Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Brief aan de Efeziërs

 

De Brief aan de Efeziërs

Inhoud

 

A. Leerstellig deel (1:1 – 3:21)

 

1. Opschrift en groet (1:1-2)

2. Lofzang voor de uitverkiezing in Gods eeuwig raadsbesluit (1:3-14)

3. Het thema van de Brief (1:15-19a)

4. Het opstandingsleven van de Messias (1:19b-23)

5. Het opstandingsleven van de leden der Gemeente (2:1-10)

6. Joden en Heidenen elkaars medeburgers; leden van Gods gezin (2:11-22)

7. Het geheimenis geopenbaard; Paulus’ apostel der Heidenen (3:1-13)

8. Gebed voor de lezers (3:14-21)

 

B. Vermanend deel (4:1 – 6:24)

 

1. Het bewaren van de eenheid (4:1-16)

a. Geen onmondigen  (4:11-16)

2. De oude en de nieuwe mens (4:17-24)

3. Navolgers van God in onze dagelijkse gedragingen (4:25 – 5:2)

4. De ondeugden van het Heidendom mijden (5:3-21)

5. Binnen het gezin en de maatschappij (5:22 – 6:9)

    - Het geheimenis van het huwelijk (5:31-32)

6. De wapenrusting Gods (6:10-20)

7. Slot en zegenwensen (6:21-24) 

           

Efeziërs 1

A. Leerstellig deel (1:1 – 3:21)

1. Opschrift en groet (1:1-2)

Voor smal lezen, zie ≥ Blogexemplaar

 

Παυλος αποστολος Χριστου Ιησου δια θεληματος θεου τοις αγιοις τοις ουσιν [εν Εφεσω] και πιστοις εν Χριστω Ιησου· χαρις υμιν και ειρηνη απο θεου πατρος ημων και κυριου Ιησου Χριστου.

 

1-2 Paulus, een apostel van Messias Jezus door [de] wil van God, aan hen die heiligen zijn en gelovigen in Messias Jezus. Liefderijke gunst voor jullie en vrede van God onze Vader en van Heer Jezus Messias.

 

Volgens de oudste tekst die ons van deze Brief is overgeleverd, de Chester Beatty Papyrus 46, wordt in de adressering in het geheel geen gemeente genoemd: τοις αγιοις ουσιν και πιστοις εν Χριστω Ιησου.

Daaruit zou afgeleid kunnen worden dat de Brief nooit gericht is geweest aan één bepaalde gemeente; daarvoor is de inhoud trouwens te algemeen en te beschouwelijk en de toon te onpersoonlijk.

 

Tegenwoordig neigt men tot de opvatting dat Paulus, als de apostel der Heidenen, de Brief bestemde voor meerdere gemeenten van christenen met een overwegend heidense, d.i. niet-joodse, achtergrond, met name die welke gelegen waren in het huidige westelijk Turkije, toentertijd bekend als Asia proconsularis (Rm 11:13; Ef 2:11-12; 3:1; 6:12).

 

Uit een vergelijking van Ef 6:21-22 met Ks 4:7-16, mag wellicht geconcludeerd worden dat Paulus, verblijvend in Romeinse gevangenschap (of: huisarrest) in de periode 60-62 AD, de Brief schreef om hem door Tychikus te laten bezorgen in de gemeente Laodicea, maar met de bedoeling dat hij ook zou worden gelezen in de nabuurgemeentes Kolosse en Hiërapolis. Hiervoor pleit ook dat Marcion een overlevering gekend moet hebben waarin men de Brief beschouwde als gericht aan Laodicea [Marcion van Sinope, ca 110-160 AD].

 

Het is overigens moeilijk te verklaren, ook historisch, waarom het Geschrift uiteindelijk bekend kwam te staan als de Brief aan de Efeziërs. Een mogelijke reden zou kunnen zijn dat Efeze de provinciehoofdstad was en later (ná 70 AD) als thuisbasis ging fungeren voor de opzienerswerkzaamheden van de apostel Johannes.

Toen deze op Patmos zijn Openbaring van Jezus Messias schreef, bleek dat Laodicea door hem die te midden van de zeven gouden lampenstandaarden wandelt, uiterst ongunstig gekwalificeerd werd (Op 1:12-13; 2:1; 3:15-18).

Maar wellicht heeft die omstandigheid geen enkele relevantie voor de gedachte die sommigen hebben dat om die reden Laodicea uit de aanhef van de Brief werd verwijderd. We zagen immers al dat in de P46 zelfs helemaal geen sprake is van een bepaalde gemeente.

 

En die gedachte lijkt ons de meest aannemelijke, vooral wanneer we onderscheiden dat de inhoud van de Brief een uiteenzetting bevat die specifiek bestemd is voor héél Christus’ Lichaam, zijn universele Gemeente (Ef 1:22-23; Ks 1:18).

Alle leden van die Gemeente - allen die heiligen zijn en gelovigen in Messias Jezus - krijgen door de Brief een inkijkje in hun roeping zodat zij kunnen weten hoe God met hen heeft gehandeld: dat hij hen, al heel lang geleden, in zijn eeuwig raadsbesluit, tevoren in Jezus kende als zijn uitverkorenen; met hem bestemd tot het zoonschap.

 

Daarom zijn zij nu, vanaf de Eerste eeuw, met de verschijning van de Messias -  die door zijn offerdood de basis voor hun verlossing legde - tot het geloof geroepen in hém. Als resultaat daarvan verheugen zij zich in een overvloed aan geestelijke zegen in de sfeer van de hemel.

 

Vanwege het algemene karakter - locale problemen komen in het geheel niet aan de orde - kan de Brief beschouwd worden als een bondige samenvatting van Paulus’ gehele onderwijs. Leringen die elders in zijn Geschriften stukje bij beetje worden behandeld, zijn hier in een indrukwekkend harmonisch geheel tezamen gebracht.

De leden van het Lichaam vinden daarin - bijna in telegramstijl - een verklaring voor hun eigen, nieuwe situatie in hun verhouding tot de Vader en zijn Zoon; een geheel nieuwe toestand die zij als resultaat van hun roeping zijn gaan ervaren.

In vers 2 heeft Paulus het uitgedrukt in een zegenwens: Liefderijke gunst voor jullie en vrede van God onze Vader en van Heer Jezus Messias.

 

Merk ook nog op hoe Paulus zichzelf beschrijft als een apostel van Messias Jezus door [de] wil van God.

Een apostel is een gezondene en Paulus liet zich er - op een gezonde wijze - op voorstaan dat hij zo’n persoon was, maar dan wel in dienst van de Messias, Jezus. Zoals hij ons in zijn Brief aan de Galaten schrijft, verscheen de Heer rechtstreeks aan hem. Bij die gelegenheid openbaarde God in hem de waarheid over Zijn Zoon, zodat hij voortaan in staat was het Evangelie aan ons, Heidenen, mede te delen en dat met grote autoriteit (Gl 1:15-16).

 

Toch kan men soms iemand horen zeggen: "Ik ben het niet eens met Paulus".

Die persoon moet zich dan wel rekenschap geven van het feit dat hij het in dat geval niet eens is met Degene die Zijn Zoon in de apostel openbaarde!

De christenen, tot wie de Brief is gericht, worden hier beschreven als heiligen en gelovigen in Messias Jezus.

De Joden, als leden van Gods uitverkoren volk, worden dikwijls ook met de term heiligen aangeduid, maar (lang) niet allen van hen zijn ook gelovigen geworden in hun eigen Messias.

 

Heiligen is overigens een beladen term. Dat heeft te maken met het verwrongen beeld dat men van een heilige heeft: iemand die zo totaal anders zou zijn dan het gewone volk - vooral met betrekking tot zijn (vermeende) hogere levensstandaard - dat men hem al gauw als een hypocriet ziet, iemand die zich wel 'mooi voordoet' maar bij wie het toch ook allemaal schijn is.

 

De NT heiligen zijn evenwel inderdaad mensen als alle anderen. Ook zij kampen met de gewone, herkenbare problemen van het leven: (soms) moeilijkheden thuis, (soms) op het werk. Ook maken zij fouten, ja, doen soms zelfs verkeerde dingen, precies als ieder ander mens die van nature Adamitisch is.

Niettemin zijn zij in een bepaald opzicht van alle andere mensen onderscheiden. Dat is trouwens ook de betekenis van het Griekse woord voor heilig: αγιος [hagios], dat wil zeggen afgezonderd, en dat met een bepaald oogmerk in Gods plan of voornemen.

 

Wat de heiligen van de christelijke Gemeente betreft, God ziet hen als de toekomstige leden van het hemelse deel van het Nieuwe Jeruzalem dat bij het begin van het Millennium vanaf God uit de hemel zal dalen met de bedoeling alle aandacht op de mensheid te richten en in hoge mate bij te dragen tot hun welzijn, in vervulling van de belofte aan Abraham gedaan (Gn 22:18; Gl 4:26; Op 21:1-4, 24).

Vanzelfsprekend heeft die verwachting en zulke bijzondere vooruitzichten een uitwerking op hun huidige manier van denken en leven. Verderop in deze Brief zal de apostel daarover nog het nodige zeggen, speciaal vanaf Ef 4:20.

 

2. Lofzang voor de uitverkiezing in Gods eeuwig raadsbesluit (1:3-14)

Ευλογητος ο θεος και πατηρ του κυριου ημων Ιησου Χριστου, ο ευλογησας ημας εν παση ευλογια πνευματικη εν τοις επουρανιοις εν Χριστω, καθως εξελεξατο ημας εν αυτω προ καταβολης κοσμου, ειναι ημας αγιους και αμωμους κατενωπιον αυτου εν αγαπη,

 

3-4 Gezegend de God en Vader van onze Heer Jezus Messias, die ons zegende in alle geestelijke zegen in de hemelsferen in [de] Messias, gelijk hij ons in hem verkoos vóór [de] grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.

