Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Het evangelie volgens Lukas

Het evangelie volgens Lukas

 

Voor ‘smal’ lezen, klik hier.

                                                          Inhoud                                                       

 

A. Geboorte van Johannes; Jezus’ geboorte en jeugd (1:1 – 2:52)

1. Achtergrond van Lukas’ verslag; zijn doel (1:1-4)

2. Aankondiging van Johannes’ geboorte (1:5-25)

3. Aankondiging van Jezus’ geboorte (1:26-38)

4. Maria’s bezoek aan Elizabeth (1:39-56)

5. De geboorte van Johannes (1:57-80)

     a. Het Benedictus van Zacharias (1:69-75)

     b. De toekomst van Johannes (1:76-80)

6. De geboorte van Jezus (2:1-20)

7. De besnijdenis en de aanbieding in de tempel (2:21-40)

    a. Simeon (2:25-35)

    b. Anna (2:36-40)

8. De twaalfjarige Jezus in de tempel (2:41-52)

   

B. Optreden van Johannes; Jezus’ voorbereiding op zijn bediening (3:1 – 4:13)

 

1. De prediking van Johannes de Doper (3:1-20)

2. Jezus’ doop; zijn geslachtslijst (3:21-38)

3. De verzoeking in de wildernis (4:1-13)

 

C. Jezus’ prediking in Galilea (4:14 – 9:50)

 

1. Te Nazareth en te Kapernaüm (4:14-44)

 

a. Begin der prediking; bezoek aan Nazareth (4:14-30)

b. Te Kapernaüm (4:31-44)

 

2. Leerlingen geroepen; genezingen; Heer van de Sabbat (5:1 - 6:11)

 

a. Wonderbare visvangst; vissers van mensen (5:1-11)

b. Genezing van een melaatse (5:12-16)

c. Genezing van een verlamde (5:17-26)

d. Roeping van Levi (Mattheüs) (5:27-32)

e. Vasten (5:33-39)

f. Aren plukken op de sabbat (6:1-5)

g. Is genezen op de sabbat geoorloofd (6:6-11)

 

3. Verkiezing van de twaalf; de Bergrede (6:12-49)

 

a. Keuze der apostelen (6:12-16)

b. Bergrede (6:17-49)

 

4. Verdere bijzonderheden over de Galilease bediening (7:1 – 8:56)

 

a. Het geloof van de centurion te Kapernaüm (7:1-10)

b. De opstanding van de zoon van de weduwe te Naïn (7:11-17)

c. De vraag van Johannes de Doper (7:18-35)

d. Simon, de Farizeeër, en de zondares (7:36-50)

e. Jezus’ gevolg (8:1-3)  

f.  De parabel van de Zaaier (8:4-18)

g. Jezus’ ware verwanten (8:19-21)

h. Storm bedaard (8:22-25)

i.  Demonen varen in zwijnen (8:26-39)

j.  Dochtertje van Jaïrus; de vrouw met de bloedvloeiing (8:40-56)

 

5. Opleiding van de twaalf; 5000 gevoed; transfiguratie (9:1-50)

 

a. Uitzending van de twaalf (9:1-6)

b. Herodes (9:7-9)

c. Broodvermenigvuldiging - 5000 (9:10-17)

d. Belijdenis van Petrus; 1e lijdensprofetie (9:18-22)

e. Navolging; transfiguratie (9:23-36)

f.  Genezing van de bezeten knaap; 2e lijdensprofetie  (9:37-45)

g. Eerzucht (9:46-50)

 

D. Jezus op weg naar Jeruzalem (9:51 – 19:27)

 

1. Onderwijs over het koninkrijk Gods (9:51 – 11:13)

 

a. De ongastvrije Samaritanen (9:51-56)

b. Navolging van Jezus (9:57-62)

c. Uitzending der 72 (10:1-24)  

d. De barmhartige Samaritaan (10:25-37)

e. Martha en Mariam (10:38-42)

f.  Gebed – Aanwijzingen (11:1-13)

 

2. Toenemende religieuze vijandschap (11:14-54)

 

a. Beëlzebul en de demonen (11:14-26)

b. Jezus’ moeder gelukkig verklaard (11:27-28)

c. Opstanding en oordeel (11:29-32)

d. Licht - de reactie daarop (11:33-36)

e. Strafrede tegen de Farizeeën en wetgeleerden (11:37-54)

       

3. Vermaningen voor de leerlingen (12:1-59)

 

a. Geen mensenvrees, maar de Messias belijden (12:1-12)

b. Hebzucht (12:13-21)

c. Voedsel en kleding (12:22-34)

d. Parabel 1: slaven wachtend op hun Heer (12:35-38)

e. Parabel 2: noodzaak tot waakzaamheid (12:39-40)

f.  Parabel 3: de getrouwe beheerder (12:41-48)

g. Geen vrede maar verdeeldheid (12:49-53)

h. De tekenen onderscheiden (12:54-59)

 

4. Israël benut haar tijd niet (13:1-35)

 

a. Twee voorvallen die tot inkeer manen (13:1-5)

b. De vijgenboom zonder vrucht (13:6-9)

c. Genezing op sabbat van een 18 jaar zieke vrouw (13:10-17)

d. Koninkrijk Gods gelijk mosterdzaad/zuurdeeg (13:18-21)

e. Buitensluiting van het koninkrijk (13:22-30)

f. (1) Herodes, die vos. (2) Jeruzalem en haar huis (13:31-35)

          

5. Verder onderwijs door parabels (14:1 – 19:27)

 

a. Genezing op sabbat van een lijder aan waterzucht (14:1-6)

b. Gasten: gedrag; wie uitnodigen; onbeleefde reacties (14:7-24)

c. Profiel van de ware leerling (14:25-35)

d. Het verloren schaap (15:1-7)

e. De verloren drachme (15:8-10)

f.  De verloren zoon (15:11-32)

g. De kwestie van het beheer (16:1-13)

h. De Farizeeën en de Wet (16:14-18)

i.  Lazarus en de rijke man (16:19-31)

j.  Vermaningen tot de leerlingen (17:1-10)

k. De tien melaatsen (17:11-19)

l.  Komst van het koninkrijk Gods en de Mensenzoon (17:20-37)

m. De onrechtvaardige rechter (18:1-8)

n.  De Farizeeër en de tollenaar (18:9-14)

oJezus en de kinderen (18:15-17)

p.  Rijkdom en het koninkrijk Gods (18:18-30)

q.  Derde lijdensaankondiging (18:31-34)

r.  De blinde in Jericho (18:35-43)

s.  Zacheüs (19:1-10)

t.  De parabel van de 10 mina’s (19:11-27)

 

E. Jezus’ optreden te Jeruzalem (19:28 – 21:38)

 

 1.  Intocht in Jeruzalem (19:28-44)

 2.  Tempelreiniging (19:45-48)

 3.  Jezus’ bevoegdheid (20:1-8)

 4.  De boze wijnbouwers (20:9-19)

 5.  Het recht van Caesar (20:20-26)

 6.  De opstanding (20:27-40)

 7.  De Messias Davids zoon/Heer (20:41-44)

 8.  Zwaarder oordeel schriftgeleerden (20:45-47)

 9.  Rijk en arm – de weduwe (21:1-4)

10. Verwoesting van tempel en stad – het teken (21:5-24)

11. Eindtijdrede (21:25-38)

 

F. Lijden, dood en opstanding (22:1 – 24:53)

 

1.     Komplot verraad (22:1-6)

2.     Paschaviering (22:7-38)

 a.  Het Pascha/Vervulling (22:7-18)

b.  Avondmaal/Nieuw Verbond (22:19-27)

c.  Bestemming apostelen (22:28-30)

d.  Verloochening voorzegd (22:31-38) 

 

 3.  Gethsémané (22:39-46)

 4.  Gevangenneming (22:47-54)

 5.  Verloochening door Petrus en bespotting (22:55-65)

 6.  Voor het Sanhedrin (22:66-71)

 7.  Voor Pilatus en Herodes (23:1-25)

8.     Zijn terechtstelling (23:26-49)

       In het paradijs (23:39-43)

 9.  Zijn begrafenis (23:50-56)

10. Zijn opstanding – het lege graf (24:1-12)

11. De Emmaüsgangers (24:13-35)

12. Verschijning aan de apostelen (24:36-43)

13. Laatste instructies en hemelvaart (24:44-53)

 

Lukas 1

 

A. Geboorte van Johannes; Jezus’ geboorte en jeugd (1:1 – 2:52)

 

1. Achtergrond van Lukas’ verslag; zijn doel (1:1-4)

 

Eπειδηπερ πολλοι επεχειρησαν αναταξασθαι διηγησιν περι των πεπληροφορημενων εν ημιν πραγματων, καθως παρεδοσαν ημιν οι απ αρχης αυτοπται και υπηρεται γενομενοι του λογου, εδοξεν καμοι παρηκολουθηκοτι ανωθεν πασιν ακριβως καθεξης σοι γραψαι, κρατιστε Θεοφιλε, ινα επιγνως περι ων κατηχηθης λογων την ασφαλειαν.

 

1-4 Aangezien velen ondernamen een verslag samen te stellen betreffende feiten die zich onder ons voltrokken hebben, gelijk ons degenen overleverden die van begin af ooggetuigen en dienaren van het woord werden, dacht het ook mij goed, na alle dingen van meet af nauwkeurig te hebben nagegaan, [ze] in ordelijke samenhang aan je te schrijven, edele Theofilus, opdat je de zekerheid der dingen waarin je mondeling werd onderricht, ten volle moogt kennen.

 

De inleiding bestaat uit één enkele, literaire volzin die de hellenistische achtergrond van de schrijver Lukas onthult, in Ks 4:14 door Paulus -met wie Lukas jarenlang nauw samenwerkte- de geliefde geneesheer genoemd.

Lukas richt zijn verslag betreffende de feiten over Jezus’ leven tot een zekere Theofilus. Mogelijk is deze door God beminde -wat de betekenis van zijn naam is- dezelfde Theofilus van wie door Clemens in zijn Recognitiones wordt vermeld dat hij een aanzienlijk burger was van Antiochië, de stad in Syrië van waaruit Lukas zelf afkomstig zou zijn geweest [volgens Eusebius en Hiëronymus].

 

Theofilus was blijkbaar reeds een christen; in ieder geval was hij onderwezen in de leer omtrent de Messias, maar het is Lukas’ oogmerk hem in zijn geloof te versterken en daarmee, naar wij mogen aannemen, ook alle anderen die in deze 'Eeuw' der gemeente tot geloof in Messias Jezus komen, speciaal de bekeerlingen uit het Heidendom.

 

Er is dan ook reden om aan te nemen dat het derde evangelie zich vooral focust op de christelijke gemeente waarvan het merendeel der leden een heidense achtergrond heeft, gelijk Lukas zelf.

We doen er bijgevolg goed aan om, naarmate het verslag zich ontvouwt, naar bewijzen te zoeken van passages die de christelijke lezers een dieper inzicht verlenen in hun roeping en bestemming, en dat ook vanwege het feit dat Lukas zo’n hechte band van samenwerking had met de apostel der Heidenen (Rm 11:13).

 

Maar wat bedoelde Lukas met zijn inleidende woorden, hierop neerkomend: Aangezien diverse personen reeds een verslag hebben samengesteld over Jezus’ optreden tot en met zijn dood, opstanding en hemelvaart, ben ik tot het besluit gekomen dat eveneens te doen.

 

Waarom aan de verslagen van anderen nog een eigen verhaal toevoegen? Die personen waren immers, evenals Lukas zelf trouwens, geen ooggetuigen geweest en voor informatie daarom afhankelijk van hen die wél in Jezus’ nabijheid hadden verkeerd. Keurt hij hun verslagen af als kwalitatief onvoldoende? Daarvoor had hij kennelijk geen reden, want Lukas zelf heeft duidelijk uit enkele, reeds voorhanden, geschreven bronnen geput, waarvan het Markus-evangelie wel de voornaamste is, maar waarschijnlijk ook uit de bron waarop het Mattheüs-evangelie is gebaseerd, in theologische kringen de Q-bron genoemd.

 

Het antwoord op die vraag zou, in Lukas’ eigen woorden, misschien aldus geformuleerd kunnen worden: Aangezien die anderen net zomin als ik ooggetuigen waren en toch schreven, kan ik mij eveneens daartoe gerechtigd voelen. Temeer, omdat ik een goed, logisch samenhangend verhaal heb. Ik heb de feiten zorgvuldig nagetrokken, ondermeer door met tal van betrokkenen intensieve gesprekken te voeren.

 

En inderdaad, Lukas moet in de jaren 57-60, toen hij in de nabijheid van Paulus te Cesarea verkeerde tijdens diens gevangenschap aldaar, heel wat persoonlijke contacten hebben gehad in het land Palestina, waaronder zeker Maria, de 'draagmoeder' van Jezus, maar wellicht ook met enkele van de andere vrouwen die in zijn Evangelie worden beschreven. En natuurlijk ook met enkele van de apostelen en andere oog- en oorgetuigen.

Wellicht dat Lk 1:65 zinspeelt op de herkomst van die 'primitieve' overlevering: In heel het bergland van Judea werden al deze dingen grondig besproken.

 

2. Aankondiging van Johannes’ geboorte (1:5-25)

 

Εγενετο εν ταις ημεραις Ηρωδου βασιλεως της Ιουδαιας ιερευς τις ονοματι Ζαχαριας εξ εφημεριας Αβια, και γυνη αυτω εκ των θυγατερων Ααρων, και το ονομα αυτης Ελισαβετ.

 

5 Het geschiedde in de dagen van Herodes, koning van Judea: een zeker priester, genaamd Zacharías -afkomstig uit [de] dagorde van Abia- en zijn vrouw, afkomstig uit de dochters van Aäron, en haar naam Elisabet.

 

Na de literaire volzin in het koinè, vervolgt Lukas zijn verslag in een Grieks dat een sterk Semitische inslag heeft, wat overigens niet bevreemdt als we ons realiseren hoe zeer hij afhankelijk was van zijn bronnen die alle van oorsprong Semitisch waren. Niettemin steken de eerste twee hoofdstukken qua vorm en inhoud, te beginnen met dit vers, scherp af tegen de rest van het Evangelie, reden waarom we deze passage (1:5 – 2:52) als het meest Aramees getinte deel van Lukas’ geschriften kunnen beschouwen.

 

De genoemde Herodes betreft Herodes de Grote, de Herodes van de kindermoord, toentertijd koning over geheel Palestina. Aangezien Lukas spreekt over Judea, moet Judea hier blijkbaar beschouwd worden als het gehele land der Joden [in het Grieks met een verwante schrijfwijze: Ιουδαιοι], met inbegrip van Samaria, Galilea, Perea en Idumea (Mt 2:1-18).

 

Εγενετο εν ταις ημεραις Ηρωδου geeft te kennen dat het verhaal dat nu volgt over Zacharias en zijn vrouw Elisabet, zich afspeelt in de dagen van die sluwe, geslepen, boosaardige, gewetenloze koning en wel toen zijn regering ten einde liep.

Zacharias was een priesterlijke nakomeling van de eerste hogepriester Aäron, van wie trouwens ook Elisabet afstamde.

 

Toen David koning was verdeelde hij het priesterschap van Israël in 24 afdelingen die elk 2x per jaar, gedurende een week, dienst moesten verrichten in het Heiligdom.

Volgens het lot was het vaderlijk huis van Abia, van wie Zacharias een nakomeling was, de 8e afdeling, of beter: de 8e dagorde [een meer letterlijke weergave van het Griekse εφημερια]. Zie 1 Kr 24:1-18.

 

De geest van inspiratie heeft door Lukas niet voor niets melding gemaakt van dit detail, dat op het eerste gezicht niets lijkt bij te dragen tot het verhaal en daarom overbodig schijnt. In werkelijkheid hebben wij hier een eerste zinspeling op de toekomst van de christelijke gemeente; in dit geval als een in de hemel functionerende priesterschap onder hun hogepriester Jezus.

In Openbaring 4:4 zien we de gemeente namelijk in haar verheerlijkte positie na de Opname, afgebeeld door de 24 Oudsten die, gezeten op tronen, zich rondom de troon van God zelf bevinden. Zie voor uitvoeriger details:

 

Wat is de identiteit van de 24 Oudsten in de Openbaring?

 

Ook kan de vermelding van de 8e dagorde, die van Abia, niet zonder betekenis zijn en dat is ze ook niet. De naam Abia [Hebreeuws: Abijah] betekent namelijk Mijn vader is Jah. De leden van de christelijke gemeente hebben door de inwoning van Gods geest – welke ook door Messias Jezus werkzaam is - een geest van adoptie als zonen. Zij weten zich door de inwerking van die geest Gods kinderen. Bijgevolg roepen zij uit: Abba, Vader! Zie Rm 8:9, 14-16.

 

ησαν δε δικαιοι αμφοτεροι εναντιον του θεου, πορευομενοι εν πασαις ταις εντολαις και δικαιωμασιν του κυριου αμεμπτοι. και ουκ ην αυτοις τεκνον, καθοτι ην η Ελισαβετ στειρα, και αμφοτεροι προβεβηκοτες εν ταις ημεραις αυτων ησαν.

 

6-7 Beiden nu waren rechtvaardig in de ogen van God, wandelend in alle geboden en rechtvaardige vereisten van de Heer, onberispelijken. En zij waren kinderloos, aangezien Elisabet onvruchtbaar was; en beiden waren op gevorderde leeftijd.

 

Hier worden Zacharias en Elisabet als eersten genoemd van nog een aantal andere Israëlieten die tegen het einde van het OT tijperk het ware Israël vertegenwoordigden, in afwachting van de vervulling der Abrahamitische beloften. We zullen nog Jozef, Maria, Simeon en Anna tegenkomen die allen het voorrecht ontvingen de dageraad van het Messiaanse tijdperk te zien.

 

Zacharias en Elisabet hadden nog het extra voorrecht geboren te zijn binnen het hogepriesterlijk nageslacht, maar zij onderscheidden zich van het toenmalige priesterdom -dat overwegend Sadduceïsch was- doordat zij volstrekt niet waren besmet met de wereldse geest die onder het priesterschap te Jeruzalem heerste.

 

Εγενετο δε εν τω ιερατευειν αυτον εν τη ταξει της εφημεριας αυτου εναντι του θεου, κατα το εθος της ιερατειας ελαχεν του θυμιασαι εισελθων εις τον ναον του κυριου, και παν το πληθος ην του λαου προσευχομενον εξω τη ωρα του θυμιαματος· ωφθη δε αυτω αγγελος κυριου εστως εκ δεξιων του θυσιαστηριου του θυμιαματος.

 

8-11 Maar het geschiedde toen hij voor het aangezicht van God als priester optrad, in de indeling van zijn dagorde, hem -naar het gebruik van het priesterambt- het lot was toegevallen het reukwerk te offeren, zodat hij het tempelheiligdom van de Heer was binnengegaan, en terwijl heel de menigte van het volk buiten in gebed was op het uur van het reukoffer, hem een engel van de Heer verscheen, staande aan de rechterkant van het reukofferaltaar.

 

Maar het geschiedde geeft te kennen dat we een bijzondere ontwikkeling mogen verwachten rond het bejaarde echtpaar dat altijd kinderloos was gebleven. Hun nieuwe situatie zal aan Zacharias onthuld worden door Gabriël en dat zal, heel bijzonder, plaats vinden binnen het tempelheiligdom [Grieks ναος], dat is het eigenlijke tempelhuis binnen het tempelcomplex. Maar Lukas neemt wel een lange aanloop daartoe in de vorm van (weer) een volzin waarin details onthuld worden omtrent de omstandigheden van Zacharias’ priesterlijke dienst.

 

Het lot om het wierookoffer op te dragen was op Zacharias gevallen, en aangezien er veel priesters beschikbaar waren was het misschien wel de eerste maal dat hem dit voorrecht ten deel viel. Opvallend is ook het gegeven dat heel de menigte van het volk buiten het tempelhuis, d.i. in de voorhoven van het tempelterrein, in gebed was. Dit is waarschijnlijk een aanwijzing dat het ging om het avondoffer van de Sabbat.

 

We kunnen wat dit detail betreft weer denken aan de verheerlijkte gemeente, in de hemel vertegenwoordigd door de 24 Oudsten rondom Gods troon.

Volgens Op 5:8-10 zullen zij -tijdens de 70e Jaarweek voor Israël- het joodse Overblijfsel dat dan op het religieuze toneel der aarde zal verschijnen, dienen door hun gebeden, in de vorm van symbolisch reukwerk, voor Gods aangezicht te brengen. Zulke bemiddelende diensten tussen de aarde en de hemel zal door het hemelse deel van het Nieuwe Jeruzalem, de ultieme tempelstad, blijkbaar door het hele Sabbatmillennium heen verricht worden.

 

In de eerste twee hoofdstukken maakt Lukas geregeld melding van de verschijning van engelen. Trouwens, in zijn gehele Evangelie is de hemel dichtbij en engelen zijn degenen die de afstand tussen God en de mens overbruggen.

Maar nog iets anders speelt in dit verband een overwegende rol bij Lukas. In zijn verslag benadrukt hij het feit dat Jezus Gods voorziening is voor de zeer ernstige behoeften van de mensheid. Om die reden presenteert hij Jezus aan ons als de volmaakte mens die geen menselijke Adamitische vader heeft, maar God zelf, door de werking van de heilige geest. Bijgevolg kan hij voor de zondige, stervende mensheid tot een redder worden, de eerstgeborene van een nieuw geslacht, aangezien hijzelf zondeloos werd geboren uit een maagd.

Jezus is bijgevolg voor het Israël van God de oudere broer door wie allen werkelijk leven ontvangen. Als onze naaste menselijke verwant, maar dan niet besmet met de Adamitische erfenis, kon hij onze loskoper worden.

 

De verschijning van Gabriël is Lukas’ eerste vermelding van een engel die zich in een gematerialiseerde gedaante voor een mens zichtbaar maakt, in dit geval voor de priester Zacharias die bezig is het reukwerk te branden waardoor het gebed van het volk als het ware tot God opsteeg (Ps 141:2).

Ook in OT tijden verschenen engelen aan mensen door materialisatie, onveranderlijk met de bedoeling om betekenisvolle gebeurtenissen aan te kondigen. Vergelijk bijvoorbeeld Rc 6:11-21; 13:1-20.

 

Omdat geen detail in het verslag zonder betekenis is, moet de verschijning van Gabriël aan de rechterzijde van het reukaltaar ook op iets speciaals duiden.

Uit een vergelijking met Mt 25:33-34 mogen wij afleiden dat rechterzijde duidt op een positie van gunst. Van Gabriël mocht derhalve een gunstige boodschap worden verwacht. Nemen wij ook Hn 2:34 in aanmerking, dan moeten wij eerder denken aan eer en/of autoriteit. In dat geval vervulde Gabriël een eervolle missie en bracht hij een boodschap over berustend op Gods autoriteit.

 

και εταραχθη Ζαχαριας ιδων, και φοβος επεπεσεν επ αυτον.

ειπεν δε προς αυτον ο αγγελος, Μη φοβου, Ζαχαρια, διοτι εισηκουσθη η δεησις σου, και η γυνη σου Ελισαβετ γεννησει υιον σοι, και καλεσεις το ονομα αυτου Ιωαννην.

 

12-13 En toen Zacharias [hem] zag, werd hij verschrikt en vrees overviel hem. Maar de engel zei tot hem: Vrees niet, Zacharias, want je bede werd verhoord en je vrouw Elisabet zal je een zoon voortbrengen en je zult zijn naam noemen: Johannes.

 

We zien bij Zacharias de gebruikelijke reactie op de manifestatie van een engel. Niet geheel onbegrijpelijk wanneer we ons het onverwacht plotselinge van zo’n ervaring proberen voor te stellen. Maar ook de geruststellende reactie van Gabriël mag stereotiep genoemd worden.

Zie Lk 1:28-30; 2:8-10 en Dn 8:16-19; 9:21-23; 10:8-12.

 

Gabriël was verschenen om Gods antwoord over te brengen, naar we mogen aannemen zowel op de gebeden van het kinderloze echtpaar als die van het volk waarin ongetwijfeld de hoop op een spoedige vertroosting voor Israël tot uitdrukking werd gebracht (Lk 2:25; Js 40:1-2; Dn 9:20).

 

Men heeft op dit punt in het verslag de verschillen opgemerkt tussen Mattheüs en Lukas betreffende de details die zij hebben verschaft omtrent de geboorte en de jeugd van de Messias, alsook van de gebeurtenissen die daaraan voorafgingen. Wij noemen alleen wat o.i. de twee Evangeliën dienaangaande het meest van elkaar onderscheidt:

Mattheüs relateert zijn verslag voortdurend aan de OT profetieën en de manier waarop die toen, de een na de ander, in vervulling gingen. Herhaaldelijk lezen wij bij hem danook de zinsnede: Toen werd vervuld…, of: Opdat vervuld zou worden

Zie Mt 1:22; 2:15, 17, 23.

 

Lukas daarentegen laat krachtig uitkomen dat na een stilte van eeuwen er eindelijk weer profetische aankondigingen op zichzelf worden gedaan, eigentijdse profetieën dus, zoals hier de geboorte van Jezus’ voorloper Johannes. Maar er zullen nog andere volgen.

 

και εσται χαρα σοι και αγαλλιασις, και πολλοι επι τη γενεσει αυτου χαρησονται·

 

14 En hij zal je tot vreugde en grote blijdschap zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen.

 

De engel profeteert verder: Johannes’ loopbaan zal voor heel Israël van belang zijn en vreugde brengen. Een verdere aanwijzing dat God naast de gebeden van Zacharias en diens vrouw, ook die van de hele menigte des volks in aanmerking nam.

 

εσται γαρ μεγας ενωπιον [του] κυριου, και οινον και σικερα ου μη πιη, και πνευματος αγιου πλησθησεται ετι εκ κοιλιας μητρος αυτου,

 

15 Want hij zal groot zijn voor het aangezicht van de Heer, en wijn en sterke drank mag hij volstrekt niet drinken, en hij zal met heilige geest vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder af.

 

Johannes zal voor Gods aangezicht -d.i. met zijn goedkeuring als gevolg van zijn keuze- een opvallende rol vervullen in de verwezenlijking van zijn plan of voornemen. Derhalve zal hij 'groot' zijn. Jezus bevestigde die profetische aankondiging, toen hij over Johannes zei:

 

Voorwaar, ik zeg jullie: onder hen die van vrouwen verwekt zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de Doper; maar een geringere in het koninkrijk der hemelen is groter dan hij.

Mt 11:11

 

Johannes moet in dit voornemen een Nazireeër Gods zijn, volgens de aanwijzingen in de Wet (Nm 6:1-4); d.i. een Afgezonderde, een opgedragene aan een goddelijke taak. Er waren twee soorten onder hen: a. zij die een gelofte deden om voor een zekere tijd als nazireeër te dienen, en b. anderen die door God zelf tot het nazireeërschap werden geroepen voor het leven. Tot die laatsten behoorden, naast Johannes, Simson en Samuël.

Van Johannes wordt hier slechts vermeld dat hij volstrekt geen wijn en sterke drank mag drinken. Daartegenover wordt gesteld dat hij [letterlijk:] nog uit de schoot zijner moeder van heilige geest vervuld zal worden.

In Lk 1:41-44 krijgen we al de bevestiging van Gabriëls uitspraak dienaangaande.

De werkzaamheid van de heilige geest als een heiligmakende, inspirerende en genezende kracht, keert geregeld terug in het Lukas’ evangelie. Vergelijk Lk 5:17; 8:46; 24:49.

Zoals reeds opgemerkt bij 1:8-11, blijkt ook in dit facet de hemel zeer dichtbij te zijn in het derde evangelie. Ook christenen kunnen niets van wezenlijke waarde tot stand brengen tenzij de geest die bij hen inwonend is, de gelegenheid krijgt door hen werkzaam te zijn (Gl 2:20).

 

και πολλους των υιων Ισραηλ επιστρεψει επι κυριον τον θεον αυτων. και αυτος προελευσεται ενωπιον αυτου εν πνευματι και δυναμει Ηλιου, επιστρεψαι καρδιας πατερων επι τεκνα και απειθεις εν φρονησει δικαιων, ετοιμασαι κυριω λαον κατεσκευασμενον.

 

16-17 En hij zal velen van de zonen van Israël doen terugkeren tot de Heer, hun God. En zelf zal hij voor zijn aangezicht uitgaan in [de] geest en kracht van Elia, om harten der vaderen te doen terugkeren tot kinderen en ongehoorzamen in een gezindheid van rechtvaardigen, om voor de Heer een toegerust volk gereed te maken.

 

Hier wordt duidelijk waarom het nog te geboren kind groot zal zijn. Johannes zal de Elia-opdracht vervullen, zoals aangegeven in de Profeten, m.n in Ml 3:1 en 4:5-6. Laatstgenoemd schriftdeel luidt aldus:

 

Zie, ik zend jullie de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van YHWH komt; hij zal het hart der vaders terugbrengen tot dat der kinderen en het hart der kinderen tot dat van hun vaders; opdat ik niet kom en het land met de ban tref.

 

Die profetische aankondiging heeft bij gelovige Joden altijd veel verwachting gewekt, aangezien ze duidelijk eschatologisch van aard is en daarom haar uiteindelijke vervulling moet krijgen in de 70e Jaarweek, volgens Dn 9:24-27.

Maar een voorlopige, eerste, vervulling had de profetie in de Eerste eeuw in het optreden van Johannes de Doper.

In de Openbaring zien we ‘Elia’ terug in het optreden van de Twee Getuigen en wel in de tweede of uiteindelijke vervulling van de profetie ten tijde van het herstel van het [Messiaanse] koninkrijk voor Israël en de invoering van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.

Zie Mt 17:10-13; Lk 9:27-36; Hn 1:6; 2Pt 1:16-19; 3:13; Op 11:3-6.

 

Ml 4:5-6 wordt hier door Lukas geciteerd, maar ook geïnterpreteerd. Alleen de Joden die de gelovige gezindheid aan de dag zullen leggen van hun voorvaders, zoals Abraham, Isaäk en Jakob, die vanwege hun geloof door JHWH als rechtvaardigen werden gerekend, zijn het geschikte volk om naar de Abrahamitische belofte Gods grote voornemen te dienen en tot zegen te worden voor mensen uit alle natiën (Gn 15:5-6; 22:15-18; Jh 4:22).

 

Met het oog daarop moet Johannes met een zelfde ijver, toewijding en onversaagdheid optreden als de oorspronkelijke Elia en een godsdienstige ommekeer bij het volk bewerken (1Kn 17:1; 18:17-40; 21:17-29).

 

Και ειπεν Ζαχαριας προς τον αγγελον, Κατα τι γνωσομαι τουτο; εγω γαρ ειμι πρεσβυτης και η γυνη μου προβεβηκυια εν ταις ημεραις αυτης.

 

18 En Zacharias zei tot de engel: Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben oud en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen.

 

Naar het voorbeeld van Abraham, Gideon en koning Hizkia vraagt Zacharias om een teken teneinde zekerheid te hebben dat het precies zo zal gaan als de engel heeft aangekondigd (Gn 15:8; Rc 6:37; 2Kn 20:8).

Dacht Zacharias daarmee van een nederige houding blijk te geven? Of twijfelde hij in werkelijkheid of de verschijning van de engel echt was? Uit het antwoord van de engel mogen wij wellicht afleiden dat het laatste het geval was.

 

και αποκριθεις ο αγγελος ειπεν αυτω, Εγω ειμι Γαβριηλ ο παρεστηκως ενωπιον του θεου, και απεσταλην λαλησαι προς σε και ευαγγελισασθαι σοι ταυτα·

 

19 En ten antwoord zei de engel tot hem: Ik ben Gabriël die dicht voor Gods aangezicht staat, en ik werd gezonden om tot je te spreken en je deze dingen als goede tijdingen te verkondigen.

 

Eerst nu maakt Gabriël zich bekend. Hij is dezelfde engelboodschapper die aan de geliefde Daniël verscheen. Bij de gelegenheid die in Daniël, hoofdstuk 9, wordt vermeld, vond zijn verschijning plaats ten tijde van het avondoffer, precies zoals nu bij Zacharias het geval is (Dn 9:21). Een priester als Zacharias had dat toch moeten weten en bijgevolg moeten beseffen dat er niet echt gronden waren voor twijfels, aangezien hij in gunstiger omstandigheden verkeerde dan [bijvoorbeeld] Gideon.

 

Velen vertalen: Ik ben Gabriël die voor Gods aangezicht staat. Maar het werkwoord dat Lukas hier gebruikte is παριστημι dat in het perfectum de waarde heeft van erbij staan, erbij aanwezig zijn. Het participium-perfectum ο παρεστηκως wordt daarom wel weergeven met omstander. Zie Mr 14:47; 15:35.

Toegepast op onze tekst zouden we tot de gevolgtrekking kunnen komen dat Gabriël in Gods tegenwoordigheid verblijft en altijd gereed staat voor het volbrengen van een specifieke dienst. In dit geval ontving hij in Gods nabijheid de toewijzing om aan Zacharias te verschijnen en deze omtrent zeer bijzondere zaken te informeren. Vergelijk Op 8:2, waar echter het perfectum van ιστημι is gebruikt.

 

 

και ιδου εση σιωπων και μη δυναμενος λαλησαι αχρι ης ημερας γενηται ταυτα, ανθ ων ουκ επιστευσας τοις λογοις μου, οιτινες πληρωθησονται εις τον καιρον αυτων.

 

20 En zie, je zult stom zijn en niet in staat te spreken tot de dag waarop deze dingen zullen geschieden, omdat je geen geloof stelde in mijn woorden die op hun tijd vervuld zullen worden.

 

Zacharias ontvangt inderdaad een teken maar niet één die hij in gedachten zal hebben gehad. Door goddelijke ingreep wordt hij letterlijk ‘met stomheid geslagen’. Hem wordt het spraakvermogen ontnomen totdat -ook merkbaar voor anderen dan voor hem en zijn vrouw- Johannes geboren zal worden. Lk 1:57-64.

Zacharias’ stomheid zou intussen wel kracht bijzetten aan het wonder van de komende gebeurtenis en aan alles wat omtrent Johannes was aangekondigd.

 

Is in dit deel van het verhaal ook een diepere betekenis te signaleren naar de christelijke gemeente toe? Dat achten wij niet onwaarschijnlijk, in aanmerking nemend de raakvlakken met Daniël, hoofdstuk 9.

Bij dat optreden van Gabriël werd de Jaarwekenprofetie aan Daniël gegeven naar aanleiding van zijn zondenbelijdenis namens het gehele volk Israël.

