Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Brief aan de Galaten

De Brief aan de Galaten

 

Blogexemplaar

 

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

   Excurs: De vroege christenen en de Mozaïsche wet

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

   Excurs: Bijbelwiel

   Excurs: Terugkeer naar Slavernij

   De Allegorie

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

 

Het Bijbelse Galatië moet gezocht worden in het huidige Turkije met in het Zuiden de gemeenten (Pisidisch) Antiochië, Ikonium, Lystra en Derbe

 

Hoofdstuk 1

 

1  Παυλος αποστολος, ουκ απ ανθρωπων ουδε δι ανθρωπου αλλα δια Iησου Χριστου και θεου πατρος του εγειραντος αυτον εκ νεκρων,

 

Paulus, een apostel —niet vanwege mensen noch door een mens maar door Jezus Messias en Vader God die hem vanuit [de] doden opwekte—

 

2  και οι συν εμοι παντες αδελφοι, ταις εκκλησιαις της Γαλατιας∙

 

en al de broeders die bij mij [zijn], aan de gemeenten van Galatië.

 

Bewust zet de apostel in het opschrift van de Brief zijn naam Paulus voorop. Hij is de verantwoordelijke schrijver hoewel er nog andere broeders in zijn gezelschap verkeren. Ook noemt hij zich meteen een apostel die bovendien niet door een mens en ook niet vanwege mensen werd aangesteld, maar rechtstreeks door Messias Jezus en diens Vader. Daarmee keert Paulus zich van meet af tegen zijn Judaïstische tegenstanders die blijkbaar beweerden dat zijn apostelschap van menselijke oorsprong was, dus inferieur en niet op één lijn geplaatst kon worden met dat van de twaalf die wel een goddelijke roeping hadden.

Maar door zijn roeping en aanstelling rechtstreeks toe te schrijven aan Jezus Messias en Vader God kan er van enige menselijke bemiddeling geen sprake zijn. Zelfs Jezus - die met de Vader tot de hemelse sfeer behoort - is in dit geval niet als bemiddelaar opgetreden.

 

Paulus die kennelijk vanuit zijn thuisbasis in Syrisch Antiochië schrijft laat zijn opponenten bovendien weten dat niet slechts hij die opvatting huldigt. Al de broeders die bij mij [zijn] noemt hij niet voor niets als mede-afzenders. Die kring van broeders die zich rondom hem bevinden, verkeren en leven met hem in een absolute overeenstemming van gedachten en gevoelens.

 

Naar onze opvatting getuigen deze en andere innerlijke kenmerken van de Brief dat Paulus ze schreef in de periode die onmiddellijk voorafging aan het apostelconvent dat in 49 AD te Jeruzalem plaats vond. In Hn 15:1 lezen we welke omstandigheden daartoe de aanleiding vormden: En sommigen die afgekomen waren van Judéa gingen de broeders leren: Als jullie niet worden besneden naar het gebruik van Mozes kunnen jullie niet worden gered.

 

Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat er omstreeks diezelfde tijd soortgelijke verontrustende geluiden vanuit de Galatische gemeenten de broeders te Antiochië bereikten, eveneens veroorzaakt door Joodse gelovigen die meenden dat mensen uit de Heidenvolken slechts tot de nieuw gestichte gemeenten konden worden toegelaten als de oude procedure die eeuwenlang in Israël voor proselieten had gegolden, in acht werd genomen.

 

Aldus probeerden zij niet slechts de Heidengelovigen de oude Joodse levensstijl op te dringen en daarmee het Christendom tot een soort veredeld Jodendom te transformeren, maar - wat nog veel erger was - door hun beweringen loochenden zij de essentie van het Evangelie: Uitsluitend leven vanuit het geloof in de Messias en de kracht van zijn reddend offer, daarbij gesteund door de innerlijke werking van de heilige geest.

 

Welnu, die zeer verontrustende ontwikkeling, op gang gebracht door die fanatieke Joodse wetsijveraars in Antiochië en daarbuiten, moest rigoureus worden aangepakt en (zeker volgens Paulus en Barnabas) een halt worden toegeroepen. En wat kon dienaangaande doeltreffender werken dan met alle vooraanstaande broeders, waaronder uiteraard de 12 apostelen, te Jeruzalem bijeen te komen en zich over die kwestie te buigen en vervolgens met een definitieve oplossing cq aanpak te komen, zodat alle gelovigen zouden weten waar zij aan toe waren. En aldus geschiedde: En toen er van de zijde van Paulus en Barnabas geen gering verzet en tegenspraak tegen hen ontstond, droegen zij Paulus en Barnabas en nog enigen van hen op zich tot de apostelen en oudsten te Jeruzalem te begeven naar aanleiding van dit geschil (Hn 15:2; nbg)

 

3  χαρις υμιν και ειρηνη απο θεου πατρος και κυριου ημων Iησου Χριστου,

 

Liefderijke gunst [zij] jullie en vrede van Vader God en van onze Heer Jezus Messias,

 

4  του δοντος εαυτον περι των αμαρτιων ημων οπως εξεληται ημας εκ του αιωνος του ενεστωτος πονηρου κατα το θελημα του θεου και πατρος ημων,

 

die zichzelf gaf betreffende onze zonden opdat hij ons zou wegrukken [voor zichzelf] uit de huidige goddeloze eeuw, naar de wil van onze God en Vader.

 

Na de gebruikelijke begroeting zet de apostel onmiddellijk de toon voor zijn Brief. Christenen danken hun redding geheel en al aan het van zonden bevrijdende offer van de Zoon van God. Ja, zelfs meer dan dat! Door ons geloof in Jezus’ loskopend offer zijn we ontrukt aan het goddeloze wereldsysteem (Grieks αιων: aioon] dat door de Duivel - de god van dit aioon - wordt beheerst (2Ko 4:4). Zowel de afgodische praktijken der Heidenvolken als het starre wetticisme der Judaïsten -Paulus’ opponenten in deze Brief- zijn dienstbaar aan die valse god.

 

Lightfoot constateerde ten aanzien van de zinsnede die zichzelf gaf betreffende onze zonden opdat hij ons zou wegrukken uit de huidige goddeloze eeuw het volgende: "Strikes the keynote of the epistle. The gospel is a rescue, an emancipation from a state of bondage".

 

Christenen die hun vertrouwen volledig stellen in het bevrijdende offer van Jezus, zijn echter naar een geheel andere situatie overgebracht, zoals de apostel later zou schrijven: Dankend de Vader die jullie geschikt maakte om deel te hebben aan het erfgoed der heiligen in het licht; die ons ontrukte aan de macht der duisternis en overbracht in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden (Ks 1:12-14).

 

Toen Paulus en Barnabas rond 46-47 AD op hun Eerste zendingsreis in het gebied der Galaten het Evangelie verkondigden gaven dezen van grote waardering en geestdrift blijk. Hun geluk was onbeschrijfelijk; hun dankbaarheid grenzeloos, zelfs in die mate dat zij zich bereid toonden de ogen uit te drukken en ze aan Paulus te schenken indien iets dergelijks mogelijk was geweest. Blijkbaar hield die bereidheid verband met een oogaandoening bij de apostel. Aan de hand van Gl 4:13-15 mag wellicht geconcludeerd worden dat hij naar (Pisidisch) Antiochië was gereisd om aldaar (of elders) medische behandeling voor zijn klachten te zoeken en tevens dat de evangelieprediking in dat gebied niet bewust gepland maar eerder het gevolg was van Paulus’ ziekte. Vandaar ook zijn gebruik van het Griekse το προτερον in vers 13 dat we met aanvankelijk of oorspronkelijk zouden kunnen weergeven. Oorspronkelijk was hij naar hun gebied gereisd in verband met zijn lichamelijke kwaal.

De uitdrukking behoeft daarom niet noodzakelijkerwijs te suggereren dat hij de christenen aldaar reeds minstens 2x zou hebben bezocht. Moet het in die zin wél degelijk opgevat worden dan kunnen we denken aan het feit dat hij en degenen die bij hem waren tijdens diezelfde (Eerste) zendingsreis tweemaal door de steden Lystra, Ikonium en Antiochië trokken; de tweede maal met de bedoeling om de zielen der leerlingen stevig in het geloof te bevestigen en hun behulpzaam te zijn de gemeenten intern theocratisch te organiseren (Hn 14:19-23).

 

Zoals hier, in 1:4, maar ook verder uit de Brief zal blijken, hadden Paulus en Barnabas de Galaten vooral bekendgemaakt met de reddende kracht van Jezus’ offerdood en bijgevolg met de noodzaak van geloof in die geweldige voorziening van God. Zie bijvoorbeeld ook 3:1 >> O onverstandige Galaten; wie betoverde jullie voor wier ogen Jezus Messias als de aan een paal gehangene werd getekend?

Degenen die hen omgepraat hadden waren die wettische Jodenchristenen, als zij die naam al verdienden, want in 2:4 zal Paulus hen op één lijn stellen met de "binnengedrongen valse Joodse broeders" die heimelijk de christelijke vrijheid waarin Paulus en zijn metgezellen zich verheugden wilden "bespieden", dat wil zeggen dat zij in werkelijkheid (als spionnen) aan de weet probeerden te komen hoe men zich in de gemeente van Syrisch Antiochië gedroeg ten opzichte van de Mozaïsche wetgeving.

 

Hoe stonden die ijveraars dan tegenover een Messias die zichzelf (zijn ziel) had gegeven ten losprijs in ruil voor velen (Mt 20:28)?

Dat is moeilijk te zeggen. Kennelijk gingen zij er wel vanuit dat God Jezus’ dood had gewild en dat die dood daarom een zekere betekenis had, maar dan meer in de zin van sommige andere OT rechtvaardigen die, zoals dat heette, door hun dood de overtredingen van de Wet hadden 'uitgeboet'. Door de dood van Gods Zoon zou dan de rechtvaardiging door de werken der Wet gemakkelijker en krachtdadiger zijn geworden.

 

5  ω η δοξα εις τους αιωνας των αιωνων∙ αμην.

 

Hem [zij] de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen!

 

Een doxologie (lofprijzing) reeds direct bij de Inleiding van de Brief; iets ongewoons voor Paulus! Maar Gods lof - ook al is zijn heerlijkheid zijn eeuwig en onvervreemdbaar bezit - is altijd meteen in het geding wanneer door personen met verkeerde bedoelingen een dwaalleer in zijn Gemeente wordt geïntroduceerd! Zeker wanneer wij ons realiseren dat het eeuwige raadsbesluit van onze Vader God de diepste oorzaak is van onze verlossing.

Het is waar dat zijn Zoon zijn ziel prijsgaf om ons weg te rukken uit de huidige goddeloze wereldperiode, maar een en ander geschiedde geheel volgens Gods wil.

Met deze doxologie suggereert de apostel bovendien dat wij als resultaat van die bevrijding God tot in alle eeuwigheid lof kunnen toezwaaien! Niets minder dan zulke kostbare vooruitzichten staan op het spel!

 

6  Θαυμαζω οτι ουτω ταχεως μετατιθεσθε απο του καλεσαντος υμας εν χαριτι [Χριστου] εις ετερον ευαγγελιον,

 

Ik sta er maar steeds verbaasd over dat jullie je zo vlug afwenden van hem die jullie in liefderijke gunst riep, tot een andersoortig Evangelie,

 

Paulus komt onmiddellijk ter zake; geen enkel prijzend woord voor hen, maar slechts pijnlijke verwondering. "Hoe is het mogelijk; ik kan er maar niet over uit dat jullie bezig zijn - zo vlug na mijn vertrek en zonder het bieden van tegenstand - gehoor te geven aan valse en verdraaide leringen die zogenaamd voor Evangelie moeten doorgaan. Weten jullie niet dat jullie je daarmee feitelijk afwenden van God zelf; nota bene van Degene die jullie in zijn gunst tot zijn Zoon trok! Maar er is geen tweede of ander [Grieks allos] Evangelie, een alternatief; alleen een 'Evangelie' dat afwijkt, dat andersoortig is [heteros] en daarom helemaal geen Evangelie is".

 

7  ο ουκ εστιν αλλο∙ ει μη τινες εισιν οι ταρασσοντες υμας και θελοντες μεταστρεψαι το ευαγγελιον του Χριστου.

 

dat geen ander is, al zijn er ook sommigen die jullie in verwarring brengen en het Evangelie van de Messias willen verdraaien.

 

8  αλλα και εαν ημεις η αγγελος εξ ουρανου ευαγγελιζηται [υμιν] παρ ο ευηγγελισαμεθα υμιν, αναθεμα εστω.

 

Maar ook al zouden wij of een engel uit [de] hemel jullie een Evangelie verkondigen buiten wat wij jullie als Evangelie verkondigden, hij zij vervloekt!

 

9  ως προειρηκαμεν, και αρτι παλιν λεγω, ει τις υμας ευαγγελιζεται παρ ο παρελαβετε, αναθεμα εστω.

 

Zoals wij tevoren hebben gezegd en thans opnieuw zeggen: als iemand jullie een Evangelie verkondigt buiten wat jullie ontvingen, hij zij vervloekt!

 

Paulus had hen in klare bewoordingen gewaarschuwd. De god van deze eeuw, Satan, door Lukas in Lk 11:21-23 de Sterke genoemd, geeft ongaarne zijn bezittingen prijs, t.w. mensen die zich in zijn macht bevinden: Wanneer de Sterke, volledig van wapens voorzien, zijn hofstede bewaakt, verkeren zijn bezittingen in vrede. Zodra echter iemand die sterker is dan hij [Gods Zoon], hem overvalt en overwint, neemt die zijn wapenrusting waarop hij vertrouwd had weg, en verdeelt zijn buit.

Tijdens zijn bediening op aarde was Jezus reeds begonnen om aan Satan diens 'goederen' te ontnemen en de geroofde buit uit te delen, in de zin van anderen laten meedelen in de voordelen van zijn overwinning. En in Galatië was Paulus er in de kracht van Gods geest ijverig mee voortgegaan nog meer 'buit' aan de Satan te ontroven.

 

Geen wonder dat Satan al zijn beschikbare werktuigen aldaar mobiliseerde om het Paulus en diens metgezellen zo zwaar mogelijk te maken. Vanaf Lystra, waar hij tot grote verbazing van de heidense menigte een man genas die vanaf zijn geboorte kreupel was geweest, zag Satan zijn kans schoon: Maar uit Antiochië en Ikonium kwamen Joden die het volk ompraatten. Ze stenigden Paulus en sleepten hem de stad uit, in de mening dat hij dood was. Maar toen de leerlingen om hem heen stonden, kwam hij overeind en ging de stad weer in. De volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. In Derbe verkondigden ze het Evangelie en maakten er veel leerlingen. Toen besloten ze via Lystra en Ikonium weer naar Antiochië terug te keren. Ze wilden de leerlingen daar bemoedigen en hen aansporen trouw te blijven aan het geloof. Ook wilden ze hen zeggen dat wij door veel lijden heen moeten om het koninkrijk van God binnen te gaan (Hn 14:19-22; nbg).

 

Het kan heel goed zijn dat Paulus op die terugreis de leerlingen krachtig voor de listige praktijken van de Satan waarschuwde en hun zelfs attendeerde op de reële mogelijkheid dat er personen zouden opstaan die zouden pogen zijn prediking teniet te doen. Προλεγω [tevoren zeggen] is het werkwoord dat hij nu gebruikt om aan te geven dat hij hun toen reeds het volgende liet weten: Als iemand jullie een Evangelie verkondigt buiten wat jullie ontvingen, hij zij vervloekt!

 

En nu voegt hij er aan toe dat iets dergelijks ook geldt voor een engel die vanuit de hemel leiding aan zo’n beweging zou geven. Klaarblijkelijk verwijzend naar sommige Judaïsten die zich op de superioriteit van de Thorah beroemden omdat die bij de Sinaï door tussenkomst van engelen aan Mozes was overgebracht.

 

10  Aρτι γαρ ανθρωπους πειθω η τον θεον; η ζητω ανθρωποις αρεσκειν; ει ετι ανθρωποις ηρεσκον, Χριστου δουλος ουκ αν ημην.

 

Want probeer ik nu mensen te overtuigen of God? Of zoek ik mensen te behagen? Indien ik nog mensen trachtte te behagen zou ik geen slaaf van [de] Messias zijn!

 

We moeten hier blijkbaar tussen de regels door lezen en vaststellen waarop de apostel doelt. Waarom stelt hij zulke zaken aan de orde als proberen mensen te overtuigen en/of te behagen ?

Kennelijk hadden Paulus’ opponenten lasterlijk over hem beweerd dat hij de toon en aard van zijn prediking willekeurig wijzigde naar gelang de personen met wie hij te maken kreeg. Om Joodse personen te behagen zou hij (als voorbeeld) de besnijdenis aanmoedigen, maar in zijn contact met de Heidenen zou hij beweren dat de Wet niet onderhouden hoefde te worden en dat derhalve ook de besnijdenis geheel onnodig was.

 

Vergelijk 1Ko 9:19-23 om een idee te krijgen van zijn werkelijke (godvruchtige) beweegredenen dienaangaande. Maar hoe dan ook, de aantijging dat hij een slaaf van mensengunst zou zijn, werpt hij ver van zich. Een slaaf van de Messias, Jezus, dát is datgene waarop hij zich wil laten voorstaan.

Wanneer hij schrijft Indien ik nog mensen trachtte te behagen, verwijst hij naar de duistere periode in zijn leven dat hij Jezus’ dienaar nog niet was en zich in zijn ijver voor de Wet uitsloofde om de Joods religieuze elite te behagen (Hn 9:1-2; 22:3-5; Fp 3:4-6).

 

11  Γνωριζω δε υμιν, αδελφοι, το ευαγγελιον το ευαγγελισθεν υπ εμου οτι ουκ εστιν κατα ανθρωπον∙

 

Maar ik maak jullie bekend, broeders, dat het Evangelie dat door mij als Evangelie werd verkondigd niet naar de mens is.

 

De apostel gebruikt in zijn Brieven enkele malen het werkwoord γνωριζω [bekendmaken] om zijn lezers in te lichten omtrent feiten welke zij tot dan toe niet kenden. Zie ondermeer 1Ko 12:3 en 2Ko 8:1-2.

In dit geval echter wil hij kennelijk de herinnering van zijn broeders in Galatië opfrissen omtrent zaken waaraan zij gemakshalve - naar het hun uitkwam - voorbij wensten te gaan. Wat zij door zijn tussenkomst hadden vernomen was een goddelijk Evangelie, dus beslist niet van menselijke makelij of oorsprong; niet in elkaar gezet volgens de gebrekkige menselijke aanpak. Blijkbaar hadden zijn tegenstanders lasterlijk beweerd dat hij een leer van menselijke vinding predikte.

 

12  ουδε γαρ εγω παρα ανθρωπου παρελαβον αυτο, ουτε εδιδαχθην, αλλα δι αποκαλυψεως Iησου Χριστου.

 

Want ik ontving het ook niet van een mens - noch werd ik onderwezen - maar door openbaring van Jezus Messias.

 

Hier onthult de apostel aan zijn broeders, als een onderdeel van zijn biografisch overzicht, waarschijnlijk wel enkele nieuwe feiten: Zowel de inhoud van het Evangelie als het volledige begrip ervan heeft hij uitsluitend ontvangen door openbaring van Jezus.

Paulus heeft het niet over een openbaring en laat daarmee de mogelijkheid open dat hij ná de Damaskus' ervaring nog verdere openbaringen ontving, misschien ondermeer tijdens zijn verblijf in de wildernis van Arabië.

In het jaar 41 AD had hij volgens 2Ko 12:1-4 in ieder geval beslist nog een heel bijzondere ervaring dienaangaande. Vergelijk ook 1Ko 11:23 en 1Th 4:15.

Maar belangrijk in zijn apologie (verweer) is het punt dat niet alleen zijn Evangelie uit goddelijke bron afkomstig was, maar dat dit eveneens gold voor zijn catechese (mondeling onderricht).

 

13  Hκουσατε γαρ την εμην αναστροφην ποτε εν τω Iουδαισμω, οτι καθ υπερβολην εδιωκον την εκκλησιαν του θεου και επορθουν αυτην,

 

Jullie hoorden immers van mijn levenswijze destijds in het Jodendom, dat ik de Gemeente van God bovenmate placht te vervolgen en haar wilde verwoesten.

 

14  και προεκοπτον εν τω Iουδαισμω υπερ πολλους συνηλικιωτας εν τω γενει μου, περισσοτερως ζηλωτης υπαρχων των πατρικων μου παραδοσεων.

 

En ik maakte meer vooruitgang in het Jodendom dan veel leeftijdgenoten onder mijn volk, daar ik een nog grotere ijveraar voor de overleveringen van mijn voorvaderen was.

 

Paulus verhaalt uitvoerig de bijzonderheden van zijn verleden. Waarom? Niet slechts omdat hij gaarne Gods barmhartigheid wil verheerlijken; het was immers een wonder op zichzelf geweest dat nota bene hij, aanvankelijk een vurig christenvervolger, zelf tot het Christendom overging. Om die reden wordt hij niet moe om anderen te laten delen in de details van zijn bekering. 

 

Vergelijk: Hn 22:1-21; 26:4-23; 1Ko 15:8-10; Fp 3:4-8; 1Tm 1:12-14.

 

Maar er is meer aan de orde waarom hij uitvoerig de eigen biografische bijzonderheden met de Galaten wenst door te nemen. Paulus was niet slechts van geboorte een Jood maar hij huldigde ook de nationale en godsdienstige principes van het Jodendom, en dat op zeer fervente wijze. Hij had zich op de school der rabbijnen - gezeten aan de voeten van de vermaarde leraar Gamaliël - een fanatiek theologiestudent betoond. Zijn ijver om de opkomende beweging rondom de persoon van Jezus van Nazareth  -die door Christenen als de Joodse Messias werd aangehangen - totaal uit te roeien, was buitensporig fel. Hij vervolgde de Gemeente van God bovenmate [καθ υπερβολην]. 

De consequenties van die loopbaan [levenswandel; αναστροφη] waren:

 

a. Een dergelijke ommekeer kon alleen maar plaatsvinden door rechtstreekse openbaring; zijn buitensporige haat maakte hem volledig ontoegankelijk voor enig mondeling onderricht. Ook de mogelijkheid dat hij door innerlijke ontwikkeling tot geloof zou komen was uitgesloten. Zijn verleden was van dien aard dat slechts een totale breuk met zijn doen en denken de overgang tot het Christendom mogelijk kon maken. Kortom, daarvoor was inderdaad een bovennatuurlijke ingreep nodig.

 

b. Het Christendom was in zijn ogen geen veredeld Jodendom; ook geen Jodendom dat op enkele punten was bijgesteld, maar een geheel nieuwe gemeenschap.

 

15  οτε δε ευδοκησεν [ο θεος] ο αφορισας με εκ κοιλιας μητρος μου και καλεσας δια της χαριτος αυτου

 

Maar toen het hem die mij vanuit [de] schoot mijner moeder afzonderde en riep door zijn liefderijke gunst goed dacht

 

16  αποκαλυψαι τον υιον αυτου εν εμοι ινα ευαγγελιζωμαι αυτον εν τοις εθνεσιν, ευθεως ου προσανεθεμην σαρκι και αιματι,

 

zijn Zoon in mij te openbaren opdat ik hem onder de Heidenvolken als Evangelie zou verkondigen, ging ik niet onmiddellijk te rade bij bloed en vlees.

 

Wat ons wel moet frapperen is het feit dat, terwijl Paulus in zijn overijverig fanatisme nog bezig was de Gemeente te vervolgen en hij alles in het werk stelde om ze te verwoesten, God hem er reeds toe bestemd had om juist binnen die Gemeente een bijzondere vorm van apostelschap uit te oefenen. Sterker nog, YHWH God had hem reeds vanaf zijn geboorte voor dat doel afgezonderd. Vanaf het moment dat hij uit de moederschoot tevoorschijn kwam, was Gods oog op hem, zelfs vóórdat hij enige zelfstandige daad kon stellen!

 

Zo ook wij. Terwijl God zijn plan al klaar heeft liggen met ons, kunnen wijzelf intussen helemaal verkeerd bezig zijn!

Vergelijk Jr 1:5 > Eer Ik je vormde in de moederschoot, heb Ik je gekend, en eer je voortkwam uit de baarmoeder, heb Ik je geheiligd; tot een profeet voor de Heidenvolken [Goyim] heb Ik je gesteld.

 

Toen hij als jongeman opgroeide sloot Paulus zich aan bij de sekte der Farizeeën. Farizeeër betekent afgezonderd. Welnu, zonder dat hij ook maar iets daaromtrent kon bevroeden had God hem afgezonderd voor een geheel andere toewijzing. Voor de poorten van Damaskus maakte hij een begin met de uitvoering van die voorbestemming: Hij riep Paulus - toen nog Saulus - tot het apostelschap om de blijde tijdingen omtrent zijn Zoon (het Evangelie) onder de Heidenvolken bekend te maken.

 

Voor ons Christenen in het algemeen betekent Gods roeping eveneens een heel nieuw begin (fase) in ons leven, t.w. de verwezenlijking van de bestemming die hij al vóór de grondlegging der wereld met ons had. Die effectieve roeping formuleerde Paulus naderhand in zijn Romeinenbrief aldus: Hen die hij tevoren kende, bestemde hij ook tevoren van gelijke gedaante [te zijn] met het beeld van zijn Zoon, opdat hij Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. Hen dan die hij voorbestemde, dezen riep hij ook. Hen die hij riep, dezen rechtvaardigde hij ook. Hen die hij rechtvaardigde, dezen verheerlijkte hij ook (Rm 8:29-30).

 

Maar voor hij die Zoon kon verkondigen moest God hem in Paulus openbaren.

Eν εμοι duidt op een geheel innerlijke openbaring. De sluier welke hem belette Jezus te zien zoals die werkelijk was moest worden weggenomen. Daardoor ontving hij een zo’n rijke kennis van goddelijke feiten dat hij later in zijn Filippenzenbrief zou schrijven dat dit zijn meest kostbaar bezit was: Maar alle dingen dan ook welke voor mij tot voordeel waren, die heb ik door toedoen van de Messias schade geacht. Jazeker, zelfs alle dingen acht ik schade te zijn wegens de uitnemendheid der kennis van Messias Jezus, mijn Heer. Door hem werden alle dingen mij tot schade, en ik acht [ze] als stukken afval opdat ik [de] Messias mag winnen en in hem bevonden mag worden; niet mijn [eigen] rechtvaardigheid hebbend welke uit de Wet voortspruit, maar die door geloof van de Messias, de rechtvaardigheid die uit God is, op basis van het geloof (Fp 3:7-9).

 

17  ουδε ανηλθον εις Iεροσολυμα προς τους προ εμου αποστολους, αλλα απηλθον εις Aραβιαν, και παλιν υπεστρεψα εις Δαμασκον.

 

Ook ging ik niet op naar Jeruzalem, naar hen die voor mij apostelen [waren], maar ik vertrok naar Arabië en keerde weer naar Damaskus terug.

 

In het voorgaande vers (16) had hij al geschreven dat hij, toen God zijn Zoon in hem openbaarde niet onmiddellijk te rade ging bij bloed en vlees.

Hij had niet de minste behoefte om de aan hem geopenbaarde kennis aan ook maar enig mens ter goedkeuring voor te leggen, zelfs niet aan de twaalf apostelen, wier positie en gezag hij overigens erkende. Zij waren al apostelen vóór mij.

Waarom niet? Iets dergelijks zou immers een blijk van wantrouwen zijn geweest ten opzichte van God zelf die hem de uitnemende kennis innerlijk had geschonken. Van het ogenblik van zijn roeping af nam hij een zelfstandige houding aan; hij had de gebrekkigheid van de Adamitische mens (vlees en bloed) niet nodig. Aangezien God en Jezus onmiddellijk tot hem hadden gesproken had hij er zelfs geen behoefte aan om de erkende leiders der Gemeente te raadplegen.

 

Het is moeilijk om de wijze waarop Paulus hier zijn biografisch verleden schetst te harmoniëren met het verslag in Handelingen 9:10-30. Waar het in deze Brief echter om gaat is dat Paulus vooral die feiten wil verschaffen die zijn opponenten de mond moeten snoeren. Die tegenstanders hadden blijkbaar valselijk beweerd dat Paulus al direct moeite zou hebben gedaan om met de apostelen contact te leggen, opdat zij zijn zending zouden bevestigen. Eerst later zou hij een zelfstandige houding hebben aangenomen. Toen hij namelijk bemerkte dat zijn opvattingen betreffende Wet en de inhoudelijkheid van zijn prediking in strijd waren met die van de Jeruzalemse gemeente, zou hij daarop de omgang met de twaalf uit de weg zijn gegaan en een Evangelie zijn gaan prediken van eigen stempel en makelij. Maar al die beweringen worden door hem als lasterlijk en vals ontmaskerd.

 

18  Eπειτα μετα ετη τρια ανηλθον εις Iεροσολυμα ιστορησαι Kηφαν, και επεμεινα προς αυτον ημερας δεκαπεντε∙

 

Vervolgens ging ik na drie jaar op naar Jeruzalem om met Kèfas kennis te maken en ik bleef vijftien dagen bij hem;

 

19  ετερον δε των αποστολων ουκ ειδον, ει μη Iακωβον τον αδελφον του κυριου.

 

maar ik zag niemand anders van de apostelen behalve Jakobus, de broeder van de Heer.

 

20  α δε γραφω υμιν, ιδου ενωπιον του θεου οτι ου ψευδομαι.

 

De dingen nu die ik jullie schrijf, zie voor Gods aangezicht: Ik lieg niet!

 

Uit deze verzen (18 tm 21) kunnen we blijkbaar afleiden dat

a. dit de eerste keer was dat Paulus opging naar Jeruzalem;

b. dit bezoek plaats vond ná zijn terugkeer naar Damaskus (vers 17);

c. er inmiddels drie jaren - of beter: gedeelten van drie jaren - waren verstreken. Gerekend vanaf 33 AD als het jaar van zijn bekering, bevinden we ons dus waarschijnlijk in het jaar 35 AD.

d. dit bezoekt samenvalt met dat welke Lukas beschreef in Hn 9:26-30.

e. het de bedoeling van de apostel was om zijn tegenstanders de mond te snoeren.

 

Zij hadden blijkbaar juist dit bezoek tegen Paulus uitgespeeld omdat hij (volgens hen) bij die gelegenheid zijn zending van de apostelen zou hebben ontvangen. Zij zouden hem toen aanvullend geïnstrueerd hebben omtrent de aard van zijn evangelieverkondiging.

Welnu, elke aantijging in die richting wordt door de apostel weerlegd. Uiteraard erkende hij het 'gezag' van de twaalf. Omdat hij over Petrus spreekt met diens Aramese naam Kèfas, begrijpen wij dat hij van de historische aanleiding tot diens naamsverandering op de hoogte was en daarmee ook van het feit dat de Heer Petrus toen speciale voorrechten had toevertrouwd. Zie Mt 16:13-19.

 

Vandaar ook dat hij het bezoek aan Petrus als de enige reden van zijn tocht naar Jeruzalem noemt.

Maar dat deed hij niet met de bedoeling om van Petrus goedkeuring te vragen voor zijn missie onder de Heidenvolken, en al helemaal niet om zich onder Petrus' gezag te stellen. Nee, zijn doel was om met Petrus kennis te maken.

Het Griekse werkwoord ιστορεω dat alleen hier in het NT voorkomt, heeft de betekenis van iets door eigen onderzoek of aanschouwen te weten komen. Het is bijvoorbeeld aan de orde bij reizigers die vreemde landen bezoeken en zich willen vergewissen van de merkwaardige zaken aldaar.

Bij Paulus ging het dan ook om een kennismakingsbezoek aan Petrus. Daarom spreekt hij er ook met een zekere terughoudendheid over: Ik ben 15 dagen bij hem gebleven.

Zijn verzekering: Ik lieg niet verraadt Paulus’ heftige gemoedstoestand. "Vóór de Persoon van God zijn dit de echte historische feiten en niets anders!"

 

21  επειτα ηλθον εις τα κλιματα της Συριας και της Kιλικιας.

 

Vervolgens kwam ik naar de streken van Syrië en Cilicië.

 

22 ημην δε αγνοουμενος τω προσωπω ταις εκκλησιαις της Iουδαιας ταις εν Χριστω.

 

Maar van aangezicht was ik onbekend aan de gemeenten van Judea in [de] Messias

 

23 μονον δε ακουοντες ησαν οτι O διωκων ημας ποτε νυν ευαγγελιζεται την πιστιν ην ποτε επορθει,

 

Alleen hadden zij steeds gehoord: "Hij die ons eens vervolgde verkondigt nu het Evangelie, het geloof dat hij eens probeerde te verwoesten".