 

Uitverkoren vóór [de] grondlegging der wereld…

Wat een grootse, maar ook bijna niet te vatten gedachte! Dat we al zo lang geleden in Gods voornemen bestonden en dat in een uitverkoren positie.

Hier is door de apostel het werkwoord εκλεγομαι gebruikt dat zowel op uitverkoren als (uit)verkiezing kan duiden. Het laatste heeft meer een formeel karakter, bijvoorbeeld toen Jezus van zijn leerlingen er 12 uitkoos om voortdurend bij hem te zijn (Lk 6:13).

Maar wat bij God uitverkoren is, is hem speciaal dierbaar. Dat moge blijken uit de verhouding die Hij tot zijn eigen, eniggeboren Zoon heeft:

 

En er kwam een stem uit de wolk, die zei: Deze is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar hem (Lk 9:35).

 

Hieruit kunnen we tevens begrijpen waarom de leden van de Gemeente door God uitverkoren zijn, want dit geschiedde in hem, dat wil zeggen in de Messias, Gods Zoon, die hem in de eerste plaats (zeer) dierbaar is.

Aangezien de leden van de Gemeente al het goede dat zij ervaren, ontvangen in Jezus, d.i. in de speciale verbondenheid die zij met hem hebben, zegende God ons ook in alle geestelijke zegen in de hemelsferen.

 

Het door Paulus gebruikte woord voor hemelsferen is επουρανιος, in het meervoud uiteraard.

Eπουρανιος [epouranios] is gerelateerd aan het Griekse woord voor hemel: ουρανος [ouranos]. Dat blijkt ook uit 1Ko 15:48-49, waar Paulus het hemelse tegenover het stoffelijke plaatst.

 

Bijgevolg zijn zegeningen die in de hemelsferen worden genoten, kennelijk alle weldaden die van hemelse aard zijn, die in het geestelijke vlak liggen.

Ef 2:6 is daarvan een uitgesproken voorbeeld. Terwijl christenen zich thans nog in het vlees op aarde bevinden, hebben zij in hun Messias Jezus al bij voorbaat plaatsgenomen in de hemelsferen, of zoals anderen weergeven: in de hemelse regionen [gewesten].

Zie ook Ef 6:12, waaruit kan worden afgeleid dat ook de demonen, de goddeloze geestenkrachten, zich in die regionen ophouden.

 

Alle gunst wordt ons dus door God in onze verbondenheid met de Messias geschonken. Daarvoor moet God door ons gezegend worden [ευλογητος], maar dan in de zin van dankzegging en lofprijzing.

Eigenlijk vormen de vv 3-14 - gegeven in één lange volzin - één grote lofzang op God voor alle gunst die hij ons in Messias Jezus bewijst.

De volzin valt bij nader inzien in drie delen uiteen, elk deel eindigend met de frase tot lof van zijn [Gods] heerlijkheid. Zie 1:6, 12 en 14.

 

Opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht

Dit stond God voor ogen toen wij door hem werden uitverkoren vóór [de] grondlegging der wereld.

Waarschijnlijk schildert Paulus daarmee onze uiteindelijke situatie, wanneer wij door de Opname in Gods rechtstreekse tegenwoordigheid komen te verkeren.

 

Ongeveer in de zin zoals hij ook in Ef 5:26 en 27 zal spreken over de activiteit van de Messias die zijn Gemeente, die voor hem als een Echtgenote is, heiligt, haar gereinigd hebbend met het bad des waters door het woord, om haar [bij de Opname] in haar luister aan zichzelf te kunnen aanbieden, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij heilig is en zonder smet.

Maar omdat wij in de huidige tijd volgens het principe van het onderpand leven, de geest, kunnen wij het vertrouwen koesteren dat die geest ons zal helpen ons nu reeds naar dat ideaalbeeld te richten (vv 13-14). Tegelijkertijd weten we voor onszelf dat, vanwege de 'wet der zonde' in onze leden, dit proces met veel horten en stoten verloopt (Rm 7:21 – 8:5).

Toch bevinden we ons ook in die situatie voor zijn aangezicht: κατενωπιον [katenoopion], d.i. in zijn aanwezigheid; vóór zijn ogen.

 

προορισας ημας εις υιοθεσιαν δια Ιησου Χριστου εις αυτον, κατα την ευδοκιαν του θεληματος αυτου, εις επαινον δοξης της χαριτος αυτου ης εχαριτωσεν ημας εν τω ηγαπημενω, εν ω εχομεν την απολυτρωσιν δια του αιματος αυτου, την αφεσιν των παραπτωματων, κατα το πλουτος της χαριτος αυτου, ης επερισσευσεν εις ημας εν παση σοφια και φρονησει

 

5-8 In liefde bestemde hij ons tevoren tot zoonschap voor zichzelf, door Jezus Messias, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof der heerlijkheid van zijn liefderijke gunst, waarmee hij ons in de Geliefde begunstigde. In wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving der overtredingen, naar de rijkdom van zijn liefderijke gunst, waarmee hij jegens ons overvloedig was, in alle wijsheid en inzicht.

 

Met betrekking tot de uitverkiezing van de leden der Gemeente, is God in alle opzichten met veel wijsheid en inzicht te werk gegaan, daarbij handelend vanuit zijn grote liefde voor hen.

Ver in het verleden, nog voor de grondlegging der wereld [kosmos], zag hij hen voor zich als zijn zonen, geadopteerd in zijn eigen geliefde Zoon en dat met het oogmerk dat zij gevormd zouden worden naar het beeld van die Zoon (Rm 8:29).

 

Bij hun vorming naar dat beeld, die van de Zoon, gaat het om een zeer belangrijk theologisch punt: Alleen op die wijze weet God zich namelijk verzekerd van hun blijvende getrouwheid, of - om het in de bewoordingen van vers 4 aan te geven - dat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.

Hierbij kunnen we elkaar eraan herinneren dat op een zeker moment in de geschiedenis, en wel in de periode van 120 jaar die voorafging aan de Vloed in Noachs dagen, velen van de zonen Gods van God afvielen door tegen hem in opstand te komen. In zijn Brief heeft Judas, één van Jezus’ halfbroers, het volgende daarover opgeschreven (vers 6):

 

Zo ook engelen die hun oorspronkelijke situatie niet bewaarden maar de geëigende woonplaats verlieten, heeft hij tot het oordeel van de grote Dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaard

 

Judas verwees daarmee terug naar het verslag in Gn 6:1-4.

In de aanloop naar de Vloed materialiseerden die afvallige zonen Gods zich manlijke lichamen om verbintenissen aan te gaan met "de dochters der mensen".

Vanaf die tijd kwamen zij bekend te staan als Nefilim (Gevallenen); om die reden spreekt men sindsdien van gevallen engelen.

Dit in aanmerking nemend, krijgen de woorden van vers 5 een zeer diepe betekenis: In liefde heeft hij ons tevoren tot zoonschap voor zichzelf bestemd.

 

In de Gemeente van christenen brengt de Vader derhalve een nieuwe, speciale 'generatie' van geestelijke zonen voort die voor eeuwig de zijnen zullen blijven, even verknocht aan hem als zijn eigen geliefde Zoon, voor wie het altijd al ondenkbaar was om ontrouw te zijn (Fp 2:5-9).

Het goede werk dat God in hen start bij hun roeping, zal hij zonder mankeren tot voltooiing brengen tot een Dag van Jezus Messias (Fp 1:6).

 

Het komt ons dan ook beslist niet als toevallig voor dat tegen het einde van de Brief, in Ef 6:12, ook de ontrouwe zonen Gods, de goddeloze geestenkrachten, zij die achter de onzichtbare schermen - in de hemelsferen - opereren als de werkelijke heersers van deze duisternis, duidelijk in beeld komen; en dat in schril contrast met de leden van de Gemeente, die door God als zijn nieuwe zonen worden geadopteerd, dankzij de verdiensten van de Messias.

 

Naar de rijkdom van zijn liefderijke gunst, waarmee hij jegens ons overvloedig was

In verband met Gods liefderijke gunst die hij ons in Jezus bewijst, zal Paulus nog vaker, in steeds meer superlatieve termen, melding maken van πλουτος [rijkdom] als attribuut van God.

Om ons van zondaars, hier overtreders genoemd, tot zijn zonen te maken, had God als het ware al de rijkdom van zijn goedheid nodig, maar die heeft hij dan ook overvloedig jegens ons doen zijn door voor ons verlossing, of vrijkoping, te bewerken door de kracht van Jezus’ offerbloed.

 

γνωρισας ημιν το μυστηριον του θεληματος αυτου, κατα την ευδοκιαν αυτου ην προεθετο εν αυτω εις οικονομιαν του πληρωματος των καιρων, ανακεφαλαιωσασθαι τα παντα εν τω Χριστω, τα επι τοις ουρανοις και τα επι της γης· εν αυτω, εν ω και εκληρωθημεν προορισθεντες κατα προθεσιν του τα παντα ενεργουντος κατα την βουλην του θεληματος αυτου,

 

9-11 Hij maakte ons namelijk het geheimenis van zijn wil bekend, naar zijn welbehagen dat hij zich had voorgenomen in hem, voor een huishoudelijk bestuur van de volheid der tijden, om alle dingen onder één hoofd samen te brengen in de Messias; de dingen met betrekking tot de hemelen en de dingen op de aarde, in hem, in wie wij ook tot erfgenamen werden gemaakt, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van hem die alle dingen tot stand brengt naar het raadsbesluit van zijn wil.