Wij staan nu -volgens onze opvatting- vlak voor het aanbreken van de 70e Week en daarmee de opname van de gemeente, maar waarin ook het moment komt dat een getrouw overblijfsel tegenover God berouw zal tonen voor de eeuwenlange verharding waarin het volk jegens haar Messias heeft verkeerd. Zie:

 

Antichrist & Israël - De 70e Week cruciaal

 

Daarin merkten we in verband met Daniëls gebed volgens Dn 9:4-19, ondermeer op:

Wanneer we het boetvaardige gebed van Daniël diep tot ons laten doordringen, dan is onze conclusie wellicht: Precies dezelfde belijdenis past oprechte joodse mensen thans. Het toekomstige overblijfsel zou Daniëls woorden letterlijk kunnen herhalen in een toepassing op zichzelf.

 

Maar alvorens dat moment aanbreekt kan zich een periode van diep 'stilzwijgen' voordoen, omdat de priestergemeente door de opname van de aarde verdwenen en in de onzichtbare hemelsferen gekomen is (1Th 4:15-17).

 

και ην ο λαος προσδοκων τον Ζαχαριαν, και εθαυμαζον εν τω χρονιζειν εν τω ναω αυτον.

 

21 En het volk was in afwachting van Zacharias; en zij gingen zich afvragen waarom hij zo lang in het tempelheiligdom bleef.

 

Volgens de Talmoed bleef de priester slechts kort in het heiligdom om het volk niet ongerust te maken. In de tegenwoordigheid van YHWH verkeren, ook al gebeurde dat in typologische zin, werd voor een zondig mens min of meer als een waagstuk beschouwd. Manoah bracht ook die vrees tot uitdrukking. Maar zijn vrouw had daar een verstandig antwoord op (Rc 13:19-23).

 

εξελθων δε ουκ εδυνατο λαλησαι αυτοις, και επεγνωσαν οτι οπτασιαν εωρακεν εν τω ναω· και αυτος ην διανευων αυτοις, και διεμενεν κωφος.

 

22 Toen hij nu naar buiten kwam, was hij niet in staat tot hen te spreken; en zij bemerkten dat hij in het tempelheiligdom een verschijning had gezien. En hij maakte steeds gebaren naar hen en bleef aanhoudend stom.

 

Dat er een storing was opgetreden in Zacharias’ spraakvermogen kwam het volk te weten doordat hij niet in staat was hun de priesterzegen te geven volgens Nm 6:22-27. Ondervraagd daaromtrent en ook over zijn lange uitblijven, probeerde hij zich wel door gebaren verstaanbaar te maken, maar hij bleef [letterlijk] 'met stomheid geslagen'.

 

Sommigen zien in Zacharias’ situatie een vingerwijzing naar de geestelijke toestand waarin huidig Israël naar het vlees verkeert. Zacharias -in een mate van ongeloof- verzocht om een teken; dat teken kreeg hij in zijn eigen persoon: stom zijn totdat de woorden van de engel in vervulling gaan.

Op dezelfde wijze is Israëls priesterschap nu al heel lang volkomen 'stil', wat getuigt van een oordeel over haar. De menigte van het volk kan wel verwachtingsvol naar haar opzien, maar het volk moet telkens weer tot de conclusie komen dat ze 'stom' is. Dit zal doorgaan totdat 'Elisabet' [betekenis: God heeft gezworen] niet langer kinderloos is.

 

Wij menen dat in die benadering niet voldoende rekening wordt gehouden met Gabriëls boodschap van vreugde en het feit dat het echtpaar onberispelijk heet, rechtvaardig voor God. Bovendien heeft Zacharias’ lofprijzing van God na afloop van zijn stomheid, duidelijk eschatologische ondertonen (Lk 1:67-79).

Hoe dan ook, het einde van de kinderloosheid zal inderdaad in de 70e Jaarweek aanbreken. In de 'stilte' die ontstaat na de opname van de gemeente, de tegenbeeldige priesterschap, is het wachten op de vervulling van Js 66:7-8, dat een natie op één dag geboren zal worden en Sion haar zonen baart.

Hoe moeten we ons dat voorstellen?

 

Blijkbaar naar het typologische patroon in het bijbelboek Ruth.

Jezus, als de tegenbeeldige Boaz maakt de opgenomen christelijke gemeente, afgebeeld door Ruth, de vrouw van heidense origine, vruchtbaar. Die Ruthgemeente neemt de plaats in van 'Naomi', de oude vrouwgemeente Israël. Naomi is niet alleen weduwe maar ook zonder kinderen. Haar beide zonen zijn kinderloos gestorven (Rt 1:4-5). Zij is als Vrouwe Sion, weduwe, en beroofd van kinderen, schijnbaar zonder hoop (Rt 1:11 en Js 49:14, 21).

 

Het resultaat is de geboorte van Obed, wiens naam de betekenis heeft van knecht.

Maar van Obed wordt gezegd dat hij Naomies' zoon is volgens het leviraatprincipe.

Evenzo wordt de aardse Vrouwgemeente Israël in haar ouderdom geschraagd of verzorgd. De loskoper Messias Jezus wordt een hersteller van haar ziel. Het huwelijk tussen Jezus Messias en de Ruthgemeente draagt hier in hoge mate toe bij. De vrucht van dat huwelijk -de tegenbeeldige Obed [dienaar of knecht]- zal gestalte krijgen in Sions zonen. Vrouwe Sion zal dan ook te zijner tijd in haar hart zeggen:

 

Wie heeft mij dezen gebaard, daar ik een vrouw ben beroofd van kinderen en onvruchtbaar, verbannen en gevangengenomen? Wat dezen betreft, wie heeft grootgebracht? Zie! Ik was alleen achtergelaten. Dezen – waar komen zij vandaan?

Js 49:21

 

Voor een uitgebreidere beschouwing van de profetische betekenis van het Ruthverhaal, zie: Ruth en de Antichrist

 

και εγενετο ως επλησθησαν αι ημεραι της λειτουργιας αυτου απηλθεν εις τον οικον αυτου.

 

23 En het geschiedde, toen de dagen van zijn tempeldienst verstreken waren, dat hij heenging naar zijn huis.

 

Ondanks zijn stomheid voltooide hij zijn dienstweek in de dagorde van zijn voorvader Abijah. Ook hierin beantwoordde Zacharias aan de beschrijving volgens 1:6.

Maar wij moeten wel aannemen dat iemand anders zijn plaats innam, aangezien hij door zijn stomheid voor bepaalde priesterlijke taken ongeschikt was geworden.

 

Μετα δε ταυτας τας ημερας συνελαβεν Ελισαβετ η γυνη αυτου· και περιεκρυβεν εαυτην μηνας πεντε, λεγουσα οτι Ουτως μοι πεποιηκεν κυριος εν ημεραις αις επειδεν αφελειν ονειδος μου εν ανθρωποις.

 

24-25 Na die dagen nu werd Elisabet, zijn vrouw, zwanger; en zij hield zich vijf maanden volkomen verborgen, zeggend: Aldus heeft de Heer aan mij gedaan in de dagen waarin hij op mij neerzag, om mijn smaad onder [de] mensen weg te nemen.

 

Elisabet wilde kennelijk in stilte en afzondering bij God zijn en aldus haar nieuwe situatie -door een goddelijk wonder veroorzaakt- intens ervaren, zich tevens bezinnend op datgene wat het moeder worden van een Nazireeër voor haar inhield. Aan Manoahs vrouw had de engel immers in een vergelijkbare situatie enkele verplichtingen opgelegd. Zie Rc 13:2-5, 11-14.

Op die wijze bleven haar nieuwe omstandigheden aan het oog van een ieder geheel onttrokken.

 

Evenzo zal, naar wij mogen aannemen, de situatie van de gemeente na haar opname een tijdlang -vijf maanden in symbolische, of misschien ook in letterlijke zin- voor alle waarneming op aarde verborgen zijn. Niettemin zal in die tijdsperiode de verschijning van een joods overblijfsel in voorbereiding zijn.

 

De symbolische waarde van het getal 5 mag wellicht afgeleid worden uit Gn 43:29-34. Toen Jozef zich nog niet aan zijn broers had bekendgemaakt, gebruikte hij met hen allen een bijzondere maaltijd:

 

En zij zaten vóór hem, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorterecht en de jongste naar zijn jeugd; en de mannen keken elkaar vol verbazing aan. En hij liet hun porties van voor zijn aangezicht brengen, maar het portie van Benjamin was groter dan de porties van alle anderen: vijf maal.

 

En nadat hij zijn identiteit aan zijn broers had onthuld en hen had opgedragen om hun vader en hun gezinnen op te halen in het land Kanaän, gaf hij aan een ieder van hen een stel nieuwe kleding mee, maar aan Benjamin schonk hij vijf stel en daarnaast nog 300 zilverstukken. Zie Gn 45:22.

Men heeft, wellicht niet onterecht, geconcludeerd dat Jozef op die wijze de overige tien broers op de proef stelde, om te zien of zij nog steeds de afgunstige houding bezaten als waarvan zij jegens hém in het verleden hadden blijk gegeven.

 

Maar het is onmiskenbaar dat het getal 5 in Jozefs houding naar Benjamin toe, iets speciaals verzinnebeeldt. Wanneer we daarbij ook de parabel van de 5 wijze en de 5 dwaze maagden van Mt 25 in aanmerking nemen, dan lijkt ons de conclusie gerechtvaardigd dat Benjamin in het verhaal van Jozef -te midden van zijn broers- als voorafbeelding heeft gefungeerd van het in de eindtijd, te midden van Israël, verschijnende overblijfsel.

Een en ander wordt ook bevestigd in het Estherverhaal.

Zie svp: Esther, zij die zich verborgen hield

 

3. Aankondiging van Jezus’ geboorte (1:26-38)

 

Eν δε τω μηνι τω εκτω απεσταλη ο αγγελος Γαβριηλ απο του θεου εις πολιν της Γαλιλαιας η ονομα Ναζαρεθ προς παρθενον εμνηστευμενην ανδρι ω ονομα Ιωσηφ εξ οικου Δαυιδ, και το ονομα της παρθενου Mαριαμ.

και εισελθων προς αυτην ειπεν, Χαιρε, κεχαριτωμενη, ο κυριος μετα σου. η δε επι τω λογω διεταραχθη και διελογιζετο ποταπος ειη ο ασπασμος ουτος.

 

26-29 In de zesde maand nu werd de engel Gabriël van God vandaan gezonden naar een stad van Galilea, genaamd Nazareth, tot een maagd die ten huwelijk beloofd was aan een man, genaamd Jozef, uit Davids huis; en de naam van de maagd: Mariam.

En nadat hij bij haar was binnengetreden, zei hij: Verheug je, hooglijk begunstigde, de Heer is met je. Zij echter werd diep verontrust over het woord en zij vroeg zich af wat voor een begroeting dit wel mocht zijn.

 

Ten huwelijk beloofd [εμνηστευμενην] of: verloofd. Een verloving duurde gewoonlijk een jaar en moest op grond van Dt 22:23-24 als een serieuze zaak worden beschouwd. Vergelijk het verslag van Mattheüs (1:17-25).

Uit Davids huis kan grammaticaal zowel op Jozef als Mariam slaan. Zie ook 2:1-5.

Beiden stamden in ieder geval van David af zodat Jezus zowel wettelijk [Jozef] als natuurlijk [Maria] Davids zoon genoemd kon worden.

Hooglijk begunstigde [κεχαριτωμενη], is het participium in het perfectum-passivum van het werkwoord χαριτοω dat in het NT alleen nog in Ef 1:6 wordt aangetroffen:

 

Tot lof van de heerlijkheid zijner genade waarmee hij ons hooglijk begunstigde in de Geliefde.

 

Zoals in het geval van Mariam gaat het ook bij de Gemeente om een situatie van een buitengewoon geschonken gunst die blijvend is. Bij Mariam wordt dit door de engel bevestigd met de woorden: De Heer is met je.

Maria zou de draagmoeder worden van de Messias. De Gemeente is aan de Messias ten huwelijk beloofd (2Ko 11:1-2; Ef 5:22-32).

 

Met die constatering kunnen we tot verdere gevolgtrekkingen komen.

In Mariam, als de vertegenwoordigster van de gemeente Israël, Gods vrouw, bracht JHWH Jezus als een volmaakt aardse zoon voort. Op zijn beurt zal Messias Jezus, als de hemelse echtgenoot van de verheerlijkte Gemeente, in haar - de Ruthgemeente - de nieuwe geboorte [wedergeboorte; Jh 3:3, 5] tot stand brengen van de Knecht ‘Obed’.

Zie het commentaar bij 1:22, alsook de Studie: Ruth en de Antichrist

 

και ειπεν ο αγγελος αυτη, Μη φοβου, Μαριαμ, ευρες γαρ χαριν παρα τω θεω· και ιδου συλλημψη εν γαστρι και τεξη υιον, και καλεσεις το ονομα αυτου ιησουν

 

30-31 En de engel zei tot haar: Wees niet bevreesd, Mariam, want je hebt gunst gevonden bij God, en zie, je zult in [je] schoot ontvangen en een zoon baren, en zijn naam moet je noemen: Jezus.

 

Voor het aangeven van Mariams zwangerschap gebruikt de engel hier een andere uitdrukking dan voor die van Elisabet in 1:13 [voortbrengen] en 1:24 [letterlijk: ontving, zonder εν γαστρι]. De woordkeuze hier komt - niet toevallig - overeen met de bekende tekst Js 7:14 volgens de LXX:

Ιδου η παρθενος εν γαστρι εξει και τεξεται υιον.

Letterlijk: De maagd zal in [haar] schoot hebben en een zoon baren.

 

Volgens Mt 1:22 werd Jozef iets soortgelijks geboden: Zij zal een zoon baren en jij moet zijn naam noemen: Jezus; echter met een verklarende toevoeging: Want hij zal zijn volk redden van hun zonden.

 

ουτος εσται μεγας και υιος υψιστου κληθησεται, και δωσει αυτω κυριος ο θεος τον θρονον δαυιδ του πατρος αυτου, και βασιλευσει επι τον οικον Ιακωβ εις τους αιωνας, και της βασιλειας αυτου ουκ εσται τελος.

 

32-33 Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten worden genoemd, en de Heer God zal hem de troon van zijn vader David geven, en hij zal als koning over het huis van Jakob regeren tot in eeuwigheid, en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn.

 

Hier blijkt definitief dat Jezus de joodse Messias zal zijn, want hij zal als de permanente erfgenaam van zijn voorvader David voor altijd diens troon bezetten.

In hem vindt de definitieve vervulling van 2Sm 7:11-19 plaats. Tot David zei Nathan als Gods woordvoerder namelijk het volgende:

 

"De HEER zegt je dat hij voor jou een huis zal bouwen: Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken. Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon… Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen".

 

Koning David ging het heiligdom binnen, nam plaats voor de HEER en bad:

 

"Wie ben ik, HEER, mijn God, wat is mijn familie, dat u mij zo ver hebt gebracht? En alsof dat nog niet genoeg was, HEER, mijn God, hebt u ook gesproken over de toekomst van mijn koningshuis. Moge dit de mensheid tot wet worden gesteld, HEER, mijn God".

(NBV)

 

Tegelijkertijd zal Jezus als mens op aarde Gods Zoon zijn, zoals Gabriël zo meteen aan Mariam zal toelichten.

Zie ook Ps 2:7; 89:34-37; Dn 7:13-14.

 

ειπεν δε Μαριαμ προς τον αγγελον, Πως εσται τουτο, επει ανδρα ου γινωσκω; και αποκριθεις ο αγγελος ειπεν αυτη, Πνευμα αγιον επελευσεται επι σε, και δυναμις υψιστου επισκιασει σοι· διο και το γεννωμενον αγιον κληθησεται υιος θεου.

 

34-35 Mariam echter zei tot de engel: Hoe zal dit zijn, daar ik geen gemeenschap heb met een man? En in antwoord zei de engel tot haar: Heilige geest zal op je komen en kracht des Allerhoogsten zal je overschaduwen; daarom ook zal het heilige dat verwekt wordt, Gods Zoon worden genoemd.

 

Mariam vraagt niet, zoals Zacharias, om een teken. Ook is zij niet verbaasd over het feit dat de tijd voor de verschijning van de Messias kennelijk is aangebroken. Zij is eerder geïnteresseerd in de toedracht van alles. Ze is tenslotte ongetrouwd en nog maagd. Daarom vraagt zij slechts om een verklaring of uitleg, en die ontvangt zij ook, doordat de engel toelicht dat haar zwangerschap tot stand zal komen in de kracht van Gods geest. Die zal als het ware als een wolk op haar komen te rusten. Het werkwoord επισκιαζω heeft de betekenis van bedekt worden door een schaduw; erin verborgen worden [als in een wolk]; vergelijk Lk 9:34 en Hn 5:15.

 

και ιδου Ελισαβετ η συγγενις σου και αυτη συνειληφεν υιον εν γηρει αυτης, και ουτος μην εκτος εστιν αυτη τη καλουμενη στειρα· οτι ουκ αδυνατησει παρα του θεου παν ρημα.

 

36-37 En zie, Elisabet, je verwante, zelfs zij is zwanger geworden van een zoon in haar ouderdom; en dit is voor haar die onvruchtbaar heette [de] zesde maand, want bij God zal geen enkele uitspraak een onmogelijkheid zijn.

 

Het teken waarom zij niet had gevraagd, krijgt Mariam ook nog: de wonderbare vruchtbaarheid van haar familielid Elisabet. Dat dient voor haar als een verzekering dat alles zich aan haar zal voltrekken wat de engel haar heeft aangekondigd. Bovendien is bij God niets van wat hij heeft gesproken, onuitvoerbaar of zonder kracht [αδυνατεω]. Volgens Gn 18:14 is voor hem niets te buitengewoon. Zie ook Jr 32:17 en Zc 8:6. 

 

Dat zij aan het niet verzochte teken grote betekenis toekent, zal in vers 39 duidelijk worden. Met spoed zal ze zich naar Elisabet begeven om zich van het gesprokene te vergewissen. Of - om het met de woorden van Ps 110:7 te zeggen: Onderweg zal zij uit het stroomdal drinken; in haar eigen geval in de zin van: zich verkwikken onder het gewicht van wat haar is meegedeeld.

 

ειπεν δε Μαριαμ, Ιδου η δουλη κυριου· γενοιτο μοι κατα το ρημα σου. και απηλθεν απ αυτης ο αγγελος.

 

38 Mariam nu zei: Zie, de slavin van de Heer, moge mij geschieden naar uw uitspraak. En de engel ging van haar heen.

 

Mariam heeft goed begrepen dat zij van Godswege een toewijzing had ontvangen en ook dat het geen gemakkelijke zou zijn; integendeel, zij moet ingezien hebben dat er van de zijde der mensen -die niet goed geïnformeerd waren en dat ook niet konden zijn- moeilijkheden te verwachten waren. Haar voorhuwelijkse zwangerschap zou ongetwijfeld verkeerd uitgelegd worden en haar ’s mensen afkeuring bezorgen. Maar evenals Hanna is zij volledig bereid zich als Gods slavin aan zijn raadsbesluit te onderwerpen (1Sm 1:11).

 

Voor de leden van het ware Israel Gods vormt dit een aanmoediging om zich te allen tijde volledig op Elohim en zijn Zoon te verlaten, in het vertrouwen dat zij in staat zijn ons voorbij onze menselijke beperkingen te voeren. 

 

4. Maria’s bezoek aan Elizabeth (1:39-56)

 

Αναστασα δε Μαριαμ εν ταις ημεραις ταυταις επορευθη εις την ορεινην μετα σπουδης εις πολιν Ιουδα, και εισηλθεν εις τον οικον Ζαχαριου και ησπασατο την Ελισαβετ.

 

39-40 Mariam nu stond in die dagen op en trok met spoed naar het bergland, naar een stad van Juda; en zij ging het huis van Zacharias binnen en begroette Elisabet.

 

Het moet Maria ongeveer 3 à 4 dagen gekost hebben om zich -wellicht per ezel- naar de stad in het heuvelland van Juda te spoeden, ongeveer 100 km in zuidelijke richting. Lukas noemt de stad niet bij name, maar zeer waarschijnlijk ging het om Hebron: Zij gaven hun dan: Kirjath-Arba -de genoemde Arba is de vader van Enak-, dat wil zeggen Hebron, in het bergland van Juda, en zijn omliggende weidegronden (Jz 21:10-11).

Hebron was niet alleen een priesterstad, maar ook één van de zes toevluchtssteden (Jz 20:7-8).

 

Natuurlijk was Maria er op 'gebrand' Zacharias en Elisabet te ontmoeten, mensen die, zoals zijzelf, duidelijk in Gods plan waren opgenomen. Voorlopig zou zij bij hen veilig zijn en begrepen worden, ingewijden als zij met elkaar waren in bovennatuurlijke zaken en thans -naast vleselijke banden- ook onderling verbonden in de werkzaamheid van Gods heilige geest; verheven boven het alledaagse niveau van deze wereld met haar στοιχεια του κοσμου [elementen van de wereld], in het zinnebeeldig 'bergachtig gebied van Juda'.

Zie Ks 2:8 en vergelijk 1Ko 2:12-13; 1Tm 6:20.

 

και εγενετο ως ηκουσεν τον ασπασμον της Μαριας η Ελισαβετ, εσκιρτησεν το βρεφος εν τη κοιλια αυτης, και επλησθη πνευματος αγιου η Ελισαβετ, και ανεφωνησεν κραυγη μεγαλη και ειπεν, Ευλογημενη συ εν γυναιξιν, και ευλογημενος ο καρπος της κοιλιας σου.

 

41-42 En het geschiedde, toen Elisabet de begroeting van Mariam hoorde, dat het kind opsprong in haar buik; en Elisabet werd vervuld van heilige geest, en zij riep uit met een luide roep en zei: Een gezegende ben jij onder vrouwen en een gezegende is de vrucht van je schoot.

 

Al eerder was het bij Rebekka gebeurd dat tijdens haar zwangerschap de tweelingen in haar buik onder invloed van de geest Gods tot een zekere actie overgingen; in haar geval gingen zij met elkaar strijden; een heenwijzing naar de toekomstige animositeit tussen Jakob en Esau. In hun moeders buik streden of worstelden zij blijkbaar om de voorrang bij de geboorte (Gn 25:21-23).

In de LXX is voor met elkaar strijden of worstelen, hetzelfde Griekse werkwoord gebruikt als in onze tekst: σκιρταω, dat de waarde heeft van springen of opspringen (Lk 6:23).

 

Maar de werkzaamheid van de heilige geest bij Elisabet bracht de ongeboren Johannes er toe om in de buik van zijn moeder op te springen van grote blijdschap, vanwege de nabijheid van de Messias en zijn 'moeder'. Kennelijk daardoor in een extatische toestand geraakt, riep zij -tot lof van God- met luide stem uit dat Maria een gezegende wás.

Elisabet gaf geen uiting aan een wens maar aan een constatering. Maria was meer gezegend of bevoorrecht dan alle andere vrouwen. Evenzo was ook de Messias, de vrucht van haar schoot, reeds een gezegende, meer dan alle andere mensen die ooit geboren zijn of zullen worden.

Vergelijk Ps 45:7(8); Hb 1:9.

 

και ποθεν μοι τουτο ινα ελθη η μητηρ του κυριου μου προς εμε; ιδου γαρ ως εγενετο η φωνη του ασπασμου σου εις τα ωτα μου, εσκιρτησεν εν αγαλλιασει το βρεφος εν τη κοιλια μου.

 

43-44 En vanwaar valt mij dit te beurt dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt?

Want zie, toen het geluid van je begroeting in mijn oren klonk, sprong het kind van grote blijdschap op in mijn buik.

 

Door de werking van de geest in haar weet Elisabet intuïtief dat Maria de 'moeder' is van mijn Heer, d.i. de Messias, de Heer ook van koning David (Ps 110:1).

Op deze wijze krijgt Maria reeds onmiddellijk bij haar entree de ontwijfelbare verzekering dat alles wat Gabriël haar had aangekondigd, pure waarheden zijn.

 

Maar Elisabet voelt zich onwaardig; zij heeft voor haar gevoel niets bijzonders gedaan dat haar zulk een eer te beurt zou vallen. Vergelijk 2Sm 24:18-25.

Overigens een gepaste instelling van deze gelovige vrouw en van ons allemaal. Niemand van ons heeft speciale dingen gedaan om aanspraak te kunnen maken op bijzondere gunsten van God. Wat ons gelukkig kan maken is het gelovig reageren op en accepteren van datgene wat God in zijn soevereine vrijheid ons aan gunst wenst te schenken. Daarop doelt ook Elisabet in haar slotwoorden:

 

και μακαρια η πιστευσασα οτι εσται τελειωσις τοις λελαλημενοις αυτη παρα κυριου.

 

45 En gelukkig zij die geloofde; omdat er een verwezenlijking zal zijn betreffende de dingen die tot haar vanwege de Heer zijn gesproken.

 

Volgens de woorden van Elisabet, onder inspiratie van de geest gesproken, was Maria niet slechts gelukkig en bevoorrecht omdat zij de Messias mocht dragen, maar omdat zij geloof had gesteld in de aankondiging dat zij hem zou mogen dragen. Bovendien zullen alle dingen die Gabriël in verband met haar Messiaanse zoon had aangekondigd, op hun bestemde tijd tot volledige realisatie komen.

En zoals Maria geloof stelde in de bijna niet voor te stellen grote gunst die haar volgens de engel vanwege God ten deel zou vallen, is het ook voor de leden van de christelijke Vrouwgemeente gepast om alle dingen gelovig te aanvaarden die, in het bijzonder volgens de Paulinische brieven, voor haar in het verschiet liggen:

 

In het vertrouwen dat hij die in jullie een goed werk begon, [het] zal voltooien tot op [de] dag van Messias Jezus.

(Fp 1:6)

 

Και ειπεν Μαριαμ,

Μεγαλυνει η ψυχη μου τον κυριον,

και ηγαλλιασεν το πνευμα μου επι τω θεω τω σωτηρι μου,

οτι επεβλεψεν επι την ταπεινωσιν της δουλης αυτου.

ιδου γαρ απο του νυν μακαριουσιν με πασαι αι γενεαι·

οτι εποιησεν μοι μεγαλα ο δυνατος,

και αγιον το ονομα αυτου,

 

46-49 En Mariam zei:

Mijn ziel verheft de Heer,

en mijn geest jubelde van vreugde over God, mijn Redder,

omdat hij neerzag op de nederige staat van zijn slavin.

Want zie, van nu af zullen alle geslachten mij gelukkig noemen,

omdat de Machtige grote dingen aan mij deed;

en heilig [is] zijn naam,

 

In de Vulgaat luidt de eerste regel die Maria sprak:

Magnificat anima mea Dominum.

 

Vandaar dat Maria’s lofzang gewoonlijk als Het Magnificat wordt aangeduid.

Wij kunnen in deze lofzang drie hoofdgedachten onderscheiden; in de verzen 46 tm 49 geeft Maria uiting aan haar persoonlijke gevoelens van vreugde en verheerlijkt zij God die zich verwaardigde juist haar te begunstigen; zij nog wel die zich in zo’n nederige staat bevond.

 

In die lage staat vertolkt zij de gevoelens van het nederige overblijfsel van die dagen dat vurig uitzag naar redding en naar de vertroosting voor Israël. In hoofdstuk 2 zullen wij de grijsaard Simeon tegenkomen, alsook de bejaarde profetes Anna, beiden vertegenwoordigers van het oude Israël die de Messias verwelkomden en leefden in de verwachting van Israëls verlossing.

 

Doordat God haar had verkozen als instrument om de Messias voort te brengen, vertegenwoordigde zij in die positie de Vrouwgemeente Israël, Gods echtgenote (Js 54:5-8; Ez 16:8-14; Hs 2:19-20).

Zij is diep doordrongen van het feit dat God hierom hoog verheven moet worden en allerminst zijzelf, hoewel zij inziet dat alle geslachten haar gelukkig zullen achten vanwege de gunst dat zij de Messias mocht dragen.

 

Er dient opgemerkt te worden dat de gedachten die Maria’s hart vervullen, alle door-en-door joods zijn. Alleen aan de Heer, YHWH, komt alle grootheid toe. Het is degene die krachtig is [ο δυνατος], die ook de Heilige Israëls is, die grote dingen aan haar heeft gedaan en iets wat heilig is, in haar verwekte [το γεννωμενον αγιον; vers 35].

Zo is er veel overeenkomst met de lofzang van Hanna, toen zij de jonge Samuel naar Silo had gebracht voor Tabernakeldienst. Zij loofde God voor een enigszins soortgelijke, goddelijke tussenkomst wat betreft zwangerschap. Ook zij verheugde zich zeer in YHWH en in de van hem afkomstige redding (1Sm 2:1-10).

Maar Maria gaat, zoals we zullen zien, helemaal terug naar de voorvaders en naar de beloften die God aan hen deed.

 

We stellen verder vast dat van Maria niet wordt gezegd dat zij vervuld werd met heilige geest en daarom sprak, zoals in het geval van Elisabet (vers 41) en Zacharias (vers 67). Wellicht kan dat worden toegeschreven aan het feit dat zij uitdrukking gaf aan gedachten die reeds innerlijk, diep in haar leefden; gedachten die gevoed waren door onderricht uit de Schriften en die zij gelovig tot haar geestelijk bezit had gemaakt. En nu, op het gepaste moment en 'gestroomlijnd' door de werking van Gods geest, uitte zij haar gedachtegoed als een persoonlijk en gelovig antwoord aan God.

Uit Lk 2:51 kan immers afgeleid worden dat zij een beschouwende natuur had. Zorgvuldig overdacht zij de dingen. Tot het moment dat de heilige geest haar ertoe bracht de inhoud van het Magnificat met Elisabet te delen, kan het zijn dat ze de details grondig in haar geest had beschouwd.

 

In tegenstelling tot wat de RK kerk leert, beleed Maria dat zij, gelijk ieder Adamitisch mens, redding nodig had; zij noemde God mijn Redder.

Als een OT gelovige was YHWH in dit opzicht voor haar de God van mijn redding (Ps 24:5; 25:5; Mc 7:7; Hk 3:18).

Met de komst van haar zoon was die redding zeer nabij gekomen.

 

Evenzo betekent het evangelie omtrent de Messias Jezus redding voor christenen; met het oog daarop ontvingen zij de heilige geest als onderpand (Ef 1:13-14); hebben zij als helm de hoop der redding; want tot het verwerven van redding heeft God hen bestemd (1Th 5:8-9).

Met Maria was God begonnen hen die van nederige staat zijn te verheffen. Ook dát is de ervaring van de leden der christelijke Vrouwgemeente. Wij -mensen van heidense origine- die eens veraf waren, onbesneden, geen hoop hebbend en zonder God in de wereld, werden begunstigd om in Messias Jezus dichtbij te komen, redding ontvangend krachtens de waarde van zijn bloed. Zie Ef 2:11-13.

Wat dit aan verheffing voor ons bracht, zie Ef 2:1-10.

 

και το ελεος αυτου εις γενεας και γενεας

τοις φοβουμενοις αυτον.

 

50 en zijn barmhartigheid [is] van geslacht tot geslacht

voor hen die hem vrezen.

 

In de verzen 50 tm 53 is de hoofdgedachte dat verheffing berust op het beginsel dat Gods gunst niet gaat naar rijken en machtigen, maar veeleer naar de geringen en de armen; naar hen die een eerbiedige vrees voor hem koesteren en hun nietigheid erkennen; aan dezen bewijst hij barmhartigheid, en wel door alle geslachten heen; een gedachte die Maria heel goed ontleend kan hebben aan Ps 103:11, 13, 17.

 

Εποιησεν κρατος εν βραχιονι αυτου,

διεσκορπισεν υπερηφανους διανοια καρδιας αυτων·

καθειλεν δυναστας απο θρονων

και υψωσεν ταπεινους,

 

51-52 Een machtige daad verrichtte hij door zijn arm;

hij sloeg overmoedigen uiteen in de gezindheid van hun harten.

Hij haalde heersers omlaag van tronen

en nederigen verhoogde hij.

 

De machtige daad die God stelde is blijkbaar een verwijzing naar de incarnatie, de eerste in een reeks van daden die logischerwijs moeten volgen op de buitengewone daad van Jezus’ menswording. Door die daad heeft de Almachtige in beginsel reeds de overwinning behaald op alle vijandige en de Messias tegenwerkende machten.

In het vervolg van het Magnificat wordt dat te kennen gegeven door het gebruik van een serie van profetische aoristen. Hoewel -zoals bijvoorbeeld in Psalm 2 profetisch wordt aangekondigd- het verzet van de koningen der aarde en de politieke kopstukken tegen het te zijner tijd op te richten Messiaanse rijk, nog gebroken moet worden, is dat met het aanbreken van de Messiaanse tijd wat God betreft, reeds zo goed als gebeurd.

 

Voor God staat dus reeds vast dat machtige heersers uit hun positie weggehaald zullen worden (1Sm 2:7-8). Hun plaats zal worden ingenomen door een gering volk, in Daniël, hoofdstuk 7, aangeduid als het volk der heiligen van het Opperwezen (Dn 7:22, 25-27).

Zie Zf 3:12-20.

 

πεινωντας ενεπλησεν αγαθων

και πλουτουντας εξαπεστειλεν κενους.

 

53 Hongerigen verzadigde hij met goede dingen

en rijken zond hij leeg weg.

 

We worden weer herinnerd aan Hanna’s lofzang:

 

De verzadigden moeten zich verhuren voor brood, maar de hongerigen zijn opgehouden

(1Sm 2:5)

 

Het is duidelijk dat dit alles nog realiteit moet worden. De rijken gaan nu nog gewoon voort in hun levenswijze van rijkdom. Maar nu reeds staat vast dat God hen te zijner tijd leeg zal wegzenden, aangezien dit type mens over het algemeen geen behoefte heeft aan noch gevoelig is voor de Messiaanse zegeningen.

Maar even zeker is het dat zij die hongeren en dorsten naar rechtvaardigheid, verzadigd zullen worden (Mt 5:6; Lk 6:20-21, 24-25).

 

αντελαβετο Ισραηλ παιδος αυτου,

μνησθηναι ελεους,

καθως ελαλησεν προς τους πατερας ημων,

τω Αβρααμ και τω σπερματι αυτου εις τον αιωνα.

 

54-55 Hij trok zich het lot aan van zijn knecht Israël,

indachtig barmhartigheid

-gelijk hij sprak tot onze vaderen-

jegens Abraham en diens zaad, voor altijd.

 

Om Gods voornemen in Messias Jezus te kunnen doorgronden, is het onontbeerlijk de geschiedenis van Abraham te raadplegen. In zijn lijn van nageslacht zou immers -volgens Gods belofte aan die man van geloof- het beloofde zaad verschijnen. Maar ook maakte God aan hem, en ná hem eveneens aan Isaäk en Jakob, bekend dat hij voornemens is alle natiën door dit zaad te zegenen.

Zie: Gn 12:1-3; 22:15-18; 26:1-5; 28:10-14; Gl 3:7-8, 15-18, 26-29.

