Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Brief van Jakobus

De Brief van Jakobus

 

Inhoud

Inleiding

Jakobus 1

A.    Over de christelijke levenswijsheid (1:1 – 3:18

1. Opschrift (1:1)

2. Gedrag onder beproevingen (1:2-18)

     a. Volharding en bidden om wijsheid (1:2-8)

     b. Vergankelijkheid van aardse grootheid (1:9-12)  

     c. Verzoeking komt niet van God (1:13-18)

3. Het woord Gods horen én volbrengen (1:19-25)

4. Zuivere godsdienst (1:26-27)

Jakobus 2

5. Begunstiging onjuist (2:1-13)

6. Geloof en werken (2:14-26)

Jakobus 3

7. De gevaren van de tong (3:1-12)

8. Ware en valse wijsheid (3:13-18)

Jakobus 4 

B. Praktische vermaningen (4:1 – 5:20)

1. Onderlinge twisten onjuist (4:1-3)

2. God en de wereld (4:4-10)

3. Geen kwaadsprekerij (4:11-12)

4. God kennen in je plannen (4:13-17)

Jakobus 5

5. Ontmaskering van de corrupte rijkdom (5:1-6)

6. Geduldig wachten op de paroesie (5:7-11)

7. Lichtvaardig zweren vermijden (5:12)

8. De kracht van het gebed (5:13-18)

9. Hulp tot terugkeer bij afdwaling van de waarheid (5:19-20)

Naschrift

 

Inleiding

 

Volgens Jakobus 1:1 luidt de adressering: Aan de twaalf stammen in de diaspora.

Overigens is het van niet minder belang om naar de afzender te kijken en te letten op zijn specifieke achtergrond, t.w. Jakobus, de halfbroer van Yeshua.

 

Rond het jaar 49/50 AD was deze Jakobus binnen de Joods-christelijke gemeenschap van Jeruzalem een vooraanstaand figuur. Dat blijkt uit de twee Bijbelverslagen die details verstrekken over het apostelconvent waar de besnijdeniskwestie werd besproken.

 

Handelingen 15:13-21

Op een zeker moment treedt Jakobus met veel initiatief op. Hij vat samen wat tot dan toe was besproken, voegt er zijn eigen gezaghebbend commentaar aan toe en komt met een passend voorstel.

 

Galaten 2:8-9

Paulus en Barnabas hebben blijkbaar bij een eerdere gelegenheid afzonderlijke besprekingen gehad met degenen die pilaren schenen te zijn, van wie Jakobus als eerste wordt vermeld, naast Petrus en Johannes.

Bij die ontmoeting kwam men tot overeenstemming op het punt van de "doelgroepen". Jakobus, Petrus en Johannes zouden zich op de Joden, de besnedenen, blijven concentreren; Paulus en Barnabas vooral op de Heidenvolken.

 

Hieruit kunnen wij afleiden dat Jakobus zich in het bijzonder zou blijven bezighouden met Joodse mensen van wie sommigen tot het Christendom zouden overgaan. Precies zoals hij eerder had gedaan, getuige zijn Brief waarvan de inhoud aansluit op die verslagen in de Handelingen welke gebeurtenissen vermelden die aan 49 AD voorafgingen.

 

Berichten buiten de Bijbel om laten ons weten dat Jakobus, tot aan zijn gewelddadige dood in 62 AD, ook onder Joden die geen christenen waren in hoog aanzien stond. Hoe is dat te verklaren? Omdat er in die dagen nog betrekkelijk weinig scheiding bestond tussen de "Synagoge" en de Joods-christelijke gemeenschap. Pas in de periode van ongeveer 80 tot 90 AD werd het noodzakelijk geacht dat gelovigen zich uitdrukkelijker zouden distantiëren van de Synagoge. Onthullend in dit opzicht is een ander verslag in het boek Handelingen waarin Jakobus op de voorgrond treedt, rond het jaar 57, wanneer Paulus na afloop van zijn Derde zendingsreis te Jeruzalem aankomt.

 

Handelingen 21:17-24

Dit lijkt ons thans volkomen onbegrijpelijk. Vers 20: Onder de Joden duizenden gelovigen en allen vol ijver voor de Wet [van Mozes]. En bovendien Jakobus die Paulus aanraadt zich als een Jood te gedragen en Joodse gebruiken in acht te nemen, zelfs om de kosten van de dierlijke slachtoffers te dragen voor de vier Nazireeërs. En waarom? Dan zouden alle Joodse christenen tot de conclusie komen dat Paulus zelf ook ordelijk wandelde naar de Wet!

 

Het bovenstaande verschaft achtergrondinformatie waarom wij de adressering Aan de twaalf stammen in de diaspora letterlijk moeten opvatten en zeker niet in een geestelijke betekenis, alsof de Christelijke Gemeente opgedeeld zou kunnen worden in 12 stammen. Jakobus richt zich tot alle Joden buiten Palestina die overal verstrooid zijn.

Onder hen waren 3 hoofdgroepen te onderscheiden: de Babylonische, de Syrische en de Egyptische, van wie de leden overigens geregeld naar de feesten in Jeruzalem kwamen en met wie de Joden te Jeruzalem, zoals Jakobus zelf, uiteraard contact onderhielden (zie Handelingen 2:8-11).

 

Maar Jakobus richt het merendeel van zijn opmerkingen tot zijn Joodse broeders die Yeshua als de Masjiach hadden aanvaard (Jk 2:1), in de wetenschap dat de Brief toch hoofdzakelijk door hen gelezen zou worden. De ongelovige Joden blijven evenwel niet buiten beschouwing.

Op dit punt spreekt de inhoud van de Brief voor zich. Op de achtergrond speelt voortdurend de Joodse situatie. Geen enkele maal wordt er gerefereerd aan Heidengelovigen of aan iets dat specifiek op hen van toepassing zou zijn in, bijvoorbeeld, de waarschuwingen of de vermaningen. Enkele opvallende passages:

 

1:18

Omdat hij het wilde bracht hij ons voort met [het] woord der waarheid, opdat wij een zekere eerstelinggave van zijn schepselen zouden zijn.

 

De Jodenchristenen zijn een zekere eerstelinggave. Aan hen werd het Evangelie het eerst verkondigd (Handelingen 3:26; Romeinen 1:16).

Dit duidt waarschijnlijk op een vroege datum van de Brief. Velen menen zelfs vóór 49 AD.

 

2:1-9

In dit deel ligt veel nadruk op de Wet, in het bijzonder de koninklijke wet (vers 8), verwijzend naar Leviticus 19:18 en door Yeshua geciteerd in Mattheüs 22:39 binnen een joodse setting (22:35-40).

Maar let vooral op vers 2 (letterlijk naar het Grieks): Want als er in jullie synagoge een man binnenkomt, goudgeringd, in smaakvolle kleding…etc.

 

2:19

Letterlijk: Jij gelooft dat God één is, daar doe je goed aan!

Dit kan als doorslaggevend beschouwd worden. Iets dergelijks kan slechts tot Joden gericht zijn. Waarom?

Het betreft namelijk een verwijzing naar het sjema, gebaseerd op Deuteronomium 6:4 (letterlijk naar het Hebreeuws): Luister o Israël: YHWH onze God, YHWH één.

Eén bron zegt: "Het sjema is een centraal onderdeel van de aanbidding in de synagoge".

 

4:1-4

Hier ziet Jakobus duidelijk voorbij de grenzen van de Gemeente naar de ongelovige Joden die in de nabijheid van de Joodse christenen verkeerden.

Jakobus’ schrijfstijl stemt hier overeen met die van de Oudtestamentische profeten.

Vers 4 correspondeert bijvoorbeeld duidelijk met Ezechiël 23:27 en het geheel van het Bijbelboek Hosea. Wanneer men daarbij in aanmerking neemt dat het volgende hoofdstuk verwijst naar de nabijheid van Yeshua’s paroesie Jk (5:8), dan wordt dit Schriftdeel op verrassende wijze tot een openbaring voor de Eindtijd:

 

Masjiach-(Yeshua) belijdende Joden moeten in de 70e Jaarweek mede door deze passage tot het inzicht komen dat het huidige Zionistische ideaal, waarbij de in 1948 eigenmachtig gestichte staat Israël zich slechts met veel bloedig geweld wist te handhaven, alsmaar meer rampspoed heeft opgeleverd en dat het niet Gods ondersteuning genoot.

 

In dit licht gezien krijgen de aan de Christelijke Gemeente altijd wezensvreemd gebleven woorden eindelijk hun ware zin:

 

1 Vanwaar oorlogen en vanwaar gevechten bij jullie? [Komen ze] niet hiervandaan: uit jullie zinnelijke genoegens, die strijd voeren in jullie leden?

2 Jullie begeren en bezitten niet; jullie moorden en zijn na-ijverig, en jullie kunnen niet verkrijgen; jullie vechten en voeren oorlog. Jullie bezitten niet omdat jullie niet vragen.

3 Jullie vragen en ontvangen niet; jullie vragen namelijk met een verkeerde bedoeling, om het aan jullie zinnelijke genoegens te besteden.

4 Overspeelsters, weten jullie niet dat de vriendschap der wereld vijandschap jegens God is? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn betoont zich een vijand van God.

 

5:1-6

Ook hier is het overduidelijk dat Jakobus de rijke, onheilige Joden hekelt naar de wijze van de Oudtestamentische profeten. In vers 7 onderscheidt hij hen, bij wijze van tegenstelling, van degenen die hij als zijn ware broeders ziet binnen de Joodse gemeenschap.

Door naar de paroesie, de tegenwoordigheid van Masjiach Yeshua, te verwijzen waarop die broeders – en vanzelfsprekend wij allen – geduldig moeten wachten, wordt dit schriftdeel 5:1-7 extra interessant. Waarom?

 

Dezelfde tegenstelling is namelijk zichtbaar in, bijvoorbeeld, Jesaja 2:5-9, een Schriftgedeelte dat onderdeel is van een eindtijdvoorzegging (Jesaja 2:1-4). In de Eindtijd zal inderdaad een gelovig Joods overblijfsel door God verwekt worden om opnieuw als zijn getuigen te dienen (Jesaja 43:10-12; Openbaring 11:3). Maar het merendeel der Joden zal toch niet uit hun eeuwenlange verharding terugkeren. Slechts een overblijfsel [onder hen] zal terugkeren (Jesaja 10:22).

 

5:14-15

Een passage waarmee Christenen tot op de dag van heden niet echt raad weten. Het is dan ook vol van Joodse elementen. Zie Markus 6:13.

Binnen Evangelische kringen baseert men op deze passage de zogeheten 'ziekenzalving', en de RK-kerk leidt er het sacrament 'heilig oliesel' van af. Onterecht, als men zich de adressering van de Brief weer te binnen roept.

 

Hierna wordt een vertaling van de Griekse tekst gepresenteerd, aangevuld met een beperkte exegese. Wij geven vooral bij dit Bijbelboek er de voorkeur aan om 'Schrift met Schrift te verklaren'. 

 

Jakobus 1

 

A. Over de christelijke levenswijsheid (1:1 – 3:18)

 

1. Opschrift (1:1)

 

1  Ιακωβος θεου και κυριου Ιησου Χριστου δουλος ταις δωδεκα φυλαις ταις εν τη διασπορα χαιρειν.

Jakobus, slaaf van God en Heer Yeshua Masjiach, aan de twaalf stammen in de diaspora: Gegroet!

 

Jakobus beschrijft hier de situatie van het Joodse volk zoals die in zijn dagen al eeuwenlang bestond en die ook tot nu toe nog heeft voortgeduurd, verstrooid onder de vele andere volken in de wereld. In veel Bijbelpassages wordt die verstrooiing genoemd, maar ook dat er in de Eindtijd voor dat oude Gods volk Israël (Jakob) herstel zal aanbreken en terugkeer naar het eigen land. De oudste van zulke aankondigingen vinden wij in Devarim (Deuteronomium) 30. 
Nadat YHWH Elohim in de voorafgaande hoofdstukken herhaaldelijk had aangekondigd dat Israël het in de diaspora zwaar te verduren zou krijgen, heeft zijn spreekbuis Mosjeh gelukkig ook een vertroostende aankondiging: 


Het zal gebeuren, wanneer al deze dingen, de zegen en de vervloeking die ik jullie heb voorgehouden, over jullie komen, dat jullie het ter harte zullen nemen onder alle volken waarheen YHWH, jullie God, jullie verdreven had. En jullie zullen terugkeren tot YHWH, jullie God, en zijn stem gehoorzaam zijn. Jullie en jullie kinderen, met heel je hart en met heel je ziel, overeenkomstig alles wat ik jullie heden gebied. Dan zal YHWH, jullie God, een keer brengen in jullie gevangenschap en jullie barmhartigheid betonen. Hij zal jullie weer bijeenbrengen uit al de volken waarheen YHWH, jullie God, jullie verstrooid had. Al bevonden jullie verdrevenen zich aan het einde van de hemel, YHWH, jullie God, zal jullie van daar bijeenbrengen en jullie vandaar weghalen. En YHWH, jullie God, zal jullie voorzeker terugbrengen naar het land dat jullie vaderen in bezit hadden. Jullie zullen het weer in bezit nemen, en hij zal jullie goeddoen en jullie nog meer vermenigvuldigen dan jullie vaderen. YHWH, jullie God, zal [dan] jullie hart en het hart van jullie nageslacht besnijden, om YHWH, jullie God, lief te hebben met heel jullie hart en met heel jullie ziel, opdat jullie zullen leven (Dt 30:1-6).