 

Paulus verwijst terug naar de voorafgaande verzen om te verduidelijken hoe rijkelijk wij, christenen, zijn begunstigd in de Geliefde. De Vader heeft daarmee beslist blijk gegeven van onovertroffen wijsheid en inzicht. Maar dat niet alleen, in zijn liefderijke gunst laat hij ook ons delen in die wijsheid en in dat inzicht, of begrip. Hoe? Doordat hij begonnen is ons in te wijden in het geheimenis van zijn wil. Welk geheimenis [Grieks: mysterie]?

 

Omdat het om een mysterie gaat, kan de mens dat geheimenis niet uit zichzelf te weten komen; het moet aan hem geopenbaard worden. Paulus was op het moment van schrijven al aardig ingewijd, zoals hij verderop, in Ef 3:1-7, zal toelichten. Daaruit zal ook blijken dat het mysterie of heilig geheimenis, door diverse aspecten wordt gekenmerkt. Hier wijst Paulus vooreerst op Gods raadsbesluit om tijdens de volheid der tijden een οικονομια in werking te hebben. Maar de apostel haast zich weer om er bij te zeggen dat die oikonomia slechts tot bestaan zal komen in hem, d.i. in verbondenheid met de Messias.

 

Uit een vergelijking met Ks 1:25 kunnen wij afleiden dat met oikonomia een vorm van beheer wordt bedoeld. Zelf noemde Paulus zich een oikonomos, een beheerder (1Ko 4:1-2). Oikonomia heeft in het Grieks dan ook primair de betekenis van het beheren van zaken die het huis, de huishouding, betreffen; het beheren van andermans bezittingen; maar ook de regeling van het staatkundig leven.

De oikonomia van de volheid der tijden zouden we daarom kunnen duiden als een heilsorde, een bestuur over de mensheid van Godswege.

 

Ongetwijfeld wordt daarmee gedoeld op het koninkrijk Gods dat in de 70e Jaarweek voor Israël wordt opgericht en vervolgens tijdens het gehele Millennium zal functioneren tot zegen van de mensheid. Dit wordt mede duidelijk uit het doel dat Paulus aangeeft van die oikonomia. Er moet weer orde komen in het universum. Alles in hemel en op aarde moet in harmonie met God worden teruggebracht.

Paulus gebruikt daarvoor de infinitief ανακεφαλαιωσασθαι, wat duidt op samenvatten. In Rm 13:9 vinden we dat idee terug: alle geboden van de Wet kunnen samengevat worden in dit ene woord: Je moet je naaste liefhebben als jezelf.

 

Zo moeten ook alle hemelse en aardse dingen samengevat worden in de Messias, of: onder één hoofd gebracht worden. Alles moet gericht worden op Gods Zoon die als de Mensenzoon hemel en aarde verbindt (Dn 7:13-14).

 

De waarheid dat Jezus, van oorsprong hemels, als de Mensenzoon de aarde met de hemel zou verbinden, werd op verbazingwekkende wijze al vastgelegd in het eerste vers van de Bijbel.

Zie daarvoor ו, de zesde letter van het Hebreeuwse alfabet in

Spaak 6 van het Bijbelwiel: The Link between Heaven and Earth

 

Het resultaat moet zijn dat de door de zonde veroorzaakte wanorde wordt verwijderd en het gehele universum weer in eenheid, in volkomen harmonie, met God geraakt.

En het bijzondere leerpunt voor de Gemeente bij dit alles is gelegen in haar groots vooruitzicht om daarin mee te functioneren, tezamen met de Messias. Dát wordt bedoeld met: in hem, in wie wij ook tot erfgenamen zijn gemaakt.

 

Oók dat facet maakte vanaf het begin in Gods voornemen, zijn raadsbesluit, deel uit van alle zaken die hij voor ons bestemde, waaraan wij deel zouden krijgen. Het is één van die vele zegeningen waarmee wij in de Messias zijn gezegend in de hemelsferen (vers 3).

En de gehele schepping wacht op het openbaar worden van die regeling. Vergelijk Rm 8:16-19; Ks 3:4.

 

εις το ειναι ημας εις επαινον δοξης αυτου τους προηλπικοτας εν τω Χριστω· εν ω και υμεις ακουσαντες τον λογον της αληθειας, το ευαγγελιον της σωτηριας υμων, εν ω και πιστευσαντες εσφραγισθητε τω πνευματι της επαγγελιας τω αγιω, ο εστιν αρραβων της κληρονομιας ημων, εις απολυτρωσιν της περιποιησεως, εις επαινον της δοξης αυτου.

 

12-14 Opdat wij tot lof zijner heerlijkheid zouden zijn, wij die [reeds] tevoren de hoop op de Messias hadden gevestigd; op wie ook jullie [gingen hopen], toen jullie het woord der waarheid, het Evangelie van jullie redding, hoorden. In wie ook jullie, toen jullie tot geloof kwamen, verzegeld werden met de heilige geest der belofte, welke een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het eigendom, tot lof zijner heerlijkheid.

 

Hoewel de apostel in algemene zin blijft spreken, dus met het oog op de gehele Gemeente, maakt hij hier niettemin een eerste onderscheid tussen Joden- en Heidengelovigen, maar slechts in die zin dat de eersten al ver vóór de komst van Jezus, op hem hoopten als de Messias. We doelen op die periode in de uitwerking van Gods plan toen van alle volken nog alleen nationaal Israël bij God uitverkoren was, tot zijn eigendom gemaakt, zijn speciale bezit (Ex 19:5-6).

Bij de gelegenheid dat hij terechtstond vóór koning Agrippa, maakte Paulus melding van die nationale hoop:

 

Nu sta ik terecht omdat ik hoop op de vervulling van de belofte die God aan onze voorouders heeft gedaan. Ook de twaalf stammen van ons volk hopen daarop en dienen God volhardend, dag en nacht. Omwille van deze hoop word ik door de Joden aangeklaagd, majesteit!

(Hn 26:6-7; nbv)

 

Zo horen we hem ook in Hn 28:20 tot joodse medeburgers in Rome zeggen: Wegens de hoop van Israël ben ik in deze keten gesloten.

In hun Messias verwachtten zulke godvruchtige personen als Simeon en Anna Israëls vertroosting (Lk 2:25-26, 36-38).

 

In Ef 2:11-22 zal Paulus uitgebreider terugkomen op dit onderscheid tussen Jood en Griek. Alle eeuwen dat Israël verwachtingsvol uitzag naar hun Messias, de blijvende erfgenaam van koning David, waren wij, Heidenen, "veraf"; wij hadden geen deel aan Israëls burgerschap, noch aan de beloften die aan de voorvaderen waren gedaan. Kortom, we waren zonder God in de wereld, verstoken van hoop.

 

Maar toen wij, Heidenen, tot geloof kwamen, doordat ook wij met het Evangelie werden bereikt - hier veelbetekenend door Paulus het woord der waarheid genoemd, in sterk contrast met de dwalingen van het Heidendom - werden ook wij begunstigd met de gefundeerde hoop waarvan de zekerheid geheel berust in de Messias (Hn 13:46-47).

 

In wie ook jullie, toen jullie tot geloof kwamen, verzegeld werden met de heilige geest der belofte, welke een onderpand is van onze erfenis…

Nu is het onderscheid tussen Jood en Griek nog slechts gelegen in tijd. In vers 11 vermeldde de apostel reeds dat alle leden van de Gemeente in de Messias tot erfgenamen zijn gemaakt. De bedoeling daarvan is dat we met Messias Jezus deel zullen hebben aan het herstellen van de harmonie in het gehele universum; een onbeschrijflijk groots vooruitzicht, zoals we vaststelden.

En om ons te laten weten dat die speciale erfenis ons zonder mankeren ten deel zal vallen, zijn wij allen - Jood en Griek - verzegeld met Gods heilige geest, een ieder afzonderlijk toen het tijdstip kwam voor onze roeping en wij in geloof daarop reageerden.

 

Welke een onderpand is van onze erfenis…

Het Griekse αρραβων heeft betrekking op handgeld; wij zouden het een vorm van aanbetaling kunnen noemen; de betaling van de overblijvende som wordt erdoor gewaarborgd. Zo waarborgt God ons in zijn liefderijke gunst de zekerheid van ons erfdeel in de Messias, door ons zijn heilige geest als een blijvend bezit te schenken, zoals Paulus ook elders onder woorden brengt:

 

Hij nu die ons met jullie standvastig maakt in [de] Messias en die ons zalfde [is] God, die ons ook verzegelde en het onderpand van de geest in onze harten gaf.

(2Ko 1:21-22)

Hij nu die ons juist daartoe bereidde [is] God die ons het onderpand van de geest gaf.

(2Ko 5:5)

 

In Ef 4:30 zal de apostel ons nog vermanen om de heilige geest - ons als onderpand gegeven en waarmee wij verzegeld zijn met het oog op een dag van verlossing - toch vooral niet te bedroeven door onchristelijke gedragingen, met name het onjuiste gebruik van de tong.

 

Tot verlossing van het eigendom…

Zoals voorheen nationaal Israël het speciale bezit van God was uit de volkeren, brengt hij in het Messiaanse tijdperk een nieuw, blijvend bezit voort in de vorm van het Israël Gods. Dat ware, verloste Israël zal tenslotte bestaan uit alle uitverkorenen van de twee gemeentes in Gods voornemen (Rm 9:6; Gl 6:16).