 

In de eerste in de bijbel opgetekende profetie werd reeds melding gemaakt van dit speciale zaad. Direct na de zondeval kondigde God aan dat het zaad van de Vrouw de slang in de kop zou vermorzelen (Gn 3:15).

Om de bovennatuurlijke Satan ter dood te brengen, moest het zaad vanzelfsprekend ook zelf bovennatuurlijk zijn. Maar daaraan voorafgaand zou Satan van God eerst de gelegenheid ontvangen dat zaad een 'hielwond' toe te brengen. Daarbij had God het plaatsvervangend sterven van zijn Zoon voor de zonde reeds op het oog (2Ko 5:14-15, 19).

 

Om dat doel in zijn voornemen te verwezenlijken moest die Zoon een tijdlang als mens hier op aarde leven, zodat hij als de volmaakte tegenhanger van Adam het vereiste loskoopoffer zou kunnen verschaffen; in Genesis, hoofdstuk 22, van tevoren afgebeeld door het offertafereel dat Abraham moest opvoeren in verband met zijn enige zoon Isaäk.

Zie: Ex 21:23; 1Ko 15:21-22, 45, 54-57; 1Tm 2:5-6.

 

Omdat de losprijs in waarde moest overeenstemmen met de mens Adam in zijn volmaakte staat, wordt door dit vereiste de opvatting weerlegd die in het overgrote deel van de christenheid wordt gehuldigd, namelijk dat Jezus op aarde zowel God als mens was. Indien Jezus werkelijk een godmens geweest zou zijn, zou de losprijs datgene wat losgekocht moest worden -volmaakt menselijk leven- verre in waarde te boven zijn gegaan.

 

Terecht merkt Maria dan ook op dat met de aanstaande geboorte van Jezus, het bewijs werd geleverd dat God de belofte aan de voorvaders niet vergeten was. En evenmin dat Israël naar het vlees in de verwezenlijking van die belofte een voorname rol zou spelen.

Zie: Gn 13:14-17; 15:13-16; Ex 19:5-6; Hn 3:25-26.

 

Afgezien van een steeds weer verschijnend overblijfsel, had het merendeel van die natie zich echter voortdurend ontrouw betoond. Om die reden zei Maria, eveneens volkomen terecht, dat God met de komst van de Messias zijn knecht Israël barmhartig gedacht, zich met name het lot aantrekkend van de getrouwe Rest [een manier van weergeven van αντιλαμβανομαι, dat de waarde heeft van vastgrijpen, teneinde hulp te bieden].

 

Met de menswording van Jezus is God begonnen vorm te geven aan de barmhartigheid die hij de patriarchen in het vooruitzicht stelde. En uit Maria’s woorden jegens Abraham en zijn zaad, voor altijd, mogen wij zelfs concluderen dat het betonen van zijn barmhartigheid sindsdien heeft voortgeduurd en zal voortduren voor altijd, of letterlijk volgens het Grieks: tot in het aeon, kennelijk doelend op het gehele Messiaanse tijdperk dat zich uitstrekt tot en met het einde van het Millennium. Want eerst dan zal de Abrahamitische belofte ten volle vervuld zijn.

 

Εμεινεν δε Μαριαμ συν αυτη ως μηνας τρεις, και υπεστρεψεν εις τον οικον αυτης.

 

56 Mariam nu bleef ongeveer drie maanden bij haar en keerde [toen] naar haar huis terug.

 

Kennelijk moeten we uit de volgorde van het verhaal afleiden dat Maria vlak voor de geboorte van Johannes naar haar eigen huis in Nazareth terugkeerde. En ook dat pas toen aan Jozef duidelijk werd dat Maria je vrouw [Μαριαν την γυναικα σου], zonder zijn tussenkomst zwanger was geworden (Mt 1:20).

Zie Mt 1:18-20 waar die episode wordt verhaald, gezien vanuit Jozefs standpunt.

 

5. De geboorte van Johannes (1:57-80)

 

Τη δε Ελισαβετ επλησθη ο χρονος του τεκειν αυτην, και εγεννησεν υιον. και ηκουσαν οι περιοικοι και οι συγγενεις αυτης οτι εμεγαλυνεν κυριος το ελεος αυτου μετ αυτης, και συνεχαιρον αυτη.

Και εγενετο εν τη ημερα τη ογδοη ηλθον περιτεμειν το παιδιον, και εκαλουν αυτο επι τω ονοματι του πατρος αυτου Ζαχαριαν. και αποκριθεισα η μητηρ αυτου ειπεν, Ουχι, αλλα κληθησεται Ιωαννης. και ειπαν προς αυτην οτι Ουδεις εστιν εκ της συγγενειας σου ος καλειται τω ονοματι τουτω. ενενευον δε τω πατρι αυτου το τι αν θελοι καλεισθαι αυτο. και αιτησας πινακιδιον εγραψεν λεγων, Ιωαννης εστιν ονομα αυτου. και εθαυμασαν παντες. ανεωχθη δε το στομα αυτου παραχρημα και η γλωσσα αυτου, και ελαλει ευλογων τον θεον.

 

57-64 De tijd van Elisabet nu werd vervuld dat zij zou baren, en zij bracht een zoon voort. En de buren en haar verwanten hoorden dat de Heer zijn barmhartigheid jegens haar had grootgemaakt en zij verheugden zich met haar.

En het geschiedde op de achtste dag dat zij kwamen om het jongetje te besnijden; en zij wilden het Zacharias noemen, naar de naam van zijn vader. En zijn moeder zei ten antwoord: Nee, maar het moet Johannes genoemd worden. En zij zeiden tot haar: Er is niemand onder je verwanten die deze naam draagt. Toen wenkten zij zijn vader, hoe hij het wilde noemen. En nadat hij om een schrijfplankje had gevraagd schreef hij de woorden: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. Op het zelfde ogenblik echter werd zijn mond geopend en zijn tong [losgemaakt] en hij ging spreken, God zegenend.

 

De geboorte van een kind in Israël was een familie- en burenzaak. Ook bemoeiden dezen zich met de naamgeving, welke in latere tijden met de gebeurtenis van de besnijdenis werd verbonden. Vergelijk Rt 4:14-17.

Door de besnijdenis werd het kind in het volk Israël opgenomen en kreeg het deel aan de verbonden (Gn 17:9-14; Jz 5:2-9; Rm 9:3-5; Ef 2:11-12).

 

Voor de aanwezigen bleek alles wat met de geboorte van Johannes samenhing, een zeer wonderlijke zaak: Elisabet in haar ouderdom vruchtbaar geworden; de keuze van de naam; de stomheid van Zacharias die plotseling eindigde toen hij naar Gods wil handelde. Maar Johannes zal dan ook binnen Israël een speciale toewijzing te vervullen krijgen.

 

Volgens de Elia-opdracht moet hij in de kracht van Gods geest onder het volk een godsdienstige ommekeer bewerken in een voorlopige vervulling van die opdracht. De uiteindelijke vervulling zal in de 70e Jaarweek plaats vinden, wanneer een overblijfsel van Israël tot herstel komt.

Zie de toelichting bij Lk 1:16-17, en het commentaar bij Lk 1:20, waarin wij naar aanleiding van Daniëls gebed in Daniël, hoofdstuk 9, het volgende opmerkten:

 

Wanneer we het boetvaardige gebed van Daniël diep tot ons laten doordringen, dan is onze conclusie wellicht: Precies dezelfde belijdenis past oprechte joodse mensen thans. Het toekomstige overblijfsel zou Daniëls woorden letterlijk kunnen herhalen in een toepassing op zichzelf. Maar alvorens dat moment aanbreekt kan zich een periode van diep ‘stilzwijgen’ voordoen, omdat de priestergemeente door de opname van de aarde verdwenen en in de onzichtbare hemelsferen gekomen is (1Th 4:15-17).

 

Op grond van de tekst in Lk 1:63-64

Johannes is zijn naam...Op het zelfde ogenblik echter werd zijn mond geopend en zijn tong [losgemaakt] en hij ging spreken, God zegenend

zouden we nog kunnen toevoegen dat de 'tong' van Israël losgemaakt zal worden en zij haar mond zal openen om God te zegenen, zodra zij gelovig onderscheidt dat zij het nageslacht van haar ouderdom YHWH heeft zich genadig betoond moet noemen, wat de betekenis is van de naam Johannes.

Ook stellen we het opmerkelijke feit vast dat de op het tafeltje geschreven woorden van Zacharias: Johannes is zijn naam, de eerste sinds Ml 4:5-6 weer opgetekende woorden zijn, die tot de Schrift gingen behoren.

 

και εγενετο επι παντας φοβος τους περιοικουντας αυτους, και εν ολη τη ορεινη της Ιουδαιας διελαλειτο παντα τα ρηματα ταυτα, και εθεντο παντες οι ακουσαντες εν τη καρδια αυτων, λεγοντες, Τι αρα το παιδιον τουτο εσται; και γαρ χειρ κυριου ην μετ αυτου.

 

65-66 En er kwam vrees over allen die rondom hen woonden, en in heel het bergland van Judea werden al deze uitspraken verder verteld. En allen die het hoorden, namen het ter harte en zeiden: Wat zal er toch van dit kind worden? Want inderdaad, de hand van de Heer was met hem.

 

De verbazing van vers 63 slaat door het wonder dat zich aan Zacharias voltrekt om in ontzag [φοβος; een eerbiedige vrees voor God], vooral wanneer die priester weer in staat is om aan de omstanders uit te leggen wat er zich rondom hemzelf en zijn vrouw allemaal heeft afgespeeld. Geen wonder dat die zaken druk besproken werden in dat bergachtige gebied van Judea, zoals Lukas vermeldt, daarmee tegelijkertijd onthullend dat hij bij het schrijven van zijn verslag ondermeer uit die bronnen putte.

Het verschaft tevens een verklaring waarom er 30 jaar later, toen Johannes met zijn dienst begon, een grote respons was op zijn oproep tot berouw (Lk 1:3; 3:7-18).

 

Και Ζαχαριας ο πατηρ αυτου επλησθη πνευματος αγιου και επροφητευσεν λεγων,

Ευλογητος κυριος ο θεος του Ισραηλ,

οτι επεσκεψατο και εποιησεν λυτρωσιν τω λαω αυτου,

  

67-68 En Zacharias, zijn vader, werd van heilige geest vervuld en hij profeteerde, zeggend:

Gezegend de Heer, de God van Israël,

want hij zag om naar zijn volk en bewerkte er verlossing voor

 

Zacharias’ lofzang van dankzegging is bekend komen te staan als het Benedictus; ook hier naar aanleiding van de Vulgaat: Benedictus Dominus Deus Israel.

Anders dan bij Maria, wier lofzang meer een alleenspraak is vanuit persoonlijke ervaring, bezingt Zacharias de redding van het Messiaanse tijdperk vanuit een meer algemeen standpunt.

 

Ook geeft hij in een profetische setting een verklaring van de wijze waarop God te werk gaat in het uitwerken van zijn voornemen in zijn Zoon, de Messias; niet vanuit een universeel standpunt zoals we misschien bij Lukas hadden verwacht, maar zuiver in relatie tot zijn volk Israël, waarbij hij als (bijna) vanzelfsprekend teruggaat op

a. Abraham en het door God met een eed bekrachtigde verbond, en

b. het met David gesloten koninkrijksverbond voor een blijvend koninklijk 'huis' in zijn nageslacht.

 

Dat blijkt al direct als hij YHWH looft als de God van Israël die zijn volk bezocht [in gunstige zin, want επισκεπτομαι, in de LXX de weergave van het Hebreeuwse paqad, bezoeken, kan ook de betekenis hebben van bezoeken in de vorm van een oordeel].

Maar in dit geval is het voor Zacharias -profeterend krachtens Gods geest- duidelijk dat YHWH in gunstige zin naar zijn volk omzag, na zoveel eeuwen van ogenschijnlijke verlatenheid.

 

Met Zacharias’ verwijzing naar de λυτρωσις die God voor zijn volk heeft verschaft, zinspeelt hij op een allerbelangrijkst kenmerk van de Messiaanse tijd die toen op aanbreken stond, namelijk de verlossing krachtens het loskoopoffer van Jezus, waardoor vergeving van zonden en (werkelijk) leven mogelijk wordt.

 

Anders dan bij Maria, blijkt hieruit dat Zacharias' ode aan God ook gericht is op het onderwijzen van zijn joodse buren, iets wat men trouwens van een priester mocht verwachten (Ml 2:7). Vandaar ook dat Lukas het spreken van Zacharias als profeteren bestempelt; daarbij wordt de samenhang en de diepere betekenis van Gods werken en zijn openbaringen aan de toehoorders verduidelijkt.

 

a. Benedictus van Zacharias (1:69-75)

 

και ηγειρεν κερας σωτηριας ημιν

εν οικω Δαυιδ παιδος αυτου,

καθως ελαλησεν δια στοματος των αγιων απ αιωνος προφητων αυτου, σωτηριαν εξ εχθρων ημων και εκ χειρος παντων των μισουντων ημας· ποιησαι ελεος μετα των πατερων ημων

και μνησθηναι διαθηκης αγιας αυτου,

ορκον ον ωμοσεν προς Αβρααμ τον πατερα ημων,

του δουναι ημιν αφοβως εκ χειρος εχθρων ρυσθεντας

λατρευειν αυτω εν οσιοτητι και δικαιοσυνη ενωπιον αυτου πασαις ταις ημεραις ημων.

 

69-75 en hij richtte een hoorn van redding voor ons op in [het] huis van David, zijn knecht, gelijk hij in de loop der tijden door de mond van zijn heilige profeten sprak:

redding vanuit onze vijanden en uit [de] hand van allen die ons haten;

om barmhartigheid te betonen aan onze vaderen en zijn heilig verbond indachtig te zijn, [de] eed die hij zwoer jegens Abraham, onze vader;

om ons [de gelegenheid] te geven -na bevrijd te zijn uit [de] hand van onze vijanden- hem onbevreesd dienstbaar te zijn, in godvruchtige trouw en rechtvaardigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen.

 

De loskoop van het vorige vers (68) brengt Zacharias nu in direct verband met Jezus, die God oprichtte als een hoorn van redding voor Gods volk Israël in Davids huis, zijn dienaar.

De hoorn was in Israël een algemeen gebruikte metafoor voor macht of kracht, ontleend aan de hoorns van stieren. Vergelijk 1Sm 2:10; Ps 18:3; 132:17.

 

Om die reden heeft Zacharias hier nog iets anders dan verlossing van zonden in gedachte. Met de hoorn van redding zinspeelt hij op de koninklijke macht van de Messias, aan te wenden om Israël fysiek te bevrijden van haar politieke overheersers. Uit vele andere profetieën blijkt dat dit gaat gebeuren wanneer voor Israël herstel aanbreekt en het Messiaanse koninkrijk wordt opgericht en werkelijk in actie komt (2Sm 7:12-19).

Zie de Psalmen 2 en 110; Ps 45:1-6; Dn 2:44; 7:13-14, 17; Op 11:15-18.

 

De hoorn van redding kunnen wij in deze context dan ook omschrijven als een machtig Redder. In de eindtijd zal die Machtige Israël te hulp komen in de eeuwenoude ballingschap van haar diaspora en bevrijding voor haar bewerkstelligen. Met welke bedoeling? Om YHWH, de God van Israël, dienstbaar te zijn in godvruchtige getrouwheid en rechtvaardigheid, tot zegen van de Heidenvolken, overeenkomstig zijn voornemen dat hij reeds lang geleden in het met een eed bekrachtigde verbond met hun voorvader Abraham had vastgelegd.

 

Hiermee is Zacharias volkomen in overeenstemming met de manier waarop Maria Gods barmhartigheid jegens Israël bezingt en de verhoging van de natie relateert aan het verbond met de voorvaders (Lk 1:52-55).

Zie ook Jr 31:7. 10-12.

In Psalm 18, waar geregeld melding wordt gemaakt van Israëls redding, ook van de bevrijding uit de hand van haar machtige vijanden en van hen die haar haten [vers 17 (18)], verwoordt de Psalmist de bedoeling die God met de verheffing van Israël op het oog heeft, aldus:

 

YHWH leeft! Gezegend zij mijn rots, de God van mijn redding worde verhoogd, de God die mij wraak heeft vergund, en die volken onder mij onderwierp; die mij ontkoming verschafte aan mijn vijanden, ja, die mij verhief boven hen die tegen mij opstonden; van de tiran hebt gij mij verlost.

Om die reden wil ik, o YHWH, u loven onder de natiën, en voor uw naam wil ik lofliederen zingen; Hij die zijn koning grote triomfen bracht, zich getrouw betonend jegens zijn gezalfde, jegens David en zijn zaad - voor eeuwig.

(Ps 18:46-50)

 

Gods bedoelingen met de verhoging van Israël zijn derhalve van godsdienstige en zedelijke aard; ze gaan ver uit boven alle nationale en politieke ambities die nationalistische Joden eventueel koesteren, zoals bijvoorbeeld het streven van het huidige Zionisme.

 

b. De toekomst van Johannes (1:76-80)

 

Και συ δε, παιδιον, προφητης υψιστου κληθηση,

προπορευση γαρ ενωπιον κυριου ετοιμασαι οδους αυτου,

του δουναι γνωσιν σωτηριας τω λαω αυτου

εν αφεσει αμαρτιων αυτων,

δια σπλαγχνα ελεους θεου ημων,

εν οις επισκεψεται ημας ανατολη εξ υψους,

επιφαναι τοις εν σκοτει και σκια θανατου καθημενοις,

του κατευθυναι τους ποδας ημων εις οδον ειρηνης.

 

76-79 En jij, kind, zult een profeet van de Allerhoogste worden genoemd,

want jij zult ten aanschouwen van de Heer voor [hem] uitgaan om zijn wegen te bereiden,

om zijn volk kennis van redding te geven,

in vergeving van hun zonden,

door [de] innige barmhartigheid van onze God,

waarmee ons een opgang van omhoog zal bezoeken,

om te schijnen op hen die in duisternis en schaduw des doods gezeten zijn,

om onze voeten te richten op een weg van vrede.

 

Vanaf hier gaat Zacharias de vraag beantwoorden die volgens Lk 1:65-66 destijds speelde bij de bewoners van het bergachtige gebied in Judea: Wat zal er toch van dit kind worden?

Vanzelfsprekend refereert hij aan de informatie aangaande de toekomst van zijn zoon die hij van Gabriël in het tempelheiligdom had ontvangen. En die had voorzegd dat Johannes voor Gods aangezicht zou uitgaan in [de] geest en kracht van Elia (1:13-17).

 

Sprekend krachtens de geest van God, concludeert Zacharias daaruit dat

a. Johannes als een profeet van de Allerhoogste zal dienen, zoals ook de oorspronkelijke Elia zelf als een profeet voor God optrad.

b. in Johannes niet alleen Ml 3:1 een vervulling zal hebben, maar ook de voorzegging in Js 40:3:

 

Hoor! Iemand roept: Baan een weg voor de Heer, onze God, een weg in de woestijn, een recht pad door de steppe.

(gnb)

 

Alle synoptici verwijzen trouwens naar die profetie en relateren ze aan Johannes.

Zie Mt 3:1-3; Mr 1:1-4; Lk 3:3-6.

 

Volgens de OT voorzeggingen bereidt de Elia-figuur de weg voor YHWH die, op grond van zijn teder mededogen, wenst dat zijn volk wordt geïnformeerd omtrent een buitengewone voorziening zijnerzijds: redding; niet een redding van politieke overheersing, maar een redding die gelegen zal zijn in de vergeving van hun zonden.

Natuurlijk wordt daarmee gedoeld op Jezus, Gods middel tot die redding; maar omdat bij Zacharias -begrijpelijkerwijs, aangezien hij spreekt vanuit OT standpunt- alle initiatieven van God uitgaan, schildert hij YHWH als de bron van alle Messiaanse heil.

 

Wat dat betreft zal er met het aanbreken van het Messiaanse tijdperk als het ware een opgang van omhoog zijn, waarbij God zijn volk bezoekt, of, zoals ook in vers 68 het geval is, in gunst naar hen omziet.

Het gebruik van die metafoor is niet toevallig; Zacharias licht immers onder inspiratie Maleachi, hoofdstuk 4 toe, en in vers 2 daarvan lezen we:

 

Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen.

(nbg)

 

Daarmee is Zacharias nog steeds niet tot een einde gekomen wat betreft verwijzingen naar het OT, waarvan de glorierijke vervulling samenhangt met het optreden van de Elia-figuur, die de weg baant voor, maar vooral vooruitwijst naar de redding die komt in Messias Jezus. De opgang van omhoog zal namelijk schijnen op hen die in duisternis en schaduw des doods gezeten zijn.

Er wordt gerefereerd aan Js 9:2, een profetie die volgens Mt 4:14-17 in Jezus vervuld wordt:

 

Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht.

(nbg)

 

Το δε παιδιον ηυξανεν και εκραταιουτο πνευματι, και ην εν ταις ερημοις εως ημερας αναδειξεως αυτου προς τον ισραηλ.

 

80 De jongen nu groeide op en verwierf steeds meer kracht in [de] geest, en hij verbleef in de verlaten streken tot de dag van zijn openlijke vertoning aan Israël.

 

Dit is alles wat Lukas ons over Johannes’ jeugd meedeelt. Terwijl hij lichamelijk opgroeide, nam hij ook toe in geestelijke hoedanigheden. God leidde zorgvuldig zijn ontwikkeling en bereidde hem voor op zijn komende taak.

Kennelijk na de dood van zijn ouders werkte hij ook zelf aan de voorbereiding op zijn toewijzing, niet thuis in de stad van het Judese bergland, maar in het eenzame gebied ten Oosten daarvan. We citeren Robertson’s NT Word Pictures:

 

The boy, as he grew, may have gone up to the passover and may have seen the boy Jesus (Lk 2:42-52), but he would not know that he was to be the Messiah. So these two boys of destiny grew on with the years, the one in the desert hills near Hebron after Zacharias and Elisabeth died, the other, the young Carpenter up in Nazareth, each waiting for "his shewing unto Israel."

 

Lukas 2

6. De geboorte van Jezus (2:1-20)

 

Voor ‘smal lezen’ klik hier.

 

Εγενετο δε εν ταις ημεραις εκειναις εξηλθεν δογμα παρα Καισαρος Αυγουστου απογραφεσθαι πασαν την οικουμενην. αυτη απογραφη πρωτη εγενετο ηγεμονευοντος της Συριας Κυρηνιου. και επορευοντο παντες απογραφεσθαι, εκαστος εις την εαυτου πολιν.

Ανεβη δε και Ιωσηφ απο της Γαλιλαιας εκ πολεως Ναζαρεθ εις την Ιουδαιαν εις πολιν Δαυιδ ητις καλειται Βηθλεεμ, δια το ειναι αυτον εξ οικου και πατριας Δαυιδ, απογραψασθαι συν Μαριαμ τη εμνηστευμενη αυτω, ουση εγκυω.

 

1-5 Het gebeurde nu in die dagen dat er een verordening uitging van keizer Augustus dat de gehele bewoonde wereld moest worden ingeschreven. (Deze eerste inschrijving vond plaats toen Quirinius bestuurder van Syrië was).

En allen gingen op weg om ingeschreven te worden, ieder naar zijn eigen stad.

Nu ging ook Jozef op van Galilea uit [de] stad Nazareth naar Judea, naar [de] stad van David die Bethlehem wordt genoemd, omdat hij uit het huis en het nageslacht van David was, om ingeschreven te worden samen met Mariam, die hem ten huwelijk beloofd was, [en] die zwanger was.

 

In enkele rake zinnen schetst de Evangelist de wending in zijn relaas met betrekking tot een gebeurtenis die voor de gehele mensheid van het allergrootste belang is geworden, de geboorte van een redder, die Messias de Heer is, zoals we de engel van vers 11 straks zullen horen zeggen.

In overeenstemming met het universele karakter ervan, plaatst Lukas die gebeurtenis dan ook in een veel ruimer kader dan slechts de regering van Herodes (1:5), namelijk binnen de heerschappij van Augustus, de Caesar van de toenmalige wereldmacht Rome.

 

Augustus was eigenlijk een titel die de Romeinse Senaat in 27 v.Chr. verleende aan Gaius Octavianus, de eerste keizer, die regeerde van 31 v.Chr. tot 14 n.Chr.

Latere keizers namen die titel eveneens aan. Zie Hn 25:21-25.

Zijn verordening tot registratie - met het oog op het heffen van belastingen en de werving van soldaten - leidde er toe dat Jezus, precies volgens Gods voorzegging in Mc 5:1, in Bethlehem werd geboren, waarschijnlijk in het najaar van 2 v.Chr.

 

Over de vermelding, in vers 2, dat een zekere Quirinius toen bestuurder van Syrië was, bestaat veel onduidelijkheid, aangezien velen van mening zijn dat

a. Κυρηνιοs pas na Jezus’ geboorte Syrië bestuurde; en

b. dat er tijdens de regering van Herodes de Grote geen melding wordt gemaakt van het houden van een volkstelling.

 

Wat punt a. betreft: Sommige geleerden zijn de mening toegedaan dat πρωτη in vers 2 niet als eerste, maar als vóórdat of eerder moet worden weergegeven, zoals ook in Jh 1:15 en 15:18 terecht wordt gedaan. Zie daarvoor de PC vertaling:

Deze volkstelling had plaats, eer Quirinius landvoogd van Syrië was.

 

Met betrekking tot b. kan uit oude annalen worden afgeleid dat de mogelijkheid van een volkstelling, gehouden tegen het einde van Herodes’ regering, een vazal van Octavianus en geheel van diens genade afhankelijk, heel goed tot de mogelijkheden behoort.

 

Het is opvallend dat Lukas Maria hier nog steeds aanduidt als de verloofde van Jozef, of als de vrouw die hem ten huwelijk beloofd was, omdat toch op grond van Mt 1:20-24 mag worden aangenomen dat Jozef geheel handelde volgens de aanwijzing van de engel die hem in een droom had gezegd:

 

Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, mee naar huis te nemen, want dat wat in haar verwekt is, is door heilige geest.

 

Maar uit vers 25 van Mt 1 kunnen we ook afleiden dat het echtpaar eerst ná de geboorte van Jezus echtelijke betrekkingen had. Voor Lukas was zij tot op die tijd terecht maagdelijk, nog steeds in een staat van ten huwelijk beloofd.

 

Men heeft zich verwonderd over het feit dat Maria in haar hoogzwangere situatie Jozef in zijn reis naar Bethlehem vergezelde. Sommigen hebben geopperd dat Jozef niet de schijn wilde wekken dat hij Maria in de steek liet.

Zelf denken wij echter dat het keizerlijk decreet voor het paar eigenlijk ‘als een geschenk uit de hemel’ kwam. Immers, de situatie van Maria’s zwangerschap was zeer ongewoon en voor beiden zelfs precair te noemen te midden van een gemeenschap die een en ander met argusogen gade sloeg.

 

Kennelijk namen zij daarom de beslissing om van de gelegenheid gebruik te maken Nazareth voorgoed achter zich te laten, want uit Mattheus, hoofdstuk 2, vernemen wij

1. dat zij zich enige tijd na Jezus geboorte nog altijd in Bethlehem bevonden, zeker de 40 dagen tot aan zijn aanbieding in de tempel (Lk 2:22); en

2. dat zij kennelijk vanuit Bethlehem naar Egypte vluchtten en zich na hun terugkeer permanent in die stad wilden vestigen.

 

Gelet op wat hierna gezegd wordt over het primitieve van hun vroege verblijf in de stad, moeten we er wel van uitgaan dat het paar erin slaagde al snel een beter onderkomen te vinden, misschien wel aangeboden vanuit de kring van hen die in de vv 15-18 vermeld worden, oog- en oorgetuigen van de heerlijkheid waarmee de geboorte vergezeld was gegaan, en die van mening waren dat Messias de Heer met zijn ouders waardig gehuisvest diende te worden.

 

εγενετο δε εν τω ειναι αυτους εκει επλησθησαν αι ημεραι του τεκειν αυτην, και ετεκεν τον υιον αυτης τον πρωτοτοκον· και εσπαργανωσεν αυτον και ανεκλινεν αυτον εν φατνη, διοτι ουκ ην αυτοις τοπος εν τω καταλυματι.

 

6-7 Het geschiedde nu toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij zou baren, en zij baarde haar zoon, de eerstgeborene, en zij wikkelde hem in doeken en legde hem neer in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het [stedelijk] nachtverblijf.

 

Terecht is men door de eeuwen heen diep onder de indruk geweest van de nederige omstandigheden waaronder de Redder der mensheid ter wereld kwam. Er was voor hem en zijn ouders zelfs geen plaats in de zeer eenvoudige locatie van de καταλυμα, een zogenaamde khan, waar reizigers in een ten dele overdekte binnenplaats konden overnachten, tezamen met hun dieren.

 

Justinus schreef in zijn Dialoog met Tryphone [midden Tweede eeuw] daarover het volgende:

Omdat zij in het stadje geen plaats vonden om te overnachten, zocht Jozef toevlucht in een grot, dicht bij Bethlehem.

En Origenes (185-252) schreef in zijn Contra Celsum:

Wanneer iemand zich wil overtuigen…dat Jezus te Bethlehem geboren is, dan moet hij weten, dat men te Bethlehem, in overeenstemming met het verhaal van het evangelie, de grot toont waar hij het levenslicht zag.

 

Gewoonlijk wordt καταλυμα met herberg weergegeven, maar uit Lk 10:34 kan worden geconcludeerd dat Lukas zelf daaronder een ander verblijf verstond, want de meedogende Samaritaan bracht de gewonde jood die door rovers was overvallen, niet naar een καταλυμα, maar naar een πανδοχειον. Volgens Robertsons’s NT Word Pictures was een πανδοχειον " a public place for receiving all comers and a more pretentious caravanserai than a kataluma like that in Lk 2:7 ".

 

De ervaring van het voornaamste lid van Abrahams zaad, de Messias, hij die zich als het ware Zelf van Israël heeft gemanifesteerd, is als een vingerwijzing te beschouwen voor de situatie waarin de laatste leden van dat zaad - het Overblijfsel van de eindtijd - in de 70e Week zullen verschijnen. Inderdaad, als een wonderbare nieuwe schepping krachtens het Nieuwe Verbond dat dan met hen gesloten zal worden, maar geenszins in een entourage van wereldse pracht en praal. Integendeel, veeleer in eenvoud en nederigheid. Zo heeft de profeet Zefanja het immers voorzien:

 

Dan laat ik in jullie midden een nederig en gering volk overblijven dat zijn toevlucht zal zoeken bij de naam van YHWH, de Rest van Israël.

(Zf 3:12-13).

 

Zie ook Js 57:15; en Mt 5:3-4.

 

In de tijd van zijn samenwerking met Paulus, raakte Lukas ook grondig bekend met de omstandigheid dat het beginsel van eenvoud en nederigheid over het algemeen ook de geroepenen tot de christelijke gemeente geldt:

 

Want gij ziet jullie roeping, broeders: niet veel wijzen naar het vlees, niet veel machtigen, niet velen van edele geboorte. Maar God heeft de dwaze dingen der wereld uitgekozen opdat hij de wijzen zou beschamen; en God heeft de zwakke dingen der wereld uitgekozen opdat hij de sterke dingen zou beschamen; en God heeft de onedele dingen der wereld en de dingen waarop wordt neergezien uitgekozen en de dingen die niet zijn, opdat hij de dingen die zijn, teniet zou doen, zodat geen vlees zou roemen voor het aangezicht van God.

(1Ko 1:26-29)

 

Και ποιμενες ησαν εν τη χωρα τη αυτη αγραυλουντες και φυλασσοντες φυλακας της νυκτος επι την ποιμνην αυτων.

 

8 En er waren herders in diezelfde landstreek, verblijvend in het open veld en tijdens de nachtwaken wacht houdend over hun kudde.

 

Herders vormden in die tijd geen sociale klasse die geacht werd. Integendeel, vanwege de aard van hun werk en hun omstandigheden werden zij als ceremonieel onrein bezien. Over het algemeen zag men hen als onbetrouwbaar; bijgevolg mochten zij niet als getuigen optreden voor het gerecht.

 

Het moet ons daarom wel opvallen dat, na geïnformeerd te zijn over de nederige omstandigheden waaronder Jezus zelf geboren werd, het goede nieuws daaromtrent ook nog eens eerst aan mensen werd verkondigd die binnen de maatschappij een lage status genoten. Naarmate het verslag vordert zullen we bemerken dat Lukas daarmee een bepaalde toon zet; hij blijkt een bijzondere belangstelling te hebben voor die categorie van personen. Vanuit dat standpunt vertegenwoordigen de herders alle mensen van nederige afkomst en reputatie die dankzij Gods gunst het Evangelie ontvangen en het vreugdevol bekendmaken aan anderen.

 

και αγγελος κυριου επεστη αυτοις και δοξα κυριου περιελαμψεν αυτους, και εφοβηθησαν φοβον μεγαν.

 

9 En een engel van de Heer stond bij hen en heerlijkheid van de Heer omscheen hen, en zij werden zeer bevreesd.

 

In Lk 2:8-14 hebben wij voor de derde maal een aankondigingstafereel, waarin hetzelfde patroon wordt gevolgd als bij de vorige twee:

- de verschijning van een engel,

- een reactie van vrees,

- de aansporing om niet bevreesd te zijn,

- de aankondiging van een geboorte die grote verheuging zal brengen.

 

Maar in dit geval betreft de aankondiging niet een ouder van het kind dat geboren zal worden, want de geboorte van Jezus is niet slechts een zaak van de familie alleen. Nee, de engel benadrukt dat hij een boodschap van grote verheuging heeft voor heel het volk:

 

και ειπεν αυτοις ο αγγελος, Μη φοβεισθε, ιδου γαρ ευαγγελιζομαι υμιν χαραν μεγαλην ητις εσται παντι τω λαω, οτι ετεχθη υμιν σημερον σωτηρ ος εστιν Χριστος κυριος εν πολει Δαυιδ·

 

10-11 En de engel zei tot hen: Vreest niet, want zie, ik verkondig jullie goede tijdingen, een grote vreugde die voor heel het volk zal zijn. Want heden, in Davids stad, is jullie een redder geboren, die is [de] Messias, [de] Heer.

 

In de aankondiging van de engel komen een aantal betekenisvolle termen voor, kenmerkend voor Lukas’ verslag, en samenhangend met prominente thema’s, zoals:

- Goede tijdingen verkondigen [ευαγγελιζομαι].

- Vreugde [χαρα]

- Volk [λαος]

- Heden; vandaag [σημερον]

- Redder [σωτηρ]

- Heer [κυριος]

- Heerlijkheid [δοξα]

 

In vers 11 verschijnt bij Lukas de unieke combinatie Χριστος κυριος, hier weergegeven met [de] Messias, [de] Heer. Maar ze kan ook betekenen Christus [de] Heer; [de] Heer Messias, of: Gezalfde Heer.

