om in te gaan, dat wil zeggen in Gods rust.
Uit al het voorgaande en ook uit alles wat nog zal volgen, wordt daarmee de onmogelijkheid getekend de toekomstige bewoonde aarde, of: wereld - waarover de Joden het onderling zo vaak met elkaar hebben - binnen te gaan. Ongeloof maakt dat ten ene male onmogelijk.

Uit het citaat van Jozua 5 kan elke Hebreeër daarom de gewichtige conclusie trekken dat het slechts mogelijk is het Koninkrijk van de Masjiach binnen te gaan met een volledig geloof in Gods voorziening voor redding die hij door tussenkomst van die Masjiach, zijn Zoon, de Enigverwekte, heeft getroffen. Kortom, hij moet de besnijdenis van het hart hebben, de identiteit van de ware Jood:

Want niet hij is een Jood die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt. Maar hij is een Jood die het in het verborgene is, en besnijdenis is die van het hart, in geest, niet naar de letter; wiens lof niet uit mensen, maar uit God [is].
(Rm 2:28-29)

Vergelijk
Ez 36:22-28; Jh 3:1-8.

 

Hebreeën 4

 

c. Gods rust (4:1-11)


Φοβηθωμεν ουν μηποτε καταλειπομενης επαγγελιας εισελθειν εις την καταπαυσιν αυτου δοκη τις εξ υμων υστερηκεναι∙

 1 Laten wij dan vrezen, aangezien er een belofte overblijft om in te gaan in zijn rust, dat niemand van jullie ooit zou blijken achtergebleven te zijn.

Ουν [dan; dus] verbindt de vermaning met de voorafgaande perikoop waarin het ongeloof als de diepste oorzaak werd aangewezen dat de Wildernisgeneratie onmogelijk de Kanaänrust kon binnengaan.

In 3:13 werden de Hebreeën aangemoedigd elkaar te blijven vermanen, zolang het ‘Heden’ voortduurt, opdat niemand onder jullie verhard wordt door de bedrieglijke werking der zonde. In 10:24-25 zullen zij vermaand worden om acht te geven op elkaar, met de bedoeling elkaar liefdevol te steunen door wederzijdse aansporing en aanmoediging, en zoveel te meer naarmate jullie de Dag zien naderen.
En ook hier wordt op dezelfde gemeenschapszin een beroep gedaan. De Hebreeën moeten zich voor elkaar verantwoordelijk voelen. Het zou namelijk zeer te betreuren zijn wanneer naderhand, bij het oordeel, geconstateerd zou moeten worden dat iemand uit hun midden was achtergebleven.

Dit alles wijst er op dat het gelovige Overblijfsel der Hebreeën in de Eindtijd, met name tijdens de 70e Jaarweek, een Geloofsgemeenschap zullen vormen waarvan de leden zich voor elkaar verantwoordelijk weten. Hoogstwaarschijnlijk moeten we dan denken aan de slaafpositie van Mt 24:45-47, waarin Yeshua in zijn Eindtijdrede de vervulling van de Ebed YHWH taak voorzag waarop in Deuterojesaja voortdurend in profetische zin gedoeld wordt:

Wie is werkelijk de trouwe en verstandige slaaf, die de Heer stelde over zijn huisbedienden om hun het voedsel te geven op de juiste tijd? Gelukkig die slaaf, die zijn Heer, gekomen zijnde, zo bezig zal vinden. Voorwaar, Ik zeg jullie naar waarheid: hij zal hem over al zijn bezittingen stellen.

Vergelijk in Jesaja enkele profetieën die op de "Knecht van YHWH" betrekking hebben: 41:8-9; 42:1-4; 19-20; 43:8-11; 49:1-7; 52:13-15; 61:6-7.

 

In de Studie:

De Slaaf en de Paroesie - De Identiteit van de Slaaf

wordt daarop dieper ingegaan om het verband te laten zien met de Slaaf [Knecht] van de Eindtijd, volgens Mt 24:45-47.

Aangezien er een belofte overblijft om in te gaan in zijn rust…
De apostel baseert zich nog steeds op Psalm 95. Er geldt, ook in het Messiaanse tijdperk, nog altijd een belofte dat het Joodse volk Gods rust kan ingaan. Daaruit moet geconcludeerd worden dat

 

a de Kanaänrust typologisch geweest moet zijn; het was voor Gods volk duidelijk niet de blijvende, definitieve rust. Straks, in vers 8, zal dat punt voor ons bevestigd worden.
b
er sprake moet zijn van een andere, meer verheven vorm van ‘rust’. En inderdaad, vanaf vers 4 zal die rust het nieuwe uitgangspunt voor de apostel worden.


Hier constateren we voorlopig dat, zolang het ‘Heden’ is, de belofte nog openstaat; de belofte van de Oude openbaring, eertijds door de vaderen ontvangen in de profeten, geldt ook binnen de nieuwe openbaring in de Zoon. Ze had van meet af een eschatologisch aspect!

 

Dat niemand van jullie ooit zou blijken achtergebleven te zijn...
Onuitsprekelijk ernstig! De perfectumvorm van de infinitief van het werkwoord υστερεω [te laat komen; achterblijven] wijst op het cruciale tijdstip dat het gunstige ‘Heden’ voorbij is, en herinnert tevens aan Yeshua’s parabel van de maagden.
De vijf dwaze maagden kwamen door eigen schuld te laat bij de feestzaal waar de bruiloftsactiviteiten plaats vonden. Toen te middernacht de roep weerklonk: Daar is de bruidegom! Gaat uit hem tegemoet! bleken zij namelijk niet in het bezit te zijn van olie om hun lampen te ontsteken. 


Toen zij daarop heengingen om olie te kopen, kwam de Bruidegom en alleen de maagden die verstandig hadden gehandeld, gingen met hem naar binnen, waarna de deur werd gesloten. En die deur werd ook niet meer geopend toen de dwaze maagden alsnog verschenen en smeekten: Heer, heer, doe ons open! Zijn antwoord? Waarlijk, ik zeg jullie: Ik ken jullie niet! (Mt 25:1-13).

Ik ken jullie niet... (Mt 25:12)
In dat antwoord onthult Masjiach de Heer, dat die maagden nooit in een intieme verhouding met hem stonden. Hoe kwam dat? De voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat zij de Heer nooit als hun eigen Joodse Masjiach erkenden. Zij hebben zich tot het einde toe jegens hem verhard in verstokt ongeloof en nu, op het cruciale moment waarop het ‘Heden’ afloopt, erkent hij hén niet.


Uiteindelijk breekt het hun op dat zij Yeshua verwierpen, maar ook dat zij ten langen leste zelfs de voorkeur gaven aan een Masjiach van eigen keuze, de Antimasjiach, terwijl zij aan de hand van hun eigen heilige Geschriften hadden kunnen weten dat die Pseudomasjiach hen in de steek zou laten, ja, hen zou bedriegen in de 70e Jaarweek. De profeet Daniël had immers juist die ontwikkeling in zijn Jaarwekenprofetie aangekondigd: 

En naar velen zal hij een verbond kracht bijzetten één week. En op de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden. En op vleugel van gruwelen een verwoester.
(Dn 9:27)

In zijn Eindtijdrede verwees Masjiach Yeshua zelf naar die door Gabriël tot de profeet gesproken woorden. Hij bleek te weten hoe ze geïnterpreteerd moesten worden: De Antichrist zal aan het begin van de Jaarweek onmiddellijk stappen doen om te verhinderen dat in de zeven jaar die gaan volgen, Israël tot volkomen herstel terugkeert in haar verhouding tot haar Elohim YHWH. Hoe?
Onder meer door zich op te werpen als de Masjiach die de Joden al zo lang verwachtten, en waarschijnlijk zal hij zich geliefd bij hen trachten te maken door er voor te zorgen dat hun lang gekoesterde wens, de bouw van de Derde tempel op de Tempelberg te Jeruzalem, vervuld wordt.

Daartoe verbindt hij zich met hen door het sluiten van een verbond. Of beter: Hij zal het Oude Wetsverbond kracht bijzetten, d.i. nieuw leven inblazen.

Als resultaat daarvan zal de offercultus volgens de Wet eindelijk weer hervat worden.
Uiteraard grote euforie bij de Joden, maar niet bij YHWH, wiens gedachten over die ontwikkeling bij voorbaat werden opgetekend door Jesaja, in
Js 66:1-4. 


Maar, zoals door Daniël voorzegd, zal hij op de helft van de week slachtoffer en spijsoffer doen ophouden. Hij verbreekt namelijk het verbond (Js 33:8) en neemt in eigen persoon plaats in het herbouwde tempelheiligdom. Met welke bedoeling? De apostel Paulus heeft ons bij voorbaat het antwoord gegeven toen hij uitweidde over een mysterie dat nog ontsloten moet worden (2Th 2:3-4; Mt 24:15-21)

In die tijd - de tweede helft van de Jaarweek - werpt de Antimasjiach zich dus zelf op als god, de ultieme gruwel (Ezechiël,
hoofdstuk 8), maar geen god die zijn Joodse aanhang verlossing kan brengen.

Als de voorzegde Pseudomasjiach vervult hij namelijk het beeld van Peloni Almoni uit het boek Ruth, die tegenover de oudsten in de poort van Bethlehem moest erkennen: Ik kan niet lossen (Rt 4:1-6).
Waarom kan die Peloni Almoni niet lossen?

Deze figuur komt niet om te redden, maar uitsluitend voor eigen voordeel; om het met de kwalificaties van de Masjiach zelf aan te geven: om te plunderen, te slachten en te vernietigen (Jh 10:9-11). 

 

Maar er is meer aan de hand. Dat blijkt wanneer op de morgen na de 'nacht op de dorsvloer' de Oudsten van Bethlehem door Boaz worden bijeengeroepen om in de poort getuige te zijn van de onderhandelingen die tussen hem en Peloni Almoni zullen worden gevoerd voor het lossen van het veld van Elimelech, waarin het leviraatbeginsel aan de orde is.
Het familielid dat niet bij zijn eigen naam wordt genoemd, maar op verachtelijke wijze slechts wordt aangeduid als Peloni Almoni [zulk één], toont zich aanvankelijk bereid te lossen. Hij veronderstelt namelijk dat het slechts gaat om het veld dat Elimelech had toebehoord, uit de hand van Naomi te kopen. Gezien de ouderdom van Naomi hoefde hij - naar hij meende - geen rekening te houden met de mogelijkheid van een zwagerhuwelijk teneinde de naam van de gestorven man over zijn erfdeel te doen verrijzen, namelijk door het verwekken van een zoon in zijn plaats.
Maar Boaz heeft iets geheel onverwacht voor hem in petto (Rt 4:1-5):

Op de dag dat je het veld koopt uit de hand van Naomi, koop je Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, erbij om de naam van de gestorvene in stand te houden op zijn erfdeel.


Waarom verklaart die Peloni Almoni in Rt 4:6, nadat Boaz hem duidelijk heeft gemaakt dat de lossing van het veld ook de lossing van Ruth als bruid -plaatsvervangend voor Naomi - omvat, tot tweemaal toe: Ik kan niet lossen?
Zijn eigen verklaring luidt: Ik zou mijn eigen erfdeel te gronde richten.
Hij had geen probleem om zich te verrijken met het erfdeel van Naomi. Aangezien er in de lijn van Elimelech geen kinderen meer waren en Naomi te oud was geworden, zou het stuk land blijvend bij hem terechtkomen. Zou hij echter Ruth huwen dan zou hij het veld kwijtraken zodra er sprake was van nageslacht. Hij handelde dus uit puur eigen belang en stelde zich harteloos op ten aanzien van zijn behoeftige verwanten.

In het tegenbeeld laat de Antichrist, de Pseudomasjiach, zich ook slechts door goddeloze zelfzucht leiden en stelt hij zich harteloos op ten aanzien van de twee Vrouwgemeentes. Dat hij bij het begin van de 70e Jaarweek een verbond aangaat met de velen (Dn 9:27), de ongelovige meerderheid van het Joodse volk, is dan ook uit puur eigenbelang.
Om als hun langverwachte Masjiach geaccepteerd te worden, is hij bereid medewerking te verlenen aan het wederoprichten van een tempel, de Derde stoffelijke tempel in het religieuze leven der Joden onder de Wet van Mozes.

Maar juist die omstandigheid brengt voor de tegenbeeldige Peloni Almoni een beperking met zich. Enerzijds bezit hij op basis van de Wet de oudste rechten, anderzijds ontbeert de Wet de kracht tot de ware verlossing, aangezien het onmogelijk is dat het bloed van jonge stieren en bokken zonden wegneemt (Hb 10:4).
Als de tegenbeeldige Boaz is Yeshua evenwel het ware Heiligdom binnengegaan met de waarde van zijn eigen vergoten bloed, en daarmee heeft hij een eeuwige bevrijding verworven (
Hb 9:12).
De Antichrist daarentegen, heeft niets anders te bieden dan een machteloze Wet waarop hij noodzakelijkerwijs moet terugvallen om de ongelovige Joden van de Eindtijd ter wille te zijn (
Hb 7:19; Rm 8:3). Vandaar dat hij zal moeten toegeven: Ik kan niet lossen!

Voor een uitgebreide bespreking van het thema lossing in het boek Ruth, zie de Studie: Ruth en de Antichrist
 

και γαρ εσμεν ευηγγελισμενοι καθαπερ κακεινοι, αλλ ουκ ωφελησεν ο λογος της ακοης εκεινους, μη συγκεκερασμενους τη πιστει τοις ακουσασιν.

2 Want ook aan ons zijn goede tijdingen verkondigd, zoals destijds ook aan hen; maar het woord dat zij hoorden baatte hun niet, daar zij niet door het geloof verenigd waren met hen die [voordien] hadden gehoord.

Hier worden de Hebreeën herinnerd aan de blijvende geldigheid van de Belofte die ooit door YHWH aan de Aartsvaders was gedaan, te beginnen bij Abraham. Maar de belofte van vers 1 omschrijft de apostel nu als goede tijdingen die - aan elkaar opvolgende geslachten - verkondigd werden. De Israëlieten ontvingen door tussenkomst van Mozes de belofte dat zij de Kanaänrust zouden binnengaan. Die goede tijdingen kwamen in de volgende vorm tot hen:

Wederom richtte God het woord tot Mozes en sprak tot hem:
"Ik ben YHWH. Aan Abraham, aan Isaäk en aan Jakob ben Ik verschenen als God Almachtig; mijn naam YHWH heb Ik hun niet geopenbaard.
Met hen heb Ik mijn verbond gesloten: dat Ik hun Kanaän zou geven, het land waar zij als vreemdeling woonden. Nu heb Ik het weeklagen gehoord van de Israëlieten die door de Egyptenaren tot slaven gemaakt zijn, en ben Ik mijn verbond indachtig. Zeg daarom tot de Israëlieten: Ik ben YHWH; Ik zal u wegvoeren uit de dwangarbeid van Egypte; Ik zal u bevrijden van hun overheersing; met uitgestrekte arm en onder toediening van zware straffen zal Ik u verlossen. Ik zal u aannemen als mijn volk en Ik zal uw God zijn. Dan zult gij beseffen dat Ik het ben, YHWH uw God, die u bevrijdt van de dwangarbeid van Egypte. Ik zal u brengen naar het land dat Ik met opgestoken hand beloofd heb aan Abraham, Isaäk en Jakob. Ik zal het u in bezit geven, Ik, YHWH".
Mozes bracht deze woorden aan de Israëlieten over. Maar zij luisterden niet naar hem omdat zij door de harde slavendienst de moed verloren hadden.