 

2. Gedrag onder beproevingen (1:2-18)

 

a. Volharding en bidden om wijsheid (1:2-8)

 

2  Πασαν χαραν ηγησασθε, αδελφοι μου, οταν πειρασμοις περιπεσητε ποικιλοις,

Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer jullie allerlei beproevingen overkomen,

3  γινωσκοντες οτι το δοκιμιον υμων της πιστεως κατεργαζεται υπομονην·

wetend dat de beproefdheid van jullie geloof volharding bewerkt.

 

Over de beproefdheid van jullie geloof zou ook Petrus later soortgelijke dingen beschrijven: Opdat de beproefdheid van jullie geloof - veel kostbaarder dan van goud dat vergaat, ook al wordt het door vuur beproefd - tot lof en heerlijkheid en eer wordt bevonden in [de] openbaring van Yeshua Masjiach (1Pt 1:7).

Tο δοκιμιον betekent letterlijk de getoetste hoedanigheid; duidend op een geloof dat de toets van beproeving met goed gevolg heeft doorstaan. Beproevingen hoeven dus niet noodzakelijk negatief bezien te worden. Ze kunnen zelfs tot iemands voordeel zijn! Het geloof kan er door verrijkt worden, en wel in de zin dat het een beproefde hoedanigheid heeft verkregen; het maakte met succes een periode van moeilijkheden door.

 

4  η δε υπομονη εργον τελειον εχετω, ινα ητε τελειοι και ολοκληροι, εν μηδενι λειπομενοι.

Maar laat de volharding een volmaakt werk hebben, opdat gij volgroeid moogt zijn en in elk opzicht volledig, in niets te kort schietend.

 

Jakobus is hier geheel in overeenstemming met Yeshua’s waarschuwing in Mt 10:22 en 24:13, tot het einde toe volharden om gered te worden. Ook Petrus heeft zijn mede Joden dienaangaande aangemoedigd (in 2Pt 3:1) :  Daarom, geliefden, aangezien gij deze dingen verwacht, beijvert je om zonder smet en onberispelijk voor hem te worden bevonden in vrede. 

En ook hier is sprake van een goed resultaat wanneer men zich nederig aan eventuele onvermijdelijke moeilijkheden onderwerpt; ja, wellicht zelfs aan bepaalde vormen van lijden! Klagen, of zelfs murmureren, deprimeert, maar volharding leidt tot een versterkt en gelouterd geloof. Yeshua zelf zei daarover positieve dingen: Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk je hemelse Vader volmaakt is.

 

5  Ει δε τις υμων λειπεται σοφιας, αιτειτω παρα του διδοντος θεου πασιν απλως και μη ονειδιζοντος, και δοθησεται αυτω.

Indien echter iemand van jullie in wijsheid te kort schiet, moet hij bij de God vragen die aan allen zonder voorbehoud geeft en geen verwijten maakt, en ze zal hem gegeven worden.

 

Volgens Psalm 73 schijnt Asaf zo’n periode doorgemaakt te hebben. Hij was bijna afgunstig geworden op de pochers en op de vrede en voorspoed van mensen die geheel buiten God om leven. Totdat hij goddelijk inzicht verkreeg en constateerde: Op een glibberige bodem plaatst gij hen. Gij hebt hen tot puinhopen doen vervallen… Door plotselinge verschrikkingen zijn zij aan hun eind gekomen… Maar ik ben voortdurend bij u; gij hebt mijn rechterhand gevat. Met uw raad zult gij mij leiden, en daarna zelfs tot heerlijkheid voeren.

Vergelijk ook Lukas18:1-8 en de toelichting daarop.

 

6  αιτειτω δε εν πιστει, μηδεν διακρινομενος, ο γαρ διακρινομενος εοικεν κλυδωνι θαλασσης ανεμιζομενω και ριπιζομενω·

Hij moet echter in geloof vragen, volstrekt niet twijfelend. Want wie twijfelt, is gelijk een golf der zee, voortgedreven door de wind en heen en weer geslingerd.

 

Elk lid van het Eindtijdoverblijfsel kan in vertrouwen gehoor geven aan Psalm 62 >>

Hij is mijn rots en mijn redding, mijn veilige hoogte. Ik zal nooit wankelen. Van God hangt mijn redding en mijn heerlijkheid af. Mijn sterke rots, mijn schuilplaats, is God. Vertrouw altijd op hem, o volk. Stort je hart voor hem uit. God is voor ons een schuilplaats.

(de vv 6 tm 8).

 

Vergelijk Ef 4:14, waar Paulus ook aan de leden van de hemelse Gemeente een overeenkomstige aanmoediging schreef: Opdat wij niet langer onmondigen zouden zijn, heen en weer geslingerd door golven en meegesleurd door elke wind van de leer in het valse spel der mensen, in sluwheid om door list te doen dwalen.

 

7  μη γαρ οιεσθω ο ανθρωπος εκεινος οτι λημψεται τι παρα του κυριου,

Want laat die mens niet menen dat hij iets van de Heer zal ontvangen;  

8  ανηρ διψυχος, ακαταστατος εν πασαις ταις οδοις αυτου.

hij is een man van tweeërlei gevoelen, onbestendig in al zijn wegen.

 

Man van tweeërlei gevoelen, weergave van διψυχος wat verwijst naar dubbelhartig, vooral in de zin van twijfel. De διψυχος mens twijfelt tussen waar en onwaar. Thomas was een dergelijke man; ook genoemd: Διδυμος, dubbel, tweevoudig (Jh 20:24-28).

De twijfelende persoon is ook onbestendig in al zijn wegen, Grieks ακαταστατος, d.i. grillig; wisselvallig. Zoals in Js 54:11 (volgens de LXX) >> Ταπεινη κα ακαταστατος… (Gering en onrustig/onbestendig).

   

b. Vergankelijkheid van aardse grootheid (1:9-12)

 

9  Καυχασθω δε ο αδελφος ο ταπεινος εν τω υψει αυτου,

Maar laat de geringe broeder zich beroemen op zijn hoogheid, 

10  ο δε πλουσιος εν τη ταπεινωσει αυτου, οτι ως ανθος χορτου παρελευσεται.

de Rijke daarentegen op zijn geringheid, omdat hij als een bloem van het gras voorbij zal gaan.

 

Het merendeel der (ware) gelovigen zijn mensen van geringe, eenvoudige afkomst. Gewoonlijk naamlozen, zoals Simeon die het voorrecht had de Masjiach als baby in zijn armen te mogen houden.

Zie: Simeon. En vergelijk 1Ko 1:26 >> Onder hen die door YHWH Elohim werden geroepen om leden van de hemelse Gemeente te zijn, waren niet veel wijzen naar het vlees, niet veel invloedrijken, niet velen van adel. 

Vooruit kijkend naar het Joodse Overblijfsel dat in de Eindtijd zal verschijnen, beklemtoont Jakobus onder inspiratie dat een eventueel rijke Jood beslist niet moet steunen op zijn veelheid aan financiële middelen. Want dat alles is vergankelijk. Ja, de kracht van rijkdom is zelfs bedrieglijk, zoals de Masjiach zelf opmerkte:

Het bedrog van de rijkdom verstikt het Woord (Mt 13:22). En, volgens Lk 6:24-25 >> Daarentegen wee jullie, de Rijken, want jullie hebben je vertroosting [reeds] ontvangen. Wee jullie die thans verzadigd zijn, want jullie zullen hongeren. Wee jullie die nu lachen, want jullie zullen treuren en wenen.  

 

De auteur Jakobus heeft zijn halfbroer dienaangaande blijkbaar goed beluisterd, want niet alleen hier, maar ook in 2:5-6 en vooral in de perikoop vanaf 5:1 laat hij krachtig uitkomen hoe slecht de vooruitzichten van de Rijken zijn. Zie ook hieronder, waain de Rijke vergeleken wordt met een mooie bloem die overigens snel verwelkt en verdort:

 

11  ανετειλεν γαρ ο ηλιος συν τω καυσωνι και εξηρανεν τον χορτον, και το ανθος αυτου εξεπεσεν και η ευπρεπεια του προσωπου αυτου απωλετο· ουτως και ο πλουσιος εν ταις πορειαις αυτου μαρανθησεται.

Want de zon ging op samen met de verzengende hitte en deed het gras verdorren, en zijn bloem viel af en de schoonheid van haar uiterlijk ging verloren. Evenzo zal ook de Rijke in zijn ondernemingen verwelken.

 

Het opgaan van de zon gaat in het Middenoosten dikwijls gepaard met een verzengende hitte. Denk aan Jona: Zodra de zon opging, beschikte God een gloeiende oostenwind en de zon stak op het hoofd van Jona, zodat hij amechtig neerzonk en wenste dat hij sterven mocht (Jn 4:8).

Zie voorts wat Yeshua in Lukas 12:15-21 vertelde over een zeker rijk mens, in het kader van hebzucht.

 

Opmerking: In Js 49:10 wordt profetisch gehint naar de in de Eindtijd verschijnende Antichristelijke Macht die voor zijn aanhang tenslotte tot een verschroeiende hitte (zon) zal zijn. Als contrast zal het dan opgerichte koninkrijk van Masjiach Yeshua voor het Joodse overblijfsel verkwikkend zijn:

En hij die op de troon zit zal zijn tent over hen vestigen. Zij zullen geen honger of dorst meer hebben; de zon noch enige andere hitte zal op hen vallen. Want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen geleiden naar bronnen van wateren des levens. En God zal elke traan uit hun ogen wegwissen (Op 7:15-17).

 

12  Μακαριος ανηρ ος υπομενει πειρασμον, οτι δοκιμος γενομενος λημψεται τον στεφανον της ζωης, ον επηγγειλατο τοις αγαπωσιν αυτον.

Gelukkig [de] man die onder beproeving volhardt; want deugdelijk gebleken zal hij de krans des levens ontvangen, die hij beloofde aan hen die hem liefhebben.

 

De belofte om de krans (of kroon) des levens te ontvangen correspondeert met

1Pt 5:4  >> En wanneer de Opperherder openbaar is gemaakt, zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.

Die Opperherder is Gods Zoon, Yeshua Masjiach. In Ezechiël 34 wordt hij door YHWH Elohim zelf, zijn Vader, geïdentificeerd als mijn Knecht David die voor hersteld Israël een vorst in hun midden zal zijn:

 

Ik zal mijn schapen verzorgen als een herder die zijn verdwaalde schapen vindt en voor ze zorgt. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verstrooid zijn op de dag van wolken en diepe duisternis. Ik zal ze bijeenbrengen uit de volken en ze verzamelen uit de landen en ze naar hun land brengen en ze verzorgen op de bergen van Israël, bij de stromen en bij alle woonplaatsen van het land… Ik zal één Herder over ze aanstellen, mijn Knecht David, en hij zal voor ze zorgen. Hijzelf zal ze verzorgen en hun Herder zijn. Ik, YHWH, zal hun God worden, en mijn Knecht David een vorst in hun midden. Ikzelf, YHWH, heb gesproken. Ik zal een vredesverbond met ze sluiten en ik zal het land verlossen van gevaarlijke wilde dieren, zodat ze veilig kunnen wonen in de woestijn en kunnen slapen in de bossen. Ik zal hen en de omgeving van mijn heuvel tot een zegen maken, en ik zal de regen laten vallen op de juiste tijd. Het zal zegeningen regenen.

 

c. Verzoeking komt niet van God (1:13-18)

 

13  μηδεις πειραζομενος λεγετω οτι Απο θεου πειραζομαι· ο γαρ θεος απειραστος εστιν κακων, πειραζει δε αυτος ουδενα

Laat niemand die verzocht wordt zeggen: "Ik word vanwege God verzocht". Want de God die niet met kwade dingen verzocht kan worden, verzoekt immers zelf niemand.

 

Omdat God volkomen heilig, zuiver en rein is, is hij απειραστος, d.i. in geen enkel opzicht ontvankelijk voor enige vorm van kwaad. Hij is onbeïnvloedbaar voor verzoeking met kwade dingen. Ook zal hij zelf er nooit toe overgaan iemand tot kwaaddoen aan te zetten bij wijze van beproeving.

 

14  εκαστος δε πειραζεται υπο της ιδιας επιθυμιας εξελκομενος και δελεαζομενος·

Maar ieder wordt verzocht doordat hij door de eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt.

 

Uiterlijke omstandigheden kunnen op zich een kracht tot verzoeking vormen, maar uiteindelijk is het de zondige drang in de persoon zelf die hem onder (zware) druk zet. Het werkelijke gevaar ligt besloten in

a. de Adamitische, zondige zwakheid die bovendien door Satan bespeeld kan worden; en

b. in de wijze waarop men reageert op de prikkel van buitenaf. Een verkeerd verlangen is de vader van de verkeerde daad, zoals het vervolg toont:

 

15  ειτα η επιθυμια συλλαβουσα τικτει αμαρτιαν, η δε αμαρτια αποτελεσθεισα αποκυει θανατον.