 

De combinatie komt ook in de LXX voor, in Kl 4:20; aldaar als weergave van het Hebreeuwse Mesjiach YHWH, doelend op Zedekia, de laatste koning in Davids geslachtslijn, die te Jeruzalem regeerde tot haar verwoesting in 587-586 v.Chr.

Door de geboren Redder te tekenen als [de] Messias, [de] Heer, onder vermelding van Davids stad Bethlehem, geeft de aankondigingsengel te kennen dat de baby in het bezit is van de juiste messiaanse ‘geloofsbrieven’:

 

a. De Messias zou in Bethlehem geboren worden. Zie Mc 5:1(2); Mt 2:1-6.

b. Koning David noemde in Ps 110:1 de Messias mijn Heer. Zie ook Lk 20:41-44.

 

και τουτο υμιν το σημειον, ευρησετε βρεφος εσπαργανωμενον και κειμενον εν φατνη.

 

12 En dit [is] voor jullie het teken: gij zult een kind vinden, gewikkeld in doeken en liggend in een voederbak.

 

Omdat de verschijning van de aankondigingsengel met heerlijkheid van God vergezeld was gegaan, kan men zich afvragen waarom het nodig was om de herders alsnog een teken te verschaffen wat betreft de betrouwbaarheid van zijn boodschap.

Het antwoord is eenvoudig: de herders hadden een aanwijzing nodig om de pasgeboren Messias te vinden. Waar moesten zij hem zoeken? In een paleisachtig gebouw? Dan zouden zij zeer waarschijnlijk problemen hebben om dichtbij hem te komen! Maar tot hun verrassing vernemen zij dat zij de baby zullen vinden in een zeer nederig onderkomen, onder povere omstandigheden. En wanneer dat gebeurt zullen zij volkomen zekerheid hebben dat de boodschap inderdaad van goddelijke oorsprong is. Tevens zal het voor hen, en voor allen die er van horen zullen, een bewijs zijn dat de komst van de Messias niet aan de gangbare verwachtingen beantwoordt.

 

και εξαιφνης εγενετο συν τω αγγελω πληθος στρατιας ουρανιου αινουντων τον θεον και λεγοντων,

Δοξα εν υψιστοις θεω

και επι γης ειρηνη εν ανθρωποις ευδοκιας.

 

13-14 En plotseling geschiedde het dat er met de engel een menigte van een hemels leger was; zij loofden God en zeiden:

Heerlijkheid in de hoogste [sferen] aan God,

en op aarde vrede, onder mensen van welbehagen.

 

De engelen begrijpen van welk een grote betekenis voor het mensdom de geboorte in Bethlehem is. Daarmee breekt het Messiaanse tijdperk door dat een beslissende wending zal geven aan de situatie van de zuchtende en pijnlijdende schepping (Rm 8:18-22). Daarvoor dient God lof toegezwaaid te worden, de grote Initiator van de ‘reddingsactie’.

 

In het tekstgedeelte is sprake van een parallellisme:

Heerlijkheid tegenover vrede,

God tegenover mensen,

In de hoogste [sferen] tegenover op aarde.

 

Waarom is het van belang dit vast te stellen? Omdat er één woord overblijft, en de vraag rijst waarbij dat woord of die uitdrukking behoort, t.w.: ευδοκιας; van welbehagen.

En juist op grond van het parallellisme menen wij dat de uitdrukking zowel met God als met mensen moet worden verbonden.

De vrede van het Messiasrijk zal ten deel vallen

a. aan mensen jegens wie God een genadige gezindheid koestert, en

b. aan mensen die op hun beurt behagen scheppen in God.

 

Και εγενετο ως απηλθον απ αυτων εις τον ουρανον οι αγγελοι, οι ποιμενες ελαλουν προς αλληλους, Διελθωμεν δη εως Βηθλεεμ και ιδωμεν το ρημα τουτο το γεγονος ο ο κυριος εγνωρισεν ημιν. και ηλθαν σπευσαντες και ανευραν την τε Μαριαμ και τον Ιωσηφ και το βρεφος κειμενον εν τη φατνη·

 

15-16 En het geschiedde toen de engelen van hen waren heengegaan naar de hemel dat de herders tot elkaar zeiden: Laten wij toch meteen naar Bethlehem gaan en zien [hoe] deze uitspraak geschied is, wat de Heer ons bekendmaakte. En zij kwamen met spoed en vonden [uiteindelijk] zowel Maria als Jozef, én het kind, liggend in de voederbak.

 

Na de interactie tussen de hemel en de aarde, keerden de engelen terug naar hun eigen verblijfplaats, maar de herders haastten zich naar Bethlehem. Een prachtig voorbeeld voor de Gemeente ter navolging: niet dralen met een gepaste response als God ons begunstigt met toenemend begrip en meer inzicht in zijn voornemen.

Vergelijk Hn 2:37; 8:36; 16:30.

 

In zijn beschrijving vermijdt Lukas elke onderbreking in het vlugge handelen van de herders, hoewel het werkwoord ευρισκω met de prepositie ανα als voorvoegsel, te kennen geeft dat zij enige tijd hebben moeten zoeken om de juiste locatie te traceren.

Het contrast met de religieuze leiders is groot. Toen zij te weten kwamen dat de Messias mogelijk geboren was, lezen wij niet dat zij ook maar iets ondernamen om hem op te sporen. Zie Mt 2:1-6.

 

ιδοντες δε εγνωρισαν περι του ρηματος του λαληθεντος αυτοις περι του παιδιου τουτου. και παντες οι ακουσαντες εθαυμασαν περι των λαληθεντων υπο των ποιμενων προς αυτους· η δε Μαριαμ παντα συνετηρει τα ρηματα ταυτα συμβαλλουσα εν τη καρδια αυτης.

 

17-19 Toen zij dan gezien hadden gaven zij bekendheid aan de uitspraak welke betreffende dit jongetje tot hen gesproken was. En allen die het hoorden stonden verbaasd over de dingen die door de herders tot hen werden gesproken. Mariam echter bewaarde zorgvuldig al deze uitspraken en overwoog ze in haar hart.

 

Terwijl allen zich verbaasden over wat de herders hun vertelden, wordt alleen van Maria gezegd dat zij het gehoorde in haar hart opsloot en alle gebeurtenissen telkens weer de revue liet passeren, kennelijk in een poging ze in hun onderlinge verband te zien teneinde de ware betekenis ervan te doorgronden en inzicht te krijgen in het mysterie van de geboorte van haar zoon.

Terloops geeft Lukas daarmee te kennen dat zijn verslag een degelijke basis heeft, voor een groot deel berustend op Maria’s getrouwe herinnering.

 

και υπεστρεψαν οι ποιμενες δοξαζοντες και αινουντες τον θεον επι πασιν οις ηκουσαν και ειδον καθως ελαληθη προς αυτους.

 

20 En de herders keerden terug, God verheerlijkend en lovend om alle dingen die zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.

 

Nu eerst maakt Lukas melding van de stemming en de reactie der herders. Zij verheerlijkten God en loofden hem. Opnieuw de juiste response: alles wat hun gezegd was, was immers uitgekomen. Zij hadden het met eigen ogen gezien. Lukas laat trouwens in zijn verslag geregeld uitkomen dat het loven van God om zijn machtige daden en werken, een passende reactie is.

 

Zie: Lk 5:25-26; 7:16; 13:13; 17:15-16; 18:42-43; 23:47.

 

7. De besnijdenis en de aanbieding in de tempel (2:21-40)

 

Και οτε επλησθησαν ημεραι οκτω του περιτεμειν αυτον, και εκληθη το ονομα αυτου Ιησους, το κληθεν υπο του αγγελου προ του συλλημφθηναι αυτον εν τη κοιλια.

 

21 En toen acht dagen vervuld waren om hem te besnijden, werd ook zijn naam genoemd: Jezus, die door de engel was genoemd voordat hij in de schoot werd ontvangen.

 

Door de besnijdenis werd elk Israëlitisch jongetje in Gods volk Israël opgenomen en kreeg het deel aan de verbonden (Gn 17:9-14; Jz 5:2-9; Rm 9:3-5; Ef 2:11-12).

Voor Jezus was dit zelfs van nog meer belang. Als Israëls Messias zou hij namelijk het voornaamste lid van de natie worden, Israëls eigenlijke Zelf.

Het ware Israël -met name het getrouwe deel daarvan- zou in hem belichaamd worden. In Gl 4:4-5 schreef Paulus dienaangaande:

 

Maar toen de volheid van de tijd was gekomen, zond God zijn Zoon uit, geworden uit een vrouw, geworden onder wet, opdat hij hen [die] onder wet [zijn] zou vrijkopen, opdat wij het zoonschap zouden verkrijgen.

 

Met het zoonschap [υιοθεσια; adoptie tot zonen] doelt Paulus op de nieuwe schepping die God op basis van de kracht van het loskoopoffer van zijn Zoon voortbrengt. Zie Gl 6:15-16 en ook 2Ko 5:14-17.

Maar de apostel licht toe dat God met het oog daarop zijn Zoon voortbracht uit een [joodse] vrouw en dat deze bijgevolg - door zijn besnijdenis op de 8e dag - onder de Wet van Mozes kwam te staan.

De apostel ziet dus een verband tussen Jezus’ besnijdenis en Gods voorziening van redding tot een nieuwe schepping. Jezus’ besnijdenis had derhalve een diepere betekenis.

 

Dat vinden wij allereerst terug in de naam die hij bij zijn besnijdenis volgens de opdracht van Gabriël ontving: Jezus. De Hebreeuwse vorm van die naam betekent namelijk: YHWH is redding.

Toen ook Jozef over die naam werd geïnformeerd, legde de engel uit waarom Jozef zijn adoptief zoon Jezus moest noemen: Want hij zal zijn volk redden van hun zonden (Mt 1:21).

 

In Ks 2:11 vinden we echter meer over de diepere zin van Jezus’ besnijdenis. In dat schriftdeel verwijst Paulus namelijk naar de besnijdenis van de Messias:

 

In hem ook werd gij besneden met een besnijdenis niet door handen verricht, in het wegnemen van het vleselijk lichaam, in de besnijdenis van de Messias.

 

De leden van de Gemeente ervaren als eersten van het Israël Gods die besnijdenis van de Messias. Door die ‘besnijdenis’ wordt het vleselijk lichaam der zonden weggenomen. Of, zoals Paulus het in Rm 6:6 nader formuleert:

 

Dit wetend dat onze oude mens tezamen aan de paal werd gehangen opdat het lichaam der zonde buiten werking gesteld zou worden, zodat wij niet langer in dienstbaarheid aan de zonde zijn.

 

Voor een christen betekent de werkelijkheid van zijn ‘besnijdenis’ daarom dat zijn onreine, van Adam overgeërfde toestand wordt "weggesneden". Het lichaam der zonde wordt als het ware vernietigd doordat - dankzij de werking van Gods geest door Messias Jezus - de zondige begeerten niet langer de overhand over ons hebben, maar wij voortaan voor rechtvaardigheid kunnen leven.

Ons oude, ongelovige, blinde, opstandige IK en zijn gebruik van het lichaam voor zonde, wordt in de tegenbeeldige besnijdenis door de geest geëlimineerd.

Dat is wat de besnijdenis van de Messias voor ons inhoudt.

 

Wil dat zeggen dat ook bij de Messias zelf de zondige oude mens moest worden verwijderd?

Daarvan kon uiteraard geen sprake zijn, want toen Gabriël aan Maria Jezus’ geboorte aankondigde - doordat heilige geest over haar zou komen - vermeldde hij expliciet: Daarom ook zal het heilige dat verwekt wordt, Gods Zoon worden genoemd.

 

Dat niettemin ook hij op de 8e dag werd besneden, was niet alleen conform de Wet, maar verschafte tevens een beeld van zijn offer waarbij zijn leven in het vlees voor het aangezicht van God zou worden afgesneden.

Zijn plaatsvervangend sterven was voor Jezus als een besnijdenis, maar bij hem werd een zondeloos, vleselijk lichaam weggenomen, en dat met het oogmerk om na zijn opstanding en hemelvaart de [loskopende] waarde ervan aan God aan te bieden, in het hemelse Allerheiligste.

Zie Hb 9:11-12, 24-26.

 

Vandaar dat Paulus in Gl 2:20 kon schrijven: Ik ben met de Messias aan de paal ter dood gebracht. En in Ks 3:3 kan hij van de Gemeente zeggen: Gij zijt gestorven en jullie leven is verborgen met de Messias in God.

 

Και οτε επλησθησαν αι ημεραι του καθαρισμου αυτων κατα τον νομον Μωυσεως, ανηγαγον αυτον εις Ιεροσολυμα παραστησαι τω κυριω, καθως γεγραπται εν νομω κυριου οτι Παν αρσεν διανοιγον μητραν αγιον τω κυριω κληθησεται, και του δουναι θυσιαν κατα το ειρημενον εν τω νομω κυριου, ζευγος τρυγονων η δυο νοσσους περιστερων.

 

22-24 En toen de dagen van hun reiniging naar de Wet van Mozes waren vervuld, voerden zij hem opwaarts naar Jeruzalem om [hem] aan de Heer aan te bieden

- gelijk geschreven staat in de Wet van de Heer: Al wat mannelijk is, dat de moederschoot volledig opent, zal de Heer heilig worden genoemd - en om een offer te brengen naar wat in de Wet van de Heer gezegd is: een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

 

We zijn hier veertig dagen na de geboorte. Kennelijk zijn Jozef en Mariam die periode in Bethlehem gebleven, gezien de nabijheid van de tempel, slechts enkele kilometers van het stadje verwijderd.

Het valt op dat in deze context geregeld melding gemaakt wordt van het feit dat alle dingen die door de Wet van Mozes vereist werden, strikt in acht werden genomen. Niet alleen hier in de vv 22, 23 en 24, maar ook nog in de vv 27 en 39.

 

De eerste verwijzing betreft Ex 13:2, 12-15. Daar vindt men in vers 2 volgens de Hebreeuwse tekst dat iedere mannelijke eerstgeborene die elke moederschoot opent onder de zonen van Israël, onder de mensen en de dieren, aan God toebehoorde en daarom aan hem geheiligd moest worden. Voor elke eerstgeboren zoon hield dat in dat hij door de vader moest worden losgekocht.

Die inzetting ging terug op wat er bij de Uittocht had plaatsgevonden. Vanwege de hardnekkige opstelling van de Farao had YHWH toen elke eerstgeborene in Egypte gedood, maar de eerstgeborenen van Israël bleven gespaard, dankzij het bloed van het Paschalam. Zie Exodus, hoofdstuk 12.

 

Omdat Jezus als de Messias het eigenlijke Zelf van het ware Israël is geworden, verbaast het ons niet dat er in de Messiaanse tijd een gehele gemeente van eerstgeborenen aan God wordt geheiligd, allen losgekocht krachtens het bloed van het ware Paschalam en ingeschreven in de hemelen.

Zie 1Ko 5:7 en Hb 12:23.

Als christenen wordt ons daarom in 1Ko 6:20 gezegd:

 

Want gij werd met een prijs gekocht; verheerlijkt dan vooral God in jullie lichaam!

 

In Rm 12:1 maakt de apostel nog verder duidelijk wat opgedragen aan God voor de gemeente van eerstgeborenen inhoudt:

 

Daarom verzoek ik jullie dringend, broeders, wegens Gods mededogen, jullie lichamen aan te bieden [als] een levend, heilig offer, welgevallig aan God.

 

De reinigingsprocedure die volgens de Wet bij de geboorte van een zoon of dochter gevolgd moest worden, wordt in Leviticus, hoofdstuk 12, gevonden.

Het behaagde God van Jozef - die wegens zijn geringe economische situatie geen jonge ram ten brandoffer kon aanbieden, twee duiven te aanvaarden - één voor een brandoffer en één voor een zondeoffer (Lv 12:8).

 

Want het was onder deze omstandigheden - eerst de nederige geboorte, de Messias neergelegd in een voederbak, en nu een offer gebracht uit de diepste armoede - dat God zijn gunst op superieure wijze introduceerde binnen een wereld van principieel verloren mensen.

 

a. Simeon (2:25-35)

 

Και ιδου ανθρωπος ην εν Ιερουσαλημ ω ονομα Συμεων, και ο ανθρωπος ουτος δικαιος και ευλαβης, προσδεχομενος παρακλησιν του ισραηλ, και πνευμα ην αγιον επ αυτον· και ην αυτω κεχρηματισμενον υπο του πνευματος του αγιου μη ιδειν θανατον πριν [η] αν ιδη τον Χριστον κυριου.

 

25-26 En zie, er was een mens in Jeruzalem wiens naam [was] Simeon, en deze mens [was] rechtvaardig en bedachtzaam, in afwachting van Israëls vertroosting, en heilige geest was op hem. En hem was van Godswege geopenbaard door de heilige geest, geen dood te zien voordat hij de Messias van de Heer gezien zou hebben.

 

Simeon, en ook Anna [straks in de vv 36-38] behoorden ongetwijfeld tot het godvruchtige overblijfsel binnen het Israël van die dagen. Zoals in Elia’s dagen er een overblijfsel van naamlozen bestond (1Kn 19:14-18; SV), was ook Simeon publiekelijk een totaal onbekende, een naamloze, iemand die geen enkele invloed op het openbare leven uitoefende. Hij behoorde duidelijk tot “de stillen in het land”, zij die zonder aanzien zijn en daarom gemakkelijk verdrukt worden, zoals Ps 35:20 leert:

 

Want het woord vrede kennen zij niet, en tegen de weerlozen [de stillen] in het land smeden zij bedrieglijke plannen.

(nbv)

 

Maar Simeon, één van die geringe stillen, was wel rechtvaardig en bedachtzaam in de ogen van God, een man die het Messiaanse ideaal der profeten ongerept bewaarde. Hij wankelde niet in zijn vertrouwen dat eenmaal voor Israël vertroosting en herstel [uit ballingschap] zou komen door de oprichting van het Messiaanse koninkrijk, met de beloofde permanente erfgenaam van David op Gods troon.

Zie 2Sm 7:18-19; Js 40:1-2; 41:8-10; 42:1; 49:6.

 

Welnu, God had door de invloed van zijn geest laten weten dat hij de Messias nog tijdens zijn leven persoonlijk zou aanschouwen.

Het werkwoord χρηματιζω had oorspronkelijk als één betekenis advies verkrijgen van een orakel [van Delphi e.a.].

In het NT heeft het de waarde van informatie van Godswege, bijvoorbeeld in de vorm van een waarschuwing in het geval van Jozef, in Mt 2:22.

 

Zie ook Hn 10:22.

In Rm 11:4 wordt het substantief χρηματισμος gebruikt [goddelijke openbaring; orakel]: Maar wat zegt de godsspraak tot hem?

 

και ηλθεν εν τω πνευματι εις το ιερον· και εν τω εισαγαγειν τους γονεις το παιδιον Ιησουν του ποιησαι αυτους κατα το ειθισμενον του νομου περι αυτου, και αυτος εδεξατο αυτο εις τας αγκαλας και ευλογησεν τον θεον και ειπεν,

Νυν απολυεις τον δουλον σου, δεσποτα, κατα το ρημα σου εν ειρηνη·

οτι ειδον οι οφθαλμοι μου το σωτηριον σου

ο ητοιμασας κατα προσωπον παντων των λαων,

φως εις αποκαλυψιν εθνων και δοξαν λαου σου Ισραηλ.

 

27-32 En hij kwam in de geest de tempel binnen. En toen de ouders het jongetje Jezus binnenbrachten om naar het gebruik van de Wet betreffende hem te doen, nam ook hij het in de armen en hij zegende God en zei:

Nu laat gij, Meester, uw slaaf in vrede gaan naar uw woord,

want mijn ogen hebben uw redding gezien,

welke gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken:

een licht tot ontsluiering der natiën en een heerlijkheid van uw volk Israël.

 

Bij de dageraad van het Messiaanse tijdperk, nemen we in Simeon afscheid van het oude Israël. Dat traditionele Israël waarbinnen de getrouwen met verlangen hadden uitgezien naar de vervulling van alles wat door de profeten was gesproken, verwelkomt hier hun langverbeide Messias, Gods middel tot redding. De aeonen die in samenhang met de Mozaïsche wetgeving zo’n 1500 jaar hadden gefunctioneerd, waren nu bezig tot hun voleinding te komen.

De apostel Paulus wees daarop toen hij 1Ko 10:1-11 refereerde aan de leerzame ervaringen van onze [joodse] voorvaders:

 

Deze dingen nu zijn hun in typologische zin overkomen; ze werden opgeschreven tot een vermaning voor ons, tot wie de einden der eeuwen [aeonen] zijn gekomen.

 

YHWH, Simeons Δεσποτης [Gebieder; Meester; Eigenaar], kon nu zijn ‘slaaf’ vrijlaten, dwz. hem in vrede laten sterven; de redding van zijn volk was verzekerd.

Maar niet alleen redding voor Israël. Simeon spreekt vanuit een universele gezichtshoek: in de Messias is redding voor alle volken beschikbaar gekomen, met inbegrip van zijn eigen uitverkoren volk Israël. Met de belofte aan Abraham in gedachten, noemt hij de Heidenvolken zelfs als eersten: een licht tot ontsluiering der Heidenvolken en een heerlijkheid van Israël, uw volk.

Zie Gn 12:3; 22:18; Js 25:7; 52:10.

 

Simeon is daarmee geheel in lijn met Jesaja’s profetie omtrent de voornaamste onder zijn Knechtnatie Israël:

 

Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken [gojim; heidenen], opdat mijn heil reike tot het einde der aarde.

(Js 49:6; nbg)

 

και ην ο πατηρ αυτου και η μητηρ θαυμαζοντες επι τοις λαλουμενοις περι αυτου.

 

33 En zijn vader en moeder stonden verbaasd over de dingen die betreffende hem gesproken werden.

 

Jozef en Mariam staan niet alleen verbaasd dat een vreemdeling, die Simeon toch voor hen geweest moet zijn, de vrijheid neemt om het kind van hen over te nemen - er daarbij blijk van gevend nauwkeurig over diens bestemming geïnformeerd te zijn - maar kennelijk ook dat hij in verband met hun bijzondere ‘zoon’ zaken aankondigt die zij zelf nooit met de Messias in verband hadden gebracht. Dat kwam blijkbaar doordat zij de opvattingen van hun tijdgenoten deelden, die meenden dat de Messias hoofdzakelijk een politiek heerser zou zijn.

 

και ευλογησεν αυτους Συμεων και ειπεν προς Μαριαμ την μητερα αυτου, Ιδου ουτος κειται εις πτωσιν και αναστασιν πολλων εν τω Ισραηλ και εις σημειον αντιλεγομενον και σου [δε] αυτης την ψυχην διελευσεται ρομφαια, οπως αν αποκαλυφθωσιν εκ πολλων καρδιων διαλογισμοι.

 

34-35 En Simeon zegende hen en zei tot Mariam, zijn moeder: Zie! Deze wordt gelegd tot een val en [het weer] opstaan van velen in Israël en tot een teken dat weersproken wordt; ook zal door je eigen ziel een zwaard gaan, opdat de overwegingen uit vele harten blootgelegd worden.

 

Simeon profeteerde dat het kind dat hij op dat moment in zijn armen hield, zou dienen tot de val van velen in Israël, maar ook dat naderhand juist velen door hem zouden opstaan. Ook met die aankondiging greep Simeon, onder inspiratie van de geest, terug op bepaalde profetieën waarin de Messias als een "Steen" wordt voorgesteld:

 

De Steen, die de bouwlieden verachtten, is tot hoofd van de hoek geworden.

Vanwege YHWH is dit: een wonder in onze ogen!

(Ps 118:22-23)

 

In Hn 4:11-12 gaf Petrus in de vroegste periode van de Gemeente op die profetie al commentaar. En daarin maakte hij duidelijk dat:

a. de "Steen" betrekking heeft op de Messias, en

b. er redding beschikbaar is gekomen, maar uitsluitend in de persoon van Messias Jezus:

 

Deze is de Steen die door jullie, de bouwlieden, als niets werd geacht, die tot hoofd van de hoek is geworden.

En in niemand anders is de redding, want er is geen andere naam die onder de hemel aan mensen gegeven is waarin wij gered moeten worden.

 

De joodse ‘bouwlieden’ echter - de vooraanstaande religieuze leidslieden van die tijd - wezen die leer af. Zij hadden Jezus reeds verworpen alsof hij een waardeloze steen was; een steen ongeschikt voor het optrekken van een gebouw.

Maar dit was wel tot zeer groot nadeel van die personen, wat moge blijken uit andere profetische uitspraken omtrent de "Steen" :

 

En hij zal tot een heilige plaats worden en tot een Steen der struikeling, tot een rotsblok waarover men valt, voor de beide huizen van Israël; tot een net en tot een valstrik voor de bewoner van Jeruzalem.

En velen onder hen zullen struikelen en vallen, verbroken, verstrikt en gevangen worden.

(Js 8:14-15)

 

Daarom zegt YHWH, de Heer: Zie! In Sion leg ik een Steen ten grondslag; een Steen der toetsing; de kostbare hoek van een goed gelegd fundament.

Wie er op vertrouwt, zal niet in paniek reageren.

(Js 28:16)

 

Profetisch wordt in die teksten geleerd dat zij die op de bedoelde "Steen" steunen, gered of bevrijd zullen worden. Maar zij kunnen die Steen ook verwerpen, er over struikelen en er zelfs door verpletterd worden, mocht de Steen op hen vallen.

Uit Lk 20:17-18 – in de parabel van De boze wijnbouwers - kunnen wij afleiden dat Jezus wist dat hij die rol naar zijn joodse landgenoten toe zou vervullen. Om die reden blijkt de "Steen" vooral een Steen der toetsing te zijn, die in het Messiaanse tijdperk het criterium van Gods handelen jegens de mens is geworden.

 

En wanneer we nu, vanuit een 21e eeuw standpunt, terugblikken op Simeons uitspraken, dan kunnen we vaststellen dat Israëls geschiedenis precies volgens het patroon is verlopen dat hij reeds aangaf:

Als natie struikelde het joodse volk over hun Messias en verhardde het zich ten aanzien van hem. Dat is ook de conclusie die de apostel Paulus in Rm 9:31-32 trekt. Maar in diezelfde (Romeinen-) brief, spreekt hij tevens over een einde van Israëls verharding in de toekomst, en dat zij dan (wederom) zullen opstaan (Rm 11:25-26).

 

Weinig zal Simeon vermoed hebben dat de weg naar dat herstel en bijgevolg naar Israëls redding, zo buitengewoon grillig zou verlopen, d.i. via de omweg der Heidenvolken. Toch gaf hij onder inspiratie van de geest de volgorde reeds aan:

(1) een licht tot ontsluiering der Heidenvolken en (2) een heerlijkheid van uw (Gods) volk Israël.

 

Terloops concluderen we ook nog dat Lukas zich kennelijk intensief met dezelfde bijbelthema’s heeft beziggehouden als de apostel Paulus. Niet vreemd, gezien hun jarenlange samenwerking.

 

b. Anna (2:36-40)

 

Και ην Αννα προφητις, θυγατηρ Φανουηλ, εκ φυλης Ασηρ· αυτη προβεβηκυια εν ημεραις πολλαις, ζησασα μετα ανδρος ετη επτα απο της παρθενιας αυτης, και αυτη χηρα εως ετων ογδοηκοντα τεσσαρων, η ουκ αφιστατο του ιερου νηστειαις και δεησεσιν λατρευουσα νυκτα και ημεραν. και αυτη τη ωρα επιστασα ανθωμολογειτο τω θεω και ελαλει περι αυτου πασιν τοις προσδεχομενοις λυτρωσιν Ιερουσαλημ.

 

36-38 Ook was er Anna, een profetes, dochter van Fanuël, uit [de] stam Aser, die op zeer hoge leeftijd was gekomen. Vanaf haar maagdelijke staat had zij zeven jaar met [een] man geleefd, een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die zich niet van de tempel verwijderde, God dienend met vasten en smekingen, nacht en dag. En op dat zelfde uur kwam zij naderbij, bracht dank aan God en ging tot allen die naar de verlossing van Jeruzalem uitzagen, over hem spreken.

 

 

Ook was er Anna; dat wil zeggen dat er buiten Simeon nog een getuige ter plaatse was om van Messias’ geboorte getuigenis af te leggen. Maar ook twee godvruchtige personen, vertegenwoordigers van een lange geschiedenis van een volk, levend in afwachting van de vervulling van Gods beloften; bij voortduring gevoed door het profetische Woord.

 

In tegenstelling tot Simeon wordt Anna profetes genoemd, wat inhield dat zij blijvend door Gods geest werd beïnvloed, een omstandigheid die kennelijk kracht wordt bijgezet door de betekenis van haar vaders naam: Fanuël = aangezicht van God.

Zie: Gn 32:30.

 

De vermelding dat Anna uit Aser stamde, herinnert aan datgene wat de patriarch Jakob op zijn sterfbed over die stam voorzei: Uit Aser zal zijn brood vet zijn, en hij levert koninklijke lekkernijen.

 

God zou Aser met een overvloed aan rijk voedsel zegenen, zodat die stam de koninklijke tafel van delicatessen zou kunnen voorzien.

In zijn profetische zegen voorzei ook Mozes dat Aser welvaart zou genieten. De stam zou figuurlijk gesproken zijn voet in olie dompelen, wat op voorspoed duidt.

Zie Dt 33:24-25.

 

Inderdaad omvatte het aan Aser toegewezen stamgebied één van de vruchtbaarste landstreken van heel Israël. Er groeiden olijfbomen, die rijkelijk olie verschaften, en ook andere bomen, waarvan de vruchten tot de lekkernijen behoorden die op de tafel van de koning werden opgedist.

 De stam zou dus de Gezalfde van YHWH ten dienste staan. Een prachtig voorbeeld daarvan zien we terug in de wijze waarop de stam zich jegens de Messias Hizkia opstelde toen deze zich inspande voor een grote religieuze revival in Israël.

Vele stammen lieten het toen afweten, maar niet Aser:

 

Hizkia zond nu een boodschap aan heel Israël en Juda, en hij schreef zelfs brieven naar Efraïm en Manasse, om naar het huis van YHWH in Jeruzalem te komen ten einde het Pesach voor YHWH, de God van Israël, te vieren… En de zaak was juist in de ogen van de koning en in de ogen van de hele gemeente. Zij besloten dus in heel Israël, van Berseba tot Dan, te doen omroepen dat men zou komen om het Pesach voor YHWH, de God van Israël, te Jeruzalem te vieren; want zij hadden het niet massaal gevierd, naar hetgeen geschreven staat.

 

Zonen van Israël, keert terug tot YHWH, de God van Abraham, Isaäk en Israël, opdat hij moge terugkeren tot de ontkomenen die van jullie zijn overgebleven uit de handpalm van de koningen van Assyrië… Want YHWH, jullie God, is goedgunstig en barmhartig, en hij zal het aangezicht niet van jullie afwenden indien gij tot hem terugkeert.

 

Maar men maakte hen [de boden] voortdurend belachelijk en bespotte hen. Slechts enkelingen uit Aser en Manasse en uit Zebulon verootmoedigden zich zodat zij naar Jeruzalem kwamen. De hand van God bleek ook in Juda te zijn ten einde hun één hart te geven om het gebod van de koning en de vorsten in de zaak van YHWH te volbrengen.

(2Kr 30:1-12)

 

Tegen het einde van de Oudtestamentische tijd blijkt Anna dan ook een waardige vertegenwoordigster van die koninklijke dienstbaarheid te zijn.

Na de jonge Messias in de tempel aanschouwd te hebben, ging zij tot allen die naar de verlossing van Jeruzalem uitzagen, over hem spreken.

 

Anna had na zoveel eeuwen de voor Aser gekenmerkte gezindheid. Zij week niet van de tempel, maar diende God, nacht en dag. Kennelijk hield een en ander in dat zij vanaf het morgen- tot en met het avondoffer present was. Vergelijk Lk 24:53.

 

Και ως ετελεσαν παντα τα κατα τον νομον κυριου, επεστρεψαν εις την Γαλιλαιαν εις πολιν εαυτων Ναζαρεθ. Το δε παιδιον ηυξανεν και εκραταιουτο πληρουμενον σοφια, και χαρις θεου ην επ αυτο.

 

39-40 En toen zij alle dingen hadden volbracht volgens de Wet van de Heer, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth. Het jongetje nu groeide op en verwierf [steeds meer] kracht, werd [in toenemende mate] met wijsheid vervuld; en Gods gunst was [voortdurend] op hem.

 

Hun terugkeer naar Galilea wordt door Lukas logischerwijs vermeld,

- aangezien hij in 2:1-5 had beschreven dat zij vanuit die plaats op reis waren gegaan naar Bethlehem, op grond van Caesars verordening tot registratie; en

- nu verder wil vertellen over de reis die de familie vanuit Nazareth ondernam om in Jeruzalem het Pascha bij te wonen toen Jezus 12 jaar oud was.

Uit het evangelie van Mattheüs weten we echter dat tussen de aanbieding in de tempel en hun blijvende vestiging in Nazareth diverse gebeurtenissen hebben plaats gevonden die een lang tijdsverloop vorderden, wellicht zelfs van enkele jaren. Vergelijk hiervoor Mt hoofdstuk 2.

Het is mogelijk dat Lukas’ verslag chronologisch toch correct is. In dat geval is de familie inderdaad na de aanbieding in de tempel naar Nazareth teruggegaan, maar slechts met de bedoeling om hun verhuizing naar Bethlehem voor te bereiden.

 

De jongen Jezus groeide derhalve op in Nazareth, volgens Mt 2:19-23 geheel overeenkomstig Gods voorzienigheid.

Lukas gebruikt duratieve vormen van de werkwoorden om Jezus’ progressie in diens groei te laten uitkomen; hier tot uitdrukking gebracht door enkele omschrijvende termen: steeds meer; in toenemende mate; voortdurend.

 

Overigens komt de beschrijving van Jezus’ vooruitgang tamelijk overeen met die van Johannes, volgens 1:80. Daaruit blijkt dat Gods Zoon als mens dezelfde ontwikkeling doormaakte als ieder ander mens. Zowel zijn fysieke gestalte als zijn geestelijke vermogens namen geleidelijk toe. Ook leerde hij als elk kind thuis dingen van zijn ouders en zijn wekelijks bezoek aan de synagoge had tot resultaat dat hij grondig bekend raakte met de Schrift. Maar het unieke in dat alles was dat er bij hem geen sprake was van enige belemmering als gevolg van de Adamitische erfenis. Geen gebreken of inherent slechte neigingen derhalve vanwege een zondige natuur. En zoals God zorgvuldig de ontwikkeling van Johannes leidde en hem voorbereidde op zijn Eliataak, genoot ook Jezus voortdurend de hulp en aandacht van zijn Vader.