In deze uitspraak onthulde YHWH Elohim voor het eerst de diepe betekenis van die naam (YHWH): Hij ging nu tot handelen over in overeenstemming met zijn vroegere Belofte.
Overduidelijk is dan ook dat de belofte toentertijd niet nieuw was. Toen YHWH zijn Verbond met Abraham officieel bekrachtigde, werd de belofte in de volgende bewoordingen reeds aan die aartsvader medegedeeld:

En YHWH zei tot Abram:
"Gij moet goed weten dat uw nakomelingen als vreemden zullen wonen in een land dat niet van hen is. Zij zullen dienstbaar zijn en men zal hen onderdrukken, vierhonderd jaar lang.
Maar het volk waaraan zij dienstbaar zijn zal Ik vonnissen, en daarna zullen zij wegtrekken met rijke bezittingen. Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan; pas in gezegende ouderdom zult gij begraven worden. Het vierde geslacht zal hier terugkeren, want dan is de maat van de schuld van de Amorieten pas vol".
(Gn 15:13-16; WV78)

Interessant is overigens dat we al bij de eerste gelegenheid dat Mozes namens YHWH tot de Israëlieten sprak, hun scepsis constateren. En hoewel we begrip kunnen hebben voor hun gevoelens van moedeloosheid van dat moment, moeten we achteraf toch vaststellen dat zij als volk nooit in dezelfde mate het geloof bezaten zoals kenmerkend was voor de aartsvaders. In de woorden van ons vers: het woord baatte hun niet, daar zij niet door het geloof verenigd waren met hen die [voordien] hadden gehoord.
Vanwege de blijvende geldigheid van de belofte houdt de reactie van ongeloof van de Exodusgeneratie opnieuw een ernstige waarschuwing in voor de huidige Hebreeën die vlak voor de gebeurtenissen van de Eindtijd staan.

εισερχομεθα γαρ εις [την] καταπαυσιν οι πιστευσαντες, καθως ειρηκεν, 

Ως ωμοσα εν τη οργη μου,
Ει εισελευσονται εις την καταπαυσιν μου,
καιτοι των εργων απο καταβολης κοσμου γενηθεντων. ειρηκεν γαρ που περι της εβδομης ουτως,
Και κατεπαυσεν ο θεος εν τη ημερα τη εβδομη απο παντων των εργων αυτου∙
και εν τουτω παλιν,
Ει εισελευσονται εις την καταπαυσιν μου.

3-5 Want wij die tot geloof kwamen, gaan binnen in de rust, gelijk hij gezegd heeft:
Zodat ik zwoer in mijn toorn: Indien zij in mijn rust zullen ingaan.
En toch waren de werken sedert de grondlegging der wereld geschied. Want hij heeft ergens over de Zevende [dag] aldus gezegd:
En God rustte op de Zevende [dag] van al zijn werken.
En daarom wederom:
Indien zij in mijn rust zullen ingaan.

Wat bleek te gelden voor de Israëlieten van de Exodus, geldt ook voor de lezers. Om de rust binnen te gaan is geloof een onontbeerlijk vereiste. Het hernieuwde citaat uit Psalm 95 beklemtoont de onmogelijkheid om bij de afwezigheid daarvan de rust in te gaan. Ongeloof zal hen dat zeker beletten. En was dat reeds ernstig voor hun voorouders, voor de Hebreeën van de Eindtijd ligt de zaak nog vele malen ernstiger. Waarom?


Omdat de rust hier in een nieuw, veel verhevener perspectief wordt geplaatst. De Kanaänrust was slechts typologisch voor de ware rust die genoten kan worden binnen Gods eigen Rust, de Zevende scheppingsdag.
Hoewel die Rust sedert de grondlegging der wereld - nadat God zijn scheppingswerken voltooid had met het voortbrengen van een mensenpaar dat zich door voortplanting kon uitbreiden - als een objectieve werkelijkheid bestond, was zij toch aan de Israëlieten voorbijgegaan. Zij onderscheidden niet dat zij door de Kanaänrust al een zekere voorsmaak hadden kunnen genieten van de ware Rust, die van God zelf.

Vanuit die nieuwe optiek krijgt ook Gods eed een nog veel ernstiger karakter: Ongeloof zal elke Hebreeër beletten Gods eigen Rust binnen te gaan, met name de laatste duizend jaar van de Zevende dag, het Millennium, dat als een afzonderlijke sabbat zal fungeren en waarvan Masjiach Yeshua de Heer zal zijn. Tot Joden die aanmerkingen op Yeshua maakten dat hij er geen bezwaar tegen had dat zijn leerlingen op de sabbat hun honger stilden door aren te plukken en ze met de handen stuk te wrijven, zei hij eens:

Hebben jullie zelfs dit niet gelezen wat David deed toen hij honger had, hijzelf en zij die bij hem waren? Hoe hij het huis van God binnenging en na de broden der voorzetting ontvangen te hebben, [ze] at en gaf aan hen die bij hem waren, welke niemand mag eten dan alleen de priesters? En hij zei tot hen: De Mensenzoon is Heer van de Sabbat.
(Lk 6:1-5)

De betekenis van Yeshua’s uitspraak dat hij Heer is van de Sabbat, gaat verder dan Israëls wekelijkse rustdag. Hij verbindt zijn woorden uitdrukkelijk met het feit dat hij de Mensenzoon is van Daniël, hoofdstuk 7. In het licht van Dn 7:13-14 geduid, houden die woorden in dat zijn Messiaans Rijk tevens gezien moet worden als een grote Sabbat van 1000 jaar, logischerwijs volgend op de zes perioden van 1000 jaar die het mensdom onder de onderdrukkende heerschappij van de Satan heeft gezucht.


Zie ook Mr 2:27-28 voor zijn aanvullende woorden: De sabbat is ter wille van de mens in het leven geroepen, en niet de mens ter wille van de sabbat; daarom is de Mensenzoon Heer ook van de sabbat.

Hij heeft ergens over de zevende [dag] aldus gezegd…
Met het vage ergens wordt uiteraard gedoeld op Gn 2:3. Maar precies zoals in
Hb 2:6 het geval is, wordt daardoor ook hier alle nadruk gelegd op het gezag dat die tekst als het Woord van God heeft.
En door het Genesiscitaat te plaatsen tussen (wederom) twee verwijzingen naar Psalm 95, wil de apostel zijn lezers inprenten dat de eigenlijke Rust niet die is welke Hij goedgunstig verleent, maar veeleer die welke Hijzelf al sinds de voltooiing van zijn werken geniet.
Ze heeft dan ook geen betrekking meer op een beperkte tijd voor een bepaald volk (Israël), maar op alle leden der mensheid die in Hem geloven en hun vertrouwen voor verlossing geheel op Hem stellen. In de Studie:

De Evagemeente die Gods rust binnengaat

wordt daarom toegelicht waarom - te beginnen met Pinksteren 33 AD tot op heden - de leden van Yeshua’s Gemeentelichaam reeds in voorlopige zin die Rust van God konden ingaan. Dat was mogelijk op grond van hun geloof in de verlossende kracht van Yeshua’s volmaakt, toereikend zoenoffer.

Wanneer met
de Opname van die tweede Gemeente in Gods voornemen het aeon der Gemeente - de wereldperiode tussen de 69e en de 70e Week - tot een einde komt en alle aandacht weer uitgaat naar uw volk en uw heilige stad, krijgen oprechte Hebreeën van Godswege de aanwijzing dat het stellen van een volledig vertrouwen in Yeshua als de ware Masjiach van Israël niet beschaamd wordt. Voor hen volop reden om niet mee te gaan met hun broeders die in onterechte euforie een Pseudomasjiach achterna zullen lopen, van wie tot hun rampspoed weldra zal blijken dat hij niet kan verlossen.

Aan het einde van het Millennium, wanneer de Zoon met succes de doeleinden van zijn Messiaans Rijk heeft verwezenlijkt, wordt ook het einde van de Zevende dag bereikt en zal God met grote tevredenheid kunnen terugzien op het volledige verlossingswerk dat Hij dan in zijn Enigverwekte tot stand zal hebben gebracht. En wederom, zoals bij het einde van alle voorgaande dagen, kan dan gesteld worden: En zie, [het was] zeer goed! En het werd avond en het werd morgen: een Zevende dag.
 

επει ουν απολειπεται τινας εισελθειν εις αυτην, και οι προτερον ευαγγελισθεντες ουκ εισηλθον δι απειθειαν, παλιν τινα οριζει ημεραν, 

Σημερον,

εν Δαυιδ λεγων μετα τοσουτον χρονον, καθως προειρηται, 

Σημερον εαν της φωνης αυτου ακουσητε, μη σκληρυνητε τας καρδιας υμων.

6-7 Aangezien dan overblijft dat sommigen in haar ingaan, en zij aan wie vroeger goede tijdingen verkondigd werden niet ingingen wegens ongehoorzaamheid, bepaalt hij wederom een zekere dag:
Heden, 

in David, zeggend, na zulk een tijd, gelijk tevoren gezegd is:
Heden, als jullie zijn stem horen, verhardt jullie harten niet.

Dat sommigen in haar ingaan…
De terechte conclusie uit al het voorafgaande, gezien
a  het feit dat met vers 4 een veel grotere en verhevener Rust, die van de Zevende scheppingsdag, werd geïntroduceerd; en
b  al het verlossingswerk dat God in zijn Zoon nog tot stand zal brengen, helemaal tot en met het einde van het Millennium.

Dat verklaart ook het gebruik van het algemene sommigen. Sommigen, wie maar ook, allen die in geloof zullen steunen op de verlossende kracht van de losprijs die door de Masjiach met zijn eigen (menselijk) leven is betaald; al dezen zullen de ware Rust ingaan, d.i. de Rust die werkelijk bevredigt.

In het bijzonder voor zijn lezers, de Hebreeën, blijft in dit verband de waarschuwing gelden om het slechte voorbeeld van hun voorvaderen angstvallig te vermijden. En dan moeten we niet slechts denken aan de Exodusgeneratie, maar eigenlijk aan alle generaties die zijn gevolgd, helemaal tot nu toe. Want het ongeloof, respectievelijk de ongehoorzaamheid, van de Wildernisgeneratie bleek typerend te zijn voor alle volgende geslachten, tenslotte uitmondend in de climax van Israëls ongeloof/verharding/ongehoorzaamheid: de verwerping van hun Masjiach.

ει γαρ αυτους Ιησους κατεπαυσεν, ουκ αν περι αλλης ελαλει μετα ταυτα ημερας. αρα απολειπεται σαββατισμος τω λαω του θεου∙

8-9 Want indien Yeshua [Jozua] hen had doen rusten, zou hij niet over een andere, latere, dag gesproken hebben. Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God.

Hiermee toont de apostel aan dat ook het verblijf in het Beloofde land voor Israël niet de werkelijke vervulling van Gods belofte inhield. Want dan zou Hij in Psalm 95 David niet geïnspireerd hebben om over een rust van een latere, toekomstige dag, te spreken. De rust op welke David doelde kan daarom niets anders zijn dan de Rust van vers 4, de Rust die YHWH Elohim zelf inging op de Zevende scheppingsdag.


Naar de schrijfwijze van de LXX gebruikt de apostel voor Jozua de naam Ιησους [Yeshua]. Slechts een ander "Jozua"- een Persoon veel groter dan de opvolger van Mozes - d.i. de Verlosser van het ‘Heden’, is in staat het volk van God metterdaad in de beloofde rust te leiden.
Dat in dit verband ook de naam van David als de psalmist van Psalm 95 uitdrukkelijk wordt genoemd, moet evenmin aan toevalligheid worden toegeschreven, want dan had de apostel zich kunnen beperken tot wat de heilige geest zegt, zoals hij eerder deed in
3:7.


David was immers de eerste koning die volgens Jakobs sterfbedprofetie de Koninklijke scepter van de stam Juda moest hanteren, maar dan in een geslachtslijn die zou uitmonden in de komst van Silo, de Masjiach (Gn 49:10).
Reden te meer om aan te nemen dat de apostel het ‘Heden’ waarover David in Psalm 95 sprak, als het ‘Heden’ ziet waarin Yeshua de hoofdfiguur is, van wie David een voorafbeelding werd.

Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God…
Het resultaat van zijn vrij uitvoerig betoog formuleert de apostel thans in dit kernachtig woord: Een rust voor het ware Godsvolk.
Naar verluidt zou Paulus hier, om die ideale en zo begeerde toestand van in vrede zijn met God zo doeltreffend mogelijk te duiden, zélf het woord σαββατισμος hebben gevormd; een gehebraïseerd Grieks woord dat op de meest directe wijze de volmaakte rust Gods belooft aan hen die zijn ware volk zullen zijn en in wie zijn schepping haar voltooiing vindt.

Op basis van het werk dat door de Masjiach is volbracht wordt de breuk die in de schepping ontstond, hersteld (Rm 8:20-23).
Het woord, dat blijkbaar alleen nog gevonden wordt bij Plutarchus, kan weergegeven worden met sabbatisme of sabbatsrust.

 

ο γαρ εισελθων εις την καταπαυσιν αυτου και αυτος κατεπαυσεν απο των εργων αυτου ωσπερ απο των ιδιων ο θεος.

10 Want wie inging in zijn Rust, rustte ook zelf van zijn werken, evenals God van de zijne.

Toen YHWH Elohim met het aanbreken van de Zevende scheppingsdag er toe overging te rusten, kon hij dit doen in de zekerheid dat ook die 'Dag' afgesloten zou worden met dezelfde conclusie als bij het einde van de zes voorgaande 'Dagen': En zie, zeer goed! En het werd avond en het werd morgen: een Zevende dag.


Uiteraard was Hem tevoren bekend dat er al spoedig een ernstige 'verstoring' zou optreden door de rebellie van Satan waardoor ook zijn menselijke schepping zou worden geïnfecteerd. Daarom 'kende' Hij eveneens tevoren zijn Zoon in de rol van degene in wie alle verstoring 'goed gemaakt zou worden'.


Zoals we bij vers 3 zagen waren zijn scheppingswerken voltooid met het voortbrengen van een mensenpaar dat zich door voortplanting kon uitbreiden. Daarmee was de grondlegging der wereld een feit, maar ver daarvóór kende Hij zijn Zoon reeds als het Lam Gods, ja, zelfs al voorafgaand aan alle wereldperioden (aeonen).
Zie:
1Pt 1:19-20; 1Ko 2:7; Ef 1:3-5; 3:9-11.

Dat bleek wel onmiddellijk toen die ernstige verstoring zich ook werkelijk voordeed. Gods remedie bleek bij voorbaat 'klaar te liggen'. Het voornaamste lid van het zaad van de Vrouw (Israël), Yeshua, het eigenlijke Zelf van Israël, haar Masjiach, zou de Slang in de kop vermorzelen, nadat hijzelf eerst door diens 'zaad' in de hiel was vermorzeld (
Gn 3:15; Mt 27:50; Hn 3:13-15; Hb 2:14-17).

De gelijkstelling van de rust van de mens met die van God zelf vordert ook een zekere gelijkwaardigheid wat betreft de werken waarvan gerust wordt.
Zoals we zagen is de rust van God gelegen in de zekerheid dat de schepping voltooid zal worden in zijn Zoon, de Masjiach van Israël. Daarom moet de rust van de mens met betrekking tot diens werken eveneens in 'het werk' van de Zoon gezocht worden, in het bijzonder zijn volbrachte werk aan de martelpaal waardoor hij plaatsvervangend stierf om het oordeel te dragen van de schuld der zonde van alle mensen (
Lk 12:50; Jh 19:30). 


En aangezien een ieder slechts op basis van geloof kan ingaan in Gods Rust, vindt de mens die geloof oefent in Yeshua’s verzoenend offer zelf ook rust. Hij hoeft zich niet langer zorgen te maken of hij misschien niet te kort schiet bij zijn inspanningen, bij het doen van al zijn goede werken, om iets bij God te 'verdienen'.

σπουδασωμεν ουν εισελθειν εις εκεινην την καταπαυσιν, ινα μη εν τω αυτω τις υποδειγματι πεση της απειθειας.

11
Laten wij ons dan beijveren in die Rust in te gaan, opdat niemand in hetzelfde voorbeeld van de ongehoorzaamheid valt.

Na in het vorige vers (10) in algemene zin de grote Rust van God beschouwd te hebben [wie inging in zijn Rust…; wie maar ook], richt de apostel zich weer specifiek tot zijn lezers, de Hebreeën, wier voorvaders van de Exodus van een flagrant ongeloof c.q. ongehoorzaamheid blijk gaven en daarom volgens Gods eed de Kanaänrust niet konden binnengaan. Zij in het bijzonder moeten het slechte voorbeeld van de voorouders altijd goed voor ogen houden, omdat zij in de 70e Jaarweek in een overeenkomstige situatie zullen komen te verkeren.