 

24 και εδοξαζον εν εμοι τον θεον.

 

En zij gingen God in mij verheerlijken.

 

Na zijn kennismakingsbezoek aan Petrus vertrok Paulus opnieuw naar gebieden die buiten de invloedssfeer van de apostelen lagen. De apostel ging dus ook daarna zijn eigen weg en bleef in zijn verkondiging uitsluitend steunen op Gods onmiddellijke roeping.

Terloops laat hij zijn opponenten weten dat hij met de (christelijke) gemeenten van Judea in het geheel geen betrekkingen had. Vanuit Jeruzalem was hij rechtstreeks naar het Buitenland vertrokken. De Joodse christenen binnen die Judese gemeenten kenden hem dus niet persoonlijk maar wel vernamen zij vrij geregeld dat de vroegere vervolger nu ook zelf het christelijke geloof predikte; dat wil zeggen de geloofswaarheden waartegen Paulus eens felle oppositie voerde.

 

Met de afsluitende zin in dit hoofdstuk En zij gingen God in mij verheerlijken maakt hij zijn Judaïstische tegenstanders beschaamd. Hoe zo?

Die opponenten miskenden immers Gods werk in de apostel. De gemeenten in Judea, die algemeen als de kern van de oorspronkelijke Gemeente erkend werden en waarop de Judaïsten zich gaarne beriepen, achtten het daarentegen passend aan God heerlijkheid te geven toen zij vernamen hoe Hij die vroegere christenvervolger gebruikte om aan de Heidenvolken het Evangelie te brengen. In zijn persoon en werk kon men slechts bewijzen zien van Gods grote macht en liefderijke gunst.

 

Hoofdstuk 2

 

 

1 Eπειτα δια δεκατεσσαρων ετων παλιν ανεβην εις Iεροσολυμα μετα βαρναβα, συμπαραλαβων και Tιτον∙

 

Vervolgens, na verloop van veertien jaar, ging ik wederom op naar Jeruzalem met Barnabas, waarbij ik ook Titus als metgezel meenam.

 

Een juist begrip van de gebeurtenissen die Paulus in dit hoofdstuk beschrijft hangt in grote mate samen met de vraag welke reis naar Jeruzalem hier wordt bedoeld. Nauw daarmee verbonden is een andere vraag: Schreef hij de Brief vóór of ná het apostelconvent dat in het jaar 49 AD te Jeruzalem werd gehouden en dat door Lukas in Handelingen 15 gedetailleerd wordt beschreven?

Zoals wij al in ons commentaar bij 1:2 te kennen gaven wijzen o.i. de innerlijke kenmerken van de Brief op een tijdstip vóór dat 'concilie' (zoals sommigen die gebeurtenis aanduiden). Alleen in dat geval valt alles wat in hoofdstuk 2 wordt verhaald op zijn plaats, zowel in logisch als chronologisch opzicht.

 

Omdat zijn bekering (waarschijnlijk laat) in 33 AD voor Paulus steeds uitgangspunt is, gezien de grote ommekeer die daardoor in zijn leven plaats vond, moeten ook de hier vermelde 14 jaar vanaf dat cruciale moment worden geteld. Rekening houdend met de gewoonte dat gedeelten van jaren bij het aangeven van een tijdsperiode worden meegeteld, komen we dan voor zijn tweede bezoek aan Jeruzalem uit op het jaar 46 AD. En die conclusie strookt uitstekend met wat door sommigen als de 'collectereis', of (door anderen) het 'hongersnood bezoek' wordt aangeduid, door Lukas beschreven in Hn 11:27-30.

Volgens de HSV lezen we daarover het volgende:

 

En in die dagen kwamen profeten vanuit Jeruzalem naar Antiochië. En één van hen, van wie de naam Agabus was, stond op en gaf door de Geest te kennen dat er een grote hongersnood zou zijn over heel de wereld, die ook gekomen is onder keizer Claudius. En de discipelen besloten, ieder naar vermogen, [iets] te sturen ten dienste van de broeders die in Judea woonden, en dat deden zij ook. En zij stuurden het naar de ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus.

 

Titus blijkt ook tot het gezelschap van Paulus en Barnabas te hebben behoord, maar van alle andere mogelijke gezellen wordt alleen Titus vermeld aangezien zijn Heidense herkomst aanleiding zou geven tot moeilijkheden.

 

In Hn 12:25 verhaalt Lukas de afloop van die reis, na eerst in dat hoofdstuk bij wijze van 'flashback' de vervolging door koning Herodes en diens dood (in 44 AD) beschreven te hebben: Barnabas nu en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na hun dienstwerk vervuld te hebben, en zij namen ook Johannes mee, die ook Markus genoemd werd.

 

2 ανεβην δε κατα αποκαλυψιν∙ και ανεθεμην αυτοις το ευαγγελιον ο κηρυσσω εν τοις εθνεσιν, κατ ιδιαν δε τοις δοκουσιν, μη πως εις κενον τρεχω η εδραμον.

 

Ik nu ging op krachtens een openbaring; en ik legde hun het Evangelie voor dat ik predik onder de Heidenvolken, echter onder vier ogen aan hen die in aanzien zijn, opdat ik niet misschien tevergeefs zou lopen of liep.

 

Paulus relativeert direct de betekenis van zijn bezoek aan de Oudsten te Jeruzalem. Hij ging op grond van een openbaring; wellicht doelend op wat Agabus door de geest te kennen had gegeven omtrent de aanstaande hongersnood. We hebben daarover geen zekerheid; Paulus kan ook heel goed persoonlijk een openbaring dienaangaande ontvangen hebben. Hoe dan ook, met de vermelding van de openbaring laat hij zijn Judaïstische opponenten bij voorbaat weten dat het niet ging om een eigen initiatief maar dat God zelf de gang van zaken regisseerde.

 

Zijn hernieuwde ontmoeting met enkele vooraanstaande broeders, zij die in aanzien schenen, benut Paulus om hun het Evangelie voor te leggen dat ik predikte onder de Heidenvolken… opdat ik niet misschien tevergeefs zou lopen of liep.

Wat stond de apostel daarbij voor ogen? Gezien zijn compromisloze opstelling jegens de Joodse wetsijveraars, kon het hem er niet om gegaan zijn de goedkeuring van het apostelcollege te verkrijgen voor de prediking van een Evangelie dat hijzelf rechtstreeks door openbaring van God had ontvangen.

 

Nee; wat hem bezig hield, of liever, wat hem een godvruchtige zorg baarde, was de dreiging dat de ene Christelijke Gemeente misschien wel blijvend in twee delen zou uiteenvallen: Een gemeente uit de Joden, en een afzonderlijke gemeente uit de Heidenvolken. Hij hield rekening met de mogelijkheid dat de apostelen te Jeruzalem zich onverzettelijk zouden opstellen, in de trant van: "De Heidenvolken kunnen niet tot onze Messias geleid worden zonder dat zij tegelijkertijd onder de Wet van Mozes geplaatst worden en zich bijgevolg laten besnijden".

 

In dat geval zou hij het gevoel hebben dat hij zich vergeefs [εις κενον; inspanningen die geen echt resultaat opleveren] volledig had ingezet. Al zijn inspanningen om de tweedeling te verhinderen zouden dan op een mislukking zijn uitgelopen.

Maar God zij gedankt! Hij kan zijn lezers verzekeren dat hij met de 'mannen van aanzien' niet wezenlijk van zienswijze verschilde. Waaruit bleek dat dan onder meer?

 

3 αλλ ουδε Tιτος ο συν εμοι, Eλλην ων, ηναγκασθη περιτμηθηναι∙

 

Maar zelfs Titus die bij mij was, zijnde een Helleen, werd niet genoodzaakt besneden te worden,

 

Hier hebben we het antwoord! De onbesneden Helleen Titus werd niet gedwongen tot de besnijdenis. De mannen van aanzien erkenden dat ook hij in zijn onbesneden staat tot de Gemeente behoorde. Titus werd als gelijkwaardig opgenomen in hun midden.

Paulus heeft overigens redenen om dieper op deze kwestie in te gaan; er dreigden namelijk wel degelijk grote gevaren. De dreiging kwam van de zijde van pseudo-broeders die in het geniep bezig waren de godsdienstigheid van de Antiocheense gelovigen te bespieden:

 

4 δια δε τους παρεισακτους ψευδαδελφους, οιτινες παρεισηλθον κατασκοπησαι την ελευθεριαν ημων ην εχομεν εν Xριστω Iησου, ινα ημας καταδουλωσουσιν∙

 

[hetgeen geschiedde] wegens de heimelijk binnengevoerde schijnbroeders, die heimelijk binnenkwamen om onze vrijheid die wij in Messias Jezus bezitten te bespieden, met de bedoeling ons aan slavernij te onderwerpen.

 

In werkelijkheid waren die zogenaamde broeders – hardnekkige Judaïsten - eropuit Paulus en de anderen in zijn gezelschap te betrappen op religieuze 'tekortkomingen'. Hield men zich te Antiochië wel aan de Mozaïsche wetsvereisten?

Het voornaamste voorschrift van die heilige wetgeving (Rm 7:12) was de besnijdenis. Het geval Titus was om die reden dan ook wat wij tegenwoordig noemen een zeer gewichtige testcase. Titus verkeerde immers steeds in Paulus’ gezelschap; de eis tot besnijdenis van juist hém zou dan ook een belangrijke  precedentwerking hebben. Werden de Judaïsten in het gelijk gesteld dan zou de besnijdenis voortaan voor alle andere Heidengelovigen gelden.

 

5 οις ουδε προς ωραν ειξαμεν τη υποταγη, ινα η αληθεια του ευαγγελιου διαμεινη προς υμας.

 

Voor hen weken wij zelfs geen uur in onderwerping opdat de waarheid van het Evangelie permanent bij jullie zou blijven.

 

Paulus stond pal; het ging hem om niets minder dan de waarheid, of de essentie, van het Evangelie. Hij wist maar al te goed dat

a. de besnijdenis zo’n gewichtig onderdeel van de Mozaïsche wetgeving was dat een ieder die zich daaraan onderwierp zich ook verplichtte de gehele Wet te onderhouden. In 5:2-3 zou hij dat punt nog eens extra beklemtonen!

 

b. het een onmogelijke zaak is om op eigen kracht rechtvaardig voor God te worden, dus beslist ook niet door nauwgezette wetbetrachting. De Wet was in werkelijkheid een juk dat voor de Adamitische mens niet echt te dragen was, zoals ook één van die vooraanstaande Oudsten te Jeruzalem, Petrus, naderhand op het apostelconvent volmondig zou erkennen (Hn 15:7-11).

 

c. men, door acceptatie van de besnijdenis, in werkelijkheid afviel van de Messias over wie hij in de Inleiding van de Brief (1:4) al had gezegd: die zichzelf gaf betreffende onze zonden opdat hij ons zou wegrukken [voor zichzelf] uit de huidige goddeloze eeuw, naar de wil van onze God en Vader.

 

Paulus had dus alle reden om nog geen uur, d.i. geen enkel moment, voor die Judaïstische scherpslijpers te wijken. En gelukkig, zij op wie de Judaïsten bovenal hun hoop hadden gesteld, de mannen van aanzien, erkenden Paulus’ gelijk:

 

6 απο δε των δοκουντων ειναι τι — οποιοι ποτε ησαν ουδεν μοι διαφερει∙ προσωπον [ο] θεος ανθρωπου ου λαμβανει — εμοι γαρ οι δοκουντες ουδεν προσανεθεντο,

 

Van de zijde nu van hen die iets schijnen te zijn — wat zij ook eens waren maakt voor mij geen verschil; God neemt [het] aangezicht van een mens niet aan — mij dan legden die personen van aanzien niets op.

 

7 αλλα τουναντιον ιδοντες οτι πεπιστευμαι το ευαγγελιον της ακροβυστιας καθως Πετρος της περιτομης,

 

Maar integendeel, toen zij zagen dat mij het Evangelie van de voorhuid was toevertrouwd zoals aan Petrus [dat] der besnijdenis

 

8 ο γαρ ενεργησας Πετρω εις αποστολην της περιτομης ενηργησεν και εμοι εις τα εθνη,

 

- want hij die Petrus kracht verleende tot een apostelschap der besnijdenis verleende ook mij kracht tot [dat] voor de Heidenvolken -

 

9 και γνοντες την χαριν την δοθεισαν μοι, Iακωβος και Kηφας και Iωαννης οι δοκουντες στυλοι ειναι, δεξιας εδωκαν εμοι και Bαρναβα κοινωνιας, ινα ημεις εις τα εθνη, αυτοι δε εις την περιτομην∙

 

en de mij geschonken liefderijke gunst opmerkten, gaven Jakobus en Kèfas en Johannes, zij die pilaren schijnen te zijn, mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap, dat wij naar de Heidenvolken maar zij naar de besnijdenis [zouden gaan].

 

10 μονον των πτωχων ινα μνημονευωμεν, ο και εσπουδασα αυτο τουτο ποιησαι.

 

Alleen moesten wij de armen [blijven] gedenken, waarvoor ik mij dan ook beijverde dat precies te doen.

 

Hiermee beëindigt Paulus de beschrijving van zijn tweede bezoek aan Jeruzalem in het jaar 46 AD. Het pleit was ten gunste van de apostel beslecht. De mannen van aanzien, Jakobus, Kèfas en Johannes, ook aangeduid als pilaren - een metafoor in de zin van het dragen van verantwoordelijkheid - erkenden dat Gods gunst duidelijk manifest was in Paulus’ werkzaamheden onder de Heidenen. God had hem evenzeer de kracht daartoe verleend als Petrus voor diens bediening onder de Joden.

 

Vers 7 lijkt te suggereren dat er wel degelijk sprake is van twee evangeliën: Toen zij zagen dat mij het Evangelie van de voorhuid was toevertrouwd zoals aan Petrus [dat] der besnijdenis. Het onderscheid tussen het Evangelie der voorhuid en dat der besnijdenis heeft evenwel niet betrekking op de inhoud maar op de doelgroep. In werkelijkheid is het Evangelie één en onverdeelbaar, maar zeker in die tijd waren er twee doelgroepen die qua samenstelling hemelsbreed van elkaar verschilden: Heidenen en Joden.  

 

Aangezien de laatsten op grond van hun godsdienstige traditie geheel anders tegenover het Christendom stonden dan de Heidenen, moest ook de verkondiging op twee onderscheiden manieren worden aangepakt. En dat gegeven maakte het weer gewenst dat er naast een apostel voor de Joden (met name Petrus) ook een voor de Heidenvolken was. 

 

Het was beslist niet Paulus’ bedoeling dat de ene Gemeente in twee delen zou uiteenvallen. Integendeel, juist die dreiging baarde de apostel grote zorgen, want dat zou betekenen dat het ene Lichaam van de Messias verdeeld zou worden. Naderhand, in zijn Eerste Korinthebrief, zou hij de Christenen aldaar juist op dat punt scherp berispen: De Messias is gedeeld, d.i. door hun sektarische gezindheid: Ik behoor bij Paulus, maar ik bij Apollos; maar ik bij Kèfas (1Ko 1:12-13).

 

Die mannen van aanzien, door Paulus gerelativeerd - ook zij zijn slechts mensen en God wordt niet geïmponeerd door aanzien en positie die mensen elkaar onderling toekennen of toedichten - die mannen hadden niets op zijn Evangelieprediking af te dingen. Zij konden niet anders dan concluderen dat Paulus Gods werk verrichtte. Vandaar ook dat zij de onderlinge harmonie door de symbolische handslag bevestigden.

 

Ook waren zij het erover eens hoe het 'arbeidsveld' moest worden verdeeld. In overeenstemming met Gods bedoeling zouden Paulus en Barnabas zich op de bediening onder de Heidenvolken blijven toeleggen [het Evangelie van de voorhuid]. Zijzelf zouden naar de Joden gaan [de besnedenheid].

Dat deze verdeling als globaal moet worden gezien blijkt wel uit het feit dat Paulus de Joden tijdens zijn zendingsreizen die nu zouden volgen, geenszins links liet liggen, en ook Petrus bevond zich (kennelijk) korte tijd hierna onder de Heidenchristenen van Antiochië.

De betekenis van de afspraak was vooral gelegen in het feit dat Paulus en Barnabas door de oudere apostelen niets in de weg werd gelegd in hun onafhankelijke arbeid.

 

Ook moeten wij niet denken dat de overeenkomst afhankelijk werd gemaakt van wat wij in vers 11 lezen: Alleen moesten wij de armen [blijven] gedenken. Aangezien de situatie qua voedselnood in Judea onveranderlijk ernstig bleef, was er slechts sprake van een verzoek dat men vanuit Antiochië hulp zou blijven bieden. Hoe consciëntieus Paulus aan dit verzoek gehoor gaf, blijkt uit de latere Brieven die hij schreef. Zie bijvoorbeeld 1Ko 16:1 en 2Ko 8:4.

 

Dat de voedselsituatie in Judea toentertijd moeilijk was wordt ook te kennen gegeven door Josephus in Boek 20 van de Joodse Oudheden. In Palestina zou in het 5e, 6e en 7e jaar van Claudius, de periode tussen 46 en 48 AD, zware hongersnood hebben geheerst.

De afspraak dat Paulus, Barnabas en Titus [Paulus schrijft in het meervoud: wij] zich zouden blijven inspannen om die nood te helpen lenigen, vormt een extra aanwijzing dat de reis van Galaten 2 inderdaad de 'collectereis' betreft (en niet het apostelconvent), en dat Paulus de Galatenbrief dus schreef vóór het apostelconvent. Het bevreemdt ons daarom niet dat Lukas in zijn verslag van dat convent met geen woord rept over Titus; zelfs geen hint in die richting, terwijl in de reisbeschrijving van Galaten 2 zijn onbesneden staat als Helleen toch een cruciale kwestie bleek te zijn.

 

Overigens bleek ook Titus zelf een levendige herinnering aan die 'collectereis' behouden te hebben. Naderhand komt hij namelijk weer in beeld als het reliefprogramma in Paulus’ Brieven aan de orde is.

Omstreeks 55 AD - we zijn dan bijna 10 jaar verder in de tijd - diende Titus met toewijding de gemeente in Korinthe; Paulus had hem daarheen gezonden, ondermeer met de bedoeling om behulpzaam te zijn bij de inzameling voor de behoeftige broeders in Judea. Aangezien Titus een begin had gemaakt met het werk in verband met de bijdrage, wilde Paulus dat hij die taak ook zou voltooien. Derhalve beval hij Titus de Korinthische broeders aan als „een deelhebber met mij en een medewerker voor jullie belangen” (2Kor 8:1-6, 23).

 

11 Oτε δε ηλθεν Kηφας εις Aντιοχειαν, κατα προσωπον αυτω αντεστην, οτι κατεγνωσμενος ην.

 

Maar toen Kèfas naar Antiochië kwam weerstond ik hem in [het] gezicht, omdat hij laakbaar was.

 

Ons wordt geen enkele aanwijzing gegeven wat betreft tijd en doel van Petrus’ bezoek aan de gemeente in Antiochië, welke voor zowel Barnabas als Paulus thuisbasis was geworden. Daar Paulus echter de biografische feiten van zijn eigen loopbaan in chronologische volgorde lijkt weer te geven, gaan wij er vanuit dat een en ander plaatsvond ergens in de tijd aansluitend op Hn 12:25 – 13:4 >

 

Barnabas nu en Saulus keerden – nadat zij te Jeruzalem het dienstwerk vervuld hadden - terug terwijl zij Johannes, die ook Markus werd genoemd, als gezel meenamen… En terwijl zij dan [in gemeenteverband te Antiochië] voor de Heer heilige dienst verrichtten en vastten, zei de heilige geest: Zondert mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe ik hen geroepen heb. Toen vastten en baden zij, en nadat zij hun de handen hadden opgelegd, lieten zij hen gaan. Zij dan, uitgezonden door de heilige geest, vertrokken naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus.

 

Blijkbaar moeten we Petrus’ bezoek aan Antiochië in tijd plaatsen nadat Paulus en Barnabas van hun Eerste zendingsreis waren teruggekeerd, wellicht ergens rond het jaar 48 AD, maar in ieder geval vóór het apostelconvent, want dan valt Petrus’ laakbare gedrag tenminste nog enigszins te verklaren. Hoe dat zo? Omdat hij in zijn kielzog werd gevolgd door aanhangers van [wat wij gemakshalve aanduiden als] de 'besnijdenispartij' die zich zoals steeds zeer wantrouwend opstelden en voor wie Petrus wellicht slechts onder de druk van Paulus en Barnabas niet had gecapituleerd in de zaak van Titus:

 

12 προ του γαρ ελθειν τινας απο Iακωβου μετα των εθνων συνησθιεν∙ οτε δε ηλθον, υπεστελλεν και αφωριζεν εαυτον, φοβουμενος τους εκ περιτομης.

 

Want voordat er sommigen [uit de kring] van Jakobus gekomen waren was hij gewoon tezamen met de Heidenen te eten, maar toen zij kwamen ging hij zich terugtrekken en zich afzonderen, uit vrees voor die uit [de] besnijdenis.

 

13 και συνυπεκριθησαν αυτω [και] οι λοιποι Iουδαιοι, ωστε και Bαρναβας συναπηχθη αυτων τη υποκρισει.

 

En ook de overige Joden huichelden mee met hem, zodat zelfs Barnabas in hun huichelarij werd meegesleept.

 

Dit toont ons dat de 'besnijdenispartij' zich allerminst bij de gang van zaken tijdens het collectebezoek van 46 AD had neergelegd. Integendeel, de religieuze druk welke van die Judaïsten uitging om het Christendom tot een veredeld Jodendom te maken, was nog onveranderd groot. Dat Petrus, Jakobus en Johannes geen enkele aanmerking op Paulus’ wijze van prediken tot de Heidenen hadden gemaakt, niet hadden aangedrongen om ook maar iets in zijn aanpak te wijzigen, en zij nota bene ook nog eens de onbesneden Helleen Titus als volkomen gelijkwaardig hadden erkend, was hun kennelijk een 'doorn in het oog' gebleven. Zijzelf achtten zich nog altijd aan de Wet gebonden en meenden dat het verkeerd was om met 'onbesnedenen' tafelgemeenschap te hebben. Niet alleen onthielden zijzelf zich van deelneming aan gemeenschappelijke maaltijden, maar zij oefenden ook dwang uit op andere Joden-christenen, vooral op Petrus die zij als een (voornaam) lid van de Jeruzalemse gemeente beschouwden.

Maar Paulus heeft maar één woord over voor Petrus, Barnabas en de overige Joden die zich lieten overhalen om zich weer onder een juk van wetticisme te scharen: Pure huichelarij!

 

Nu moeten wij dat woord in een enigszins andere zin opvatten dan wij in het Nederlands gewend zijn. Het Griekse woord [υποκρισις] duidt op wat toneelspelers doen: een andere rol spelen. En dat is wat ook Petrus deed.

De leden van de Antiocheense gemeente die uit een mix van zowel Joden- als Heidengelovigen in de Messias bestond, hadden zich tot op dat moment één gvoeld. Zij vergaderden tezamen op de godsdienstige bijeenkomsten en ook aten zij tezamen. Petrus had getoond daarmee geen enkele moeite te hebben. Vanzelfsprekend niet, want in het geval van Cornelius, de heidense centurion, had God zelf hem in een visioen getoond dat hij voortaan op een andere wijze tegen andere etnische mensen moest aankijken. Tot de centurion, diens familie en vrienden zei hij:

 

U weet dat het een Joodse man niet toegestaan is om met iemand van een ander volk om te gaan of bij hem binnen te gaan; maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen (hsv).

 

Om die reden was hij, zeer ongewoon voor een Jood, het huis van Cornelius binnengegaan, at met hem en sprak met hem over het Evangelie van redding in Messias Jezus. Zie Handelingen 10 en ook Hn 11:1-17, waar we hem die gang van zaken horen verdedigen tegenover de Jeruzalemse 'besnijdenispartij'.

 

Maar nu, hier in Antiochië, wordt hij wederom met hen geconfronteerd en het blijkt dat zij aan de traditionele Joodse gedragsregels wensten vast te houden.

Op zich was daar niets mis mee. Wanneer een Jood zich als een Jood wil gedragen -en bijvoorbeeld alleen met Joden wil eten - is dat niet per se verkeerd. Paulus zelf zei jaren later tegen een Joodse delegatie in Rome dat hij nooit iets had ondernomen tegen de gebruiken van de voorvaders (Hn 28:17).

 

Maar met Petrus was het anders gesteld. Onder druk van de Jeruzalempartij ging hij, als een toneelspeler, een ander voorkomen aannemen en een andere (valse) rol spelen. Om die Jeruzalemmers niet voor het hoofd te stoten, maar kennelijk vooral bevreesd voor hun mening over hem, trok hij zich van zijn Heidenbroeders terug. Een oude zwakheid stak weer eens de kop op!

Vergelijk Mt 27:69-74. Zie ook Sp 29:25.

 

14 αλλ οτε ειδον οτι ουκ ορθοποδουσιν προς την αληθειαν του ευαγγελιου, ειπον τω Kηφα εμπροσθεν παντων, Eι συ Iουδαιος υπαρχων εθνικως και ουχι Iουδαικως ζης, πως τα εθνη αναγκαζεις Iουδαιζειν;

 

Maar toen ik zag dat zij niet recht wandelden volgens de waarheid van het Evangelie zei ik tot Kèfas in aller aanwezigheid: Indien jij, zijnde een jood, leeft naar Heidens en niet naar Joods gebruik, hoe [komt het dan] dat je de Heidenen dwingt Joods te leven.

 

Waarom nam Paulus zijn broeder Petrus die nu duidelijk dwaalde, niet even apart om onder vier ogen met hem te spreken? Omdat hier iets van het hoogste belang aan de orde was: het hart of de kern van het Evangelie was in het geding! Op dat moment dreigde meer dan eerder het geval was geweest een scheuring binnen het ene Lichaam van de Messias! Nu waren er al twee tafels! Nog even en er waren twee stromingen binnen het Christendom, die van Antiochië en een ander van Jeruzalem! Tenminste, als geen van beide partijen bereid was toe te geven, en het is volkomen duidelijk: Van de besnijdenispartij viel in dat opzicht niets te verwachten. Vandaar Paulus’ rigoureuze aanpak om de Gemeente voor scheuring te behoeden.

 

Er wordt ons niets gezegd over de wijze waarop Petrus de terechtwijzing opnam. Ongetwijfeld heeft hij zich beschaamd gevoeld. Alles wat Paulus zei was volkomen waar; door mensenvrees geleid had hij zeer inconsequent gehandeld en geen gehoor gegeven aan zijn innerlijke overtuiging. Maar wat erger was, door die strijdige opstelling had hij absoluut niet pal gestaan voor het behoud van de waarheid van het Evangelie, zoals zijn broeder Paulus deed. Door zich van de tafelgemeenschap met zijn Heidenbroeders terug te trekken had hij feitelijk grote morele dwang op hen uitgeoefend. Uit zijn gedrag moesten zij wel tot de gevolgtrekking komen dat zij alleen dán in volledige zin Christenen waren als zij zich eveneens aan de oude wetsvereisten onderwierpen.

 

Te oordelen naar zijn inbreng op het apostelconvent dat niet lang hierna te Jeruzalem werd gehouden en waar hij zich toen wél teweer stelde tegen de intimidatie van de 'besnijdenispartij', mogen wij concluderen dat Petrus zijn les grondig geleerd had. Tussen hem en Paulus was geen breuk ontstaan.

Vergelijk Hn 15:1, 5-11 en 2Pt 3:15.

 

15 Hμεις φυσει Iουδαιοι και ουκ εξ εθνων αμαρτωλοι,

 

Wij die van nature Joden zijn en geen zondaars uit [de] Heidenen,

 

Paulus heeft zijn Judaïstische opponenten laten zien dat degene die zij als hun geestelijk 'leidsman' vereren en die zij onder de apostelen als superieur beschouwen, ook slechts een zwak mens is.

Nu grijpt hij de gelegenheid aan om de zaak die zoveel strijd oplevert leerstellig uit te diepen. Als vertrekpunt neemt Paulus de positie in beschouwing welke Gods volk Israël door uitverkiezing innam.

 

Zijn stelling dat geboren Joden geen zondaars uit de Heidenen zijn, moeten we relativeren. Paulus kon dit alleen zeggen door rekening te houden met de achtergrond der Joden. Als de nakomelingen van de patriarchen steunden zij op een grote, geestelijk zeer waardevolle erfenis. Maar zij bleven zondige mensen, vanwege Adam, net als alle andere nakomelingen van die eerste mens. Want naderhand, in de Romeinenbrief, zou hij schrijven dat allen, Joden en Heidenen, zich onder de heerschappij van koning Zonde bevinden en dat geen mens, ook de Joden niet, rechtvaardig kunnen worden in Gods ogen door de werken van de Wet te verrichten (Rm 3:9; 5:12-14).

 

16 ειδοτες [δε] οτι ου δικαιουται ανθρωπος εξ εργων νομου εαν μη δια πιστεως Iησου Xριστου, και ημεις εις Xριστον Iησουν επιστευσαμεν, ινα δικαιωθωμεν εκ πιστεως Xριστου και ουκ εξ εργων νομου, οτι εξ εργων νομου ου δικαιωθησεται πασα σαρξ.

 

- wetend dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der Wet, maar uitsluitend door [het] geloof van Jezus Messias - ook wij stelden geloof in Messias Jezus, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden uit geloof van [de] Messias en niet uit werken der Wet. Immers, uit werken  der Wet wordt geen vlees gerechtvaardigd.

 

Het citaat is ontleend aan Psalm 143:2 > Treed niet in het gericht met uw knecht, want geen levende wordt voor uw aangezicht rechtvaardig verklaard.

Zie ook Rm 3:20.

De bewijskracht ligt in de woorden geen levende, hier vervangen door geen vlees, dat wil zeggen geen enkel mens, dus ook de Jood niet die steunt op werken der Wet.

Psalm 143 werd onder leiding van Gods geest gecomponeerd door koning David die wist waarover hij het had. In Psalm 51 beleed hij immers met betrekking tot zichzelf: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.

David, die toch de Wet als zijn levensnorm beschouwde, wist maar al te goed dat de zwakke, sterfelijke mens uit eigen kracht nimmer gerechtvaardigd kan worden.

 

17 ει δε ζητουντες δικαιωθηναι εν Xριστω ευρεθημεν και αυτοι αμαρτωλοι αρα Xριστος αμαρτιας διακονος; μη γενοιτο.

 

Indien nu wij die streven in [de] Messias gerechtvaardigd te worden ook zelf zondaars worden bevonden, is [de] Messias dan in werkelijkheid een dienaar van de zonde? Moge [dat] niet geschieden!

 

De apostel zinspeelt op een argument dat door zijn opponenten werd gehanteerd. Kennelijk beweerden die dat Jodenchristenen - die hun hoop geheel op Jezus stelden en om die reden de Wet niet (langer) onderhielden - zich aan de Heidenen gelijk maakten en dus net als zij in een toestand van zonde leefden. Hun nieuwe geloofsopvatting had, zo meenden zij, voor zulke 'gelovigen' tot gevolg dat zij tot het lage zedelijke peil der Heidenen afdaalden en bijgevolg wetteloos gingen leven. En daaruit moest dan weer de conclusie worden getrokken dat in een dergelijke situatie Messias Jezus een dienaar, d.i. een handlanger, van de zonde was geworden; men moest hem wel associëren met een wetteloze levensstijl. Uiteraard was dat een godslasterlijke bewering. Vandaar Paulus’ heftige reactie: Dat nooit!

 

18 ει γαρ α κατελυσα ταυτα παλιν οικοδομω, παραβατην εμαυτον συνιστανω.

 

Immers, indien ik dezelfde dingen die ik afbrak weer ga opbouwen, betoon ik mijzelf een overtreder.

 

19 εγω γαρ δια νομου νομω απεθανον ινα θεω ζησω. Xριστω συνεσταυρωμαι∙

 

Want ik stierf door [de] Wet voor [de] Wet opdat ik voor God zou leven. Ik ben met [de] Messias aan een paal gehangen.

 

Waar komt het betoog van de apostel op neer?

Wie een gebouw afbreekt om het op dezelfde wijze weer op te bouwen, toont daarmee dat hij met het afbreken iets verkeerds deed. Zonder beeldspraak: Wanneer Paulus de Wet weer als verplichtend op zich zou nemen, zoals Petrus had gedaan door niet langer tafelgemeenschap te hebben met zijn broeders uit de Heidenvolken, zou hij daarmee tonen dat hij in het verleden, toen hij de Wet niet in acht nam, verkeerd had gehandeld.