 

8. De twaalfjarige Jezus in de tempel (2:41-52)

 

Και επορευοντο οι γονεις αυτου κατ ετος εις Ιερουσαλημ τη εορτη του πασχα.

 

41 En zijn ouders waren gewoon jaarlijks naar Jeruzalem te gaan voor het feest van het Pascha.

 

Op grond van Ex 23:14-17 werd van iedere manlijke Israëliet verwacht dat hij driemaal per jaar voor het aangezicht van YHWH verscheen: bij het feest van de ongezuurde broden [Pascha], het oogstfeest van de eerste rijpe vruchten [Pinksteren] en het feest der inzameling bij de afloop van het jaar [Loofhuttenfeest].

 

De verstrooiing maakte dit grotendeels onmogelijk, maar godvruchtige joodse mannen, zowel binnen als buiten Palestina, spanden zich in om tenminste jaarlijks het Pascha bij te wonen in Jeruzalem. Maria placht Jozef daarbij te vergezellen, hoewel dit niet van vrouwen werd verlangd.

Uit de context lijkt opgemaakt te kunnen worden dat Jezus niet pas op zijn twaalfde voor het eerst meeging. Eerder blijkt uit het verband dat hij op die leeftijd afweek van de gewone gang van zaken.

 

και οτε εγενετο ετων δωδεκα, αναβαινοντων αυτων κατα το εθος της εορτης και τελειωσαντων τας ημερας, εν τω υποστρεφειν αυτους υπεμεινεν Ιησους ο παις εν Ιερουσαλημ, και ουκ εγνωσαν οι γονεις αυτου. νομισαντες δε αυτον ειναι εν τη συνοδια ηλθον ημερας οδον και ανεζητουν αυτον εν τοις συγγενευσιν και τοις γνωστοις, και μη ευροντες υπεστρεψαν εις Ιερουσαλημ αναζητουντες αυτον.

 

42-45 En toen hij twaalf jaar was geworden en zij volgens het gebruik van het feest waren opgegaan, en de dagen hadden voleindigd, bleef de jongen Jezus, toen zij terugkeerden, in Jeruzalem achter en zijn ouders wisten [het] niet. In de mening verkerend dat hij zich onder het reisgezelschap bevond, reisden zij een dag lang en gingen hem toen bij de verwanten en bekenden zoeken. En toen zij [hem] niet vonden, keerden zij naar Jeruzalem terug, intensief naar hem op zoek.

 

Dat zij de dagen voleindigden betekent waarschijnlijk dat zij voor de volle duur van het feest [een week; Dt 16:1-3] in Jeruzalem verbleven, hoewel veel pelgrims reeds na de twee belangrijkste dagen de terugreis aanvaardden. We kunnen niet aannemen dat Jezus uit een daad van ongehoorzaamheid achterbleef, maar eerder uit intense belangstelling voor de goddelijke zaken in het tempelgebied.

 

και εγενετο μετα ημερας τρεις ευρον αυτον εν τω ιερω καθεζομενον εν μεσω των διδασκαλων και ακουοντα αυτων και επερωτωντα αυτους· εξισταντο δε παντες οι ακουοντες αυτου επι τη συνεσει και ταις αποκρισεσιν αυτου.

 

46-47 En het geschiedde op de derde dag dat zij hem in de tempel vonden, zittend te midden van de leraren, terwijl hij naar hen luisterde en hen ondervroeg. Allen nu die hem hoorden, waren buiten zichzelf [van verbazing] over zijn inzicht en antwoorden.

 

 

Letterlijk: na drie dagen; dat wil zeggen op de dag na hun terugkeer in Jeruzalem.

De volgorde der gebeurtenissen komt opvallend overeen met Jezus’ dood op de Paschadag van het jaar 33 AD en daarna zijn opstanding op de derde dag. Ook toen was hij gedeelten van drie dagen buiten ’s mensen bereik. Sindsdien kan de Messias alleen gevonden worden in erkenning van zijn offerandelijke dood en opstanding.

Lk 24:46-47; Hn 10:37-43; 1Ko 15:3-4.

 

Hoe moeten wij ons het tafereel dat zijn ongeruste ‘ouders’ op de derde dag ontwaarden, voorstellen?

In één van de zuilengangen van de tempel discussieert een groepje joodse leraren over theologische kwesties. Iets wat niet ongewoon was tijdens de feestelijke bijeenkomsten en er veel publiek was.

Als leergierige knaap heeft Jezus zich bij hen gevoegd. Hij werpt enkele relevante vraagstukken op; wellicht in de trant van Lk 20:41-44.

Al vlug is zijn betrokkenheid zo groot dat de leraren bijna vergeten dat zij met een 12-jarige van gedachten wisselen. Wat een inzicht heeft die knaap en hoe scherpzinnig reageert hij op hun commentaren!

  

Tot en met zijn twaalfde jaar wordt een joodse jongen thuis onderricht in de geboden van de Wet, in het bijzonder door de vader, hoewel moeders ook een betrokkenheid hebben (Sp 1:8; 31:26-28).

Maar aan het einde van zijn twaalfde jaar gaat de jongen door een ceremonie waarbij hij formeel het juk van de Wet op zich neemt en een zoon van het gebod wordt (bar mitswah).

 

Voor Jezus was op dat moment die stap in zijn leven aanstaande. Wellicht had hij met het oog daarop het besluit genomen om bij de Paschaviering en het feest van de ongezuurde broden in Jeruzalem achter te blijven, om voor oplettende waarnemers duidelijk te maken hoe diep en uniek zijn verhouding tot God was en hoe groot zijn waardering voor de Wet.

Het groepje leraren was in ieder geval diep onder de indruk, en kennelijk omdat zij meenden dat zij van een 12-jarige niets te duchten hadden, reageerden zij welwillend. Achttien jaar later, toen Jezus in het openbaar begon op te treden en de leringen van de rabbi’s openlijk aan de kaak stelde, was dat wel anders!

 

και ιδοντες αυτον εξεπλαγησαν, και ειπεν προς αυτον η μητηρ αυτου, Τεκνον, τι εποιησας ημιν ουτως; ιδου ο πατηρ σου καγω οδυνωμενοι εζητουμεν σε. και ειπεν προς αυτους, Τι οτι εζητειτε με; ουκ ηδειτε οτι εν τοις του πατρος μου δει ειναι με; και αυτοι ου συνηκαν το ρημα ο ελαλησεν αυτοις.

 

48-50 En toen zij hem zagen, stonden zij versteld; en zijn moeder zei tot hem: Kind, waarom deed je ons dit aan? Zie, je vader en ik waren met smart naar je op zoek.

En hij zei tot hen: Waarom gingen jullie mij zoeken? Wisten jullie niet dat ik in de dingen van mijn Vader moet zijn? En zij begrepen het woord niet dat hij tot hen sprak.

 

Dat het tafereel -Jezus te midden van de leraren, met hen converserend- zijn ouders versteld deed staan [εκπλησσω; verslagenheid veroorzaken; uit het veld slaan; shockeren], kan duiden op hun nederige sociale status, en ook op de grote kloof die er bestond tussen hen, behorend tot het gewone volk, en de religieuze leiders, tegen wie met ontzag werd opgezien. Terwijl zij toch als geen ander wisten dat Jezus speciaal was op grond van zijn herkomst, werden zij niettemin overrompeld door een situatie die geheel vreemd was aan de kring van mensen waarbinnen zij zich bewogen.

 

Uit Maria’s verwijt kan eveneens opgemaakt worden dat zij en haar man helemaal met zichzelf en hun kleinburgerlijk bestaan bezig waren. Hoe kan dat? Er waren intussen 12 jaar verstreken sinds Jezus’ wonderbare geboorte, en het gezin had zich inmiddels uitgebreid met halfbroers en –zusters (Mr 6:1-3). En te midden daarvan groeide Jezus op als elk ander kind, op het oog een gewone jongen. Het leven had z’n gewone gang hernomen en er moest ongetwijfeld hard gewerkt worden om in de dagelijkse behoeften te voorzien.

 

Dit verklaart wellicht ook waarom zij niet doelgericht hadden gezocht. Dat blijkt uit Jezus’ reactie. Volgens hem hadden zij zelfs in het geheel niet naar hem op zoek hoeven te gaan. Zij hadden zich rechtstreeks naar de enige plaats kunnen begeven waar hij verwacht mocht worden: de tempel, het huis van zijn Vader, waar bij uitstek de godsdienstige zaken plaats vonden die met God verband hielden.

 

Uiting gevend aan zijn Messiaanse zelfbewustzijn luidt zijn antwoord -de eerste van door hem gesproken woorden die opgetekend werden- dan ook: Wisten jullie niet dat ik in de dingen van mijn Vader moet zijn?

Andere ouders hadden overal kunnen zoeken, maar niet de zijnen. Buiten zijn onderworpenheid aan hen, verkeerde hij immers, en in de eerste plaats zelfs, in de speciale relatie met Hem die zijn ware Vader was. Vandaar het moeten dat uit die verhouding voortvloeide.

 

Maar zij begrepen het woord niet dat hij tot hen sprak

Hierin zien we tenslotte het grote verschil tussen Jezus en zijn ‘ouders’ en met alle andere natuurlijke, van de gevallen Adam afstammende mensen. Wat de apostel Paulus schreef in 1Ko 2:14-15, is hier van toepassing:

 

Maar een natuurlijk [fysiek] mens neemt de dingen die van de geest Gods zijn, niet aan, want ze zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk worden onderscheiden. Maar wie geestelijk is, onderscheidt wel alle dingen.

 

Uit de context van dit citaat blijkt dat wij allen, geboren Adamitische mensen, pas waarlijk geestelijke zaken kunnen onderscheiden en naar hun betekenis kunnen beoordelen, wanneer we niet langer door de geest van de wereld worden geleid maar door de geest van God, een voorrecht dat thans slechts is weggelegd voor de leden van de Gemeente die door de geest van God tot zijn zonen en tot een nieuwe schepping zijn geworden (Rm 8:14-16; 1Ko 2:6-16).

 

Maar als een rechtstreeks geboren zoon van God had Jezus die handicap niet. Hij verkeerde in dezelfde positie als Adam vóór diens val, van nature geestelijk georiënteerd, en op God gericht. Vroeg of laat zou dit verschil met zijn ouders aan het licht komen. Aan de hand van Lukas’ verslag stellen we vast dat dit op z’n laatst bij deze gelegenheid het geval was.

Overigens was in die situatie ruim achttien jaar later nog geen verandering gekomen, getuige het voorval dat Markus heeft beschreven in Mr 3:20-35.

 

και κατεβη μετ αυτων και ηλθεν εις Ναζαρεθ, και ην υποτασσομενος αυτοις. και η μητηρ αυτου διετηρει παντα τα ρηματα εν τη καρδια αυτης. Και Ιησους προεκοπτεν [εν τη] σοφια και ηλικια και χαριτι παρα θεω και ανθρωποις.

 

51-52 En hij daalde met hen af en kwam in Nazareth en was hun onderworpen. En zijn moeder bewaarde zorgvuldig al deze dingen in haar hart. En Jezus nam toe in de wijsheid en fysieke grootte en gunst bij God en mensen.

 

Het gordijn dat even omtrent Jezus’ jeugd was weggehaald, wordt weer snel dichtgeschoven. Opnieuw ‘mediastilte’ wat hem betreft, nu voor niet minder dan 18 jaar. Het enige wat we over die periode weten is dit: Jezus bleef zich lichamelijk en geestelijk ontwikkelen en zich in Gods gunst verheugen. Ook bij zijn medeburgers stond hij wegens zijn verstand en wijsheid in aanzien.

 

Zijn adoptief vader Jozef is kennelijk in die periode overleden, maar blijkens Mr 6:3 hield Jezus diens timmerbedrijf in stand. Bijgevolg kwam hij bekend te staan als de timmerman, en die nederige status droeg er waarschijnlijk mede toe bij dat hij niet als een hoger wezen werd beschouwd, en dat hem ook geen speciale zending werd toegeschreven. Vergelijk Lk 4:16-22, 28-30.

 

Lukas 3

 

B. Optreden van Johannes; Jezus’ voorbereiding op zijn bediening (3:1 – 4:13)

 

1. De prediking van Johannes de Doper (3:1-20)

 

Εν ετει δε πεντεκαιδεκατω της ηγεμονιας Τιβεριου Καισαρος, ηγεμονευοντος Ποντιου Πιλατου της Ιουδαιας, και τετρααρχουντος της Γαλιλαιας Ηρωδου, Φιλιππου δε του αδελφου αυτου τετρααρχουντος της Ιτουραιας και Τραχωνιτιδος χωρας, και Λυσανιου της Αβιληνης τετρααρχουντος, επι αρχιερεως Αννα και Καιαφα, εγενετο ρημα θεου επι Ιωαννην τον Ζαχαριου υιον εν τη ερημω. και ηλθεν εις πασαν [την] περιχωρον του Ιορδανου κηρυσσων βαπτισμα μετανοιας εις αφεσιν αμαρτιων,

 

1-3 In het vijftiende jaar nu van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus bestuurder was van Judea en Herodes viervorst van Galilea, maar Filippus, zijn broer, viervorst van Iturea en het land Trachonitis en Lysanias viervorst van Abilene, onder hogepriester Annas en Kajafas, kwam Gods woord tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de wildernis. En hij kwam in de gehele omtrek van de Jordaan, verkondigend een doop van berouw, tot vergeving van zonden;

 

Met name hier - op de drempel van Jezus’ komst in de wereld (Hb 10:5) - toont Lukas dat hij inderdaad alle dingen van meet af nauwkeurig is nagegaan (1:3), in een poging de start van de Eliacarrière van Johannes nauwkeurig in te passen in de wereldgeschiedenis.

Op zich is de vermelding van het 15e regeringsjaar van Tiberius Caesar al voldoende om vast te kunnen stellen dat Johannes met zijn bediening begon in de Lente van het jaar 29 AD, aangezien Tiberius’ 15e jaar liep van de Herfst van 28 AD tot de Herfst van 29 AD. Maar door de 6-voudige tijdsbepaling tekent Lukas mede de toenmalige politieke situatie in Palestina, en dat ‘plaatje’ moet er voor een ware Israëliet ontstellend uitgezien hebben: Complete Heidense overheersing. Wat een schril contrast met de dagen van Salomo. Vergelijk 1Kn 4:20-25.

 

Maar nu was duidelijk de scepter van Juda geweken (Gn 49:10). En dat zeker niet onlangs, maar eigenlijk al in 587 v.Chr., bij de val en verwoesting van Jeruzalem, toen Zedekia - ook toen al een vazal van de Heidense Nebukadnezar- als de laatste regerende koning in Davids geslachtslijn, werd onttroond.

Vanwaar die rampspoed over Israël? Ezra heeft de achtergrond daarvan beschreven in het boek Twee Kronieken. Zie 2Kr 36:11-21.

 

Met de opkomst van de wereldmacht Perzië kwam echter geen werkelijk herstel voor Israël, hoewel de ballingen toen naar hun homeland mochten terugkeren. Herstel is zelfs tot op heden niet gekomen, want Israël bleef onder vreemde, Heidense overheersing. Na Perzië onder Hellas (Griekenland) en vervolgens vele eeuwen onder de Romeinse wereldmacht.

 

Wil het koninkrijk Gods opnieuw gevestigd worden als het koninkrijk voor Israël (Hn 1:6), dan zal dat beslist vergezeld moeten gaan van een berouwvolle houding van de zijde der Joden. En dat is precies datgene waartoe Johannes opriep.

Berouw tot vergeving van zonden werd het centrale punt van zijn verkondiging.

Mt 3:1-2; Mr 1:4; Lk 1:76-79.

 

Als teken van zijn persoonlijke inkeer, zou dan elke afzonderlijke Jood worden ondergedompeld in de wateren van de rivier de Jordaan (Jh 3:23).

In de doop van Johannes kregen Israëlieten bijgevolg voor de eerste keer de gelegenheid een persoonlijke beslissing te nemen wat betreft hun verhouding tot YHWH, hun God. Tot dan toe was die verhouding collectief bepaald geweest.

 

In Johannes’ en Jezus’ tijd hadden de Joden door de hogepriester nog in geringe mate een vorm van zelfbestuur op het gebied van godsdienstige zaken, maar het is overbekend dat de priesterklasse corrupt, over het algemeen ongelovig, en daarom van weinig nut voor het volk was.

Met de ietwat vreemde uitdrukking onder hogepriester Annas en Kajafas, wil Lukas duidelijk maken dat toen, ofschoon normaliter slechts één hogepriester tegelijkertijd het ambt werkelijk bekleedde, de feitelijke macht door twee personen werd uitgeoefend. De eigenlijke hogepriester was Kajafas (18-36 AD), maar zijn schoonvader Annas, die het ambt had bekleed tussen 6-15 AD, had nog steeds grote invloed, in die mate dat hij door Lukas zelfs als eerste wordt vermeld. Vergelijk Jh 18:13, 24.

 

ως γεγραπται εν βιβλω λογων Ησαιου του προφητου,

Φωνη βοωντος εν τη ερημω,

Ετοιμασατε την οδον κυριου,

ευθειας ποιειτε τας τριβους αυτου.

πασα φαραγξ πληρωθησεται

και παν ορος και βουνος ταπεινωθησεται,

και εσται τα σκολια εις ευθειαν

και αι τραχειαι εις οδους λειας·

και οψεται πασα σαρξ το σωτηριον του θεου.

 

4-6 zoals geschreven staat in [het] boek der woorden van Jesaja, de profeet: Stem van een roepende in de wildernis:

Bereidt de weg van de Heer, maakt recht zijn paden.

Elke kloof moet gevuld en elke berg en heuvel geslecht worden,

en de krommingen moeten tot rechte,

en de oneffenheden tot vlakke wegen worden.

En alle vlees moet de redding van God zien.

 

In het verleden was het niet ongewoon dat, wanneer een monarch in de Oriënt een gebied bezocht, de bewoners werden opgeroepen om de wegen van rotsblokken te ontdoen en kuilen op te vullen. Een koninklijke koerier placht vooruit te gaan om de mensen daartoe te sommeren.

In Jesaja 40 roept iemand, misschien een heraut uit het hemelse hof, anderen op tot het bereiden van een koninklijke weg voor YHWH, door de wildernis heen. YHWH, Israëls God, is namelijk van plan zich aan het hoofd van de Joodse ballingen te plaatsen voor hun terugkeer naar Jeruzalem:

 

Luistert! In de wildernis roept iemand: Baant de weg van YHWH. Maakt de hoofdweg voor onze God door de woestijnvlakte recht. Laat elk dal worden verhoogd en elke berg en heuvel worden geslecht. En het bultige landschap moet tot vlak land worden en het oneffen landschap tot een valleivlakte. En de heerlijkheid van YHWH zal stellig geopenbaard worden, en alle vlees moet [het] tezamen zien, want het is de mond van YHWH die heeft gesproken (Js 40:3-5).

 

De profetie had een voorlopige vervulling na de val van Babylon in 539 v.Chr., toen de Israëlitische ballingen op grond van het decreet van Cyrus naar Palestina konden terugkeren (Ezra 1:1-4).

Maar de werkelijke vervulling komt in de Eindtijd, wanneer Israëls lang verbeide herstel aanbreekt en de oproep zal klinken om Babylon de Grote te verlaten voordat Gods oordeel over haar komt. Voor allen die over Sion treuren, zal dat buitengewoon goed nieuws zijn. Troost voor mijn volk is nabij. De dwaling is afbetaald. Uit de hand van YHWH zal Israël dan een dubbel portie aan correctie ontvangen hebben (Js 40:1-2; Op 18:4-5).

 

En zoals destijds geschiedde bij de Exodus, de uittocht uit Egypte, zal dat gebeuren uitlopen op een magistrale theofanie, d.i. een ongekende tentoonspreiding van Gods heerlijkheid: Niet slechts voor het oog van Israël alleen, maar voor het oog van alle mensen. Al het levende tezamen zal er getuige van worden (Js 40:5).

In deze omlijsting nu, plaatst Lukas het optreden van Johannes: YHWH God zendt die ‘Elia’ van de Eerste eeuw als zijn heraut voor zich uit teneinde de weg voor hem – een ‘weg’ die regelrecht verband houdt met de carrière van zijn Messiaaanse Zoon - te bereiden.

 

Met de ijver en toewijding als die van Elia, moet Johannes een godsdienstige ommekeer bij het volk bewerken. Alle geestelijke belemmeringen welke die verandering van hart in de weg staan, moeten opgeruimd worden: Een lage, ongeestelijke gezindheid, hoogmoed, slinksheid, onoprechtheid, grofheid, etc.

Zie het commentaar bij Lk 1:16-17; 1:57-64 en 1:76-79.

 

Ελεγεν ουν τοις εκπορευομενοις οχλοις βαπτισθηναι υπ αυτου, Γεννηματα εχιδνων, τις υπεδειξεν υμιν φυγειν απο της μελλουσης οργης; ποιησατε ουν καρπους αξιους της μετανοιας· και μη αρξησθε λεγειν εν εαυτοις, Πατερα εχομεν τον Αβρααμ, λεγω γαρ υμιν οτι δυναται ο θεος εκ των λιθων τουτων εγειραι τεκνα τω Αβρααμ. ηδη δε και η αξινη προς την ριζαν των δενδρων κειται· παν ουν δενδρον μη ποιουν καρπον καλον εκκοπτεται και εις πυρ βαλλεται.

 

7-9 Bijgevolg placht hij tot de menigten die uitliepen om door hem gedoopt te worden, te zeggen: Adderengebroed, wie heeft jullie te verstaan gegeven de komende gramschap te ontvluchten? Brengt dan vruchten voort, het berouw waardig; en begint niet bij jezelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot vader! Want ik zeg jullie, dat God in staat is uit deze stenen kinderen voor Abraham te voorschijn te brengen. Ook ligt de bijl reeds aan de wortel der bomen; elke boom dan die geen voortreffelijke vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in vuur geworpen.

 

Tijdens zijn verblijf in de wildernis moet Johannes meer dan eens broedsels van slangen gezien hebben en ook - als er brand uitbrak - dat ze zich snel in veiligheid brachten in hun holen.

Johannes gebruikt de metafoor in verband met Gods strafgericht dat volgens hem aanstaande is: De bijl ligt reeds aan de wortel der bomen [de afzonderlijke Joden], hoewel 1Th 1:10 te kennen geeft dat de komende gramschap ook Heidenen zal treffen.

Maar als voorloper van de Messias - in wie het koninkrijk Gods nabij is - richt Johannes zich toch in de eerste plaats tot het volk van de Messias: Hun inkeer is voorwaarde om deel te verkrijgen aan zijn koninkrijk. Wordt aan die voorwaarde niet voldaan, dan zal het koninkrijk Gods aan hen voorbijgaan, ja, zelfs van hen worden weggenomen (Mt 8:12; 21:43).

 

Uit een vergelijking met de parallelle passage in Mt 3:7-10 kan geconcludeerd worden dat de menigten die geregeld naar Johannes toekwamen voor de doop, een mix waren van het gewone volk en hun religieuze leiders. Speciaal worden genoemd de Farizeeën en de Sadduceeën. Maar Johannes schijnt niet te geloven dat zij door oprechte motieven gedreven worden, want hij brandmerkt hen als zaad van de oude Slang; het gif van huichelarij zit hun als het ware in het bloed.

Voor het geval dat hij het mis mocht hebben, laat Johannes hen niettemin weten dat zij kunnen tonen dat hun inkeer oprecht is. Hoe? Door een leven te leiden en daden te verrichten die aan waar berouw beantwoorden.

 

Met zijn uitspraak begint niet bij jezelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot vader! laat Johannes weten dat hij dat argument door-en-door kent. "Kom daar aub niet bij mij mee aan!" Op Abraham kan voortaan alleen hij zich beroepen die werkelijk een kind [zaad] van Abraham is, dat wil zeggen hij die een geloof heeft als dat van Abraham en zich bijgevolg in een zelfde geestelijke verhouding met God verheugt als die patriarch. D.i. op basis van de ware gerechtigheid, die niet voortvloeit uit fysieke afstamming en/of wetticisme, maar die berust op oprecht geloof. Vergelijk Romeinen, hoofdstuk 4; Gl 3:7, 29.

 

Om te voorzien in Abrahams ‘zaad’, dat volgens zijn belofte in het Millenniumkoninkrijk van de Messias tot zegen moet worden van de gehele mensheid, heeft God de Joden niet echt nodig. Zeker, hij wil hen daartoe gebruiken en hij heeft hen ook voor die taak voorbestemd, maar hij is helemaal niet van hen afhankelijk. Hij zou, indien nodig, zelfs uit de stenen die langs de oevers van de Jordaan voor allen zichtbaar zijn, kinderen [zaad] voor Abraham kunnen produceren. Ongetwijfeld een toespeling op leden uit de Heidenvolken op wie God ongeveer 15 jaar later, rond 46/47 AD, zijn aandacht begon te richten en die door de bediening van de apostel Paulus de gelegenheid ontvingen door geloof zaad van Abraham te worden (Hn 13:44-47).

 

Begint niet bij jezelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot vader! Want ik zeg jullie, dat God in staat is uit deze stenen kinderen voor Abraham te voorschijn te brengen.

Dit blijkt voor de Joden dus een zeer belangrijke uitspraak te zijn. Er wordt allereerst door onthuld dat Johannes en zijn Joodse hoorders het over één zaak absoluut eens zijn met elkaar: Op grond van Gods belofte aan Abraham moeten er kinderen voor Abraham zijn; want anders zou blijken dat Gods woord van belofte gefaald zou hebben.

 

Maar het is een grote misvatting dat de Joden blijkbaar denken dat hun jood zijn -vanwege hun fysieke afstamming van Abraham - God verplicht hen te zegenen, en dat hij zijn gramschap eenvoudig niet over hen kan brengen, gebonden als hij is aan zijn eigen woord van belofte.

Maar door zo te denken gaan zij compleet voorbij aan de soevereine vrijheid die God bezit en de grenzeloze macht die hij uitoefent. YHWH God bevindt zich nooit in een dwangpositie. Hij is in staat zijn beloften die hij aan Abraham deed, volledig na te komen, en tegelijkertijd af te rekenen met hun idee dat door hun vleselijke afstamming een gezegende toekomst voor hen gegarandeerd is.

 

God kan eventueel in zijn gramschap het hele Jodendom volledig wegvagen en toch voorzien in een zaad voor Abraham. Hoe dan? Door uit het niets een nieuw volk voor zijn naam te creëren dat de soort vruchten voortbrengt die passend zijn voor een berouwvolle houding en dat niet zijn vertrouwen stelt in zichzelf, maar slechts steunt op Gods goedgunstige barmhartigheid.

 

Maar vanwaar deze metafoor: Zaad voor Abraham produceren uit stenen?

We suggereren het volgende:

In Js 51:1-2 roept YHWH zijn volk dat hem in hun nood zoekt, op met de woorden:

 

Luistert naar mij, gij, die het heil achtervolgt, die YHWH zoekt. Ziet op naar de rots, waaruit gij zijt gehouwen, en de groeve waaruit gij zijt gegraven. Ziet op naar Abraham, uw vader, en naar Sara, die u baarde.

 

Uit het parallellisme blijkt dat de rots en de groeve een beeld zijn van Abraham en Sara. Uit dit echtpaar, waarvan Sara aanvankelijk onvruchtbaar was, is Israël voortgekomen, in de afstammingslijn van Isaäk en Jakob.

Als zaad van Abraham werden zij voortgebracht dankzij Gods wonderkracht, gehouwen uit de geestelijke rots Abraham. Indien nodig zou YHWH die wonderkracht opnieuw kunnen aanwenden.

Hierbij kunnen we tevens in aanmerking nemen dat het Israël naar het vlees op zichzelf niet het ware Israël is bij God en dat in de Bijbel geregeld steen tegenover vlees wordt geplaatst, inzonderheid met betrekking tot het hart:

 

Ik zal hun een nieuw hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste uitstorten. Ik zal het stenen hart uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven, opdat ze mijn wetten in acht nemen en mijn geboden nauwlettend onderhouden. Zo zullen ze mijn volk worden en ik zal hun God worden.

(Ez 36:26-27)

 

Indien er geen response komt van de zijde vanwaar dat in de eerste plaats verwacht mag worden, dan zal God er wel voor zorgen dat er een gunstige reactie komt van de zijde waarvan het nauwelijks verwacht kon worden: De heidenwereld, bestaande uit geestelijk dode personen; in hun zonden en afgoderij even dood als het levenloze steen van hun beelden.

Indien vlees tot steen kan worden, zoals gebeurde in het geval van het natuurlijke Israël, dan kan ook, in overeenstemming met Gods belofte om een nieuwe schepping voort te brengen, steen tot vlees worden gemaakt. Aldus zal het ware Israël, of het Israël Gods, inderdaad worden voortgebracht, dankzij de wonderwerking van Gods geest.

Zie: Jr 32:39; Ez 11:19-20; 36:26-27; Zc 7:12; Rm 9:6-9; 2Ko 5:17; Gl 6:15-16; Ef 2:1-5, 11-13.

 

Και επηρωτων αυτον οι οχλοι λεγοντες, Τι ουν ποιησωμεν; αποκριθεις δε ελεγεν αυτοις, Ο εχων δυο χιτωνας μεταδοτω τω μη εχοντι, και ο εχων βρωματα ομοιως ποιειτω.

 

10-11 En de menigten gingen hem om raad vragen, zeggend: Wat moeten wij dan doen? In antwoord daarop placht hij tot hen te zeggen: Laat hij die twee onderklederen heeft, delen met hem die er geen heeft, en laat hij die voedsel heeft, desgelijks doen.

 

Naar aanleiding van Johannes’ onheilspellende waarschuwing dat de bijl reeds aan de wortel der bomen ligt, voelen de menigten zich gedrongen bij hem te informeren wat hen dan wel te doen staat. Samengevat luidt Johannes’ antwoord: Beoefent de naastenliefde!

Dus, heb je overvloed, deel dan met hen die gebrek hebben. Hij vraagt niet al wat men bezit weg te geven. Nee, alleen het overtollige, en dat aan degenen die niet beschikken over wat echt nodig is.

 

ηλθον δε και τελωναι βαπτισθηναι και ειπαν προς αυτον, Διδασκαλε, τι ποιησωμεν; ο δε ειπεν προς αυτους, Μηδεν πλεον παρα το διατεταγμενον υμιν πρασσετε. επηρωτων δε αυτον και στρατευομενοι λεγοντες, Τι ποιησωμεν και ημεις; και ειπεν αυτοις, Μηδενα διασεισητε μηδε συκοφαντησητε, και αρκεισθε τοις οψωνιοις υμων.

 

12-14 Nu kwamen er ook tollenaars om gedoopt te worden en zij zeiden tot hem: Leraar, wat moeten wij doen? Hij nu zei tot hen: Vordert niets meer naast wat voor jullie is vastgesteld. Ook soldaten kwamen hem om raad vragen, zeggend: En wij, wat moeten wij doen? En hij zei tot hen: Doet niemand overlast aan en dient ook geen valse aanklachten in, en weest tevreden met je soldij.

 

Zij die de belastingen inden, en ook soldaten, stonden - in hun openbare functies - vooral bloot aan onregelmatigheden, en zelfs zonden, jegens het volk. Hoewel zij bij het volk als zedelijk minderwaardig golden, beveelt Johannes hen niet hun beroep of functie op te geven, maar de daarmee gepaard gaande misbruiken te vermijden. Vergelijk Lk 5:27-32.

 

Dus geen corruptie, zoals veel voorkwam bij hen die de inning van de belasting- en tolgelden voor veel geld hadden gepacht. Hun winst bestond daarin dat het geëinde belastinggeld meer was dan de pachtsom. Dat zij door het volk veracht werden, had niet alleen te maken met het feit dat zij voor de Heidense bezetter werkten, maar ook dat zij vaak meer eisten dan het gestelde tarief.

Vergelijk Lk 19:1-10.

 

Het is mogelijk dat van de hier bedoelde soldaten, of beter zij die krijgsdienst doen [weergave van στρατευομενοι, een vorm van een werkwoord dat de betekenis heeft van krijgsdienst verrichten], sommige als politieagenten optraden, bijvoorbeeld om de openbare dienst der belastinginners soepel te laten verlopen.

Als de kennelijke huurlingen van Pilatus - gerekruteerd uit de omringende Heidense volken - was hun eerste verantwoordelijkheid toch vooral gelegen in het handhaven van de openbare orde. Maar daarbij traden zij dikwijls ruw en zelfs wreed op. En ook zij waren gewoonlijk corrupt. Het door Lukas gebruikte werkwoord συκοφαντεω kan zelfs duiden op afpersing, vooral van de rijken, door chantage.

 

De manier waarop dezen hun vraag tot Johannes richten, schijnt een bescheiden terughoudendheid te impliceren: Wij weten dat jullie, Joden, ons vijandig gezind zijn, maar is er iets wat ook wij kunnen doen, gezien Gods komende gramschap?

Kennelijk rekenden zij niet op een gunstig antwoord; doch Johannes volstaat er mee hen aan hun beroepsplichten te herinneren, humaniteit te betonen, corruptie uit de weg te gaan en tevreden zijn met de betaling van hun soldij, in welke vorm ook.

 

Wat in al Johannes’ adviezen opvalt, is dat zelfs hij, die zo geheel buiten het dagelijks leven van het merendeel der mensen lijkt te staan, de bestaande sociale verhoudingen in geen enkel opzicht aantast. Het enige waarop hij aandringt, is God in acht te nemen door de naaste te respecteren. Ja, hem lief te hebben als zichzelf, zoals ook Jezus zou propageren (Mr 12:28-31).

 

Προσδοκωντος δε του λαου και διαλογιζομενων παντων εν ταις καρδιαις αυτων περι του Ιωαννου, μηποτε αυτος ειη ο Χριστος, απεκρινατο λεγων πασιν ο Ιωαννης, Εγω μεν υδατι βαπτιζω υμας· ερχεται δε ο ισχυροτερος μου, ου ουκ ειμι ικανος λυσαι τον ιμαντα των υποδηματων αυτου· αυτος υμας βαπτισει εν πνευματι αγιω και πυρι· ου το πτυον εν τη χειρι αυτου διακαθαραι την αλωνα αυτου και συναγαγειν τον σιτον εις την αποθηκην αυτου, το δε αχυρον κατακαυσει πυρι ασβεστω.

 

15-17 Terwijl nu het volk vol verwachting was en allen zich in hun harten afvroegen aangaande Johannes, of hijzelf wellicht de Messias was, zei Johannes tot allen ten antwoord: Ik doop jullie wel met water, maar hij die komt is sterker dan ik; ik ben [zelfs] niet geschikt de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal jullie dopen in heilige geest en vuur; zijn wanschop is in zijn hand om zijn dorsvloer door-en-door te reinigen en de tarwe in zijn schuur bijeen te brengen, maar het kaf zal hij verbranden met onuitblusbaar vuur.