 

Zie: Js 11:10-12, 16; Jr 23:7-8; Ez 11:17-20,

en met name Ez 20:34-38 << Let op! Herhaling van wat de opstandige Exodusgeneratie overkwam!

Na al het voorgaande moet het hun toch duidelijk zijn dat ook zij slechts dán Gods Rust kunnen binnengaan wanneer zij geloof oefenen in de Masjiach die werkelijk kan verlossen. Zij moeten zich dus niet laten bedriegen door Peloni Almoni die niet kan lossen. YHWH, "de Heilige Israëls, jullie loskoper" - zoals hij zo dikwijls in Jesaja wordt aangeduid - volbrengt alle loskoop in Zijn Zoon. YHWH Elohim heeft al het verlossingswerk aan hem toevertrouwd. In zekere zin 'steunt' Hij daarop immers ook Zelf tijdens zijn Rust van de Zevende dag!


Vergelijk Js 43:10-14; 44:6-8; 48:17-19; 53:8-12 - 54:1-5.

Over de lossing die plaats vindt op grond van geloof in het verzoenend offer van Israëls Masjiach en de rust die daarvan voor de Rest van Israël in de 70e Week het gevolg zal zijn, kreeg Johannes in de Openbaring van Yeshua Masjiach bij voorbaat het volgende te horen:

En ik hoorde een stem uit de hemel, zeggend: Schrijf! Gelukkig de doden die vanaf nu in de Heer sterven. Ja, zegt de geest, dat zij mogen rusten van hun inspanningen, want hun werken gaan samen met hen.
(Op 14:13)

Uit de context blijkt dat hier wordt gedoeld op de Joodse Heiligen die het in de Eindtijd zwaar te verduren krijgen van de zijde van de Pseudomasjiach.

Door hun verlossing krachtens de losprijs worden zij een eerstelingsgave voor God en het Lam. Zij ervaren de beloofde condities van het Nieuwe Verbond: De uitstorting van de heilige geest en worden bijgevolg tot een nieuwe schepping. De oude Adamitische mens in hen 'sterft' in verbondenheid met hun Heer. Zij zijn werkelijk overgegaan uit de dood in het leven (Jh 5:24).

 

Zij kunnen eindelijk alle [tevergeefse] inspanningen om door de werken der Wet rechtvaardig te worden, achter zich laten en in geestelijke zin rusten, tezamen met God. Die werken, nutteloos als zij waren, verdwijnen tegelijk met hun oude persoon. Dat is wat loskoop tot resultaat heeft!

 

d. Kracht van het Woord Gods (4:12-13)


Ζων γαρ ο λογος του θεου και ενεργης και τομωτερος υπερ πασαν μαχαιραν διστομον και διικνουμενος αχρι μερισμου ψυχης και πνευματος, αρμων τε και μυελων, και κριτικος ενθυμησεων και εννοιων καρδιας∙ και ουκ εστιν κτισις αφανης ενωπιον αυτου, παντα δε γυμνα και τετραχηλισμενα τοις οφθαλμοις αυτου, προς ον ημιν ο λογος.

12-13 Want levend is het Woord Gods; en werkzaam; en scherper dan elk tweesnijdend zwaard; en doordringend tot scheiding van zowel ziel en geest als van gewrichten en merg; en tot oordeel in staat van gedachten en overleggingen van [het] hart. En geen schepsel is niet openbaar voor zijn aangezicht; maar alle dingen zijn naakt en blootgelegd voor de ogen van hem met wie wij te doen hebben.

De apostel heeft zijn ernstige waarschuwing die hij richtte tot zijn broeders, de Hebreeën, om toch vooral door geloof de Rust van God binnen te gaan, hoofdzakelijk gebaseerd op Psalm 95. 

Het woord van die Psalm is nu voor hem aanleiding tot een geestdriftige beschouwing van het wezen en de eigenschappen van het Woord Gods.


Zoals de profeten in de Oude openbaring reeds deden (Js 55:11; Jr 23:29), verheerlijkt ook hij in de Nieuwe openbaring ο λογος του θεου, en dat op een wijze dat aan het Woord een mate van zelfstandigheid wordt toegekend. Het deelt in het wezen en de eigenschappen van God zelf.

Wanneer we ons nu in herinnering terugbrengen wat in de proloog (
Hb 1:3) over de verhevenheid van de Masjiach werd gezegd - Hij die afstraling der heerlijkheid is en afdruk van zijn wezen - kunnen we niet aan de indruk ontkomen dat Paulus, met Apollos als scriptor, hier de bedoeling heeft gehad de Logos te personifiëren in de persoon van Yeshua Masjiach. Op dezelfde wijze dus als ook de Evangelist Johannes deed in de proloog van zijn Evangelie.


Te meer omdat

(1) van het Woord wordt gezegd: Geen schepsel is niet openbaar voor zijn aangezicht; maar alle dingen zijn naakt en blootgelegd voor de ogen van hem met wie wij te doen hebben; en

(2) direct daarop (in vers 14) naar Yeshua wordt verwezen als de grote Hogepriester: Daar wij dan een grote Hogepriester hebben…, etc.

Zoals we al bij onze behandeling van het 
Opschrift van onze Brief vaststelden, had Apollos, de mogelijke scriptor, een Alexandrijnse achtergrond en dat het ons om die reden niet hoefde te verbazen dat er in de Brief duidelijke sporen zijn van de Alexandrijnse school en geest, waarvan de Joodse wijsgeer Philo een tijdlang de meest karakteristieke vertegenwoordiger was. Tομωτερος [scherper] bijvoorbeeld in onze tekst, gezegd van de Logos [scherper dan enig tweesnijdend zwaard], lijkt rechtstreeks bij Philo vandaan te komen. Bij hem is de Logos τομευς [die snijdt].

Vijf adjectieven bepalen de Logos van God nader:

- ζων; levend.
Mozes ontving levende woorden bij de Sinaï (
Hn 7:38).
Gods woord is levend en blijvend (
1Pt 1:23).
Yeshua’s woorden waren geest en leven (
Jh 6:63)
Paulus sprak van het woord des levens (
Fp 2:16)
Zo ook Psalm 95. Ondanks het ongeloof van de Exodusgeneratie is het woord geen dode letter gebleken; veeleer bezit hij een blijvende gelding.

- ενεργης; werkzaam.
Gods woord is naar buiten toe werkzaam (
Ps 147:15); het heef dynamische waarde:

Zo geldt dit ook voor het woord
dat voortkomt uit mijn mond:
het keert niet vruchteloos naar mij terug,
niet zonder eerst te doen wat ik wil
en te volbrengen wat ik gebied.
(Js 55:11; NBV)

- τομωτερος; scherper dan elk tweesnijdend zwaard.
Een zwaard met dubbele mond [letterlijk naar het Grieks] is een uiterst gevaarlijk wapen.
Het is beter om het niet te trotseren, zoals de Exodusgeneratie tot haar eigen ondergang deed: "Indien zij in mijn rust zullen ingaan".

- διικνουμενος; doordringend tot scheiding van zowel ziel en geest als van gewrichten en merg.
Het woord Gods dringt zó diep door dat het zelfs scheiding brengt tussen de meest eng verbonden wezenselementen der mens, zowel op lichamelijk als geestelijk gebied. Het dringt tot de kern van de zaak door; wat de mens betreft, tot zijn diepste innerlijk. Het brengt zijn ware innerlijke geest aan het licht en wat hij werkelijk in zijn levenswijze is. Het openbaart het verschil tussen datgene wat hij misschien ogenschijnlijk is en de overheersende houding die hem ertoe beweegt op een bepaalde manier te spreken en te handelen.

- κριτικος; oordelend, of: tot oordeel in staat van gedachten en overleggingen van [het] hart.
Het hart is in de Bijbel de zetel van denken, voelen en willen. Welnu, Gods Woord bezit het vermogen om haar zedelijke waarde te beoordelen.

En geen schepsel is niet openbaar voor zijn aangezicht; maar alle dingen zijn naakt en blootgelegd voor de ogen van hem met wie wij te doen hebben…
De apostel spreekt nog altijd over de grote vermogens van Gods Woord, maar het is duidelijk dat ο λογος [het Woord] nu wordt gepersonifieerd. De Logos heeft de wezenskenmerken van God zelf, precies zoals Paulus uiteenzet in Ks 1:15-19

Hij is evenbeeld van de onzichtbare God, eerstgeborene van alle schepping, omdat in hem alle dingen werden geschapen… alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen. En zelf is hij vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen in hem… hij die oorsprong is… omdat het heel de Volheid goeddacht in hem te wonen.

Maar hier gaat het om Gods Enigverwekte, zijn Zoon, die bij Johannes de Logos heet: En de Logos werd vlees en hield onder ons verblijf… Niemand zag ooit God, [de] enigverwekte god, hij die in de boezem van de Vader is, die verklaarde [hem].

Zie Jh 1:1, 14, 18.


Precies zoals bij de Vader, God, zelf het geval is, geldt ook voor de Zoon, de Logos, dat niemand voor hem niet openbaar is. Men kan zich niet voor hen verbergen; beide doorgronden harten en nieren, het diepste innerlijk derhalve (Ps 139:13-16; Op 2:23).

Interessant is hier het (unieke) gebruik van het werkwoord τραχηλιζω dat oorspronkelijk de betekenis heeft: de hals [van het offerdier] achterover buigen en aldus ontbloten voor het zwaard.

Met het participium blootgelegd wordt hier dus de absolute weerloosheid van elk schepsel getekend. Niemand kan zich tegenover God verbergen of verzetten. Hetzelfde geldt voor de Zoon, degene met wie wij te doen hebben, of [letterlijk]: "tegenover wie ons het woord is".

Aangezien elk schepsel, met inbegrip van al zijn dingen, zich naakt en bloot bevindt voor de Vader en de Zoon, dus ook de Hebreeën, kunnen zij er zeker van zijn dat zij zich tegenover hen moeten verantwoorden, maar in het bijzonder tegenover de Logos, hun Masjiach, aangezien de Vader heel het oordeel aan de Zoon heeft gegeven (Jh 5:22).


Vergelijk Js 11:3-5.

 

3. Hogepriesterschap van de Masjiach in Nieuw Verbond (4:14 - 8:13)

 

a. Medegevoel met zwakheden (4:14-16)


Εχοντες ουν αρχιερεα μεγαν διεληλυθοτα τους ουρανους, Ιησουν τον υιον του θεου, κρατωμεν της ομολογιας∙

14 Daar wij dan een grote Hogepriester hebben die de hemelen is doorgegaan, Yeshua, de Zoon Gods, laten wij aan de belijdenis vasthouden.

Het spreken over de Masjiach als hem met wie wij te doen hebben, doet de apostel weer denken aan het centrale thema van zijn Brief: Yeshua, de nieuwe Hogepriester, functionerend binnen een Nieuw Verbond. Doordat hij zijn broeders uitvoerig vermaande om niet - naar het slechte voorbeeld van hun voorvaders - eveneens tot verharding en ongeloof te vervallen, leek hij dat thema tijdelijk uit het oog verloren te hebben. Hier haakt hij echter weer aan, met name aan de passage waarin hij Yeshua voor de eerste maal als de nieuwe Hogepriester ten tonele had gevoerd. Ter herinnering:

Want waarlijk, engelen komt hij niet te hulp, maar zaad van Abraham komt hij te hulp. Vandaar dat hij in alle opzichten aan de broeders gelijk moest worden gemaakt, opdat hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou worden in de dingen die God betreffen, om verzoening te doen voor de zonden van het volk. Want doordat hij zelf heeft geleden toen hij beproefd werd, kan hij hen die beproefd worden, helpen. Dientengevolge, heilige broeders, deelgenoten ener hemelse roeping, beschouwt aandachtig de apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Yeshua.
(Hb 2:16 - 3:1)

Wat betreft het zaad van Abraham beperkt de apostel in Hebreeën zich tot diens natuurlijke nakomelingen. Dat blijkt ook uit deze passage. Want verwijzend naar de jaarlijkse Verzoendag, vermeldt hij als enig tegenbeeld de aanwending van het zondeoffer voor het volk. Binnen die benadering past ook het concept dat Yeshua’s hogepriesterschap bedoeld is voor etnisch Israël, in het bijzonder vanaf de tijd dat het Messiaanse koninkrijk realiteit wordt. Daarover zal Paulus in het vervolg nog uitgebreid te spreken komen. In zijn geval oefent Yeshua zijn hogepriesterschap niet meer uit naar de wijze van Aäron, maar volgens de orde van Melchizedek. Niettemin zal ook zijn priesterlijke dienst op Israël gericht zijn.

Een grote Hogepriester die de hemelen is doorgegaan…
De apostel vermeldt stap voor stap aspecten van Yeshua’s hogepriesterlijke dienst die in beginsel overeenkomen met die van Aäron, maar die in werkelijkheid toch zodanig verschillen dat hij daardoor tot een veel grotere figuur gemaakt wordt.
Zo moest Aäron op de jaarlijkse Verzoendag door de afdelingen van het Tabernakelcomplex gaan - het Voorhof en het Heilige (de eerste tent) - om het Allerheiligste binnen te gaan, de Tentafdeling achter het tweede gordijn en die daarom de tweede (tent) genoemd, waar God zelf werd geacht te wonen boven het verzoendeksel van de ark des Verbonds.


En hoewel hij zich zowel in de eerste als in de tweede tentafdeling van het Heiligdom in zekere zin in een hemelse sfeer bevond - omringd als hij was door de cherubim die op de binnenzijde van de tempelkleden waren geborduurd - verbleef hij op dat moment niettemin in een tot de wereld behorend heiligdom (Ex 36:8, 35; Hb 9:1-7). 


Maar Yeshua is na zijn opstanding en hemelvaart de werkelijke hemelen doorgegaan teneinde binnen te treden in de plaats waar God zelf troont, kennelijk de hemel der hemelen, of wellicht de derde hemel - ook paradijs genoemd - waarheen de apostel Paulus in een bovennatuurlijk visioen werd weggerukt (1Kn 8:27; 2Ko 12:1-4; Hb 9:24).

ου γαρ εχομεν αρχιερεα μη δυναμενον συμπαθησαι ταις ασθενειαις ημων, πεπειρασμενον δε κατα παντα καθ ομοιοτητα χωρις αμαρτιας.

15 Want wij hebben geen Hogepriester die niet in staat is mee te voelen met onze zwakheden, maar die in alle opzichten op gelijke wijze beproefd is, behoudens zonde.


Hoewel de Hebreeën een veel grotere Hogepriester hebben dan hun voorvaders, één die de hemelen doorschreed en werkelijk in de tegenwoordigheid van God is verschenen, teneinde binnen het ware Heiligdom de waarde van zijn eigen offer aan God aan te bieden, is hij toch niet zo hoog verheven dat er een onoverkomelijke barrière tussen hem en hen zou bestaan. Integendeel, voor Yeshua geldt nu juist datgene waardoor elke ware priester gekenmerkt moet worden: Volkomen solidair zijn met de mensen ten behoeve van wie hij optreedt. 


Zeker, hij is de hoog verheven Zoon Gods die - nadat hij reiniging der zonden bewerkte - plaats nam aan de rechterhand der majesteit in verheven plaatsen (Hb 1:3). Maar hier op aarde was hij eens werkelijk mens, deelachtig aan bloed en vlees, om welke reden hij volkomen kan meevoelen met de zwakheden die inherent zijn aan de Adamitische mens (Hb 2:14). Ook hij is door persoonlijke ondervinding te weten gekomen wat het betekent dorst te hebben, hongerig te zijn, uitgeput raken door vermoeidheid, en meer in het bijzonder: Grote lichamelijke pijnen ondergaan.