Vervolgens, wanneer de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; de zonde, eenmaal volgroeid, brengt dood voort.

 

Elke zonde kan dus tot de dood leiden! Zonde is immers een tekortschieten aan Gods maatstaf (Rm 6:23). Het gevaar is gelegen in het koesteren van verkeerde verlangens (begeerten). Wanneer aan zulke verlangens voortdurend voedsel wordt gegeven, worden ze tenslotte vruchtbaar en baart ze zonde.

Een daad van zonde spruit dus ten diepste voort uit een verkeerd verlangen dat net zolang is gevoed totdat de zonde als het ware ‘wordt geboren’. Zoals Ps 7:14 te kennen geeft: Let op degene die zwanger is van slechtheid. Hij is in verwachting van ellende en baart leugens. Dat een verkeerd verlangen gewoonlijk de vader wordt van een verkeerde daad, toonde Yeshua zonneklaar aan in Mt 5:28.

 

16  η πλανασθε, αδελφοι μου αγαπητοι.

Dwaalt niet, mijn geliefde broeders.

17  πασα δοσις αγαθη και παν δωρημα τελειον ανωθεν εστιν, καταβαινον απο του πατρος των φωτων, παρ ω ουκ ενι παραλλαγη η τροπης αποσκιασμα.

Louter goede gave en louter volmaakt geschenk is van boven, afdalend van de Vader der lichten, bij wie geen afwisseling bestaat of duisternis door omwenteling.

 

De vermaning om niet te dwalen verwijst terug op wat voorafging.

Het is een vergissing te denken dat verzoekingen bij God vandaan komen. Hij is juist de gever van al het goede, en wat hij schenkt bevordert het welzijn en geluk van de mens. Hij is de God van licht, niet van duistere zaken. Oók verandert hij niet van positie zoals de aarde die door omwenteling afwisselend in licht en duisternis verkeert.

 

18  βουληθεις απεκυησεν ημας λογω αληθειας εις το ειναι ημας απαρχην τινα των αυτου κτισματων

Omdat hij het wilde bracht hij ons voort met [het] woord der waarheid, opdat wij een zekere eerstelinggave van zijn schepselen zouden zijn.

 

Zie 1:18 in Inleiding

Dat zij "zekere" eerstelingen zijn geeft te kennen dat zij dit in een bepaald opzicht zijn. Er zijn nog andere eerstelingen: De leden van de hemelse Gemeente (Rm 8:23; 2Th 2:13).

De Joden genoten het voorrecht om als eersten het Evangelie te vernemen, wat helemaal in overeenstemming was met hun positie als uitverkoren volk, begunstigd om in een speciale toewijzing dienstbaar te zijn aan Gods voornemen met de mensheid. Aan hun voorvader Abraham deed YHWH Elohim immers de belofte dat in zijn zaad alle Heidenvolken de gelegenheid zouden krijgen zich te zegenen.

Vandaar het bekende gezegde: Eerst voor de Jood en ook voor de Griek. In de Eerste eeuw hield dat in dat het Evangelie van redding in Masjiach Yeshua het eerst tot Joodse mensen moest worden verkondigd (Rm 1:16).

 

Zoals Yeshua tot de Farizeeër Nicodemus, een regeerder der Joden, zei moesten de Joden als eersten opnieuw geboren worden, wilden zij het koninkrijk Gods binnengaan (Jh 3:1-5).

Vanwege het ongeloof van het merendeel der Joden echter, zag Saul van de stam Benjamin zich rond het jaar 46 AD genoodzaakt te verklaren: Het was nodig dat het Woord van God eerst tot jullie [Joden] gesproken zou worden, maar aangezien jullie het verwerpen en jezelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de Heidenvolken (Hn 13:46).

Maar ook voor de Eindtijd - bij het herstel van Israël – geldt dat, willen zij alsnog tot zegen worden voor de Heidenvolken, zijzelf eerst tot een eerstelingsgave voor God moeten worden. Wat profetisch is aangekondigd in Ez 36:24-28, zal zich alsnog aan hen moeten voltrekken:

 

Ik zal jullie uit de Heidenvolken halen en jullie uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik jullie naar je land brengen. Ik zal rein water op jullie sprenkelen en jullie zullen rein worden. Van al jullie onreinheden en van al jullie stinkgoden zal Ikje reinigen. Dan zal Ik jullie een nieuw hart geven en een nieuwe geest in je binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit je lichaam wegnemen en jullie een hart van vlees geven. Ik zal mijn geest in je binnenste geven. Ik zal maken dat jullie in mijn verordeningen wandelen en dat jullie mijn bepalingen in acht nemen en ze houden. Jullie zullen wonen in het land dat ik jullie vaderen gegeven heb. Jullie zullen een volk voor mij zijn en ik zal een God voor jullie zijn.

 

Zie: Een nieuw Huwelijksverbond

 

3. Het woord Gods horen én volbrengen (1:19-25)

 

19  Ιστε, αδελφοι μου αγαπητοι, εστω δε πας ανθρωπος ταχυς εις το ακουσαι, βραδυς εις το λαλησαι, βραδυς εις οργην·

Weet dit, mijn geliefde broeders, ieder mens moet vlug zijn om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn.

 

Jakobus’ vermaning geldt ieder mens, maar in context vooral hen die de eerstelinggave van het vorige vers (18) vormen. Zij moeten

a. Vlug zijn om te horen. Zoals Yeshua tijdens zijn bediening tot zijn Joodse volksgenoten zei: Wie uit God is, luistert naar de woorden van God (Jh 8:47).

b. Traag om te spreken. Pas wanneer zij eerst zelf zorgvuldig naar Gods woorden hebben geluisterd, kunnen zij op verantwoorde wijze anderen onderwijzen. Vergelijk Sp 17:27.

c. Traag tot toorn. Zie hieronder de verklaring:

 

20  οργη γαρ ανδρος δικαιοσυνην θεου ουκ εργαζεται.

Want [de] toorn van een man brengt niet Gods gerechtigheid voort.

 

Rechtvaardigheid kan zich niet ontplooien in een toornige gemoedsstemming. Eerder zal men iets doen waarvan men later spijt heeft. In ieder geval wordt de persoonlijkheid van God er niet door weerspiegeld. Het zal ook anderen er niet toe aanzetten de Schrift - d.i. God zelf die tot ons spreekt – te gehoorzamen.

Boos worden is trouwens een dermate slechte ‘reclame’ dat anderen zich kunnen gaan afvragen of het wel wenselijk is zich tot een God te wenden die zich bedient van personen die zulke kwalijke trekjes vertonen! Luister maar naar Sp 14:29 >> Wie niet snel kwaad wordt heeft veel inzicht, maar wie ongeduldig is toont zijn dwaasheid.

 

21  διο αποθεμενοι πασαν ρυπαριαν και περισσειαν κακιας εν πραυτητι δεξασθε τον εμφυτον λογον τον δυναμενον σωσαι τας ψυχας υμων.

Daarom - weggedaan hebbend alle vuilheid en overvloed van slechtheid - neemt met zachtmoedigheid het ingeplante woord aan, dat in staat is jullie zielen te redden.

 

Waarom spreekt Jakobus over het ingeplante woord? Omdat Joodse mensen van kindsbeen af door overerving het Woord gehoord hebben.

Voor hen is dat Woord zeer dichtbij: In jullie eigen mond en in jullie eigen hart (Dt 30:11-14).

 

Alle vuilheid is de weergave van πασαν ρυπαριαν en ρυπαρια is wel gedefinieerd als een 'vuil kleed', een metafoor voor morele verontreiniging (goddeloosheid).

 

Dat het Woord de kracht heeft om zielen te redden blijkt uit heel hoofdstuk 2 van Spreuken.

 

22  Γινεσθε δε ποιηται λογου και μη μονον ακροαται παραλογιζομενοι εαυτους.

Maar wordt daders van het woord en geen hoorders alléén, jezelf bedriegend.

23  οτι ει τις ακροατης λογου εστιν και ου ποιητης, ουτος εοικεν ανδρι κατανοουντι το προσωπον της γενεσεως αυτου εν εσοπτρω·

Immers, als iemand een hoorder is van het woord en geen dader, die is gelijk geworden aan een man die zijn uiterlijk waarmee hij geboren is, aandachtig beschouwt in een spiegel.

24  κατενοησεν γαρ εαυτον και απεληλυθεν και ευθεως επελαθετο οποιος ην.

Want hij beschouwde zichzelf aandachtig en is heengegaan en prompt vergat hij wat voor iemand hij was.

 

Er is geen nuttiger vermaning om in dit verband van vergeetachig horen en nalaten daarop verstandig te reageren, dan Ezechiëls ervaring. Lees mee in Ez 33 >>

Mensenzoon, je volksgenoten praten over je bij de muren en in de deuropeningen van de huizen. Ze zeggen tegen elkaar, elk tegen zijn broeder: “Kom, laten we eens horen wat het woord is dat van YHWH komt.” Ze zullen toestromen om vóór je te zitten als mijn volk, en ze zullen je woorden horen maar niet doen. Want met hun mond vleien ze je, maar hun hart is uit op oneerlijke winst. Voor hen ben je als een romantisch liefdeslied, gezongen met een mooie stem en goed gespeeld op een snaarinstrument. Ze zullen je woorden wel horen maar er niets mee doen. Wanneer het uitkomt, en het zal uitkomen, zullen ze moeten weten dat er zich een profeet in hun midden bevond.

 

25  ο δε παρακυψας εις νομον τελειον τον της ελευθεριας και παραμεινας, ουκ ακροατης επιλησμονης γενομενος αλλα ποιητης εργου, ουτος μακαριος εν τη ποιησει αυτου εσται.

Maar wie zich vooroverboog naar [de] volmaakte wet der vrijheid, en daarbij bleef – die geen hoorder der vergeetachtigheid werd maar een dader van het werk - deze zal gelukkig zijn in zijn doen.

 

Het Griekse werkwoord παρακυπτω betekent letterlijk naast iets bukken. Het idee is dat men zich voorover buigt om een voorwerp zorgvuldig van nabij te bezien. In 1Pt 1:12 wordt het werkwoord gebruikt in verband met engelen die verlangend zijn een blik te werpen in de wijze waarop Gods voornemen - dat hij in zijn Zoon, de Masjiach heeft opgevat – vervuld wordt. Zelfs zulke hoge personages zijn bereid zich als het ware voorover te buigen om beter te kunnen onderscheiden in die voor de mens zo gewichtige Messiaanse zaken.

 

Maar wat moeten wij verstaan onder de volmaakte wet der vrijheid?

Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat daarmee wordt gedoeld op het Nieuwe Verbond dat op de helft van de 70ste Jaarweek met Israël, dat dan tot herstel zal zijn teruggekeerd, zal worden gesloten. De bewoordingen van dat Verbond, zoals door Jeremia profetisch werd vastgelegd (in Jr 31:31-34), zijn op zich al zeer aantrekkelijk om te vernemen:

 

Zie! Er komen dagen, verzekering van YHWH, dat ik met het Huis van Israël en met het Huis van Juda een Nieuw Verbond sluiten zal; niet één gelijk het verbond dat ik met hun voorvaders heb gesloten op de dag dat ik hen bij de hand vatte om hen uit het land Egypte te leiden, mijn verbond dat zij verbroken hebben, terwijl ik hen als echtgenoot bezat.

Want dit is het verbond dat ik zal aangaan met het huis van Israël na die dagen, zegt Jahweh: Ik zal mijn wetten in hun verstand geven en ze op hun harten schrijven; en ik zal hun tot God zijn en zij zullen mij tot volk zijn.

 

In het Bijbelboek Hebreeën, dat zich eveneens richt op Joodse mensen van de Eindtijd, is veel plaats ingeruimd om dat Verbond, de volmaakte wet der vrijheid, in zijn belangwekkende details te bespreken.

Zie: Naar de orde van Melchizedek, gevolgd door: Binnen het Nieuwe Verbond

 

4. Zuivere godsdienst (1:26-27)

 

26  Ει τις δοκει θρησκος ειναι μη χαλιναγωγων γλωσσαν αυτου αλλα απατων καρδιαν αυτου τουτου ματαιος η θρησκεια

Als iemand meent godsdienstig te zijn, terwijl hij zijn eigen tong niet in toom houdt maar zijn eigen hart misleidt, diens godsdienst is waardeloos.

 

Hier wordt kennelijk gedoeld op de Jood die zich gepassioneerd en in blinde ijver over anderen uitlaat.

θρησκος (thrèskos) is de beschrijving van iemand die God vreest/aanbidt qua uiterlijke vorm. Binnen Jakobus’ Joodse lezerskring was - en is nog steeds - de uitwendige godsdienstigheid prominent aanwezig: Gebed, vasten, gaven van barmhartigheid, synagogebezoek, onderhouden van specifieke tijden/feesten, angst voor verontreiniging.