 

Johannes krachtige prediking betreffende de Messias, het koninkrijk Gods en een komend oordeel, beroerde het volk diep. Te meer omdat er in die tijd een sterke verwachting onder het volk leefde dat de verlossing, in de vorm van herstel, voor Israël aanstaande was.

Die verwachting werd blijkbaar mede ingegeven door Daniëls profetie over de Jaarweken. Tot op de komst van de Messias - in de zin van Zc 9:9, hun triomferende koning Jeruzalem binnenrijdend op een ezel - zouden immers 69 weken van jaren verstrijken (Dn 9:24-27). Was daarom Johannes zelf niet misschien de Messias?

Uit Jh 1:19-27 vernemen wij dat die sfeer van gespannen verwachting zelfs de religieuze leiders ertoe bracht uit hun midden priesters en Levieten naar Johannes te sturen om zekerheid te krijgen betreffende zijn identiteit. De Schriftgeleerden onder de Farizeeën wisten aan de hand van Jl 2:28-32, en soortgelijke profetische aankondigingen, heel goed dat er inderdaad een strafgericht moest komen op de grote en geduchte Dag van YHWH.

 

Johannes is er vlug bij om het volk duidelijk te maken dat hijzelf zeker niet de Messias is. Verre van dat! De tegenstelling tussen hem en die Vorst is immers veel te groot. "Ik ben zo gering in vergelijking met hem dat ik nog niet eens geschikt ben om de riem van zijn sandalen los te maken", zegt hij tot ontnuchtering van zijn toehoorders. Let wel, een werk dat door een Heidense slaaf voor diens meester werd verricht; een Joodse slaaf was daar nog te goed voor!

 

Johannes licht zijn taak nog eens toe: Hij was slechts gekomen om zijn broeders op de komst van de Messias voor te bereiden en hen als teken van hun inkeer in water onder te dompelen. Maar de Messias zelf zou veel grotere dingen doen als het op dopen aankomt.

Hij zou volgens zulke profetieën als Jl 2:28-29 en Js 32:1, 15, voorafgaande aan YHWHs grote Dag - en nadat hij het Messiaanse koningschap metterdaad was gaan bekleden - in heilige geest dopen. Op basis van het Nieuwe Verbond zou dan Gods geest uitgestort worden op alle (Joods) vlees. Maar ook zou hij in die periode de ontrouwen onder hen in vuur onderdompelen, dat wil zeggen hen aan de eeuwige ondergang prijsgeven.

 

In deze aankondiging van Johannes, zowel vertroostend als waarschuwend van aard, komt opnieuw de tweedeling tot uitdrukking die door de gehele Bijbel heen zo vaak aan de orde is wat betreft etnisch Israël: Een getrouwe minderheid (Rest of Overblijfsel) tegenover een halsstarrige, ongelovige, ongehoorzame meerderheid.

Zie voor een meer uitgebreide behandeling van dit thema:

 

De brief aan de Hebreeën - Welke Hebreeën? Geen werkelijk dilemma.

 

Hier brengt Johannes die tweedeling en het vurige strafgericht dat daarmee samenhangt, tot uitdrukking door de metafoor van de dorsvloer, eveneens een vaak terugkerend beeld in de Bijbel.

 

Bijvoorbeeld bij de begrafenis van de aartsvader Jakob.

De zeer grote en zware weeklacht welke toen werd gehouden bij de dorsvloer van Atad (Gn 50:10-11), was kennelijk typologisch voor de weergaloos Grote Verdrukking waar Israël nog door heen moet, wanneer haar toekomstige exodus uit de volken plaats vindt. En dat met de bedoeling om onder de Joden het koren definitief van het kaf te scheiden, zoals ook Ez 20:34-38 al heeft aangegeven: Zij die niet tot inkeer komen - door tot het einde toe de verkeerde ‘Messias’ (de Antichrist) aan te hangen - zullen ten onder gaan. Een getrouw Overblijfsel daarentegen, zal in de graanschuur van het koninkrijk bijeengebracht geworden. Mt 13:39-43.

 

Πολλα μεν ουν και ετερα παρακαλων ευηγγελιζετο τον λαον· ο δε Ηρωδης ο τετρααρχης, ελεγχομενος υπ αυτου περι Ηρωδιαδος της γυναικος του αδελφου αυτου και περι παντων ων εποιησεν πονηρων ο Ηρωδης, προσεθηκεν και τουτο επι πασιν [και] κατεκλεισεν τον Ιωαννην εν φυλακη.

 

18-20 Met nog vele andere vermaningen dan verkondigde hij het volk goede tijdingen. Maar toen Herodes, de viervorst, door hem werd terechtgewezen inzake Herodias, de vrouw van zijn broer, en betreffende alle goddeloze dingen die Herodes bedreef, voegde hij bij alles ook dit: Hij sloot Johannes op in de gevangenis.

 

Met deze passage sluit Lukas zijn verslag over Johannes af, waarbij hij tegelijkertijd te kennen geeft dat hij

a. slechts een uittreksel gaf van diens prediking, en

b. zijn gevangenzetting beschouwt als het einde van Johannes' openbare leven.

Zijn doop van Jezus, welke hierna door Lukas wordt verhaald, rekent de Evangelist kennelijk tot het openbaar optreden van Jezus. Vergelijk Mr 1:14.

Aan het uitvoerige verhaal van Markus over de dood van Johannes gaat hij in ieder geval geheel voorbij. Wél voegt hij een bijzonderheid toe betreffende Herodes die Markus niet heeft: Johannes had Herodes niet alleen terechtgewezen betreffende diens ongeoorloofde verhouding met zijn schoonzuster, de vrouw van zijn broer Filippus, maar ook betreffende zijn vele andere misdaden.

 

De Eliacarrière van Johannes eindigt op deze wijze even abrupt als die van de oorspronkelijke Elia, toen deze na de 3½ jaar van droogte voor zijn ziel moest vluchten vanwege de doodsbedreigingen door de moordzuchtige Izebel (1Kn 17:1; 19:1-4; Lk 4:25; Jk 5:17).

Beide situaties dienen kennelijk als achtergrond voor de wijze waarop de 3½-jarige carrière van de Eindtijd-Elia abrupt zal eindigen, namelijk wanneer het de Antichrist - in de figuur van de Kleine Horen - wordt toegestaan verder te gaan dan het bestoken van de heiligen gedurende 3½ tijd (Dn 7:25; 12:7).

 

Die laatste ‘Elia’ - die vooral de profetie van Maleachi zal vervullen (Ml 4:5-6) - wordt in Openbaring, hoofdstuk 11 – samen met ‘Mozes’ - zinnebeeldig voorgesteld door de Twee Getuigen die gedurende 1260 dagen, in zakkleding gehuld, zullen profeteren. Maar als die periode afloopt gebeurt het volgende:

 

Wanneer zij hun getuigenis hebben voltooid, zal het Beest dat uit de afgrond opstijgt oorlog met hen voeren, en het zal hen overwinnen en hen doden.

Op 11:7

 

Waarom is het Beest - weer een andere voorstelling van de Antichrist - zo vergramd op de Eindtijd-Elia? Om dezelfde reden als waarom Achab kwaad was op Elia, en Herodes op Johannes. Die goddeloze machthebbers werden door die woordvoerders van God op hun slechte daden gewezen en bijgevolg aan de kaak gesteld.

Evenzo zullen te zijner tijd de Twee Getuigen de mensen de waarheid vertellen over de listen en lagen van de Antichristelijke Eindtijdmacht en hen waarschuwen voor zijn leugenachtige en bedrieglijke propaganda.

Zie 1Kn 16:30-33; 17:1; 18:17-18; 21:17-26; 2Kn 18:19-35; 2Th 2:9-12.

 

En zoals Achab de moordlustige Izebel naast zich had (1Kn 18:13; 19:2; 21:5-10), en Herodes de bloeddorstige Herodias (Mr 6:24), zal in de Eindtijd Vrouwe Babylon de Antichrist ten dienste staan. Let wel: de Vrouw die dronken is van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus (Op 17:5-6).

 

2. Jezus’ doop; zijn geslachtslijst (3:21-38)

 

Εγενετο δε εν τω βαπτισθηναι απαντα τον λαον και Ιησου βαπτισθεντος και προσευχομενου ανεωχθηναι τον ουρανον και καταβηναι το πνευμα το αγιον σωματικω ειδει ως περιστεραν επ αυτον, και φωνην εξ ουρανου γενεσθαι, Συ ει ο υιος μου ο αγαπητος, εν σοι ευδοκησα.

 

21-22 Het geschiedde nu, terwijl al het volk werd gedoopt, dat - toen ook Jezus werd gedoopt en in gebed was - de hemel werd geopend en de heilige geest in lichamelijke gedaante als een duif op hem neerdaalde, en een stem uit de hemel klonk: Jij bent mijn Zoon, de Geliefde, in jou schepte ik behagen.

 

In de weergave van het Grieks, dat letterlijk luidt: In het worden gedoopt al het volk, moet tot uitdrukking komen dat Jezus’ doop plaats vond binnen het gebeuren van de doop van het volk in het algemeen.

Maar de zinsnede geeft ook te kennen dat Jezus’ doop ten opzichte van die van het volk, iets speciaals was. Jezus hoefde immers niet gedoopt te worden als teken van berouw tot vergeving van zonden.

In dit opzicht is Lukas geheel in overeenstemming met Mt 3:13-15 waar we Johannes bezwaar horen maken tegen Jezus’ bedoeling door hem gedoopt te willen worden: Ik moet door jou gedoopt worden, en jij komt tot mij?

 

Dat Jezus zich aanbood voor een doop die ogenschijnlijk gelijk stond aan de doop van die van het volk, zou tevens een vooruitwijzing kunnen zijn naar zijn bereidheid plaatsvervangend te willen sterven voor zondaars:

 

Omdat hij zijn ziel heeft uitgestort in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch van velen de zonde droeg en voor de overtreders bemiddelde.

 

Zoals ook Paulus schreef:

 

Degene die geen zonde kende, heeft hij voor ons tot zonde gemaakt.

 

Js 53:12. Zie ook 2Ko 5:14-15, 21.

 

Dat de hemel werd geopend en in samenhang daarmee de heilige geest op Jezus neerdaalde, betekende voor hem kennelijk dat hij kon terugzien op zijn voormenselijk bestaan dat hij als een geestenzoon bij zijn Vader in de hemel had geleid. Ook kon hij zich daardoor alle dingen te binnen brengen die tussen hem en zijn Vader in de hemel waren besproken. Vergelijk Jh 10:17-18.

 

Vandaar ook dat de Vader in de tijdloze aorist spreekt als hij zich tot zijn Geliefde richt met de woorden: Jij bent mijn Zoon, de Geliefde, in jou schepte ik behagen.

Maar ook nu zijn Zoon op aarde is, schept de Vader behagen in hem. Het is hem welgevallig dat Jezus zich nu als symbool van zijn doop aanbiedt om volledig de taak te vervullen die God op aarde voor hem beoogde.

In Hebreeën 10 wordt dat eeuwige voornemen aldus verwoord:

 

Daarom zegt hij bij zijn entree in de wereld: Slachtoffer en offer hebt Gij niet gewild, maar Gij bereidde mij een lichaam…Zie, ik ben gekomen om uw wil te doen, o God…In die wil zijn wij geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus de Messias, eens voor altijd

(Hb 10:5-10).

 

In ons commentaar bij Lk 1:54-55 hebben wij toegelicht dat Gods Zoon als het zaad van Abraham een tijdlang als mens hier op aarde moest leven, opdat hij als de volmaakte tegenhanger van Adam het vereiste offer zou kunnen verschaffen voor de loskoop der zondige mensheid. Op basis daarvan zou God gedurende het gehele Messiaanse tijdperk barmhartigheid kunnen betonen aan berouwvolle zondaars.

Maar ook dat God zijn Zoon weer naar de hemel zou terugroepen, zodat deze

 

a. in de hoedanigheid van de ware Hogepriester de waarde van zijn slachtoffer in het hemelse Allerheiligste aan God zou kunnen aanbieden, en

b. op de daarvoor bestemde tijd de Slang in de kop kon vermorzelen.

 

Vergelijk Ps 110:4; Hb 7:11-8:6; 9:24 en Gn 3:15; Hb 2:14.

 

Nu Jezus zich in zijn doop vastbesloten toont de voor hem bestemde loopbaan tot in de dood te volgen, is hij derhalve ook op de weg terug naar zijn Vader.

Als resultaat van de neerdaling van de heilige geest op hem, is hij immers in een nieuwe verhouding tot zijn Vader gekomen. Hij is niet alleen diens aardse Zoon in het vlees, maar hij is nu ook verwekt tot een geestelijke Zoon, door God gezalfd, zoals hij kort hierna in de synagoge van Nazareth aan de hand van Jesaja 61:1 zal uitleggen (Lk 4:16-21).

 

De leden van de Gemeente ervaren iets dergelijks bij hun roeping en zalving met geest. Daardoor worden ook zij tot Gods geestelijke zonen verwekt, op weg naar de hemel om te zijner tijd als Jezus’ Onderpriesters te dienen, tot zegen van de mensheid in het Millennium. Hun zalving met heilige geest is van Godswege een onderpand voor die bestemming.

Rm 8:14, 19; 2Ko 1:21-22; 5:5; Gl 4:6; Ef 1:13-14; Fp 3:20-21; Op 4:4.

 

Meer dan bij de andere synoptici het geval is, maakt Lukas melding van de heilige geest en de verschillende manieren waarop die van God uitgaande kracht mensen beïnvloedt. Zowel in zijn Evangelie als in de Handelingen laat hij uitkomen dat in het Messiaanse tijdperk de heilige geest Gods instrument bij uitstek is. Zoals eerder opgemerkt, is bij Lukas de invloed van de hemel altijd zeer nabij. Zie het commentaar bij Lk 1:8-11.

 

Και αυτος ην Ιησους αρχομενος ωσει ετων τριακοντα, ων υιος, ως ενομιζετο, Ιωσηφ του Ηλι του Μαθθατ του Λευι του Μελχι του Ιανναι του Ιωσηφ του Ματταθιου του Αμως του Ναουμ του Εσλι του Ναγγαι του Μααθ του Ματταθιου του Σεμειν του Ιωσηχ του Ιωδα του Ιωαναν του Ρησα του Ζοροβαβελ του Σαλαθιηλ του Νηρι του Μελχι του Αδδι του Κωσαμ του Ελμαδαμ του Ερ του Ιησου του Ελιεζερ του Ιωριμ του Μαθθατ του Λευι του Συμεων του Ιουδα του Ιωσηφ του Ιωναμ του Ελιακιμ του Μελεα του Μεννα του Ματταθα του Ναθαμ του Δαυιδ του Ιεσσαι του Ιωβηδ του Βοος του Σαλα του Ναασσων του Αμιναδαβ του Αδμιν του Αρνι του Εσρωμ του Φαρες του Ιουδα του Ιακωβ του Ισαακ του Αβρααμ του Θαρα του Ναχωρ του Σερουχ του Ραγαυ του Φαλεκ του Εβερ του Σαλα του Καιναμ του Αρφαξαδ του Σημ του Νωε του Λαμεχ του Μαθουσαλα του Ενωχ του Ιαρετ του Μαλελεηλ του Καιναμ του Ενως του Σηθ του Αδαμ του Θεου.

 

23-38 En hij, Jezus, was, toen hij begon, ongeveer dertig jaar, naar men meende een zoon van Jozef, [de zoon] van Eli, van Matthat, van Levi, van Melchi, van Jannai, van Jozef, van Mattathias, van Amos, van Nahum, van Esli, van Naggai, van Maäth, van Mattathias, van Semeïn, van Josech, van Joda, van Joanan, van Resa, van Zerubbabel, van Sealthiël, van Neri, van Melchi, van Addi, van Kosam, van Elmadan, van Er, van Jezus, van Eliëzer, van Jorim, van Matthat, van Levi, van Simeon, van Juda, van Jozef, van Jonam, van Eljakim, van Melea, van Menna, van Mattatha, van Nathan, van David, van Isaï, van Obed, van Boaz, van Salmon, van Nahesson, van Amminadab, van Admin, van Arni, van Hezron, van Perez, van Juda, van Jakob, van Isaäk, van Abraham, van Terah, van Nahor, van Serug, van Rehu, van Peleg, van Heber, van Selah, van Kainan, van Arpachsad, van Sem, van Noach, van Lamech, van Methusalah, van Henoch, van Jered, van Mahalaleël, van Kainan, van Enos, van Seth, van Adam, van God.

 

Met de frase Toen hij begon, geeft Lukas het begin van Jezus’ openbare optreden aan. Dat zijn leeftijd toen ongeveer [ωσει; als het ware; bij getallen: ongeveer; nagenoeg] 30 jaar bedroeg, is zeker niet vreemd. Het is de leeftijd waarop de priesters en hun helpers, de Levieten, hun dienst bij de Tabernakel aanvingen.

Zie: Nm 4:1-3; 1Kr 23:3.

Bovendien correspondeert die leeftijd, niet toevallig, met de leeftijd waarop Jozef en David - beiden typen van de Messias - in het openbaar op de voorgrond begonnen te treden.

Jozef werd door de Farao als machthebber aangesteld over heel het land Egypte; en David werd tot koning over heel Israël gezalfd (Gn 41:39-46; 2Sm 5:3-5).

 

Gezien het universele karakter van Lukas’ Evangelie, is het weer niet toevallig dat hij de genealogie van Jezus helemaal terugvoert tot op Adam, de zoon van God. Want Jezus is niet alleen de Messias van Israël [vandaar dat Mattheus zijn stamboom terugvoert via David naar Abraham], maar ook de Redder der wereld. Vergelijk Lk 1:29-32; Jh 3:17; 4:42; 1Jh 4:14.

 

In vers 38 bevestigt Lukas dat de eerste Adam de zoon van God was. Als mens op aarde was Jezus precies zo: De zoon van God. Daarom is hij de laatste Adam (1Ko 15:45).

 

Omdat de laatste Adam nagenoeg 30 jaar oud was toen zijn openbaar optreden een aanvang nam, is het niet onwaarschijnlijk dat ook dit aspect bij de eerste Adam vandaan komt. Na gedurende 30 jaar er op voorbereid te zijn geweest, ondermeer doordat hij de ‘wereld’ om zich heen leerde kennen en benoemen, gaf YHWH God hem een partner, met de opdracht:

 

Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: Heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.

Gn 1:28; NBV

 

Mocht onze veronderstelling juist zijn, dan heeft deze gebeurtenis plaatsgevonden in het jaar 30 AM. In dat jaar moet dan de Zevende ‘dag’, de Rustdag, een aanvang hebben genomen. Zie Gn 2:1-3 en Hb 4:3-4.

Adam en zijn vrouw zullen ongetwijfeld hun opdracht ernstig hebben opgevat, verlangend er uitvoering aan te geven. Toch blijkt uit Gn 4:1 dat er eerst na de zondeval van geslachtsgemeenschap sprake is. Dat zou er op wijzen dat zij maar een korte tijd samen in de Hof van Eden hebben geleefd, en dat nog in hetzelfde jaar de 6000 jaar van ‘zwoegen’ onder Satans tirannie begon. Dat is een zware periode voor de mensheid gebleken, maar die gelukkig in het jaar 6030 AM gevolgd zal worden door de Millenniumsabbat, de laatste periode van 1000 jaar binnen Gods grote Rustdag. Van die Sabbat van rust en bevrijding zal de Messias de Heer zijn (Mr 2:27-28; Lk 6:5).

 

Aangezien Jezus’ genealogie bij Lukas in direct verband staat met Jezus’ doop, wordt daarmee benadrukt wat die doop inhield: Jezus' bereidheid om plaatsvervangend voor de mensheid te sterven en als equivalent van Adam in het αντιλυτρον te voorzien, d.i. het offer van zijn eigen leven dat in waarde geheel overeenkwam met het leven dat de mensheid in Adam is kwijtgeraakt. Aldus heeft Jezus voor het leven der wereld een overeenkomende losprijs betaald, en verkeert de mensheid in principe in een losgekochte situatie.

Zie 1Tm 2:5-6.

 

Lukas 4

 

3. De verzoeking in de wildernis (4:1-13)

 

Ιησους δε πληρης πνευματος αγιου υπεστρεψεν απο του Ιορδανου, και ηγετο εν τω πνευματι εν τη ερημω ημερας τεσσερακοντα πειραζομενος υπο του διαβολου. και ουκ εφαγεν ουδεν εν ταις ημεραις εκειναις,, και συντελεσθεισων αυτων επεινασεν.

 

1-2 Jezus nu, vol van heilige geest, keerde terug van de Jordaan en hij werd door de geest in de wildernis geleid gedurende veertig dagen, terwijl hij verzocht werd door de Duivel. En hij at helemaal niets in die dagen, en toen zij volledig ten einde waren gekomen had hij honger.

 

Het feit dat Gods geest Jezus gedurende een periode van veertig dagen in de wildernis rondleidde - het werkwoord voeren of leiden staat in het imperfectum, wat op een voortgaand gebeuren duidt - herinnert ons aan enkele verwante Bijbelpassages in het OT, t.w.:

 

• Israël als volk verbleef na de Exodus gedurende 40 jaar in de wildernis (Nm 14:34).

In die periode werden zij op wonderbaarlijke wijze gevoed met het brood uit de hemel (Jh 6:31-32). Zie Dt 8:2-3, een Schriftdeel waarnaar ook Jezus bij de eerste verzoeking zal verwijzen, wat er op duidt dat Jezus zich met die situatie van zijn volk identificeerde:

a. Hij is het ware Zelf van Israël.

b. Zoals Jezus Gods Zoon was, wordt ook Israël als volk door God mijn zoon genoemd (Ex 4:22-23; Hs 11:1; Mt 2:15).

 

• Mozes verbleef veertig dagen en veertig nachten bij YHWH op de top van de berg Sinaï toen hij voor de tweede maal de twee tafelen der Getuigenis ontving.

Tijdens die 40 dagen en nachten at hij geen brood en dronk hij geen water.

Bij die gelegenheid kreeg Mozes Gods heerlijkheid te zien en YHWH deed toen de volgende bijzondere profetische aankondiging:

 

Hij sprak: Zie, Ik sluit een Verbond met u. Ten aanschouwen van heel uw volk zal Ik wonderdaden verrichten, zoals er nog nooit op de ganse aarde en onder enig volk zijn gewrocht; en heel het volk, waaronder gij leeft, zal het werk van YHWH zien. Ja, ontzaglijk zal het zijn, wat Ik voor u ga verrichten!

Ex 34:1-10, 28-29.

 

Jezus’ ervaring in de wildernis toont ook met die situatie overeenkomst, want Mattheüs verhaalt dat hij na veertig dagen en veertig nachten van vasten tenslotte honger kreeg (Mt 4:2). Bovendien is hij de tegenbeeldige, grotere Mozes in wie de woorden van Ex 34:10 vooral hun vervulling krijgen.

Zoals in de Openbaring van Jezus Messias wordt getoond zal God in de Dag van de Heer [εν τη κυριακη ημερα; Op 1:10], in relatie met zijn volk Israël, wonderdaden verrichten die de indrukwekkende wonderen welke hij tot op de tijd van Ex 34:10 voor Israël had gedaan, verre zullen overtreffen.

 

• Toen Elia voor Izebel moest vluchten om zijn ziel van een wisse dood te redden, ging hij in de kracht [van bovennatuurlijk verschaft voedsel] veertig dagen en veertig nachten voort, tot aan de berg van God, de Horeb [een top in het Sinaï-gebergte]. Aldaar beleefde ook hij een buitengewone demonstratie van YHWHs macht (1Kn 19:1-18; Ml 4:4-6).

Evenzo ontving Jezus op grond van zijn intensieve verhouding met zijn Vader de kracht om gedurende een zelfde periode te vasten. Hij leefde vooral van al wat uit YHWHs mond komt (Dt 8:3). Of zoals hij enige tijd daarna tot zijn leerlingen zei: Ik heb voedsel te eten dat gij niet kent…Mijn voedsel is dat ik de wil doe van hem die mij heeft gezonden en zijn werk voleindig (Jh 4:31-34)

 

In de wildernis werd Israël 40 jaar lang op de proef gesteld. In de zelfde omgeving ontvangt de Duivel de gelegenheid om Jezus te verzoeken. Waarom?

Het antwoord op die vraag moeten we kennelijk nog steeds zoeken in de betekenis van Jezus’ doop en de overeenkomst tussen de eerste en de laatste Adam.

Met zijn doop gaf Jezus te kennen dat hij gehoor wilde geven aan zijn Messiaanse roeping welke ondermeer inhoudt dat hij het doodaanbrengende rijk van de Duivel zal vernietigen en daarvoor in de plaats zijn eigen Messiaanse rijk vestigt, waarin degenen die het aanhangen het leven kunnen terugontvangen.

 

Vanzelfsprekend roept dat Satans vijandschap op. Toen YHWH het oordeel over Adam uitsprak kondigde hij al die vijandschap aan: Tussen de Slang [Satan] en het Zaad van de Vrouw - de Messias van Israël - zou het oorlog worden. Daarmee werd de vraag opgeworpen hoe het Zaad, de laatste Adam, zich onder die beslissende confrontatie zou houden. Want over de eerste Adam werd daar in Eden niet voor niets het doodsoordeel uitgesproken. Hij was onder beproeving bezweken; de Slang, Satan, had over hem getriomfeerd.

 

Uit ons tekstgedeelte kunnen wij afleiden dat Jezus gedurende de hele periode van 40 dagen door de Duivel werd geattaqueerd, maar wat volgde bij de afloop van die periode zouden we een beslissende aanval kunnen noemen:

 

Ειπεν δε αυτω ο διαβολος, Ει υιος ει του θεου, ειπε τω λιθω τουτω ινα γενηται αρτος. και απεκριθη προς αυτον ο Ιησους, Γεγραπται οτι Ουκ επ αρτω μονω ζησεται ο ανθρωπος.

 

3-4 De Duivel nu zei tot hem: Indien je een zoon van God bent, zeg tot deze steen dat hij brood wordt. En Jezus antwoordde hem: Er staat geschreven: Niet bij brood alleen zal de mens leven.

 

In Eden was de eerste Adam bezweken: Hij at van de boom waarvan God uitdrukkelijk had gezegd dat daarvan niet gegeten mocht worden. Eva was dienaangaande door Adam zo goed geïnformeerd dat ze er nog aan toe kon voegen: Wij mogen die boom zelfs niet aanraken, opdat we niet sterven (Gn 3:2-3).

 

Maar waar de eerste Adam bezweek in ongehoorzaamheid zodat de Duivel er in slaagde zijn verhouding met God te verbreken, hield de laatste Adam stand. Jezus zag goed in waar de Duivel op uit was: In dezelfde strik vallen als de Exodusgeneratie. Dat geslacht ontbrak het namelijk aan geloof dat YHWH volledig in staat was hen te voeden met alles wat zijn onweerstaanbaar machtig woord voor hen kon voortbrengen. Door Dt 8:3 te citeren betuigde Jezus daarentegen zijn onwankelbaar vertrouwen in Gods Voorzienigheid. Hij verviel niet in de zonde de macht die hem voor de uitoefening van zijn Messiaanse taak was verleend, zelfzuchtig voor persoonlijk gerief aan te wenden.

 

Και αναγαγων αυτον εδειξεν αυτω πασας τας βασιλειας της οικουμενης εν στιγμη χρονου· και ειπεν αυτω ο διαβολος, Σοι δωσω την εξουσιαν ταυτην απασαν και την δοξαν αυτων, οτι εμοι παραδεδοται και ω εαν θελω διδωμι αυτην· συ ουν εαν προσκυνησης ενωπιον εμου, εσται σου πασα. και αποκριθεις ο Ιησους ειπεν αυτω, Γεγραπται,

Κυριον τον θεον σου προσκυνησεις

και αυτω μονω λατρευσεις.

Ηγαγεν δε αυτον εις Ιερουσαλημ και εστησεν επι το πτερυγιον του ιερου, και ειπεν αυτω, Ει υιος ει του θεου, βαλε σεαυτον εντευθεν κατω· γεγραπται γαρ οτι

Τοις αγγελοις αυτου εντελειται περι σου

του διαφυλαξαι σε,

και οτι

Επι χειρων αρουσιν σε

μηποτε προσκοψης προς λιθον τον ποδα σου.

και αποκριθεις ειπεν αυτω ο Ιησους οτι Ειρηται,

Ουκ εκπειρασεις κυριον τον θεον σου.

Και συντελεσας παντα πειρασμον ο διαβολος απεστη απ αυτου αχρι καιρου.

 

5-13 En nadat hij hem opwaarts had gevoerd, toonde hij hem in een ogenblik tijds alle koninkrijken der bewoonde wereld. En de Duivel zei tot hem: Aan jou zal ik al deze macht en de heerlijkheid ervan geven, want aan mij is ze overgegeven en aan wie ik ook wil, geef ik ze. Jij dan, indien je voor mijn aangezicht een daad van aanbidding verricht, zal alles van jou zijn. En in antwoord zei Jezus tot hem: Er staat geschreven:

De Heer, uw God, moet gij aanbidden en hem alleen dienstbaar zijn.

Hij nu voerde hem naar Jeruzalem en deed hem op de vooruitspringende rand van de tempel staan en hij zei tot hem: Indien je een zoon van God bent, werp jezelf van hier naar beneden; want er staat geschreven:

Aan zijn engelen zal hij bevel geven aangaande jou om je te behoeden, en

Zij zullen je op handen dragen, opdat je nimmer je voet aan een steen stoot.

En in antwoord zei Jezus tot hem: Er is gezegd:

Je zult de Heer, je God, niet beproeven.

En nadat de Duivel alle verzoeking geheel voltooid had, verwijderde hij zich van hem tot gelegener tijd.

 

Bij Mattheus is de tweede verzoeking de derde (laatste), waarbij hij in onderscheid met Lukas vermeldt dat de Duivel Jezus meenam naar een zeer hoge berg (Mt 4:8). Wie de juiste volgorde heeft kan niet met zekerheid vastgesteld worden. Het verschil zelf heeft klaarblijkelijk te maken met de respectieve visies der Evangelisten.

Het Evangelie van Mattheüs heeft als centraal punt het koninkrijk Gods, zoals dat Rijk bij Daniël wordt voorgesteld: Een ‘Steen’ die op Gods bestemde tijd - na alle vijandige, politieke rijken op een verwoestende wijze te hebben getroffen - zelf uitgroeit tot een hoge berg die de hele aarde zal vullen:

 

Terwijl u bleef toezien werd, niet door mensenhanden, een Steen uitgehouwen, en die trof het beeld aan zijn voeten van ijzer en leem en verbrijzelde die. Terstond werden het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud alle tegelijkertijd verbrijzeld en zij werden als het kaf op een zomerdorsvloer, en de wind voerde ze weg zodat er geen spoor van teruggevonden werd. Maar de Steen die het beeld getroffen had werd tot een grote berg en vulde de gehele aarde (Dn 2:34-35)

 

Bij Mattheus ligt bijgevolg alle nadruk op Jezus’ koningschap en de uitoefening daarvan. De zogeheten Bergrede neemt een aanzienlijk deel van zijn Evangelie in beslag, en op de berg der transfiguratie zien drie van zijn leerlingen bij voorbaat de Mensenzoon in zijn koninkrijk komen (Mt 16:28).

Het is dan ook niet toevallig dat Mattheüs spreekt over een ongewoon hoge berg, waar de Duivel, in een flits, bij Jezus een beeld oproept van alle politieke rijken met hun ‘heerlijkheid’.

 

Misschien heeft die gebeurtenis plaatsgevonden op de berg Nebo, waar YHWH aan Mozes, vlak voor diens dood, het hele land toonde: Gilead tot aan Dan, en heel Naftali; en het land van Efraïm en Manasse, en heel het land van Juda tot aan de Westelijke Zee; en de Negev en het District, de valleivlakte van Jericho, de Palmenstad, tot aan Zoar (Dt 34:1-5).

 

Maar aan het einde van het Mattheüs’ Evangelie horen we Jezus - nadat hij in gehoorzaamheid aan zijn Vader de weg van het lijden is gegaan - op een berg in Galilea tot zijn leerlingen zeggen: Alle macht in hemel en op aarde is mij gegeven. Gaat dus op weg en maak alle natiën tot mijn leerlingen (Mt 28:18-19). Wat een groots contrast met de magere aanbieding van Satan die hem een gemakkelijke weg naar het bezit van wereldmacht voorspiegelde!

 

Bij Lukas echter vergadert Jezus na zijn opstanding de leerlingen in Jeruzalem. Dáár ook verschijnt hij aan hen en ontvangen zij instructies om vanuit Jeruzalem in alle natiën berouw tot vergeving van zonden te prediken.

Bijgevolg komt bij Lukas de climax van de verzoekingen niet in de wildernis, maar in die heilige Stad, de plaats waar zich het Heiligdom bevindt. En ook daar weerstaat hij succesvol de Duivel die hem tracht te verleiden om een demonstratie weg te geven van de positie die hij bij God inneemt. Hoe? Door op een opzichtige manier - zichzelf naar beneden werpen - bijval te werven voor zijn Messiaanse waardigheid.

In plaats daarvan toonde Jezus tijdens zijn 3½-jarige bediening voortdurend wat Jeruzalem als stad werkelijk voor hem betekende: De bijzondere plaats waar hij getrouw de periodieke feesten bijwoonde en waarheen hij tenslotte definitief optrok om er plaatsvervangend voor de mensheid te sterven. Verreweg het grootste deel van zijn Evangelie heeft Lukas benut om die laatste tocht daarheen te beschrijven.

 

De drie verzoekingen waren er alle op gericht om Jezus te verlokken niet langer te steunen op de afhankelijkheid van zijn hemelse Vader, maar een eigen weg te gaan door zichzelf te behagen. Maar Jezus weigerde de weg te gaan van de eerste Adam; noch herhaalde hij de zonde van Israël, zijn volk, door God in de wildernis op de proef te stellen.

De Israëlieten vroegen zich op een kritiek ogenblik af of YHWH nog wel met hen was. Jezus daarentegen, gaf zichzelf eenvoudig aan God over om diens wil te volbrengen (Ex 17:7; Dt 6:13, 16).

 

Nadat de Duivel er niet in was geslaagd Jezus te doen twijfelen aan:

 

- Gods liefde [zorg zelf voor brood want God vergeet je!];

- de zekerheid van zijn hoop [je hoeft niet te sterven; neem de macht over de wereld van mij aan]; zie Hb 12:2 > die wegens de voor hem in het verschiet liggende vreugde een martelpaal verduurde, schande verachtend, en plaats heeft genomen aan de rechterzijde van de troon Gods.

- Gods getrouwheid in het houden van zijn beloften [gehoor geven aan de verzekering van Psalm 91 is niet meer dan een gok],

 

verliet hij hem; althans voorlopig. Hij bleef tot het einde toe naar nieuwe gelegenheden uitzien om een wig te drijven tussen de Vader en diens Zoon.