De Hogepriester Yeshua weet dus zelf ook heel goed wat het betekent beproevingen te ondergaan, in elk opzicht zelfs: Niets wat de mens tot zonde kan brengen bleef hem bespaard. Maar er was één verschil, wat ook al in Hb 2:14 tot uitdrukking kwam. Weliswaar werd Yeshua aan bloed en vlees deelachtig, maar dat geschiedde op bijna gelijke wijze. Bij de incarnatie ontving hij de menselijke natuur, maar aangezien God zijn Vader was kreeg hij geen deel aan de erfenis van Adam. Wel menselijk, maar niet zondig, en bijgevolg ook niet onderhevig aan de ziektes die het gevolg zijn van de 'slavernij aan het verderf'.

Tot Maria zei Gabriël immers: Heilige geest zal op je komen en kracht des Allerhoogsten zal je overschaduwen; daarom ook zal het heilige dat verwekt wordt Gods Zoon worden genoemd (Lk 1:35).

Yeshua was de heilige, zondeloze Zoon van God, óók als mens; zoals Petrus zei tot de Joden van zijn dagen: "Jullie hebben die Heilige en Rechtvaardige verloochend" (Hn 3:14).
Vandaar dat de apostel hier schrijft: "die in alle opzichten op gelijke wijze beproefd is, behoudens zonde". Er was niets zondigs in Yeshua waardoor hij beproefd kon worden (
Hb 7:26). Bij hem was geen zonde aanwezig waarop Satan kon inspelen; geen aangeboren geneigdheid daartoe.

προσερχωμεθα ουν μετα παρρησιας τω θρονω της χαριτος, ινα λαβωμεν ελεος και χαριν ευρωμεν εις ευκαιρον βοηθειαν.

16 Laten wij dan met vrijmoedigheid de troon der liefderijke gunst naderen, opdat wij barmhartigheid mogen ontvangen en liefderijke gunst vinden tot hulp op de juiste tijd.

Na elke explicatie is het voor de apostel gebruikelijk om met een warme aanmoediging te komen; zó ook hier: 'Als jullie, Hebreeën, zo’n Hogepriester hebben, dan is er voor jullie toch alle reden de troon van de liefderijke gunst te naderen. Jullie Hogepriester is solidair met jullie; hij wil jullie maar al te graag helpen'.
Paulus gebruikt het werkwoord προσερχομαι, komen tot; naderen, of ook wel weer te geven met toetreden, dat wil zeggen in een cultisch karakter; bijvoorbeeld tot het altaar Gods.

In onze Brief wordt de term vooral gebruikt in de betekenis van naderen tot God. Op basis van het volbrachte werk van de Hogepriester Yeshua, is het voor de Hebreeën mogelijk geworden om door zijn tussenkomst vrijmoedig tot God te komen (Hb 7:25; 10:1, 22; 11:6; 12:18, 22).

Van oudsher is het Joodse volk bekend met Gods 'troon', het symbool van zijn majesteit en macht (
Js 6:1). De hemel is zijn troon en de aarde zijn voetbank (Js 66:1). Ook weten zij van Gods 'troon des gerichts', zoals die vertegenwoordigd werd door de koningen in Davids geslachtslijn (Sp 20:8). In Dn 7:9-10 kreeg Daniël Gods troon, Het Gerecht, voor de Eindtijd te zien.


Maar de Hebreeën moeten er zich van bewust worden dat in het Messiaanse tijdperk een troon genaderd mag worden die genade of liefderijke gunst vertegenwoordigt. Wanneer die troon in geloof wordt genaderd, met een volledig vertrouwen in de gunstige effecten van de verdiensten van hun Masjiach, zullen ook zijzelf liefderijke gunst ervaren en met barmhartigheid bejegend worden.

Gods stemming ten opzichte van hen is er één van gunst; hij wil hen hulp bieden. Als van nature zwakke mensen zullen zij die hulp bovendien nog hard nodig hebben, bijvoorbeeld in hun confrontatie met hun Joodse broeders die zich geheel zullen overgeven aan de dan te verschijnen Pseudomasjiach (Js 66:5). Maar juist op zulke cruciale momenten zal er hulp beschikbaar zijn voor hen, van de zijde der troon van liefderijke gunst.

 

Hebreeën 5

 

b. Geschikt om volmaakte Hogepriester te zijn (5:1-10)


Πας γαρ αρχιερευς εξ ανθρωπων λαμβανομενος υπερ ανθρωπων καθισταται τα προς τον θεον, ινα προσφερη δωρα τε και θυσιας υπερ αμαρτιων, μετριοπαθειν δυναμενος τοις αγνοουσιν και πλανωμενοις, επει και αυτος περικειται ασθενειαν, και δι αυτην οφειλει καθως περι του λαου ουτως και περι αυτου προσφερειν περι αμαρτιων. και ουχ εαυτω τις λαμβανει την τιμην, αλλα καλουμενος υπο του θεου, καθωσπερ και Ααρων.

1-4 Want elke Hogepriester die uit mensen wordt genomen, wordt ten behoeve van mensen aangesteld in de dingen die God betreffen, om zowel gaven als slachtoffers voor zonden op te dragen. Hij is in staat tegemoetkomend te zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf aan zwakheid onderhevig is. En daardoor is hij verplicht, gelijk voor het volk, zo ook voor zichzelf te offeren voor zonden. Ook neemt niemand voor zichzelf de eer, maar wanneer hij door God is geroepen, evenals ook Aäron.

Dat de Masjiach inderdaad ten volle beantwoordt aan de voorwaarden welke aan het hogepriesterschap gesteld worden, gaat de apostel nu aantonen: De Hogepriester moet volkomen solidair kunnen zijn met zijn medemens.
Zoals in de twee voorafgaande verzen al werd aangegeven, is Yeshua in staat mee te voelen met de zwakheden der Hebreeën, aangezien ook hijzelf
in alle opzichten op gelijke wijze is beproefd.   


Daarin beantwoordt hij aan Aäron die
tegemoetkomend kon zijn jegens de onwetenden en dwalenden, maar in het geval van Aäron had dat vooral te maken met het feit dat ook hijzelf aan zonden en zwakheden onderhevig was. Dat geldt uiteraard niet voor Yeshua, maar wél is hij, precies zoals Aäron - type voor alle Hogepriesters die in de Aaronische geslachtslijn binnen het Oude Verbond dienden - uit mensen genomen en kan hij door God ten behoeve van mensen worden aangesteld.
Hoewel Aäron, en na hem zijn zonen, plaatsvervangend voor mensen konden optreden naar God toe, konden zij geen volmaakte middelaars zijn. Ook zijzelf waren verplicht voor de eigen zonden slachtoffers op te dragen; zij waren niet meer dan alle andere Hebreeën.


 Op de jaarlijkse Verzoendag kwam dat speciaal tot uitdrukking wanneer door het brengen van offers het gehele volk ceremonieel van alle zonden werd gereinigd en opnieuw aan YHWH werd toegewijd. Maar als eerste moest Aäron de stier opdragen om verzoening te doen
voor zichzelf en zijn huis (Lv 16:6).

Ook neemt niemand voor zichzelf de eer, maar wanneer hij door God is geroepen…
Vanzelfsprekend kan alleen God zelf degene aanwijzen die het volk bij Hem mag vertegenwoordigen en die ten behoeve van hen offers mag opdragen.
Daaruit blijkt al op zich dat aan het ambt veel eer was verbonden. De apostel gebruikt het lidwoord (de eer). Het was het ereambt bij uitstek, te meer daar het berustte op roeping. Het is geen ambt dat iemand zich kon toeëigenen; het werd slechts verkregen op grond van roeping door God. Een hemelse roeping derhalve en geheel in lijn met de hemelse roeping van heel Israël om binnen het Millennium, in Gods voornemen, als een koninklijke priesterschap tot zegen te worden voor de overige mensheid (
Hb 3:1; zie commentaar aldaar).

Dit wordt weer aangetoond door het voorbeeld van Aäron; in de Schrift wordt naar zijn roeping verwezen. Aan Mozes gebood YHWH: Gij dan, doe tot u naderen uw broeder Aäron, en zijn zonen met hem, uit het midden der Israëlieten, om voor Mij het priesterambt te bekleden (Ex 28:1)

Vergelijk ook 
Lv 16:2; Nm 3:10; 16:5-11; 17:1-11; 1Kr 23:13, en merk daarbij op dat YHWH Elohim streng optrad tegen allen die het Aäronische hogepriesterschap betwistten. De wijze waarop God Aärons ambt kracht bijzette is opmerkelijk. Alléén zijn staf botte uit en bracht rijpe amandelen voort: Een bovennatuurlijke vrucht. Daarmee werd het bewijs geleverd dat slechts hij door YHWH Elohim tot het ambt was geroepen (Nm 17:8-11).

De les die wij daaruit overigens ter harte kunnen nemen is deze:

 

Een ieder die door God voor een taak in zijn voornemen wordt geroepen, zal met zijn hulp vrucht dragen.

 

Ουτως και ο Χριστος ουχ εαυτον εδοξασεν γενηθηναι αρχιερεα, αλλ ο λαλησας προς αυτον,

Υιος μου ει συ,
εγω σημερον γεγεννηκα σε∙
καθως και εν ετερω λεγει,
Συ ιερευς εις τον αιωνα
κατα την ταξιν Μελχισεδεκ.

5-6 Zo óók de Masjiach; hij verheerlijkte niet zichzelf om Hogepriester te worden, maar hij die tot hem sprak:
Mijn zoon ben jij, ik heb je heden verwekt.
Gelijk hij ook op een andere plaats zegt:
Jij [bent] priester tot in de eeuw naar de orde van Melchizedek.


Deze perikoop wordt gekenmerkt door de stijlfiguur chiasma, de verbinding van woordparen die in spiegelbeeld tegenover elkaar staan.
Zo beantwoorden deze verzen (5 en 6) aan het voorafgaande vers (4) en de verzen 7 tot en met 10 aan de verzen 1 tot en met 3.


Niemand kan zich de eer van Hogepriester zelf toeëigenen. Dat gold voor Aäron; het geldt ook voor Yeshua Masjiach: Niemand neemt voor zichzelf de eer.
Of, zoals nu hier enigszins anders wordt geformuleerd: Niemand kan zichzelf in dit opzicht verheerlijken. De verheerlijking hangt samen met de roeping door God; in het geval van de Masjiach, op grond van twee zeer bekende Messiaanse Psalmen (2 en 110).
Beide Psalmen zijn we al eerder in hoofdstuk 1, tegengekomen.

Mijn zoon ben jij, ik heb je heden verwekt…
Tegen de verwachting in - het citaat hangt in Psalm 2 samen met koningschap, niet met priesterschap - stelt de apostel dat YHWH Elohim met die uitspraak zijn Zoon tevens bekleedde met de heerlijkheid van het ultieme priesterschap. Op welke gronden kon hij zich dat veroorloven?
Welnu, niet alleen zal in het volgende vers met een citaat uit Psalm 110 het Priesterschap van de Masjiach bevestigd worden, maar reeds het feit op zich dat hij krachtens zijn diepste wezen Zoon Gods is, doet hem daarvoor in aanmerking komen.  


Terwijl Aäron het hogepriesterschap ontving als een ambt, is het bij de Masjiach een wezenlijk deel van zijn persoonlijkheid. Waarom?
Omdat het in Gods voornemen besloten lag dat hij door de incarnatie Mensenzoon zou worden die op grond daarvan

a
  zijn ziel zou kunnen geven als losprijs in plaats van velen.

Reeds de aard van die taak - het helen van de breuk die door de zonde tussen mens en God was ontstaan - bestempelde hem als priester (Mt 20:28); en
b
  uit mensen genomen zou kunnen worden om Hogepriester te zijn, ten behoeve van mensen aangesteld in de dingen die God betreffen.

Dus als ook maar iemand tot het hogepriesterschap geroepen en bestemd was, dan wel de Masjiach, de Zoon van God!
Yeshua stamde niet af van Aäron en bijgevolg zou er twijfel kunnen rijzen omtrent de authenticiteit van zijn roeping, uiteraard vooral bij Hebreeën die strikt Thorahgetrouw zijn in denken en handelen. 


Om hen daarin tegemoet te komen en uiteindelijk te kunnen overtuigen, legt de apostel juist zoveel nadruk op het feit dat niet afstamming het voornaamste vereiste is, maar 

(1) de goddelijke roeping, en

(2) het feit dat de bewuste persoon de Masjiach van God is, degene die van oudsher de hoop van de voorvaders is geweest, en dat mede op grond van Psalm 110.

Ter herinnering:

1-2
Van David; een psalm. Zo spreekt YHWH tot mijn Heer: "Zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden leg tot een voetbank uwer voeten".

De scepter van uw sterkte zal YHWH vanuit Sion zenden: "Heers te midden van uw vijanden".
4 YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij zijt priester tot in de eeuw, naar de orde van Melchizedek".

De Masjiach daarom, en geen ander, zal voor altijd Priester zijn. Tot in de eeuw zou opgevat kunnen worden als het hele Messiaanse tijdperk, inclusief het Millennium, de eeuw van de toekomstige bewoonde aarde.
De Masjiach wordt weliswaar in Psalm 110 niet Hogepriester genoemd, maar het feit dat hij op geheel enige wijze het priesterschap bezit, maakt hem tot de Hogepriester bij uitstek.

Naar de orde van Melchizedek…
Aangezien Aäron als Hogepriester een beeld was van hem die blijvend Hogepriester zal zijn, zal Yeshua beslist alle kenmerken waarmee het Levitische priesterschap vergezeld ging, in tegenbeeld vervullen, maar binnen de blijvende en werkelijk reddende regeling (oikonomia) zal de Masjiach het priesterschap uitoefenen naar de orde (ταξις) van Melchizedek. Of, volgens Hb 7:15, naar de gelijkheid (ομοιοτης) van Melchizedek. 


Waarin die gelijkheid of overeenkomst bestaat, zal de apostel in hoofdstuk 7 nog uitvoerig aangeven. Blijkbaar heeft David, de Psalmist, onder inspiratie de voornaamste overeenkomst gezien in het feit dat de Masjiach Priester/koning zal zijn zoals ook Melchizedek, die koning van Salem was, maar tegelijkertijd ook priester van de Allerhoogste God, terwijl het Aäronische priesterschap streng gescheiden bestond naast het koningschap (Gn 14:18).

 

Hier zien we een treffende voorkennis van God die er bij de inspiratie van het Boek Genesis voor zorgde dat het unieke verslag over Melchizedek een plaats kreeg in hoofdstuk 14, helemaal in lijn met Spaak 14 van het Bijbelwiel, waartoe het Boek Hebreeën behoort: 2 Kronieken – Zefanja – Hebreeën.

 

ος εν ταις ημεραις της σαρκος αυτου, δεησεις τε και ικετηριας προς τον δυναμενον σωζειν αυτον εκ θανατου μετα κραυγης ισχυρας και δακρυων προσενεγκας και εισακουσθεις απο της ευλαβειας, καιπερ ων υιος εμαθεν αφ ων επαθεν την υπακοην∙ και τελειωθεις εγενετο πασιν τοις υπακουουσιν αυτω αιτιος σωτηριας αιωνιου, προσαγορευθεις υπο του θεου αρχιερευς κατα την ταξιν Μελχισεδεκ.

7-9 Hij die in de dagen van zijn vlees met sterk geroep en tranen zowel smekingen als smeekbeden opdroeg aan hem die hem uit [de] dood kon redden, en die verhoord werd vanwege de godvruchtige vrees, leerde - hoewel hij Zoon was - de gehoorzaamheid uit de dingen die hij leed, en tot volmaaktheid gebracht werd hij voor allen die hém gehoorzamen oorzaak van eeuwige redding,

En tot volmaaktheid gebracht…
De centrale gedachte in dit Schriftdeel.
Reeds bij
Hb 2:10 werd het werkwoord waar het hier om gaat, τελειοω, door de apostel in verband gebracht met de Masjiach. God achtte het passend om bij het tot heerlijkheid leiden van vele zonen de bewerker van hun redding [de Masjiach] door lijden tot volmaaktheid te brengen.
Zoals we zagen had God daarmee de Hebreeën op het oog die in verbondenheid met Yeshua de nieuwe geboorte van de geest zullen ervaren en daardoor in de positie komen om op de toekomstige bewoonde aarde het Koninkrijk voor Israël naar de mensen der natiën [de Heidenvolken] toe te dienen en te vertegenwoordigen. Als de voorzegde Koninklijke priesterschap zullen zij dan tot zegen voor de Heidenen kunnen worden.