 

 

Felle discussie tussen Rabbi Eliëzer en de wijzen

 

Niet zelden ontaardt de Joodse, rabbijnse godsdienstigheid zich in heftig geschreeuw over Talmoedische futiliteiten. En het is vooral de (vermeende) zelfrechtvaardigheid waarmee men zichzelf bedriegt.

Op de noodzaak van het in toom houden van de tong, zal Jakobus in hoofdstuk 3 nog verder ingaan.

 

27  θρησκεια καθαρα και αμιαντος παρα τω θεω και πατρι αυτη εστιν επισκεπτεσθαι ορφανους και χηρας εν τη θλιψει αυτων ασπιλον εαυτον τηρειν απο του κοσμου

Reine en onbevlekte godsdienst bij de God en Vader is deze: Omzien naar wezen en weduwen in hun verdrukking. Zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.

 

Ware godsdienstigheid, specifiek vanuit Joodse optiek, zou aldus tot uiting moeten komen:

a   Wezen en weduwen bijstaan.

Wellicht heeft Jakobus teruggedacht aan een voorval uit de vroeg christelijke Gemeente.

Toen volgens Handelingen 6 het aantal volgelingen [van Yeshua’s leer] steeds toenam, ontstond er gemor van de Griekssprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij het dagelijkse dienstbetoon over het hoofd gezien werden. Om die kwestie in goede banen te leiden, werd onder leiding van de apostelen het besluit genomen om uit hun midden zeven mannen aan te stellen, die een goed getuigenis hadden, vol van heilige geest en wijsheid.

Uit dat verslag mogen wij wel afleiden hoe belangrijk men het toen al vond dat de minderbedeelden in hun midden niet over het hoofd werden gezien, maar – integendeel - zelfs meer dan gewone aandacht moesten krijgen.

 

b  Zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.

Tijdens de laatste uren die Yeshua met zijn gelovige leerlingen doorbracht, heeft hij dit punt bijzonder benadrukt:

Indien de wereld julle haat, weet dan dat zij [zijn Joodse volksgenoten] mij eerder dan jullie gehaat heeft. Wanneer jullie uit de wereld waren, zou de wereld wat van haar is liefhebben, maar omdat jullie niet uit de wereld zijn, maar ik jullie uit de wereld koos, om die reden haat de wereld jullie. Houdt het woord in gedachten dat ik tot jullie sprak: Een slaaf is niet groter dan zijn Heer. Indien zij mij vervolgden, zullen zij ook jullie vervolgen. Indien zij mijn woord bewaarden, zullen zij ook dat van jullie bewaren. Maar al deze dingen zullen zij jullie aandoen vanwege mijn naam, omdat zij hem [YHWH Elohim, Yeshua’s hemelse Vader] die mij zond niet kennen (Jh 15:18-21).

 

Jakobus 2

 

5. Begunstiging onjuist (2:1-13)

 

1 Αδελφοι μου μη εν προσωπολημψιαις εχετε την πιστιν του κυριου ημων Ιησου Χριστου της δοξης

Mijn broeders, gij moet het geloof van onze Heer Yeshua Masjiach der heerlijkheid, niet verbinden met het aanzien van personen.

2  εαν γαρ εισελθη εις συναγωγην υμων ανηρ χρυσοδακτυλιος εν εσθητι λαμπρα εισελθη δε και πτωχος εν ρυπαρα εσθητι

Want als er in jullie synagoge een man binnenkomt, goudgeringd, in prachtige kleding, maar er komt ook een arme binnen in vuile kleding,

3  επιβλεψητε δε επι τον φορουντα την εσθητα την λαμπραν και ειπητε Συ καθου ωδε καλως και τω πτωχω ειπητε Συ στηθι εκει η καθου υπο το υποποδιον μου

en gij ziet op tegen hem die de prachtige kleding draagt en zoudt zeggen: “Zet u hier gerieflijk neer”, en gij zoudt tot de arme zeggen: “Jij moet daar blijven staan”, of: “Zet je neer onderaan mijn voetbank”,

4  ου διεκριθητε εν εαυτοις και εγενεσθε κριται διαλογισμων πονηρων

hebt gij [dan] bij jezelf geen onderscheid gemaakt en zijt gij [dan geen] rechters met boze overwegingen geworden?

 

Voor de Jood die in Yeshua gelooft en hem belijdt als de Masjiach en zijn Heer der heerlijkheid, zou het onwaardig zijn mensen naar de ogen te zien. Het opzien tegen de Rijke wordt benadrukt door de vermelding van de prachtige kleding, waardoor die omstandigheid de enige maatstaf van beoordeling wordt: Het innemen der zitplaatsen naar menselijke belangrijkheid.

Dat alles is strijdig met het voorbeeld en de leer van de Heer der heerlijkheid. Hijzelf was tijdens zijn verblijf op aarde arm in materieel opzicht, evenals trouwens de meesten van zijn discipelen. Vergelijk Mt 8:20, waar we lezen dat een Schriftgeleerde zich bereid toonde om Yeshua te volgen, waarheen hij ook zou gaan. Maar merk Yeshua’s reactie op: Vossen hebben holen en vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plek om zijn hoofd neer te leggen.

 

Maar ook uit de Thorah kon elke Jood vernemen dat niemand begunstigd mocht worden, noch vanwege zijn rijkdom, noch op grond van zijn armoede: Gij zult bij het rechtspreken geen onrecht doen. Gij zult de arme niet begunstigen en de aanzienlijke niet voortrekken. Op rechtvaardige wijze zult gij uw naaste berechten (Lv 19:15). Vergelijk ook Dt 1:17.

Het is in dit verband niet verkeerd om te verwijzen naar de goddelijke inzettingen die onder de Thorah voor de rechtspraak golden, want Jakobus zelf steunt in deze kwestie van schadelijke partijdigheid daarop: Hebben jullie [dan] bij jezelf geen onderscheid gemaakt en zijn jullie [dan geen] rechters met boze overwegingen geworden?

 

5  Ακουσατε αδελφοι μου αγαπητοι ουχ ο θεος εξελεξατο τους πτωχους τω κοσμω πλουσιους εν πιστει και κληρονομους της βασιλειας ης επηγγειλατο τοις αγαπωσιν αυτον

Hoort, mijn geliefde broeders: Heeft God niet de armen naar de wereld verkozen tot rijken in geloof en erfgenamen van het koninkrijk, dat hij beloofd heeft aan hen die hem liefhebben?

 

Jakobus voert verdere argumenten aan om zijn lezers maar in te prenten hoe verkeerd klassenonderscheid wel is. Hij wijst op de aanpak van YHWH Elohim zelf. Het zijn juist degenen die in deze wereld over weinig stoffelijke middelen beschikken, die hij verkiest om rijk te zijn in het geloof. Ja, die Hij tot erfgenamen van het Messiasrijk maakt.

Uiteraard wil de hemelse Vader de rijke evengoed aanvaarden als de arme, maar dikwijls vormt stoffelijke rijkdom een hinderpaal om in volkomen geloof op God te vertrouwen. Bovendien wordt rijkdom niet zelden verworven ten koste van anderen. Of ook wel door bij machthebbers in het gevlei te komen, of op slinkse wijze naar een positie dingen, etc. Opnieuw was het Yeshua zelf die ook op die omstandigheid onze aandacht heeft gevestigd:

Ik verzeker jullie dat het voor een rijke moeilijk zal zijn het Koninkrijk van de hemel binnen te gaan. Ook zeg ik jullie: Het is voor een kameel makkelijker om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Toen de leerlingen dat hoorden, vroegen ze verbijsterd: Wie kan er dan eigenlijk worden gered? Yeshua keek hen aan en zei: Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk… Ik verzeker jullie: In de herschepping, wanneer de Mensenzoon plaats neemt op zijn glorierijke troon, zullen jullie, die mij gevolgd zijn, op twaalf tronen zitten en de twaalf stammen van Israël oordelen. En een ieder die ter wille van mijn naam huizen of broers of zussen of vader of moeder of kinderen of akkers heeft verlaten, zal vele malen meer ontvangen en eeuwig leven beërven (Mt 19:23-29).

 

6  υμεις δε ητιμασατε τον πτωχον ουχ οι πλουσιοι καταδυναστευουσιν υμων και αυτοι ελκουσιν υμας εις κριτηρια

Maar gij hebt de arme oneer aangedaan. Zijn het niet de Rijken die hun macht tegen jullie gebruiken en die jullie voor rechtbanken slepen?

7  ουκ αυτοι βλασφημουσιν το καλον ονομα το επικληθεν εφ υμας

Lasteren zij niet de uitnemende naam waarnaar gij genoemd zijt?

 

De Rijken onderdrukken niet zelden de armen. Dat was ook in Jakobus’ dagen het geval. Zij zijn degenen die gemakkelijk rechtszaken tegen hen aanspannen, bijvoorbeeld in verband met schulden, pachtgelden, landonteigening; etc.

In die Eerste eeuw bevonden zich onder de Rijken ook veel leden van de priesterlijke sekte der Sadduceeën, wat kennelijk jaloezie opwekte bij de Farizeeën. Over de laatsten lezen we namelijk (in Lk 16:14-15): De Farizeeën, die van geld hielden, luisterden naar die dingen en hoonden hem. Hij zei tegen ze: Jullie verklaren jezelf rechtvaardig bij de mensen, maar God kent jullie hart. Wat bij mensen in hoog aanzien staat, is walgelijk in Gods ogen. Geen wonder dan ook dat Yeshua’s leerlingen van die zijde laster ervoeren. De hoon die de Masjiach ten viel, kwam ook over hen.

En zelfs nu nog heeft precies die situatie binnen de Joods religieuze sfeer de overhand. Geen wonder, want vanwege hun massale verwerping van Yeshua als hun ware Masjiach, werden zij opgesloten in hun ongehoorzaamheid. En die situatie duurt voort tot op deze dag. Volgens Romeinen 11 eindigt die toestand pas na de Opname van de hemelse Gemeente:

 

Want ik wil niet, broeders, dat jullie onwetend zijn van dit geheimenis - opdat jullie niet volgens eigen inzicht bezig zijn - dat er voor een deel verharding over Israël kwam, totdat de volheid der Heidenvolken [de hemelse Gemeente] is binnengekomen. En zo zal heel [het] Israël [Gods] gered worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden.

En dit zal voor hen mijn [nieuwe] verbond zijn, wanneer ik hun zonden zal hebben weggenomen. Naar het Evangelie [zijn zij] weliswaar vijanden omwille van jullie, maar naar de verkiezing geliefden vanwege de vaderen. Want onberouwlijk [zijn] de genadegaven en de roeping van God. Zoals jullie [leden van de Heidenvolken] immers eens God ongehoorzaam waren, maar [aan wie] nu barmhartigheid werd bewezen wegens de ongehoorzaamheid van dezen [de Joden], zo werden ook dezen nu ongehoorzaam wegens de jullie [betoonde] barmhartigheid, opdat ook aan hen [in de aanstaande 70ste Week] barmhartigheid bewezen zou worden. Want God sloot hen allen [Heidenen en Joden; gefaseerd] op in ongehoorzaamheid opdat hij aan allen barmhartigheid zou bewijzen (Rm 11:25-32).

 

Vergelijk de parabel van De verloren Zoon

 

ει μεντοι νομον τελειτε βασιλικον κατα την γραφην Αγαπησεις τον πλησιον σου ως σεαυτον καλως ποιειτε

Indien gij waarlijk een koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’, doet gij juist.

9  ει δε προσωπολημπτειτε αμαρτιαν εργαζεσθε ελεγχομενοι υπο του νομου ως παραβαται

Maar als gij personen aanziet, beoefent gij zonde, terwijl gij door de Wet als overtreders aan de kaak wordt gesteld.

 

De koninklijke wet treffen we aan in Lv 19:18 >>

Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de zonen van je volk, maar je naaste liefhebben als jezelf: Ik ben YHWH.

Die Wet wordt geschonden wanneer men partijdig onderscheid maakt tussen arm en rijk.

Met μεντοι [waarlijk] beklemtoont Jakobus de noodzaak van volledigheid. De Wet van de liefde voor de naaste moet in volle omvang vervuld worden. Het in praktijk brengen van die liefde kan niet slechts schijnbaar zijn. Waarom?

 

Omdat die Wet rechtstreeks gerelateerd wordt aan het koningschap van de Masjiach. In samenhang met het Nieuwe Verbond zal deze koninklijke Wet tot de grondwet van het koninkrijk Gods worden verheven. Tezamen met het hemelse deel van het Israël Gods zal het aardse deel in het Millenniumrijk immers de Belofte gaan vervullen die in een ver verleden aan Abraham werd gedaan: In jouw zaad zullen alle Heidenvolken gezegend worden.