 

Wat hém betreft kan daarvan geen sprake zijn. Hijzelf is voor de Wet gestorven, d.i. volkomen aan haar invloed onttrokken (vergelijk Rm 7:1-4). En wie/wat was daarvoor verantwoordelijk? De Wet zelf! Vanwege de Wet rustte er op hem, tezamen met alle Joden, een vloek. Zie Gl 3:10.

Die situatie verhinderde hem om levend te zijn voor God. In Rm 7:9-11 heeft hij dit verder toegelicht. Maar nu hij door de Wet voor de Wet gestorven was, kon hij, in de Messias uiteraard, voor God leven:

 

Dus ook hier zinspeelt de apostel indirect op Petrus’ ongelijk. Door zijn vroegere actie in het huis van Cornelius had hij er een begin meegemaakt de scheidsmuur tussen Jood en Heiden af te breken, maar door zijn optreden te Antiochië ging hij die scheidsmuur weer optrekken. Hij ging dus opbouwen wat hij eens had neergehaald, t.w. de Wet der geboden -[bestaande] in voorschriften. Daarover zou Paulus later, in zijn Efezebrief, schrijven:

 

Want hijzelf [Messias Jezus] is onze vrede, hij die de beiden één heeft gemaakt en de scheidsmuur der omheining, de vijandschap, heeft afgebroken, doordat hij in zijn vlees de Wet der geboden -[bestaande] in voorschriften- buiten werking stelde. Opdat hij de twee in hemzelf tot één nieuwe mens zou scheppen -[aldus] vrede stichtend- en de beiden in één Lichaam volledig met God zou verzoenen door de martelpaal, waardoor hij de vijandschap ter dood bracht in hemzelf (Ef 2:14-16).

 

Door zijn offerdood bracht de Messias vrede voor het ene Lichaam van gelovigen, bestaande uit Joden en Heidenen. Hoe? Door het grote obstakel dat beide groepen in de weg stond, te verwijderen, of, en wellicht beter geformuleerd: buiten werking te stellen, aangezien het obstakel een functionerend Wetstelsel was.

Petrus had het dus ergens helemaal mis en stond hoe dan ook veroordeeld als een overtreder! Hetzij vroeger, bij Cornelius, of thans, te Antiochië.

Uiteraard is het duidelijk dat hij bij Cornelius het juiste had gedaan. Toen had hij gehoorzaam gereageerd op het visioen van God, maar nu had hij zich laten leiden door mensenvrees.

 

20 ζω δε ουκετι εγω, ζη δε εν εμοι Xριστος∙ ο δε νυν ζω εν σαρκι, εν πιστει ζω τη του υιου του θεου του αγαπησαντος με και παραδοντος εαυτον υπερ εμου.

 

Maar niet meer ik leef, doch [de] Messias leeft in mij. Voor zover ik nu in [het] vlees leef, leef ik in geloof jegens de Zoon van God, die mij liefhad en zichzelf voor mij overgaf.

 

Aangezien Paulus voor de Wet is gestorven, kan hij in zijn verbondenheid met Messias Jezus geheel voor God leven. Zeker, hij brengt zijn levensdagen nog altijd door in het zwakke, gebrekkige vlees; niettemin is zijn leven als mens volkomen anders geworden. De oude mens stierf namelijk in hem en Jezus, de Zoon van God, heeft de plaats van Paulus’ oude ik ingenomen. De stuwende kracht in hem is feitelijk Jezus die door Gods geest in hem werkzaam is, en dat alles dankzij geloof. Zeker, het is nog altijd een leven in het vlees, maar niet naar het vlees (2Ko 10:3).

 

Hetzelfde geldt uiteraard voor alle leden van Jezus’ Gemeentelichaam. Door ons geloof in hem zijn wij gestorven met betrekking tot de oude mens, maar levend gemaakt voor God aangezien Messias Jezus door de geest in ons leeft. Vergelijk:

 

Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding. Dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn… Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader.  (Rm 6:5-6; 8:14-15; nbg).

 

Wij allen kunnen dus zeggen: Niet meer ik leef, doch [de] Messias leeft in mij. Waardering voor zo’n metamorfose doet ons tenslotte met de apostel ook het volgende zeggen:

 

21 ουκ αθετω την χαριν του θεου∙ ει γαρ δια νομου δικαιοσυνη, αρα Xριστος δωρεαν απεθανεν.

 

Ik verwerp zeker niet de liefderijke gunst van God; want indien gerechtigheid door [de] Wet [is] stierf [de] Messias waarlijk voor niets.

 

Een laatste, forse verklaring van Paulus aan het adres van de Judaïsten (gewoonlijk van Farizeïsche herkomst) die de ware godsdienst van de Sinaï welke YHWH God zijn uitverkoren volk genadig had geschonken, gedevalueerd hadden tot een wetticistisch ritueel.

De Wet, die het middelpunt werd van die nieuwe godsdienstige beleving, werd door YHWH God gegeven aan een volk dat hij genadig had uitgekozen en had verlost  (Ex 20:1-2). Israël was dus reeds een verlost volk voordat zij Gods Wet ontvingen! Die Wet was dan ook niet bedoeld om iets te verdienen, maar dat Israël binnen de zegeningen van het Verbond zou blijven.

Overtrad Israël de inzettingen van de Wet, dan konden er ter vergiffenis offers worden gebracht en werd de Verbondsverhouding weer hersteld.

 

Paulus strijdt in zijn Galatenbrief daarom absoluut niet tegen de ware godsdienst, maar slechts tegen datgene wat het vlees ervan had gemaakt: Een wetticistisch patroon van leven om Gods gunst te verdienen!

WERKHEILIGHEID is daarvoor een zeer passende term en ze is gebaseerd op hoogmoed.

 

Vergelijk de Farizeeër van Lukas 18:11-12. Wat we daar zien is niet een beleving van de ware, op de Sinaï gegeven godsdienst, maar slechts de karikatuur die de Farizeeën ervan gemaakt hadden!

Daarbij waren zij ook nog eens etnocraten, het enige volk dat exclusief tot God behoort. Dus moesten zij wel voor zichzelf tot de conclusie komen dat, wilde men in Gods gunst komen, je tot dat volk moest gaan behoren, en de eerste voorwaarde dienaangaande was onderwerping aan de besnijdenis.

 

De vroege christenen en de Mozaïsche wet

In het jaar 1493 voor Chr. [2514 AM] gaf God Israël het Mozaïsche wetstelsel. Tot zijn volk dat hij uit alle volken een bevoorrechte, uitverkoren positie had gegeven zei hij dienaangaande het volgende:

Indien gij aandachtig naar mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort mij. En gij zult mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk (Ex 19:5-6; nbg).

Dat wetstelsel was heilig en rechtvaardig en goed (Rm 7:12). Het bevorderde eigenschappen als vriendelijkheid, eerlijkheid, moraliteit en gemeenschapszin (Ex 23:4-5; Lv 19:14; Dt 15:13-15; 22:10, 22).

De Wet spoorde Israëlieten er ook toe aan elkaar lief te hebben (Lv 19:18). Bovendien mochten ze geen omgang hebben met of zich vrouwen nemen uit de Heidenvolken die niet onder de Wet stonden (Dt 7:3, 4). Als een "muur" die Israëlieten en Heidenen van elkaar scheidde, verhinderde de Mozaïsche wet dat Gods volk door Heidens denken en handelen bezoedeld zou worden.

Vergelijk Ef 2:14, 15 en Jh 18:28.

Toch slaagden zelfs de meest gewetensvolle Israëlieten [later: Joden] er niet in Gods Wet volmaakt na te komen. En dat verwachtte God ook niet van hen, hoewel hij hen daartoe wél aanmoedigde (Lv 18:5). Waarom ? In het volgende hoofdstuk zal de apostel laten zien dat de achterliggende gedachte was om overtredingen openbaar te maken (Gl 3:19). De Wet moest hen er ondermeer van bewust maken dat zij dringend een Verlosser nodig hadden. Toen Die kwam verheugden getrouwe Joden zich. Hun bevrijding van de vloek van zonde en dood was nabij (Gl 3:22-25).

 

Om die reden zou de Mozaïsche wet een tijdelijke regeling zijn (Rm 10:4). Maar veel Joodse Christenen begrepen deze uiterst belangrijke waarheid niet onmiddellijk. Zelfs de apostelen behoefden in deze kwestie verdere goddelijke leiding. Omstreeks 40 AD ontving Petrus, (zeker) aanvankelijk de leidende figuur onder Joodse gelovigen, het welbekende visioen dat voorafging aan zijn ontmoeting met de heiden Cornelius. De les hield in: De dingen die God reinigde, mag jij niet langer verontreinigd noemen (Hn 10:9-15). Heidenen die zich niet aan de Mozaïsche wet hielden konden voortaan ook volgelingen van de Messias zijn. En Petrus begreep dat God niet van hen verlangde dat zij de Wet van Mozes hielden om voor de doop in aanmerking te komen. En ofschoon ook de voorstanders van de besnijdenis erkenden dat mensen uit de Heidenvolken Jezus’ volgelingen konden worden, stonden ze er niettemin op dat die nieuwe gelovigen de Wet in acht namen om gered te kunnen worden. De twee zienswijzen bleven naast elkaar bestaan en veroorzaakten spanningen.

De kwestie kwam in 49 AD (voorlopig) tot een climax. Joodse wetsijveraars uit de omgeving van Jakobus kwamen uit Jeruzalem naar Syrisch Antiochië en begonnen te leren dat de Heidense bekeerlingen naar de Wet besneden moesten worden. Paulus en Barnabas die inmiddels de Eerste zendingsreis achter de rug hadden, verzetten zich hevig tegen die druk. Daarom werden er regelingen getroffen dat Paulus en enkele anderen naar Jeruzalem zouden gaan om het geschilpunt eens voor altijd te beslechten.  Zie: Handelingen 15.

Nadat er op dat 'apostelconvent' veel geredetwist was geweest, beschreven de apostelen Petrus en Paulus de tekenen die God onder de onbesnedenen had verricht. Ze zetten uiteen dat God zijn heilige geest ook op de Heidense gelovigen had uitgestort. Na alle ter zake doende bewijzen te hebben aangehoord, besloten zij unaniem – nota bene onder leiding van Jakobus - dat er voor de Heidengelovigen geen noodzaak bestond om besneden te worden en onder de Mozaïsche wet te komen.

Maar een belangrijke vraag werd op dat 'concilie' niet beantwoord: Hoe stond het dan met de Jodenchristenen? Het apostelconvent had dat aspect van de kwestie feitelijk niet eens aangeroerd, laat staan opgelost! Gevolg? Het geschil bleef een 'heet hangijzer' en kwam ook in de jaren die het Joodse stelsel nog restte tot 70 AD, niet meer tot een oplossing! Dat werd namelijk heel duidelijk toen in het jaar 57 AD Paulus na afloop van de Derde zendingsreis weer in Jeruzalem arriveerde en Jakobus met Paulus’ komst een groot probleem bleek te hebben:

De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus, bij wie alle oudsten waren samengekomen. Nadat Paulus hen begroet had, vertelde hij tot in bijzonderheden wat God door zijn verkondigingswerk onder de Heidenen tot stand had gebracht. Toen ze dat hoorden, prezen en eerden ze God en zeiden: ‘Je hebt kunnen zien, broeder, dat ook vele duizenden Joden het geloof hebben aanvaard, en allen leven vol overtuiging volgens de wet. Nu is hun verteld dat jij de Joden die onder de Heidenen wonen aanspoort tot ontrouw aan Mozes; je zou beweren dat ze hun kinderen niet hoeven te besnijden en dat ze zich niet aan de voorschriften hoeven te houden. Hoe weerleggen we dit? Ze zullen ongetwijfeld horen van je komst. Doe daarom wat wij je zeggen  

(Hn 21:18-23; nbv)

Paulus’ redenering in verband met de Wet was onaanvechtbaar, maar voor veel Joodse gelovigen moeilijk te aanvaarden, met name in Jeruzalem en Judea. Dat kan ondermeer te maken hebben gehad met de aard van de Wet zelf. In de Wet draaide het om dingen die gezien en gevoeld en aangeraakt konden worden, zoals de tempel en de priesterschap. Het was voor iemand die niet werkelijk geestelijk gezind was gemakkelijker om de Wet te aanvaarden dan de diepere beginselen van het Christendom, waarin ongeziene werkelijkheden centraal staan (2Ko 4:18).

Verderop in onze Brief zal blijken dat sommigen als achtenswaardig bezien wilden worden, als leden van een gevestigde religie. In plaats van graag als Christenen bekend te staan, waren ze bereid tot bijna elk compromis teneinde zich aan de gemeenschap aan te passen. Ze waren er meer in geïnteresseerd de goedkeuring van mensen te verwerven dan de goedkeuring van God (Gl 6:12).

Pas in het jaar 70 AD. werd de juiste kijk op de Mozaïsche wet onmiskenbaar duidelijk voor alle Joodse christenen. Daarvoor zorgde God zelf! Hoe? Door toe te staan dat Jeruzalem, zijn tempel en de geslachtsregisters die op zijn priesterschap betrekking hadden, werden vernietigd. Hierdoor werd het voor een ieder, ook voor de Joodse wetsijveraars ten ene male onmogelijk gemaakt alle kenmerken van de Wet te onderhouden.

Interessant is het commentaar van de bekende Bijbelgeleerde Alfred Barnes dienaangaande. In zijn werk Notes, Explanatory and Practical, on the Acts of the Apostles (1858) schreef hij naar aanleiding van Hn 21:20 het volgende:

„Het gaat hier om de wet inzake de besnijdenis, de offers, het maken van onderscheid in vlees, het in acht nemen van dagen, feesten, enz. Het kan vreemd lijken dat zij deze gebruiken nog steeds in acht namen, aangezien het de duidelijke opzet van het Christendom was ze af te schaffen. Maar wij moeten het volgende in gedachte houden:

(1.) Dat die gebruiken door God waren ingesteld, en dat zij altijd gewend waren geweest ze in acht te nemen.

(2.) Dat de apostelen zich eraan hielden terwijl zij zich in Jeruzalem bevonden, en dat zij het niet verstandig achtten er met alle geweld tegen in te gaan [Hn 3:1; Lk 24:53].

(3.) Dat de vraag of ze in acht genomen moesten worden, in Jeruzalem nooit ter sprake was gebracht. Alleen onder de Heidense bekeerlingen was die vraag gerezen, en bij hen moest ze rijzen, want als zij die gebruiken in acht moesten nemen, dan hadden ze hun opgelegd moeten worden.

(4.) De beslissing van het Concilie gold alleen de heidense bekeerlingen [Hn 15:23]…

(5.) Men mocht aannemen dat naarmate de Christelijke religie beter begrepen werd — dat naarmate haar omvangrijke, vrije, en [universele] aard zich steeds meer ontwikkelde — de bijzondere instellingen van Mozes vanzelf terzijde gesteld zouden worden, zonder ophef en zonder tumult. Was de vraag in Jeruzalem [in het openbaar] ter sprake gekomen, dan zou dit een tienmaal zo krachtige tegenstand tegen het Christendom tot gevolg hebben gehad, de christelijke kerk hebben versplinterd en de voortgang van de christelijke leer sterk belemmerd hebben. Wij moeten ook het volgende in gedachte houden:

(6.) Dat volgens hetgeen door de Goddelijke Voorzienigheid was bepaald, de tijd naderbij kwam dat de tempel, de stad en de natie verwoest zouden worden; dan zouden de offers ophouden en zou er metterdaad voor altijd een eind komen aan het in acht nemen van de Mozaïsche gebruiken. Aangezien deze verwoesting zo nabij was en zo’n afdoend argument tegen het in acht nemen van de Mozaïsche gebruiken zou zijn, liet het Grote Hoofd van de kerk niet toe dat de vraag met betrekking tot de inachtneming ervan nodeloos onder de discipelen in Jeruzalem tot een strijdpunt werd gemaakt.”

 

Hoofdstuk 3

 

1 Ω ανοητοι Γαλαται, τις υμας εβασκανεν, οις κατ οφθαλμους Iησους Xριστος προεγραφη εσταυρωμενος;

 

O, onverstandige Galaten, wie betoverde jullie, voor wier ogen Jezus Messias als een aan een paal gehangene werd getekend?

 

2 τουτο μονον θελω μαθειν αφ υμων, εξ εργων νομου το πνευμα ελαβετε η εξ ακοης πιστεως;

 

Dit alleen wil ik van jullie leren: Ontvingen jullie de geest ten gevolge van werken der Wet of wegens gelovig horen?

 

Cynisme in optima forma! Paulus zou graag iets willen leren van onverstandige mensen! Op basis waarvan ontvingen jullie eigenlijk de geest?

Tevens grijpt hij terug op de inleiding van zijn Brief, waarin hij:

 

a. zijn opperste verbazing uitsprak over de vlugge ommekeer in hun vreugde over het gevonden Evangelie: Ik sta er maar steeds verbaasd over dat jullie je zo vlug afwenden van hem die jullie in liefderijke gunst riep, tot een andersoortig Evangelie.

 

b. al meteen wees op de Enige die verlossing brengt: Liefderijke gunst [zij] jullie en vrede van Vader God en van onze Heer Jezus Messias, die zichzelf gaf betreffende onze zonden opdat hij ons zou wegrukken [voor zichzelf] uit de huidige goddeloze eeuw, naar de wil van onze God en Vader.

 

Nu herinnert hij zijn onverstandige broeders eraan dat hij de aan een paal gehangen Messias dermate pakkend onder hen predikte dat Deze als het ware als op een tekening geportretteerd voor hen stond. Wanneer zij hun ogen niet van dat allesdoordringende beeld hadden afgewend zou hun inzicht niet beneveld zijn door de Judaïsten die hen met hun overredende, valse argumenten als het ware hadden betoverd en zouden zij nog het begrip hebben gehad van wat Paulus drie verzen terug schreef: Indien gerechtigheid door [de] Wet [is] stierf [de] Messias waarlijk voor niets.

 

Omdat zij in geloof hadden gereageerd op Paulus’ evangelieprediking hadden die Galaten de heilige geest ontvangen, niet alleen als een innerlijke leidinggevende kracht maar ook in de vorm der charismata (geestesgaven). Was die liefderijke gunst hun deel geworden wegens het onderhouden van de Mozaïsche Wet? Natuurlijk niet, want met hun Heidense achtergrond waren zij voorheen afgodendienaren geweest en waren zij zelfs geheel onbekend met Mozes!

Vergelijk Gl 4:8.

 

3 ουτως ανοητοι εστε; εναρξαμενοι πνευματι νυν σαρκι επιτελεισθε;

 

Zijn jullie zó onverstandig? Na in [de] geest begonnen te zijn worden jullie nu voltooid in [het] vlees?

 

Reeds in ons commentaar bij 2:21 stelden we vast dat Paulus in zijn Galatenbrief niet strijdt tegen de godsdienst zoals God die aan Israël op de Sinaï had gegeven, maar slechts tegen datgene wat het vlees ervan maakte: WERKHEILIGHEID, een wetticistisch patroon van leven om Gods gunst te verdienen!

Voltooid worden in [het] vlees kan hier tevens een verwijzing zijn naar de vereisten der Wet die vrijwel steeds uiterlijke voorschriften behelsden, wat uiteraard al helemaal het geval was met de besnijdenis’ rite.

 

4 τοσαυτα επαθετε εικη; ει γε και εικη.

 

Ondervonden jullie zulke grote dingen tevergeefs? Indien waarlijk ook tevergeefs!

 

Het werkwoord πασχω verschijnt in het NT gewoonlijk in de betekenis van lijden.

Door sommigen wordt het vers inderdaad in die zin vertaald; bijvoorbeeld: Hebben jullie zoveel dingen voor niets geleden? De apostel zou dan zinspelen op de vervolgingen waarmee hij en Barnabas in het Galatische gebied waren geconfronteerd en waarvan ook zij, de nieuwe gelovigen, de weerslag hadden ondervonden, zoals beschreven in Handelingen, hoofdstuk 14.

 

Bij hun afscheid hadden zij die nieuwe gelovigen er trouwens voor gewaarschuwd dat er dienaangaande nog meer te verwachten viel, en dat zij door veel lijden heen het koninkrijk van God zouden moeten binnengaan (vers 22).

Met zijn vraag zou Paulus dan te kennen geven dat hij niet werkelijk gelooft dat al dat lijden voor niets zou zijn geweest. Op aanstichting der Joden hadden zij al veel te verduren gekregen en ook van de zijde van hun eigen (Heidense) volksgenoten. En zouden zij nu bezwijken voor de subtielere methoden van de Judaïsten? De apostel weigert om zich daarbij neer te leggen.

 

Maar πασχω kan ook worden weergegeven met ondervinden; ervaren en dat zowel in een gunstige als ongunstige betekenis. In gunstige zin zou Paulus dan de vraag hebben opgeworpen: Ondervonden jullie zulke grote dingen tevergeefs?  Dat wil zeggen al die goddelijke weldaden: Door geloof in Jezus’ offer verlost uit de huidige goddeloze eeuw en gezegend met de innerlijke werking van de geest; geroepen om zelf deel te hebben aan het Rijk van God, maar ook om in verbondenheid met de Messias tot zegen te worden van alle Heidenvolken.

 

Met anderen zijn wij van mening dat de vraag inderdaad in die zin begrepen moet worden, want die uitleg strookt met de context, met name de vv 2, 3 en 5. Op lijden wordt nergens in het tekstverband gezinspeeld!

 

En Paulus kan zeker niet aannemen dat YHWH God zulke grootse weldaden aan de leden van het Israël Gods tevergeefs schenkt (Gl 6:16). Het optimisme waarvan hij in deze en zijn andere Brieven blijk geeft, verloochent zich ook hier niet, zoals bijvoorbeeld in Fp 1:3-6.

 

Ik dank mijn God bij elke herinnering aan jullie, altijd in elke smeekbede van mij voor jullie allen, terwijl ik met vreugde de smeekbede opzend, wegens jullie deelname aan het Evangelie van de eerste dag af tot nu toe; hiervan overtuigd zijnde dat hij die een goed werk in jullie begon, [het] zal voltooien tot op [de] Dag van Messias Jezus.

 

Vandaar Paulus’ eigen reactie: Indien waarlijk ook tevergeefs!

God begint in zijn geroepenen geen goed werk om de afronding daarvan te laten mislukken!

 

5 ο ουν επιχορηγων υμιν το πνευμα και ενεργων δυναμεις εν υμιν εξ εργων νομου η εξ ακοης πιστεως;

 

Hij dan die jullie de geest verleent en die in jullie krachtige werken teweeg brengt, [doet hij dit] ten gevolge van werken der Wet of wegens gelovig horen?

 

Met deze vraag keert Paulus terug tot zijn eerdere vraag van vers 2 Ontvingen jullie de geest ten gevolge van werken der Wet of wegens gelovig horen?

Oók in dit geval beantwoordt hij de vraag niet rechtstreeks, omdat de vraag zélf reeds het antwoord impliceert. De Galaten wisten voor zichzelf maar al te goed dat zij de geest hadden ontvangen vóórdat zij er ook maar ooit over peinsden Mozes’ Wet te onderhouden.

Maar terwijl in vers 2 uitsluitend de vraag werd opgeworpen op basis waarvan zij de geest ontvingen, ligt hier de nadruk op het doel waarom God die geest aan hen meedeelde. Zeker, hij verleent hun de geest om een innerlijke verandering in hen teweeg te brengen waardoor zij zich hun zoonschap kunnen realiseren (Rm 8:14-16). Maar daarnaast ook om de krachtige werkingen van de geest naar buiten toe mogelijk te maken, de zogenaamde geestesgaven of charismata welke in die vroege periode algemeen waren in de gemeenten (1Ko 12:12-13, 27-30). En die uiterlijke manifestaties van de geest spreken (voor buitenstaanders) zelfs nog overtuigender dan de innerlijke werking ervan in de gelovigen.

 

Paulus’ optimisme van vers 4 zien we verder ook in dit vers terug doordat hij de werkwoorden επιχορηγεω [meedelen; verlenen] en ενεργεω [bewerken; veroorzaken] in het praesens [tegenwoordige tijd] gebruikt; d.i. duratief in het heden[de gebeurtenis of handeling duurt voort].

De geestelijke situatie der Galaten is dus beslist niet hopeloos. God heeft hen niet losgelaten en zal dat ook niet doen.

 

6 καθως Aβρααμ επιστευσεν τω θεω, και ελογισθη αυτω εις δικαιοσυνην.

 

Evenals Abraham geloof stelde in God en het hem tot rechtvaardigheid werd gerekend.

 

7 Γινωσκετε αρα οτι οι εκ πιστεως, ουτοι υιοι εισιν Aβρααμ.

 

Jullie weten heus wel: Zij die uit geloof [zijn], díe zijn zonen van Abraham.

 

Paulus verschaft nu maar zelf - hoewel indirect - het antwoord op zijn vraag van vers 5. God werkt in de Galaten, en ook in alle andere leden van de Gemeente, op grond van hun gelovige reactie op het gehoorde Evangelie. Hun situatie is vergelijkbaar met die van Abraham: Evenals Abraham geloof stelde in God en het hem tot rechtvaardigheid werd gerekend.

De apostel citeert Gn 15:6 op grond van de LXX. De Hebreeuwse tekst heeft: En hij stelde geloof in YHWH en hij rekende het hem als rechtvaardigheid.

 

Abraham geloofde God toen Deze hem verzekerde dat, hoewel Abraham toen nog steeds kinderloos was, hem een zoon als erfgenaam geboren zou worden en zijn zaad zo talrijk zou worden als de sterren aan de hemel. Uit Romeinen 4 komen we te weten hoe verdienstelijk dat geloof was, aangezien het feitelijk strijdig was met alle hoop:

 

Hij die tegen alle hoop in geloofde dat hij zou worden: Vader van veel Heidenvolken, in overeenstemming met wat gezegd was: Zo zal je zaad zijn. En zonder te verflauwen in het geloof, beschouwde hij zijn eigen lichaam dat reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en de dode staat van Sara’s moederschoot. Toch twijfelde hij niet in ontrouw aan Gods Belofte, maar hij werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God heerlijkheid gaf.

(Rm 4:18-20).

 

Daden van geloof worden door God dus als zeer verdienstelijk beoordeeld. Vandaar dat God het Abraham tot rechtvaardigheid rekende.

Het werkwoord λογιζομαι [toe- of aanrekenen; beschouwen als] wordt door sommigen, vooral binnen streng orthodoxe kringen, gezien als iemand iets toerekenen waarop hij eigenlijk geen recht heeft; een daad van geringe verdienste toerekenen als een daad van hoge waarde.

De goedgunstigheid van degene die toerekent [in dit geval God] vult het ontbrekende aan. Maar dat is niet de betekenis van dit werkwoord; niet in het OT noch in het NT.

Λογιζομαι duidt eerder op gelijkwaardigheid: iemand iets toerekenen voor wat het in werkelijkheid is: een verdienstelijke daad. Zo lezen we in Ps 106:31 dat God de daad van Pinehas toerekende als gerechtigheid van geslacht tot geslacht (Nm 25:6-8).

 

Vandaar ook dat God Christenen die een leven van geloof leiden ziet als rechtvaardigen, niet slechts in schijn maar in werkelijkheid. Ook Abraham, zwak mens als hij van nature was zoals wij allen, werd gekenmerkt door die altijd aanwezige geloofshouding. Telkens wanneer hij in een nieuwe situatie van zijn standvastig vertrouwen in God blijk gaf, werd de inhoud van Gn 15:6 als het ware opnieuw vervuld. Dat was bijvoorbeeld het geval toen hij bereid was zijn zoon Isaäk, zijn erfgenaam en drager van de Belofte, aan God ten offer op te dragen:

Werd onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaäk opdroeg op het altaar? Je ziet dat het geloof samenwerkte met zijn werken en het geloof uit de werken volkomen werd. En de Schrift werd vervuld die zegt: "Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend", en hij werd Gods vriend genoemd (Jk 2:21-23).

 

In een andere Brief schreef Paulus hoe precies het geloof van Abraham toen tot uiting kwam: In geloof heeft Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaäk ten offer opgedragen, en hij die de Beloften op zich nam, wilde de enigverwekte ten offer opdragen, hij tot wie werd gesproken: In Isaäk zal jou [het] zaad genoemd worden. Hij overwoog dat God bij machte is hem zelfs uit [de] doden op te wekken, waaruit hij hem ook in zinnebeeld terugkreeg (Hb 11:17-19).

 

Abraham handelde precies zoals geloof wordt gedefinieerd: Geloof nu is vaste grondslag der dingen waarop wordt gehoopt; bewijs der zaken die niet worden gezien (Hb 11:1).

 

In al die genoemde gevallen was Abraham op consequente wijze een mens van geloof. Zeker, de rechtvaardigheid die God hem toekende ontving hij als gunst; God was er niet toe verplicht. Maar voortaan bezag God hem wel degelijk als rechtvaardig. En dit beginsel gaat ook op in de situatie van de leden van Jezus’ Gemeentelichaam. Op grond van hun geloof in Abrahams zaad, zijn Messiaanse Zoon Jezus, ziet God hen voortaan als rechtvaardigen: Zij die uit geloof [zijn], díe zijn zonen van Abraham.

Het zoonschap duidt hier vanzelfsprekend op een geestelijke verwantschap met de aartsvader, maar die is in werkelijkheid veel inniger en van veel meer waarde dan lichamelijke afstamming.

 

Wetsvervulling is daarbij in het geheel niet aan de orde, precies als in de situatie van Abraham. De Wet kwam pas 430 jaar later (Gl 3:17). De Judaïsten die de Galaten probeerden te overtuigen dat zij, de Heidenen, de besnijdenis moesten ondergaan om zonen van Abraham te zijn, waren in feite zelf geen echte Abrahamkinderen. En waarom niet? Omdat zij niet van het geloofbeginsel uitgingen, maar op Wetsverdienste steunden.

 

8 προιδουσα δε η γραφη οτι εκ πιστεως δικαιοι τα εθνη ο θεος προευηγγελισατο τω Aβρααμ οτι Eνευλογηθησονται εν σοι παντα τα εθνη.

 

Aangezien de Schrift voorzag dat God de Heidenvolken tengevolge van geloof rechtvaardigt, maakte ze tevoren goede tijdingen aan Abraham bekend: In jou zullen alle Heidenvolken gezegend worden.

 

9 ωστε οι εκ πιστεως ευλογουνται συν τω πιστω Aβρααμ.

 

Zodat zij die uit geloof [zijn] gezegend worden met de gelovige Abraham.

 

In vers 8 wordt de Heilige Schrift gepersonifieerd. Natuurlijk wordt daarmee gedoeld op de Inspirator van de Schrift, God zelf. Op grond van zijn raadsbesluit voorzag God dat Hij de Heidenen - die geloof zouden stellen in de voorziening van zijn Zoon - als rechtvaardigen zou zien. De Galaten hebben dat zelf ondervonden, zoals we uit de vv 2 en 5 vernamen.

Gezien die voorkennis maakte de Schrift [God] vooraf reeds aan Abraham de strekking van het Evangelie bekend: In jou zullen alle Heidenvolken gezegend worden. Het werkwoord προευαγγελιζομαι betekent vooraf Evangelie verkondigen.

 

Het citaat is ontleend aan Gn 12:3, maar Paulus heeft de frase alle stammen [of: families] der aarde op de hem welbekende vrijmoedigheid gewijzigd in alle Heidenvolken, en niet onterecht omdat in de aanvullende Beloften steeds melding wordt gemaakt van de Heidenvolken, de Goyim [Hebreeuws] of Eθνη [Grieks].

Zie: Gn 18:18 en 22:18.

 

Dat in Abraham alle Heidenvolken zegen zullen ervaren, impliceert dat de aan hem persoonlijk toegezegde zegen niet alleen aan zijn zaad (zijn nakomelingschap), maar ook aan alle andere volken ten deel zal vallen. De gelovigen onder de Heidenen verkeren bijgevolg in een rechtstreekse relatie met die aartsvader, evenals uiteraard diens natuurlijke zaad, de Joden. Om die reden hebben de Heidenen in het geheel geen bemiddeling nodig van de kant van het Joodse volk, en beslist in het geheel niet van de [alleen] aan hun gegeven Mozaïsche wetgeving. De wijze waarop zij in Abrahams zegen delen moet exact dezelfde zijn op basis waarvan de aartsvader die ontving: geloof.

 

Vandaar vers 9 > Zodat zij die uit geloof [zijn] gezegend worden met de gelovige Abraham. Wat de Heidenen werd toegezegd in de gelovige Abraham, ontvangen zij nu met de gelovige Abraham. In beide gevallen is dus geloof de formele reden van Gods zegen. En ook in beide gevallen was/is er geen Mozaïsche Wet aan de orde!