En in de procedure die tot hun heerlijkheid moet leiden, dacht het God goed zijn Zoon daarin een centrale rol te laten vervullen, niet alleen door het vrijkopende offer te verschaffen maar ook door als Leidsman of Bewerker van hun redding op te treden. Om die toewijzing - in feite een hogepriesterlijke taak - met compassie te vervullen had hij zelf opleiding op aarde nodig. Hij moest eerst zelf een loopbaan volgen waarin hij veel zou moeten verduren, waaronder de hardnekkige tegenstand en tegenspraak van zijn eigen, zondige volksgenoten en tenslotte de schande van een dood aan een martelpaal.

En hier wordt vervolgens getoond dat de Masjiach stap voor stap de geschiktheid voor het hogepriesterlijk ambt verwierf. Hij leerde de gehoorzaamheid, de complete onderwerping aan Gods wil, uit de dingen die hij leed.
En dat gebeurde in de dagen van zijn vlees, waarmee niet slechts herinnerd wordt aan zijn aardse bestaan maar vooral gedoeld wordt op de zwakheid die nu eenmaal samengaat met het hebben van de menselijke natuur. Zelfs een 'gaaf' mens die niet geschonden is door de Adamitische erfenis, is slechts kwetsbaar stof (Een ziel; nefesj
Gn 2:7).

Hierin zien we - waarop wij al eerder attendeerden - de stijlfiguur chiasma terug; de verzen onder beschouwing corresponderen met de vv 1-3.
Daar werd gezegd dat de Joodse Hogepriester die ten behoeve van zijn broeders optrad, tegemoetkomend kon zijn jegens de dwalenden en onwetenden, aangezien hij ook zelf met de Adamitische zwakheden behept is, en daarom ook voor zichzelf - zelfs in de eerste plaats - offers aan God moest opdragen. In dat opzicht gaat het parallellisme met de Masjiach uiteraard niet op. Niettemin vinden we de gedachten die met de vv 1-3 corresponderen hier in hoofdzaak terug:

∙ Door de Mensenzoon te worden, kon hij uit mensen genomen worden om ten behoeve van mensen op te treden.
∙ Hij hoefde weliswaar niet te offeren voor eigen zonden, maar hij droeg wel voortdurend gebeden en smeekbeden aan God op. Het werkwoord, προσφερω, offeren; ten offer opdragen; als in de vv 1 en 3, wordt ook hier gebruikt.


De aorist, προσενεγκας, duidt op een bepaald feit in het leven van de Masjiach. Gelezen in samenhang met sterk geroep en tranen, moeten we dan wel denken aan zijn gebedsstrijd in Gethsémané. In die situatie leerde Yeshua het lijden in zijn volle betekenis kennen, waartegen zijn menselijke natuur zich op een natuurlijke wijze verzette. Zoals hij zelf tot zijn leerlingen zei: Mijn ziel is diepbedroefd, ja, tot de dood toe (Mt 26:38).

Wat betreft zijn sterk geroep en tranen, waarover wij niet direct bij de synoptici lezen, lijkt het waarschijnlijk dat de apostel zich gebaseerd heeft op bepaalde Messiaanse Psalmen, zoals geheel
Psalm 88 en Psalm 116, en de verzen 3 en 25 van Psalm 22.
In die Psalmen wordt ook geregeld gezinspeeld op de verpletterende last van zonde en oordeel, en Gods toorn ten aanzien daarvan, die de Masjiach plaatsvervangend voor de hele zondige mensheid zou dragen. Bijvoorbeeld:

Laat mijn gebed voor uw aangezicht dringen; luister toch naar mijn klagen. Want mijn ziel is zat van ellende, mijn leven het rijk der doden nabij; men telt mij bij hen, die ten grave dalen, ik ben als een man, aan het eind van zijn kracht. Ik ben als de doden verstoten, als lijken, die in het graf zijn gelegd: Aan wie Gij niet langer meer denkt, en die aan uw hand zijn onttrokken. Gij hebt mij in de diepe grafkuil gestort, in duisternis en in de schaduw des doods; Uw toorn drukt zwaar op mij neer, al uw golven slaan over mij heen… Daarom, YHWH, roep ik U aan, treedt iedere morgen mijn bede U tegen. Waarom zoudt Gij mij dan verstoten, o YHWH, en mij uw aanschijn verbergen? Van jongsaf ben ik in ellende en zorgen gedompeld, ik ben radeloos onder de last van uw plagen. Uw gramschap slaat over mij heen, Uw verschrikkingen overstelpen mij. Als water omringen ze mij iedere dag, en sluiten mij helemaal in.
(Ps 88:2-7, 13-17; PC)

In Gethsémané zag Yeshua Masjiach de dood wegens de vloek der zonde op zich afkomen. Hij wist dat hij nu op het punt stond het offer van zijn eigen leven te brengen voor de zonde der wereld. Zelf tot vloek gemaakt kon het niet anders of smart en verschrikking moesten wel over zijn ziel komen.

Hij die… zowel smekingen als smeekbeden opdroeg aan hem die hem uit [de] dood kon redden, en die verhoord werd vanwege de godvruchtige vrees…
Hier lezen we niet alleen over Yeshua’s gebedsoffer, enigszins overeenkomend met het offeren voor zichzelf van de Joodse Hogepriester, maar komt ook het inherent 'zwakke' van de menselijke natuur sterk onder onze aandacht: Lijden en dood.

Het tekent de toestand van zwakheid en vernedering waarin de Masjiach zich toen bevond. Maar ook begrijpen we dat op grond daarvan hij, evenals de Joodse Hogepriester, meevoelend kan zijn met menselijke ellende en tegemoetkomend jegens dwalenden en onwetenden.


Over de wijze waarop de Vader zijn Zoon verhoorde, lezen we in Lukas het volgende:

Toen hij nu op de plaats was gekomen, zei hij tot hen: Bidt, om niet in verzoeking te komen. En hij verwijderde zich van hen ongeveer een steenworp ver, en neergeknield zijnde ging hij bidden, zeggend: "Vader, indien gij wenst, neem deze beker van mij weg; doch niet mijn wil maar de uwe geschiede". Hem nu verscheen een engel uit de hemel die hem sterkte. En in hevige angst gerakend, bad hij des te vuriger. En zijn zweet werd als dikke bloeddruppels, die op de grond vielen. En hij stond op van het gebed.
(Lk 22:40-45)

Dat hij opstond van het gebed geeft te kennen dat er rust over zijn ziel was gekomen. De 'beker' werd weliswaar niet van hem weggenomen, maar wel de menselijke schrik ervoor. De Masjiach werd werkelijk verhoord vanwege de godvruchtige vrees, welke bestond in de volkomen eerbiediging van de wil van de Vader. Vergelijk
Hb 12:28, de enige andere plaats waar ευλαβεια verschijnt.

προσαγορευθεις υπο του θεου αρχιερευς κατα την ταξιν Μελχισεδεκ.


10
door God begroet als Hogepriester naar de orde van Melchizedek.

Dit is niet zondermeer een verwijzing naar het citaat uit Psalm 110, vers 4, om het hogepriesterschap van de Masjiach nogmaals te bevestigen. Veeleer betreft het een mededeling - en zeker geen onbelangrijke - die chronologisch volgt op de in vv 7 tot en met 9 vermelde feiten. Bovendien wordt niet, zoals in de Psalm, van priester gesproken, maar van Hogepriester. Om die reden moeten wij denken aan wat God tot zijn Zoon zou zeggen wanneer hij hem volgens Ps 110:1 ná zijn dood, opstanding en hemelvaart zou uitnodigen om aan Zijn rechterhand plaats te nemen.

En inderdaad werd de Masjiach - volgens de unieke mededeling van onze auteur - bij die gelegenheid door de Vader God welkom geheten, begroet, of toegesproken [mogelijke weergaven van het werkwoord προσαγορευω] als degene die zich het hogepriesterschap naar de orde van Melchizedek volkomen waardig had betoond. Die door de gehoorzaamheid en door de godvruchtige vrees tot volmaaktheid voor die taak was gebracht. Als glorierijk overwinnaar van de zonde en de dood heette de Vader zijn Zoon in die hoedanigheid welkom. De noodzakelijke tweede fase in de scheppingsvolgorde was zeker gesteld.

Want er was nu redding beschikbaar gekomen in de zin van Rm 8:21 voor allen, die op hun beurt, de Zoon zullen gehoorzamen (vers 9); dat wil zeggen: Allen die zich in alle opzichten in geloof op hem verlaten, als
- de Loskoper van het oordeel op de zonde;
- de Hogepriester, de enige Middelaar tussen God en de mensen;
- de Koning van het Messiaanse Millenniumkoninkrijk, die gehoorzaam gediend moet worden in nederige onderwerping aan de leiding waarin hij door tussenkomst van de aardse Koninklijke priesterschap zal voorzien.              

    

c. Geestelijk achterblijven; gevaar voor afval (5:11 – 6:8)


Περι ου πολυς ημιν ο λογος και δυσερμηνευτος λεγειν, επει νωθροι γεγονατε ταις ακοαις. και γαρ οφειλοντες ειναι διδασκαλοι δια τον χρονον, παλιν χρειαν εχετε του διδασκειν υμας τινα τα στοιχεια της αρχης των λογιων του θεου, και γεγονατε χρειαν εχοντες γαλακτος [και] ου στερεας τροφης.

11-12 Over hem hebben wij veel te zeggen en het is moeilijk uit te leggen, aangezien jullie traag zijn geworden in het horen. Immers, terwijl jullie gezien de tijd leraren behoren te zijn, hebben jullie weer nodig dat iemand jullie de eerste beginselen van de uitspraken Gods onderwijst, en jullie zijn geworden als zij die melk nodig hebben, geen vast voedsel.

Weer onderbreekt de apostel zichzelf; hij schijnt te aarzelen.

Zullen zijn lezers, de Hebreeën, met name de Joden van de Eindtijd, wel de bereidheid tonen zich helemaal open te stellen voor verdere uitleg omtrent de nieuwe Hogepriester, die niet zal optreden naar de orde van Aäron maar naar die van Melchizedek?

Weliswaar heeft YHWH Elohim zelf, vlak voor Pinksteren van het jaar 33 AD, zijn Zoon als zodanig begroet bij zijn (her)entree in het hemelse Allerheiligste, precies zoals op grond van Psalm 110 ook verwacht mocht worden. Maar de vraag blijft of de Joden daarvoor een open oog en, belangrijker nog, een open geest zullen hebben en YHWH daarin zullen navolgen.
Waarin is vooral de moeilijkheid gelegen?

Allereerst
zijn zij traag geworden in het horen.

Op grond van het commentaar dat de apostel in de hoofdstukken 3 en 4 gaf op de gezindheid van de Exodusgeneratie, moet horen ook hier opgevat worden in de zin van in geloof gehoor geven. Welnu, van die gezindheid is de afgelopen 2000 jaar weinig gebleken. De Hebreeën hebben hun eigen Masjiach niet ingehaald zoals YHWH Elohim zelf deed. Integendeel, de meerderheid van hen heeft zich laten infecteren door dezelfde haatdragende geest waarvan de Joodse religieuze elite in de Eerste eeuw al jegens Yeshua blijk gaf, als gevolg waarvan zij hem aan de Romeinen overleverden om hem ter dood te laten brengen (Lk 24:19-20; Hn 3:13-15).

Terwijl jullie gezien de tijd leraren behoren te zijn, hebben jullie weer nodig dat iemand jullie de eerste beginselen van de uitspraken Gods onderwijst…
Er is zelfs nog meer aan de hand. Tot nu toe is Israël volledig in gebreke gebleven gehoor te geven aan haar oorspronkelijke roeping, zoals God die bij de Sinaï formuleerde tegenover Israëls Middelaar bij God, Mozes.

Israël werd door YHWH tot een uitverkoren volk gemaakt met een doel: Om tot zegen te worden van de Gojim, de Heidenen. Als een koninkrijk van priesters is het hun roeping de onwetenden en dwalenden grondig te informeren over de ware God, de Schepper van hemel en aarde, en dat in een geest van grote tegemoetkoming.

God sprak in de oudheid niet voor niets veelvuldig en op veel manieren tot de vaders door tussenkomst van de profeten. Als enig volk op aarde werden zij begunstigd met Gods uitspraken (Ex 19:5-6; Hb 5:2; 1:1; Ps 147:19-20).

En nu is het zelfs zover gekomen dat er een noodzaak is dat iemand hen weer terugvoert naar
de eerste beginselen van die uitspraken Gods. Waarom? En wat is daarvoor de reden? De Masjiach gaf het tijdens zijn optreden als mens reeds aan: Hun leiders hebben hen steeds verder verwijderd van het krachtige Woord Gods, door er in toenemende mate hun eigen overleveringen en eigen ideeën voor in de plaats te stellen:

Huichelaars, terecht heeft Jesaja over jullie geprofeteerd, zeggend: "Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver van mij verwijderd; doch tevergeefs vereren zij mij, doordat zij leringen leren die geboden van mensen zijn"… Toen kwamen de leerlingen naar hem toe die tot hem zeiden: Weet je dat de Farizeeën, toen zij het woord hoorden, aanstoot namen? Hij zei echter ten antwoord: Elke plant die mijn hemelse Vader niet plantte, zal ontworteld worden. Laat hen begaan. Zij zijn blinde leidslieden. Als nu een blinde een blinde leidt, zullen beiden in een kuil vallen.
(Mt 15:7-14;
Js 29:10-14)

De vele, niet door God geïnspireerde Talmoedische leringen, met in aanvulling daarop de grote verscheidenheid aan commentaren door gerespecteerde Rabbijnen, hebben de studenten op de jesjiva’s, die onder zulke leringen worden bedolven, alsmaar meer vervreemd van het ware profetische Woord. Ongetwijfeld zou Yeshua hen nu met dezelfde verwijten confronteren als hij destijds deed met zijn trage leerlingen:

O onverstandigen en tragen van hart in het geloven van alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Masjiach deze dingen niet lijden, en in zijn heerlijkheid binnengaan? En beginnend vanaf Mozes en vanaf al de profeten legde hij hun uit wat in al de Schriften op hemzelf betrekking had.
Lk 24:25-27)

Die woorden sprak Yeshua op de dag van zijn opstanding tot twee van zijn leerlingen. Diezelfde avond nog zei hij tot een groter gehoor van leerlingen het volgende:

Dit zijn mijn woorden die ik tot jullie sprak toen ik nog bij jullie was, dat alle dingen vervuld moesten worden die over mij geschreven staan in de Wet van Mozes en in de Profeten en Psalmen. Toen opende hij hun verstand volledig, om de Schriften te begrijpen. En hij zei tot hen: Aldus staat er geschreven dat de Masjiach zou lijden en uit de doden opstaan op de derde dag, en op [basis van] zijn naam zou berouw tot vergeving van zonden gepredikt worden tot alle natiën – beginnend vanaf Jeruzalem. Jullie zijn getuigen van deze dingen.
(Lk 24:44-48)

De Masjiach ging in beide gevallen met hen terug tot
de eerste beginselen, of de elementaire uitspraken van God. Ook in de 70ste Jaarweek doen de Hebreeën er goed aan om, in plaats van zich koppig te blijven verzetten, zich in alle nederigheid opnieuw te verdiepen in – bijvoorbeeld - de profetische beelden die door de uitoefening van het Levitische priesterschap werden opgevoerd. Pas dan zullen zij kunnen inzien hoe die schaduwen tot werkelijkheden worden binnen het hogepriesterschap naar de orde van Melchizedek. Vandaar de actualiteit van Psalm 95: Heden, als jullie zijn stem horen, verhardt jullie harten niet zoals in de opstandigheid.
Dus eerst terug naar de
melk, doch niet met de bedoeling om daarin te verzanden; er is immers vast voedsel voorhanden!