In het vervullen van die toewijzing dient partijdig onderscheid maken tussen mensen uiteraard absoluut ondenkbaar te zijn. Het grote voorbeeld waaraan de Joodse Gemeente zich dan bij die grootse taak kunnen spiegelen, is volgens Jesaja 11 de Masjiach zelf >>

Op hem zal de geest van YHWH rusten, de geest van wijsheid en van verstand, de geest van raad en van kracht, de geest van kennis en van ontzag voor YHWH. Hij zal vreugde vinden in ontzag voor YHWH. Hij zal niet oordelen op basis van wat zijn ogen alleen maar zien, of terechtwijzen op basis van wat zijn oren horen. Hij zal een eerlijk oordeel vellen over de armen, en in rechtvaardigheid zal hij uitspraken doen ten gunste van de zachtmoedigen van de aarde…  De aarde zal beslist vervuld zijn van de kennis van YHWH, zoals de wateren de zeebodem bedekken. Op die dag zal de wortel van Isaï opstaan als een signaal voor de volken. Tot hem zullen de Heidenvolken zich wenden voor leiding en zijn rustplaats zal schitterend worden.

 

Het zal ook de schitterende taak van de Joodse Gemeente op aarde zijn om bij te dragen aan die goede reactie bij de Heidenvolken!

 

10  οστις γαρ ολον τον νομον τηρηση πταιση δε εν ενι γεγονεν παντων ενοχος

Want wie de hele Wet zou onderhouden, maar in één [gebod] zou struikelen, is schuldig geworden aan alle.

11  ο γαρ ειπων Μη μοιχευσης ειπεν και Μη φονευσης ει δε ου μοιχευεις φονευεις δε γεγονας παραβατης νομου

Want hij die gezegd heeft: ‘Jij zult geen overspel plegen’, heeft óók gezegd: ‘Jij zult niet moorden’. Als jij nu geen overspel pleegt, maar moordt, ben je een overtreder der Wet geworden.

12  ουτως λαλειτε και ουτως ποιειτε ως δια νομου ελευθεριας μελλοντες κρινεσθαι

Spreekt aldus en doet aldus als zij die door [de] Wet der vrijheid geoordeeld zullen worden.

13  η γαρ κρισις ανελεος τω μη ποιησαντι ελεος κατακαυχαται ελεος κρισεως

Want het oordeel [is] onbarmhartig voor hem die geen barmhartigheid betoond heeft; barmhartigheid triomfeert over oordeel.

 

Geleid door de geest van inspiratie redeneert Jakobus helder, en dus begrijpelijk. Men hoeft zich niet af te vragen wat er wordt bedoeld: Zodra een Jood een regel van de Thorah schendt, is hij een overtreder van de gehele Wet. Waarom? Omdat de wetgeving één heilig en onschendbaar geheel is.

En wat het klassenonderscheid betreft kan hij gedacht hebben aan Sp 21:13 >>

Wie zijn oren sluit voor het hulpgeroep van de arme, zal geen antwoord krijgen als hij zelf roept.

Maar ook aan Davids terechte woede inzake het fictieve verhaal van Nathan over de rijke die geen mededogen had met de arme Israëliet die slechts één ooilammetje bezat: Zo zeker als YHWH leeft, de man die dat heeft gedaan, verdient de dood! En omdat hij dat heeft gedaan en geen mededogen had, moet hij vier keer de waarde van het lammetje vergoeden (2Sm 12:5-6).

 

Bij de voorbeelden die Jakobus zelf aanhaalt, moeten we wel bedenken dat hij volgens het beginsel van de diatribè te werk gaat. De jij in vers 11 - Als jij nu geen overspel pleegt, maar moordt, ben je een overtreder der Wet geworden – betreft dan ook een denkbeeldige persoon. De impact op zijn Joodse lezers moet zijn dat zij zich voortaan van alle personen-cultus onthouden. Onder de koninklijke Wet der vrijheid zal dat ertoe leiden dat zijzelf door de Hemel barmhartig beoordeeld zullen worden. Wie namelijk de arme minacht door hem achter de rijke te plaatsen, toont daarmee dat het hemzelf aan een barmhartige houding ontbreekt.

Vandaar zijn positieve afsluiting van deze perikoop: Barmhartigheid triomfeert over oordeel.

 

6. Geloof en werken (2:14-26)

 

14  Τι το οφελος, αδελφοι μου, εαν πιστιν λεγη τις εχειν, εργα δε μη εχη; μη δυναται η πιστις σωσαι αυτον;

Wat baat het, mijn broeders, als iemand zegt geloof te hebben, maar hij heeft geen werken? Het geloof is niet in staat hem te redden!

15  αν αδελφος η αδελφη γυμνοι υπαρχωσιν και λειπομενοι της εφημερου τροφης,

Indien een broeder of zuster in naakte toestand is en gebrek heeft aan het dagelijkse voedsel,

16 ειπη δε τις αυτοις εξ υμων, Υπαγετε εν ειρηνη, θερμαινεσθε και χορταζεσθε, μη δωτε δε αυτοις τα επιτηδεια του σωματος, τι το οφελος;

maar iemand van jullie zou tot hen zeggen: Ga heen in vrede, warm je en verzadig je, maar jullie zouden hun niet geven wat zij voor het lichaam nodig hebben, wat baat het?

17  ουτως και η πιστις εαν μη εχη εργα νεκρα εστιν καθ εαυτην

Zo is ook het geloof, als het geen werken heeft, op zichzelf dood.

18  Αλλ ερει τις συ πιστιν εχεις καγω εργα εχω δειξον μοι την πιστιν σου χωρις των εργων καγω σοι δειξω εκ των εργων μου την πιστιν

Maar iemand zal zeggen: Jij hebt [naar je beweert] geloof en ik heb werken; toon mij je geloof zonder de werken en ik zal je uit mijn werken het geloof tonen.

 

Jakobus gaat er hier toe over een toepassing te geven van het thematisch beginsel dat hij reeds in Jk 1:22-25 aanroerde: De leden van het Joodse Overblijfsel dienen elkaar te ondersteunen - met name ten tijde van de onvermijdelijk over hen komende beproevingen in de Eindtijd - aangezien zij allen zijn verkozen om voor God als levende stenen te dienen in het nieuw op te richten Tempelheiligdom. In de boodschap aan de Joodse Eindtijdgemeenschap, wordt in het Filadelfia-deel de volgende aanmoediging tot hen gericht:

 

Zie! Uit de synagoge van de Satan geef ik hen die van zichzelf zeggen Joden te zijn en het niet zijn, maar liegen. Zie! Ik zal maken dat zij zullen komen en voor je voeten hulde zullen brengen en erkennen dat ik je liefhad. Omdat je het woord van mijn volharding bewaarde, zal ook ik jou bewaren uit het uur der beproeving dat gaat komen over heel de bewoonde wereld, om hen die op de aarde wonen op de proef te stellen. Ik kom vlug. Houd vast wat je hebt opdat niemand je kroon neemt.

Hij die overwint, hem zal ik maken tot een pilaar in het tempelheiligdom van mijn God en hij zal er nooit meer uitgaan. En ik zal op hem schrijven de naam van mijn God en de naam van de stad van mijn God, het Nieuwe Jeruzalem dat vanaf mijn God neerdaalt uit de hemel, en de nieuwe naam van mij (Op 3:9-12).

 

Vergelijk 1Pt 2:4-9, in een Brief die eveneens gericht is aan de Joden in de diaspora: Aan uitverkorenen, tijdelijke vreemdelingen der diaspora van Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia, en Bithynië.

 

In deze context lijken bij Jakobus werken en geloof tegenover elkaar te staan: Wat baat het, mijn broeders, als iemand zegt geloof te hebben, maar hij heeft geen werken? Het geloof is niet in staat hem te redden!

Uit het verband blijkt echter waarop hij precies doelt: Hij wil alleen maar zeggen dat waar geloof altijd herkenbaar is. Hoe? Door daden op grond van dat geloof! Waar geloof wordt in de praktijk van het leven kracht bijgezet door geloofsdaden.

Dat is dus een heel andere insteek dan bij de meeste Brieven van de apostel Paulus. Deze moest namelijk geregeld optornen tegen de Judaïsten van zijn tijd. Die verkondigden namelijk de opvatting dat geloof in Masjiach Yeshua niet voldoende was voor redding. Ook de oude Thorah moest onderhouden worden, inclusief het vereiste van de besnijdenis. Tegen die insteek verzette Paulus zich met heel zijn apostolisch gewicht!

Vergelijk Gl 3:1-14.     

 

19  συ πιστευεις οτι εις εστιν ο θεος καλως ποιεις και τα δαιμονια πιστευουσιν και φρισσουσιν

Jij gelooft dat God één is? Daar doe je goed aan; óók de demonen geloven en zij sidderen.

 

Hoe kon Jakobus dat weten?

a  Door inspiratie (2Pt 1:20-21; 2Tm 3:15-17).

b  Geïnformeerd door zijn oudere halfbroer, die uit de hemel was neergedaald (Jh 3:12-13).

c  Afgeleid vanuit de Schrift (Mt 8:28-29; Mr 1:23-26).

 

20  θελεις δε γνωναι ω ανθρωπε κενε οτι η πιστις χωρις των εργων αργη εστιν

Maar wil je weten, o lege mens, dat het geloof zonder de werken nutteloos is?

21  Αβρααμ ο πατηρ ημων ουκ εξ εργων εδικαιωθη ανενεγκας Ισαακ τον υιον αυτου επι το θυσιαστηριον

Werd onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaäk opdroeg op het altaar?

22  βλεπεις οτι η πιστις συνηργει τοις εργοις αυτου και εκ των εργων η πιστις ετελειωθη

Je ziet dat het geloof samenwerkte met zijn werken en het geloof uit de werken volkomen werd.

23  και επληρωθη η γραφη η λεγουσα Επιστευσεν δε Αβρααμ τω θεω και ελογισθη αυτω εις δικαιοσυνην και φιλος θεου εκληθη

En de Schrift werd vervuld die zegt: “Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend”, en hij werd Gods vriend genoemd.

24  ορατε οτι εξ εργων δικαιουται ανθρωπος και ουκ εκ πιστεως μονον

Gij ziet dat een mens uit werken wordt gerechtvaardigd en niet uit geloof alléén.

25  ομοιως δε και Ρααβ η πορνη ουκ εξ εργων εδικαιωθη υποδεξαμενη τους αγγελους και ετερα οδω εκβαλουσα

Maar werd ook Rachab de hoer niet evenzo uit werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers heimelijk had binnengelaten en via een andere weg heenzond?

26  ωσπερ γαρ το σωμα χωρις πνευματος νεκρον εστιν ουτως και η πιστις χωρις εργων νεκρα εστιν

Precies zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.

 

Allemaal voorbeelden dat een levend geloof herkenbaar is aan geloofsdaden.

Abraham en Rachab leefden beide in een tijd dar er van de Thorah, met zijn vele mitzvot, nog helemaal geen sprake was!

En vergelijk ook de geloofsdaden van vele anderen in Hebreeën 11.

 

Jakobus 3

 

7. De gevaren van de tong (3:1-12)

 

1  Μη πολλοι διδασκαλοι γινεσθε αδελφοι μου ειδοτες οτι μειζον κριμα λημψομεθα

Niet velen moeten leermeesters worden, mijn broeders, wetend dat wij een strenger oordeel zullen ontvangen.

2  πολλα γαρ πταιομεν απαντες ει τις εν λογω ου πταιει ουτος τελειος ανηρ δυνατος χαλιναγωγησαι και ολον το σωμα

Want wij struikelen allen vele malen. Indien iemand in woord niet struikelt, die is een volmaakt man, in staat ook het hele lichaam in toom te houden.

 

In het Israël van de Oudheid bevonden zich onder de Oudsten van een gemeenschap gewoonlijk ook mannen die erkend werden als leraren van de Wet. Uit Lk 2:46 en 5:17 kunnen we afleiden dat vrijwel in alle dorpen zulke mannen werden aangetroffen. Maar de gewijde geschiedenis laat ons ook zien dat in de Eerste eeuw sommige Joden een te hoge dunk van zichzelf hadden gekregen met betrekking tot het leermeesterschap (1Tm 1:7; Hb 5:12). Ten onrechte, want zelfs hun leraar bij uitstek, Mozes, struikelde. Als Gods spreekbuis had hij altijd YHWH’s woorden moeten spreken (Nm 20:7-12).

 

Onvolmaakt als wij tengevolge van Adam zijn, struikelen wij allen vele malen. Juist de tong, het instrument bij uitstek om uiting te geven aan ons denken, is in dat opzicht onder al onze leden het meest kwetsbaar. De wijze waarop Jakobus dit fenomeen door het ene na het andere voorbeeld illustreert, zou ons allen - niemand uitgezonderd - tot grote voorzichtigheid moeten manen. De grondslag waarop al zijn vermaningen steunen is ongetwijfeld terug te voeren op Gods eigen gedachten omtrent de mens, die Hij - direct na de grote, wereldomvattende Watervloed – in zichzelf uitte:

Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken vanwege de mens. Want het hart van de mens is geneigd tot het slechte, van zijn jeugd af. Nooit meer zal ik al wat leeft slaan, zoals Ik gedaan heb (Gn 8:21).

 

ει δε των ιππων τους χαλινους εις τα στοματα βαλλομεν εις το πειθεσθαι αυτους ημιν και ολον το σωμα αυτων μεταγομεν

Als wij nu bij de paarden de tomen in de bekken aanbrengen om ze ons gehoorzaam te laten zijn, besturen wij ook hun hele lichaam.