 

Mattheüs vermeldt dat de Duivel hem (voorlopig) met rust liet en vervolgt dan met de woorden: En zie: engelen kwamen tot hem en dienden hem.

YHWH God bekommerde zich dus wel degelijk om zijn Zoon!

Het feit dat bij Lukas die toevoeging ontbreekt, heeft het effect dat Jezus’ persoonlijke overwinning over de Duivel des te sterker uitkomt.

 

C. Jezus’ prediking in Galilea (4:14 – 9:50)

 

1. Te Nazareth en te Kapernaüm (4:14-44)

 

a. Begin der prediking; bezoek aan Nazareth (4:14-30)

 

Και υπεστρεψεν ο Ιησους εν τη δυναμει του πνευματος εις την Γαλιλαιαν. και φημη εξηλθεν καθ ολης της περιχωρου περι αυτου. και αυτος εδιδασκεν εν ταις συναγωγαις αυτων, δοξαζομενος υπο παντων.

 

14-15 En in de kracht van de geest keerde Jezus terug naar Galilea, en een roep over hem ging uit in de hele omtrek; en hij gaf onderwijs in hun synagogen, terwijl hij door allen werd geëerd.

 

Hoewel er intussen zeker driekwart jaar was verstreken sinds zijn doop, plaatst Lukas Jezus’ gehele werkzaamheid in Galilea nog steeds onder de invloed van de heilige geest welke bij die gelegenheid op hem was gekomen. Daarmee laat de Evangelist uitkomen dat Jezus’ bediening in alle opzichten beantwoordde aan de voorzeggingen over hem door de profeet Jesaja. Tegelijkertijd bereidt hij daarmee het verslag over Jezus’ bezoek aan Nazareth voor.

Vergelijk Js 11:2; 42:1 en 61:1.

 

Trouwens het feit dat Jezus’ faam in dat gebied inmiddels was gevestigd en hij de gunst van het gewone volk genoot, veronderstelt eveneens dat hij zijn onderwijs in de synagogen kracht bijzette door het verrichten van wonderen.

Eén van die wonderen uit die periode is door Johannes beschreven in Jh 4:46-54, t.w. de genezing van de zoon van een zeker dienaar van de koning te Kapernaüm. Vanuit Kana genas Jezus die jongen ‘op afstand’.

 

Και ηλθεν εις Ναζαρα, ου ην τεθραμμενος, και εισηλθεν κατα το ειωθος αυτω εν τη ημερα των σαββατων εις την συναγωγην, και ανεστη αναγνωναι.

 

16 En hij kwam te Nazareth waar hij was grootgebracht. En hij ging volgens de gewoonte voor hem op de dag van de sabbat de synagoge binnen en stond op om de voorlezing te houden.

 

Uit een vergelijking met Mattheüs kan worden afgeleid dat Jezus tijdens zijn bediening in Galilea Nazareth tweemaal heeft bezocht, en dat hij bij beide gelegenheden optrad in de plaatselijke synagoge. Blijkbaar heeft Lukas een en ander in één enkel verhaal samengebracht, hetgeen trouwens ook door vers 22 wordt gesuggereerd.

Het eerste bezoek, waarbij Jezus betrekkelijk gunstig werd ontvangen, wordt door Lukas verhaald in 4:16-22. Mattheüs vermeldt het min of meer terloops in Mt 4:12-13, alsof Jezus eerst langs ging bij zijn familie, voordat hij echt actief werd in Galilea:

 

Toen hij nu had gehoord dat Johannes was overgeleverd, trok hij zich terug in Galilea. En nadat hij Nazareth had verlaten kwam hij naar Kapernaüm dat aan de zee ligt, en vestigde zich daar.

 

Het tweede bezoek, dat gekenmerkt werd door extreme vijandigheid en door Lukas verhaald wordt in 4:23-30, vond veel later plaats, en wel nadat hij in Kapernaüm de serie parabels van Mt 13 had uitgesproken:

 

En het gebeurde toen Jezus deze gelijkenissen had beëindigd, dat hij vandaar vertrok. En hij kwam in zijn vaderstad en leerde hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden en zeiden: Waar heeft deze die wijsheid en die krachten vandaan? Is deze niet de Zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broers Jakobus, Jozef, Simon en Judas? En zijn zijn zusters niet allemaal bij ons? Waar heeft deze dan dit alles vandaan? En zij namen aanstoot aan hem. Jezus echter zei tot hen: Een profeet is niet ongeëerd behalve in zijn vaderstad en in zijn huis. En hij deed daar niet veel krachten vanwege hun ongeloof.

(Mt 13:53-58)

 

και επεδοθη αυτω βιβλιον του προφητου Ησαιου, και αναπτυξας το βιβλιον ευρεν τον τοπον ου ην γεγραμμενον,

Πνευμα κυριου επ εμε,

ου εινεκεν εχρισεν με ευαγγελισασθαι πτωχοις,

απεσταλκεν με κηρυξαι αιχμαλωτοις αφεσιν

και τυφλοις αναβλεψιν,

αποστειλαι τεθραυσμενους εν αφεσει,

κηρυξαι ενιαυτον κυριου δεκτον.

 

17-19 En hem werd de boekrol van de profeet Jesaja aangereikt; en toen hij de boekrol had ontrold, vond hij de plaats waar geschreven was:

Geest van de Heer [is] op mij,

omdat hij mij heeft gezalfd om aan armen goede tijdingen te verkondigen;

hij heeft mij uitgezonden om voor gevangenen vrijlating uit te roepen

en voor blinden herstel van gezicht;

om verbrijzelden heen te zenden in vrijheid;

om uit te roepen het aangename jaar van de Heer.

 

Met het citaat uit Jesaja 61 laat Jezus aan zijn gehoor in de synagoge weten hoe het programma van zijn aardse bediening er uitziet.

Het citaat is vrij naar de Septuagint en zorgvuldig gekozen wat de onderdelen ervan betreft. Zo spreekt Jezus bijvoorbeeld niet van de Dag van wraak van onze God. En ook niet over het vertroosten van allen die treuren, in het bijzonder van hen die bedroefd zijn over Sions desolate toestand. Die onderdelen hebben namelijk uitsluitend hun vervulling in de Eindtijd, hoewel de hele profetie eschatologisch van karakter is.

 

Daardoor valt alle nadruk op het goede dat God door tussenkomst van zijn Knecht - Ebed YHWH in de Jesajaanse herstelprofetieën - nu reeds tot stand wil brengen, namelijk tijdens Gods aangename jaar, d.i. het gehele Messiaanse tijdperk. Vergelijk Paulus’ opmerking dienaangaande in 2Ko 6:1-2 die hij baseert op een overeenkomstige passage in Jesaja (49:8).

 

Wederom refereert Jezus aan zijn doop in de Jordaan, want bij die gelegenheid werd hij door de heilige geest die op hem kwam, gezalfd om de Messiaanse koning en Hogepriester te zijn. Sindsdien is hij heengezonden om zijn Messiaanse taak te vervullen.

Tegen een achtergrond van bevrijding uit ballingschap en verdrukking, waarover de profeet het vooral heeft, krijgen diezelfde woorden, wanneer ze uit Jezus’ mond komen, een diepere, geestelijke dimensie.

 

Niemand dan de ware Messias kan mensen echt vrijmaken. Ware vrijheid komt slechts van hem en door hem, want het betreft een vrijheid die berust op loskoop krachtens het offer van zijn eigen leven (Jh 8:31-36).

Zo ligt er, dankzij zijn verdienstelijk werk, vrijlating in het verschiet voor hen die gekluisterd zitten aan de zonde. En allen die door de verwarrende leringen van het Grote Religieuze Babylon verblind zijn, kunnen hopen om weer te zien.

 

και πτυξας το βιβλιον αποδους τω υπηρετη εκαθισεν· και παντων οι οφθαλμοι εν τη συναγωγη ησαν ατενιζοντες αυτω. ηρξατο δε λεγειν προς αυτους οτι Σημερον πεπληρωται η γραφη αυτη εν τοις ωσιν υμων. Και παντες εμαρτυρουν αυτω και εθαυμαζον επι τοις λογοις της χαριτος τοις εκπορευομενοις εκ του στοματος αυτου, και ελεγον, Ουχι υιος εστιν Ιωσηφ ουτος;

 

20-22 En na de boekrol opgerold en aan de dienaar te hebben teruggegeven, ging hij zitten. En de ogen van allen in de synagoge waren aandachtig op hem gericht. Hij nu begon tot hen te zeggen: Heden is dit Schriftwoord in jullie oren vervuld. En allen betuigden hem bijval en verwonderden zich over de innemende woorden die uit zijn mond voortkwamen; en zij zeiden: Is dit niet de zoon van Jozef?

 

Jezus had staande uit de profetenrol voorgelezen, maar overeenkomstig joods gebruik ging hij nu zitten om het gelezene te verklaren. Door het gebruik van het werkwoord ατενιζω geeft de Evangelist te kennen dat de ogen van allen in de synagoge gespannen op hem gevestigd waren. Zij waren echt benieuwd naar wat hun stadgenoot over dat deel van het Woord zou gaan zeggen. Wij hebben immers uit de voorafgaande hoofdstukken begrepen dat in die tijd velen onder de Joden Israëls vertroosting verwachtten, in samenhang met het verschijnen van hun Messias (Lk 2:25, 38; 3:15).

 

Maar Lukas beperkt zich tot een uiterst korte samenvatting; in feite slechts tot de kern van Jezus’ betoog: Het Schriftwoord dat zij zojuist hadden gehoord, was begonnen in vervulling te gaan.

Zonder zich de Messias te noemen, past hun stadgenoot de Messiaanse Knechtprofetie op zichzelf toe. Hijzelf was de voornaamste van hun Knechtnatie; het door de profeet aangekondigde aangename jaar van YHWH was met zijn openbaar optreden aangebroken.

 

Dat zij Jezus’ woorden in die zin moesten opvatten, blijkt ook uit Lk 7:18-23. Want toen Johannes de Doper vanuit de gevangenis liet informeren of Jezus werkelijk de Messias was die de Joden volgens hun toenmalig begrip verwachtten, gaf Jezus aan Johannes’ leerlingen de volgende boodschap mee:

 

Gaat heen en bericht Johannes wat jullie gezien en gehoord hebben: Blinden kunnen weer zien, kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen; doden worden opgewekt, aan armen worden goede tijdingen verkondigd; en gelukkig is hij die aan mij geen aanstoot neemt!

 

Wij moeten de gunstige gezindheid van de inwoners van het stadje niet al te hoog schatten. Zij betuigden Jezus inderdaad hun bijval, maar hun instemming had meer te maken met de bevallige vorm waarin hij zijn leer bracht, dan met de betekenisvolle inhoud. Bij dit eerste bezoek waren zij voornamelijk geïmponeerd door de welsprekendheid van hun stadgenoot, een gewone burger uit hun midden, niet meer dan de zoon van Jozef, de timmerman die zij allen goed hadden gekend: "Voor een timmermanszoon deed hij het beslist heel goed; we kunnen trots op hem zijn".

Uit niets blijkt dat zij in hem ook werkelijk de Messias zagen.

 

και ειπεν προς αυτους, Παντως ερειτε μοι την παραβολην ταυτην· Ιατρε, θεραπευσον σεαυτον· οσα ηκουσαμεν γενομενα εις την Καφαρναουμ ποιησον και ωδε εν τη πατριδι σου. ειπεν δε, Αμην λεγω υμιν οτι ουδεις προφητης δεκτος εστιν εν τη πατριδι αυτου.

 

23-24 En hij zei tot hen: Ongetwijfeld zullen jullie mij dit spreekwoord voorhouden: Geneesheer, behandel jezelf! Alle dingen waarvan wij gehoord hebben dat ze in Kapernaüm zijn geschied, doe die ook hier, in je vaderstad. Hij nu zei: Voorwaar, ik zeg jullie: Geen enkele profeet is aangenaam in zijn vaderstad.

 

Vanaf hier ziet het tafereel in de synagoge te Nazareth er geheel anders uit; nog een aanwijzing dat we verder zijn in de tijd, tijdens Jezus’ tweede bezoek.

Opnieuw onderwijst hij zijn stadgenoten vanuit een Schriftwoord, maar deze keer is de toonzetting anders. Uit het parallelle verslag in Mattheüs 13 weten we immers dat Jezus tot dan toe een algemeen ongeloof onder zijn volk had ervaren, in het bijzonder bij hun leiders.

Bijgevolg was hij overgegaan tot een andere aanpak in zijn onderwijs. De geheimen van het koninkrijk der hemelen werden door hem niet langer in eenvoudige, klare taal gebracht, maar veeleer verpakt in de vorm van parabels, en dat met de bedoeling dat alleen de echte leergierigen onder zijn broeders begrip zouden krijgen. De ongelovige meerderheid zou, terwijl zij keken en hoorden, tevergeefs kijken en horen. Vanwege hun onontvankelijk hart zouden zij nimmer met hun ogen zien, met hun oren horen en met hun hart de betekenis ervan begrijpen. Bijgevolg zouden zij zich ook niet [in berouw] omkeren en door tussenkomst van hun Messias gezond gemaakt worden.

 

Jezus kende zijn plaatsgenoten vanzelfsprekend door en door. Zij waren niet anders dan andere Israëlieten. Eerder was er van hun zijde nog meer dan het gebruikelijke scepticisme te verwachten. Hoe kon nu ‘die gewone jongen’ uit hun midden een echte profeet zijn!

Daarop inspelend zegt hij iets wat ongeveer op het volgende neerkomt:

 

"Als jullie moeite hebben met het idee dat ik een profeet van YHWH ben, dan is dat te wijten aan het vaste gegeven dat een profeet in zijn eigen gebied traditioneel niet wordt aanvaard, noch erkend. Ik weet dat jullie intussen van alles hebben gehoord over mijn verblijf te Kapernaüm en dat jullie denken: Laat hij eerst maar eens bewijzen wat hij beweert te zijn, door hier dezelfde dingen te doen. En als hij al wonderen in die halfheidense stad zou hebben verricht, waarom heeft hij ze dan niet in de eerste plaats bij ons gedaan, te midden van het eigen Godsvolk. Welnu, dat zal ik jullie toelichten aan de hand van twee situaties uit een gekenmerkte periode in de geschiedenis van ons volk".

 

επ αληθειας δε λεγω υμιν, πολλαι χηραι ησαν εν ταις ημεραις Ηλιου εν τω Ισραηλ, οτε εκλεισθη ο ουρανος επι ετη τρια και μηνας εξ, ως εγενετο λιμος μεγας επι πασαν την γην, και προς ουδεμιαν αυτων επεμφθη Ηλιας ει μη εις Σαρεπτα της Σιδωνιας προς γυναικα χηραν. και πολλοι λεπροι ησαν εν τω Ισραηλ επι Ελισαιου του προφητου, και ουδεις αυτων εκαθαρισθη ει μη Ναιμαν ο Συρος.

 

25-27 Doch ik zeg jullie naar waarheid: Er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israël, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood kwam over heel het land, en tot niemand van hen werd Elia gezonden dan naar Sarepta van Sidon, tot een vrouw, een weduwe. En er waren vele melaatsen in Israël ten tijde van de profeet Elisa, en niemand van hen werd gereinigd dan Naäman de Syriër.

 

Jezus vergelijkt de uitoefening van zijn wondermacht met die van de welbekende profeten Elia en Elisa, die in Israël optraden in de dagen van het goddeloze koningspaar Achab en Izebel (1Kn 17:1 – 2Kn 13:21).

Vanwege de Baälaanbidding was het geloof in YHWH toen op grote schaal verzwakt. Velen waren zelfs compleet afvallig geworden doordat zij tot de Baälcultus met zijn afschuwelijke vruchtbaarheidsriten waren overgegaan. Maar gelukkig niet allen.

Op een dieptepunt van de crisis, toen Elia de wijk moest nemen voor de moordzuchtige Izebel en hij dacht dat hij de enig overgebleven dienaar van YHWH was, zei God tot hem: Ik heb er 7000 in Israël laten overblijven: alle knieën die zich niet voor Baäl hebben gebogen, en elke mond die hem niet heeft gekust (1Kn 19:14, 18).

 

Er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israël…

Hoe kon Jezus dat weten? In zijn pre-existentie had hij als Michaël, Israëls bovennatuurlijke vorst, dat rechtstreeks kunnen gadeslaan (Dn 12:1).

Maar die gedachte kwam natuurlijk in het geheel niet op bij zijn Joodse luisteraars, en is ook nu nog bij Israël (als volk) een onacceptabel idee.

 

Toen Elia tijdens de 3½-jarige, door hemzelf aangekondigde droogte, zijn tijdelijke verblijfplaats in het stroomdal van de Krith, ten oosten van de Jordaan, wegens gebrek aan water moest verlaten, was er een nieuwe schuilplaats nodig, want Achab, die Elia de schuld gaf van de aanhoudende droogte, liet de profeet overal zoeken, niet slechts in het land Israël, maar ook in de omliggende gebieden (1Kn 17:1-17; 18:10).

 

Maar YHWH bleef zijn profeet leiden en zond hem naar Sarfath; nota bene een plaats die behoorde bij Sidon, waar de moordlustige Izebel had gewoond en alwaar haar vader Ethbaäl koning was: Sta op, ga naar Sarfath bij Sidon, en blijf daar; want ik heb daar een weduwe bevolen, jou van voedsel te voorzien (1Kn 17:9).

 

En inderdaad, bij de ingang van de stad ontmoette hij een weduwe die juist bezig was hout te sprokkelen om van de laatste beetjes meel en olie die zij bezat iets klaar te maken voor haarzelf en haar zoon; maar die, naar al vlug duidelijk werd, wel een vrouw bleek te zijn die precies het soort van geloof had, dat Israël ontbeerde en dat ook niet bij Jezus’ stadgenoten aanwezig was (1Kn 17:10-24).

Zie: De toelichting op 1 Koningen 17.

 

Vanwege de belofte in Ml 4:5-6 heeft de figuur ‘Elia’ altijd een grote rol gespeeld in het leven van de godsdienstige Jood. En Elisa, destijds diens opvolger, is in dat beeld uiteraard niet weg te denken. In werkelijkheid heeft Elisa zelfs het dubbele van het aantal wonderen verricht dat door Elia is gedaan. Het profetische Woord wijst er op dat hun gezamenlijke activiteiten van destijds zich in de laatste dagen, tijdens de 70ste Jaarweek voor Israël, op indrukwekkende wijze in een tegenbeeldige setting zullen herhalen.

 

In die tijd zullen ook talrijke Heidenen zegen van God ervaren op grond van een zelfde soort geloof als de Syrische Naäman in Gods profeet, Elisa, ten toon spreidde.

Hoewel aanvankelijk sceptisch gestemd, volgde deze legeroverste, maar melaatse man, volledig de aanwijzingen van de profeet op. Bijgevolg werd hij van zijn melaatsheid gereinigd (2Kn 5:1-17).

 

En er waren [toen] vele melaatsen in Israël…

Ook dat bleek Jezus precies te weten! Hij was dus heel goed in staat de ongelovige, sceptische houding van zijn stadgenoten te plaatsen tegenover het geloof van de heidense Naäman. Zij konden er daarom zeker van zijn dat, wanneer zij Jezus als hun Messias afwezen, er vele gelovige ‘Heidenen’ gevonden zouden worden die wél genezing zullen ervaren en gereinigd zullen worden.

 

Vergelijk Mt 13:15; Ef 5:25-26; Tt 2:14; Op 22:2.

 

και επλησθησαν παντες θυμου εν τη συναγωγη ακουοντες ταυτα, και ανασταντες εξεβαλον αυτον εξω της πολεως, και ηγαγον αυτον εως οφρυος του ορους εφ ου η πολις ωκοδομητο αυτων, ωστε κατακρημνισαι αυτον· αυτος δε διελθων δια μεσου αυτων επορευετο.

 

28-30 Toen zij deze dingen hoorden werden allen in de synagoge met toorn vervuld; en zij stonden op, wierpen hem uit, buiten de stad, en voerden hem tot aan de rand van de berg waarop hun stad was gebouwd, om hem van de steilte te storten. Maar hij, midden tussen hen door gaande, ging zijns weegs.

 

De aanwezigen hadden Jezus’ redenatie begrepen. Maar in plaats de les nederig ter harte te nemen, ontstaken zij in woede. Hun nationale trots en religieuze hoogmoed was gekrenkt. Deze man wilde beweren dat de Heidenen Gods gunst meer verdienden dan zij! En erger nog, zij zouden niet beter zijn dan de Baälistische tijdgenoten van Elia, die de door hen zo geëerde profeet naar het leven stonden.

Maar juist de actie waartoe zij nu overgingen, Jezus doden door hem van de steilte te storten, toonde het gelijk van Jezus’ analyse.

 

Jezus liet zich door het gepeupel meesleuren, maar slechts tot een zekere grens. Zoals hij bij verschillende gelegenheden zou zeggen, was zijn tijd nog niet gekomen. Door de werking van zijn geest stelde God zijn Zoon in staat om aan de moordzucht van zijn stadgenoten te ontkomen. Als het er op aankwam konden zij niets tegen hun Messias ondernemen, tenzij God het toeliet. Hun machteloosheid blijkt uit het feit dat Jezus zich kon verwijderen, terwijl hij eenvoudig midden tussen hen door liep.

 

Door het verloop van de twee bezoeken aan Nazareth in één verhaal samen te vatten en voor het oog tot één enkele gebeurtenis te maken, heeft Lukas kennelijk willen aangeven hoe Jezus’ aardse dienst in Israël zou verlopen. De wijze waarop hij door zijn stadgenoten werd bejegend, bleek uiteindelijk illustratief voor de manier waarop het volk als geheel reageerde op de prediking en presentatie van hun Messias.

 

Tevens wordt er door aangetoond hoe de Adamitische mens in zijn van God vervreemde toestand, van nature reageert op de dingen die van de geest Gods zijn (1Ko 2:14). In zijn misplaatst zelfvertrouwen schat hij zichzelf beter en hoger in dan anderen. Zo zouden de burgers van Nazareth - volgens hun eigen denkbeelden - beslist nooit zo handelen als hun voorouders die de profeten naar het leven stonden. Jezus wist evenwel dat zulke opvattingen waandenkbeelden zijn, zoals ook uit Mt 23:29-32 blijkt.

 

Zo zien op grond van Ml 4:5-6 vele godsdienstige Joden thans vol verwachting uit naar de komst van ‘Elia’. Zij hebben al een stoel voor hem klaargezet om hem met alle respect te ontvangen. Maar hoe handelden hun vaders met Johannes, zijn prototype? Wat Jezus zelf daarover heeft gezegd, kunnen we lezen in Mt 17:10-13, waar de conversatie wordt verhaald die ontstond nadat drie van zijn leerlingen getuige waren geweest van het transfiguratievisioen, waarin ook ‘Elia’ was verschenen:

 

En de leerlingen vroegen hem en zeiden: Hoe kunnen dan de schriftgeleerden zeggen, dat Elia eerst moet komen? Hij zei hun ten antwoord: Elia zal inderdaad komen en alles herstellen, maar ik zeg jullie dat Elia al gekomen is en zij hebben hem niet erkend, maar met hem gedaan al wat zij wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hen moeten lijden. Toen begrepen de leerlingen dat hij over Johannes de Doper tot hen gesproken had.

 

b. Te Kapernaüm (4:31-44)

 

και κατηλθεν εις καφαρναουμ πολιν της γαλιλαιας και ην διδασκων αυτους εν τοις σαββασιν και εξεπλησσοντο επι τη διδαχη αυτου οτι εν εξουσια ην ο λογος αυτου και εν τη συναγωγη ην ανθρωπος εχων πνευμα δαιμονιου ακαθαρτου και ανεκραξεν φωνη μεγαλη εα τι ημιν και σοι ιησου ναζαρηνε ηλθες απολεσαι ημας οιδα σε τις ει ο αγιος του θεου

 

31-34 En hij kwam af te Kapernaüm, een stad van Galilea, en hij onderwees hen op de sabbatdagen. En zij stonden versteld over zijn onderwijs, want zijn woord was met gezag. En in de synagoge was een mens die een geest van een onreine demon had; en hij schreeuwde uit met luider stem: Ach, wat hebben wij met jou te maken, Jezus, Nazarener! Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wie jij bent: de Heilige van God.

 

Lukas keert weer terug in de tijd, naar het begin van Jezus’ Galilease bediening, zoals ook kort wordt vermeld in Mt 4:13.

Volgens Mt 13:53-58 zal Jezus nog eenmaal terugkeren in Nazareth, maar Lukas zal daar niet meer op terugkomen. Wat Nazareth betreft en de relatie die Jezus had met de burgers daar, is een onderwerp dat de Evangelist heeft afgesloten.

Daaruit blijkt dat zijn manier van vertellen in ordelijke samenhang, zoals hij schreef in 1:3, niet noodzakelijkerwijs betekent in chronologische volgorde, maar eerder volgens belangwekkende thema's.

 

Lukas brengt zijn geografische kennis van Galilea tot uitdrukking door te zeggen dat Jezus vanuit Nazareth naar beneden kwam naar het lager, aan de zee gelegen Kapernaüm. Letterlijk volgens het door hem gebruikte werkwoord κατερχομαι.

Ook daar hield Jezus vast aan zijn gewoonte om tijdens de sabbatten in de synagoge te onderwijzen. En zoals Mattheus doet aan het einde van zijn verslag over de Bergrede (in Mt 7:28-29), maakt ook Lukas melding van de diepe indruk die Jezus’ leer op de toehoorders maakte, aangezien hij sprak met autoriteit, of gezag. Maar hij vermijdt het maken van de vergelijking tussen het onderwijs van Jezus en dat van de Schriftgeleerden, blijkbaar omdat de ‘heidense’ lezers, zoals Theofilus, met laatstgenoemden niet bekend waren.

 

Uit het parallelle verslag in Markus mag afgeleid worden dat Jezus’ eerste confrontatie met de geestelijke macht van de wereld der demonen plaats vond meteen op de eerste sabbat na zijn aankomst (Mk 1:21-28).

Terwijl de aanwezigen nog in volkomen onwetendheid verkeren betreffende Jezus’ identiteit en al helemaal geen notie hebben van zijn hemelse achtergrond, heeft de demon hem onmiddellijk geïdentificeerd. Kennelijk in een poging om Jezus bij zijn gehoor in diskrediet te brengen, veroorzaakt hij door tussenkomst van het spraakvermogen van zijn slachtoffer veel consternatie.

 

De Hebreeuwse manier van spreken: Wat tussen ons en jou? kan hier opgevat worden als: Wat heb je met ons te maken, laat ons met rust!

Omdat de geest wisselend in het meervoud en enkelvoud spreekt, uit hij zich mede namens de andere demonen. Zij allen voelen zich duidelijk door Jezus’ komst bedreigd. En zeker niet onterecht, want uit andere Bijbelgedeelten vernemen we dat de tijd komt dat er aan hun macht een einde zal worden gemaakt, en de demonen zelf weten zelf maar al te goed dat dit voor hen ondergang zal beteken.

 

Zie voor meer details hierover: De rol der demonen in de eindtijd

 

Ik weet wie jij bent: de Heilige van God…

Opmerkelijk dat de demon Jezus aldus aanduidt, aangezien hijzelf in het verslag als een onreine geest wordt beschreven, dus precies het tegenovergestelde van "heilig". Dat de demonen in de Bijbel herhaaldelijk als onreine geesten worden getypeerd, is aan de hand van Judas 6-7 (waar wordt gerefereerd aan Gn 6:1-4) volkomen begrijpelijk:

 

Zo ook engelen die hun oorspronkelijke situatie niet bewaard maar de geëigende woonplaats verlaten hebben, heeft hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaard. Zoals Sodom en Gomorra en de steden daaromheen - die op overeenkomstige wijze als dezen grove ontucht bedreven en ander vlees achternagingen - daar liggen als bewijs doordat zij een vonnis van eeuwig vuur ondergaan.

 

De manlijke inwoners van Sodom probeerden vleselijke gemeenschap te hebben met de engelen die bij Lot hun intrek hadden genomen en die zich tot manlijke gestalten hadden gematerialiseerd, met de bedoeling hem te waarschuwen voor de komende ondergang van de stad.

In de periode vóór de Vloed evenwel, namen andere engelen eveneens manlijke gestalten aan, maar dat met een geheel andere bedoeling: Om zondige gemeenschap te hebben met de mooie dochters der mensen.

De zedeloosheid wordt in beide gevallen als een notoire ontucht getypeerd: Het achternagaan van ander vlees.

 

Als het beeld van de onzichtbare God, is Jezus daarentegen de Heilige Gods bij uitnemendheid (Ks 1:15). De uitdrukking komt verder alleen nog voor in Jh 6:69. Simon Petrus horen we daar tot Jezus zeggen: En wij hebben geloofd en zijn te weten gekomen dat gij zijt de Heilige Gods.

Mede namens de andere leerlingen sprak Petrus daarmee zijn vertrouwen uit dat Jezus werkelijk de Messias was. Of volgens Mt 16:16 > Gij zijt de Messias, de Zoon van de levende God.

Aangezien het koninkrijk van de Messias volgens Dn 7:27 een Rijk van heiligen zal zijn, moet de Messias zelf de Heilige bij uitstek zijn.

 

και επετιμησεν αυτω ο Ιησους λεγων, Φιμωθητι και εξελθε απ αυτου. και ριψαν αυτον το δαιμονιον εις το μεσον εξηλθεν απ αυτου μηδεν βλαψαν αυτον. και εγενετο θαμβος επι παντας, και συνελαλουν προς αλληλους λεγοντες, Τις ο λογος ουτος, οτι εν εξουσια και δυναμει επιτασσει τοις ακαθαρτοις πνευμασιν, και εξερχονται; και εξεπορευετο ηχος περι αυτου εις παντα τοπον της περιχωρου.

 

35-37 En Jezus gebood hem scherp, zeggend: Zwijg, en ga uit hem weg! En nadat de demon hem in het midden had neergesmeten, ging hij uit hem weg, zonder dat hij hem letsel toebracht. En allen waren verbijsterd; en zij gingen onderling tot elkaar spreken, zeggend: Wat is dit voor [een manier van] spreken? Want met gezag en kracht gebiedt hij de onreine geesten en zij gaan uit! En [het] bericht over hem verspreidde zich naar elke plaats in de omgeving.

 

Het bevel aan de demon is krachtig, met nadruk of scherp. De Heilige Gods duldt geen tegenspraak. Hij heeft reeds laten zien dat hij Satan kan overwinnen, en ook in de uitwerping van de onreine geesten toont hij een onoverwinnelijke macht te bezitten over diens demonische handlangers.

 

Maar demonen verlaten niet graag de personen van wie zij bezit hebben genomen (Mt 8:31; 12:43-45). In dit geval toont de onreine geest woedend zijn tegenzin. Zijn boosaardigheid manifesteert zich in een laatste poging zoveel mogelijk schade aan te richten: Hij smijt zijn slachtoffer tegen de grond.

Als geneesheer vindt Lukas het dan ook zeer opmerkelijk dat de man daarvan echter geen letsel ondervindt.

 

Blijkbaar moeten we daaruit afleiden dat de werkzaamheid van Gods geest voorkwam dat aan Jezus’ wondermacht ook maar enige afbreuk werd gedaan. De aanwezigen in de synagoge krijgen geen zwaar gehavende man te zien, maar een persoon die weer geestelijk gezond is, in het bezit van de eigen persoonlijkheid. Jezus’ overwinning over de boosaardige demon is compleet.

 

De reactie van de aanwezigen is er dan ook één van grote verbazing.

Ja, meer nog, van verbijstering, of zelfs van schrik; ontzetting. Allemaal mogelijke weergaven van het werkwoord θαμβεω (in Markus), maar hier, bij Lukas, het afgeleide substantief θαμβος.

In het bijzonder staan zij versteld over de ongewone aanpak van deze Leraar.

 

Bij Markus horen we dat zij de vraag opwerpen: Wat is dit? Een nieuwe leer op grond van gezag! Markus gebruikt het woord didachè [διδαχη]. Maar Lukas ho logos [ο λογος]; letterlijk het woord.

In beide gevallen wordt echter duidelijk dat de bezoekers van de synagogebijeenkomst zich voornamelijk bezig houden met de vraag wat zij met deze rabbi aanmoeten, vooral met de wijze waarop hij het Woord brengt. Het is allemaal zo anders als waaraan zij gewend zijn!

 

Zoals met zovelen - ook thans nog - het geval is, zitten religieuze mensen gewoonlijk gevangen in de traditie waarin zij zijn opgevoed en waarmee zij geheel vergroeid zijn. Zij staan niet gemakkelijk open voor een ander geluid. In 5:39 zullen we nog zien dat Jezus zich volkomen van die neiging bij de Adamitische mens bewust is. Hoe kan het ook anders, hij die weet wat er in de mens is! Jh 2:25.

Eerst wanneer God zelf tot actie overgaat, iemand roept en tot zijn Zoon trekt, zal die mens de Messias als van het hoogste belang gaan achten.

Zie: Js 53:3; Jh 6:44, 64-65; Hn 3:13; 2Th 2:13-14.

 

Αναστας δε απο της συναγωγης εισηλθεν εις την οικιαν Σιμωνος. πενθερα δε του Σιμωνος ην συνεχομενη πυρετω μεγαλω, και ηρωτησαν αυτον περι αυτης. και επιστας επανω αυτης επετιμησεν τω πυρετω, και αφηκεν αυτην· παραχρημα δε αναστασα διηκονει αυτοις.

 

38-39 Hij nu verliet de synagoge, en ging het huis van Simon binnen; Simons schoonmoeder nu werd door hoge koorts gekweld en zij deden hem een verzoek voor haar. Toen boog hij zich over haar heen en bestrafte de koorts, en [deze] verliet haar. Ogenblikkelijk stond zij op en ging hen dienen.

 

Markus laat ons weten dat het huis in Kapernaüm toebehoorde aan Simon (Petrus) en diens broer Andreas, beide afkomstig uit Bethsaïda (Mk 1:29-31; Jh 1:44).

Zij kunnen dat huis gekocht hebben, maar het is ook goed mogelijk dat Petrus het door zijn huwelijk verworven had, gezien het feit dat zijn schoonmoeder er nog woonde.

Dat van Petrus’ vrouw geen melding wordt gemaakt en zijn schoonmoeder het gezelschap direct na haar genezing ging bedienen, geeft blijkbaar te kennen dat Petrus inmiddels weduwnaar was geworden.

Alles wijst er op dat Jezus een tijdlang vanuit dat huis werkzaam was (Mk 2:1).

 

Niet alleen de beide broers, maar ook Jakobus en Johannes - eveneens broers en zonen van Zebedéüs; Mk 1:19 - werden volgens Markus getuigen van de genezing. Zij zagen hoe Jezus aan het hoofdeinde van het bed zich over de vrouw heenboog en haar, na de koorts bestraft te hebben [επιτιμαω, als in vers 35: nadrukkelijk gebieden], bij de hand nam en haar oprichtte.