πας γαρ ο μετεχων γαλακτος απειρος λογου δικαιοσυνης, νηπιος γαρ εστιν∙ τελειων δε εστιν η στερεα τροφη, των δια την εξιν τα αισθητηρια γεγυμνασμενα εχοντων προς διακρισιν καλου τε και κακου.

13-14 Want ieder die deel heeft aan melk, is onervaren in het Woord der rechtvaardigheid, want hij is onmondig; maar het vaste voedsel behoort volwassenen toe, die door het gebruik de zintuigen hebben geoefend tot onderscheiding van zowel goed als kwaad.

De melk is het beeld van de eerste beginselen, de spijs van kleine, onmondige kinderen. Aangezien de lezers dat opnieuw nodig hebben worden zij daardoor getekend als personen die geestelijk nog niet tot wasdom zijn gekomen; geestelijk onervaren mensen.
Voor sommigen zal dit moeilijk te accepteren zijn; zeker voor hen die zichzelf tot nu toe zagen zoals de apostel bepaalde broeders van hem onder de Joden beschreef:

Indien nu jij een Jood heet en je verlaat op de Wet, en je beroemt op God, zijn wil kent en weet te onderscheiden waarop het aankomt, onderwezen als je bent uit de Wet; en je overtuigd houdt dat je een leidsman van blinden bent, een licht voor hen die in duisternis zijn, een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van onmondigen, daar je in de Wet de belichaming der kennis en der waarheid hebt.
(Rm 2:17-20)

Mocht u zich in dit 'plaatje' herkennen, dan kan het wellicht relativerend werken de apostel meteen hierna de vraag te horen stellen: Jij dan, die een ander onderwijst, onderwijs je jezelf niet?

Hiermee wil alleen maar gezegd worden dat het op zich voortreffelijk is bekend te zijn met de elementaire uitspraken Gods, maar zolang iemand nog niet weet - zelfs een goed onderlegde Jood - dat de offercultus binnen de Levitische priesterschap onvolmaakt van karakter was en slechts schaduwen vooruitwierp naar het betere en volkomene, belichaamd in Masjiach Yeshua en diens hogepriesterschap naar de orde van Melchizedek, dan is hij nog altijd niet aan de vaste spijs toegekomen. Dan moeten de zintuigen of de waarnemingsorganen [αισθητηρια], alsnog stevig geoefend worden zoals een gymnast pleegt te doen [γυμναζω; oefenen; trainen].
Vanaf hoofdstuk 7 wordt elke Hebreeër daartoe de gelegenheid geboden.

 

Hebreeën 6


Διο αφεντες τον της αρχης του Χριστου λογον επι την τελειοτητα φερωμεθα, μη παλιν θεμελιον καταβαλλομενοι μετανοιας απο νεκρων εργων, και πιστεως επι θεον, βαπτισμων διδαχης, επιθεσεως τε χειρων, αναστασεως τε νεκρων, και κριματος αιωνιου. και τουτο ποιησομεν εανπερ επιτρεπη ο θεος.

1-3 Laten wij ons daarom, aangezien wij de grondleer van de Masjiach achter ons lieten, richten op de volmaaktheid. Niet opnieuw een fundament leggend van berouw van dode werken en vertrouwen op God; van een leer van dopen en oplegging der handen; van zowel opstanding der doden als eeuwig oordeel. En dit zullen wij doen, mits God het toestaat.

In vers 11 van het vorige hoofdstuk had de apostel nog vastgesteld dat zijn lezers weer iemand nodig hadden die hen de eerste beginselen van de uitspraken Gods zou onderwijzen, de melk van het Woord, aangezien zij (nog) niet toe zouden zijn aan vast voedsel.

Daarom bevreemdt het enigszins dat hij nu voorstelt om de grondleer omtrent de Masjiach toch maar te laten rusten en zich daarentegen geheel met het volmaakte - het vaste voedsel - te gaan bezighouden. Hoe moeten we een dergelijk ogenschijnlijk strijdig standpunt verklaren?


Blijkbaar acht de apostel zijn lezers wel degelijk in staat om het hogere onderwijs omtrent de Masjiach te verstaan, indien er maar van hun zijde een bereidheid wordt getoond zich daarvoor nederig open te stellen. Aldus bezien zou het voor hen vernederend zijn als hij hen als kleine, onmondige kinderen zou behandelen.

Niettemin herinnert hij hen voor alle volledigheid - door een korte samenvatting - aan zaken die al in de Oude openbaring werden vastgelegd en als leerpunten moesten dienen met het oog op de toekomstige verschijning van de Koning-hogepriester. Wanneer de lezers zich dan de moeite getroosten zelf hun geheugen dienaangaande op te frissen, zijn zij gereed om zich vervolgens met de apostel op de volmaaktheid te richten.


Met de term τελειοτηs [volmaaktheid; volkomenheid] herinnert hij aan de τελειοι [volwassenen] van vers 14 van hoofdstuk 5. De volmaakte (hogere) leer over de Masjiach - met name die welke handelt over zijn Koninklijk priesterschap - is bestemd voor degenen onder de Hebreeën die zichzelf ook willen inspannen om tot geestelijke wasdom te geraken.

Het is een groot misverstand te menen dat de door de apostel opgesomde punten betrekking zouden hebben op de 'catechese', het primaire, mondelinge, godsdienstig onderricht, van de Christelijke Gemeente. Toch is dat de opvatting die door alle eeuwen heen tot nu toe binnen de vele denominaties der Christenheid is gehuldigd.
Het heeft ertoe geleid dat men hopeloos in de knoei is geraakt met de verzen welke onmiddellijk hierna volgen: zelfs zij [Christenen] die God in zijn Zoon verkoos vóór [de] grondlegging der wereld, zij die Hij riep omdat Hij hen tevoren tot zoonschap voor zichzelf bestemde, zouden het gevaar lopen volkomen verloren te gaan op grond van afvalligheid. Een dogma dat volkomen strijdig is met de leer die de apostel ontvouwde in zijn echte 'Gemeentebrieven'. Vergelijk
Ef 1:3-5; Fp 1:6.

In werkelijkheid komen in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk, de vv 1 tot en met 8, twee groepen onder de Hebreeën in beeld die overigens wel delen in dezelfde omstandigheden. Maar in hen blijkt zich wederom de tweedeling te voltrekken waardoor de historie van het Joodse volk altijd gekenmerkt is geweest.
Beide groepen zullen in de 70ste Jaarweek het grote voorrecht genieten dat God zich opnieuw met zijn volk inlaat. Geheel in overeenstemming met zijn aankondiging door de profeet Jeremia, sluit hij dan met zijn natie het Nieuwe Verbond. Volgens de condities van dat Verbond, vastgelegd in
Jr 31:33-34, toont Hij zich dan bereid hun dwaling en zonde achter zich te laten; die gedenkt hij niet meer.

 

Integendeel, Hij begint als het ware met 'een schone lei' met zijn van oudsher uitverkoren volk. Hij zal de leden daarvan begunstigen met ongekende, nieuwe gelegenheden, maar triest genoeg zal wederom de meerderheid niet met grote dankbaarheid daarop reageren. Uit het profetische Woord is bij voorbaat bekend dat zij in hun afwijzing van Yeshua als hun Masjiach tot het einde toe zullen volharden. Ondanks alle gunst die YHWH Elohim hun in die Zoon aanbiedt, zal hun hart verstokt jegens hem blijven.

Alleen vanuit die invalshoek benaderd is hoofdstuk 6 op een bevredigende wijze te verklaren.
Bij de zes punten die in de vv 2 en 3 worden opgesomd gaat het dan ook om typisch Joodse zaken:

Berouw van dode werken.
Toen Johannes de Doper in het voorjaar van 29 AD als een (vroege) Elia-voorloper van de Masjiach op Israëls religieuze toneel verscheen, riep hij op tot berouw, d.i. een verandering van gezindheid: En hij kwam in de gehele omtrek van de Jordaan, verkondigend een doop van berouw, tot vergeving van zonden (Lk 3:3).
Zij moesten alle dode werken op grond waarvan zij meenden verdienste bij God op te bouwen, laten varen. Zelfs de werken der Wet, aangezien niemand daardoor rechtvaardig kan worden bij God. Vergelijk
Hb 9:13-14.

Vertrouwen op God.
Israël heeft al heel lang een groot geloofsvertrouwen nodig gehad, vooral met het oog op het verduren van haar veelvuldig lijden ter wille van gerechtigheid, geheel naar het patroon van Job. Voor de Hebreeën was het altijd een grote uitdaging om onder beproevingen die God toeliet in verband met de strijdvraag die Satan had opgeworpen, niet in hun geloof te bezwijken, maar er op te vertrouwen dat God op zijn bestemde tijd zaken ten goede keert ten behoeve van hen. Ja, hen dubbel compenseert, zoals hij ook deed in het geval van mijn knecht Job.

Voor de leer der Knechtgestalte raadpleeg ondermeer:

 

Job 1:6-12; 2:1-8; 27:1-6; 42:1-10. Alsook Js 40:1-2; 41:8-10; Hb 12:1-7).

 

Zie ook: Mijn knecht Job (Deel 1) en (Deel 2).

Ook hebben zij altijd het geloof moeten behouden in Gods belofte aan Abraham dat in hen, zijn zaad, uiteindelijk alle Gojim gezegend zullen worden. Verderop in dit hoofdstuk zullen de Hebreeën dienaangaande nog aangemoedigd worden (
Hb 6:11-18).

• Diverse dopen.
Het hier gebruikte βαπτισμος in het meervoud komt in het NT alleen nog voor in
Mr 7:4 en Hb 9:10, en daar niet in verband met de onderdompeling van personen, maar betrekking hebbend op ceremoniële reiniging.

Om die reden wordt het door velen weergegeven met wassingen.

Zie Ex 29:4, waar we in verband met de installatie van de priesters lezen:

 

Ook zult gij Aäron en zijn zonen doen toetreden naar de ingang van de tent der samenkomst en hen met water wassen.


In de Thorah wordt de noodzaak vermeld van zulke ceremoniële wassingen (baden) bij verschillende gelegenheden.

Oplegging der handen.
Toen de priesterschap werd geïnstalleerd was er ook sprake van handoplegging. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de stier en van de twee rammen die geofferd zouden worden opdat zij priesters van YHWH Elohim konden worden (
Ex 29:10, 15, 19; Lv 8:14, 18, 22).

 
Toen Mozes op Gods bevel Jozua tot zijn opvolger aanstelde, legde hij zijn hand op Jozua, die daarop vervuld werd met de geest van wijsheid, zodat hij Israël op juiste wijze kon leiden (
Dt 34:9). Moesten personen een zegen ontvangen, dan legde men hun de handen op (Gn 48:14).

Opstanding der doden.
Eeuwig oordeel.
De twee vormen een paar en zijn van eschatologische aard.

Opdat Israël in het Millennium de rol kan spelen welke haar in Gods voornemen is toegedacht, zal er een algemene verrijzing van doden moeten plaats vinden, opdat zij geoordeeld kunnen worden tot een eeuwige bestemming. In de Bijbelboeken Jesaja en Daniël wordt daarover profetisch het volgende aangekondigd:

Als uw gerechtigheid over de aarde heerst, leren de aardbewoners wat recht is… Uw doden zullen leven. Een lijk van mij — zij zullen opstaan. Wordt wakker en heft een vreugdegeroep aan, gij die in het stof verblijft!
(Js 26:9, 19)
En velen van hen die slapen in het stof der aarde zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven en anderen tot smaad en eeuwig afgrijzen.
(Dn 12:2)

In de Openbaring, hoofdstuk 20, worden die thema’s uitgewerkt en getoond dat de Joodse Gemeente als een Koninklijke priesterschap het Messiaanse koninkrijk zal dienen:

En ik zag tronen en zij gingen daarop zitten, en hun werd rechterlijk oordeel verleend… Gelukkig en heilig hij die deel heeft aan de eerste opstanding.

Over dezen heeft de tweede Dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van de Masjiach zijn en zij zullen de duizend jaren met hem als koningen heersen… En ik zag een grote witte troon en hem die daarop is gezeten, van wiens aangezicht vluchtte de aarde en de hemel en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande vóór de troon, en boekrollen werden geopend. Ook een andere boekrol werd geopend, die is des levens. En de doden werden geoordeeld uit de dingen geschreven zijnde in de boekrollen overeenkomstig hun werken.

En dit zullen wij doen, mits God het toestaat…
Met die uitspraak wordt de uiteenzetting, in hoofdstuk 7, over de volmaaktheid van Yeshua’s hogepriesterschap voorbereid, maar ook geheel afhankelijk gemaakt van Gods zegen en voorzienigheid.
Vooral wanneer wij in aanmerking nemen wat in de nu volgende verzen gezegd zal worden, kunnen wij inzien dat een en ander niet vanzelfsprekend is.

 

c1 Gevolgen van het lasteren van de geest (6:4-8)

 

Αδυνατον γαρ τους απαξ φωτισθεντας, γευσαμενους τε της δωρεας της επουρανιου και μετοχους γενηθεντας πνευματος αγιου και καλον γευσαμενους θεου ρημα δυναμεις τε μελλοντος αιωνος, και παραπεσοντας, παλιν ανακαινιζειν εις μετανοιαν, ανασταυρουντας εαυτοις τον υιον του θεου και παραδειγματιζοντας.

4-6 Want het is onmogelijk hen die eens voor al verlicht werden en de hemelse gave smaakten en deelgenoten werden van heilige geest, en Gods voortreffelijke woord en krachten van een op handen zijnde eeuw smaakten, en die wegvielen, nogmaals te vernieuwen tot berouw, daar zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw aan een paal hebben gehangen en openlijk te schande maakten.

Want verbindt deze verzen met vers 3. Ingewijd worden in de leer betreffende de volmaakte Hogepriester naar de orde van Melchizedek is een groot voorrecht, en alleen degenen onder de Hebreeën die de zegeningen van het Nieuwe Verbond met een dankbaar hart aanvaarden, zullen daarmee begunstigd worden.
Wij worden hier namelijk vooruitgeplaatst in de 70ste Jaarweek en ons wordt een blik vooruit gegund op de wijze waarop het Nieuwe Verbond dat dan met de Hebreeën gesloten zal worden, op hen uitwerkt.

Zoals in diverse herstelprofetieën wordt aangegeven, stort God zijn geest op de natie uit; bijvoorbeeld

Js 32:15 >  Totdat over ons de geest wordt uitgestort uit den hoge. En

Js 44:1-5 > Ik zal mijn geest uitgieten op uw zaad.


In de profetie van Joël, hoofdstuk 2, wordt aangekondigd wat er in de Laatste dagen – volgens de manier waarop Petrus op Sjavuoth 33 AD Joël interpreteerde (in Hn 2:17) - zal geschieden:

Daarna zal het geschieden, dat ik mijn geest zal uitstorten op alle vlees [van Israël, mijn volk; vers 27], en jullie zonen en jullie dochters zullen profeteren; jullie ouden zullen dromen dromen, jullie jongemannen zullen visioenen zien. Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal ik in die dagen mijn geest uitstorten.

En ik zal tekenen geven in de hemel en op de aarde bloed en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voor de komst van de grote en geduchte dag van YHWH. En het zal geschieden, dat een ieder die de naam van YHWH zal aanroepen, gered zal worden. Want op de berg Sion en te Jeruzalem zal redding zijn, gelijk YHWH gezegd heeft, en onder de geredden zij die YHWH zal roepen.
(Jl 2:28-32)

Js 32:1, 15 bevestigt dat dit zal plaatsvinden nadat de Masjiach in zijn Koninkrijk is geïnstalleerd en als koning regeert voor louter rechtvaardigheid. In de hoedanigheid van Hogepriester keert hij voor de tweede maal terug uit het ware Heiligdom in de hemel om op zijn volk de geest van omhoog uit te storten.