 

10 οσοι γαρ εξ εργων νομου εισιν υπο καταραν εισιν∙ γεγραπται γαρ οτι Eπικαταρατος πας ος ουκ εμμενει πασιν τοις γεγραμμενοις εν τω βιβλιω του νομου του ποιησαι αυτα.

 

Want al degenen die uit werken der Wet zijn, zijn onder een vloek. Er staat immers geschreven: "Vervloekt [zij] een ieder die niet blijft bij al de dingen die in het Boek der Wet staan geschreven om ze te volbrengen".

 

In het vorige vers (9) verzekerde de apostel ons dat allen die uit geloof zijn, gezegend worden met de gelovige Abraham.

Nu komt de tegenstelling: Allen voor wie de Wet de beslissende factor vormt in hun verhouding tot God, zoals het geval is met de Judaïsten, verkeren voortdurend onder een vloek, wat overigens niet hetzelfde is als vervloekt zijn. Veeleer is de betekenis dat Gods vloek als een voortdurende dreiging zweeft boven de hoofden van allen die in de Wet hun heil zoeken. En het is nota bene de Wet zelf die hun daaromtrent informeert: Vervloekt is hij, die de woorden van deze wet niet metterdaad volbrengt. En het gehele volk zal zeggen: Amen (Dt 27:26; nbg).

 

Uit deze tekst leidt de apostel dus af dat allen die hun godsdienstig leven op de Wet laten berusten onder een vloek verkeren. Waarom is hij zo zeker van dat feit? Omdat hij weet dat de gehoorzaamheid die de Wet eist door geen mens kan worden vervuld, zelfs niet door de meest vrome Jood! De Wet gebiedt en verbiedt slechts; ze verleent echter niet de kracht om haar voorschriften te vervullen. Een kleine tien jaar later zou hij aan Christenen te Rome, Joden en Heidenen, daarover het volgende schrijven:

 

Want wat de Wet niet vermocht, machteloos als ze was vanwege het vlees − God, die zijn eigen Zoon zond in een gestalte van zondig vlees en betreffende zonde, veroordeelde de zonde in het vlees, opdat het rechtvaardige vereiste van de Wet vervuld zou worden in ons die niet wandelen naar vlees maar naar  geest (Rm 8:3-4).

 

De Wet is dus in een bepaald opzicht machteloos! Die machteloosheid komt niet van God maar is te wijten aan de zwakheid van het zondige vlees. De remedie? Volgens de apostel is die gelegen om voortaan te leven overeenkomstig de kracht die Gods geest de gelovige mens in Messias Jezus verleent; dus in het volste vertrouwen dat Jezus’ verdienste ons daartoe in staat stelt. Alleen op die grondslag wordt het mogelijk om aan het rechtvaardige vereiste (Grieks: dikaiooma) van de Wet te beantwoorden.
Soms wordt niet begrepen waarom de Wet enerzijds machteloos is, terwijl ze aan de andere kant door de apostel heilig, rechtvaardig en goed wordt genoemd:

Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde…Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.
(Rm 7:12-14; nbg)

Niet alleen is de Wet met haar geboden heilig, rechtvaardig en goed, maar zelfs geestelijk. Dat laat nog meer uitkomen dat het probleem bij de mens zelf ligt: Door Adams opstand tegen God zijn wij verkocht onder de zonde. Zie ook 
Rm 5:12.
En dat gegeven, de zwakte van ons vlees, maakt de Wet in een bepaalde zin machteloos. Vanwege de Adamitische erfenis zijn wij van nature niet geestelijk. Het gevolg is dat de Wet niet tot haar recht kan komen en kan doen waartoe zij eigenlijk was bestemd: de Israëliet zodanige leiding verschaffen dat hij rechtvaardig kon zijn voor Gods aangezicht.

Juist om die reden steunden de werkelijke 'vromen' van het OT bij het gehoorzaam luisteren naar God op een hoger principe, namelijk het geloof, zoals bij uitstek het geval was bij de gelovige Abraham . Uit zijn situatie bleek overduidelijk dat niet de Wet - die er toen nog helemaal niet was - maar het geloof bij God beslissend was om hem als een rechtvaardige te zien (Gn 15:5-6; Jk 2:21-23).

 

Maar de apostel kan zich op nog een andere OT-uitspraak beroepen in zijn bewijsvoering dat door de Wet geen mens bij God rechtvaardig kan worden:

      

11 οτι δε εν νομω ουδεις δικαιουται παρα τω θεω δηλον, οτι O δικαιος εκ πιστεως ζησεται∙

 

Dat echter niemand bij God wordt gerechtvaardigd binnen wet [is] duidelijk: De rechtvaardige, uit geloof zal hij leven.

 

De apostel verwijst naar de profeet Habakuk die met een profetische blik naar een toen nog verre toekomst keek, namelijk wanneer de Tiran bij uitstek, de bedrieglijke Antimessias, in de voleinding van de huidige goddeloze eeuw op het aardse toneel zal verschijnen (Gl 1:4).

In hoofdstuk 2, vanaf vers 4 (volgens de M-tekst) vervolgt Habakuk zijn beschrijving  van die sinistere figuur die hij in het eerste hoofdstuk al uitvoering onder het zinnebeeld van de 'Chaldeeër'- had getekend. Het gaat om degene wiens ziel opgeblazen is (vers 4), degene die zijn ziel ruim maakt als Sjeool en die als de Dood niet te verzadigen is (vers 5).

In zijn Hebreeënbrief (10:37-39) pakte Paulus de uitspraak van Habakuk op en bracht ze van toepassing op de komst van de Antichrist:

 

Want nog een zeer korte tijd: Hij die komt zal komen en niet uitblijven. 
Maar mijn rechtvaardige, uit geloof zal hij leven; en indien hij zich terugtrekt, heeft mijn ziel geen behagen in hem. Wij echter zijn niet van terugdeinzen, tot ondergang; maar van geloof, tot behoud van de ziel.

 

De frase zeer korte tijd verplaatst ons naar de laatste dagen en wijst voor het overblijfsel der Hebreeën (Joden) op de noodzaak van een groot geloof om stand te kunnen houden tijdens de oordeelsvoltrekking op Gods Grote Dag. 
YHWH God komt dan namelijk rekenschap vragen aan dat deel van het Joodse volk dat zich in die beslissende Eindtijd niet heeft laten vermurwen zich gewonnen te geven aan hun eigen Messias, de ware: Jezus; voor hen
Yeshua. Omdat zij kozen voor de demonische Antichrist en hém tot het einde toe aanhingen, brengt YHWH over die halsstarrigen wat zij volgens hun 'dwaling' verdienen, te meer omdat er tijdens zijn schrikbewind rechtvaardig bloed werd vergoten.

 

Uit geloof leven betekent daarom bij Habakuk redding uit een dreigend doodsgevaar, maar voor Paulus ligt er tevens een voor alle tijden geldende waarheid in opgesloten: Het geloof is een reddende en levenwekkende kracht en dat niet alleen in de aardse, maar ook in de bovennatuurlijke orde van het ware Israël Gods.

 

12 ο δε νομος ουκ εστιν εκ πιστεως, αλλ O ποιησας αυτα ζησεται εν αυτοις.

 

De Wet evenwel is niet uit geloof, maar hij die deze dingen deed zal daardoor leven.

 

Waarschijnlijk hebben de Judaïsten de noodzaak van geloof in Jezus als hun Messias wel erkend, maar bleef het onderhouden van de Wet niet even noodzakelijk? Konden geloof en Wet niet samengaan? Paulus beantwoord die vraag ontkennend: De Schrift beschouwt immers het geloof als de grondslag voor leven, en de Wet is nu eenmaal niet uit geloof.

Het diepste wezen van de Wet heeft met geloof zelfs niets te maken; zij vordert uitsluitend het nakomen van haar voorschriften!

 

Om zijn woorden kracht bij te zetten attendeert Paulus alweer op een passage uit de Wet zelf: Gij moet mijn inzettingen en mijn verordeningen in acht nemen; de mens die ze doet, zal daardoor leven: Ik ben YHWH (Lv 18:5)

 

Bij de Wet komt het enkel aan op het doen, het onderhouden, niet op de stemming, zoals geloof. Wellicht verwezen de Judaïsten naar Lv 18:5 als een krachtig bewijs voor hun standpunt, maar Paulus toont aan dat de tekst juist tegen hen pleit.

 

13 Xριστος ημας εξηγορασεν εκ της καταρας του νομου γενομενος υπερ ημων καταρα, οτι γεγραπται, Eπικαταρατος πας ο κρεμαμενος επι ξυλου,

 

De Messias kocht ons los van de vloek der Wet doordat hij voor ons een vloek werd, want er staat geschreven: "Vervloekt [is] een ieder die aan een hout hangt".

 

Principieel doelt de apostel op alle Israëlieten die door het Verbond op de Sinaï onder de Mozaïsche Wet kwamen te staan. Dat blijkt uit de tegenstelling met de Heidenvolken in het volgende vers (14). De Heidenen verkeerden uiteraard ook onder de zonde, doch niet onder de vloek der Wet (Rm 1:18; 3:9; 7:14).

Tegenover de leer der Judaïsten die de Wet als een bron van rechtvaardiging aanprezen stelt Paulus de ontnuchterende waarheid dat de Messias de onder de Wet levende Joden van de altijd boven hen zwevende vloek moest verlossen door zijn dood aan een hout.

Het werkwoord εξαγοραζω [lett.: uitkopen] doelt op los- of vrijkopen. Indirect impliceert Paulus’ gebruik van het werkwoord voor de Joden de noodzaak van loskoop uit een vorm van slavernij cq tirannie. Toen hij nog op aarde te midden van zijn Joodse broeders verkeerde had Jezus hun al laten weten dat zijn dienstbaarheid heel ver zou gaan. Hij zou zijn ziel geven als losprijs [λυτρον]

in ruil voor velen.

 

Hier gebruikt de apostel, hoewel voor een vrijwel identieke gedachte, een ander beeld: De Messias betaalt niet de losprijs, maar stelt zichzelf in de plaats van zijn Joodse broeders die zich in slavernij bevinden: Hij wordt ten behoeve van hen tot een vloek.

Evenzo zou Paulus later, in 2Ko 5:21, schrijven dat God zijn Zoon die geen zonde kende voor ons [Joden en Heidenen] tot zonde maakte, opdat wij [Joden en Heidenen] in hem Gods rechtvaardigheid zouden worden. Daardoor is Jezus als het ware zowel de verpersoonlijkte vloek als de verpersoonlijkte zonde geworden.

 

Natuurlijk is Jezus noch aan het een noch aan het ander werkelijk schuldig. Het gaat om abstracte ideeën die op Jezus worden geprojecteerd om zijn plaatsvervangend sterven te verduidelijken. Jezus is dan ook niet werkelijk een vervloekte en daarom heeft Paulus het citaat uit Dt 21:23 (volgens de LXX) met opzet gewijzigd. Dus niet: "Vervloekt door God is een ieder die hangt aan een hout", maar "Vervloekt [is] een ieder die aan een hout hangt".

 

14 ινα εις τα εθνη η ευλογια του Aβρααμ γενηται εν Xριστω Iησου, ινα την επαγγελιαν του πνευματος λαβωμεν δια της πιστεως.

 

Opdat de zegen van Abraham in Messias Jezus tot de Heidenvolken zou komen, opdat wij de belofte van de geest door het geloof zouden ontvangen.

 

Paulus onderscheidt twee resultaten van het feit dat Messias Jezus de verpersoonlijkte vloek werd:

a. Op die manier konden de Heidenen deelachtig worden aan de zegen van Abraham. Zonder het expliciet te vermelden is het voor Paulus namelijk een uitgemaakte zaak dat de Heidenen alleen door de prediking der Joden tot het reddende geloof kunnen komen.

Vergelijk: Rm 1:16; 3:1-2; 9:1-5 en 15:8-9.

 

Met het oog daarop moesten de Joden eerst die zegen ontvangen, wat in hun geval alleen mogelijk was als zij zich niet langer onder de dreiging van de vloek der Wet bevonden. Slechts wanneer zij de Wet lieten varen konden zij intermediair zijn naar de Heidenen toe, zodat die de toegezegde zegen van Abraham konden ontvangen. De scheidsmuur die de Wet vormde tussen Jood en Heiden moest eerst door Jezus’ dood neergehaald worden (Ef 2:14-18).

 

b. Alle Christenen, Joden en Heidenen beide, ontvangen door hun geloof in Jezus’ dood aan een hout de belofte van de geest.

Met die ontboezeming legt de apostel een solide basis voor veel van wat nog in onze Brief zal volgen, zoals bijvoorbeeld de verklaring in Gl 3:26-29 dat er in vereniging met Messias Jezus geen Jood is noch Griek. Allen zijn zij zonen van God; allen maken zij deel uit van Abrahams zaad, en allen zijn zij erfgenamen.

 

15 Aδελφοι, κατα ανθρωπον λεγω∙ ομως ανθρωπου κεκυρωμενην διαθηκην ουδεις αθετει η επιδιατασσεται.

 

Broeders, ik spreek op menselijke wijze: Niemand zet een rechtsgeldige wilsbeschikking opzij of voorziet ze van toevoegingen, ook al is ze van een mens.

 

Vanaf dit punt in zijn Brief gaat de apostel aantonen dat de Belofte die God aan Abraham deed en die zowel hem als zijn zaad betrof, niet gewijzigd noch aangevuld kan worden; dus ook niet door de Mozaïsche wetgeving. Paulus doet dit door de kwestie te behandelen naar analogie van menselijke instellingen. Hoewel de zaak die hij bespreekt van een oneindig hogere orde is maakt hij een vergelijking met wat op menselijk terrein, met name op het gebied van het algemeen menselijke recht, gangbaar is.

Zijn vertrekpunt is de eenzijdige wilsbeschikking van YHWH God, waarin hij (als Erflater) bepaalde gunsten aan Abraham en diens zaad toezegde. Vanzelfsprekend is er van een testament in eigenlijke zin geen sprake, aangezien God niet sterft. Maar juist met oog daarop start Paulus zijn betoog met te zeggen dat hij de kwestie volgens menselijke trant benadert.

 

Paulus spreekt van een rechtsgeldig testament (wilsbeschikking). Het gebruik van die term geeft te kennen dat ook de Erflater niets meer aan de beschikking kan veranderen, er geen macht meer over heeft en daarom gestorven moet zijn. Natuurlijk past dat niet binnen Paulus’ betoog omdat de Erflater God zelf betreft. Wat hij wil zeggen is dat het testament van kracht blijft zoals het door de Erflater is opgesteld en niemand kan het nietig verklaren of er bepalingen aan toevoegen.

 

De situatie doet denken aan Hb 9:16-17, waar echter het Nieuwe Verbond in beeld is, door God aangekondigd in Jr 31:31-34. Maar ook dat Verbond wordt gezien als een testament of wilsbeschikking, en dus geldt voor het Nieuwe Verbond eveneens dat het pas eerst van kracht kan worden wanneer er een dood plaatsvindt, namelijk die van de Messias die tegelijkertijd Middelaar is: Want waar een wilsbeschikking is, moet [de] dood van de erflater worden vastgesteld; een wilsbeschikking is immers bindend bij doden, aangezien het nooit kracht heeft zolang de erflater leeft.

 

16 τω δε Aβρααμ ερρεθησαν αι επαγγελιαι και τω σπερματι αυτου. ου λεγει, Kαι τοις σπερμασιν, ως επι πολλων, αλλ ως εφ ενος, Kαι τω σπερματι σου, ος εστιν Xριστος.

 

Tot Abraham nu en tot zijn zaad werden de Beloften gesproken. Hij zegt niet: en tot zaden, alsof er sprake is van velen, maar als van één: En tot jouw zaad, dat is [de] Messias. 

 

Paulus gaat nu de rechtsregel toepassen op Gods relatie met Abraham. De Beloften zijn werkelijk door God aan die aartsvader toegezegd, tezamen met diens 'zaad' (nakomelingschap). De voorwaarden van een testament zijn derhalve aanwezig. Er is een Erflater (God) en een wilsbeschikking waardoor de erflater bepaalde 'goederen' in het vooruitzicht stelt. Daarbij moeten wij denken aan Gods aankondigingen in het boek Genesis, te beginnen met Gn 12:2-3, 7, maar bij meerdere gelegenheden herhaald en uitgebreid. Vandaar blijkbaar dat de apostel spreekt van de Belofte in het meervoud. Zie ook: Gn 13:14-16; 15:3-6; 17:4-8; 22:15-18.

 

Het bevreemdt wellicht dat de apostel met zoveel nadruk melding maakt dat er sprake is van een enkelvoudig zaad: Niet: en tot zaden, alsof er sprake is van velen, maar als van één, aangezien het Hebreeuwse woord zera in de betekenis van nakomelingschap (zaad) nooit in de meervoudsvorm voorkomt. Uit de in de vorige alinea genoemde Schriftpassages kan echter afgeleid worden dat het bij zera, hoewel een woord in het enkelvoud, om een collectieve term gaat, dus zaad in veelvoud. Paulus denkt in dit geval evenwel niet aan de gebruikelijke meervoudige betekenis, maar aan het feit dat God een collectieve term in het enkelvoud gebruikt. En waarom? Het antwoord ligt opgesloten in de waarheid dat

 

1 God met het zaad van Abraham principieel doelt op één enkele persoon, namelijk de Messias, zijn eigen Zoon Jezus: En tot jouw zaad, dat is [de] Messias.

2  in de persoon van Jezus Messias alle gelovigen binnen het ware Israël Gods tot het ware zaad van Abraham gaan behoren. Zoals de apostel in vers 29 zal constateren: Indien jullie nu van [de] Messias [zijn], zijn jullie waarlijk Abrahams zaad, naar [de] Belofte erfgenamen.

 

17 τουτο δε λεγω∙ διαθηκην προκεκυρωμενην υπο του θεου ο μετα τετρακοσια και τριακοντα ετη γεγονως νομος ουκ ακυροι, εις το καταργησαι την επαγγελιαν.

 

Dit nu wil ik zeggen: Een wilsbeschikking die tevoren door God rechtsgeldig was gemaakt, wordt door een Wet die na vier honderd en dertig jaar is ontstaan niet krachteloos gemaakt om de Belofte teniet te doen.

 

De stelling die hij al in vers 15 had neergezet - Niemand zet een rechtsgeldige wilsbeschikking opzij of voorziet ze van toevoegingen - gaat de apostel nu verder verduidelijken en onderbouwen: Wanneer al een rechtsgeldig testament door niemand kan worden teniet gedaan noch aangepast, dan toch zeker niet de Belofte die door God zelf werd gegeven en die met een eed door hem werd bekrachtigd toen Abrahams bereidheid was gebleken Isaäk ten offer op te dragen. Zie: Gn 22:15-18; Hb 6:13-14.

 

De Judaïsten hadden blijkbaar beweerd dat de Belofte naderhand van de Wet afhankelijk werd gemaakt. "Onjuist", luidt Paulus’ antwoord. De Wet vormde geen aanvulling op de Belofte. Iets dergelijks lag nooit in Gods bedoeling.

Wat wordt echter bedoeld met de zinsnede Een wilsbeschikking die tevoren door God rechtsgeldig was gemaakt?

Aangezien de Belofte binnen Paulus’ betoog steeds uitgangspunt is, moeten we qua tijd teruggaan naar het jaar 2084 AM, toen Abraham op 75-jarige leeftijd uit Haran vertrok en YHWH God tot hem had gezegd:

 

YHWH zei tot Abram: ‘Trek weg uit je land, je stam en je familie, naar het land dat Ik je zal aanwijzen. Ik zal een groot volk van je maken. Ik zal je zegenen en je naam groot maken, zodat je een zegen zult zijn. Ik zal zegenen die jou zegenen, maar die jou vervloekt zal Ik vervloeken. En in jou zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.’ Toen trok Abram weg, zoals YHWH hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar toen hij Haran verliet (Gn 12:1-4)

 

Maar de apostel spreekt ook geregeld van een διαθηκη dat zowel op een officieel Verbond als een wilsbeschikking betrekking kan hebben. Welnu, datgene wat als het Abrahamitische Verbond bekend is komen te staan en waarin de Belofte officieel werd vastgelegd, werd ongeveer 10 laar later door God met Abraham gesloten. We lezen daarover in Genesis 15, de vv 17 en 18 het volgende:

 

Toen de zon was ondergegaan en het helemaal donker was geworden, zag Abram een rokende oven en een vurige fakkel, die tussen de doormidden gesneden stukken [der dieren] doorging. Op die dag sloot YHWH een verbond met Abram. Hij zei: Aan jouw zaad schenk Ik dit land, vanaf de beek van Egypte tot aan de Grote Rivier, de Eufraat.  

 

Maar hoewel toen officieel gesloten, ging de Belofte terug op 2084 AM, toen Abraham Haran achter zich liet en gehoorzaam op weg ging naar een voor hem onbekend land [der belofte]. Vandaar Een wilsbeschikking die [of: een Verbond dat] tevoren door God rechtsgeldig was gemaakt.

Bovendien werd die wilsbeschikking rechtsgeldig op een specifieke datum, namelijk op 14 Nisan van het jaar 2084. Dat blijkt uit Mozes’ beschrijving van de Exodus, toen Israël onder zijn leiding op precies die datum, maar dan van het jaar 2514 AM, aan haar vertrek uit Egypte begon: En het geschiedde na verloop van vier honderd en dertig jaar, op deze zelfde dag geschiedde het dat alle legers van YHWH uit het land Egypte wegtrokken (Ex 12:41).

 

18 ει γαρ εκ νομου η κληρονομια, ουκετι εξ επαγγελιας∙ τω δε Aβρααμ δι επαγγελιας κεχαρισται ο θεος.

 

Want indien de erfenis uit [de] Wet [is], [is] zij niet langer uit [de] Belofte. Aan Abraham echter heeft God door [de] Belofte zijn gunst bewezen.

 

Paulus’ opponenten hadden zich 'vastgepind' op de stelling dat het inhoudelijk ervaren van al de dingen die de Belofte in het vooruitzicht stelde, van wetsvervulling afhankelijk was. De apostel wijst hun er nu op dat de Belofte juist tenietgedaan zou worden als hun stelling klopte. Waarom? Omdat God de Belofte aan Abraham had gedaan als een gunst, een gave derhalve die uit louter goedheid geschonken werd. Die goedgunstige gave, van geen enkele voorwaarde afhankelijk, zou bijgevolg volledig vernietigd worden als ze slechts ontvangen kon worden door te voldoen aan bepaalde zware vereisten, zoals in de Wet geformuleerd.

De Wet zou op die manier het karakter van goddelijke gunst geheel aan de Belofte ontnemen.

 

Vergelijk Rm 4:2-5 waar Paulus later onthulde dat, indien rechtvaardigheid verkregen kon worden door prestatiegerichte 'werken', mensen zich op die prestaties zouden kunnen beroemen. Maar niet bij God!

Straks, in vers 22, zal Paulus laten zien waarom die 'aanpak' bij God niet werkt. Zie ook Rm 4:13-15.

 

19 Tι ουν ο νομος; των παραβασεων χαριν προσετεθη, αχρις ου ελθη το σπερμα ω επηγγελται, διαταγεις δι αγγελων εν χειρι μεσιτου.

 

Waarom dan de Wet? Omwille van de overtredingen werd ze toegevoegd totdat het zaad zou komen aan wie de Belofte was gedaan, beschikt door engelen in [de] hand van een Middelaar.

 

De vraag is duidelijk. Als de Wet niets kon veranderen aan de Belofte en beide toch van God kwamen, kon men zich afvragen wat Gods oogmerk was met het geven van de Wet. Paulus blijkt Gods bedoeling met de Wet te kennen: Ze werd aan de Belofte toegevoegd, maar zou wel een tijdelijk karakter dragen. Ze zou wat Israël betreft de periode overbruggen tot het verschijnen van de Persoon die in de Belofte als Abrahams zaad was aangekondigd.

Het moest Israël ingeprent worden dat zij als volk en als afzonderlijke individuen dringend behoefte hadden aan diens komst. Hoe?

 

De Wet zou hun dat tonen! Ze zou hen van het feit bewust maken dat de Zonde een oppermachtige rol in het leven van de Adamitische mens vervult. De vereisten die door de Wet werden gesteld zouden namelijk aanleiding geven tot een stortvloed aan overtredingen onder een ieder van hen. In zijn Romeinenbrief verwoordt Paulus die gewichtige goddelijke wijze van aanpak aldus:

 

De Wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding… De Wet echter kwam er nog bij opdat de overtreding zou toenemen, maar waar de zonde is toegenomen, daar is de genade meer dan overvloedig geweest (Rm 4:15; 5:20).

 

Doordat de overtredingen 'toenamen' moesten de Israëlieten zich bewust worden

a. van hun absolute onmacht, en

b. van een nog grotere noodzaak aan Gods barmhartigheid.

 

20 o δε μεσιτης ενος ουκ εστιν, ο δε θεος εις εστιν.

 

De Middelaar echter is niet van één, maar God is één.

 

Nadat de apostel de Wet heeft getekend als tijdelijk geeft hij vervolgens nog een reden waarom de Wet in vergelijking met de Belofte ondergeschikt van karakter is. Allereerst werd ze (volgens vers 19) beschikt door engelen in [de] hand van een Middelaar, Mozes, die de tafelen van de Wet (letterlijk) in zijn handen droeg (Ex 31:18; 32:19).

Er was geen rechtstreekse gemeenschap tussen God en Israël zoals bij de Belofte. God bediende zich van engelen die de Wet afkondigden en van Mozes die ze aan het volk overdroeg (Hn 7:38, 53).

 

Bovendien is de Middelaar niet van één, maar God is één.

Wat is de strekking van deze merkwaardige verklaring?

De taak van een Middelaar veronderstelt de aanwezigheid van twee partijen. Wanneer dus slechts één persoon optreedt, zoals bij de Belofte, is er geen plaats voor een Middelaar.

Dat God één is geeft aan dat er niemand bestaat met wie Hij op voet van gelijkheid een verdrag kan aangaan. Om die reden was er bij het sluiten van zijn Verbond met Israël een tussenpersoon nodig, de Middelaar. Het volk beloofde trouw en gehoorzaamheid; God, van zijn kant, zegde hun toe dat slechts zij van alle volken op aarde Hem tot een speciaal bezit zouden zijn, een heilige natie die voor Hem als een koninkrijk van priesters zou fungeren (Ex 19:3-6). 

 

Het is vrijwel zeker dat destijds niemand binnen Israël ook maar enig idee had van Gods eigenlijke oogmerken. Hoe konden zij ooit doorgronden dat ook de koninklijke priesterschap, waarop de Wetgeving van het Verbond voornamelijk was gericht, slechts van typologische aard en dus qua functioneren tijdelijk zou zijn. Vergelijk Hb 7:11-19.

De eenvoudige, maar tevens grootse waarheid is dat in het tafereel van Genesis 14 tevoren werd getoond dat de Belofte die in de omringende hoofdstukken, met name in Gn 12 en 15, aan Abraham werd gedaan - zegen voor de Heidenwereld door tussenkomst van zijn zaad - werkelijk vervuld zal worden binnen een koninklijke priesterschap onder supervisie van de Messiaanse koning-hogepriester zelf, afgebeeld door Melchizedek, de koning-priester van Salem.

Het optreden van Melchizedek vond plaats in de oertijd, ver vóór het ontstaan der Wet. En juist in dat tijdperk, de periode van de patriarchen, namen de zaken die later zo belangrijk bleken te zijn voor Israël, in Gods voornemen een aanvang. Tussen de verschillende taferelen in dat hoogst belangrijke deel van de Thorah bestaat namelijk een onmiskenbare samenhang! In Galaten 4 zal ook Paulus dat aantonen in zijn behandeling van de allegorie rond de wederwaardigheden van Abrahams twee vrouwen, Sara en Hagar, gebaseerd op de hoofdstukken 16 en 21 van Genesis.

In zijn Brief aan de Hebreeën beroept Paulus zich daarom op die gouden periode van Israël om, mede aan de hand van Davids Psalm 110, de superioriteit van het Messiaanse priesterschap boven dat van Aäron aan te tonen:

Van David; een psalm. Zo spreekt YHWH tot mijn Heer: "Zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden leg tot een voetbank uwer voeten". De scepter van uw sterkte zal YHWH vanuit Sion zenden: "Heers te midden van uw vijanden"… YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij [de Messiaanse koning] zijt priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek".

Bijgevolg lezen we in Hb 7:11-12 Paulus’ conclusie:

Indien volmaaktheid dan werkelijk door het Levitische priesterschap was

- want op grond daarvan werd het volk van wetten voorzien - waarom moest er dan nog gezegd worden dat een andere priester zou opstaan naar de orde van Melchizedek, en niet naar de orde van Aäron? Want als het priesterschap wordt veranderd, vindt er noodzakelijkerwijs ook verandering van wet plaats.

Het priesterschap van de Messias, hoewel een overvloed aan tegenbeeldige kenmerken bevattend die afgeleid zijn van die van Aäron en zijn opvolgers, is van een hogere, bovennatuurlijke orde, volmaakt en daarom blijvend.

Zie Hebreeën hoofdstuk 7 - Naar de orde van Melchizedek - het belangrijke centrale deel van de Hebreeënbrief.

21 O ουν νομος κατα των επαγγελιων; μη γενοιτο∙ ει γαρ εδοθη νομος ο δυναμενος ζωοποιησαι, οντως εk νομω αν ην η δικαιοσυνη.

 

Is de Wet dan tegen de Beloften? Dat nooit! Want indien er een Wet werd gegeven die in staat is levend te maken, zou de rechtvaardigheid in werkelijkheid uit [de] Wet [zijn].

 

Uit wat vooraf ging konden verkeerde gevolgtrekkingen gemaakt worden. Dat Paulus dit beseft, blijkt uit het gebruik van het woordje dan: Is de Wet dan tegen de Beloften? Hij had immers betoogd

a dat de Wet aanleiding gaf tot het begaan van veel overtredingen (vers 19) en

b er een Middelaar nodig was om de afstand tussen God en het volk te kunnen overbruggen (vers 20).

 

Wat wil je daarmee zeggen, Paulus? Dat de Wet zó inferieur is dat ze in strijd is met Gods Beloften?

Dat nooit! is echter zijn antwoord. Die veronderstelling wijst hij verontwaardigd van de hand. De Wet zou alleen dan tegen de Beloften ingaan als ze bij machte zou zijn het werkelijke, hogere leven te schenken. In dat geval immers zou de Wet met succes concurreren met de Beloften; ja, ze zelfs hun waarde ontnemen en feitelijk nutteloos maken. Welnu, zulk een Wet ontving Israël niet. De Wet van Mozes kon het leven niet schenken; de Beloften werden er dan ook niet door aangetast!

 

22 αλλα συνεκλεισεν η γραφη τα παντα υπο αμαρτιαν ινα η επαγγελια εκ πιστεως Iησου Xριστου δοθη τοις πιστευουσιν.

 

De Schrift echter sloot alle dingen tezamen op onder Zonde, opdat de Belofte uit [het] geloof van Jezus Messias gegeven zou worden aan hen die geloven.

 

Met deze uiterst belangrijke onthulling zijn we in het centrale deel van de Galatenbrief gearriveerd, de plaats waar in de Bijbelboeken naar zeer oud gebruik de allergewichtigste zaken staan beschreven.

Eveneens in het middendeel van de Romeinenbrief zou Paulus bijna 10 jaar later een parallelle gedachte opschrijven, t.w.:

 

Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op de openbaarmaking van de zonen Gods. Want de schepping werd aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar [daaraan] onderwierp, op [basis van] hoop dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de dienstbaarheid van het verderf tot de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods. Want wij weten dat heel de schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood verkeert, tot nu toe (Rm 8:19-22).

Wanneer en de wijze waarop God de schepping aan de vruchteloosheid onderwierp zodat ze in de dienstbaarheid van het verderf geraakte, blijkt uit zijn rechterlijke uitspraak over Adam volgens Gn 3:17-19 >

 

Omdat je naar de stem van je vrouw luisterde en van de boom ging eten waaromtrent ik je geboden had: Daarvan mag je niet eten, is de aardbodem ter wille van jou vervloekt. Met smart zul je de opbrengst ervan eten, al de dagen van je leven. En doorns en distels zal hij je voortbrengen, en je zult de plantengroei van het veld eten. In het zweet van je aangezicht zul je brood eten, totdat je tot de aardbodem terugkeert, want daaruit werd je genomen. Want je bent stof en tot stof zul je terugkeren.

 

Maar hier verwoordt hij die waarheid aldus: De Schrift echter sloot alle dingen tezamen op onder zonde.