Maar dat alles zal wederom dienen tot lof van zijn heerlijkheid; het refrein in deze lofzang.

 

3. Het thema van de Brief (1:15-19a)

Δια τουτο καγω, ακουσας την καθ υμας πιστιν εν τω κυριω Ιησου και την αγαπην την εις παντας τους αγιους, ου παυομαι ευχαριστων υπερ υμων μνειαν ποιουμενος επι των προσευχων μου, ινα ο θεος του κυριου ημων Ιησου Χριστου, ο πατηρ της δοξης, δωη υμιν πνευμα σοφιας και αποκαλυψεως εν επιγνωσει αυτου, πεφωτισμενους τους οφθαλμους της καρδιας [υμων] εις το ειδεναι υμας τις εστιν η ελπις της κλησεως αυτου, τις ο πλουτος της δοξης της κληρονομιας αυτου εν τοις αγιοις, και τι το υπερβαλλον μεγεθος της δυναμεως αυτου εις ημας τους πιστευοντας

 

15-19a Om die reden ook, daar ik gehoord heb van het geloof dat jullie hebben in de Heer Jezus en van de liefde tot alle heiligen, houd ik niet op voor jullie te danken, [jullie] noemend in mijn gebeden. Opdat de God van onze Heer Jezus Messias, de Vader der heerlijkheid, jullie geve een geest van wijsheid en van openbaring in een verdiepte kennis van hem, doordat de ogen van jullie hart verlicht zijn. Opdat jullie weten wat de hoop van zijn roeping, wat de rijkdom van de heerlijkheid van zijn erfenis in de heiligen is; en wat de allesovertreffende grootheid is van zijn kracht jegens ons die geloven.

 

Paulus heeft geconstateerd dat óók zijn lezers, afkomstig uit de Heidenen, tot geloof zijn gekomen in de Messias toen zij het Evangelie over hem vernamen; dat zij bijgevolg hun hoop op hem zijn gaan vestigen, precies zoals de Joden al voorheen hadden gedaan; en dat zij, evenals hun joodse broeders in het geloof, het onderpand van de geest ontvingen, en met hén deel kregen aan alle geestelijke zegeningen (in de hemelsferen), opgesomd in de vv 3-14.

 

Paulus vindt daarin een goede reden om dank te brengen aan God; hier door hem genoemd de Vader der heerlijkheid. Want hij is de oorsprong van al het heerlijk grootse. Een speciale aanleiding om God dank te zeggen voor alle heerlijke dingen die de Gemeente ervaart; dát is de tijding die Epafras de apostel heeft gebracht.

Vergelijk Ks 1:3-8.

Door hem heeft hij gehoord over het geloof dat zij nu hebben in de Heer Jezus, en ook over de liefde welke zij zijn gaan koesteren ten aanzien van alle heiligen, allen die tot het Lichaam van de Messias behoren.

 

Geloof, hoop en liefde, de drie pijlers van een christelijk geloofsleven, zijn bij hen aanwezig (1Ko 13:13).

Zo is ook nu één van de aanwijzingen dat wij werkelijk christenen zijn, en dat wij een waarachtig geloof bezitten, gelegen in het feit dat onze liefde uitgaat naar allen die door God tot leden van het Lichaam geroepen zijn, waarbij het niet uitmaakt wat voor persoon elk afzonderlijk lid is. Graag zullen we ons hart voor een ieder van hen openstellen en verder bekend met hen willen raken.

 

Terloops constateren wij uit het feit dat Paulus had moeten horen over de hoop en de liefde van zijn lezers, dat onze Brief niet aan de broeders in Efeze geadresseerd geweest kan zijn, want met hen was Paulus immers zeer goed bekend (Hn 19:1, 8-10).

Tegelijkertijd is daarin een aanmoediging gelegen voor ons die, zoveel verder in de tijd, ook tot leden van het Lichaam zijn gemaakt. We kunnen Paulus’ bede opvatten als bestemd voor de gehele Gemeente, voor alle generaties van christenen die door de eeuwen heen, tot nu toe, zijn verschenen in Gods voornemen. De apostel heeft destijds ons allen, Heidenchristenen, in zijn gebed voor Gods aangezicht gebracht.

 

Om die reden kunnen wij het vertrouwen koesteren dat God ook ons zal verlichten, geestelijk en mentaal, wanneer wij ons - in ons verlangen beter bekend te raken met zowel hemzelf als met de betekenis van onze roeping in zijn Zoon - onder gebed tot zijn Woord wenden.

 

Het is dus duidelijk niet Gods wens dat wij maar oppervlakkig met hem en onze Heer, de Messias, bekend zijn. Want in dat geval zal onze relatie tot beide zwak zijn en ons christelijk leven vlak, gespeend van werkelijke inhoud.

Nee, God schenkt ons graag een geest van wijsheid en van openbaring in een verdiepte kennis van hem.

Hij wil dat wij grondig bekend raken met de inhoud van onze roeping, hoe glorierijk de erfenis is die wij met de andere heiligen delen. Wij kunnen en mogen hopen op buitengewone dingen; onze vooruitzichten zijn groots; God heeft ons erfdeel in rijke mate met zijn heerlijkheid bekleed.

 

En wat de allesovertreffende grootheid is van zijn kracht jegens ons die geloven…

Ook omtrent dit punt moeten wij goed geïnformeerd zijn. Waarom?

Als zwakke mensen die wij van nature zijn wegens onze Adamitische herkomst, zouden wij namelijk in één van de volgende twee fouten kunnen vervallen:

Enerzijds zouden we ons zo overweldigd kunnen voelen door de glorierijke vooruitzichten die hier onder onze aandacht worden gebracht, dat we ons bijna niet kunnen voorstellen dat ze ook voor ons zijn weggelegd; we voelen ons er gewoon te klein voor, in het geheel niet waardig.

Aan de andere kant zouden we zo vol zelfvertrouwen kunnen worden - God begunstigt ons immers met een groot geestelijk bezit; ook leidt hij ons onfeilbaar naar onze bestemming - dat wij die zaken min of meer als vanzelfsprekend gaan vinden en/of ons er misschien wel op laten voorstaan.

 In beide gevallen moeten we in gedachten houden dat wij niets van dit alles uit onszelf hebben verworven; en óók dat we niets (kunnen) doen in eigen kracht. God bewerkt deze grootse dingen in ons. En dat met een kracht die onweerstaanbaar is en alles overweldigend.

 

In het volgende hoofdstuk zullen wij bijvoorbeeld zien dat het geloof, waardoor we gered worden, zijn gave is. Zelfs de eventuele goede daden onzerzijds heeft hij tevoren bereid en kunnen we slechts volbrengen in onze verbondenheid met de Messias.

Wij, nietige en zwakke mensen, bestaan al heel lang in zijn plan; in vertrouwen daarop kunnen wij ons derhalve geheel aan hem overgeven. In dat geval zullen wij stapje voor stapje meer te weten komen omtrent de rijke inhoud van zijn voornemen ten aanzien van ons. Maar zelfs dan zullen we, aan deze zijde van de Opname, maar nauwelijks kunnen bevroeden hoe de werkelijkheid zich uiteindelijk zal ontvouwen.

 

4. Het opstandingsleven van de Messias (1:19b-23)

κατα την ενεργειαν του κρατους της ισχυος αυτου ην ενηργησεν εν τω Χριστω εγειρας αυτον εκ νεκρων, και καθισας εν δεξια αυτου εν τοις επουρανιοις υπερανω πασης αρχης και εξουσιας και δυναμεως και κυριοτητος και παντος ονοματος ονομαζομενου ου μονον εν τω αιωνι τουτω αλλα και εν τω μελλοντι· και παντα υπεταξεν υπο τους ποδας αυτου, και αυτον εδωκεν κεφαλην υπερ παντα τη εκκλησια, ητις εστιν το σωμα αυτου, το πληρωμα του τα παντα εν πασιν πληρουμενου.

 

19b-23 Het is overeenkomstig de werking van de macht van zijn sterkte, die hij aanwendde in de Messias door hem vanuit [de] doden op te wekken en aan zijn rechterhand plaats te doen nemen in de hemelsferen, hoog boven alle overheid en gezag en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze eeuw, maar ook in de toekomstige. En hij onderwierp alle dingen aan zijn voeten en gaf hem [als] Hoofd over alle dingen met betrekking tot de Gemeente, welke zijn Lichaam is, de volheid van hem die alle dingen in alle zaken volledig maakt. 

 

 

De allesovertreffende grootheid van zijn kracht welke God jegens ons, gelovigen, aanwendt, opdat onze bestemming in zijn voornemen wordt verwezenlijkt, manifesteerde hij al eerder. Dat geschiedde toen hij zijn dierbare Zoon opwekte. En de apostel probeert uit te leggen welk een grote macht achter die daad schuil ging; allereerst spreekt hij er over als de macht van zijn [Gods] sterkte.

We dienen namelijk te beseffen dat Gods Zoon door zijn offerdood werkelijk te midden van de doden was geraakt. Gedurende drie dagen bestond hij niet, behalve alleen nog in Gods herinnering.

 

Vergelijk Lk 20:37-38 en zie het commentaar bij 1Ko 15:35-38, waar aannemelijk wordt gemaakt dat tijdens ons doodzijn ons intellect cq ons zelfbewustzijn bij God in bewaring wordt gehouden.

 

Om Jezus tot het bestaan terug te brengen, en dat niet als de mens die hij voordien was geweest, maar als een machtig geestelijk personage, moest God die Zoon opnieuw voortbrengen of herscheppen.