De geestelijke situatie onder het volk die tot dan toe als een wildernis was - het resultaat van het wanbestuur door de Pseudomasjiach - verandert daardoor in een lieflijke boomgaard (Js 32:12-14).

Er vindt een grote ommekeer plaats. De geest wordt niet alleen uitgestort om profeteren mogelijk te maken, zoals door Joël wordt aangegeven, maar ook tot wederopleving, ja, als levenscheppend en een kracht die beweegt tot het volbrengen van de goddelijke wil (
Ez 36:26-27; 37:1-14).
Schitterende dingen worden voor Israël profetisch aangekondigd in Js 59:20 – 60:3, en die bovendien in Paulus’ Romeinenbrief (
Hoofdstuk 11) worden bevestigd:

Als verlosser komt Hij naar Sion, naar alle zonen van Jakob die hun weerspannigheid opgeven, zo luidt de godsspraak van YHWH.

Wat Mij betreft: Dit is mijn verbond [het Nieuwe Verbond] met hen, zegt YHWH: Mijn geest, die op u rust, en de woorden die Ik in uw mond heb gelegd, zullen niet wijken uit uw mond, noch uit de mond van uw nakomelingen, noch uit die van hun nakomelingen, van nu af en tot in eeuwigheid, zegt YHWH. Sta op en schitter, want uw licht is gekomen, de glorie van YHWH gaat over u op, en zie, de duisternis bedekt de aarde en donkerte de volken, maar over u gaat YHWH lichtend op, zijn glorie verschijnt over u. En volkeren komen naar uw licht, koningen naar de glans van uw dageraad.

Maar hoe zullen al die begunstigde Joden reageren?

Zij allen zullen kennelijk een mate van geestelijke verlichting ontvangen door de werking van de uitgestorte geest. Bijgevolg zullen zij het voortreffelijke Woord van God en krachten van het op handen zijnde Millennium proeven [γευομαι: smaken; proeven; ervaren], in de zin van innig genieten, in toenemende mate vollediger ervaren.
Maar blijkbaar vormt al die gunst toch geen garantie dat een ieder zich resoluut van de Pseudomasjiach afwendt en zich achter de ware Masjiach schaart.

Zoals is voorzegd in 2 Th 2:4, verheft de Mens der wetteloosheid zich boven alles wat god of voorwerp van verering heet.

Als een Meester-verleider zal hij zich blijkbaar zelfs neerzetten in een (nog) te herbouwen Derde Tempel om zichzelf als een Pseudo-god te vertonen en te laten bewieroken.
Uit
2 Th 2:8-11 wordt duidelijk dat niets van dat alles bij toeval plaats vindt. God zelf biedt Satan en zijn werktuig de gelegenheid om de Leugen tegenover de Waarheid [Masjiach Yeshua] te plaatsen, wat kracht wordt bijgezet door opmerkelijke werken, leugenachtige tekenen en wonderen en in elk bedrog van onrechtvaardigheid.

God zelf is het die aldus een werking van dwaling tot hen - vooral de Joden - zendt. Als resultaat van die actie zal de tweedeling in Israël zich nogmaals, maar dan ook voor het laatst, aftekenen: Een getrouwe Rest tegenover een ontrouwe meerderheid.
Vandaar dat voorzien wordt dat velen alsnog tegen de heilige geest zullen ingaan. Welnu, volgens Yeshua’s eigen verzekering zal voor die zonde geen vergiffenis worden geschonken. Elke gelegenheid tot berouw is dan voorgoed afgesneden.
In Mt 12:31-32 bracht hijzelf het criterium dat dan zal gelden, aldus onder woorden:

Om die reden zeg ik jullie: Elke zonde en lastering zal de mensen worden vergeven, maar de lastering van de geest zal niet worden vergeven. Spreekt iemand een woord tegen de Mensenzoon, het zal hem vergeven worden; maar hij die tegen de heilige geest spreekt, het zal hem niet vergeven worden; noch in deze eeuw, noch in de toekomende.

Die wegvielen, nogmaals te vernieuwen tot berouw, daar zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw aan een paal hebben gehangen en openlijk te schande maakten...
Παραπιπτω
[ernaast, terzijde vallen] en het verwante παραπτωμα [misstap] kunnen betrekking hebben op elke fout, misstap, zonde, maar is hier vrijwel synoniem met afvalligheid.
Het gebruik van de aorist wijst op een definitief feit. Wie de onschatbare voorrechten van het Nieuwe Verbond ervaart en proeft en die toch moedwillig prijsgeeft, doet niet slechts een misstap waaruit herstel mogelijk is (vergelijk
Rm 11:11-12), maar breekt heel Gods werk tot in het fundament af.

De tautologie nogmaals vernieuwen tekent het onherstelbare van een dergelijke daad. Zulke grote dingen worden eens voor al aangeboden en niet een tweede maal geschonken.
De ernst van de Afval wordt nog benadrukt doordat van zulke personen gezegd wordt dat zij voor zichzelf Gods Zoon opnieuw aan een paal hangen [ανασταυροω] en hem wederom op schandelijke wijze tentoonstellen [παραδειγματιζω].
Joden die zich aan zulk gedrag schuldig zullen maken zal niet toegestaan worden tot een neutrale houding terug te keren, omdat zij al die dingen willens en wetens zullen doen en zich bewust hebben aangesloten bij het kamp van hen die de uitgesproken vijanden van de Masjiach zijn.

Zie: Geen werkelijk dilemma

 

Zij moeten niet denken dat zij hun broeder 'Jozef' voor een tweede maal kunnen verkopen en dood kunnen verklaren tegenover hun 'Vader' (Gn 37:11, 23-28, 31-33). Yeshua, de Grotere Jozef, zal zich in de Laatste Jaarweek aan zijn Joodse broeders 'bekendmaken'. Tot hun grote ontsteltenis blijkt hij springlevend te zijn en Gods Beheerder in het tegenbeeldige Egypte, deze wereld, om een Overblijfsel voor jullie op aarde te stellen, en jullie door een grote redding in het leven te behouden (Gn 41:37-49; 45:1-8).
Het doen voorkomen of die situatie slechts fictie is, wordt uiteraard als onvergeeflijk aangemerkt.

 

Zie de Studie: The Messiah typified by Joseph

 

γη γαρ η πιουσα τον επ αυτης ερχομενον πολλακις υετον, και τικτουσα βοτανην ευθετον εκεινοις δι ους και γεωργειται, μεταλαμβανει ευλογιας απο του θεουεκφερουσα δε ακανθας και τριβολους αδοκιμος και καταρας εγγυς, ης το τελος εις καυσιν.

7-8 Want grond die de dikwijls daarop komende regen dronk en gewas voortbrengt, nuttig voor hen omwille van wie hij ook wordt bebouwd, krijgt zegen van God mee; maar brengt hij dorens en distels voort, [dan is hij] onbruikbaar en vervloeking nabij; het einde ervan verbranding.

Deze parabel ondersteunt wat voorafging in dit hoofdstuk en verduidelijkt het.
De regen die geregeld op de aarde neerkomt en haar doordrenkt heeft tot gevolg dat ze nuttig gewas voortbrengt, althans dat mag volgens de rede verwacht worden.

Zonder beeldspraak:  YHWH Elohim stort in de Eindtijd op het Joodse volk, de grond of aarde, de vijfvoudige zegen uit zoals opgesomd in de verzen 4 en 5.
De ontvangers verkeren dus allen in één en dezelfde situatie: De regeling van het Nieuwe Verbond, onder Yeshua’s Koninklijke heerschappij en hogepriesterschap.
Maar het is datgene wat de 'grond' voortbrengt wat voor iedereen duidelijk zal maken hoe hun werkelijke geaardheid is.

In de tuinbouwcultuur kan 'arme' grond soms niet direct onderscheiden worden van 'rijke' grond, aangezien een verfrissende regenbui beide grondsoorten een veelbelovend uiterlijk aspect kan verlenen. Pas wanneer er
nuttig gewas verschijnt, weet men dat men met goede aarde te maken heeft. Evenzo begrijpt men dat het om slechte grond gaat, wanneer er dorens en distels worden voortgebracht.

Naar die illustratie zullen de zaken zich ontwikkelen wanneer God zijn geest uitstort
op alle (Joods) vlees. De innerlijke gesteldheid van de leden der Joodse Eindtijdgemeenschap zal openbaar worden in hun reactie op de regen die geregeld op hen neerdaalt, de vijf opgesomde zegeningen van hemelse herkomst.
Maar de vraag blijft: Zullen allen God daarvoor dankbaar zijn, in nederige en spontane erkenning van Yeshua’s verdienste? De Yeshua die zij en hun vaders eeuwenlang versmaad hebben, maar die de levende uitbeelding van hun dierbare Thorah blijkt te zijn:

(a) In zijn liefde, waardoor haar geboden worden vervuld.
(b) In de vervulling van de vele voorafbeeldingen van het Tabernakelgebeuren, tastbaar geworden in het ene, toereikend offer door hemzelf gebracht. Maar ook concreet geworden in de nieuwe, hogepriesterlijke dienst
naar de orde van Melchizedek.

En zullen zij bovendien erkennen dat hun begunstiging Gods voornemen moet dienen, namelijk dat zij tot zegen voor de Heidenwereld worden? Want juist met het oog daarop worden zij als 'aarde' gecultiveerd.


In het boek Jesaja wordt op diverse plaatsen aangegeven dat slechts een Rest dit ook werkelijk zal doen. De meerderheid van dat zo begunstigde Volk zal blijvend over haar eigen Masjiach struikelen. Voor hen zal hij de Steen blijven die
de bouwlieden, hun voorvaders in de Eerste eeuw, al verwierpen (Js 8:14-15; 28:16).


Zie ook:
Js 10:20-23; 44:1-8, 21-23; 1Pt 2:4-8.

Overigens komt deze parabel voor de ware Jood niet uit de lucht vallen. Ze moet hem wel in gedachten terugvoeren naar de vermaning die YHWH Elohim aan de voorvaders gaf in verband met het goede Land waarheen Hij hen leidde om het in bezit te nemen:


Het land dat gij aan de overkant in bezit gaat nemen, is een land met bergen en dalen, dat door regen uit de hemel besproeid wordt; een land waar YHWH uw God zorg voor draagt en waarop Hij ononderbroken zijn aandacht gericht houdt, van het begin van het jaar tot het einde.

 

Als gij metterdaad gehoor geeft aan de geboden die Ik u heden geef, als gij YHWH bemint en dient met heel uw hart en heel uw ziel, dan zal Ik uw land op tijd regen schenken, herfstregen en voorjaarsregen, zodat gij er koren, most en olie kunt oogsten en in het vrije veld zal Ik groen gewas voor uw vee laten groeien. Gij zult er volop te eten hebben.

 

Zorg ervoor, dat ge uw hart niet laat verleiden, zodat ge afdwaalt, andere goden dient en u voor hen neerbuigt, want dan zal YHWH tegen u in toorn ontsteken. Hij zal de hemel sluiten, zodat er geen regen valt; uw grond zal niets opbrengen en ge zult in korte tijd verdwenen zijn uit het heerlijke land dat YHWH u schenkt… Zo stel ik u heden zegen voor en vloek: zegen als gij gehoorzaamt aan de geboden van YHWH, die ik u heden geef; vloek als gij aan zijn geboden niet gehoorzaamt en afwijkt van de weg die ik u heden voorschrijf, door achter andere goden aan te lopen, die gij niet kent.
(Dt 11:11-28; WV78)

Nu - hier in onze Brief - worden zijzelf met het land vergeleken: Aarde (grond) die gecultiveerd wordt met geestelijke zegen vanuit de hemel, en dat allemaal om vrucht voort te brengen tot grote baat van anderen, de Gojim.

Maar zoals hun voorvaders zich moesten hoeden voor de hen omringende afgoderij, om niet door God vervloekt te worden, zullen ook de Hebreeën van de Eindtijdperiode op hun tellen moeten passen opdat zij niet meegesleept worden in de algemene adoratie van de Antimasjiach die zich op de helft van de Jaarweek zelfs tot 'god' verheft.

 

Als het zaad van God echt de gelegenheid wordt geboden zich in de bodem, hun harten, vast te zetten, zal vrucht tot Gods heerlijkheid het resultaat zijn. Maar waar het wordt afgewezen kan de 'regen' - volgens de regels der groei - datgene wat reeds in de bodem aanwezig is, dorens en distels, alleen maar versneld doen groeien. Meer regen zal de zaak bijgevolg slechts erger, niet beter maken. Dergelijk vruchteloos land verdient de ultieme vervloeking door God, en wordt dan ook door hem overgegeven aan verbranding, d.i. definitieve, volkomen ondergang. Vergelijk Jh 15:1-2, 6.

 

d. Aanmoediging; hoop door belofte aan Abraham (6:9-20)


Πεπεισμεθα δε περι υμων, αγαπητοι, τα κρεισσονα και εχομενα σωτηριας, ει και ουτως λαλουμεν∙ ου γαρ αδικος ο θεος επιλαθεσθαι του εργου υμων και της αγαπης ης ενεδειξασθε εις το ονομα αυτου, διακονησαντες τοις αγιοις και διακονουντες.

9-10 Maar, geliefden, ook al spreken wij aldus, wij zijn wat jullie betreft overtuigd van de betere dingen en van die welke met redding te maken hebben. Want God is niet onrechtvaardig dat hij jullie werk en de liefde die jullie voor zijn naam betoonden zou vergeten, doordat jullie de Heiligen dienden en blijven dienen. 

De apostel laat zijn broeders niet los. Natuurlijk niet, want hij spreekt namens God en Die laat hen niet los. Want God weet dat zij degenen onder de Hebreeën zijn van wie de betere dingen verwacht mogen worden, namelijk het voortbrengen van gewas dat nuttig (heilzaam) is voor anderen, waardoor zowel zijzelf als die anderen uiteindelijk redding ten deel zal vallen.
Weliswaar lijken zij voor het moment te wankelen wat hun geloofsvertrouwen betreft, maar dat heeft kennelijk rechtstreeks te maken met de zware druk waaronder zij leven, de moeilijkheden die kenmerkend zijn voor de 70ste Jaarweek.

Alles wijst er op dat we ook in deze fase van de Brief eschatologisch moeten blijven denken. De omstandigheden die hier worden aangeroerd, worden namelijk ook benoemd in hoofdstuk 10, zelfs in een geheel overeenkomende volgorde, t.w.:

-
Hb 10:26-31, beantwoordend aan Hb 6:4-8; het reële gevaar weg te vallen, zelfs terwijl de zegeningen van het Nieuwe Verbond genoten worden, de dikwijls neervallende regens op de 'grond', de harten der Hebreeën.

-
Hb 10:32-34, overeenkomend met Hb 6:9-10, de vv onder beschouwing: Jullie werk en de liefde die jullie voor zijn naam betoonden… doordat jullie de Heiligen dienden en blijven dienen. Geloofsdaden die door God beslist niet worden vergeten noch terzijde geschoven. God is immers niet onrechtvaardig; integendeel, rechtvaardig en oprecht is Hij (Dt 32:4).

-
Hb 10:35-39, beantwoordend aan de twee verzen die hierna zullen volgen (Hb 6:11-12), om in de Tweede helft van de Jaarweek, tot het einde toe, voort te gaan in volharding en niet in bang ongeloof terug te deinzen voor de zware verdrukking die dan van de zijde van de Antimasjiach verwacht mag worden, degene die beslist komt en niet uitblijft.

De apostel spreekt dus namens God met profetische voorkennis over Eindtijdomstandigheden, daarbij een terugkerend thema aanroerend. De boodschap hier, in Mattheus 24 en in de Openbaring is steeds weer dezelfde: Op de helft van de Jaarweek zullen de Joden ook pas op de helft van hun grote moeilijkheden, vervolgingen en verdrukkingen zijn. Meer nog, op de helft van de Week zullen zij zich pas echt schrap moeten zetten voor een weergaloos Grote Verdrukking die alles wat in de geschiedenis van het volk voorafging, nog zal overtreffen:

Want jullie hebben volharding nodig opdat jullie, de wil van God gedaan hebbend, de belofte voor jezelf mogen wegdragen.
Hb 10:36.