Met de "de Schrift" doelt de apostel natuurlijk op God, de Inspirator van de gehele Heilige Schrift, zoals ook al in vers 8 het geval was. Vanaf Genesis hoofdstuk 3 heeft Hij in de Schrift onthuld hoe zijn eigenlijke 'scheppingsplan' zou verlopen. Er zou sprake zijn van twee fases:

 

1ste Opgesloten onder zonde, waarbij de schepping in slaafse onderworpenheid verkeert aan de vruchteloosheid, onderhevig aan verderf.

2de Op basis van Jezus’ zondeverzoenend slachtoffer 'gebaard worden' tot een nieuwe schepping die bevrijd zal zijn van alle slaafse dienstbaarheid en zich daarom zal kunnen verheugen in de glorierijke vrijheid welke kenmerkend is voor Gods ware kinderen.

 

In weer een andere Brief, die aan de Kolossenzen, onthulde Paulus onder inspiratie dat Gods Zoon zowel in de 'oude' (oorspronkelijke), als in de 'nieuwe' schepping oorsprong was/zal zijn (Ks 1:15-20). Voor een uitgebreid commentaar op die schitterende onthulling verwijzen wij naar: De voorrang van de Messias.

Zie eventueel ook: De heerlijkheid van de Messias voor en na de menswording 


Omdat niemand aan Gods daad in Eden kon ontkomen, gebruikt de apostel het werkwoord συγκλειω [tezamen opsluiten].

Het gehele Mensdom geraakte in een stervende toestand waaruit zonder (verder) ingrijpen van de hemel geen redding mogelijk was.

In Rm 3:9-18 licht Paulus die situatie uitvoerig toe. Vers 9 is echter reeds alleszeggend:

 

Wat dan? Zijn wij voortreffelijker? Beslist niet! Wij hebben immers zojuist én Joden én Grieken beschuldigd dat zij allen onder de zonde zijn, zoals geschreven staat:  Er is niemand rechtvaardig, ook niet één.

Maar hoop begon te gloren toen YHWH God aan Abraham goedgunstig de Belofte gaf, hierop neerkomend dat zij die van geloof zouden blijk geven in Gods voorziening van een loskopende Messias, bevrijd zouden worden uit hun opgesloten toestand onder zonde.

De andere mogelijkheid, rechtvaardig voor God worden door het verrichten van de juiste 'werken', was sinds Eden een illusie. Ja, erger nog, in de ogen van de heilige God zou dit iets weerzinwekkends zijn! Want wat zei Jezus tot de hoogmoedige Farizeeën:

 

Jullie zijn degenen die jezelf rechtvaardigt voor het aangezicht der mensen, maar God kent jullie harten; want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor het aangezicht van God (Lk 16:15).

 

Een ieder die op eigen kracht meent heilig en rechtvaardig voor God te kunnen zijn - treffend aangeduid met 'werkheiligheid' - gedraagt zich niet zelden hoogmoedig, overlopend van eigendunk. Hij kan zowaar denken dat God hem een beloning schuldig is, terwijl het hem ontgaat hoe miserabel zijn werkelijke situatie er uitziet.  Nogmaals Lukas 18 > 

 

De Farizeeër bad, na zich daar opgesteld te hebben, bij zichzelf deze dingen:

O God, ik dank u, dat ik niet ben zoals de overigen der mensen: Rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook zoals deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al wat ik verwerf.

 

Gods raadsbesluit om de schepping in twee fases te laten verlopen helpt ons danook - wanneer we dienaangaande het juiste begrip hebben verworven - een diep ontzag te ontwikkelen voor zijn grote wijsheid.

Door ons allen op te sluiten onder zonde, en dat op basis van hoop op een bevrijding door de mogelijkheid van wedergeboorte (of: herschepping), heeft elk mens zijn lot in eigen hand gekregen. Voorheen konden wij niet zelf een keuze maken; allen werden wij eenvoudig geboren zonder er - om de treurige frase te gebruiken - zelf om gevraagd te hebben.

Maar door Gods wijze aanpak krijgt een ieder de gelegenheid om zelf een keuze te maken voor leven in de toekomst. Hij kan welbewust voor het leven kiezen. Hoe? Door in een geest van dankbaarheid in geloof te steunen op het vrijkopend offer van Gods Zoon. Maar hij kan het ook met verachting afwijzen. Het zal zijn persoonlijke keuze zijn (Rm 6:23; Jh 3:36). Door de regeling van de voortplanting was dat niet mogelijk, maar wel in de tweede fase van het scheppingsproces.

 

23 Προ του δε ελθειν την πιστιν υπο νομον εφρουρουμεθα συγκλειομενοι εις την μελλουσαν πιστιν αποκαλυφθηναι.

 

Maar voordat het geloof kwam verkeerden wij in bewaring onder [de] Wet, met elkaar opgesloten, in afwachting van het geloof dat geopenbaard zou worden.

 

Paulus beperkt zich weer tot zijn eigen ras, de situatie der Joden.

Doordat God hun de Wet had gegeven waren zij in de gelegenheid - veel meer dan alle andere volken - om zich bewust te worden van de zonde en de gevolgen daarvan (Rm 6:23).

Terwijl de hele mensheid zich vanaf Eden in opsluiting in ongehoorzaamheid bevond (Rm 11:32), werd die opsluiting voor Israël in zekere zin 'verdiept' toen zij in 2514 AM bij de Sinaï de condities van het Wetsverbond accepteerden. Alleen genoten zij het grote geestelijke voordeel dat zij konden uitzien naar de vervulling van de Belofte bij de komst van hun Messias. Dan zouden zij immers als eersten de gelegenheid ontvangen om door geloof in zijn plaatsvervangend sterven bevrijding te ervaren. En tevens - wat ook nog speciaal voor hen gold - onder de boven hen zwevende vloek vandaan komen!

 

De frase in afwachting van het geloof duidt dus eigenlijk op de komst en tot bestaan komen van een heel nieuw bestel door de verkondiging van het Evangelie. Dat nieuwe bestel (of: heilsorde) zou door geloof beheerst worden en staan tegenover de oude orde van de Wet.

Hun situatie onder de Wet had voor Israël dus ook veel positieve effecten. Eén daarvan wordt nog expliciet door Paulus genoemd: Zij werden onder de Wet bewaard, in de zin van bescherming. Het gebruikte werkwoord φρουρεω wordt ook aangetroffen in Fp 4:7 waar het de betekenis heeft van behoeden/bewaken. In vereniging met hun Messias behoedt/bewaakt de vrede van God de harten en gedachten van Christenen.

 

Oorspronkelijk had het werkwoord betrekking op de bescherming die geboden werd door een militaire wacht (2Ko 11:32). Toegepast op Christenen betekent dit dat de vrede van God als een schildwacht is die de wacht houdt over ons diepste innerlijk en onze mentale gewaarwordingen, teneinde ze tegen vijandelijke infiltratie te beschermen, in het bijzonder tegen de aanvallen van Satan.

Evenzo werd Israël, doordat de Wet hun gids werd, behoed tegen de talrijke onzedelijke en afgodische invloeden van de hen omringende Heidenvolken. Bovendien voorkwam ze assimilatie en kon ze als volk haar identiteit behouden.

 

Doordat de Mozaische wetgeving Israël afscheidde van de hen omringende Heidenwereld en bijgevolg bescherming bood tegen afgodische bezoedeling, kon het Wetsverbond in zekere zin vergeleken worden met een schaapskooi. Jezus deed dat in zijn allegorie van de Joodse schaapskooi waartoe hij toegang kreeg door de dienst van zijn voorloper Johannes de Doper. De laatse, in zijn hoedanigheid van deurwachter, deed Jezus open door aan een ieder die het wilde horen Jezus’ identiteit en missie te onthullen: Het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt.

Zelf zei Jezus over die missie:

 

Wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen… Ik ben de voortreffelijke herder. De voortreffelijke herder geeft zijn ziel over voor zijn schapen... Nog andere schapen [de latere Christelijke Gemeente] heb ik, die niet van deze [Joodse] kooi zijn; ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.

 

In die zin werd Jezus zelf de deur der schapen. Door hem kregen zij toegang tot de wilsbeschikking en deel aan de zegen van het Abrahamitische Verbond (Johannes 10).

Jezus gaf toen reeds aan wat Paulus later in Ef 2:11-15 verder zou uitwerken dat Jodenchristenen en Heidenchristenen tot één kudde zouden worden; niet één kooi(!) Beide groepen ‘schapen’ zouden los zijn van elke (beperkende) kooi maar ook! Wat zij wél gemeenschappelijk kregen was het delen in de inhoud van de Abrahamitische Belofte (wilsbeschikking): Indien jullie nu van de Messias [zijn], zijn jullie waarlijk Abrahams zaad; naar [de] Belofte erfgenamen (vers 29).

 

24 ωστε ο νομος παιδαγωγος ημων γεγονεν εις Xριστον, ινα εκ πιστεως δικαιωθωμεν∙

 

Aldus werd de Wet onze leermeester naar [de] Messias, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden.

 

25 ελθουσης δε της πιστεως ουκετι υπο παιδαγωγον εσμεν.

 

Nu echter het geloof is gekomen staan wij niet langer onder een leermeester.

 

Voor leermeester heeft het Grieks het woord dat wij kennen als pedagoog [παιδαγωγος], letterlijk: knapenleider. In Paulus’ tijd werd daarmee gedoeld op de ondergeschikte employé die in de Griekse en Romeinse families belast was met het toezicht op de kinderen. Hij moest hen zonodig corrigeren en buitenshuis begeleiden. Zoals de opgroeiende knaap de pedagoog niet kon missen, zo had ook Israël in haar 'jeugd' de Wet nodig om de natie richting Messias te leiden.

 

Daarmee wordt uiteraard meteen en opnieuw geïmpliceerd dat de betekenis en de duur van de Wet beperkt waren. Het godsdienstige leven der Israëlieten werd [negatief] beschermd tegen Heidense bezoedeling, maar [positief] verrijkt door het feit dat de geregeld terugkerende godsdienstige handelingen binnen de Levitische priesterorde alle (in type) hun schaduwen vooruit wierpen op de priesterlijke loopbaan van hun Messias.

Herkenning daarvan bij zijn werkelijke komst moest het geloof in hem en de acceptatie van de geheel nieuwe heilsorde welke met die komst vergezeld zou gaan, vergemakkelijken (Ks 2:16-17; Hb 10:1).

 

26 Παντες γαρ υιοι θεου εστε δια της πιστεως εν Xριστω Iησου.

 

Want jullie allen zijn zonen van God door het geloof in Messias Jezus.

 

Nadat de Wet haar opleidende functie als 'leermeester' had voltooid, bleef alleen nog de Belofte over, maar met de komst van Messias Jezus werd die goddelijke 'wilsbeschikking' meer dan een Belofte alleen. Op grond van Jezus’ verdienste kreeg de Belofte vanaf de Eerste eeuw vervullingskracht. Met het aanbreken van de Pinksterdag werd dat voor veel consciëntieuze waarnemers meer dan duidelijk. De leidingnemende apostel van dat vroege begin, Petrus, attendeerde leergierige Joden geregeld op die ontwikkeling in Gods overallplan:

 

Deze Jezus wekte God op, waarvan wij allen getuigen zijn. Zijnde dan verhoogd tot de rechterhand van God, hebbend ontvangen de Belofte van de heilige geest bij de Vader, stortte hij deze uit, wat jullie zowel zien als horen… Want voor jullie is de Belofte en voor jullie kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heer, onze God, ertoe roepen zal… Jullie zijn de zonen van de profeten en van het verbond dat God met onze vaderen sloot, toen hij tegen Abraham zei:  En in jouw zaad zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Eerst tot jullie - nadat God zijn knecht had opgewekt - zond hij hem, jullie zegenend door een ieder af te keren van jullie goddeloze daden (Hn 2:32-33, 39; 3:25-26). 

 

Uiteindelijk bleek de Belofte ook de Heidenvolken ten deel te vallen: Allen die veraf zijn, zovelen als de Heer, onze God, ertoe roepen zal.

Vergelijk Ef 2:11-14.

Allen die tijdens de duur van de 'gemeente-eeuw' tot geloof in de Messias worden geroepen, ontvangen in hun verbondenheid met hem de adoptie tot Gods zonen:

 

Immers, zovelen als door Gods geest gedreven worden, die zijn zonen van God.

Want jullie ontvingen geen geest van slavernij wederom tot vrees, maar jullie ontvingen een geest van zoonschap, waarin wij uitroepen: Abba, Vader!

De geest zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. Maar indien kinderen, ook erfgenamen; ja, erfgenamen van God, doch mede-erfgenamen van [de] Messias; indien wij althans met hem lijden, opdat wij ook tezamen verheerlijkt worden (Rm 8:14-17).

 

De leden van de Christelijke gemeente ervaren door de inwoning van de geest een geest van adoptie als zonen. Zij weten zich door de inwerking van die geest Gods kinderen. Bijgevolg roepen zij uit: Abba, Vader!  Met het zoonschap [υιοθεσια; adoptiefzonen] beschrijft Paulus de nieuwe schepping die God op basis van de kracht van het loskoopoffer van zijn Zoon voortbrengt en van welke de leden van Jezus’ Gemeentelichaam de eersten zijn (Gl 6:15-16; 2Ko 5:14, 17).

 

27 οσοι γαρ εις Xριστον εβαπτισθητε, Xριστον ενεδυσασθε∙

 

Want zovelen als tot [de] Messias werden gedoopt, bekleedden zich met [de] Messias.

 

Zich met Messias Jezus bekleden betekent méér dan slechts (naar OT-trant) zijn eigenschappen aan te nemen, maar veeleer één worden met hem (Jb 29:14; Ps 93:1; Js 61:10).

Dat het zich bekleden met de Messias een vereniging met hem inhoudt, blijkt vooral uit Rm 6:4-6 >

 

Wij werden dan met hem begraven door de doop in de dood, opdat - evenals [de] Messias uit doden werd opgewekt door de heerlijkheid van de Vader - zo ook wij in een nieuwheid van leven zouden wandelen. Want indien wij samengegroeid zijn in de gelijkheid van zijn dood, zullen wij het beslist ook zijn van de opstanding. Dit wetend dat onze oude mens tezamen aan een paal werd gehangen, opdat het lichaam der zonde tenietgedaan zou worden om niet langer slaven van de zonde te zijn.

 

28 ουκ ενι Iουδαιος ουδε Eλλην, ουκ ενι δουλος ουδε ελευθερος, ουκ ενι αρσεν και θηλυ∙ παντες γαρ υμεις εις εστε εν Xριστω Iησου.

 

Daarbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije; er is geen manlijk en vrouwelijk; want allen zijn jullie één in Messias Jezus.

 

In onze vereniging met Messias Jezus worden wij allen tot één persoon en slechts in dát opzicht vervalt elk nationaal, sociaal en geslachtelijk verschil.

Paulus had nog andere verschillen kunnen noemen, zoals oud/jong, arm/rijk, geletterd/ongeletterd, etc; maar hij beperkt zich tot de drie verschillen welke in zijn dagen de sociale verhoudingen domineerden. 

Overigens geeft hij met daar is geen Jood noch Griek nogmaals te kennen, ook al geschiedt dat stilzwijgend, dat de Wet - zijnde een nationaal Joodse instelling en scheiding brengend tussen Jood en Heiden - noodzakelijkerwijs moest eindigen.

 

29 ει δε υμεις Xριστου, αρα του Aβρααμ σπερμα εστε, κατ επαγγελιαν κληρονομοι.

 

Indien jullie echter van de Messias [zijn], zijn jullie waarlijk Abrahams zaad; naar [de] Belofte erfgenamen.

 

De schitterende slotconclusie. 

Met Messias Jezus zijn de leden van zijn Lichaam deelhebbers aan alles wat de Belofte (wilsbeschikking) behelst:

 

Maar indien kinderen, ook ergenamen; niet alleen erfgenamen van God, maar ook mede-erfgenamen van de Messias (Rm 8:17).

 

Later, in de Efezebrief, zou Paulus in dezelfde trant over het geheimenis van de Christelijke Gemeente schrijven dat de Heidenen mede-erfgenamen zijn en medelichaam en mededeelgenoten van de Belofte in Messias Jezus, door het Evangelie (Ef 3:6).

De gelovigen uit de Heidenen vormen met de Jodengelovigen het ene Lichaam van de Messias. Allen erven alle dingen mét de Messias, en in hém hebben allen deel gekregen aan de Abrahamitische Belofte; allen zijn zij 'zaad' van Abraham.

 

Hoofdstuk 4

 

1 Λεγω δε, εφ οσον χρονον ο κληρονομος νηπιος εστιν, ουδεν διαφερει δουλου κυριος παντων ων,

 

Ik zeg echter: Zolang de erfgenaam een onmondig kind is, verschilt hij in niets van een slaaf, hoewel hij heer is van alles ;

 

2 αλλα υπο επιτροπους εστιν και οικονομους αχρι της προθεσμιας του πατρος.

 

maar hij staat onder voogden en beheerders tot de tevoren bepaalde [dag] van de vader.

 

Deze nieuwe perikoop kan het best begrepen worden wanneer wij ze zien als een voortzetting van vers 29 waarmee hoofdstuk 3 eindigt: Indien jullie echter van de Messias [zijn], zijn jullie waarlijk Abrahams zaad; naar [de] Belofte erfgenamen. 

Het is immers duidelijk dat Paulus alle erfgenamen, Joden en Heidenen in gedachten heeft wanneer hij vervolgens schrijft: Zolang de erfgenaam een onmondig kind is…etc.

In de situatie die aan het Messiaanse tijdperk voorafging konden Joden en Heidenen die in Gods voornemen geroepen zouden worden om tot Abrahams ware zaad te gaan behoren en daarmee erfgenamen van de Belofte, vergeleken worden met onmondige kinderen die (nog) geen beschikking hadden over het vaderlijk erfdeel, ondanks diens overlijden.

 

Hoewel in principe erfgenamen, stonden zij als 'minderjarigen' onder het toezicht van voogden en beheerders. Dat de vader in de beeldspraak als reeds overleden wordt gezien, blijkt uit de bijzin hoewel hij [het onmondige kind] heer is van alles. Het feit dat God, de werkelijke Erflater, niet sterven kan wordt in deze beeldspraak voor het gemak buiten beschouwing gelaten.

 

Omdat het kind nog geen beschikking heeft over het erfgoed verschilt het in zekere zin in niets van de slaaf, ofschoon het vanuit juridisch standpunt bezien als heer van alles, veel betere vooruitzichten heeft. En dat gold zeker voor de Joden; als Abrahams directe 'zaad' behoorde het erfgoed — het zoonschap en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de goddelijke dienst en de Beloften — de Joden principieel toe (Rm 9:4), maar omdat zij over die erfenis (nog) niet konden beschikken was er tussen hen en de Heidenvolken niet eens zo heel veel verschil, te meer omdat God in zijn voornemen óók de Heidengelovigen reeds als zonen en erfgenamen kende vóór de grondlegging der wereld:

 

Gezegend de God en Vader van onze Heer Jezus Messias, die ons zegende in alle geestelijke zegen in de hemelsferen in [de] Messias, gelijk hij ons in hem verkoos vóór [de] grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde bestemde hij ons tevoren tot zoonschap voor zichzelf, door Jezus Messias, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof der heerlijkheid van zijn liefderijke gunst, waarmee hij ons in de Geliefde begunstigde. In wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving der overtredingen, naar de rijkdom van zijn liefderijke gunst, waarmee hij jegens ons overvloedig was, in alle wijsheid en inzicht (Ef 1:3-8).

 

In de beeldspraak die volgens kenners gebaseerd is op het Romeinse recht van die dagen, duurt de periode van onmondigheid voort tot het verstrijken van de tevoren bepaalde [dag] van de vader. Zonder beeldspraak: Tot de volheid der tijd zou aanbreken met de komst van Gods Zoon, zoals zo meteen in vers 4 verduidelijkt zal worden.

 

Vanaf Pinksteren 33 AD werd voor het eerst duidelijk dat de door God, de Vader, gestelde termijn voor zijn van oudsher uitverkoren volk, de natuurlijke nakomelingen van Abraham, principieel was verstreken. Door de uitstorting van de geest eindigde voor ongeveer 120 in Messias Jezus gelovende Joodse leerlingen de periode van onmondigheid. Door geloof te stellen in de verkondiging van de apostelen liep dat aantal aanvankelijkk snel op tot enkele duizenden.

Zie Hn 1:15; 2:1-4, 37-42; 4:4.

 

Hieruit blijkt dat de door de Vader tevoren bepaalde [dag] waarop de onmondigheid eindigt voor elk afzonderlijk lid van de Gemeente verschillend is. Dat leerpunt kon al afgeleid worden uit Petrus’ aankondiging dienaangaande op de Pinksterdag dat te zijner tijd nog vele anderen geroepen zouden worden: allen die veraf [mensen uit de Heidenvolken] zijn, zovelen als de Heer, onze God, ertoe roepen zal (Hn 2:39). 

 

3 ουτως και ημεις, οτε ημεν νηπιοι, υπο τα στοιχεια του κοσμου ημεθα δεδουλωμενοι∙

 

Zo waren ook wij, toen wij nog onmondige kinderen waren, als slaven onderworpen aan de elementen der wereld.

 

In vers 1 verklaarde Paulus dat de situatie van het onmondige kind niet veel verschilde van die van een slaaf. Ook stonden de Joden niet boven de Heidenvolken, want niemand van hen had tot het aanbreken van de Messiaanse tijd beschikking over Abrahams erfgoed. Nu licht de apostel die situatie verder toe door de term  de elementen der wereld erbij te betrekken en die, onverwacht, te laten fungeren als de voogden en beheerders die hij eerder in de beeldspraak -gebaseerd op Romeins (dus Heidens) recht - noemde. Wat bedoelt hij dan met het Griekse stoicheia der wereld [στοιχειαelementen of grondslagen]?

 

Uit een vergelijking met de vv 9 en 10, alsook met Ks 2:8, 20-22, zouden we onder de elementen der wereld alle denkrichtingen kunnen verstaan die in de loop der eeuwen door de mensen - verblind als zij werden door de demonen voor de wijsheid van God - aangehangen en gepropageerd zijn. Hoewel ze een schijn van geestelijkheid in zich hebben, worden met de elementen toch vooral de bestanddelen der stoffelijke wereld bedoeld. Op die grondslagen berustte de religiositeit van die van God vervreemde mensen.

 

Maar ook binnen de Joodse wetgeving was iets dergelijks evident, want daarin werden de godsdienstige praktijken eveneens grotendeels verbonden met de stoffelijke dingen waaruit de wereld bestaat: De feesttijden, de sabbatten en de nieuwemaanvieringen; alle werden ze door de loop der hemellichamen bepaald. De spijs- en reinigingsvoorschriften, de offers, hadden evenzo alle betrekking op stoffelijke dingen: Op bepaalde plaatsen, tijden, dieren, voorwerpen, lichamelijke situaties.

De strenge doorvoering van al die bepalingen - in de beeldspraak de voogden en beheerders - leidde voor de gemiddelde Jood in de Eerste eeuw tot niets minder dan een vorm van slavernij wegens de overheersende religieuze invloed welke door de sekte der Farizeeën werd uitgeoefend: Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren (Mt 23:4).

Ja, zij die in de positie kwamen van bevoogden en beheren waren lang niet altijd vriendelijk voor de onmondige erfgenamen! Niet zelden richtten zij al hun belangen op zichzelf, gingen zich dominant gedragen met als resultaat verdrukking voor de onmondigen. Vergelijk Mt 23:1-4.

Al eerder, bij Gl 3:23, wezen wij op het feit dat het Wetsverbond in zekere zin met een schaapskooi vergeleken kon worden. Jezus bleek de goede herder bij uitstek te zijn, aangezien hij zich bereid toonde zelfs zijn ziel over te geven voor het leven van de schapen. Maar hoe anders was het dikwijls gesteld met hun religieuze leiders, de dieven die er alleen maar op uit waren om te stelen en te slachten, alsook de huurlingen die zich eveneens niet werkelijk om de schapen bekommerden (Jh 10:10-13)!

 

De profeten hebben hen namens God niet voor niets zo vaak aangeklaagd wegens hun zelfzuchtige oogmerken:

 

Wee de herders, door wie de schapen van mijn kudde omkomen en verloren lopen – godsspraak van YHWH. Daarom, zo spreekt YHWH, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: “Door uw schuld zijn mijn schapen verdwaald en uiteengedreven; u hebt er niet op gelet. Maar Ik let wel op u, vanwege al uw misdaden – godsspraak van YHWH.”

Vergelijk Ezechiël 34.

 

Binnen de vele vormen van de Heidense eredienst was de situatie natuurlijk niet veel anders. Ook binnen de afgodendienst der Heidenvolken domineerde gewoonlijk een hardvochtige, door demonen geleide religieuze elite - gewoonlijk in de vorm van een of andere priesterschap - die het bijgeloof met al zijn onderdrukkende en demoraliserende aspecten aan de onder hen staande massa’s opdrong.

Wij verwijzen in dit verband (vrijblijvend) naar het commentaar (onder punt 3) dat in Vincent’s Word Studies bij dit vers wordt gegeven op de frase de elementen [of: grondslagen] der wereld:

 

3. De elementen van de wereld zijn de persoonlijke, elementaire geesten. Dit lijkt de voorkeuruitleg, zowel hier als in Ks 2:8. Volgens joodse opvattingen hadden alle dingen hun speciale engelen. In het Boek der Jubileeën, hoofdstuk 2, verschijnen de engel der aanwezigheid (vergelijk Js 63:9), de engel van verering, de geesten van de wind, de wolken, duisternis, hagel, vorst, donder en bliksem, winter en de lente, koude en hitte.

In de Openbaring van Johannes vinden we vier engelen van de winden (14:18), de engel van de wateren (16:5), de engel in de zon (19:17). In Hebreeën 1:7 lezen we: "die zijn engelen winden maakt." Paulus onderscheidt eveneens elementaire krachten van de geestelijke wereld. De doorn is "een boodschapper van Satan" (2Ko 12:7); ​​Satan verhindert zijn reis naar Thessalonica (1Th 2:18), de Korinthische overtreder moet worden "overgeleverd aan Satan" (1Ko 5:5); het Koninkrijk van God wordt tegengestaan door "overheden en machten" (1Ko 15:24); christenen worstelen tegen "de heersers van de duisternis van deze wereld, tegen de geestelijke legers der goddeloosheid in de hemelsferen" (Ef 6:12) .

In deze passage worden de elementen van de wereld vergeleken met opzichters en beheerders. Dit lijkt een persoonsgerichte interpretatie te vereisen.

In Gl 4:8, "verrichtten dienst voor hen die van nature geen goden zijn," lijkt overeen te komen met "dienstbaar zijn aan de elementen," wat wederom wijst op een persoonsgerichte interpretatie van die elementen. De Galaten hadden zich wederom gewend tot de naleving van tijden en seizoenen (Gl 4:10), die onder het toezicht stonden van de hemellichamen en hun geesten.

 

Wellicht dat Vincent correct is wanneer hij toelicht dat de elementen der wereld in dit vers een persoonsgerichte interpretatie vereisen aangezien ze op één lijn gesteld worden met zulke personen als voogden en beheerders. De personages die achter die elementen schuil gaan moeten demonen zijn, door Paulus in Ef 6:12 ook aangeduid als de overheden, de machten, de wereldheersers van deze duisternis, de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen.

 

Wanneer we de apostel in Ks 2:8 de waarschuwing horen geven Kijkt uit dat niemand jullie als buit wegvoert door de wijsbegeerte en leeg bedrog, overeenkomstig de overlevering der mensen, overeenkomstig de elementen van de wereld en niet overeenkomstig [de] Messias, gaan achter die 'elementen' eveneens de demonen schuil, vooral ook gelet op wat hij in vers 18 daaraan nog heeft toegevoegd: Laat jullie niet de prijs ontzeggen door iemand die bereid is tot zelfvernedering en engelenverering, ingewijd in de dingen die hij heeft gezien, zonder reden opgeblazen door zijn vleselijk denken.

De misleiders in de gemeente van Kolosse zagen het blijkbaar als een deugd hun aanbidding niet rechtstreeks op God te richten, precies zoals ook de Joden in een later stadium deden. Omdat zij zich God in een onbereikbare verte gingen denken, beschouwden zij het als aanmatigend om op rechtstreekse wijze met hem in gemeenschap te treden. Het alternatief voor zulke mystici werd gevonden in een vorm van godsdienst die op de engelen gericht was, waarvoor de demonenwereld zich uiteraard graag leende. Het is heel opmerkelijk om vast te stellen welke kwalificaties de apostel aan die vorm van godsdienstigheid [θρησκεια] verbindt: ze heeft niets geestelijks in zich; integendeel, eerder is het een manier waarop mensen hun vleselijke gezindheid tot uitdrukking brengen.

 

Gezien het bovenstaande is het begrijpelijk en o.i. zeer verdedigbaar dat de nbg-versie van Gl 4:3, 9 en Ks 2, 8, 20 stoicheia weergeeft met wereldgeesten. De goden die de Galatische christenen voorheen hadden gediend en waartoe zij weer dreigden terug te keren worden door Paulus met die povere wereldgeesten geassocieerd, nota bene binnen het Joodse wetstelsel van zijn dagen!

In Gl 4:8-10 zal hij die verbanden onweerlegbaar aantonen. Binnen het Joodse wetticisme werden immers angstvallig dagen, maanden, tijden en jaren onderhouden. Welnu, die rituelen zijn alle afgestemd op de loop der hemellichamen die echter op hun beurt worden geassocieerd met de wereldgeesten cq de demonenwereld. Tegenwoordig zien veel Schriftverklaarders het nieuwtestamentische begrip stoicheia dan ook als een verwijzing naar de geestenwereld. Zelfs nu nog heeft in het moderne Grieks het enkelvoud stoicheio de waarde van geest; spook; fantoom.

 

4 οτε δε ηλθεν το πληρωμα του χρονου, εξαπεστειλεν ο θεος τον υιον αυτου, γενομενον εκ γυναικος, γενομενον υπο νομον,

 

Maar toen de volheid der tijd kwam zond God zijn Zoon uit, geworden uit een vrouw, geworden onder Wet,

 

Het tijdperk van onmondigheid der erfgenamen gedurende de tijd dat zij dienstbaar zijn aan de algemeen gangbare beginselen die in de wereld de overhand hebben, wordt vergeleken met een maat die geleidelijk volloopt. De volheid werd bereikt met het aanbreken van het Messiastijdperk, toen God zijn Zoon uitzond; indirect een hint naar diens pre-existentie. Tot die tijd was hij altijd bij God geweest in gestalte Gods, maar toen legde hij zijn hemelse heerlijkheid af. Hij ontledigde zichzelf en nam een slaafgestalte aan (Jh 1:1; Fp 2:5-7).

Precies als alle andere mensen deed God hem geboren worden uit een vrouw, zoals Gabriël aan Maria had aangekondigd, met dit verschil dat in Jezus’ geval Gods geest de vrucht in Maria’s schoot inplantte: Heilige geest zal op je komen en kracht des Allerhoogsten zal je overschaduwen; daarom ook zal het heilige dat verwekt wordt, Gods Zoon worden genoemd (Lk 1:35).

 

Op die wijze vervulde Maria Gods bedoeling met haar, een situatie die wij nu zouden aanduiden met de moderne term 'draagmoederschap'. Maar dat Jezus uit die Joodse vrouw werd geboren hield wel in dat hij, precies als elke andere Israëliet, onder de Mozaïsche wetgeving kwam te staan: geworden uit een vrouw, geworden onder Wet. Die situatie plaatste de Zoon van God in de gelegenheid om te zijner tijd de vele aspecten van de Wet, haar schaduwen en voorafbeeldingen, te vervullen (Mt 5:17-18).

 

5 ινα τους υπο νομον εξαγοραση, ινα την υιοθεσιαν απολαβωμεν.

 

opdat hij hen onder [de] Wet zou vrijkopen, opdat wij het zoonschap zouden ontvangen.

 

6 Oτι δε εστε υιοι, εξαπεστειλεν ο θεος το πνευμα του υιου αυτου εις τας καρδιας ημων, κραζον, Aββα ο πατηρ.

 

Nu dan, [ten bewijze] dat jullie zonen zijn, zond God de geest van zijn Zoon uit in onze harten, uitroepend: Abba, Vader!

 

Volgens vers 4 zond God zijn Zoon uit, hier lezen wij dat Hij de geest van zijn Zoon uitzond in onze harten; tweemaal hetzelfde werkwoord: εξαπoστελλω.

Doordat de geest van de Zoon, door de werking van Gods geest, ons in het hart wordt gegeven, delen wij in het wezen van de Zoon en wordt God onze Abba, zoals hij dat altijd reeds was voor de Zoon. Vergelijk Jh 16:13-15.