4  ιδου και τα πλοια τηλικαυτα οντα και υπο ανεμων σκληρων ελαυνομενα μεταγεται υπο ελαχιστου πηδαλιου οπου η ορμη του ευθυνοντος βουλεται

Zie, ook de schepen, die zo groot zijn en door ruwe winden worden voortgedreven, worden door een zeer klein roer gestuurd, waarheen het believen van de stuurman wenst.

5  ουτως και η γλωσσα μικρον μελος εστιν και μεγαλα αυχει

Ιδου ηλικον πυρ ηλικην υλην αναπτει

Zo is ook de tong een klein lid en beroemt zich op grote dingen.

Zie, hoe zo’n klein vuur zo’n groot bos in brand steekt.

και η γλωσσα πυρ ο κοσμος της αδικιας η γλωσσα καθισταται εν τοις μελεσιν ημων η σπιλουσα ολον το σωμα και φλογιζουσα τον τροχον της γενεσεως και φλογιζομενη υπο της γεεννης

Ook de tong is een vuur, de wereld der ongerechtigheid. De tong vormt onder onze lichaamsleden [het lid] dat geheel het lichaam bezoedelt en het rad van het bestaan in vlam zet en [zelf] door de Gehenna in vlam gezet wordt.

7  πασα γαρ φυσις θηριων τε και πετεινων ερπετων τε και εναλιων δαμαζεται και δεδαμασται τη φυσει τη ανθρωπινη

Want elke soort, zowel van wilde dieren als van vogels, van kruipende dieren als van zeedieren, wordt bedwongen en is bedwongen door de menselijke natuur.

8  την δε γλωσσαν ουδεις δαμασαι δυναται ανθρωπων ακαταστατον κακον μεστη ιου θανατηφορου

Maar wat de tong betreft: Geen mens is in staat [die] te bedwingen. Een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn.

 

Om de tong te bedwingen moet het hart bedwongen worden, wat onmogelijk is.

In het Boek Prediker worden wij meer dan eens aan dat feit herinnerd:

Voorzeker, er is geen mens rechtvaardig op de aarde, die goeddoet en niet zondigt (7:20).

Omdat voor iedereen de afloop hetzelfde is, zit het hart van mensen vol slechtheid. Er is waanzin in hun hart tijdens hun leven en daarna naar de doden (9:3).

Masjiach Yeshua wist als geen ander wat allemaal uit het hart van de mens voortkomt: Slechte gedachten, moord, overspel, hoererij, diefstal, valse verklaringen en lastering (Mt15:19).

Vandaar dat iemand die in woorden niet struikelt volmaakt zou zijn (Jk 3:2).

 

9  εν αυτη ευλογουμεν τον κυριον και πατερα και εν αυτη καταρωμεθα τους ανθρωπους τους καθ ομοιωσιν θεου γεγονοτας

In haar zegenen wij de Heer en Vader, en in haar vervloeken wij de mensen die naar Gods gelijkenis tot bestaan zijn gebracht.

10  εκ του αυτου στοματος εξερχεται ευλογια και καταρα ου χρη αδελφοι μου ταυτα ουτως γινεσθαι

Uit dezelfde mond komt zegen en vloek voort. Het past niet, mijn broeders, dat die dingen zó plaats vinden.

 

Daarvoor is Gods gunst en kracht nodig, maar ook vrees voor God (Judas 9).

Wat Jakobus betreft, onder inspiratie van Gods geest is hij nog steeds niet klaar om ons te waarschuwen voor de gevaren van de tong:

 

11  μητι η πηγη εκ της αυτης οπης βρυει το γλυκυ και το πικρον

De bron laat toch niet uit dezelfde opening het zoete en het bittere opwellen?

12  μη δυναται αδελφοι μου συκη ελαιας ποιησαι η αμπελος συκα ουτε αλυκον γλυκυ ποιησαι υδωρ

Kan een vijgenboom soms olijven voortbrengen, mijn broeders, of een wijnstok vijgen? Evenmin levert een zoutwaterbron zoet water.

 

In Jakobus’ dagen hadden Jodenchristenen – evenals de Heidenchristenen - een nieuwe geboorte ontvangen. Maar de oude mens was ook nog aanwezig; vandaar het tweeslachtig handelen. Er is reëel gevaar dat in hen twee verschillende bronnen twee soorten water leveren: Zoet en bitter.

 

8. Ware en valse wijsheid (3:13-18)

 

13  Τις σοφος και επιστημων εν υμιν δειξατω εκ της καλης αναστροφης τα εργα αυτου εν πραυτητι σοφιας

Wie is wijs en verstandig bij jullie? Hij tone uit de voortreffelijke levenswandel zijn werken in een zachtmoedigheid van wijsheid.

14  ει δε ζηλον πικρον εχετε και εριθειαν εν τη καρδια υμων μη κατακαυχασθε και ψευδεσθε κατα της αληθειας

Maar indien gij bittere naijver en twistzucht in jullie hart hebt, schept gij [dan] niet op en doet gij de waarheid geen geweld aan?

 

Zij die leraren willen zijn maar zich door vleselijke motieven laten leiden, doen de waarheid der wedergeboorte en de nieuwe natuur geweld aan; letterlijk: Liegen tegen die waarheid

 

15  ουκ εστιν αυτη η σοφια ανωθεν κατερχομενη αλλα επιγειος ψυχικη δαιμονιωδης

Dit is niet de wijsheid die van boven neerkomt, maar aards, zinnelijk, demonisch.

 

AνωΘεν (van boven). Kennelijk naar de rabbijnse gewoonte, om toch vooral maar het gebruik van Gods naam YHWH te vermijden. Zoals ook in Jk 1:17 en 3:17

Ψυχικος (als van een ziel). Dus echt menselijk, dus zinnelijk.

 

16  οπου γαρ ζηλος και εριθεια εκει ακαταστασια και παν φαυλον πραγμα

Want waar naijver en twistzucht [heerst], dáár is wanorde en allerlei lage praktijk.

 

 Niet echt een overtrokken verklaring. De wereld om ons heen is vol van zulke verwoestende zaken.

 

17  η δε ανωθεν σοφια πρωτον μεν αγνη εστιν επειτα ειρηνικη επιεικης ευπειθης μεστη ελεους και καρπων αγαθων αδιακριτος ανυποκριτος

De wijsheid van boven echter is in de eerste plaats eerbaar, vervolgens vredelievend, inschikkelijk, volgzaam, vol van barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig, ongeveinsd.

 

Aγνος

Zuiver, rein in morele zin; niet vermengd met aardse, zinnelijke beweegredenen. Niet halfgoed en halfverkeerd, zoals in het tweeslachtig handelen van de naijverige en twistgierige leraren (vers 12).

Eπιεικης

Meegaand, welwillend.

Eυπειθης

Gezeglijk, gemakkelijk te overreden in het geval van deugdelijke argumentatie en/of een verstandig woord.

 

18  καρπος δε δικαιοσυνης εν ειρηνη σπειρεται τοις ποιουσιν ειρηνην

Een vrucht der rechtvaardigheid namelijk wordt in vrede gezaaid door hen die vrede maken.

 

Jakobus kende blijkbaar zijn Bijbel. In Js 32:17-18 vinden we, profetisch voor de Eindtijd, overeenkomende ideeën:

 

De vrucht van de [ware] rechtvaardigheid zal vrede opleveren, en de uitwerking van de rechtvaardigheid blijvende rust en veiligheid. Mijn volk zal in een vredige plaats wonen,in veilige oorden, in oorden van ongestoorde rust. 

 

Jakobus 4

 

B. Praktische vermaningen (4:1 – 5:20)

 

1. Onderlinge twisten onjuist (4:1-3)

 

1  Ποθεν πολεμοι και μαχαι εν υμιν ουκ εντευθεν εκ των ηδονων υμων των στρατευομενων εν τοις μελεσιν υμων

Vanwaar oorlogen en vanwaar gevechten bij jullie? [Komen ze] niet hiervandaan: Uit jullie zinnelijke genoegens, die strijd voeren in jullie leden?

2  Eπιθυμειτε και ουκ εχετε φονευετε και ζηλουτε και ου δυνασθε επιτυχειν μαχεσθε και πολεμειτε ουκ εχετε δια το μη αιτεισθαι υμας

Gij begeert en [toch] bezit gij niet; gij moordt en zijt naijverig, en [toch] kunt gij niet verkrijgen. Gij vecht en voert oorlog. Gij bezit niet, omdat gij niet vraagt.

3  Aιτειτε και ου λαμβανετε διοτι κακως αιτεισθε ινα εν ταις ηδοναις υμων δαπανησητε

Gij vraagt en [toch] ontvangt gij niet. Gij vraagt namelijk met een verkeerde bedoeling, om het in jullie zinnelijke genoegens door te brengen.

 

Zie ons commentaar op 4:1-4 onder Inleiding.

 

2. God en de wereld (4:4-10)

 

4  Μοιχαλιδες, ουκ οιδατε οτι η φιλια του κοσμου εχθρα του θεου εστιν; ος εαν ουν βουληθη φιλος ειναι του κοσμου, εχθρος του θεου καθισταται.

Overspeelsters, weten jullie niet dat de vriendschap der wereld vijandschap jegens God is? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, betoont zich een vijand van God.

 

Mοιχαλιδες is vrouwelijk. Het verwijst naar de Oudtestamentische gedachte dat God in een huwelijksverbond leefde met zijn volk Israël. Als Joden zich daarom tot de wereld wenden als hun ware liefde, dan plaatsen zij emotie tussen hen en God.

 

5  η δοκειτε οτι κενως η γραφη λεγει, Προς φθονον επιποθει το πνευμα ο κατωκισεν εν ημιν;

Of meent gij dat de Schrift tevergeefs zegt:

Met na-ijver verlangt hij de geest welke hij in ons deed wonen ?

 

De mens werd zó geschapen dat God voor hem het summum van zijn liefde en voldaanheid zou zijn. Bijgevolg verwacht hij precies die reactie bij de mens; diens genegenheid en toewijding dient op hem gericht te zijn.

In het bijzonder de Jood zou de Psalmist vanuit het hart moeten nazeggen: Overvloed van vreugde is bij uw aangezicht.

En ook: Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar u, o God; mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?

(Ps 16:11; 42:1-3).

Die gezindheid begeert God met na-ijver voor zichzelf (Ex 34:14).

 

6  μειζονα δε διδωσιν χαριν· διο λεγει,

Ο θεος υπερηφανοις αντιτασσεται, ταπεινοις δε διδωσιν χαριν.

Hij schenkt echter een groter genade. Daarom zegt hij:

God weerstaat hovaardigen, maar aan nederigen schenkt hij gunst.

 

Door de erfenis van Adam blijft ieder mens - zelfs eerst de Jood - in gebreke al zijn genegenheid op zijn Schepper te richten. Gewoonlijk heeft de oude, vleselijke natuur bij hem de overhand. Door de Masjiachbelijdende Jood echter te begunstigen met de nieuwe natuur der wedergeboorte, schenkt God hem een genade die veel groter is, krachtig genoeg om de oude natuur de baas te blijven. Maar dat besef is bij de Joden als natie nog altijd niet doorgedrongen (Ez 36:26-27).

 

Met Daarom zegt hij wordt uiteraard de Schrift bedoeld (zoals in vers 5)

 

7  υποταγητε ουν τω θεω· αντιστητε δε τω διαβολω, και φευξεται αφ υμων·

Onderwerpt je daarom aan God; maar weerstaat de Duivel, en hij zal van jullie wegvluchten.

 

Zoals God hoogmoedigen weerstaat, moeten Masjiachbelijdende Joden de Duivel weerstaan.

 

8  εγγισατε τω θεω, και εγγιει υμιν. καθαρισατε χειρας, αμαρτωλοι, και αγνισατε καρδιας, διψυχοι.

Nadert tot God en hij zal tot jullie naderen. Reinigt je handen, zondaars, en zuivert je harten, [mensen] van tweeërlei gevoelen

 

Tot God naderen verwijst naar een term die vooral toepasselijk is op het Heiligdom (Ex 19:22).

Haggaï verweet zijn Joodse broeders dat alles wat zij aan YHWH aanboden, al het werk van hun handen, onrein was (Hg 2:14). Om God in zijn nieuwe Tempelheiligdom te kunnen naderen in priesterlijke dienst, zullen zij hun handen moeten reinigen en hun harten zuiveren (Js 1:12-20; 2:1-5).

Van tweeërlei gevoelen troffen we ook al aan in Jk 1:8.

 

9  ταλαιπωρησατε και πενθησατε και κλαυσατε ο γελως υμων εις πενθος μετατραπητω και η χαρα εις κατηφειαν

Beseft jullie ellende en treurt en weent. Laat jullie lachen in treuren verkeren en de vreugde in verslagenheid.

10  ταπεινωθητε ενωπιον κυριου, και υψωσει υμας

Vernedert je voor het aangezicht van de Heer en hij zal jullie verheffen.