Vergelijk ook
Mt 24:8-22; Op 6:9-11; 11:3, 7-13.


De profetische voorkennis over de wijze waarop groepen personen in de Eindtijd op de dan heersende omstandigheden zullen reageren, vinden we ook in Mt 25:31-46. Aldaar hoe de Gojim [Heidenvolken; mensen uit de natiën], op hun beurt, zullen reageren op de nood van de Hebreeën, de Joodse broeders van de Koning (Yeshua Masjiach). Zie: Schapen en Bokken

 

Doordat jullie de Heiligen dienden en blijven dienen…
Gezien de eschatologische setting zou het niet vreemd zijn wanneer wij gedachten van deze strekking eveneens zouden aantreffen in Yeshua’s Eindtijdrede. En dat blijkt ook inderdaad het geval te zijn. Onder de diverse gebeurtenissen die zijn paroesie zouden kenmerken, maakte hij ook melding van een getrouwe en verstandige Slaaf (Knecht) die geestelijk zorg zou dragen voor medeslaven:

Wie is werkelijk de trouwe en verstandige slaaf, die de Heer stelde over zijn huisbedienden om hun het voedsel te geven op de juiste tijd? Gelukkig die slaaf, die zijn Heer, gekomen zijnde, zo bezig zal vinden. Voorwaar, Ik zeg jullie naar waarheid: Hij zal hem over al zijn bezittingen stellen.
(Mt 24:45-47)

In ons commentaar op
Hb 4:1 merkten we eerder op dat in onze Brief een beroep wordt gedaan op de gemeenschapszin der Hebreeën. Zij moeten zich voor elkaar verantwoordelijk voelen. En ook hier komt dat tot uitdrukking. Het Overblijfsel der Hebreeën zal kennelijk in de Eindtijd de Slaafpositie, de Ebed YHWH taak, vervullen. Hier verwoord als de Heiligen die voortgaan elkaar te dienen.

 

επιθυμουμεν δε εκαστον υμων την αυτην ενδεικνυσθαι σπουδην προς την πληροφοριαν της ελπιδος αχρι τελους, ινα μη νωθροι γενησθε, μιμηται δε των δια πιστεως και μακροθυμιας κληρονομουντων τας επαγγελιας.

11-12 Maar wij begeren dat ieder van jullie dezelfde ijver betoont tot de volle zekerheid van de hoop tot het einde toe, opdat jullie niet traag worden maar navolgers van hen die door geloof en geduld de beloften beërven.

Zoals hierboven getoond, corresponderen deze verzen met Hb 10:35-39, specifiek verwijzend naar de noodzaak voor de Hebreeën om in de Tweede helft van de laatste Jaarweek volhardend voort te gaan in de wil van God, ondanks alle verdrukking die door de Antimasjiach over hen gebracht zal worden.
Vanuit het Boek Daniël is bij voorbaat bekend dat die Antimasjiach, onder het zinnebeeld van een 'Kleine Horen' die overigens tot een Supermacht wordt - in de Openbaring de 8e Koning genoemd - het de Joodse Heiligen van de Eindtijd verschrikkelijk moeilijk zal maken:

Hij zal zich tegen de Allerhoogste richten, de Heiligen van de Allerhoogste mishandelen en zich vermeten feesttijden en wet te veranderen. Ze zullen aan zijn macht zijn overgeleverd voor een tijd, tijden en een halve tijd.
(Dn 7:25)
Ja, zijn grootheid reikte tot aan het heer des hemels, en hij deed er van het heer, namelijk van de sterren, ter aarde vallen, en vertrapte ze.
(Dn 8:10)
En er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: Al wie in het boek geschreven wordt bevonden… Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn.
(Dn 12:1, 7; nbg)

Geen wonder derhalve dat we in Hb 10:35 lezen: Jullie hebben volharding nodig, om uiteindelijk de belofte voor jezelf weg te dragen.

Maar ook hier wordt reeds herinnerd aan de beloften, waarmee met name gedoeld wordt op alle glorierijke dingen die hun voorvader Abraham en diens nakomelingen [zaad] in het vooruitzicht werden gesteld.
In hoofdstuk 11 zullen zij uitgebreid herinnerd worden aan de vele Hebreeën die hen vooraf gingen in het aan de dag leggen van een groot geloofsvertrouwen en die bijgevolg door geloof en geduld de beloften beërven.


Het participium van het werkwoord κληρονομεω [erfgenaam zijn; (be)ërven] staat in het praesens, waarmee wordt aangegeven dat door de hele geschiedenis heen er getrouwe Israëlieten waren die gestorven zijn in de hoop te zijner tijd deel te hebben aan de verwezenlijking van de beloften.

En nu moeten zij, de generatie van de 70ste Week, die Getrouwen navolgen, hun geloof imiteren [μιμητης; nabootser; toneelspeler] en vooral niet traag worden maar vervuld blijven van ijver [σπουδη; moeite; ijver; inspanning; haast]. Want dan kunnen zij de volle zekerheid van de hoop tot het einde toe behouden.

Τω γαρ Αβρααμ επαγγειλαμενος ο θεος επει κατ ουδενος ειχεν μειζονος ομοσαι, ωμοσεν καθ εαυτου,  λεγων,
Ει μην ευλογων ευλογησω σε και πληθυνων πληθυνω σε∙
και ουτως μακροθυμησας επετυχεν της επαγγελιας.

13-15 Want toen God aan Abraham de belofte deed zwoer hij bij zichzelf - daar hij bij niemand hoger kon zweren - zeggend:
Voorwaar, zegenend zal ik je zegenen en vermenigvuldigend zal ik je vermenigvuldigen.
En aldus, doordat hij geduld oefende, verkreeg hij de belofte.


Twee zaken maken Abraham voor de Hebreeën zeer belangrijk:

Hij ontving als eerste de belofte dat de mensheid in hem en zijn zaad gezegend zou worden (Gn 12:1-3; 15:5), maar die belofte nam nog in waarde toe doordat God ze zelf met een eed bekrachtigde. Dat volgde op de gedenkwaardige gebeurtenis waarbij Abraham - op Gods bevel - daadwerjelijk had getracht zijn zoon Isaäk, zijn Enigverwekte, te offeren. Een geloofsdaad die reeds omwille van het thema van het grote offer van de Masjiach in ons Boek, bijzondere betekenis heeft.

 

Namens YHWH Elohim sprak de engel toen tot die patriarch:

Bij Mijzelf heb Ik gezworen - spreekt YHWH - omdat gij dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden, daarom zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen [uw zaad] even talrijk maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels op het strand van de zee. Uw nakomelingen [uw zaad] zullen [zal] de poort van hun vijand bezitten. Door uw nakomelingen [uw zaad] komt zegen over alle volken van de aarde, omdat gij naar mijn stem hebt geluisterd.
(Gn 22:16-18; wv78)

Omdat Gods uitspraken op zich reeds onfeilbare waarde hebben, hoeft God eigenlijk niet te zweren. Bovendien is het, vanuit een strikt menselijk standpunt bezien, voor Hem ook niet mogelijk te zweren. Want bij mensen bestaat de eed hierin dat zij God als hun Getuige betrekken in datgene wat zij beloven. Zij zweren bij Iemand die veel hoger is dan zijzelf, en daarvan kan bij God uiteraard geen sprake zijn.

Voorwaar, zegenend zal ik je zegenen en vermenigvuldigend zal ik je vermenigvuldigen…
Om de belofte voor Abraham zeer persoonlijk te maken, neemt de apostel de vrijheid om uw zaad te wijzigen in het persoonlijke je [jou of u].


De belofte begon al ten dele in vervulling te gaan bij de geboorte van Isaäk, maar ze kreeg door de tijd heen een steeds overvloediger karakter, doordat te bestemder tijd uit zijn kleinzoon Jakob (Israël) een hele natie tot bestaan werd gebracht. En door de eeuwen heen zou Israëls hoop op die eed van God gevestigd blijven.
Vergelijk
Ex 32:13; 1Kr 16:16-17; Ps 105:9; Lk 1:73.

 

ανθρωποι γαρ κατα του μειζονος ομνυουσιν, και πασης αυτοις αντιλογιας περας εις βεβαιωσιν ο ορκος∙ εν ω περισσοτερον βουλομενος ο θεος επιδειξαι τοις κληρονομοις της επαγγελιας το αμεταθετον της βουλης αυτου εμεσιτευσεν ορκω, ινα δια δυο πραγματων αμεταθετων, εν οις αδυνατον ψευσασθαι [τον] θεον, ισχυραν παρακλησιν εχωμεν οι καταφυγοντες κρατησαι της προκειμενης ελπιδος∙

16-18 Want mensen zweren bij wie hoger is, en is voor hen einde van alle tegenspraak; de eed [dient] tot bekrachtiging. Daarom stelde God, toen hij aan de erfgenamen van de belofte de onveranderlijkheid van zijn raad overvloediger wilde bewijzen, zich borg met een eed, opdat wij die vluchtten [naar de Vrijstad], door twee onveranderlijke dingen, waarin God onmogelijk kan liegen, een krachtige aanmoediging zouden hebben de voor ons liggende hoop vast te grijpen.

Bij mensen dient een eed om datgene wat beloofd of toegezegd wordt, op plechtige wijze te bekrachtigen. In de juridische, Hellenistische taal van die tijd βεβαιωσις [waarborg; garantie; bevestiging].

YHWH Elohim heeft zich aan die gewoonte onder mensen willen aanpassen, hoewel de objectieve waarde van zijn woord der belofte daardoor uiteraard niet veranderde: Hij stelde zich borg met een eed.
Het werkwoord μεσιτευω heeft hier niet de gewone betekenis van bemiddelen, doch eerder van tussenbeide komen, juridisch in de zin van zich borg, garant, stellen.

Waarom deed God dat, terwijl de zekerheid van de belofte op zich al gegarandeerd was? Het antwoord dat de apostel geeft luidt: Om aan de erfgenamen van de belofte des te meer de onveranderlijkheid van zijn raadsbesluit te tonen.

 

Daarin is namelijk voor hen een krachtige aansporing gelegen.

Zij hebben alle reden zich volledig vast te klampen aan de hoop die de belofte biedt, zeker te midden van de zware verdrukkingen die tijdens de Tweede helft van de Jaarweek hun deel zal worden. Zowel de belofte als de eed waarmee ze werd bekrachtigd, zijn twee onveranderlijke zaken. Waarom? Omdat God eenvoudig niet liegen kan. Liegen is zo volkomen strijdig met zijn goddelijk wezen, dat het wat Hem betreft zelfs onbestaanbaar is.

Vergelijk
1Sm 15:29 en Tt 1:2.

Maar vooral Ps 110:4, het Schriftdeel dat bij de apostel de ruggengraat vormt van zijn betoog over het functioneren van de nieuwe Tabernakelregeling onder de Messiaanse Hogepriester Yeshua:

YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij zijt priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek".

Even zeker en onveranderlijk als de oorspronkelijke, door een eed bekrachtigde belofte aan Abraham gedaan, is ook deze eed ten aanzien van de nieuwe priesterschap zeker en vast. YHWH Elohim zal daarover nimmer een verkeerd gevoel hebben. Ook aan die toezegging kunnen (en moeten) de Hebreeën zich volkomen vastklampen, te meer daar de Hogepriester van oudsher een voorname rol vervulde in de regeling der Israëlitische toevluchtsteden.
Op die regeling wordt immers gezinspeeld door het gebruik van het werkwoord καταφευγω [zijn toevlucht zoeken in de vrijstad] als de apostel zegt: wij die vluchtten. In die daad betrekt hij zichzelf, maar zeker ook zijn lezers: Op een bepaald tijdstip in het verleden zochten zij toevlucht in de ene plaats van werkelijke veiligheid.


Ten behoeve van Israëlieten die per ongeluk, dus onopzettelijk, iemand doodden, trof God goedgunstig een regeling in de vorm van zes toevluchtsteden. Nadat zij het Beloofde Land waren binnengegaan werden die steden dan ook in gehoorzaamheid aan God gebouwd, zes in totaal, regelmatig over het Land verdeeld. Zie Nm 35:9-34 en Jz 20:2-9.
In de LXX-versie wordt het werkwoord katafeugoo gebruikt om de vlucht van de doodslager naar de Vrijstad aan te geven. Zie
Nm 35:25-26 en Jz 20:9.
In die Vrijstad moest hij blijven tot de dood van de Hogepriester die in functie was; zijn verblijf aldaar beschermde hem tegen de wraak van de bloedwreker, de naaste verwant van degene die was omgekomen.

De achterliggende gedachte bij die regeling heeft Mozes in Dt 19:10 geformuleerd: opdat het land niet met onschuldig bloed verontreinigd werd en er geen bloedschuld op het volk zou komen.
Zelfs indien iemand een onopzettelijke doodslager was, moest hij in principe ter dood gebracht worden op grond van Gods verordening: Al wie het bloed van een mens vergiet, diens eigen bloed zal door de mens vergoten worden.
Slechts dankzij Gods barmhartige voorziening kon een onopzettelijke doodslager de wijk nemen naar één van de toevluchtsteden (
Dt 19:4-5).


Zie: De Toevluchtsstad en De Toevluchtsstad in tegenbeeld

In het tegenbeeld wijzen de details op de Hogepriester Yeshua.

Toevlucht zoeken bij hem is een zekere garantie van bescherming. Voor de Hebreeën, Joden van herkomst, geldt dit heel in het bijzonder. Waarom?
Yeshua is namelijk hun Joodse broeder; hij werd immers geboren binnen hun eigen natie: geworden uit een [Joodse] vrouw, geworden onder Wet (Gl 4:4). De inzettingen van de Mozaïsche wetgeving, waaronder die van de Toevluchtsteden, waren (zijn) dan ook in hun onderlinge, persoonlijke betrekkingen van toepassing.

Dat nu voert ons terug naar de gebeurtenissen van de Eerste eeuw.
Want waarom is Israël uit haar land gejaagd, de diaspora in gedreven? De verwoesting van Jeruzalem met haar tempel en de wegvoering in het jaar 70 AD trof hen wegens hun verwerping van hun voornaamste broeder, de Masjiach, ten aanzien van wie zij bijgevolg ook een aandeel kregen aan zijn dood:

En de koning [God] werd toornig, en hij zond zijn legers uit [de Romeinse soldaten] en verdelgde die moordenaars en stak hun stad [Jeruzalem] in brand.
(Mt 22:7)

Vergelijk ook
Dn 9:26 en Lk 19:41-44, waar een verband gelegd wordt tussen de verwerping (dood) van de Masjiach en de verwoesting van Jeruzalem met haar tempel (de Heilige plaats).
Israel als volk ondervindt tot op de dag van vandaag daarvan de gevolgen. Gods hand die eens Israël uit het land van de vaderen dreef, is ook nu nog tegen hen uitgestrekt. Zij zal ook uitgestrekt blijven, totdat zij (als volk) tot inkeer komen en Yeshua als hun ware Masjiach aanvaarden. Het vijfmaal herhaalde woord van de profeet is ook vandaag nog van kracht:

Om dit alles wendt zijn toorn zich niet af, maar zijn hand is nog steeds uitgestrekt.
(Js 5:25; 9:11, 16, 20; 10:4)

Nog altijd willen de Joden als volk niet erkennen om welke reden zij door God uit het land werden verdreven. Buiten de Vrijstad, Gods regeling van verzoening door de kracht van Yeshua’s offer, zijn zij niet veilig gebleken. Miljoenen zijn in de loop der eeuwen omgekomen. Op ontzettende wijze is gebleken, dat het "buiten de Vrijstad" gevaarlijk toeven is. En zolang de betekenis van de 'dood van de Hogepriester' - Yeshua’s zondenverzoenend offer - niet wordt erkend, blijft die situatie bestaan. Vergelijk
Dt 28:63-68.

De namen van de toevluchtsteden zijn veelbetekenend:
Kedes; heilig. Sichem; schouder. Hebron; bondgenootschap. Bezer; vesting. Ramoth; hoogten. Golan;