In Hb 1:3 wordt ons meegedeeld dat de Zoon sinds zijn herschepping de afstraling is van [Gods] heerlijkheid, de exacte weergave van diens wezen.

Daarvoor heeft God inderdaad de macht van zijn sterkte moeten aanwenden, de allesovertreffende grootheid van zijn kracht.

 

Het aanwenden van die macht en sterkte leidde er verder toe dat God zijn Zoon, overeenkomstig de voorzeggingen in Psalm 110, aan zijn eigen rechterhand in de hemel kon laten plaats nemen, waardoor het vooruitzicht - dat mettertijd al de vijanden van hem en zijn Vader onder zijn voeten worden gelegd - nog meer tot een reëel perspectief is geworden (1Ko 15:24-28).

In die positie is hij hoog verheven boven al Gods andere schepselen die een vorm van heerschappij namens hem mogen uitoefenen. De gehele schepping dient hem voortaan als Heer te erkennen, daaraan openlijk uiting gevend, en dat tot meerdere heerlijkheid van God, die al deze dingen ten behoeve van zijn Zoon bewerkte.

Zie: Mt 28:18; Fp 2:8-11; 1Pt 1:18, 22.

 

Maar laten we Paulus’ punt van uitgang bij dit alles vooral in gedachten houden: Diezelfde kracht en diezelfde macht is God ook begonnen aan te wenden ten aanzien van ons, opdat wij uiteindelijk onze door hem beoogde bestemming zullen bereiken en met alle andere leden van de Gemeente zullen delen in de rijkdom der heerlijkheid van zijn erfenis (vers 18).

De apostel vermeldt nóg een reden om ons van de zekerheid van dit perspectief te overtuigen:

 

En hij gaf hem [als] Hoofd over alle dingen met betrekking tot de Gemeente, welke zijn Lichaam is, de volheid van hem die alle dingen in alle zaken volledig maakt.

 

Wij zijn Jezus’ deelgenoten geworden: de Gemeente is zijn Lichaam, waarvan hijzelf het Hoofd is en wij de ledematen.

Over dat feit moet niet gering gedacht worden, want het is nu eenmaal zo dat er zonder lichaam geen hoofd is. Een hoofd is pas echt werkzaam als het met een lichaam verbonden is.  

Wat wil dat zeggen, toegepast op onze verhouding tot Jezus, de Messias?

 

Dat er zonder de Gemeente voor Messias Jezus geen sprake is van ware volheid. Zonder zijn Lichaam, de Gemeente, is ons Hoofd incompleet, althans in Gods bedoelingen met hem!

In zijn voornemen is de opgewekte, verheerlijkte Messias aan de Gemeente gegeven als Hoofd. In die verbondenheid wil God verwezenlijken wat de apostel al in 1:9-11 onder woorden bracht: de orde in het universum herstellen en alles weer terugbrengen in volledige harmonie met God. En het is de erfenis van de Gemeente om daarin mee te functioneren.

 

Die samenwerking levert een volheid op, waaruit in Gods voornemen zodanig geput kan worden dat alle zaken, welk aspect maar ook van het leven in het universum, tot de volledigheid gebracht kunnen worden welke God altijd al voor ogen stond.

Dáárom horen Jezus en de Gemeente als Hoofd en Lichaam bij elkaar; en dáárom wendt God zijn grote macht, die hij in het geval van zijn Zoon heeft laten gelden, ook ten behoeve van de Gemeente aan.

 

Dat de volheid tussen Hoofd en Lichaam wederkerig is, kan ook uit Ks 1:18-19 en Ks 2:3, 9-10 afgeleid worden. Alleen heeft de Messias in alles de voorrang.  

Overigens wordt met Hoofd en Lichaam ook de organische gemeenschap getekend, waarin de Messias voor de Gemeente de bron wordt van leven, groei en leiding. In Ef 4:15-16 zal Paulus daarover nog in details treden.

 

Efeziërs 2

 

5. Het opstandingsleven van de leden der Gemeente (2:1-10)

Και υμας οντας νεκρους τοις παραπτωμασιν και ταις αμαρτιαις υμων, εν αις ποτε περιεπατησατε κατα τον αιωνα του κοσμου τουτου, κατα τον αρχοντα της εξουσιας του αερος, του πνευματος του νυν ενεργουντος εν τοις υιοις της απειθειας· εν οις και ημεις παντες ανεστραφημεν ποτε εν ταις επιθυμιαις της σαρκος ημων, ποιουντες τα θεληματα της σαρκος και των διανοιων, και ημεθα τεκνα φυσει οργης ως και οι λοιποι·

 

1-3 En jullie, doden zijnde in jullie overtredingen en zonden, waarin jullie eens wandelden overeenkomstig de eeuw van deze wereld, overeenkomstig de overste van het gezag der lucht, de geest die thans werkzaam is in de zonen der ongehoorzaamheid; onder wie ook wij allen eens verkeerden in de begeerten van ons vlees, doende de wil van het vlees en de wil der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, evenals de overigen…

 

De volzin is elliptisch; om er een volledige zin van te maken had de apostel nog iets moeten inlassen. Dat ontbrekende noemt hij pas in vers 5: In onze geestelijk dode toestand - ten prooi aan de funeste invloed van de onzichtbare demonenwereld, waarin wij ons, precies als onze Adamitische medemens, overgaven aan vleselijke verlangens en dus feitelijk in aanmerking kwamen voor Gods oordeel als uitdrukking van zijn ontstemming - heeft Hij ons niettemin levend gemaakt.

 

Door ons op deze wijze met de achtergrond van ons ongunstige verleden te confronteren, benadrukt de apostel eens te meer de allesovertreffende grootheid van zijn kracht die God jegens ons aanwendde (Ef 1:19).

Wat God eerder aan de Messias deed, heeft hij ook aan de lezers, en trouwens jegens alle leden van het Lichaam, gedaan. Precies zoals met Jezus plaats vond, zijn ook alle christenen levend gemaakt, maar dan, in hun geval, vanuit een geestelijk dode toestand. Door hun overtredingen en zonden waren zij immers als doden voor God: En jullie - doden zijnde in de overtredingen en de onbesnedenheid van jullie vlees - jullie maakte hij mede levend tezamen met hem, terwijl hij ons alle overtredingen goedgunstig vergaf (Ks 2:13).

 

In die situatie hadden wij een allesbehalve fraaie levenswandel. Die spoorde namelijk met het huidige wereldtijdperk dat al sinds de Spraakverwarring de mensheid domineert. De overste van het gezag der lucht - synoniem met overste der demonen, de Beëlzebul van Mt 12:24, Satan - kon immers met Gods toelating de "heerser der wereld" worden toen God zijn bestuur voor een periode van Zeven Tijden opschortte.

Het vacuüm dat ontstond in heerschappij "in het koninkrijk der mensheid" toen de aanvankelijk verenigde mensheid uiteen viel in een lappendeken van vele afzonderlijke nationale entiteiten, die ook nog eens hun eigen weg mochten gaan, werd onmiddellijk door de Duivel opgevuld.

 

Zie: Gn 10:32 – 11:9; Dn 4:10-17; Hn 14:16; Lk 4:5-6; Jh 14:30.

 

Niet alleen dat de Duivel heerser over de mensheid werd, hij kon zich ook als de ‘god’ van dit wereldtijdperk opwerpen. Als overste van het gezag der lucht, mobiliseerde hij zijn demonenmacht om voortaan het mensdom ook in religieuze zaken aan de teugel mee te voeren. Uiteraard werd het mensdom daardoor in een diepe geestelijke duisternis gedompeld. Het gevolg daarvan is dat nog altijd het licht van het evangelie van de heerlijkheid der Messias hun verblinde geestvermogens niet kan bereiken, behalve door bovennatuurlijke tussenkomst (2Ko 4:4; 3:14-16; Ef 6:10-12).

 

Intussen verkeert de mensheid in een zodanige vervreemding ten aanzien van de ware God dat de meerderheid zich voortdurend overgeeft aan wat het vlees en de gedachten willen, opgesloten als men is in de situatie van ongehoorzaamheid (Rm 11:32).

Ruiterlijk geeft Paulus toe dat de Joden er wat dat betreft niet beter voorstonden dan de mensen uit het Heidendom. Allen hebben het zondige verleden dat gekenmerkt wordt door allerlei overtredingen jegens de reine en heilige God.

Van nature kinderen des toorns zijn, duidt in dit verband niet op de natuurlijke afstamming welke op Adam teruggaat, maar op de situatie die op natuurlijke wijze ontstaat als men zich buiten Gods genadige invloedssfeer bevindt.

Ongetwijfeld helpt deze visie en dit inzicht ons onze medemens met groot mededogen te bezien!

 

ο δε θεος πλουσιος ων εν ελεει, δια την πολλην αγαπην αυτου ην ηγαπησεν ημας, και οντας ημας νεκρους τοις παραπτωμασιν συνεζωοποιησεν τω Χριστω – χαριτι εστε σεσωσμενοι – και συνηγειρεν και συνεκαθισεν εν τοις επουρανιοις εν Χριστω Ιησου, ινα ενδειξηται εν τοις αιωσιν τοις επερχομενοις το υπερβαλλον πλουτος της χαριτος αυτου εν χρηστοτητι εφ ημας εν Χριστω Ιησου.

 

4-7 Maar God, die rijk is aan barmhartigheid, maakte ons, vanwege zijn diepe liefde waarmee hij ons liefhad, toen óók wij doden waren in de overtredingen, levend tezamen met de Messias – door liefderijke gunst zijn jullie geredde [mensen] – en hij wekte ons mede op en deed ons mede plaats nemen in de hemelsferen in Messias Jezus, opdat hij in de toekomstige eeuwen de allesovertreffende rijkdom van zijn liefderijke gunst zou laten zien in [de] goedheid jegens ons, in de Messias Jezus.