 

3. Geen kwaadsprekerij (4:11-12)

 

11  Μη καταλαλειτε αλληλων αδελφοι ο καταλαλων αδελφου η κρινων τον αδελφον αυτου καταλαλει νομου και κρινει νομον ει δε νομον κρινεις ουκ ει ποιητης νομου αλλα κριτης

Spreekt geen kwaad van elkaar, broeders. Wie van een broeder kwaad spreekt of zijn broeder oordeelt, spreekt ten nadele van wet en oordeelt wet. Maar als je wet oordeelt, ben je geen dader van wet maar een rechter.

12  εις εστιν νομοθετης και κριτης ο δυναμενος σωσαι και απολεσαι συ δε τις ει ο κρινων τον πλησιον

Eén is Wetgever en Rechter, hij die de macht heeft te redden en te vernietigen. Maar jij, wie ben jij die de naaste oordeelt?

  

4. God kennen in je plannen (4:13-17)

 

13  Αγε νυν οι λεγοντες Σημερον η αυριον πορευσομεθα εις τηνδε την πολιν και ποιησομεν εκει ενιαυτον και εμπορευσομεθα και κερδησομεν

Welaan nu, gij die zegt: Vandaag of morgen zullen wij naar die bepaalde stad reizen en daar een jaar doorbrengen en handel drijven en winst maken.

14  οιτινες ουκ επιστασθε το της αυριον ποια η ζωη υμων ατμις γαρ εστε η προς ολιγον φαινομενη επειτα και αφανιζομενη

Gij die niet weet hoe morgen jullie leven [is]. Want gij zijt een damp die een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt.

15  αντι του λεγειν υμας Εαν ο κυριος θεληση και ζησομεν και ποιησομεν τουτο η εκεινο

In plaats dat gij zegt: Indien de Heer wil zullen wij leven en dit of dat doen.

 

16  νυν δε καυχασθε εν ταις αλαζονειαις υμων πασα καυχησις τοιαυτη πονηρα εστιν

Nu echter roemt gij in jullie grootspraak; al zulk roemen is goddeloos.

17  ειδοτι ουν καλον ποιειν και μη ποιουντι αμαρτια αυτω εστιν

Voor wie daarom weet juist te doen en [het] niet doet, voor hem is het zonde.

 

Jakobus 5

 

5. Ontmaskering van de corrupte rijkdom (5:1-6)

 

1 Αγε νυν οι πλουσιοι κλαυσατε ολολυζοντες επι ταις ταλαιπωριαις υμων ταις επερχομεναις

Welaan nu, gij Rijken, weent, kermend over de rampen die jullie overvallen¹.

 

¹ Treffend is Ps 73:18-19, waarin aan de Joodse Rijken een overeenkomstige aankondiging wordt gedaan: Waarlijk, u [YHWH Elohim] stelt hen op glibberige plaatsen. U brengt hen ten val. Hoe worden zij in een oogwenk tot een voorwerp van ontzetting. Plotseling gaan ze ten onder. Ineens is het met ze gedaan, vergaan door verschrikkingen!

 

Volgens Lk 6:24-25 uitte Masjiach Yeshua zelf dienaangaande overeenkomstige profetische woorden: Wee jullie, de Rijken, want jullie hebben je vertroosting [al] ontvangen. Wee jullie die thans verzadigd zijn, want jullie zullen hongeren. Wee jullie die nu lachen, want jullie zullen treuren en wenen.

 

2 ο πλουτος υμων σεσηπεν και τα ιματια υμων σητοβρωτα γεγονεν

Jullie rijkdom is verrot en jullie gewaden zijn aangevreten door de motten¹.

 

¹ Al in Jk 2:1-5 had Jakobus zich zeer ongunstig uitgelaten over hen die bij de samenkomsten in de synagoge de Rijken begunstigden boven de armen.

 

3 ο χρυσος υμων και ο αργυρος κατιωται και ο ιος αυτων εις μαρτυριον υμιν εσται και φαγεται τας σαρκας υμων ως πυρ εθησαυρισατε εν εσχαταις ημεραις

Jullie goud en zilver zijn verroest en hun roest zal tot een getuigenis tegen jullie zijn en jullie vleesdelen als vuur verteren. Gij hebt schatten vergaard in de laatste dagen¹. 

 

¹  Met betrekking tot de Laatste dagen is 2Tm 3:1-4 bijzonder relevant.

Treffend is ook de waarschuwing die Paulus gaf in 1Tm 6:9-10, gericht tot hen die graag rijk willen worden.

 

4 ιδου ο μισθος των εργατων των αμησαντων τας χωρας υμων ο απεστερημενος αφ υμων κραζει και αι βοαι των θερισαντων εις τα ωτα κυριου Σαβαωθ εισεληλυθασιν

Zie, luid schreeuwt het loon dat gij hebt onthouden aan de arbeiders die jullie akkers hebben gemaaid, en de kreten der oogsters zijn tot de oren van de Heer Tsebaooth doorgedrongen¹.

 

¹ Vergelijk Lv 19:13 ; Dt 24:14-15 Jb 31:38-40.

 

5 ετρυφησατε επι της γης και εσπαταλησατε εθρεψατε τας καρδιας υμων εν ημερα σφαγης  

Gij hebt op de aarde een luxueus en wellustig leven geleid. Gij hebt jullie harten vetgemest op een dag van slachting¹.

 

¹ Tot op de dag van slachting gaan de Rijken ermee door wellustig te leven en hun hart vet te mesten. Bijgevolg kunnen zij vergeleken worden met slachtdieren die eten zoveel als ze kunnen, maar die zich niet (kunnen) realiseren dat zij vetgemest worden voor een spoedige slacht: Er zijn er die op hun vermogen vertrouwen en die pronken met hun grote rijkdom… Hun innerlijke wens is dat hun huizen altijd blijven bestaan, hun tenten van generatie op generatie. Ze hebben hun landerijen naar zichzelf vernoemd… Maar een mens blijft niet leven, ook al heeft hij aanzien, hij is niet beter af dan dieren die vergaan. Dit is de weg van de dwazen en van wie hen volgen en genieten van hun lege woorden. Als schapen zijn ze bestemd voor sjeool, de dood zal hun herder zijn. De oprechten zullen in de morgen over hen heersen. Elk spoor van hen zal vervagen, geen paleis maar sjeool zal hun thuis zijn (Psalm 49).

 

6 κατεδικασατε εφονευσατε τον δικαιον ουκ αντιτασσεται υμιν

Gij hebt veroordeeld, vermoord de rechtvaardige. Hij verzet zich niet tegen jullie.

 

Het lijkt er in bovenstaande perikoop op dat Jakobus profetisch voorzag dat er zich in de Laatste dagen, tijdens Yeshua’s paroesie, een aantal zeer rijke mensen op aarde zouden bevinden die hun rijkdom verwierven door handig te profiteren van de alom heersende economie die tegen die tijd wereldwijd was ontstaan. Wellicht ondermeer doordat zij op slinkse wijze hun kansen grepen.

Wanneer we thans om ons heen kijken is het overduidelijk dat de ‘grote jongens’ - onder wie zich niet zelden Joodse zakenlieden bevinden – gewiekst reageren op die huidige, zeer gecompliceerde wereldecomie. Daarvoor was er van hun zijde wellicht niet eens zoveel rechtstreeks bedrog nodig. Zij hoefden ‘slechts’ handig in te spelen op de vele behoeften die in deze tijd – vlak voor de Laatste Dagen – zijn opgekomen bij een enorm breed, overwegend hedonistisch georiënteerd publiek.

Vergelijk 2 Timotheus 3.

 

Voor het boeken van zulke ongekende resultaten moesten zij zich uiteraard niet al te zeer bekommeren om de [soms ellendige] omstandigheden van hen die het gros van de arbeid binnen die economie verrichtten.

Hier ontvangen zij echter bij voorbaat de boodschap dat de Heer er voor zal zorgen dat hun rijkdom voor hen tot een strik zal worden. De wereldeconomie zal onverwacht instorten, wellicht mede veroorzaakt door de hebzucht van de Rijken die geen grenzen kenden.

Neem in dit verband ook notitie van de voorzegging in Op 3:17-18, waarin aan de Joodse Eindtijdgemeenschap een met het bovenstaande overeenkomende waarschuwing wordt gegeven:

 

Omdat je zegt "Ik ben rijk en ik heb me verrijkt en aan niets heb ik gebrek", terwijl het je ontgaat dat jij de ellendige en deerniswekkende en arme en blinde en naakte bent, raad ik je aan bij mij goud te kopen dat in vuur gelouterd is, opdat je rijk moogt worden; ook witte bovenklederen opdat je je moogt kleden en de schande van je naaktheid niet openbaar wordt, en oogzalf om je ogen te bestrijken opdat je moogt zien.

 

Zie tevens de notitie onder 5:1-6 in de Inleiding.

 

6. Geduldig wachten op de paroesie (5:7-11)

 

7 Μακροθυμησατε ουν αδελφοι εως της παρουσιας του κυριου ιδου ο γεωργος εκδεχεται τον τιμιον καρπον της γης μακροθυμων επ αυτω εως λαβη προιμον και οψιμον

Weest dan geduldig, broeders, tot de paroesie van de Heer.

Zie, de landman wacht de kostelijke vrucht van het land af, er geduld mee hebbend, totdat ze de vroege en late regen ontvangt.

 

παρουσια (paroesie) tegenwoordigheid; verschilt van komst door de nadruk die daarbij ligt op het verblijf welke volgt op de aankomst ergens.

De paroesie van de Heer is altijd in eschatologische zin.

Vers 7 richt de aandacht van de Joodse lezers dan ook op de Eindtijd, d.i. de 70ste Jaarweek, waarin Israëls herstel aanbreekt en een Joods overblijfsel zich berouwvol tot God wendt naar het voorbeeld van Job (Job 42; Js 10:20-22).

 

8 μακροθυμησατε και υμεις στηριξατε τας καρδιας υμων οτι η παρουσια του κυριου ηγγικεν

Weest ook gij geduldig, sterkt jullie harten, want de paroesie van de Heer is nabijgekomen.

 

Uit deze verklaring - dat de paroesie van de Heer is nabijgekomen – kunnen we afleiden dat Jakobus’ gedachten al door zijn hele Geschrift heen eindtijdgericht waren!

 

9 μη στεναζετε αδελφοι κατ αλληλων ινα μη κριθητε ιδου ο κριτης προ των θυρων εστηκεν

Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat gij niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur.

10 υποδειγμα λαβετε αδελφοι της κακοπαθειας και της μακροθυμιας τους προφητας οι ελαλησαν εν τω ονοματι κυριου

Broeders, neemt als voorbeeld van het lijden van kwaad en van het geduld de profeten,

die gesproken hebben in de naam van de Heer.

 

Met de aankondiging Zie, de Rechter staat voor de deur blijven Jakobus’ gedachten op de het Eindtijdgebeuren gefocust. De laatste Jaarweek (de 70ste) zal voor Israël namelijk ook een tijd van oordeel zijn.

Denk vooral aan de profetie van Maleachi, zoals Ml 3:16 – 4:2 >>

 

In die tijd spraken zij die YHWH vreesden met elkaar, ieder met zijn metgezel, en YHWH schonk er aandacht aan en luisterde. Er er werd voor zijn aangezicht een gedenkboek geschreven; voor degenen die YHWH vrezen en voor hen die aan zijn naam denken. ‘Zij zullen beslist van mij zijn’, heeft YHWH der legerscharen gezegd, ‘op de dag dat ik een speciaal bezit voortbreng. Ik zal medegevoel met hen hebben, zoals een man medegevoel heeft met zijn zoon die hem gehoorzaamt. Dan zullen jullie het verschil weer zien tussen een rechtvaardige en een goddeloze, tussen iemand die God dient en iemand die hem niet diende. Want ziet! De dag komt, brandend als een oven. Dan zullen alle overmoedigen en al degenen die goddeloosheid bedrijven als stoppels worden. De dag die komt zal hen beslist verslinden en hen met wortel en tak uitroeien’, zegt YHWH der legerscharen. ‘Maar voor jullie die mijn naam vrezen zal de zon derr gerechtigheid gaan schijnen, met genezing in haar vleugels. En jullie zullen naar buiten gaan en rondhuppelen als kalveren uit de stal’.

 

Het Joodse overblijfsel wacht onvermidelijk het lijden van kwaad, zeker tijdens de Grote Verdrukking. Maar dat is naar het voorbeeld der profeten een teken van uitverkiezing. Uit die weergaloos zware verdrukking zullen zij danook gered worden.

 

11 ιδου μακαριζομεν τους υπομειναντας την υπομονην Ιωβ ηκουσατε και το τελος κυριου ειδετε οτι πολυσπλαγχνος εστιν ο κυριος και οικτιρμων

Zie, wij prijzen hen gelukkig die volhard hebben. Gij hebt gehoord van de volharding van Job en gij hebt de afloop van de Heer gezien, dat de Heer vol genegenheid is en meedogend.

 

 

Het getrouwe deel van Israël zal - naar het profetische beeld van mijn knecht Job - de Ebed YHWH worden. D.i. de Knecht van YHWH.