Zowel Joden- als Heidengelovigen ontvangen binnen het nieuwe bestel de geest die hun het besef van het zoonschap geeft:

Immers, zovelen als door Gods geest gedreven worden, die zijn zonen van God.

Want jullie ontvingen geen geest van slavernij wederom tot vrees, maar jullie ontvingen een geest van zoonschap, waarin wij uitroepen: Abba, Vader!

De geest zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn.

Maar indien kinderen, ook erfgenamen; ja, erfgenamen van God, doch mede-erfgenamen van Messias; indien wij althans met hem lijden, opdat wij ook tezamen verheerlijkt worden (Rm 8:14-17).

 

Het proces dat wij door de inwoning van Gods geest, hier door Paulus ook de geest van zijn Zoon genoemd, tot Gods zonen worden gemaakt ligt opgesloten in de term υιοθεσια [volgens het Grieks letterlijk: de zoon plaatsing]. De term beantwoordt aan het Latijnse adoptio. Maar de goddelijke adoptie houdt niet hetzelfde in als de menselijke, want die behelst immers een louter juridische handeling welke in de geadopteerde geen enkele verandering veroorzaakt. De goddelijke adoptie daarentegen brengt in de Christen wel degelijk een verandering teweeg: Voortaan geldt hij niet alleen als een zoon van God, maar hij is het ook werkelijk!

Aan de Joden behoorde - naast andere voorrechten - principieel de υιοθεσια toe (Rm 9:4), maar slechts uiterlijk en in juridische zin omdat zij deel uitmaakten van Gods uitverkoren volk. De Christelijke adoptie echter is innerlijk door Gods geest, en bovendien individueel.

Terwijl in Rm 8:15 door Paulus wordt gezegd dat wij - die tot leden van Jezus’ Gemeentelichaam zijn gemaakt- door de geest van het zoonschap uitroepen: Abba, schrijft hij hier dat de geest van zijn Zoon dit doet.

Vergelijk ook Rm 8:26.

 

7 ωστε ουκετι ει δουλος αλλα υιος∙ ει δε υιος, και κληρονομος δια θεου.

 

Zodat jij niet langer een slaaf bent maar zoon; indien echter zoon, ook erfgenaam door God.

 

Paulus wordt heel persoonlijk en direct:

"Jij, een gelovige, innerlijk bezittend de geest van Gods Zoon, jij bent geen slaaf meer. Je bent niet langer onderworpen aan de stoicheia der wereld met haar bevoogding door welke (onder toezicht der demonen staande) religieuze elite dan ook. Nee! Jij bent - zoals je oudste broeder en samen met hem - zoon en erfgenaam, d.i. erfgenaam van de Belofte".

En al die gunst is te danken aan God.

 

8 Aλλα τοτε μεν ουκ ειδοτες θεον εδουλευσατε τοις φυσει μη ουσιν θεοις

 

Maar destijds, toen jullie God niet werkelijk kenden, verkeerden jullie in slavernij aan de dingen der natuurlijke orde die geen goden zijn;

 

De apostel richt zich rechtstreeks tot de gelovigen uit de Heidenvolken; hij herinnert hen aan hun droevige toestand van het verleden. De Joden, hoewel in slavernij verkerend onder de Wet, dienden tenminste nog een levende God die zich aan hen had geopenbaard. De aanbidding der Heidenen daarentegen –aan de teugel geleid door de demonen- was gericht op het geschapene:

 

Want hoewel zij God kenden verheerlijkten zij hem niet als God, noch dankten zij hem, maar zij handelden dwaas in hun overwegingen en hun onverstandig hart werd verduisterd. Terwijl zij beweerden wijzen te zijn, werden zij dwaas, en de heerlijkheid van de onverderfelijke God ruilden zij in voor een beeld dat lijkt op een verderfelijk mens, op vogels en op viervoetige en kruipende dieren (Rm 1:21-23).

 

Met de dingen der natuurlijke orde die geen goden zijn valt de apostel terug op de hoofdgedachte van vers 3 waar de demonen die achter 'de elementen der wereld' schuil gaan, overeenkomen met de voogden en beheerders van de beeldspraak, de personages aan wie de gelovigen onderworpen waren in hun onmondige kindsheid.

 

9 νυν δε γνοντες θεον, μαλλον δε γνωσθεντες υπο θεου, πως επιστρεφετε παλιν επι τα ασθενη και πτωχα στοιχεια, οις παλιν ανωθεν δουλευειν θελετε;

 

Nu jullie echter God leerden kennen, of liever, door God gekend werden, hoe [kunnen] jullie je [dan] weer wenden tot de zwakke en armzalige grondslagen; die weer geheel opnieuw als slaven willen dienen?

Vanzelfsprekend wilden de Galatische christenen niet terugkeren tot hun vroegere, Heidense cultus. Maar wél voelden zij zich sterk aangetrokken tot het beoefenen van een vorm van Christendom dat sterke Joodse trekken vertoonde en dat hun door de Judaïsten als aantrekkelijk werd voorgespiegeld. Op die manier konden zij zich immers, religieus gezien, bewegen binnen ook voor hen herkenbare zaken: de grondslagen of elementaire beginselen van het wereldse gedachtegoed.

 

Wellicht dat de gelovigen uit het Judaïsme hen hadden geïmponeerd met hun verhalen over de taferelen van de tempelcultus te Jeruzalem; over de priesterschap die voortdurend naar de Wet de voorgeschreven offers brachten. Voor een Heidenchristen allemaal herkenbare rituelen. Vergelijk Hn 14:8-13.

 

Ná zich aanvankelijk ontworsteld te hebben aan de afgodische dienst der stoffelijke dingen, waren zij thans al behoorlijk op weg om die cultus weer op te nemen, maar dan in de vorm die naleving van de Joodse Wet met zich bracht.

 

Paulus maakt hun duidelijk dat zij voor die geneigdheid niet te verontschuldigen zijn. Waarom niet? Niet alleen omdat zij door de roep van het Evangelie van hun Heidense afgoden bevrijd waren en in plaats daarvan de ware God hadden leren kennen, maar meer nog (en van overwegend belang) omdat God zelf hen tot het voorwerp van zijn kennis had gemaakt. Later, in zijn Efezebrief, zou Paulus die liefdedaad van God op schitterende wijze verwoorden. Zie nogmaals Ef 1:3-8, zoals eerder bij vers 2 geciteerd.

 

Met betrekking tot de uitverkiezing van de leden der Gemeente, is God in alle opzichten met veel wijsheid en inzicht te werk gegaan, daarbij handelend vanuit zijn grote liefde voor ons. Ver in het verleden, nog vóór de grondlegging der wereld [kosmos], zag hij ons voor zich als zijn zonen, geadopteerd in Zijn eigen geliefde Zoon en dat met het oogmerk dat wij gevormd zouden worden naar het beeld van die Zoon (Rm 8:29).

 

Al zo lang geleden kende God ons in zijn voornemen en bestonden wij bij hem in een uitverkoren positie. En met welke bedoeling? Opdat wij (uiteindelijk) heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. Dit stond God voor ogen toen wij door hem werden uitverkoren vóór [de] grondlegging der wereld. Hoe kunnen de Galaten zich dan - met zulke onbeschrijflijk en niet te vatten grootse vooruitzichten - weer wenden tot de povere wereldse beginselen die niet in staat zijn om wie maar ook enig geestelijk voordeel te bezorgen!

 

10 ημερας παρατηρεισθε και μηνας και καιρους και ενιαυτους.

 

Dagen onderhouden jullie gewetensvol, alsook maanden en tijden en jaren;

 

11 φοβουμαι υμας μη πως εικη κεκοπιακα εις υμας.

 

ik vrees voor jullie dat ik me wellicht tevergeefs voor jullie heb ingespannen.

 

De Mozaïsche Wet kende allerlei bepalingen met betrekking tot dagen en maanden, zoals de sabbat en de nieuwe maan, alsook wat betreft tijden en jaren, waarbij we kunnen denken aan de periodieke feesten en de sabbatjaren, waaronder het Jubeljaar. In Jezus waren al die 'schaduwen' vervuld zodat ze zelfs door het Joodse volk niet langer onderhouden hoefden te worden. Geen enkele Christen - en al helemaal niet de van oorsprong Heidenen die immers nooit aan die (specifieke) elementaire beginselen onderworpen waren geweest - moest zich daarom door anderen laten veroordelen, hun het gevoel gevend dat zij zondigden wanneer zij bepaalde dagen, maanden, tijden en jaren niet onderhielden:

 

Laat dan niemand jullie oordelen inzake eten en drinken of met betrekking tot een feest of nieuwe maan of sabbatten, welke zaken een schaduw zijn van de toekomstige dingen, maar het wezenlijke behoort de Messias toe.

(Ks 2:16-17)

 

Aangezien de Galaten pas zeer onlangs onder orthodox Joodse invloed waren geraakt, kan men niet aannemen dat zij ook reeds begonnen waren met het onderhouden van sabbatjaren. Door echter ook die te noemen wilde Paulus hun kennelijk confronteren met hun nieuwe, verkeerd gerichte geestestoestand. Daarbij hoefde hij niet angstvallig de diverse wetsvoorschriften uit elkaar te houden.

 

Bijbelwiel

 

Paulus lijkt zich te baseren op wat God op de Vierde Scheppingsdag zei omtrent de hemellichten: dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren  (Gn 1:14). En dat blijkt bij nader inzien niet erg vreemd te zijn. Waarom? Omdat het Bijbelboek Galaten - zelf het 48ste Boek - tot de vierde 'spaak' van het Bijbelwiel behoort, tezamen met Numeri (4) en Ezechiël (26).

Aldus:  (Boek 4)  Numeri  <>  (Boek 26)  Ezechiël  <>  (Boek 48)  Galaten

Voor meer inzicht in het Bijbelwiel en de diepe betekenis ervan, zie

Four Weak and Baggerly Elements.

We zullen dan merken dat de in vers 9 genoemde zwakke en armzalige elementen traditioneel teruggaan op de vier stoffelijke grondslagen van het universum: aarde, lucht, water, vuur.

De apostel heeft reeds uiting gegeven aan zijn vrees dat hij zich misschien wel tevergeefs voor de Galaten had ingespannen. In vers 19 zal hij daaraan nog toevoegen dat hij, wat hen betreft, weer in barensnood verkeert totdat Messias in jullie gevormd wordt.

In Messias Jezus vindt de nieuwe geboorte van Christenen plaats; hijzelf moet als het ware in hen vorm of gestalte krijgen. Zoals de natuurlijke mens het beeld van Adam in zich draagt, draagt een Christen in zich het beeld of de gestalte van de laatste Adam, Messias Jezus (1Ko 15:45-49; Rm 8:28). En dat alles op de grondslag van Jezus’ vergoten bloed.

Oók in dit opzicht blijkt Galaten het karakter van de vier te vertonen, aangezien zowel geboorte als bloed in het Hebreeuws de getalswaarde 44 hebben, resp ילד en דם.

In de allegorie van de ontrouwe Bruid Israël in Ezechiël 16, verschijnen beide woorden wanneer de profeet namens YHWH het van herkomst Heidense meisje - dat te vondeling werd gelegd - moet herinneren aan haar 'geboorte'. Een ‘reiziger’ vindt haar en doet alles om het kind te verzorgen. Desondanks moet hij het in de vrije natuur achterlaten. Als hij (veel later) terugkeert is het meisje een jonge vrouw geworden, gereed voor een huwelijk. De reiziger huwt haar inderdaad en aangezien hij in werkelijkheid een koning is wordt zij koningin. Langs die weg werd Israël de Bruid van YHWH:

YHWH richtte zich tot mij: Mensenkind, je moet Jeruzalem haar gruwelijke gedrag voor de voeten werpen. Dit zegt de Heer YHWH tegen haar: Van oorsprong ben je een Kanaänitische, je werd geboren uit een Amoritische vader en een Hethitische moeder. Op de dag dat je geboren [ילד] werd was er niemand om je navelstreng door te snijden of om je schoon te wassen; niemand om je met zout in te wrijven of in doeken te wikkelen. Niemand deed een van die dingen voor je, niemand keek naar je om, niemand had medelijden met je. Op de dag dat je geboren [ילד] werd, werd je ergens op een akker achtergelaten, zo weinig waarde werd er aan je leven gehecht. Toen kwam ik voorbij en zag hoe je in je bloed [דם] lag te spartelen. Ik zei tegen je, terwijl je onder het bloed [דם] zat: "Leef! Blijf in leven, bedekt met bloed [דם] als je bent."

(Ez 16:1-14). 

 

Wat de apostel bovenal bezig hield - iets waarvan hij hen ook bezorgd deelgenoot maakte - was het feit dat het erop ging lijken dat al zijn moeite om zijn broeders van de slavernij der afgoden te bevrijden, compleet voor niets was geweest. Niet dat er gevaar was dat zij tot die afgodendienst zouden terugkeren, maar wél de dreiging dat zij door wetsonderhouding zouden terugzinken in een toestand die, wat haar kenmerken betreft, met het Heidendom overeenkwam: Zich opnieuw toeleggen op de elementaire beginselen die voor een van God vervreemde wereld kenmerkend zijn en, erger nog, waarachter de demonenwereld schuil gaat.

 

Terugkeer naar Slavernij

 

We recapituleren Gl 4:8-11.

8 Maar destijds, toen jullie God niet werkelijk kenden, verkeerden jullie in slavernij aan de dingen der natuurlijke orde die geen goden zijn.

9 Nu jullie echter God leerden kennen, of liever, door God gekend werden, hoe [kunnen] jullie je [dan] weer wenden tot de zwakke en armzalige grondslagen [of: wereldgeesten]; die weer geheel opnieuw als slaven willen dienen?

10 Dagen onderhouden jullie gewetensvol, alsook maanden en tijden en jaren;

11 ik vrees voor jullie dat ik me wellicht tevergeefs voor jullie heb ingespannen.

Het belangrijkste punt in deze passage is dat voor de gelovigen in Galatië het gevaar dreigde opnieuw slaven te worden van demonen indien zij zich zouden onderwerpen aan de Mozaïsche wetgeving. Het zou in feite neerkomen op de verwerping van hun Verlosser, Messias Jezus, hij die zichzelf gaf betreffende onze zonden opdat hij ons zou wegrukken [voor zichzelf] uit de huidige goddeloze eeuw, naar de wil van onze God en Vader (Gl 1:4).

Was het gevaar werkelijk zo ernstig? Zeker, want let op vers 8 >> Destijds, toen jullie God niet werkelijk kenden, verkeerden jullie in slavernij aan de dingen der natuurlijke orde die geen goden zijn.

Paulus wil het woord God strikt reserveren voor de ene ware God. Het is hem immers bekend dat de Galaten voorheen in slavernij verkeerden aan wezens die ze "goden" noemden, wezens van wie hij het bestaan niet ontkent. Hij ontkent slechts dat ze een natuur zouden bezitten welke hen ervoor in aanmerking doet komen goden genoemd te worden! 

Hetzelfde zien we in 1Ko 8:5-6 >> Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde -zoals er vele goden en vele heren zijn- toch is er voor ons maar één God: de Vader,  uit wie alle dingen zij, en wij voor hem.

Hoewel de titels die zij dragen hem niet aangenaam zijn, erkent Paulus niettemin dat er andere zogenaamde "goden" of "heren" bestaan, van wie hij verderop in de Korinthebrief aantoont dat zij in werkelijkheid demonen zijn: Wat de heidenen offeren, offeren zij aan demonen en niet aan God, en ik wil niet dat jullie met de demonen gemeenschap hebben (1Ko 10:20).

Als hij dus in vers 8 van Gl 4 schrijft dat de Galaten vroeger, toen zij de ware God nog niet kenden, in slavernij verkeerden aan de dingen der natuurlijke orde die geen goden zijn, bedoelt hij daarmee dat zij in werkelijkheid de slaven van demonen waren die hun macht uitoefenden door middel van religieuze praktijken. En het gevaar waarmee zij nu als prille Christenen geconfronteerd worden was opnieuw in die slavernij te belanden door wetbetrachting. Dat moet immers wel de conclusie zijn van vers 9 >> Nu jullie echter God leerden kennen, of liever, door God gekend werden, hoe [kunnen] jullie je [dan] weer wenden tot de zwakke en armzalige grondslagen [of: wereldgeesten]; die weer geheel opnieuw als slaven willen dienen?

 

In plaats van elementen of grondslagen is het beter om stoicheia hier weer te geven met wereldgeesten. Het is immers volkomen helder dat de "zwakke en armzalige wereldgeesten" hier in vers 9, volkomen identiek zijn aan de dingen der natuurlijke orde die geen goden zijn. Het Griekse stoicheia kan al die betekenissen hebben: basisprincipes, elementen van de materiële wereld, of geestelijke wezens die staan ​​tussen de mens en God.

Gezien het verband tussen de verzen 8 en 9 is daarom de vertaling "wereldgeesten" aan te bevelen, want vers 8 spreekt over vroegere slavernij aan geestelijke wezens en vers 9 spreekt over het gevaar van terug te keren naar die slaafse gebondenheid. Maar vers 10 toont ons dan vervolgens - gezien de samenhang tussen de verzen 9 en 10 - dat met de terugkeer der Galaten tot de zwakke en armzalige wereldgeesten niets anders bedoeld kan zijn dan het zich wenden tot de Joodse wet:

Jullie onderhouden gewetensvol dagen, alsook maanden en tijden en jaren, waaraan hij dan in vers 11 toevoegt: Ik vrees voor jullie dat ik me wellicht tevergeefs voor jullie heb ingespannen. Maar dat roept de vraag op: Hoe kunnen verordeningen van de Wet gelijkgesteld worden aan geestelijke wezens (demonen)?

Om dit te kunnen inzien – de onwaarschijnlijke mogelijkheid dat er een subtiele en diepe relatie bestaat tussen de demonen en de Wet van God - verwijzen wij terug naar Gl 3:2-4

2 Dit alleen wil ik van jullie leren: Ontvingen jullie de geest ten gevolge van werken der Wet of wegens gelovig horen?

3 Zijn jullie zó onverstandig? Na in geest begonnen te zijn worden jullie nu voltooid in vlees?

4 Ondervonden jullie zulke grote dingen tevergeefs? Indien waarlijk ook tevergeefs!

Zowel in hoofdstuk 3 als hier in Gl 4:9-11, wijst de apostel op het gevaar dat deze nieuwe Christenen zich afwenden van hun afhankelijkheid van de geest van Messias Jezus en terugkeren tot de afhankelijkheid van zichzelf (het vlees). Hoe? Door de wet van God te gebruiken als een soort van 'goddelijke functieomschrijving' die hen helpt om hun morele prestaties jegens God te demonstreren en dat met de hoop op die manier beloond te worden met goddelijke zegen.

Na begonnen te zijn in de geest, eindigen zij dan wel [of; worden voltooid] in het vlees, zoals vers 3 te kennen geeft. Nog vrij onverwacht confronteert de apostel de Galaten met het vleselijke karakter van de Mozaïsche Wet, precies zoals hij ook later in de Hebreeënbrief met nog meer nadruk zou doen.

Sprekend over de Tabernakel in de wildernis als zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd toont hij vervolgens welke diensten destijds voor God door de priesterschap in dat heiligdom ten behoeve van het volk werden verricht: In overeenstemming daarmee worden zowel gaven als slachtoffers opgedragen, die niet in staat zijn hem die dienst voor God verricht naar [het] geweten tot volmaaktheid te brengen, slechts [bestaande in] spijzen en dranken en verschillende dopen: rechtvaardige voorschriften die op het vlees betrekking hebben, opgelegd tot een tijd van rechtzetting.

Aldus bezien sluit vers 10 - het gewetensvol onderhouden van dagen, maanden, tijden en jaren - naadloos aan bij alles wat we tot nu toe hebben gezien over de gevaren van wetticisme; het heeft alles met het vlees te maken, niet met de geest!

Maar blikken we dan terug op vers 8 - destijds, toen jullie God niet werkelijk kenden, verkeerden jullie in slavernij aan de dingen der natuurlijke orde die geen goden zijn - dan verschaft dit ons een nog beter begrip van wat er gebeurt wanneer een mens op die wijze (als een 'goddelijke functieomschrijving') gebruik maakt van de Wet: Slaafse gebondenheid aan demonen. Als de Galaten zich wenden tot het wetticisme der Judaïsten keren zij in werkelijkheid terug naar de slavernij van hun vroegere Heidense religie!

Werkelijk het meest verbazingwekkende punt in Paulus’ betoog! Het kan niet anders of de strenge, morele monotheïsten uit Jeruzalem moeten door de bliksem getroffen zijn toen zij Paulus in deze Brief tot de Galaten hoorden zeggen: "Als jullie ermee beginnen de Joodse wet te gebruiken om aan God de verdienste van jullie deugd te laten zien, keren jullie terug onder de heerschappij der demonen en zijn jullie niet beter af dan in jullie vroegere afgodendienst".

Daarmee legde Paulus ook voor ons een typisch sluw demonisch plan bloot dat door het gehele Christelijke tijdperk heen een bedreiging is gebleken voor het beleven van de vrijheid welke zo’n gewichtig kenmerk is van het ware Christendom.

Telkens wanneer wij, gelovigen uit het Heidendom, proberen jegens God verdienstelijk te zijn door het onderhouden van de Joodse Wet, keren wij terug tot de zwakke en armzalige wereldgeesten, en zouden we in werkelijkheid demonendienst beoefenen. En dat niet alleen omdat de Wet zelf de kenmerken in zich heeft van die stoicheia, maar vooral ook omdat God na de dood van zijn Zoon 'zijn handen aftrok' van het Joodse stelsel.

Wij herinneren ons ongetwijfeld dat, toen Jezus de laatste adem uitblies, het voorhangsel in de tempel van boven naar beneden openscheurde (Mt 27:51; Lk 23:44-46). Door die goddelijke manifestatie zette de Vader kracht bij aan de verklaring die de Zoon enkele dagen daarvoor tot diens bloeddorstige Joodse broeders had gericht: Ziet! Jullie Huis wordt jullie verlaten achtergelaten  (Mt 23:38).

Gods gramschap was gekomen over het Joodse stelsel met zijn aanhang van wetsijveraars. Zij werden in hun hardnekkige halsstarrigheid jegens hun Messias voor de periode van het wereldtijdperk der Chrstelijke Gemeente opgesloten in ongehoorzaamheid (1Th 2:16; Rm 11:31-32).

Tijdens de Eerste zendingsreis hadden de Galatische gelovigen in Pisidisch Antiochië dienaangaande Paulus zelf tot de Joden horen zeggen: Het was nodig dat het Woord van God eerst tot jullie gesproken zou worden, maar aangezien jullie het verwerpen en jezelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de Heidenen (Hn 13:46).

Sindsdien is het Joodse stelsel ten prooi gevallen aan de invloed der demonen. In de Eindtijd wanneer het Grote Babel tot een compleet hol van demonen zal zijn geworden, zal daarom opnieuw de dringende roep tot haar Joodse gevangenen uitgaan: Komt uit, mijn volk, uit haar; opdat jullie niet mede deelhebben aan haar zonden en uit haar plagen niet ontvangen. Want haar zonden werden opgestapeld tot aan de hemel en God bracht zich haar ongerechtigheden te binnen (Op 18:1-5).

 

12 Γινεσθε ως εγω, οτι καγω ως υμεις, αδελφοι, δεομαι υμων. ουδεν με ηδικησατε∙

 

Wordt zoals ik, aangezien ook ik [geworden ben] zoals jullie, broeders; ik vraag [het] jullie dringend. Jullie berokkenden mij in geen enkel opzicht kwaad.

 

Waarop doelt de apostel hier? Hij spreekt over de tijd dat hij tijdens de Eerste zendingsreis onder hen verbleef. Om hun behulpzaam te zijn om gehoor te geven aan hun roeping tot het Christendom, had Paulus zich aan hun omstandigheden aangepast. Voor de Griek [aanduiding voor iemand met een Heidense achtergrond] was hij een Griek geworden. Hij, de geboren Jood en Farizeeër, had de Wet prijsgegeven en daarmee zijn hele Joodse achtergrond, om toch maar vooral hun overgave aan het Evangelie te vergemakkelijken. Wanneer hij het Jodendom achter zich liet met het oog op hun bekering, zou het dan niet dwaas zijn wanneer zij, geboren Heidenen, nu juist tot het Jodendom zouden overgaan!

 

En dan was er nog iets. Toen hij nog bij hun was bejegenden zij hem, een onbekende vreemdeling, niet vijandig en ook nu wil hij geheel voorbijgaan aan hun neiging om aan de inhoud van het Evangelie te verzaken. Zij bedroeven daarmee veeleer de heilige geest. Hem, hun brenger van het Evangelie, doen zij daarmee geen kwaad. Vergelijk Ef 4:30.

 

13 οιδατε δε οτι δι ασθενειαν της σαρκος ευηγγελισαμην υμιν το προτερον,

 

Het is jullie immers bekend dat ik wegens een zwakheid van het vlees oorspronkelijk het Evangelie aan jullie verkondigde.

 

14 και τον πειρασμον υμων εν τη σαρκι μου ουκ εξουθενησατε ουδε εξεπτυσατε, αλλα ως αγγελον θεου εδεξασθε με, ως Xριστον Iησουν.

 

En wat voor jullie in mijn vlees een beproeving was hebben jullie niet veracht noch verafschuwd, maar jullie ontvingen mij als Gods engel, als Messias Jezus [zelf].

 

Paulus herinnert zijn broeders aan het feit dat de prediking in hun gebied niet doelbewust gepland was maar eerder het gevolg was van zijn ziekte. Kennelijk was hij, samen met Barnabas, aanvankelijk van Perge naar (Pisidisch) Antiochië gereisd om aldaar (of elders) medische behandeling voor zijn klachten te zoeken (Hn 13:13-14).

 

Paulus’ latere metgezel Lukas wordt in Ks 4:14 door de apostel de geliefde geneesheer genoemd. Welnu, in Handelingen 13 en 14 geeft Lukas, als schijver van dat Bijbelboek, er blijk van dat hij een uitgebreide kennis omtrent Syrisch Antiochë en haar omgeving bezat. Voor sommigen reden om te veronderstellen dat Lukas daar op z’n minst enige tijd gewoond moet hebben, te meer omdat uit Hn 16:6-10 afgeleid kan worden dat Lukas tijdens de Tweede zendingsreis tot Paulus’ gezellen blijkt te behoren kort nadat zij door de streken van Frygië en Galatië waren getrokken. Het is dus niet uit te sluiten dat Paulus, na zijn bezoek aan Cyprus en aankomst op het vasteland van Klein-Azie tijdens de Eerste reis, met spoed naar Antiochië reisde om zo mogelijk Lukas te consulteren.

 

In ieder geval waren Paulus en Barnabas dus in het 'gebied' der Galaten beland in verband met Paulus’ lichamelijke kwaal, wellicht een ernstige oogziekte. Maar toen zij "van de nood een deugd maakten" door de gelegenheid aan te grijpen om ook in Antiochië en de nabij gelegen steden het Evangelie te verkondigen, bejegenden de Galaten hem  een man wiens kwaal kennelijk zo openlijk zichtbaar en ernstig was dat ze toeschouwers met afschuw kon vervullen - niettemin allervriendelijkst.

De vreugde die zij ervoeren toen zij de grootse inhoud van het Evangelie in zijn volle omvang gingen onderscheiden en waarderen, oversteeg elke belemmering welke Paulus’ ziekte had kunnen veroorzaken. Zelfs meer dan dat! Voor hen was zijn komst te vergelijken met het verschijnen van een hemelse boodschapper, ja met de komst van de Messias zelf!

Zij die dus werkelijk de boodschap van het Evangelie met vreugde aannemen, letten niet meer op het postuur van de brenger ervan, maar zien hem eerder als een Gods gezant, diens kanaal. Vergelijk 1Th 2:13.

 

15 που ουν ο μακαρισμος υμων; μαρτυρω γαρ υμιν οτι ει δυνατον τους οφθαλμους υμων εξορυξαντες εδωκατε μοι.

 

Waar is dan jullie gelukkigprijzing? Want ik betuig jullie dat jullie, indien mogelijk, jullie ogen zouden hebben uitgerukt en [ze] mij gegeven.

 

16 ωστε εχθρος υμων γεγονα αληθευων υμιν;

 

Ben ik aldus jullie vijand geworden door jullie de waarheid te zeggen?

 

Hun vroegere geestdrift was onder invloed van de Judaïsten snel weggeëbd. Aanvankelijk hadden zij zich gelukkig geprezen dat zij Paulus als brenger van het Evangelie van redding hadden leren kennen. Zij waren zelfs zo begaan met zijn fysieke situatie dat zij alles voor hem over hadden, indien het kon en bij wijze van beeldspraak zelfs hun kostbare ogen aan hem afstaan. Overigens mag daaruit niet definitief de conclusie worden getrokken dat het bij Paulus inderdaad om een ernstige oogziekte ging.

 

Maar nu was hun stemming dus compleet omgeslagen: Zij leken wel Paulus’ vijanden te zijn geworden. En waarom? Waarschijnlijk omdat hij hun al op die Eerste reis bij voorbaat informeerde over mogelijke geestelijke gevaren die zouden komen uit de hoek van de Joodse gelovigen. Toen reeds had hij hen er op voorbereid dat wij door veel lijden heen moeten om het koninkrijk van God binnen te gaan (Hn 14:19-22; nbg).

 

Maar toen die Judaïsten eenmaal met hun gladde praat vat op hen hadden gekregen, gingen zij geheel anders tegen Paulus’ waarschuwingen aankijken. Wellicht in de trant van "Achteraf bezien had hij eigenlijk helemaal niet zulke beste bedoelingen met ons". Uit wat hierna volgt lijkt die zienswijze niet onwaarschijnlijk:

 

17 ζηλουσιν υμας ου καλως, αλλα εκκλεισαι υμας θελουσιν, ινα αυτους ζηλουτε.

 

Zij zoeken jullie ijverig, niet voortreffelijk maar zij willen jullie [van mij] afsluiten opdat jullie hen ijverig zouden zoeken.

 

18 καλον δε ζηλουσθαι εν καλω παντοτε, και μη μονον εν τω παρειναι με προς υμας,

 

Nu is het te allen tijde voortreffelijk ijverig gezocht te worden in een goede zaak en niet slechts wanneer ik bij jullie aanwezig ben,

 

De Judaïsten doen er alles aan om de gunst der Galaten te winnen; volgens het Grieks met veel ijverzucht. Op zich heeft de apostel geen morele bezwaren tegen zulk een ijver, indien het maar uit edele motieven voortkomt en het voor een juiste, voortreffelijke zaak is.

Later zou hij (volgens 2Ko 11:2) aan zijn Korinthische broeders in die trant schrijven:

Want ik beijver mij voor jullie met een ijver van God. Ik verloofde jullie immers aan één Man om jullie als een eerbare maagd aan de Messias aan te bieden.

 

Maar Paulus deed het met een ijver Gods, terwijl de Judaïsten het met de verkeerde bedoeling deden om de Galaten van Paulus te vervreemden, of: om hen af te sluiten [Grieks εκκληω; uitsluiten/verhinderen/afsnijden] van hem met wie zij eerder in liefde verbonden waren.

Die Judaïstische ijveraars veinsden liefde teneinde de gunst der Galaten voor hun persoonlijke belangen te winnen, zodat hun slachtoffers voortaan juist (omgekeerd) hén ijverig zouden gaan zoeken voor het verkrijgen van geestelijk inzicht.

Toen hij nog bij hen was hadden de Galaten de liefdevolle ijver die Paulus hun betoonde met dankbaarheid aanvaard, en ook op dit ogenblik, nu hij hun ronduit en eerlijk de waarheid voorhoudt - ook al komt die hard aan - zouden zij voor hun eigen geestelijk welzijn daaraan ijverig gehoor moeten geven.

 

19 τεκνα μου, ους παλιν ωδινω μεχρις ου μορφωθη Xριστος εν υμιν∙

 

mijn kindertjes om wie ik weer in barensnood verkeer totdat [de] Messias in jullie gevormd wordt.

 

Een schreeuw uit het hart, maar met de tederheid van een moeder voor wie het baringsproces nog niet ten einde is. De genegenheid der Galaten voor hém is bekoeld maar niet zijn liefde voor hén!

De moeizame arbeid welke hij destijds, toen hij in hun midden was en in slechte fysieke omstandigheden verkeerde, verrichtte om hen tot de Messias te leiden vergelijkt hij met de barensweeën van een moeder. Onder de sturende leiding van de heilige geest was er nieuw leven in hen gewekt en werd Messias Jezus door zijn (Gods) geest inwonend in hen (Rm 8:9).

Zij waren begonnen zich met de Messias te bekleden, want zij waren hem gaan toebehoren. We zagen dat in Gl 3:26-29.