 

De apostel gebruikt drie aoristen om aan te geven wat God in zijn barmhartigheid en diepe liefde jegens ons, reeds met ons heeft gedaan:

In onze verbondenheid met Christus ¹maakte Hij ons levend en ²wekte hij ons op vanuit onze geestelijk dode toestand, zoals Hij ook met Jezus deed; hij echter vanuit een lichamelijke dood. En zoals Jezus bij zijn hemelvaart aan Gods rechterhand werd geplaatst, hebben ook wij bij voorbaat ³onze plaatsen ingenomen in de hemelsferen. De aoristen duiden op tijdstippen in het verleden.

 

Een en ander ligt opgesloten in het gebruik van mede of tezamen met. De prepositie συν heeft de waarde van tegelijk met.

Aangezien de Gemeente Jezus’ Gemeentelichaam is, zijn volheid, werden wij, als de leden daarvan, in principe levend gemaakt, opgewekt en in de hemelsferen geplaatst, toen God die machtsdaden aan zijn Zoon voltrok.

 

In Romeinen, hoofdstuk 6, had Paulus die belangrijke leer al eerder uiteengezet.

Wanneer wij door de geest van God in de Messias worden gedoopt, worden wij in zijn dood gedoopt. Wij sterven dan met hem, worden met hem begraven, maar ook met hem levend gemaakt en opgewekt om in een nieuwheid des levens te wandelen (Rm 6:3-4; 1Ko 12:12-13).

De Gemeente ervaart dit alles in het kader van het onderpand van de geest, de aanbetaling, terwijl ze onderweg is naar de uiteindelijke vervulling, de betaling van de hoofdsom.

 

Wanneer de mensheid in het Millennium wordt opgewekt, voor de Grote Witte Troon zal verschijnen en onderwijs zal ontvangen in Gods rechtvaardige Weg - met de bedoeling dat zij ook zelf overeenkomstig rechtvaardigheid kunnen gaan leven - zullen zij onder meer vernemen welke grote goedheid de Vader in de Messias betoond heeft aan de Gemeente. Aldus zullen zij een idee krijgen van de allesovertreffende rijkdom van zijn liefderijke gunst. Naar wij mogen verwachten zullen de oprechten onder hen zich daardoor buitengewoon aangemoedigd voelen om zo’n God van harte lief te hebben en te gehoorzamen (Op 20:11-15; 2Pt 3:13; Js 26:9).

 

τη γαρ χαριτι εστε σεσωσμενοι δια πιστεως· και τουτο ουκ εξ υμων, θεου το δωρον· ουκ εξ εργων, ινα μη τις καυχησηται. αυτου γαρ εσμεν ποιημα, κτισθεντες εν Χριστω Ιησου επι εργοις αγαθοις οις προητοιμασεν ο θεος ινα εν αυτοις περιπατησωμεν.

 

8-10 Want door liefderijke gunst zijn jullie geredde [mensen], door geloof; en dat niet uit jullie, [het is] de gave Gods; niet uit werken, opdat niet iemand zou roemen. Want zijn maaksel zijn wij, in Messias Jezus geschapen [met het oog] op goede werken, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

 

Door liefderijke gunst zijn jullie geredde [mensen]…

Die gedachte, welke de apostel al in vers 5 uitte, gaat hij nu kort toelichten; kort in vergelijking met zijn Romeinenbrief waar hij het thema redding uit geloof -enkele jaren eerder- uitvoerig behandelde. Na het thema in Rm 1:17 ingeleid te hebben met de woorden:

 

Want Gods rechtvaardigheid wordt daarin geopenbaard: Uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: Maar de rechtvaardige, uit geloof zal hij leven.

 

bereikt zijn redenatie een climax in Rm 3:20-27

 

Daarom [geldt]: Uit werken der Wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor zijn aangezicht; door de Wet [is er] immers grondige kennis van zonde. Maar nu is, buiten de Wet om, Gods rechtvaardigheid geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten wordt getuigd, namelijk rechtvaardigheid Gods wegens getrouwheid van Jezus Messias, voor allen die geloven. Want er is geen onderscheid; want allen zondigden en komen te kort aan de heerlijkheid Gods. Naar zijn liefderijke gunst worden zij vrijelijk gerechtvaardigd door de verlossing die in Messias Jezus is.

Hem stelde God als verzoendeksel door het geloof in zijn bloed, tot betoon van zijn rechtvaardigheid, door voorbij te gaan aan de zonden die vroeger hadden plaats gevonden tijdens de verdraagzaamheid van God. Hij deed dit om zijn rechtvaardigheid te tonen in deze tijd, opdat hij zelf rechtvaardig is en degene rechtvaardigt die uit [de] getrouwheid van Jezus [is]. Waar [blijft] dan het roemen? Het werd uitgesloten.

 

Zijn maaksel zijn wij…

Paulus plaatst Gods aloorzakelijkheid scherp in het licht. We hebben niets van onszelf; en wij hebben ook niets uit onszelf voortgebracht. Zoals Paulus al eerder in 2Ko 5:17-18 schreef, zijn allen die in de Messias leven een nieuwe schepping. Voor hen hebben de vroegere dingen afgedaan, aangezien zij in een geheel nieuwe situatie zijn gebracht.

 

Voor ons betekent dat onder meer dat we deel kregen aan een nieuwe, geestelijke identiteit. We zijn in veel opzichten niet langer de personen die wij voorheen waren, omdat we niet meer worden geassocieerd met Adam, maar met de Messias; dus niet langer een in Adam gevallen kind, maar een zoon van de levende God.

 

Ook hebben we in zekere zin al, mede met Messias Jezus, plaats genomen in de hemelse regionen; we zijn in aanraking gekomen met de hemel! Maar…, zo voegt Paulus er meteen aan toe, al die dingen vinden bij God hun oorsprong, bij hem die zichzelf met ons verzoende door de Messias. God ontwierp ook het verlossingsplan: 

 

Nu dan, indien iemand in [de] Messias [is], [is hij] een nieuwe schepping. De dingen van oudsher gingen voorbij; zie, nieuwe dingen ontstonden. Maar alle dingen [zijn] uit God die ons met zichzelf verzoende door [de] Messias, en die ons de bediening der verzoening gaf.

 

Bij die nieuwe situatie behoort ook een nieuwe levenswijze, welke gekenmerkt wordt door daden en uitingen van geloof. Ook die ‘werken' heeft God voor ons ontworpen, ver in het verleden toen hij zich voornam om ons in zijn Zoon als een nieuwe schepping voort te brengen. Door het gebruik van de frase tevoren bereid, worden wij geholpen die werken niet foutief aan eigen kracht toe te schrijven. Omdat wij tot het besef zijn gekomen dat wij door wettische ‘werken’ geen rechtvaardige positie bij God kunnen verwerven, zouden we wellicht geneigd zijn om werken/daden van geloof wél aan onszelf toe te schrijven. In dat geval zouden we dan tóch nog een reden hebben om ons op onszelf te beroemen.

 

Maar God heeft ook die mogelijkheid uitgesloten. Alleen dankzij Gods liefderijke gunst worden wij in staat gesteld heilzame dingen te doen, waarvan, bijvoorbeeld, medemensen baat ontvangen. Omdat God ze al voor ons bereidde, wachten ze bij wijze van spreken op ons; als wij ons door de geest laten leiden, zullen wij ze bij de juiste gelegenheid aangrijpen en erin ‘wandelen’, d.i. ons erin laten betrekken.

Onder meer in Ef 4:28-32 wordt ons een idee gegeven van zulke ‘werken’.

 

6. Joden en Heidenen elkaars medeburgers; leden van Gods gezin (2:11-22)

Διο μνημονευετε οτι ποτε υμεις τα εθνη εν σαρκι, οι λεγομενοι ακροβυστια υπο της λεγομενης περιτομης εν σαρκι χειροποιητου, οτι ητε τω καιρω εκεινω χωρις Χριστου, απηλλοτριωμενοι της πολιτειας του Ισραηλ και ξενοι των διαθηκων της επαγγελιας, ελπιδα μη εχοντες και αθεοι εν τω κοσμω. νυνι δε εν Χριστω Ιησου υμεις οι ποτε οντες μακραν εγενηθητε εγγυς εν τω αιματι του Χριστου.

 

11-13 Houdt daarom in gedachten dat jullie, eens de Heidenen in [het] vlees, onbesneden genoemd door de zogeheten besnijdenis in het vlees, met handen aangebracht, dat jullie in die tijd zonder Messias waren, vervreemd van Israëls burgerschap en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbend en zonder god in de wereld. Maar thans, in Messias Jezus, zijn jullie die eens veraf waren, dichtbij gekomen in het bloed van de Messias.

 

In Ef 1:12-14 maakte Paulus al een eerste onderscheid tussen Joden- en Heidengelovigen. Nu treedt hij in details.

Alle eeuwen dat Israël hoopvol uitzag naar hun Messias, de aan koning David beloofde blijvende erfgenaam, waren wij, Heidenen, "veraf".

Van alle dingen die Israël als uitverkoren volk in religieus opzicht bezat, waren wij, de Heidenvolken, geheel verstoken. We hadden geen deel aan Israëls burgerschap, noch aan de Abrahamitische belofte en de verbonden die daarmee samenhingen.