 

In de beschrijving herkennen we de arts Lukas. Alleen hij noemt de koorts zwaar of hoog [Grieks lett.: groot]. En ook alleen hij personifieert de koorts zodat Jezus ze ahw gebiedend kan toespreken. Kennelijk is het zijn opzet om Jezus voor te stellen als de Geneesheer bij uitstek, die volledig de macht bezit mannen en vrouwen te genezen; zowel in geestelijk als in lichamelijk opzicht.

En precies zoals in de synagoge het geval was, was ook nu de genezing volledig. De schoonmoeder van Petrus had geen lange periode van herstel nodig om de lichamelijke zwakte die gewoonlijk door zware koorts wordt veroorzaakt, te boven te komen. Meteen was zij in staat voor de gasten zorg te dragen. Simon en zijn broer Andreas verkeerden niet langer in verlegenheid dat er niemand beschikbaar was om de avondmaaltijd te bereiden!

 

De ‘thuissituatie’ van Petrus kan er ook anders uitgezien hebben dan hierboven voorgesteld. Het is mogelijk dat Petrus geen weduwnaar was en dat zijn vrouw juist zorg droeg voor haar zieke moeder. Ruim 20 jaar later schreef Paulus aan de Korinthische gemeente: Hebben wij soms geen bevoegdheid om een zuster [als] vrouw mee te nemen, evenals de overige apostelen en de broeders van de Heer en Cefas ? (1Ko 9:5).

Voorts vermeldt Mattheüs over Petrus’ schoonmoeder dat zij in aansluiting op haar herstel het volgende deed: Zij stond op en diende hem (Mt 8:15). Daardoor brengt Mattheüs tot uitdrukking dat het dienen van deze vrouw een persoonlijk karakter had, geheel gericht op hem die haar had genezen, en daarom meer een daad van geloof was dan van goed sociaal gedrag.

Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de zuster [als] vrouw van 1Ko 9:5 ook de betekenis kan hebben van "een gelovige vrouw".

 

Beide genezingen karakteriseren in hoge mate het goede nieuws omtrent Jezus, zoals verteld door Lukas. In de persoon van de Messias had God iemand verschaft die in staat is de mens van alle dingen te bevrijden die hem in de weg staan om God, respectievelijk zijn medemens, dienstbaar te zijn.

 

Δυνοντος δε του ηλιου απαντες οσοι ειχον ασθενουντας νοσοις ποικιλαις ηγαγον αυτους προς αυτον· ο δε ενι εκαστω αυτων τας χειρας επιτιθεις εθεραπευεν αυτους. εξηρχετο δε και δαιμονια απο πολλων, κρ[αυγ]αζοντα και λεγοντα οτι Συ ει ο υιος του θεου. και επιτιμων ουκ εια αυτα λαλειν, οτι ηδεισαν τον Χριστον αυτον ειναι.

 

40-41 Toen nu de zon was ondergegaan, brachten allen die maar zieken hadden, hen naar hem toe, met een verscheidenheid aan kwalen. Maar hij genas hen, ieder van hen afzonderlijk de handen opleggend. Ook gingen uit velen demonen weg, die luid riepen en zeiden: Gij zijt de Zoon van God! En streng gebiedend liet hij hen niet toe te spreken, omdat zij wisten dat hij de Messias was.

 

Het spectaculaire nieuws over de genezing van de bezetene in de synagoge en wellicht ook het herstel van Petrus’ schoonmoeder, had zich kennelijk als een lopend vuurtje in de omtrek verbreid. Maar de mensen moesten de avond afwachten voordat zij tot actie konden overgaan. Het was immers sabbat en men ging er vanuit dat het dan niet geoorloofd was om voor zonsondergang zieken te dragen. Markus maakt daar expliciet melding van. Hij is het ook die ons laat weten dat er met het vallen van de avond een ware volksoploop ontstond. Met enige overdrijving Petrus’ verslag vertolkend: De hele stad stond voor de deur (Mk 1:32-34).

 

Als arts vindt Lukas het van belang te vertellen dat Jezus zich met elke zieke afzonderlijk bezig hield en dat het genezingsproces samenging met handoplegging. Of de ziekte nu fysiek, mentaal of geestelijk van aard was, Jezus doorgrondde elk geval en zorgde voor genezing.

Alleen Mattheüs brengt de genezingen in verband met het profetische Woord: Opdat vervuld zou worden het gesprokene door Jesaja, de profeet, die zei: Hijzelf heeft onze zwakheden op zich genomen en onze kwalen gedragen.

Zie Js 53:4; Mt 8:16-17.

 

Mattheüs geeft zijn Joodse lezers door dat citaat de aanwijzing dat de genezingen een diepere oorzaak hadden en te maken hebben met het plaatsvervangend lijden en sterven van Gods Messiaanse Knecht, de Ebed YHWH in de Jesajaanse profetieën.

Omdat Jezus’ plaatsvervangend sterven nog toekomstig was, hadden de genezingen voorlopig een tijdelijk karakter. Aangezien allen nog steeds Adams ‘kinderen’ waren, zouden zij uiteindelijk toch overlijden, op z’n minst door ouderdom. Er werd nu nog maar een voorproef verschaft van de kracht van het loskoopoffer dat in 33 AD door de Knecht gebracht zou worden.

 

Eerst wanneer met het aanbreken van de 70ste Jaarweek de overgang naar het Millennium nadert, komt de loskoop met al zijn kracht in werking:

 

a. Voor de gemeente niet langer in de vorm van een ‘onderpand’, maar volledige verlossing: Een verandering tot onverderfelijk en onsterfelijk hemels leven. De doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij [de levenden] zullen veranderd worden (1Ko 15:51-53). Zie ook Rm 8:23.

 

b. Voor de Joodse uitverkorenen en de rechtvaardige (heidense) ‘schapen’ - zij die deze aardse broeders van de Messias dan zullen bijstaan in hun verdrukking - overleving van Jezus’ komst ten oordeel. Als Gods kinderen zullen zij waardig gerekend worden die eeuw te verwerven en door het Lam geweid zullen worden en gevoerd naar bronnen van wateren des levens.

 

Zie: Mt 25:31-46 (Schapen en Bokken),

alsook Lk 20:35-36; Op 7:17 en 22:14.

 

c. Alle overigen - de volksoploop (de hele stad) voor de deur - die door een opstanding in het Millennium de gelegenheid krijgen zich gelovig het loskoopoffer ten nutte te maken, met genezing als resultaat.

 

Zie: 1Ko 15:24-26; Op 20:5, 11-15; 22:2.

 

Opnieuw - voor de 3e maal - Lukas’ gebruik van het werkwoord epitimaoo om aan te geven dat Jezus de demonen streng gebiedt niet over hem te spreken. Zij weten dat hij de Messias is, maar hij wenst geen getuigenis dienaangaande van de zijde van misdadigers die door God in hun kerker van beperking bewaard worden voor het eindoordeel op zijn Grote Dag (1Pt 3:19-20; 2Pt 2:4; Op 19:20).

 

Γενομενης δε ημερας εξελθων επορευθη εις ερημον τοπον· και οι οχλοι επεζητουν αυτον, και ηλθον εως αυτου, και κατειχον αυτον του μη πορευεσθαι απ αυτων. ο δε ειπεν προς αυτους οτι Και ταις ετεραις πολεσιν ευαγγελισασθαι με δει την βασιλειαν του θεου, οτι επι τουτο απεσταλην. και ην κηρυσσων εις τας συναγωγας της Ιουδαιας.

 

42-44 Toen het nu dag werd, ging hij naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats; en de menigten spoorden hem op en kwamen tot hem, en zij wilden hem tegenhouden, opdat hij niet van hen zou weggaan. Maar hij zei tot hen: Ook aan de andere steden moet ik het koninkrijk Gods als goede tijding verkondigen, want daartoe werd ik uitgezonden. En hij predikte in de synagogen van Judea.

 

Eigenlijk is Lukas’ verslag van deze perikoop slechts een beknopte weergave van het levendige verhaal dat door de ooggetuige Petrus aan Markus werd doorgegeven en dat volgens Mk 1:35-39 aldus gaat:

 

Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden. Maar Simon en de anderen die bij hem waren, gingen hem vlug achterna, en toen ze hem gevonden hadden zeiden ze tegen hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’ Toen zei hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben ik immers op weg gegaan.’ In heel Galilea bracht hij het nieuws in de synagogen en dreef hij demonen uit.

(NBV)

 

De verslagen van beide Evangelisten kunnen tot het volgende verhaal worden samengevat:

Na een korte nachtrust, terwijl het nog donker was, ging Jezus alleen naar buiten om zich naar een plaats te begeven waarvan hij wist dat hij daar ongestoord en in alle rust, in het gebed met zijn hemelse Vader kon spreken.

Hij was er zich terdege van bewust dat de grote toeloop van het volk, de vorige avond, geenszins duidde op een omslag in hun religieuze denken. Er was beslist geen sprake van een reveil of geestelijke herbezinning. Veeleer waren zij slechts afgekomen op de ‘wonderdokter’ die alles kon op het gebied van genezing.

 

Toen het dag werd merkten zijn vier metgezellen, Petrus, Andreas, Johannes en Jakobus, dat Jezus was vertrokken, zonder hen. Ook stonden alweer de eerste mensen voor de deur, in afwachting van een voortgezet optreden. Onder druk daarvan gingen de vier haastig naar hem op zoek, gevolgd door de menigte.

Al vlug vonden zij Jezus; blijkbaar wisten de leerlingen wel zo ongeveer naar welke plaats hun Meester zich zou terugtrekken.

Als woordvoerder optredend probeert Petrus bij Jezus de dringendheid over te brengen van de noodzaak van zijn terugkeer: Iedereen zoekt je, de mensen willen dat je bij hen blijft!

 

Maar het gebed heeft hun Meester nog meer het heldere inzicht verschaft dat dit niet Gods weg is. Een ‘genezingsbediening’ is niet het voornaamste doel van zijn komst naar de aarde. De genezingen en de andere wonderen die hij verricht, hebben slechts als doel om in de noodzakelijke ‘geloofsbrieven’ te voorzien: Hij is werkelijk de Knechtmessias van God, zoals ook Mozes, eeuwen voordien, door het verrichten van wonderen zijn zending van Godswege bewees.

 

De predikings- en onderwijzingsbediening is primair in Gods voornemen. Alle Joodse mensen moeten weten dat het koninkrijk van God, in handen van de Messias, de remedie zal zijn, niet slechts wat betreft het tot stand brengen van een blijvende gezondheid, maar ook om te voorzien in de oplossing van alle grote problemen waarmee de mensheid sinds Adam worstelt. Zijn wonderen moeten zijn boodschap slechts autoriseren. Naderhand, vanaf Pinksteren 33 AD, zou hetzelfde van toepassing zijn op de prediking der apostelen. Ook die zou door wonderen kracht bijgezet worden.

Uit de vergelijking van Lukas met Markus wordt ook duidelijk dat met Judea in dit verband het Joodse land in zijn geheel wordt bedoeld; of de gehele Romeinse provincie, Galilea inbegrepen, zoals het door zijn Heidenlezers verstaan zou worden. In alle steden der Joden moet Jezus het koninkrijk als goed nieuws verkondigen.

 

  

Lukas 5

 

2. Leerlingen geroepen; wonderbare genezingen; Heer van de Sabbat (5:1 – 6:11)

 

a. Wonderbare visvangst; vissers van mensen (5:1-11)

 

Εγενετο δε εν τω τον οχλον επικεισθαι αυτω και ακουειν τον λογον του θεου και αυτος ην εστως παρα την λιμνην Γεννησαρετ, και ειδεν δυο πλοια εστωτα παρα την λιμνην· οι δε αλιεις απ αυτων αποβαντες επλυνον τα δικτυα. εμβας δε εις εν των πλοιων, ο ην Σιμωνος, ηρωτησεν αυτον απο της γης επαναγαγειν ολιγον, καθισας δε εκ του πλοιου εδιδασκεν τους οχλους.

 

1-3 Het geschiedde eens, toen hij bij het meer Gennésareth stond, dat de menigte op hem aandrong om het woord Gods te horen. En hij zag twee boten bij het meer liggen; de vissers nu waren eruit gegaan en spoelden de netten. Hij nu stapte in één der boten, die welke van Simon was. Hij vroeg hem een weinig van het land af te steken. En nadat hij was gaan zitten onderwees hij de menigten vanuit de boot.

 

Opnieuw een verhaal dat toont wat Lukas in 1:3 bedoelde toen hij aan Theofilus liet weten dat hij alle dingen in ordelijke samenhang aan hem zou schrijven.

Uit een vergelijking met Mattheüs en Markus blijkt namelijk dat hij een aantal gebeurtenissen die zich bij verschillende gelegenheden nabij het meer van Gennésareth voordeden, in één relaas tezamen heeft gebracht (Mt 4:18-22; 13:1-3; Mk 1:16-20; 4:1-2).

 

Terwijl bij de twee andere synoptici de roeping der leerlingen slechts vergezeld gaat van Jezus’ opmerking dat hij hen tot vissers van mensen zal maken, is het bij Lukas duidelijk zijn bedoeling dat perspectief kracht bij te zetten door uit te weiden over een wonderbare visvangst welke onmiddellijk aan die roeping voorafging. Het relaas daarover is overigens uniek voor Lukas.

 

Bovendien staat bij hem de persoon van Simon Petrus centraal; eigenlijk gaat het alleen over zijn roeping. Jakobus en Johannes worden slechts terloops vermeld, terwijl Andreas zelfs in het geheel niet wordt genoemd.

Bij Lukas zien we vaker dat in taferelen met meerdere aanwezigen toch op één bepaald figuur de aandacht wordt gevestigd.

 

Doordat alle aandacht op Petrus wordt gericht, in het bijzonder hoe hij op de aanwijzingen die Jezus hem geeft reageert, vertoont het verhaal veel overeenkomst met Johannes, hoofdstuk 21, waar we vernemen dat Jezus na zijn opstanding ook een keer aan zijn discipelen verschijnt bij het meer.

Ook dan is er sprake van een wonderbare visvangst, waarbij Petrus centraal staat. En ook dan krijgt specifiek hij de opdracht om 'de schapen', en 'de lammeren', te voeden en te weiden; in feite een belangrijke toewijzing in verband met het zorgdragen voor de spoedig op te richten Christelijke gemeente.

 

Hoewel de gebeurtenissen blijkbaar niet chronologisch op elkaar volgen, trekt Lukas de lijn van Lk 4:42 door: Jezus wordt nog steeds omringd en gevolgd door de menigten. Het werkwoord epikeimai heeft de gedachte van aandringen; in het nauw brengen.

Hopen zij nog steeds wonderbare genezingen te ervaren? Opvallend is echter dat Lukas vermeldt dat zij zó graag het woord van God willen horen dat hij bijna door hen onder de voet wordt gelopen en daarom zijn toevlucht moet zoeken in één van de vissersboten.

Het feit dat de vissers bezig zijn de netten te spoelen wijst op een betrekkelijk vroeg uur in de morgen, wat trouwens ook zal blijken uit Petrus’ opmerking in vers 5.

 

ως δε επαυσατο λαλων, ειπεν προς τον Σιμωνα, Επαναγαγε εις το βαθος και χαλασατε τα δικτυα υμων εις αγραν. και αποκριθεις Σιμων ειπεν, Επιστατα, δι ολης νυκτος κοπιασαντες ουδεν ελαβομεν, επι δε τω ρηματι σου χαλασω τα δικτυα. και τουτο ποιησαντες συνεκλεισαν πληθος ιχθυων πολυ, διερρησσετο δε τα δικτυα αυτων. και κατενευσαν τοις μετοχοις εν τω ετερω πλοιω του ελθοντας συλλαβεσθαι αυτοις· και ηλθον, και επλησαν αμφοτερα τα πλοια ωστε βυθιζεσθαι αυτα.

 

4-7 Toen hij nu ophield met spreken, zei hij tot Simon: Steek af naar het diepe en laat jullie netten neer voor een vangst. En Simon zei ten antwoord: Meester, de hele nacht door hebben wij ons ingespannen en niets gevangen; maar op uw woord zal ik de netten neerlaten. En toen zij dit hadden gedaan, sloten zij een grote hoeveelheid vissen in, en hun netten begonnen te scheuren. En zij wenkten hun metgezellen in de andere boot, om hen te komen helpen, en zij kwamen; en zij vulden beide boten zodat zij dreigden te zinken.

 

Jezus neemt de leiding in de visvangst en Petrus onderwerpt zich aan Jezus’ aanwijzingen, ofschoon hij er begrijpelijkerwijs veel moeite mee heeft. Bij deze wijze van vissen, in diep water, moet je ’s-nachts het water op, want bij daglicht zoeken de vissen de diepten op. Maar de afgelopen nacht al hadden zij, ondanks veel inspanningen, niets gevangen; dan was er nu, midden op de dag, helemaal niets te verwachten.

Maar met de aanspreekvorm Επιστατa [van Επιστατης] erkent Petrus Jezus als leider: "Als u het zegt, ok, maar iemand anders zou me daartoe niet kunnen overhalen!".

 

Een verdere vergelijking met de verslagen van Mattheüs en Markus, leidt vrijwel tot de conclusie dat er van verschillende gebeurtenissen sprake moet zijn. In Mt 4 lezen wij dat Jezus langs het meer liep en de broers Simon Petrus en Andreas bezig zag hun werpnet in het meer te werpen. Dat net was volgens de Griekse tekst een αμφιβληστρον, een rond net dat met een zwaaiende beweging op het water wordt uitgespreid, waarbij de visser op de oever of op een ondiepe plaats in het water staat.

 

In Lk 5 is de situatie anders; daar wordt alleen melding gemaakt van de δικτυα, netten die voor een andere wijze van visvangst worden gebruikt, namelijk in diep water en vanuit een boot worden neergelaten.

Bij Lukas is ook de intentie van het verhaal anders dan bij Mattheüs en Markus. Bij Lukas ervaart Petrus dat onder leiding van Jezus de netten voor het vangen van mensen niet tevergeefs zullen worden uitgeworpen. Een kolossale ‘vangst’ is verzekerd!

 

Bij de twee andere synoptici ligt de nadruk op het gezag van Jezus waarmee hij zijn discipelen roept: een roeping die onweerstaanbaar is.

Zowel van Petrus en Andreas als van Jakobus en Johannes wordt verhaald dat zij aanstonds hun netten resp. de boot en hun vader achterlieten en hem volgden (Mt 4:18-22).

 

ιδων δε Σιμων Πετρος προσεπεσεν τοις γονασιν Ιησου λεγων, Εξελθε απ εμου, οτι ανηρ αμαρτωλος ειμι, κυριε· θαμβος γαρ περιεσχεν αυτον και παντας τους συν αυτω επι τη αγρα των ιχθυων ων συνελαβον, ομοιως δε και Ιακωβον και Ιωαννην υιους Ζεβεδαιου, οι ησαν κοινωνοι τω Σιμωνι. και ειπεν προς τον Σιμωνα ο Ιησους, Μη φοβου· απο του νυν ανθρωπους εση ζωγρων. και καταγαγοντες τα πλοια επι την γην αφεντες παντα ηκολουθησαν αυτω.

 

8-11 Toen nu Simon Petrus dit zag, viel hij aan Jezus’ knieën neer, zeggend: Ga uit mij weg, want ik ben een zondig man, Heer. Want ontzetting had hem en allen die bij hem waren aangegrepen over de vangst van de vissen die zij hadden binnengehaald. Evenzo ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedéüs, die deelgenoten van Simon waren. En Jezus zei tot Simon: Vrees niet, vanaf nu zul je mensen vangen ten leven. En nadat zij de boten aan land hadden gebracht, verlieten zij alles en volgden hem.

 

Hiervóór was Petrus getuige geweest van wonderbare daden die door Jezus waren gedaan, maar van deze visvangst, welke hij krachtens zijn beroep ten volle naar waarde kan schatten, staat hij meer dan versteld. Hij onderscheidt dat de Messias zelfs kan ingrijpen in de redeloze natuur. Een dergelijk persoon moet wel bijzonder groot zijn in heiligheid.

 

In het besef daarvan ziet hij plotseling in hoe schril hijzelf daarbij afsteekt. Zich diep bewust van eigen onheiligheid, bedient hij zich van precies dezelfde uitdrukking die we Jezus hebben horen gebruiken bij het gebieden der demonen, om uit iemand weg te gaan (Lk 4:35): Ga uit mij weg, Heer!

Gezien de situatie - tezamen in een boot die zich in diep water bevindt - kan Jezus uiteraard niet fysiek bij hem vandaan gaan. Daarom bedoelt hij kennelijk dat hij zichzelf niet waardig acht nog langer Jezus’ invloed op zijn leven te ervaren.

 

Petrus’ innerlijke beleving komt overeen met die van Jesaja, die bij het aanschouwen van de heerlijkheid van de drievoudig heilige YHWH in het tempelvisioen, uitriep: Wee mij! Ik verga; want ik ben een man onrein van lippen, en ik woon te midden van een volk dat onrein van lippen is; en mijn ogen hebben de Koning, YHWH der legerscharen gezien (Js 6:1-5).

 

Omdat Lukas’ voorstelling van de roeping van de vier meest betrokken leerlingen verschilt van de traditie waarop Mattheüs en Markus zich baseren, 'rammelt' het slot enigszins. Jezus’ verzekering Vrees niet, vanaf nu zul je mensen vangen ten leven, wordt tot Petrus gericht, maar vers 11 laat zien dat alle betrokkenen zich onvoorwaardelijk met Jezus verbonden doordat zij resoluut al hun gewone bezigheden achter zich lieten.

Blijkbaar wil de geest der inspiratie bij de lezer de indruk vestigen dat Petrus naar Gods wil de persoon is die de leiding moet nemen in het ten leven vangen van de toekomstige leden der Christelijke Gemeente, waarbij de anderen zullen optreden als zijn deelgenoten.

 

In de Handelingen vinden we beschreven dat de zaken inderdaad volgens dat patroon zijn verlopen. Maar dat Bijbelboek toont ook dat het grote succes waarmee in de periode vanaf Pinksteren discipelen werden gewonnen voor het koninkrijk Gods, voorschaduwd werd door Jezus’ bovennatuurlijke macht om vissen op onweerstaanbare wijze in de netten der vissers te drijven.

En die figuurlijke vissen werden inderdaad gevangen en in leven gelaten, wat de eigenlijke betekenis is van het werkwoord ζωγρεω. Letterlijke vissen sterven al vlug nadat ze gevangen zijn, maar zij die door God worden geroepen om met Jezus verenigd te worden in het koninkrijk Gods, zijn [zelfs] uit de dood tot het leven overgegaan (Jh 5:24; 1Jh 3:14). Vergelijk voor ζωγρεω ook 2Tm 2:26.

 

b. Genezing van een melaatse (5:12-16)

 

Kαι εγενετο εν τω ειναι αυτον εν μια των πολεων και ιδου ανηρ πληρης λεπρας· ιδων δε τον Ιησουν πεσων επι προσωπον εδεηθη αυτου λεγων, Κυριε, εαν θελης δυνασαι με καθαρισαι. και εκτεινας την χειρα ηψατο αυτου λεγων, Θελω, καθαρισθητι· και ευθεως η λεπρα απηλθεν απ αυτου. και αυτος παρηγγειλεν αυτω μηδενι ειπειν, αλλα απελθων δειξον σεαυτον τω ιερει, και προσενεγκε περι του καθαρισμου σου καθως προσεταξεν Μωυσης, εις μαρτυριον αυτοις. διηρχετο δε μαλλον ο λογος περι αυτου, και συνηρχοντο οχλοι πολλοι ακουειν και θεραπευεσθαι απο των ασθενειων αυτων· αυτος δε ην υποχωρων εν ταις ερημοις και προσευχομενος.

 

12-16 En het geschiedde toen hij in één van de steden was, en zie, een man vol van melaatsheid. Toen hij nu Jezus zag, viel hij op het aangezicht en smeekte hem, zeggend: Heer, indien gij wilt, kunt gij mij reinigen. En hij strekte de hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil, word gereinigd! En terstond week de melaatsheid van hem. En hij beval hem [het] aan niemand te zeggen: Maar ga heen, toon jezelf aan de priester en offer voor je reiniging zoals Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. Maar het bericht over hem verbreidde zich des te meer; en vele menigten kwamen samen om te horen en van hun ziekten genezen te worden. Hij trok zich echter terug in de eenzame plaatsen en bad.

 

Bij de beide andere synoptici verschijnt deze geschiedenis eveneens, in Mt 8:2-4, resp. Mr 1:40-45. Bij Mattheüs lijkt de reiniging van de lepralijder plaats te hebben gevonden direct na de Bergrede (Mt 8:1-2), maar uit Lukas blijkt dat ze daaraan voorafging.

Markus lijkt het juiste verband te hebben: De genezing geschiedde na Jezus’ vertrek uit Kapernaüm, tijdens één van zijn tochten door Galilea. Lukas sluit zich wat dit betreft weer bij Markus aan en geeft zelfs een plaatsbepaling aan, hoewel vaag: in één van de steden. Maar wel geheel in overeenstemming met wat hij eerder schreef in 4:43 > Ook aan de andere steden moet ik het koninkrijk Gods als goede tijding verkondigen, want daartoe werd ik uitgezonden.

 

Dat Mattheüs afwijkt en het gebeuren laat volgen op de Bergrede, heeft te maken met het feit dat hij het bewijs wil leveren dat Jezus ook zelf de eerbied voor de Wet bezit waarvan hij in zijn beroemde toespraak getuigde.

Zie Mt 5:17-20.

 

Ook in de beschrijving van de zieke man is Lukas heel precies. Als arts constateert hij dat de man vol van melaatsheid is; een zeer ernstig geval derhalve. De ziekte was in een ver stadium; blijkbaar was hij geheel overdekt met de symptomen van de ziekte: Bultige zwellingen en/of wegterende ledematen. Vergelijk Nm 12:9-12.

 

Onder de Wet hadden de priesters een begeleidende taak in verband met deze aandoening. Een priester moest beslissen of iemand in quarantaine moest worden geplaatst, of beoordelen dat hij/zij juist als rein kon worden bezien. In het laatste geval moest de betrokkene zich ook ceremonieel volgens de Wet reinigen, en de geëigende offers brengen. In de hoofdstukken 13 en 14 van het Bijbelboek Leviticus worden deze zaken zeer uitvoerig aan de orde gesteld.

 

In dit geval heeft de ernstig zieke man kennelijk veel gehoord over Jezus’ wonderdaden. Daardoor is hij er van overtuigd geraakt dat Jezus bij machte is ook hem te genezen; dienaangaande koestert hij geen twijfel. Waar hij wél zijn twijfels over heeft is het feit of Jezus het ook wil. Was hij een genezing wel waardig? De man kan heel goed in zulke termen gedacht hebben omdat in die tijd deze en andere ernstige aandoeningen als een straf van YHWH werden beschouwd. Vergelijk Jh 9:1-2.

 

En hij strekte de hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil, word gereinigd!

Met het uitstrekken van zijn hand geeft Jezus te kennen dat hij inderdaad over de macht beschikt die de man bij hem veronderstelt. Maar ook dat het zijn wens is dat de man gereinigd wordt, wat blijkt uit het feit dat hij de zieke werkelijk aanraakt.

Volgens Lv 15:7 maakte de aanraking van een onreine iemand zelf ook onrein. Maar in dit geval gebeurt juist het omgekeerde: De man krijgt de bevestiging van zijn geloof; hij wordt ogenblikkelijk geheel gereinigd. Jezus handelt naar de profetie van Js 53:4, en maakt zich deelgenoot van de man door diens ziekte op zich te nemen.

 

Op de Pinksterdag zou Petrus tot zijn Joodse broeders over zulke wonderen als deze, het volgende zeggen:

 

Mannen, Israëlieten, hoort deze woorden: Jezus de Nazarener, een man die door God aan jullie is voorgesteld door krachtige werken en wonderen en tekenen, welke God door zijn tussenkomst in jullie midden heeft gedaan, gelijk gijzelf weet.

Hn 2:22

 

En dit is ook wat Jezus hier bij zijn publiek wil inprenten. Gezien datgene wat YHWH Elohim door zijn tussenkomst tot stand had gebracht, moesten degenen die daarvan getuigen waren geworden, zelf tot de juiste gevolgtrekking komen: God zelf wees Jezus van Nazareth aan als de beloofde Messiaanse koning.

En precies ook om die reden ‘verbood’ hij de mensen bij herhaling alle ophef over hem.

 

In dit geval was er iets wat de voormalige lepralijder wél kon en óók moest doen: Zich aan de priester laten zien en de vereiste offerprocedures nakomen. In dat geval zou de priesterklasse de juiste indruk krijgen van Jezus: Of hij nu – ook voor hen - de Messias was of niet, hij betoonde zich in ieder geval getrouw aan de Torah!

Daarbij is het goed om in gedachten te houden dat binnen rabbijnse kringen de genezing van een melaatse vrijwel gelijk staat aan de opwekking van een dode, en een krachtige aanwijzing voor de nabijheid van het Rijk der Messias.

 

Markus vertelt dat de man, tegen Jezus’ gebod in, om - buiten het doen van de noodzakelijk wettelijke stappen- verder geen ruchtbaarheid aan zijn reiniging te geven, juist het tegenovergestelde deed: Maar nauwelijks was hij buiten of hij begon druk te spreken en het voorval ruchtbaar te maken, zodat hij niet meer openlijk in een stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen vertoefde. En van alle kanten kwam men naar hem toe (Mr 1:45).

 

c. Genezing van een verlamde (5:17-26)

 

Και εγενετο εν μια των ημερων και αυτος ην διδασκων, και ησαν καθημενοι Φαρισαιοι και νομοδιδασκαλοι οι ησαν εληλυθοτες εκ πασης κωμης της Γαλιλαιας και Ιουδαιας και Ιερουσαλημ· και δυναμις κυριου ην εις το ιασθαι αυτον.

 

17 En het geschiedde op zekere dag toen hij aan het onderwijzen was, dat er ook Farizeeën en leraren der Wet gezeten waren, die uit elk dorp van Galilea en Judea en Jeruzalem waren gekomen. En er was kracht van de Heer zodat hij gezond kon maken.

 

Lukas bedient zich van een hyperbool: Leden van de sekte der Farizeeën en wetgeleerden zouden uit alle dorpen in het Joodse land en ook vanuit de stad Jeruzalem samengekomen zijn in Petrus’ huis te Kapernaüm. Vergelijk Mk 2:1-2.

Waarschijnlijk wil de Evangelist ons met deze overdrijving kennis laten maken met de klasse der religieuze leiders die zich steeds meer gingen ontpoppen als Jezus’ ergste tegenstanders. Een tekening daarom van de algemene situatie rond Jezus: Altijd en overal waren die lieden present om hem in zijn doen en laten te bespieden, daarbij er voortdurend op uit hem te betrappen op zogenaamde ‘overtredingen’.

 

En er was kracht van de Heer zodat hij gezond kon maken

Een zeer bijzondere mededeling, waarbij als vanzelfsprekend vragen opkomen als: Hoe kon dat worden vastgesteld? Hoe werd dit door Jezus ervaren?

 

Uit een vergelijking met Mr 6:5 mogen wij blijkbaar afleiden dat Jezus ook zelf geheel afhankelijk was van de nabijheid van Gods geest, ja, zelfs van Gods bereidheid om de krachtige werking daarvan al dan niet te kunnen aanwenden.

Alleen wanneer zijn Vader het wenselijk oordeelde, verrichtte hij krachtige werken, wonderen en tekenen door de tussenkomst van zijn Zoon (Ps 103:2-3; Hn 2:22).

In onze tekst is de situatie kennelijk dusdanig dat Jezus, terwijl hij in Petrus’ woning aan het onderwijzen is, in zichzelf gewaar wordt dat Gods helende kracht hem ter beschikking staat. De Vader bereidt hem al voor op wat komen gaat: De poging van enkele mannen om een verlamde broeder dicht bij hem te brengen. Vergelijk Lk 8:46.

 

και ιδου ανδρες φεροντες επι κλινης ανθρωπον ος ην παραλελυμενος και εζητουν αυτον εισενεγκειν και θειναι [αυτον] ενωπιον αυτου. και μη ευροντες ποιας εισενεγκωσιν αυτον δια τον οχλον αναβαντες επι το δωμα δια των κεραμων καθηκαν αυτον συν τω κλινιδιω εις το μεσον εμπροσθεν του Ιησου. και ιδων την πιστιν αυτων ειπεν, Ανθρωπε, αφεωνται σοι αι αμαρτιαι σου.

 

18-20 En zie, mannen droegen op een bed een mens die verlamd was, en zij deden pogingen hem binnen te brengen en hem voor zijn aangezicht neer te leggen. En daar zij vanwege de menigte geen manier vonden hem binnen te brengen, gingen zij het dak op en lieten hem met het kleine bed neer door de daktegels, midden vóór Jezus. En toen hij hun geloof zag, zei hij: Mens, je zonden zijn je vergeven.

 

Wanneer wij de verslagen der synoptici combineren, ontvouwt zich voor de toeschouwer het volgende tafereel:

Vier mannen die op een klein rustbed hun verlamde broeder dragen, stellen alles in het werk om vlak bij Jezus te komen, zodat deze hem kan aanraken en genezen. Ze bezitten kennelijk dezelfde overtuiging als de lepralijder uit de vorige perikoop. Voor Jezus is het slechts een kwestie van willen. Maar het lukt hen niet zich door de menigte heen te worstelen.

Wat nu te doen? Wachten tot Jezus naar buiten komt? Dat blijkt voor hen geen optie te zijn; kennelijk kan de zaak wat hen betreft geen uitstel lijden.

Zij dragen de man met bed en al langs de buitentrap naar het platte dak, breken de leemachtige bedekking tussen de balken weg en laten hun broeder naar beneden zakken, vlak voor Jezus.

 

Kennelijk maakt de zieke zich, niet geheel onterecht, zorgen hoe er door de bewoners en de andere mensen op deze rigoureuze actie gereageerd zal worden. Want er moet toch op z’n minst enig stof en puin op de aanwezigen terecht zijn gekomen! Maar Jezus bemoedigt hem en zegt: Heb moed, mijn zoon, je zonden zijn je vergeven.

Die woorden onthullen wellicht nog meer: De verlamde had nog andere zorgen. Terwijl zijn vier metgezellen vol vertrouwen waren op een goede afloop, koesterde hijzelf misschien twijfels of zijn verkeerde daden geen beletsel waren voor genezing.

 

Volgens de joodse opvattingen van die tijd was er immers een oorzakelijk verband. Ook in de Talmoed treft men die opvatting aan: Geen dood zonder zonde en geen lijden zonder schuld…De zieke zal van zijn ziekte niet o