Zoals de natuurlijke mens het beeld van Adam in zich draagt, draagt een Christen in zich het beeld of de gestalte van de laatste Adam, Messias Jezus (1Ko 15:45-49).

Maar voor elk afzonderlijk lid van Jezus’ Gemeentelichaam geldt steeds de vraag: In hoeverre laat ik toe dat de heilige geest in mij gestalte geeft aan het beeld van Gods Zoon?  Zoals we in Rm 8:28 lezen: Want hen die hij tevoren kende, bestemde hij ook tevoren [om] van gelijke gedaante [te zijn] met het beeld van zijn Zoon, opdat hij eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. 

Zie: Romeinen 8:28-30

Door de joodse Wet aan te nemen hadden de Galatische gelovigen dat beeld binnen in hen danig misvormd. Paulus voelt bijgevolg opnieuw de barensweeën.

Zie ook: Bijbelwiel

 

20 ηθελον δε παρειναι προς υμας αρτι, και αλλαξαι την φωνην μου, οτι απορουμαι εν υμιν.

 

Doch ik wenste wel thans bij jullie te zijn en mijn stem te veranderen want ik maak me ernstige zorgen omtrent jullie.

 

Zijn afwezigheid maakt de zaak moeilijk en gecompliceerd. Want hoe kan hij op zo’n - voor die tijd - grote afstand de schadelijke invloed der Judaïsten neutraliseren en het proces van het vormen van de Messias in hen opnieuw met kracht ter hand nemen? Hun geestelijke nood gunt hem rust noch duur; hij zou bij hen willen zijn om zijn stem te veranderen. Hij voelt namelijk de betrekkelijke onmacht van het geschreven woord. 

Zou hij lijfelijk bij hen aanwezig zijn dan zou hij uit allerlei aanwijzingen wel kunnen opmaken welke toon hij precies zou moeten treffen. Nu is hij απορουμαι om hen, d.i. hij staat perplex; is ten einde raad om hen.

 

De Allegorie

 

21 Λεγετε μοι, οι υπο νομον θελοντες ειναι, τον νομον ουκ ακουετε;

 

Zegt mij, jullie die onder Wet willen zijn, luisteren jullie niet naar de Wet?

 

Zoëven schreef Paulus nog dat hij graag bij zijn Galatische broeders had willen zijn. Dat zou hem namelijk de gelegenheid geboden hebben om met een andere stem, minder verwijtend, tot hen te spreken. Omdat die mogelijkheid is uitgesloten hervat hij zijn toon van de vv 9 tm 11 >>

 

Hoe [kunnen] jullie je weer wenden tot de zwakke en armzalige grondslagen; die weer geheel opnieuw als slaven willen dienen? Dagen onderhouden jullie gewetensvol, alsook maanden en tijden en jaren; ik vrees voor jullie dat ik me misschien wel tevergeefs voor jullie heb ingespannen.

 

Niet ontbloot van enig cynisme legt hij hun nu een zeer onderzoekende vraag voor: Als jullie je zo graag aan de Wet met haar voorschriften willen onderwerpen, beseffen jullie dan eigenlijk wel welke ontnuchterende feiten jullie daarover uit de Wet kunnen vernemen?

Waarop doelt de apostel? Welnu, in de Bijbelboeken Genesis en Exodus kan men bepaalde geschiedkundige feiten vinden die aan de basis liggen van de allegorie welke hij hun nu gaat voorhouden. Dus: Luisteren jullie niet naar de Wet? Dat wil zeggen wat er aan de Pentateuch, de Vijf Boeken van Mozes, ontleend kan worden in de vorm van diepgaand onderricht betreffende jullie wens!

 

De Galaten hadden blijkbaar, zo zij de Pentateuch al kenden, de diepere zin van de daarin opgetekende historische gebeurtenissen (nog) niet begrepen:

Aangezien Sara onvruchtbaar was en God niettemin aan Abraham een talrijk zaad had beloofd, drong zij er bij haar man op aan dat hij betrekkingen met haar slavin Hagar zou hebben.

Blijkbaar meegetrokken in haar ongeloof met betrekking tot de Almachtige die hoe dan ook elke belofte, hoe wonderlijk ook, kan vervullen, gaf Abraham gehoor aan zijn vrouw en nam Hagar tot bijvrouw. Uit die verbintenis werd in 2095 AM een zoon geboren, Ismaël. Abraham was toen 86 jaar oud. Zie voor de details Genesis, hoofdstuk 16.

 

En Sarai, de vrouw van Abram, nam Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan haar man Abram tot vrouw. – Gn 16:3

Maar veertien jaar later, toen Abraham dus de leeftijd van honderd jaar had bereikt, baarde Sara alsnog volgens Gods voorzegging een zoon, Isaäk.
Toen deze ongeveer vijf jaar later werd gespeend, rechtte Abraham een groot feestmaal aan op de dag waarop Isaäk gespeend werd. Maar het ontging Sara niet dat Ismaël, die nu ongeveer negentien was, met de kleine Isaäk de spot dreef. Kennelijk was dat geen onschuldig kinderspel; uit het verslag kan worden opgemaakt dat het erfrecht in het geding was
:

 

Toen zag Sara dat de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spotte, en zij zei tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaäk (Gn 21:9-10)

Voor de Galaten lag in dat gebeuren een zeer belangrijke les opgesloten, maar eveneens voor alle Christenen die tijdens de 'eeuw der gemeente' door God tot het geloof zijn/worden geroepen. De apostel gebruikt namelijk die specifieke beelden uit Abrahams gezinsleven om bepaalde waarheden voor te stellen die anders niet zo sterk tot uitdrukking gebracht konden worden: Voor Israël onder de Wet kon de Abrahamitische erfenis niet verkregen worden binnen de onvrije situatie van het Wetsverbond, ook al vormden zij via Isaäk en Jakob het legitieme zaad van Abraham, en waren zij dus mensen van een Belofte.

22 γεγραπται γαρ οτι Aβρααμ δυο υιους εσχεν, ενα εκ της παιδισκης και ενα εκ της ελευθερας.

 

Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, één uit de slavin en één uit de vrije.

 

23 αλλ ο μεν εκ της παιδισκης κατα σαρκα γεγεννηται, ο δε εκ της ελευθερας δι επαγγελιας.

 

Maar die uit de slavin was inderdaad naar het vlees verwekt; die uit de vrije echter door een Belofte.

 

24 ατινα εστιν αλληγορουμενα∙ αυται γαρ εισιν δυο διαθηκαι, μια μεν απο ορους Σινα, εις δουλειαν γεννωσα, ητις εστιν Aγαρ.

 

Deze zaken zijn tot een allegorie geworden; want deze [vrouwen] vertegenwoordigen twee Verbonden: één afkomstig van berg Sinaï verwekt tot slavernij, hetwelk is Hagar.

 

In de allegorie worden dus twee Verbonden tegenover elkaar geplaatst:

1. Gods Verbond met Abraham waarin de Belofte, de wilsbeschikking, officieel was vastgelegd. Omdat die wilsbeschikking op grond van louter gunst, zonder enige voorwaarde, aan die aartsvader geschonken was kon ze passend vertegenwoordigd worden door Sara, de Vrije vrouw.

2. Het Wetsverbond dat bij de Sinaï met Israël werd gesloten, kort na de Exodus. Aan dat Verbond waren wel degelijk voorwaarden verbonden en zoals we al in onze Brief zagen leidde de Wet alleen maar tot een stortvloed aan overtredingen. Het feit dat alle mensen zich sinds Eden onder de tirannie van de zonde bevinden werd, wat Israël betreft, alleen maar verdiept door de onmogelijkheid van volkomen wetsbetrachting (Gl 3:19, 22).

Het Wetsverbond werd bijgevolg passend vertegenwoordigd door Abrahams Bijvrouw, de slavin Hagar, terwijl Israëls slavernijsituatie onder de Wet kon worden voorgesteld door Hagars zoon Ismaël.

 

 

25 το δε Aγαρ Σινα ορος εστιν εν τη Aραβια, συστοιχει δε τη νυν Iερουσαλημ, δουλευει γαρ μετα των τεκνων αυτης.

 

De Hagar nu is een Sinaï berg in Arabië, maar beantwoordt aan het Jeruzalem [van] thans, want ze verkeert met haar kinderen in slavernij.

 

Vanzelfsprekend waren de Israëlieten in werkelijkheid geen nakomelingen van Hagar, maar van Isaäk, de zoon van de Vrije vrouw Sara. Onder inspiratie van Gods geest ontleent Paulus in de allegorie slechts bepaalde beelden aan Abrahams gecompliceerde gezinsleven. In Paulus’ dagen beantwoordden de Joden die de Messias afwezen en niet erkenden dat de schaduwen van de Wet waren overgegaan in Messiaanse werkelijkheden, slechts aan het patroon van Hagars zoon Ismaël. Buiten Jezus om bleven zij slaven van de zonde. Het was nu eenmaal onmogelijk dat het bloed van de dierlijke offers die onafgebroken onder het Wetsverbond werden gebracht, zonden zou wegnemen (Hb 10:1-4).

 

Het is dan ook hier dat Ismaël in de allegorie kan worden opgevoerd om tot het beeld van die Joden te worden die, zonder hoop op de erfenis, het slavenjuk van de Wet dragen. 

Natuurlijk waren de Joden ook vóór die tijd binnen het Wetsverbond onvrije mensen vanwege de zonde, maar toen zij de bevrijding die door de verschijning van hun Messias mogelijk was geworden afwezen, kwam voortaan alle accent op hun situatie als gevangenen onder de Wet te liggen. 

 

Wat betekent echter de vreemde tussenzin De Hagar nu is een Sinaï berg in Arabië? Welnu, Paulus denkt blijkbaar terug aan de tijd dat Hagar - toen ze zwanger was geworden van Ismaël en vervolgens door haar meesteres Sarai werd vernederd - naar de wildernis vluchtte, richting Sinaï (Gn 16).

Bovendien ligt de berg Sinaï, de plaats waar het Wetsverbond met Israël werd gesloten, in het gebied waar Hagars nakomelingen, de Arabieren, zich naderhand vestigden. In die situatie vindt Paulus een merkwaardige bevestiging van de allegorische gelijkstelling: Hagar – het Wetsverbond.

Maar omdat de bewuste berg door de apostel wordt aangeduid als de Hagar, achten sommigen het niet uitgesloten dat die bergtop onder die benaming bij de Arabische stammen bekendstond.  Feit is echter ook dat het oudst bekende manuscript van de Galatenbrief, de papyrus 46, in vers 25 de naam Hagar helemaal niet heeft: το δε Σινα ορος εστιν εν τη Aραβια. Vertaald: De Sinaï nu is een berg in Arabië.

26 η δε ανω Iερουσαλημ ελευθερα εστιν, ητις εστιν μητηρ ημων∙

 

Het Jeruzalem [van] boven echter is vrij, hetwelk is onze moeder.

 

27 γεγραπται γαρ, Eυφρανθητι, στειρα η ου τικτουσα∙ ρηξον και βοησον, η ουκ ωδινουσα∙ οτι πολλα τα τεκνα της ερημου μαλλον η της εχουσης τον ανδρα.

 

Want er staat geschreven: "Verheug je, Onvruchtbare die niet baart; barst uit en roep, jij die geen barensweeën hebt, want de kinderen van de Verlatene zijn talrijker dan van haar die de echtgenoot heeft".

 

Er is sprake van een scherpe tegenstelling welke in de Eerste eeuw door de komst van de Messias was ontstaan. Er was binnen het ware Israël Gods naast de Joodse Gemeente (het Jeruzalem-beneden) namelijk een tweede Gemeente gevormd die vanaf Pinksteren 33 AD ging bestaan uit door de geest verwekte gelovige Joden en Heidenen die tezamen tot leden van Jezus’ Gemeentelichaam werden gemaakt. Paulus schreef naderhand, in 1Ko 12:12-13, daarover het volgende:

Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, maar alle leden van het lichaam, hoewel velen zijnde, één lichaam vormen, zó ook de Messias. Want waarlijk in één geest werden wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen werden wij in één geest gedrenkt.

Nu is het frappante echter dat die nieuwe Gemeente, bestaande uit vrije, door de geest verwekte gelovigen in de Messias, door de apostel eveneens als een Jeruzalem wordt aangeduid. En bovendien doet hij dat met de voor die tijd geheel nieuwe term: Het Jeruzalem-boven
De apostel voegt het bijwoord boven [Grieks: 
ανω] toe om de hemelse bestemming van die tweede Gemeente te laten uitkomen. Het burgerschap van dat nieuwe Jeruzalem in wording bestaat namelijk in de hemelen, en de leden ervan worden in die zin aangemoedigd: Zoekt dan de dingen boven, waar de Messias is, gezeten aan Gods rechterhand. Bedenkt de dingen boven, niet de dingen op de aarde (Fp 3:20; Ks 3:1-2).

 

Volgens de boeken van Strack-Billerbeck kenden de rabbijnen het Jeruzalem van deze, huidige wereld en het Jeruzalem van de toekomstige wereld. Het laatste werd ook wel het Jeruzalem van omhoog genoemd en werd beschouwd als een in de hemel gebouwde stad die aan het einde der tijden op aarde zou neerdalen.

In de rabbijnse literatuur wordt de onverbrekelijke band tussen het hemelse en het aardse Jeruzalem benadrukt. Naar verluidt zou rabbi Jochanan ben Zakkai die opvatting reeds geleerd hebben. Sprekend over de verlossing van het Jeruzalem op aarde, zou hij gezegd hebben – met een verwijzing naar Psalm 122:3 "Het hemelse Jeruzalem kan niet volledig zijn zolang de aardse stad niet verlost is".

 

Tijdens de aanval door de Romeinen op Jeruzalem in 70 AD leidde deze rabbi in het geheim besprekingen met hen en probeerde hij toestemming te verkrijgen om in Javne een religieus centrum te vestigen, als alternatief voor de stad Jeruzalem. Zijn bedoeling was om de voortzetting van de Halachisch gefundeerde religie te waarborgen. In zijn tijd kwam men tot de opvatting dat de stad van de tempel, het concrete Jeruzalem waarvoor gevochten en een normaal leven moest worden gehandhaafd, was verdrongen door een soort hemels Jeruzalem waar geen belasting werd geïnd en geen rioolwater-problemen bestonden. Het was het Jeruzalem van engelen, van goud en kristal, daken van smaragd, etc. Het aardse Jeruzalem was in die tijd niet iets om over te onderhandelen. 


Nog frappanter is echter het feit dat Paulus die nieuwe Gemeente ook rekent als Vrouwe Sion (Jeruzalem). Hij beroept zich namelijk op die bijzondere, profetische aankondiging van Jesaja 54, welke echter, gelet op de context, het oude Israel betreft maar dan hersteld:

Want er staat geschreven: "Verheug je, Onvruchtbare die niet baart; barst uit en roep, jij die geen barensweeën hebt, want de kinderen van de Verlatene zijn talrijker dan van haar die de echtgenoot heeft".


De moeder, de Vrije Vrouw, op wie Paulus zich beroept als zijnde onze moeder, dat wil zeggen de 'moeder' van Christenen, is niemand anders dan de Onvruchtbare die niet baarde. Maar, zoals gezegd, is die Vrouw in de profetie van Jesaja 54 in de eerste plaats de moeder van hersteld Israël.

Vergelijk Js 51:1-3 waar de vertroosting van Sion wordt aangekondigd en tegelijkertijd tot de Israëlieten die rechtvaardigheid najagen en YHWH zoeken wordt gezegd:

Aanschouwt de rots waaruit gij gehouwen zijt, en de holte van de put waaruit gij gegraven zijt. Aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde.

 
Wat Paulus daarom in de allegorie doet is zich de vrijheid veroorloven - uiteraard onder de inspirerende kracht van Gods geest - om Vrouwe Sion van Jesaja 54 te vereenzelvigen met het Jeruzalem-boven en zodoende de Vrije Vrouw ook tot de 'moeder' van de Christenen te maken. 
Maar nogmaals, gelezen in context kan de Onvruchtbare, verlaten vrouw, zij die een tijd lang verstoten was en daarom zielsbedroefd in haar weduwschap, alleen maar betrekking hebben op YHWHs eigen Vrouw Israël die hij, na haar eerst verstoten te hebben, weer terugneemt. Een en ander geheel naar het patroon waarop ook Hosea zijn aanvankelijk verstoten vrouw Gomer moest terugnemen (
Js 54:1-10; Hs 1:2-3; 2:19-20; 3:1-5). 

 

Zie in verband met die (nog) te herstellen huwelijksrelatie de Studie Hosea 3.

En ook de Studie: Leviticus hoofdstuk 12 - Welke waarheden gaan schuil achter de reinigingsprocedures?

 
Vanaf vers 11 in Jesaja 54 neemt Vrouwe Sion de kenmerken van een Stad aan, en de manier waarop dat profetisch door Jesaja wordt beschreven doet onmiddellijk denken aan de wijze waarop in de Openbaring de toekomstige heerlijkheid van Nieuw Jeruzalem wordt geschilderd, 
de stad met de fundamenten (Op 21:9-21Hb 11:10).
In Jesaja 54 werd daarvan dus een voorglimp verschaft: 

O gekwelde, door stormen voortgedrevene, ongetrooste [vrouw], zie, ik leg je stenen in spiesglans, en je fundamenten in saffieren. Ik maak je kantelen van robijnen en je poorten van karbonkelstenen, en je gehele omwalling van kostbare edelstenen. En al je zonen zullen door YHWH onderwezen worden, en groot zal de vrede van je zonen zijn.
(Js 54:11-13)

In de allegorie lijkt het of Paulus melding maakt van twee Jeruzalems, maar dat is slechts wat het iemand op het eerste gezicht toeschijnt. Uiteindelijk gaat het slechts om één Vrouwe Sion, om één stad Jeruzalem: het Nieuwe Jeruzalem van de Openbaring.
En dat is uiteraard geheel in lijn met de vroegere situatie zoals die binnen Israël bestond: De ene stad Jeruzalem, of het ene Sion dat het centrum van de natie vormde. Dáár bevond zich vanaf koning David de zetel van het (typologische) Messiasrijk, en dáár ook was de centrale plaats van aanbidding gevestigd: De (eveneens typologische) luisterrijke tempel, gebouwd door Davids zoon Salomo.
In de Openbaring zien we dat alles terug in de ene Tempelstad Nieuw Jeruzalem, de zetel van het Millenniumrijk van de Messias. 

Bijgevolg zien we in Jesaja 54 de heerlijkheid die het hemelse deel van Nieuw Jeruzalem zal hebben weerspiegeld in de heerlijkheid van het toekomstige aardse Jeruzalem, het deel van de Stad waarmee aards Israël vereenzelvigd wordt. Zeker, in de allegorie voert Paulus twee vrouwen ten tonele en hij verbindt die vrouwen ook met twee Verbonden: Sara met het Abrahamitische Verbond en Hagar met het Wetsverbond. Maar beide vrouwen worden wél geassocieerd met het ene Jeruzalem.
Alleen wordt dat ene Jeruzalem door Paulus wél onderscheiden doordat hij ze op twee manieren aanduidt:

(1) het Jeruzalem dat boven is, de 'moeder' van de leden van de Christelijke Gemeente. 
Doordat zij delen in de Abrahamitische Belofte - zoals in 
Gl 3:26-29 wordt onthuld - zijn zij vanaf Pinksteren de eerste kinderen geworden van de Vrije vrouw (Sara). En dat heeft alles te maken met hun geloof in de Messias als resultaat van hun roeping (Rm 8:29-30).

Op grond daarvan kunnen we stellen dat het Nieuwe Jeruzalem vanaf die tijd al bezig is vorm aan te nemen. Ze is in wording voor wat betreft het hemelse deel ervan: De priesterlijke leden van Jezus’ Gemeentelichaam, voorschaduwd door het priesterschap van de zonen van Aäron.

 

(2) het Jeruzalem dat beneden is, in vers 25 van de allegorie door Paulus letterlijk aangeduid als het thans Jeruzalem, maar meestal weergegeven met het tegenwoordige Jeruzalem.

En van dát Jeruzalem, het Jeruzalem van de aarde, het centrum van de Joodse Gemeente, zegt de apostel terecht dat ze in zijn dagen met haar kinderen in slavernij verkeerde. En wij weten allen hoe dat kwam: Vanwege de afwijzing in ongeloof van hun eigen Messias.

 
Tot op heden duurt die slavernij waarin Israël zich in haar ongeloof bevindt, nog altijd voort. In Romeinen 11 noemt Paulus die situatie een geheimenis (of: mysterie). Het blijkt Gods weg te zijn om zijn vanouds uitverkoren volk verblind te houden totdat de eeuw [aeon; wereldtijdperk] van de Gemeente afloopt, en wel nadat de volheid der Heidenen is ingegaan. Tot op die tijd houdt God ongelovig Israël in een geest van diepe slaap, een situatie waarin zij wegens haar ongeloof is opgesloten in ongehoorzaamheid (Rm 11:7-8, 11, 25, 30-31).

In ons commentaar op Gl 4:8-11 hebben we verduidelijkt hoe ontstellend diep de slavernij van het joodse stelsel (het tegenwoordige Jeruzalem-beneden) is. Zie: Terugkeer naar Slavernij
Als Paulus daarbij stilstaat, de voor mensen niet te bedenken manier waarop God met zijn oude Verbondsvolk handelt - via de omweg van de Heidenvolken waaruit de Christelijke gemeente overwegend is samengesteld - wordt hij ertoe gebracht zich vol lof uit te laten over de wijze waarop God zaken in zijn voornemen aanpakt: O diepte van rijkdom, wijsheid en kennis van God. Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen  (vers 33).


Israëls situatie, in de allegorie voorgesteld als het tegenwoordige Jeruzalem dat met haar kinderen in slavernij verkeert, is dus niet blijvend. Er komt een kentering in Israëls opgesloten toestand. Qua tijd gezien bij de afloop van de 'Gemeente-eeuw'. 

Zoals beloofd zal bij het aanbreken van de 70ste Jaarweek alle aandacht van de hemel weer uitgaan naar die aardse Gemeente, en dat ondermeer met de bedoeling om de overtreding - het eeuwenlange ongeloof jegens de eigen Messias - te doen eindigen (Dn 9:24). Dan zal het Jeruzalem-beneden de zelfde vrijheid ervaren zoals het Jeruzalem-boven al sinds Pinksteren 33 AD geniet. Want beide gemeentes hebben principieel de zelfde 'moeder', iets wat van doorslaggevende betekenis is om de allegorie juist te verstaan.

Samengevat: De allegorie van Galaten 4 leert ons, Christenen, niet alleen dat wij ons nooit moeten laten overhalen ons aan de bepalingen van de Mozaïsche wetgeving te onderwerpen - het primaire oogmerk waarom Paulus de allegorie besprak - maar ook dat er, wat het Israël van God betreft, twee bestemmingen zijn. In dat Israël Gods gaat het niet meer om het feit of men al dan niet besneden is, maar of men een nieuwe schepping is, verwekt of geboren uit de heilige geest van God (Gl 6:15-16; 2Ko 5:17). 


Jeruzalem-boven is al sinds Pinksteren als nieuwe schepping in wording. Maar wanneer in de 70ste Week met Israël het Nieuwe Verbond wordt gesloten, zal ook een gelovige Rest door de beloofde uitstorting van de geest (
Jl 2:28-32) tot een nieuwe schepping worden gemaakt. Vergelijk ook Ez 36:24-28
In de allegorie wordt ook op die omstandigheid gezinspeeld. Let namelijk op de wijze waarop de apostel de herkomst van Abrahams beide zonen omschrijft
: 
 

28 υμεις δε, αδελφοι, κατα Iσαακ επαγγελιας τεκνα εστε.

 

Jullie nu, broeders, zijn naar [de wijze van] Isaäk kinderen van een Belofte.

 

29 αλλ ωσπερ τοτε ο κατα σαρκα γεννηθεις εδιωκεν τον κατα πνευμα, ουτως και νυν.

 

Maar zoals destijds hij die naar het vlees verwekt was, hem vervolgde die naar [de] geest [was verwekt], zó ook nu.

 

Voor het gehele Israël Gods is het verwekt zijn naar de geest essentieel. Het is de enige weg waarlangs de erfenis van Abraham komt en, om volgens de Belofte, tot zijn zegenend zaad te gaan behoren. Opvallend in vers 28 is het feit dat Paulus zichzelf en andere Jodenchristenen niet betrekt in zijn verklaring dat Christenen, naar de wijze van Isaäk, kinderen van een Belofte zijn. Allen, Jood- en Heidengelovigen, zijn immers kinderen van het Jeruzalem-boven, de "vrije (vrouw)". Blijkbaar wilde de apostel zijn Heidenbroeders inprenten dat zij, aangezien zij door de geest verwekte kinderen van het hemelse Jeruzalem waren geworden, zij zich beslist niet aan het aardse moesten onderwerpen. Geen Hagar, maar Sara! Geen Ismaël, maar Isaäk!

Vergelijk echter ook vers 31, waar Paulus zich in de slotconclusie wel degelijk insluit, samen met alle Joden- en Heidenbroeders.   

 

Helaas leven we nu nog steeds in de tijd dat de Ismaël-gemeente zich vijandig opstelt ten opzichte van de Isaäk-gemeente. Het is de tegenstelling geest / vlees welke die vijandschap bevordert. Ismaël wordt namelijk getekend als naar het vlees verwekt, wat niet alleen duidt op zijn natuurlijke afstamming maar ook op het (in bepaalde opzichten) vleselijke karakter der Wet.

In Gl 3:3 schreef de apostel immers aan de Galatische gelovigen die naar het onderhouden van de Wet overhelden: Zijn jullie zó onverstandig? Na in [de] geest begonnen te zijn worden jullie nu voltooid in [het] vlees?

 

Uiteraard werd ook Isaäk langs de natuurlijke weg verwekt en geboren, maar dat kon slechts geschieden door de wonderbare tussenkomst van Gods geest, de enige manier waarop God zijn Belofte aan Abraham gestand kon doen. Zowel hij als zijn vrouw Sara ontvingen kracht van boven:

 

In geloof ontving ook onvruchtbare Sara zelf kracht tot bevruchting, terwijl zij de leeftijd voorbij was, aangezien zij hem getrouw achtte die beloofde. Daarom ook werden er van één [man], en dat van een verstorvene, verwekt gelijk de sterren van de hemel in menigte en als het zand aan de oever der zee, ontelbaar (Hb 11:11-12).

  

Door te schrijven: zoals destijds hij die naar het vlees verwekt was, hem vervolgde die naar [de] geest [was verwekt], zinspeelt de apostel op de eerste tekenen van vijandschap van de zijde van Ismaël, namelijk bij de gebeurtenis dat Isaäk op vijfjarige leeftijd werd gespeend en de toen reeds 19-jarige Ismaël de spot dreef met het kleine halfbroertje tijdens het grote feestmaal dat hun beider vader Abraham had aangerecht. 

 

30 αλλα τι λεγει η γραφη; Eκβαλε την παιδισκην και τον υιον αυτης, ου γαρ μη κληρονομησει ο υιος της παιδισκης μετα του υιου της ελευθερας.

 

Maar wat zegt de Schrift? "Verdrijf de slavin en haar zoon; want de zoon van de slavin zal geenszins erven met de zoon van de vrije".

 

Het citaat komt uit Gn 21:8-13. De spotternij van Ismaël was namelijk geen onschuldig kinderspel. Uit het verslag kan worden afgeleid dat het erfrecht een zekere rol speelde:

 

Toen zag Sara, dat de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spotte, en zij zei tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaäk.

 

Sara was bezorgd voor de toekomst van haar zoon Isaäk, en daarom vroeg zij Abraham om Hagar en haar zoon weg te zenden. Weliswaar was Abraham hier niet mee ingenomen, maar op Gods aanwijzing willigde hij ook nu het verzoek van zijn vrouw in. 

 

Met de frase Maar wat zegt de Schrift? geeft de apostel te kennen dat de Schrift, en dat is dus weer God, een oordeel uitspreekt over de vervolgers. Zoals Hagar en Ismaël verjaagd moesten worden, geldt ook voor de Wet en haar vijandig gezinde verdedigers: Verjaging!

Een ernstige waarschuwing voor Paulus’ opponenten, de Judaïsten. Zij lopen het gevaar om van het aan Abraham beloofde erfdeel uitgesloten te worden.

 

31 διο αδελφοι, ουκ εσμεν παιδισκης τεκνα αλλα της ελευθερας.

 

Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen van een slavin, maar van de vrije.

 

De slotconclusie van de allegorie, wat blijkt uit het woordje daarom [διο volgens het Vaticanus MS; P46 heeft αρα, waarlijk; immers]. Daarin vereenzelvigt Paulus zich met al zijn ware broeders, alle ware joden- en Heidenchristenen onder de Galaten. In tegenstelling tot de Joden die de Messias hardnekkig verwerpen en die Judaïsten die voor God als kinderen van de slavin worden gerekend en bijgevolg van het erfdeel uitgesloten, zijn alle ware christenen kinderen van de vrije [vrouw], bevrijd van de slavernij der Wet en erfgenamen van de Belofte.

Voor meer bijzonderheden over de allegorie, zie: Vrouwe Sion, de Onvruchtbare die toch baarde 

 

Hoofdstuk 5

 

1 τη ελευθερια ημας Xριστος ηλευθερωσεν∙ στηκετε ουν και μη παλιν ζυγω δουλειας ενεχεσθε.

 

Voor de vrijheid maakte [de] Messias ons vrij; staat dan vast en laat je niet opnieuw een juk van slavernij opleggen.

 

Paulus plaatst de Galaten voor een keus. Zij moeten kiezen tussen het (ware) Christendom en een veredeld Jodendom. Beide verenigen is uitgesloten. Er moet gekozen worden tussen Sara en Hagar, tussen Christelijke vrijheid en een slavenjuk. Op twee gedachten blijven hinken, leidt tot terugkeer naar de tirannie van de zwakke, povere wereldgeesten.

De beginterm τη ελευθερια wijst misschien terug naar een formule [επ’ ελευθερια] die voorkwam in de vrijlatingbrieven van slaven. De slaaf betaalde "voor de vrijheid" een som geld aan de tempel welke vervolgens aan zijn eigenaar ter hand werd gesteld. De achterliggende gedachte daarvan was dat de godheid in werkelijkheid de loskoopprijs betaalde en de slaaf daarmee de vrijheid schonk.

Uiteraard vormde dat een fictieve bevrijding, niet te vergelijken met de prijs die Messias Jezus voor onze loskoop betaalde: Zijn eigen kostbaar bloed (1Pt 1:19). Hij deed dat met het oog op onze vrijheid; het is zijn wens dat we vrije mensen zijn. Voor zoiets kostbaars dienen we beslist pal te staan, aldus Paulus, want dáárvoor stierf Jezus, stond hij op, bood hij de waarde van zijn bloed aan God aan in het hemelse Heiligdom en deelde hij ons de geest mee.

Vergelijk Hb 9:24-28.

 

2 Iδε εγω Παυλος λεγω υμιν οτι εαν περιτεμνησθε Xριστος υμας ουδεν ωφελησει.

 

Zie; ik, Paulus, zeg jullie: Als jullie besneden worden zal [de] Messias jullie niets baten.

 

3 μαρτυρομαι δε παλιν παντι ανθρωπω περιτεμνομενω οτι οφειλετης εστιν ολον τον νομον ποιησαι.

 

Nogmaals betuig ik aan elk mens die besneden wordt dat hij verplicht is heel de Wet te onderhouden.

 

4 κατηργηθητε απο Xριστου οιτινες εν νομω δικαιουσθε, της χαριτος εξεπεσατε.

 

Jullie zijn van [de] Messias gescheiden, al wie trachten binnen Wet gerechtvaardigd te worden; jullie vielen van de liefderijke gunst af.

 

De besnijdenis was het meest onderscheiden kenmerk van de Wet. Het was de beslissende stap naar Jood-zijn. Je aan dat ritueel onderwerpen stond gelijk aan het op zich nemen van de gehele Mozaïsche wetgeving. De besnijdenis was immers hét teken bij uitstek van het Verbond tussen God en Israël.

Dit is een dermate gewichtig feit dat Paulus zich met geheel zijn apostolisch gezag borg stelt voor de waarheid ervan: "Zie; ik, Paulus, zeg jullie". Met hetzelfde gezag verzekert hij zijn weinig standvastige broeders dat de Messias hun op die basis van geen enkel nut kan zijn. Erger nog; wat hen betreft die zich reeds aan de besnijdenis onderwierpen is er sprake van een definitieve scheiding tussen hen en hem. Zij hebben daarmee Gods χαρις, zijn genade of liefderijke gunst die hij in de Messias betoont, verspeeld.