 

Israël had in het vlees het teken van het Abrahamitische Verbond: de besnijdenis (Gn 17:9-14). Maar wij hadden geen band met God en kenden hem ook niet: Maar destijds, toen jullie God niet werkelijk kenden, verkeerden jullie in slavernij aan de dingen der natuurlijke orde die geen goden zijn (Gl 4:8).

Dus was er, naar het scheen, ook geen hoop op een betere toekomst. Een God van liefde, die voorzieningen voor zijn kinderen treft, nu en voor de toekomst, was ver buiten ons patroon van denken.

 

Onze situatie toen wordt treffend voorgesteld door de berooide staat waarin de "verloren zoon" uit de gelijknamige parabel geraakte toen hij het vaderlijk huis de rug toekeerde.

In die parabel herkennen we in de beide broers twee historische gestalten:

de oudere: de mensen in de geslachtslijn van Sem via de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jakob, uitmondend in de natie Israël. Vergelijk Gn 11:10-26.

de jongere: de Heidenwereld daarbuiten.

 

Ten tijde van de Spraakverwarring kwam de Heidenwereld buiten die speciale geslachtslijn in verzet tegen Jahweh God, wat leidde tot hun verstrooiing over de hele aarde. In die situatie liet God dát deel van de mensheid haar eigen weg gaan, met als resultaat dat ze al snel in een diepe geestelijke duisternis werd gedompeld en in alle opzichten ontaardde.

 

Vergelijk Gn 10:8-10; 11:4-9; Hn 14:16-17; Rm 1:21-23, 28; Ef 2:2-3; 6:12.

 

En hij ging heen en verbond zich met één van de burgers van dat land, en [die] zond hem naar zijn velden om zwijnen te hoeden. En geregeld begeerde hij verzadigd te worden met de schillen die de zwijnen aten, en niemand gaf [ze] hem.

 

Zie: Het verlorene gevonden: Lk 15:11-32

 

De Heidenwereld die Satan tot ‘god’ heeft, heeft geen geestelijke voeding te bieden, hooguit geestelijk afval, in 1Tm 4:1 door de apostel aangeduid als leringen van demonen. In die situatie van geestelijke verpaupering zijn veel oprechte mensen op zoek gegaan naar God, maar pas in de Eerste eeuw ging er werkelijke hoop voor hen gloren. De verschijning van de Messias maakte alles anders.

 

Buiten een gering overblijfsel, een uitverkoren deel, kwam nu de oudere broer in verzet tegen God. Israël als natie sloot zich op in verharding jegens haar Messias, en werd op haar beurt door God opgesloten in ongehoorzaamheid. 

In die opgesloten situatie had de Heidenwereld tot dan toe verkeerd, maar met de misstap van Israël, gingen voor de Heidenvolken ‘de deuren juist open’: De misstap der Joden betekende redding voor de wereld; hun vermindering rijkdom voor de Heidenvolken.

Zie het bekende hoofdstuk Romeinen 11, waarin de omkeer der rollen indringend door Paulus wordt getekend (vv 1-7, 11-12, 30-32).

 

Maar thans, in Messias Jezus, zijn jullie die eens veraf waren, dichtbij gekomen in het bloed van de Messias…

Tegenover het verleden - eens…zonder Messias - staat nu het heden: in Messias Jezus. Vroeger veraf, nu dichtbij. En dat alles is te danken aan de verlossersdood van de Messias. De waarde van diens bloed wordt door God nu ook van toepassing verklaard op gelovigen, die hij uit de Heidenvolken roept om deel te gaan uitmaken van Jezus’ Lichaam, zijn Gemeente.

De verreikende effecten daarvan gaat Paulus nu toelichten:

 

Αυτος γαρ εστιν η ειρηνη ημων, ο ποιησας τα αμφοτερα εν και το μεσοτοιχον του φραγμου λυσας, την εχθραν, εν τη σαρκι αυτου, τον νομον των εντολων εν δογμασιν καταργησας, ινα τους δυο κτιση εν αυτω εις ενα καινον ανθρωπον ποιων ειρηνην, και αποκαταλλαξη τους αμφοτερους εν ενι σωματι τω θεω δια του σταυρου, αποκτεινας την εχθραν εν αυτω.

 

14-16 Want hijzelf is onze vrede, hij die de beiden één heeft gemaakt en de scheidsmuur der omheining, de vijandschap, heeft afgebroken, doordat hij in zijn vlees de Wet der geboden -[bestaande] in voorschriften- buiten werking stelde. Opdat hij de twee in hemzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, [aldus] vrede stichtend, en de beiden in één Lichaam volledig met God zou verzoenen door de martelpaal, waardoor hij de vijandschap ter dood bracht in hemzelf.

 

Hijzelf is onze vrede…

De apostel verwijst met die woorden naar de relatie Joden-Heidenen, een niet onbelangrijk theologisch thema, toen, in de Eerste Eeuw, maar ook nu nog, terwijl er sindsdien al bijna twee millennia zijn verstreken.

Een theologisch item dus, maar wij doen er goed aan verder te zien dan slechts het theologische gezichtspunt. In elke situatie waarin zich een conflict voordoet, en de vrede bedreigd wordt, is dit principe de weg naar vrede en het behoud ervan: de Messias, hijzelf is onze vrede; binnen groepjes van christenen, maar ook thuis, in het gezin; en niet als laatste: in onze eigen geest.

 

Maar inderdaad, in de vv 14 en 15, heeft Paulus de twee groepen in gedachten waarin destijds de wereld der mensheid globaal werd verdeeld: Joden en Heidenen. Denk nog even terug aan de twee broers in de parabel van de Verloren zoon: de oudere [Israël naar het vlees] en de jongere broer [de Heidenwereld sinds de Spraakverwarring]; tussen die beiden heeft de Messias vrede gebracht. Hoe? Door met zijn offerdood het grote obstakel dat beide groepen in de weg stond, te verwijderen, of, en wellicht beter geformuleerd: buiten werking te stellen, aangezien het obstakel een functionerend Wetstelsel was [en voor het merendeel der Joden nog steeds is].

 

Vanzelfsprekend hebben we het over de Mozaïsche Wetgeving, bestaande uit talrijke geboden, in voorschriften vastgelegd [δογματα; Ned: dogma’s, in de vorm van bepalingen, inzettingen, voorschriften].

Daardoor werden de Joden afgezonderd van de Heidenvolken. In Ps 147:19-20 wordt ons getoond dat Israël daarmee een bijzonder begunstigd volk was:

 

Hij maakt zijn woorden aan Jakob bekend, zijn wetten en voorschriften aan Israël. Met geen ander volk heeft hij zich zo verbonden, met zijn wetten zijn zij niet vertrouwd. Looft Jah!

 

Omdat zij ‘aangestuurd’ werden door Gods heilzame wetten en voorschriften, werd door de Mozaïsche Wetgeving voor Israël een wal opgeworpen tegen de vele schadelijke heidense invloeden. De Wet was als een muur of omheining die de heidense ontaarding in haar vele vormen ‘buiten de deur’ moest houden. 

Maar, zoals verwacht kon worden, resulteerde die wal van scheiding wel in hevige animositeit tussen beide volken, die twee ‘broers’. In de loop der eeuwen werd ze aanleiding tot een wederzijdse vijandschap.

Vergelijk Ps 68:16-17; 83:1-5.

 

Hoe kon de offerdood van de Messias die Wetgeving formeel buiten werking stellen?

Het antwoord is gelegen in het feit dat God door dat Wetsysteem een uitgebreid scala van voorafbeeldingen liet opvoeren. Die voorafbeeldingen of typen worden ook wel schaduwen genoemd, en een schaduw is geen werkelijkheid.

Zo waren de Tabernakel (later de Tempel), de offers die daar werden gebracht en de priesterschap welke daarin functioneerde, schaduwen die vooruitwezen naar toekomstige werkelijkheden. Welnu, die werkelijkheden zijn alle opgehangen aan één Persoon, de Messias:

 

Want de Wet, een schaduw hebbend van de toekomstige goede dingen, niet het beeld der dingen zelf… (Hb 10:1; 9:11-12)

Welke [voedselvoorschriften; periodieke feesten; vieringen van nieuwe maan; sabbatten] een schaduw zijn der toekomstige dingen, maar het lichaam [is] van de Messias (Ks 2:16-17).

 

Met Jezus namen de realiteiten een aanvang. Jezus heeft niet alleen in alle opzichten de Wet vervuld - door de inzettingen ervan gehoorzaam na te komen - maar ook doordat hij gestalte gaf aan de voorafbeeldingen. In hem zijn  ze alle tot werkelijkheden geworden. In hem zien we daarom als het ware de gehele Wet uitgebeeld.

Consequentie daarvan was uiteraard dat het naleven der schaduwen een overbodige zaak, ja, een ongerijmde zaak was geworden.

Het Mozaïsche Wetboek met zijn geschreven paragrafen en artikelen, dat door zijn nationale karakter scheiding bracht tussen Jood en Griek (Heiden), werd als het ware met de Messias aan de martelpaal gehangen (Gl 3:13; Ks 2:13-14).

 

Aldus stichtte de Messias vrede tussen Jood en Griek, wat bovendien zeer bevorderd werd door het feit dat afzonderlijke personen uit beide volken - door God uitverkoren en gekend vóór de grondlegging der wereld - vanaf die tijd geroepen werden om deel te gaan uitmaken van Jezus’ Lichaam, zijn Gemeente. In hun verbondenheid met hem, hun Hoofd, werden zij tot één nieuwe mens geschapen. Zoals Paulus ook al eerder in Gl 3:26-28 duidelijk had gemaakt:

 

Want jullie allen zijn zonen Gods door het geloof in Messias Jezus. Want zovelen als er in [de] Messias werden gedoopt, hebben zich met [de] Messias bekleed; daar is geen Jood noch Griek; daar is geen slaaf noch vrije, geen manlijk en vrouwelijk; want allen zijn jullie één in Messias Jezus.