In het Bijbelboek Jesaja wordt die Ebed profetisch vooral geschilderd als hun Masjiach – Yeshua - het meest prominente lid van die Knecht-natie. Bijgevolg wordt hij in die hoedanigheid feitelijk het eigenlijke Zelf van Israël, in het bijzonder van het getrouwe deel, het altijd weer verschijnende Overblijfsel (ook in de Eindtijd).

 

Zie: De Slaaf en de Paroesie. Deel 2 - De Identiteit van de Slaaf

 

En ook Job 1:20-22; 2:6-10; 14:13-15; 27:3-6; 42:1-17

Jesaja 41:8-9; 42:1-4, 19-20; 43:8-11; 49:1-7; 52:13-15  

 

7. Lichtvaardig zweren vermijden (5:12)

 

12  Προ παντων δε αδελφοι μου μη ομνυετε μητε τον ουρανον μητε την γην μητε αλλον τινα ορκον ητω δε υμων το Ναι ναι και το Ου ου ινα μη υπο κρισιν πεσητε

Maar voor alles, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel noch bij de aarde, noch enige andere eed. Maar laat het Ja van jullie [gewoon] Ja en het Nee [gewoon] Nee zijn, opdat gij niet onder een oordeel valt.

 

Wanneer in de Eindtijd Israëls herstel aanbreekt, moeten zij die tot het overblijfsel behoren stoppen met alle onwaarachtigheid. Met het oog op de paroesie van de Heer moeten zij twijfelachtig gedrag niet langer maskeren door zich schijnheilig te beroepen op dingen die met God te maken hebben, waarbij zij er – zogenaamd heel vroom - angstvallig voor waken Gods naam zelf te gebruiken. Want de hemel is zijn troon, de aarde zijn voetbank en Jeruzalem de stad van de grote koning (Ps 48:1-2, 9-10; Js 66:1-2).

Dat Jakobus lichtzinnig zweren in het dagelijkse leven op het oog heeft – overigens op zich een aanwijzing dat men er moeite mee heeft geduldig te volharden - blijkt uit Dt 10:20; Ps 63:11; Js 65:16 en Jr 23:7-8.

 

8. De kracht van het gebed (5:13-18)

 

13  Κακοπαθει τις εν υμιν προσευχεσθω ευθυμει τις ψαλλετω

Lijdt iemand bij jullie kwaad? Laat hij bidden. Is iemand welgemoed? Laat hij psalmzingen.

14  ασθενει τις εν υμιν προσκαλεσασθω τους πρεσβυτερους της εκκλησιας και προσευξασθωσαν επ αυτον αλειψαντες [αυτον] ελαιω εν τω ονοματι του κυριου

Is iemand bij jullie ziek? Laat hij de oudsten van de gemeente bij zich roepen en laten zij, na [hem] ingewreven te hebben met olie, over hem bidden in de naam van de Heer.

15  και η ευχη της πιστεως σωσει τον καμνοντα και εγερει αυτον ο κυριος καν αμαρτιας η πεποιηκως αφεθησεται αυτω

En het gebed des geloofs zal hem die uitgeput is redden en de Heer zal hem oprichten. En als hij zonden begaan heeft, zal het hem vergeven worden.

 

Redden in de zin van Mr 6:56; Hn 3:7.

Volgens Mt 9:1-8, 21 heeft redding (genezing) in zich het bewijs dat zonden zijn vergeven; de twee gaan samen.

 

16  εξομολογεισθε ουν αλληλοις τας αμαρτιας και ευχεσθε υπερ αλληλων οπως ιαθητε πολυ ισχυει δεησις δικαιου ενεργουμενη

Belijd daarom elkaar openlijk de zonden en bidt voor elkaar, opdat gij gezond gemaakt wordt. Een smeking van een rechtvaardige – innerlijk werkzaam - oefent veel kracht uit.

 

Niet jullie zonden, maar de zonden.

De leden van het Overblijfsel moeten in de Eindtijd eerlijk tegenover elkaar staan en ruiterlijk erkennen dat zij allen ten aanzien van hun Masjiach schromelijk in gebreke zijn gebleven.

Volgens Dn 9:24 moet dan primair een einde gemaakt worden aan de overtreding, namelijk Israëls grote misstap in verband met haar eeuwenlange ontkenning van Yeshua als hun ware Masjiach.

 

Zij kunnen zich spiegelen aan Mr 1:5. Toen namelijk in de Eerste eeuw, in 29 AD, ‘Elia’ verscheen in de persoon van Johannes (de Doper), beleed een menigte Joden openlijk hun (gemeenschappelijke) zonden, als een teken van hun berouw.

Jakobus propageert hier een geheel nieuwe manier van bidden: Met volle overtuiging, komend van binnenuit, geleerd en gepropageerd door de werking van heilige geest.

 

17 Ηλιας ανθρωπος ην ομοιοπαθης ημιν και προσευχη προσηυξατο του μη βρεξαι και ουκ εβρεξεν επι της γης ενιαυτους τρεις και μηνας εξ

Elia was een mens van dezelfde gevoelens als wij. En hij bad met aandrang dat het niet zou regenen, en het regende drie jaar en zes maanden niet op de aarde.

 

De vermelding van Elia richt de aandacht van de Masjiachbelijdende Joden wederom op de Eindtijd en Masjiach Yeshua’s paroesie. Want in die periode zal de tweede ‘Elia’ verschijnen.

D.i. met dezelfde gewaarwordingen; óók met dezelfde zwakheden.

 

Zie de studie Elia, een mens van de zelfde gevoelens als wij

 

18 και παλιν προσηυξατο και ο ουρανος υετον εδωκεν και η γη εβλαστησεν τον καρπον αυτης

En hij bad wederom en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort.

 

9. Hulp tot terugkeer bij afdwaling van de waarheid (5:19-20)

 

19 Αδελφοι μου εαν τις εν υμιν πλανηθη απο της αληθειας και επιστρεψη τις αυτον

Mijn broeders, als iemand bij jullie tot afdwalen van de waarheid gebracht zou worden en iemand doet hem terugkeren,

20  γινωσκετω οτι ο επιστρεψας αμαρτωλον εκ πλανης οδου αυτου σωσει ψυχην αυτου εκ θανατου και καλυψει πληθος αμαρτιων

laat hem weten dat wie een zondaar van zijn dwaalweg deed terugkeren, zijn ziel uit een [toestand van] dood zal redden en een menigte van zonden zal bedekken.

 

De genoemde ‘iemand’ is intermediair. YHWH Elohim ziet er op toe dat degene die tot dwaling werd misleid, veilig wordt teruggeleid.

De afgedwaalde broeder blijft aldus onder het zondeverzoenende offer van de Masjiach. Alleen daardoor worden zijn zonden bedekt.

In zijn gebruikelijke, directe en bondige stijl vertelt Jakobus niet het gehele verhaal. De teruggebrachte broeder zal zich in gebed berouwvol door Yeshua tot God moeten wenden. Of er zal met hem en ten behoeve van hem worden gebeden (Jk 5:14-15).

Bijgevolg zullen zijn zonden, hoeveel ook, worden verzoend of ‘bedekt’.

 

Naschrift

 

In zijn Brief verwijst Jakobus naar enkele Oudtestamenische figuren.

Het is duidelijk dat de geest van inspiratie hem daarbij heeft geleid. Bijgevolg hebben de vier vermelde personen voor de leden van het Joodse overblijfsel in de Eindtijd hun eigen specifieke betekenis:

 

2:20-24 Abraham

 

Aan hem werden de vele oerbeloften gedaan die in het bijzonder bij het aanbreken van het Millennium en de overgang naar die wereldperiode, op ongekende schaal in vervulling zullen gaan:

- alle families van de aardbodem worden in zijn zaad gezegend

- de landbelofte wordt aan de natie Israël vervuld

- zijn zaad zal ‘de poort van hun vijanden’ in bezit nemen

- een koninkrijk van priesters zal de heerschappij van het Messiaanse rijk

uitoefenen.

 

Gn 12:1-3, 6-7; 13:14-17; 14:18-20; 15:5-617:7-818:17-18 en 22:15-18.

 

Zie ook Abrahams bestemming

 

2:25 Rachab

 

Zij was degene die de boodschappers heimelijk had binnengelaten en via een andere weg heenzond. Daarmee identificeerde zij zich op uitgesproken wijze met de leden van Gods natie Israël en uiteraard met YHWH Elohim zelf in de eerste plaats:

 

Ik weet dat YHWH jullie het land heeft gegeven: De angst voor jullie heeft ons overvallen en alle bewoners van het land sidderen voor jullie. Wij hebben gehoord, dat YHWH bij de uittocht uit Egypte de Rietzee voor jullie heeft drooggelegd en dat jullie in het Overjordaanse de twee koningen van de Amorieten, Sichon en Og, met de ban hebt geslagen. Toen wij dat hoorden, is ons de schrik om het hart geslagen en heeft niemand nog de moed gehad iets tegen jullie te ondernemen. Werkelijk, YHWH jullie God is God in de hemel boven en op de aarde beneden.

(Jz 2:9-11)

 

Op grond van dat gelovig handelen is Rachab een profetisch beeld geworden van de rechtvaardige ‘schapen’ die bij het oordeel van de natiën, de Heidenvolken, door de koning aan zijn rechterhand van gunst worden geplaatst. Want ook dezen zullen zich vereenzelvigen met de Israëlitische broeders van de koning. Zij zullen zich bij hen aansluiten omdat zij onderscheiden dat God in de Eindtijd met dat Overblijfsel is (Zc 8:23 en Mt 25:31-40).

Zie de studies Schapen en Bokken

en Confusion of Tongues and the Seven Times

 

5:10-11 Job

 

In de 70ste Jaarweek zal blijken dat door het lijden van Job, en zijn uiteindelijk herstel, een profetisch drama werd opgevoerd, waarin de getrouwe kern van het lijdende Israël zichzelf uiteindelijk zal herkennen.

Zoals Job altijd Gods knecht was gebleven, zo zal ook de getrouwe rest - in haar verbondenheid met Gods knecht bij uitstek, de Masjiach - tijdens diens paroesie als de voorzegde getrouwe en verstandige slaaf optreden, daarbij de knechtprofetieën uit het bijbelboek Jesaja vervullend.

 

Zie nogmaals De Slaaf en de Paroesie. Deel 2 - De Identiteit van de Slaaf

 

5:17-18 Elia

 

Zie, ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van YHWH komt. Hij zal het hart der vaders terugbrengen tot dat der kinderen en het hart der kinderen tot dat van hun vaders. Opdat ik niet kom en het land met de ban tref.

(Ml 4:5-6)

 

Die profetische aankondiging welke de Joden altijd zo heeft geïntrigeerd, is duidelijk eschatologisch en moet daarom eveneens haar (uiteindelijke) vervulling krijgen in de 70ste Week.

Yeshua heeft daarop gewezen toen hij het transfiguratievisioen toelichtte.

Ook Petrus verbond dat visioen met de Eindtijd, en in de Openbaring zien we ‘Elia’ terug in het optreden van de Twee Getuigen.

 

Onder het zinnebeeld van de 144000 verzegelde Joden uit de 12 stammen van Israël, een eerstelingsgave voor God en het Lam, zal deze ‘Elia’ een nieuw lied [zingen] vóór de troon en vóór de vier levende wezens en de oudsten. Een lied dat niemand zal kunnen leren behalve de 144000, zij die van de aarde gekocht zijn.

 

Zie nogmaals: Elia, een mens van de zelfde gevoelens als wij

 

Relatie met Judas

 

Overigens schijnt deze Brief een voortzetting te hebben in De Brief van Judas. Blijkbaar de reden waarom Judas zijn schrijven inleidde met de woorden:

Judas, slaaf van Masjiach Yeshua, een broer echter van Jakobus…

 

Ook in zijn brief refereert Judas aan enkele voor Joden zeer bekende oudtestamentische figuren, maar in tegenstelling met Jakobus gaat het bij Judas om personen met een ongunstige reputatie: Kaïn, Bileam en Korach.

Blijkbaar wordt hij door inspiratie daartoe gebracht teneinde krachtig te laten uitkomen dat er tijdens Yeshua’s paroesie voor het Overblijfsel grote geestelijke gevaren dreigen. Gevaren die zullen komen van de kant van de ‘boze slaaf’, van de zijde derhalve van die Joden die in de 70ste Week hun afvalligheid compleet maken door de Antichrist te verkiezen boven de ware Masjiach.

 

Zoals door Judas wordt aangetoond komen die Joden overeen met die voorvaders van hen die bij de uittocht uit Egypte door YHWH Elohim ter dood werden gebracht in de wildernis vanwege hun ongeloof.

Het gaat dus om het altijd terugkerende ongelovige deel van Israël dat de regelingen van God niet erkent.

Zoals hun prototypen het leiderschap van Mozes minachtten, zullen hun tegenhangers zich minachtend en schimpend uitlaten over hen die Yeshua’s heerschappij in de Eindtijd zullen vertegenwoordigen (Js 66:5).

 

-.-.-.-.-