 

5 ημεις γαρ πνευματι εκ πιστεως ελπιδα δικαιοσυνης απεκδεχομεθα.

 

Want door geest, uit geloof, verwachten wij vurig [de] hoop der rechtvaardigheid.

 

Na met al zijn apostolisch gezag betuigd te hebben dat Messias Jezus de Galaten van geen enkel nut zal zijn als zij bezwijken voor de druk der Judaïsten, voelt Paulus nu de behoefte uitdrukking te geven aan de verwachting van hen die waarlijk vrij zijn in de Messias, zij die, zoals hij reeds aangaf in 4:6, het vertrouwen koesteren dat zij zonen zijn, aangezien God de geest van zijn Zoon uitzond in onze harten, uitroepend: Abba, Vader!

Welnu, krachtens die goddelijke geest leven zij voortaan richting de uiteindelijke verwezenlijking van hun hoop, een vertrouwen dat in hen gewekt werd en samenhangt met het besef gerechtvaardigd te zijn uit het geloof. Want hoewel zij nu al op die basis vrede met God genieten (Rm 5:1), houdt [de] hoop der rechtvaardigheid méér in, kernachtig door Paulus verwoord in Rm 8:23 >

 

Ook wijzelf, die de eerstelingen der geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. 

 

Ook al zijn wij in het bezit van de eerstelingen van de geest, en bijgevolg van de adoptie tot zonen, en ook al weten wij dat wij met onze Heer alle dingen zullen erven, beseffen we tegelijkertijd dat we al die zaken nu nog slechts in onderpand bezitten: In wie ook jullie, toen jullie tot geloof kwamen, verzegeld werden met de heilige geest der belofte, welke een onderpand is van onze erfenis.

 

De laatste tekst is ontleend aan Efeziërs 1; gelezen in context vernemen wij daar dat het volgens Gods bedoeling onze bestemming is om samen met onze Heer deel te hebben aan het herstellen van de harmonie in het gehele universum.

En om ons te laten weten dat die speciale erfenis ons zonder mankeren ten deel zal vallen, zijn wij allen - Jood en Griek - verzegeld met Gods heilige geest, een ieder afzonderlijk toen het tijdstip kwam voor onze roeping en wij in geloof daarop reageerden.

 

Het Griekse αρραβων heeft betrekking op handgeld; wij zouden het een vorm van aanbetaling kunnen noemen; de betaling van de overblijvende som wordt erdoor gewaarborgd. Zo waarborgt God ons in zijn liefderijke gunst de zekerheid van ons erfdeel in de Messias, door ons zijn heilige geest als een blijvend bezit te schenken (Ef 1:9-14; 2Ko 1:21-22; 5:5).

Om nog even in de sfeer van de allegorie te blijven: Ons leven van geloof begon met een werking van Gods geest in ons, precies zoals door goddelijke tussenkomst met het leven van Isaäk het geval was (Gn 21:1).

 

6 εν γαρ Xριστω Iησου ουτε περιτομη τι ισχυει ουτε ακροβυστια, αλλα πιστις δι αγαπης ενεργουμενη.

 

Want in Messias Jezus heeft noch besnijdenis noch voorhuid enige betekenis, maar geloof dat werkzaam is door liefde.

 

Een verpletterende conclusie voor de Judaïsten en hun aanhang! Etniciteit en religieuze achtergrond speelt binnen de Christelijke Gemeente geen enkele rol meer. Jood en Griek (Heiden) krijgen beide door geloof deel aan de Belofte en worden door God tot Abrahams zaad dat tot zegen zal worden gerekend, precies zoals de apostel al in 3:26-29 vaststelde:

 

Daarbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije; er is geen manlijk en vrouwelijk; want allen zijn jullie één in Messias Jezus. Indien jullie echter van de Messias [zijn], zijn jullie waarlijk Abrahams zaad; naar [de] Belofte erfgenamen.

 

Zelfs de besnijdenis waarop de Joden prat gaan als teken van hun verbondsverhouding met God, telt niet meer! Erger nog, voor de Heidengelovigen zou besnijdenis tot een scheiding met Messias Jezus leiden, zoals we ook al in de vv 3 en 4 zagen.

Tegen het einde van zijn Brief zal Paulus aanvullend aldus formuleren:

 

Want noch besnijdenis noch onbesnedenheid is iets, maar een nieuwe schepping. En allen die volgens deze gedragsregel ordelijk zullen wandelen, op hen zij vrede en barmhartigheid, ja, op het Israël Gods.

 

Het enige wat werkelijke waarde heeft is geloof dat tot uitdrukking gebracht wordt in daden waarvan liefde het beginsel, de drijfveer, is.

Daarbij moeten we niet alsnog tot de conclusie komen dat er 'werken' van ons verlangd worden. Dit vers impliceert geenszins dat wij, Christenen, door twee dingen worden gerechtvaardigd: Geloof én werken des geloofs. Dat is niet wat de apostel hier aan ons wil overbrengen. Wat hij ons verzekert komt steeds op hetzelfde neer: Rechtvaardiging is uit geloof, en dat geloof is van zulk een aard dat het liefde voortbrengt, precies zoals een goede boom goede vrucht voortbrengt.

 

Dat type liefde heeft Paulus naderhand uitvoerig omschreven in zijn Eerste Korinthebrief:

 

De liefde [is] lankmoedig, de liefde [is] vriendelijk, ze is niet afgunstig, de liefde pocht niet, ze doet niet gewichtig, ze handelt niet ongepast, ze zoekt niet het eigenbelang, ze wordt niet verbitterd, ze rekent het kwade niet aan, ze verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar verheugt zich [met anderen] over de waarheid, alle dingen verdraagt ze, alle dingen gelooft ze, alle dingen hoopt ze, alle dingen verduurt ze (1Ko 13:4-7)

 

Geen wonder dat zij die - met steun van Gods geest- zulk een liefde tot uitdrukking brengen, de ervaring opdoen dat het gelukkiger is te geven dan te ontvangen (Hn 20:35).

 

7 Eτρεχετε καλως∙ τις υμας ενεκοψεν [τη] αληθεια μη πειθεσθαι;

 

Jullie plachten goed te lopen. Wie stond jullie in de weg: om niet gehoorzaam te worden aan de waarheid?

 

Voor de derde maal geeft de apostel uiting aan zijn verbazing over de plotselinge ommekeer bij de Galaten. Eerst al direct in 1:6 > Ik sta er maar steeds verbaasd over dat jullie je zo vlug afwenden van hem die jullie in liefderijke gunst riep. Vervolgens in 3:1 > Wie betoverde jullie?  en nu hier > Jullie plachten goed te lopen. Wie stond jullie in de weg?  in dit geval zich bedienend van het beeld van de wedloop, zoals hij vaker zou doen.

 

Vergelijk: Gl 2:2; 1Ko 9:24-26; Rm 9:16; Fp 2:16; Hb 12:1.

 

In dat beeld gaat het, na aanvankelijk gestart te zijn, vooral om de noodzaak de wedloop geheel uit te lopen. Zonder beeldspraak in de situatie der Galaten: Nadat zij de evangelische waarheden vol enthousiasme en in geloof hadden aanvaard kwam het het er voor hen - en uiteraard ook voor ons - vooral op aan om aan die waarheden blijvend gehoor te geven. En opnieuw werpt de apostel de vraag op (waarvan hij voor zichzelf heel goed het antwoord weet) wie hen toch op die weg gestuit hebben. Welke personen waren tot zoiets in staat!

 

8 η πεισμονη ουκ εκ του καλουντος υμας.

 

De overreding [is] niet uit hem die jullie roept.

 

9 μικρα ζυμη ολον το φυραμα ζυμοι.

 

Een weinig zuurdeeg doorzuurt heel de massa.

 

Maar de apostel weet nog iets anders! Zulk een overreding is beslist niet van God afkomstig! De Galaten moeten dan maar voor zichzelf besluiten van welke kant die druk dan wel komt. Als ze niet van God komt zullen ze wel moeten concluderen dat Godvijandige machten in het spel zijn! Dat de apostel daarop doelt blijkt wel uit zijn gebruik van het zuurdeeg dat in Gods Woord steeds symbool staat voor verderfelijke invloeden.

In 1Ko 5:6 zal hij precies hetzelfde gezegde herhalen, aldaar om aan te geven hoe verderfelijk de invloed van een flagrante ontuchtpleger [bloedschennis] binnen een gemeente van christenen kan zijn. Evenzo is het waarschijnlijk dat hij ook hier op personen doelt, de schadelijke invloed die de Judaïsten onder hen uitoefenen. Na 'ongedesemd' of gerechtvaardigd te zijn toen zij tot geloof kwamen, dreigt nu voor hen het gevaar weer 'doorzuurd' te worden door het oude zuurdeeg van de dienst voor de zwakke en povere wereldgeesten.

 

In 1Ko 5:6-8 werkt Paulus het beeld vollediger uit:

Weten jullie niet dat een weinig zuurdeeg heel de massa doorzuurt? Ruimt het oude zuurdeeg op opdat jullie een nieuw deeg mogen zijn, zoals jullie ongedesemd zijn! Want ook ons Pascha werd geslacht: [de] Messias.

Direct na het slachten van het Paschalam op 14 Nisan begon op de 15e destijds in Israël het 7-daagse feest der ongezuurde broden. Met het gelovig aanvaarden van de dood van Gods Zoon als het tegenbeeldige Lam Gods, vieren wij, Christenen, voortdurend dat feest in tegenbeeld:

Laten wij dus het feest vieren niet in oud zuurdeeg, noch in zuurdeeg van slechtheid en goddeloosheid, maar in ongezuurde [broden] van zuiverheid en waarheid .

De viering van ons 'feest' zou een onwaarachtig karakter hebben als wij ons gemakkelijk zouden opstellen ten aanzien van slechtheid en goddeloosheid in ons midden.

  

Terwijl bij de uitroep in 1:6 sprake is van de aorist (riep) verschijnt hier (in 5:8) het praesens (tegenwoordige tijd): roept. De verklaring daarvoor vinden we weer in het beeld van de wedloop: Na aanvankelijk geroepen te zijn op een punt in het verleden (aorist), duurt het roepen voort tot het einddoel is bereikt. In Fp 1:6 lezen we in overeenstemming met die gedachte dat God die een goed werk in ons begon het zal voltooien tot op [de] dag van Messias Jezus.

 

10 εγω πεποιθα εις υμας εν κυριω οτι ουδεν αλλο φρονησετε∙ ο δε ταρασσων υμας βαστασει το κριμα, οστις εαν η.

 

Ik voor mij koester in de Heer met betrekking tot jullie het vertrouwen dat jullie niets anders zullen denken, maar hij die jullie in verwarring brengt zal het oordeel dragen, wie hij ook moge zijn.

 

Paulus vertrouwt er op dat hij, óók in deze zaak, de ondersteuning geniet van Jezus, ons aller Heer. Met welk gevolg? Dat de Galaten omtrent de kwestie van de Judaïsten die verwarring veroorzaken niets anders zullen denken dan hijzelf. In context gelezen: Dat zij hen herkennen als mensen die een gevaarlijk zuurdeeg vormen. Want hoewel betrekkelijk gering in aantal oefenen zij niettemin een desastreuze invloed uit.

Paulus’ vertrouwen steunt tevens en vooral op de zekerheid dat Gods geest in hen woont: Hij dan die jullie de geest verleent en die in jullie krachtige werken teweeg brengt (Gl 3:5). God zelf, door zijn Zoon, verricht zijn werken in hen en door hen. Zij - en wij natuurlijk met hen - moeten af van het idee dat we "maar altijd ons best moeten doen", want zelfs dat houdt al een vorm van wetticistisch denken in: Altijd maar die noodzaak voelen tot het verrichten van 'Hagariaanse' werken! In Rm 8:4 laat de apostel ons immers weten dat de rechtvaardige eis van de wet vervuld wordt in ons, die niet naar het vlees wandelen maar naar de geest.

Wanneer de Zoon van God in ons gestalte heeft gekregen (4:19), wordt het leven volgens "de rechtvaardige eis van de wet" een vanzelfsprekende zaak: Niet als een kwestie van moeten; je best doen, maar als een vanzelfsprekendheid.

Zij die zichzelf alsmaar voorhouden dat zij 'hun best moeten doen', zijn Hagariaans bezig, en struikelen derhalve des te eerder. Want die gang van zaken is immers inherent aan het Hagarverbond (3:19, 22). Hoe kon Paulus tot de Galaten anders zeggen (in 5:7): Jullie plachten goed te lopen. Maar dat was dan ook toen zij nog volgens de 'Saraiaanse' vrijheid het Christendom beleefden.

De ervaring die hij inmiddels op dit terrein heeft opgedaan, leidt bij de apostel echter ook tot de nuchtere constatering dat op z’n minst enkele van die Joodse fanatici niet te stoppen zullen zijn. Goed, het is nu eenmaal niet anders, maar die onruststokers krijgen van hem - met dat zelfde vertrouwen in de Heer - wél te verstaan dat hun oordeel te wachten staat! Geen enkele verontschuldiging voor wie van hen maar ook!

 

11 εγω δε, αδελφοι, ει περιτομην ετι κηρυσσω, τι ετι διωκομαι; αρα κατηργηται το σκανδαλον του σταυρου.

 

Wat mij echter betreft, broeders, indien ik nog besnijdenis predik, waarom word ik dan nog vervolgd? Het struikelblok der martelpaal is dan immers teniet gedaan.

 

Blijkbaar hadden de Judaïsten van Paulus beweerd dat hijzelf de noodzaak der besnijdenis leerde. Waarop zij die bewering baseerden is niet duidelijk. Wellicht hadden zij van gevallen gehoord waarbij de apostel uit praktische overwegingen besnijdenis nuttig achtte, zoals later ook het geval was met zijn metgezel Timotheüs (Hn 16:1-3).

In ieder geval blijkt uit Paulus’ reactie dat hij hun argument als oneigenlijk van de hand wijst, want waarom zou hij dan juist van de zijde der Joden nog steeds zoveel tegenstand ontmoeten! Met Jezus’ plaatsvervangend sterven was er een einde gekomen aan de noodzaak der besnijdenis. Waarom?

Omdat Christenen delen in de bijzondere 'besnijdenis' van de Messias zelf! Later zou de apostel daarover het volgende aan de Kolossenzen schrijven:

In hem ook werden jullie besneden met een besnijdenis niet door handen verricht, in het wegnemen van het vleselijk lichaam, in de besnijdenis van de Messias (Ks 2:11).

Door die 'besnijdenis' wordt het vleselijk lichaam der zonden weggenomen. Of, zoals Paulus het in Rm 6:6 nader zou formuleren:

Dit wetend dat onze oude mens tezamen aan de paal werd gehangen opdat het lichaam der zonde buiten werking gesteld zou worden, zodat wij niet langer in dienstbaarheid aan de zonde zijn.

Voor ons, Christenen, betekent de werkelijkheid van die besnijdenis dat onze onreine, van Adam overgeërfde toestand wordt "weggesneden". Het lichaam der zonde wordt als het ware vernietigd doordat - dankzij de werking van Gods geest door Messias Jezus - de zondige begeerten niet langer de overhand hebben, maar wij voortaan voor rechtvaardigheid kunnen leven. Ons oude, ongelovige, blinde, opstandige ik en zijn gebruik van het lichaam voor zonde, wordt in de tegenbeeldige besnijdenis door de geest geëlimineerd.

 

Dat is wat de besnijdenis van de Messias voor ons, Christenen, inhoudt. Maar omdat ze volledig samenhangt met Jezus’ sterven aan de martelpaal en de Joden die leer heftig ontkennen, kon Paulus, wat de Joden betreft, er over spreken als het struikelblok der martelpaal. Een gekruisigde Messias was hun een ergernis, in strijd met hun nationale trots, en dat te meer omdat Paulus en diens metgezellen juist de dood van de Messias als grondslag der verlossing onderwezen.

Vergelijk ook Filippenzen 3:1-3.

  

12 οφελον και αποκοψονται οι αναστατουντες υμας.

 

Zij zouden zich moeten laten castreren, zij die jullie omverwerpen!

 

Een ongemeen, laatdunkende opmerking! Paulus’ verontwaardiging ontlaadt zich in bitter sarcasme. Hij gebruikt het werkwoord αποκοπτω dat weergegeven kan worden met afsnijden; ontmannen; verminken. Waar doelt hij op?

Welnu, wanneer de Judaïsten aan de besnijdenis zo’n groot gewicht toekennen ― een godsdienstig ritueel dat met het plaatsvervangend sterven van Messias Jezus vervuld werd in de besnijdenis van de Messias en daarmee haar waarde had verloren ― moeten die personen ook maar tot het uiterste gaan en zich laten castreren!

 

Volgens Keulers schijnt Paulus gezinspeeld hebben op de eredienst van Cybele welke destijds in geheel Klein-Azië beoefend werd. De priesters van Cybele, de Galli, verwondden zich bij hun dansen met opzet en raakten dan bij het zien van bloed in  een soort extase. Hun fanatisme ging soms zo ver dat zij zich ter ere van de godin lieten ontmannen.

Wanneer de Judaïsten hun heiligheid zoeken in de besnijdenis, dan moeten zij ook maar tot het uiterste gaan en het voorbeeld van die priesters volgen. Zij hebben het immers in dat soort 'heiligheid' veel verder gebracht!

 

13 Υμεις γαρ επ ελευθερια εκληθητε, αδελφοι∙ μονον μη την ελευθεριαν εις αφορμην τη σαρκι, αλλα δια της αγαπης δουλευετε αλληλοις.

 

Jullie werden immers tot vrijheid geroepen, broeders. Alleen niet de vrijheid die gelegenheid biedt aan het vlees; integendeel, dient elkaar door de liefde.

 

Paulus grijpt terug op 5:1 >> Voor de vrijheid maakte [de] Messias ons vrij. Maar die vrijheid heeft een beperking. Aangezien de levenswandel van de christen zich geheel binnen de invloedssfeer van de geest voltrekt mag hij zijn vrijheid niet bezien als een vrijbrief voor losbandigheid en de vele andere vleselijke ondeugden. Het vleselijke element in de Adamitische mens is immers niets anders dan zijn overgeërfde zondige natuur.

In Romeinen 6 zou de apostel zo’n 10 jaar later de vraag opwerpen:

 

Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?

 

Zijn eigen vraag beantwoordde hij overduidelijk aldus:

 

Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven? Wij zijn dan met hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals [de] Messias uit de doden werd opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, ook wij in een nieuwheid des levens zouden wandelen. 

 

Met de zinsnede alleen niet de vrijheid die gelegenheid biedt aan het vlees, wordt het vleselijke element in ons door Paulus gepersonifieerd; een personage derhalve die beslag op ons wil leggen en daarbij de christelijke vrijheid als voorwendsel aangrijpt.

In werkelijkheid een verraderlijk en misleidend idee. Als wij ons namelijk door die opvatting laten inpalmen zullen wij 'binnen de kortste keren' weer op een andere manier in een vorm van slavernij belanden, zoals Paulus in de Romeinenbrief vervolgde:

 

Onze oude mens werd immers mede aan een paal gehangen, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht ontnomen zou worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn (Rm 6:1-6).

 

Vergelijk ook 1Ko 6:12, waar de apostel stelt dat ons alle dingen zijn geoorloofd, maar niet alles heilzaam is. En wat niet heilzaam is schendt in werkelijkheid onze vrijheid.

 

14 ο γαρ πας νομος εν ενι λογω πεπληρωται, εν τω Aγαπησεις τον πλησιον σου ως σεαυτον.

 

Want de gehele Wet is in één woord vervuld, hierin: Je moet je naaste liefhebben als jezelf.

 

In de beoefening van godsdienstige rituelen schijnen de meeste mensen behoefte te hebben aan duidelijke, in wetten vastgelegde richtlijnen zodat zij zich min of meer zeker kunnen voelen dat zij 'het er goed van afbrengen' in hun dienst voor God! Paulus stelt daar tegenover dat Christenen al een richtlijn bezitten die superieur is aan welke wet maar ook: de liefde jegens de naaste.

Er is sprake van een grote tegenstelling: De gehele Wet en het ene woord (gebod). In Rm 13:8-10 zou hij die gedachte met nog meer nadruk uiteenzetten:

Weest niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft [de] Wet vervuld. Want het: Je zult geen overspel plegen; je zult niet moorden; je zult niet stelen; je zult niet begeren, en welk ander gebod er ook is, wordt in dit woord samengevat: Je zult je naaste liefhebben als jezelf. De liefde berokkent de naaste geen kwaad; daarom is de liefde volheid der Wet.

 

Voor de Judaïstische wetsijveraars werd/wordt hiermee de 'wind uit de zeilen genomen'. Waarom? Omdat er aldus geen scherpe tegenstelling meer bestaat tussen Wet en het Evangelie van geloof en liefde; eerder zijn ze bondgenoten! De twee 'bijten' elkaar niet langer. Zullen de Galaten zich die visie eigen maken en op zichzelf toepassen? Paulus acht het nodig hen daarop attent te maken, gezien de volgende situatie:

 

15 ει δε αλληλους δακνετε και κατεσθιετε, βλεπετε μη υπ αλληλων αναλωθητε.

 

Maar indien jullie doorgaan elkaar te bijten en te verslinden, past dan op dat jullie niet door elkaar verteerd worden.

 

Met bijten en verslinden in het praesens [tegenwoordige, voortdurende tijd] schildert Paulus de situatie die destijds werkelijk onder die Galatische christenen de overhand had. De 'persoon' van het vleselijke element binnen hun gelederen had kennelijk geleid tot de vorming van partijen die elkaar heftig 'naar het leven stonden'. Met de werkwoorden bijten en verslinden vergelijkt de apostel hen met honden of roofdieren die elkaar op bloeddorstige wijze aanvallen. Misschien opzettelijk door hem wat zwaar aangezet om hen bewust te maken waartoe hun heftig getwist zou kunnen leiden, hetgeen blijkt uit de waarschuwing Let op dat jullie niet door elkaar verteerd worden, want dat zou hun einde als gemeente betekenen.

 

16 Λεγω δε, πνευματι περιπατειτε και επιθυμιαν σαρκος ου μη τελεσητε.

 

Doch ik zeg: wandelt volgens geest en jullie zullen beslist geen begeerte van het vlees volbrengen.

 

17 η γαρ σαρξ επιθυμει κατα του πνευματος, το δε πνευμα κατα της σαρκος∙ ταυτα γαρ αλληλοις αντικειται, ινα μη α εαν θελητε ταυτα ποιητε.

 

Want het vlees begeert tegen de geest, maar de geest tegen het vlees, want deze dingen staan tegenover elkaar, zodat jullie de dingen juist niet doen die jullie wensen.

 

18 ει δε πνευματι αγεσθε, ουκ εστε υπο νομον.

 

Maar indien jullie door geest geleid worden, zijn jullie niet onder Wet.

 

Alle geestelijk voorspoed onder Christenen hangt samen met het feit of de geest van God te allen tijde vrijelijk werkzaam kan zijn onder hen; dus alle ruimte krijgt binnen hun onderlinge betrekkingen. De begeerten van de 'persoon' die het vleselijke, zondige element in ons vertegenwoordigt worden dan niet ingewilligd (vers 16), en tevens wordt de Wet overbodig gemaakt (vers 18).

Zie Rm 8:14-15.

Terwijl de Wet slechts beveelt en verbiedt, zonder de kracht tot het volbrengen daarvan te verlenen, kan de geest het 'vlees' in de christen overwinnen. Die geest is namelijk een onuitputtelijke bron van kracht welke hem in staat stelt over wat wel genoemd wordt 'de lagere instincten' te zegevieren.

Zie: Rm 8:1-10.

De apostel neemt overigens de tijd het tweevoudige beginsel dat binnen de christen bestaat uit te diepen. Als 'voorschot' op Rm 7:21-25 laat hij ons weten dat het vleselijke element in ons haar eigen eisen stelt, maar evenzo de geest (vers 17). Het vlees en de geest zijn namelijk tegenovergestelde beginselen die onderling een niet aflatende strijd voeren. Verzoening is uitgesloten! Hoe kan de christen - 'ellendig mens' die hij is, precies als alle anderen - triomferen?

 

God zij dank door Jezus Messias, onze Heer! Met het verstand ben ikzelf weliswaar dienstbaar aan de wet van God, maar qua vlees aan de wet der Zonde. Dus is er nu geen veroordeling voor hen [die] in Messias Jezus [zijn]. Want de wet van de geest van het leven in Messias Jezus bevrijdde je van de wet der zonde en des doods (Rm 7:24 - 8:2).

 

Er wordt overigens verschillend gedacht over zodat jullie de dingen juist niet doen die jullie wensen in vers 17. Duidelijk is slechts dat zowel het vleselijke element in ons als de geest beide hun eigen eisen stellen. Het meest waarschijnlijk lijkt de opvatting daarom dat de christen op dit punt weinig heeft in te brengen. Hij doet namelijk óf datgene waarop de geest aandringt, óf wat het vlees wil; in de context van de hele Brief wordt dan vooral op de Wet gedoeld, die namelijk alleen volbracht kan worden door het vlees. Het moet uit de mens zelf komen; wetsijveraars ontvangen geen bovennatuurlijke hulp!

 

Wordt de christen daarmee gedegradeerd tot toeschouwer, een speelbal tussen twee grootmachten? Zeker niet! Hij wordt niet ontheven van de eigen verantwoordelijkheid. Met de gave der vrije wil kan hij immers zelf blijven beslissen, hetzij ten gunste van het vlees, hetzij ten gunste van de geest.

In Ef 4:27, 32 worden wij gewaarschuwd dat wij de geest zouden bedroeven als we de Duivel plaats bieden.

De derde mogelijkheid, geheel zijn eigen weg gaan, onafhankelijk van de twee invloeden is voor hem - herboren mens en nieuwe schepping - dan ook niet aan de orde; geen optie. Hij wil immers de geest niet bedroeven door een onafhankelijke levenshouding aan te nemen!

 

De tegengestelde invloeden, vlees en geest, werken bij de mens vanzelfsprekend eveneens tegengestelde resultaten uit. Aangezien in het eerste geval de bron de mens zelf is, namelijk zijn zondige natuur, benoemt de apostel die resultaten terecht als de werken van het vlees. In het andere geval, waarin de bron buiten de mens ligt, de geest, is dan ook niet sprake van eigen werken maar van de vrucht van de geest, t.w.:

 

19 φανερα δε εστιν τα εργα της σαρκος, ατινα εστιν πορνεια, ακαθαρσια, ασελγεια,

 

Openbaar nu zijn de werken van het vlees, welke zijn hoererij, onreinheid, losbandigheid,

 

20 ειδωλολατρια, φαρμακεια, εχθραι, ερις, ζηλος, θυμοι, εριθειαι, διχοστασιαι, αιρεσεις,

 

afgoderij, toverij, vijandschappen, strijd, naijver, woedeuitbarstingen, intriges, onenigheden, sekten, 

 

21 φθονοι, μεθαι, κωμοι, και τα ομοια τουτοις, α προλεγω υμιν καθως προειπον οτι οι τα τοιαυτα πρασσοντες βασιλειαν θεου ου κληρονομησουσιν.

 

uitingen van afgunst, dronkenschappen, drinkgelagen, en soortgelijke dingen, waarvan ik jullie tevoren zeg zoals ik tevoren zei dat zij die zulke dingen beoefenen [het] koninkrijk Gods niet zullen beërven.

 

Met de inleidende zin Openbaar dan zijn de werken van het vlees geeft de apostel te kennen dat de mens van nature voor zichzelf heel goed beseft wat foute gedragingen zijn. De christen staat daarom niet geregeld voor de vraag of een daad goed/slecht, geoorloofd/verboden is. Dienaangaande heeft hij geen specifieke wetten nodig; het geweten vertelt hem wel wat uit de zondige natuur voortspruit.

Met deze inleiding gaan Paulus’ gedachten ook nu allereerst uit naar de vleselijke gedragingen der Judaïsten die wetsijveraars zijn. Hoe kan het ook anders! Aangezien de Wet in de eigen kracht moet worden nageleefd, dus geheel binnen de gevallen, zondige natuur, is het slechts een geringe stap om de werken van het vlees te gaan verrichten! De apostel zinspeelde reeds daarop (in vers 15): Indien jullie doorgaan elkaar te bijten en te verslinden.   

Genoemde ondeugden lijken in vier reeksen te worden opgesomd:

(1) Onzedelijkheid, vooral tot uitdrukking komend in ongepaste seksuele verlangens: ontucht, onreinheid en losbandigheid. Het laatste heeft als bijbetekenis schaamteloze trotsering van de publieke opinie.

(2) Dienst voor andere goden (demonen): afgodendienst en [meer in het geheim bedreven] toverij; allerlei vormen van occultisme.

(3) Schending van de liefde voor de naaste: vijandschappen, strijd, naijver, woede-uitbarstingen, intriges, onenigheden, partijschappen, uitingen van afgunst

(4) Onmatigheid, leidend tot uitspattingen: dronkenschap en brasserij. Dus onmatig drankgebruik zoals ondermeer bij 'uit de hand lopende' feestjes.

Met de afsluitende woorden en soortgelijke dingen geeft de apostel te kennen dat de lijst van opgesomde ondeugden niet compleet is! Hij vindt het echter nodig hen vóóruit te waarschuwen wat betreft de rampspoedige afloop voor hen die zich in deze zaken gewoontezondaars betonen (de betekenis van het praesens van beoefenen): Geen enkele erfenis binnen Gods koninkrijk.

 

Op grond van die uitspraak en tevens in het licht van 1Ko 6:9-11 en Ef 5:5 moeten we wel tot de conclusie komen dat zulke gewoontezondaars Schijnchristenen zijn, door Satan gezaaid onkruid te midden van de tarwe (Mt 13:24-25, 37-39). Volgens Ef 5:5-7 moeten zij bestempeld worden als 'zonen der ongehoorzaamheid': 

Want dit moeten jullie beslist weten dat elke hoereerder of onreine of hebzuchtige, dat is een afgodendienaar, geen erfdeel heeft in het koninkrijk van de Messias en van God. Laat niemand jullie met lege woorden bedriegen; want wegens deze dingen komt de toorn van God over de zonen der ongehoorzaamheid. Wordt dan niet hun mededeelgenoten.

 

Doordat Paulus die personen, evenals in Ef 2:2, aanduidt als de zonen der ongehoorzaamheid, komen wij tot de gevolgtrekking dat hij doelt op mensen buiten het Israël Gods: Ongelovige, niet bekeerde Heidenen die nog altijd in het machtsgebied verblijven van de overste van het gezag der lucht, de geest die thans werkzaam is in de zonen der ongehoorzaamheid.

Mochten sommigen niettemin van zichzelf claimen dat zij Christenen zijn, dan roept die bewering op z’n minst grote twijfels op, gelet op wat wij lezen in Fp 1:6, namelijk dat God bij de roeping van een christen een goed werk in hem start dat hij tot voltooiing brengt, helemaal tot een Dag van Jezus Messias. Onder de veilige leiding van zijn geest worden zij tot hun bestemming geleid.

 

Die 'zonen der ongehoorzaamheid' zijn dus heel andere personen dan werkelijk geroepen Christenen die zich in zwakheid soms in meer of mindere mate schuldig kunnen maken aan één of meerdere 'werken van het vlees'. Er is een zeer groot verschil tussen een gelovige die in zwakte in vleselijke ondeugden valt en zij die ze bedrijven, beoefenen, die zich er in wentelen; wier bestaan erdoor gekenmerkt wordt.

 

22 O δε καρπος του πνευματος εστιν αγαπη, χαρα, ειρηνη, μακροθυμια, χρηστοτης, αγαθωσυνη, πιστις,

 

De vrucht van de geest daarentegen is liefde, vreugde, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, getrouwheid,

 

23 πραυτης, εγκρατεια∙ κατα των τοιουτων ουκ εστιν νομος.

 

zachtaardigheid, zelfbeheersing; tegen zulke dingen is geen wet.

 

Tegenover de werken van het vlees (meervoud) staat de vrucht van de geest (enkelvoud), waaruit blijkt dat de deugden een harmonisch geheel vormen. Een 'vrucht' waaraan door een bron van buitenaf, de geest van God, levenskracht wordt verleend en waardoor de gelovige principieel wordt gekenmerkt.

Evenzo zou de apostel later, in Ef 5:8-11, de vrucht van het licht (enkelvoud) tegenover de werken der duisternis (meervoud) plaatsen:

 

Want eens waren jullie duisternis, maar nu licht in [de] Heer; wandelt als kinderen van licht – want de vrucht van het licht [bestaat] in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid – afwegend wat de Heer welgevallig is. En neemt niet mede deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar stelt ze veeleer aan de kaak.