 

Opdat hij … de beiden in één Lichaam volledig met God zou verzoenen door de martelpaal, waardoor hij de vijandschap ter dood bracht in hemzelf…

De Messias heeft niet alleen vrede gesticht tussen mensen, maar ook tussen de mens en God. Of, zoals Paulus hier toelicht, hij heeft beide volken, de bekende twee, ten volle met God verzoend. Dit deed hij door hen in zijn Gemeente, zijn Lichaam, bijeen te brengen. Met hem, hun Hoofd, kunnen zij uiteraard nog slechts in vrede met God verkeren.

 

Maar ook daaraan lag zijn offerdood aan de martelpaal ten grondslag. Allen immers, Joden en Heidenen, waren doden in hun zonden en overtredingen. Verzoening met God kon slechts plaats vinden wanneer die zonden en overtredingen werden bedekt. Welnu, de Messias stierf plaatsvervangend voor de mensheid; met zijn eigen ziel (leven) betaalde hij voor haar zonde (Rm 6:23; 2Ko 5:21).

 

Zoals we eerder vaststelden werd de wereld der mensheid tot op de Messias globaal verdeeld in twee groepen: Joden en Heidenen.

Maar met de stichting van de Gemeente, Jezus’ Lichaam, is er een derde groep verschenen: de leden van die Gemeente, christenen.

Ook Paulus was tot die conclusie gekomen, blijkens 1Ko 10:32

 

Wordt voor zowel Joden als Grieken en de gemeente Gods [mensen] die geen aanstoot geven.

 

Wat betreft de verhouding tussen Joden en de Heidenen (Grieken) - de oorspronkelijke twee groepen - is er weinig veranderd. Beide groepen kennen weinig vrede, noch in hun onderlinge relatie, noch met God, noch binnen de eigen gelederen.

De Heidenen die zich buiten de Gemeente bevinden zijn niet bevrijd uit hun toestand van opgesloten zijn in ongehoorzaamheid, terwijl de Joden die zich hardnekkig verzetten tegen hun Messias nu eveneens opgesloten zijn, in hun eigen specifieke ongehoorzaamheid (Rm 11:30-32; Ef 2:2-3).

Alleen de leden van het Lichaam genieten in hun Hoofd ware vrede, onderling en met hun Vader, God.

 

In de praktijk van het dagelijks leven, waar het (Adamitische) vlees een niet aflatende strijd voert tegen de geest, is het behoud van die goddelijke vrede geenszins een vanzelfsprekende zaak. Daarom zal de apostel in het vermanende deel van de Brief er op aandringen zich ijverig in te spannen de eenheid van de geest te bewaren in de verenigde band des vredes (Gl 5:17; Ef 4:3).

In de zeer verwante Kolossenzenbrief laat Paulus zien dat wij in ons hart die vrede alle ruimte moeten geven; onze roeping tot het Lichaam van de Messias vraagt dat van ons:

 

En laat de vrede van de Messias in jullie harten optreden als scheidsrechter, waartoe jullie ook in één lichaam werden geroepen.

(Ks 3:15)

 

Hier gebruikte Paulus op unieke wijze het werkwoord βραβευω dat met betrekking tot de Spelen werd gebruikt. Het duidt op het handhaven van de goede orde; leiding geven aan de gang van zaken, door een scheidsrechter die ook de prijzen uitreikt.

Aldus wordt hier een prachtige gedachte gelanceerd. Zoals het geval is bij een grote mensenmenigte, is ook het innerlijk van de mens onderhevig aan beroeringen; er dienen zich in het leven nogal wat zaken aan die ons gemakkelijk in een staat van opwinding kunnen brengen. Welnu, de goddelijke vrede die voor de Messias zo kenmerkend is, dient dan als de leidende figuur op te treden zodat de dingen in onze geest niet uit de hand lopen en wij voor tumult en wanorde worden bewaard. De beloning welke in dat geval ons deel zal zijn, heeft Paulus in Fp 4:7 opgetekend: En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal jullie harten en jullie gedachten bewaken in Messias Jezus.

 

και ελθων ευηγγελισατο ειρηνην υμιν τοις μακραν και ειρηνην τοις εγγυς· οτι δι αυτου εχομεν την προσαγωγην οι αμφοτεροι εν ενι πνευματι προς τον πατερα.

 

17-18 En gekomen zijnde verkondigde hij vrede als goede tijdingen aan jullie die veraf, en vrede aan hen die dichtbij [waren]. Want door hem hebben wij, de beiden, in één geest de toegang tot de Vader.

 

En gekomen zijnde verkondigde hij vrede als goede tijdingen …

Messias Jezus is niet alleen onze vrede, hij heeft die goddelijke vrede ook verkondigd, wat goed nieuws betekende voor hen die hem gehoor gaven. Zoals we zagen kon hij dat doen omdat hij vrede had gesticht, althans de basis daarvoor had gelegd, door zijn offerdood aan de martelpaal.

 

Wat wordt echter bedoeld met de zinsnede gekomen zijnde [weergave van ελθων, het participium van het werkwoord komen, in de aorist; dus: gekomen zijnde]?

De apostel doelt daarmee niet op Jezus’ oorspronkelijke komst in de wereld als de menselijke Zoon van God, zoals het geval is in Hb 10:5, in de context waarvan de Messias zich bereid verklaart om uw [Gods] wil te doen; namelijk door het lichaam dat God hem bereid had als offergave te brengen (Hb 10:5-10).

 

Hier zijn we een fase verder: De ‘komst’ van de Messias op de Pinksterdag van 33 AD, toen hij de heilige geest op zijn 120 toenmalige leerlingen uitstortte en de apostolische prediking op gang bracht. Want toen pas kon Jezus krachtens zijn offerdood werkelijk onze vrede worden (vers 14). In zijn vlees had hij immers dat wat scheiding maakte en vijandschap bracht tussen Joden en Heidenen, de omheining van de Mozaïsche Wet, inmiddels geslecht.

 

Vanaf Pinksteren werd inderdaad een begin gemaakt met de verkondiging van vrede aan hen die dichtbij waren, het joodse volk. Maar het initiatief daartoe kwam van de (nu) verheerlijkte Jezus. Dat blijkt ook uit de verklaring die Petrus gaf van de opmerkelijke gebeurtenissen die zich op die dag voordeden, en uit datgene wat daarop volgde:

 

Deze Jezus wekte God op, waarvan wij allen getuigen zijn. Aangezien hij verhoogd werd tot Gods rechterhand, en de belofte van de heilige geest ontving bij de Vader, heeft hij deze uitgestort, wat jullie zowel zien als horen… Want voor jullie geldt de belofte en voor jullie kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heer onze God tot zich zal roepen… En zij waren dagelijks eensgezind bij elkaar in de tempel, en braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden met grote verheuging en oprechtheid van hart. Ze loofden God en stonden in de gunst bij heel het volk.

(Hn 2:32-33, 39, 46-47)

 

Later brak de tijd aan voor het ‘roepen’ van de Heidenen.

Paulus, de apostel der Heidenvolken, had volgens Gods raadsbesluit daarin een belangrijk aandeel. Ook aan dezen, zij die veraf waren, werd vrede als goede tijdingen verkondigd. Maar het werkelijke initiatief daartoe lag ook nu wederom bij de Messias (Hn 9:15; 13:46; Rm 11:13; 14:17).

 

Want door hem hebben wij, de beiden, in één geest de toegang tot de Vader…

In onze Brief staan veel schitterende, geestelijk aanmoedigende uitspraken, maar deze is wellicht het meest hartverwarmend: door onze Heer, de Messias, door zijn verdienste, hebben wij, de beiden, in één geest de toegang tot de Vader; de weg tot God is voor ons geopend. Opgenomen als wij allen zijn in het Lichaam van de Messias, door de werking van de heilige geest in ons leven, mogen wij onze Vader, God, in volledig vertrouwen naderen, in de dichtst mogelijke verhouding.

 

Hierdoor wordt overigens aangetoond dat onze vroegere situatie als Heidenen, toen we nog veraf waren, niet slechts een scheiding inhield met nationaal Israël.

Aller voornaamst was het feit dat wij zonder God in de wereld waren. Bijgevolg waren we ook verstoken van alle voorzieningen die God bezig was te treffen voor het heil der mensheid, te beginnen met zijn beloften aan Abraham, bekrachtigd door een Verbond met die patriarch. Etnisch Israël werd daarvan de erfgenaam en dus als natie door God zeer begunstigd; een burger te zijn van Israël kon daarom als een groot voorrecht beschouwd worden.

Maar zelfs in die situatie kon Israël niet volkomen zijn, ook niet in haar relatie tot Jahweh, haar God en Regeerder, en dat ondanks het feit dat Jahweh tot de Farao toch over Israël sprak als mijn zoon, mijn eerstgeborene (Ex 4:22-23).

 

Waarom was dat zo?

Omdat Israël zich onder een Wet bevond die geen volmaaktheid kon brengen.

Vanwege Israëls inherente Adamitische zwakheid was ook de Mozaïsche Wetgeving in zekere zin ‘zwak’. Met die achtergrond in het vlees kon een jood namelijk geen rechtvaardigheid voor zichzelf bewerken, al deed hij nog zo zijn best de Wet na te komen. De Wet verleende hem daartoe niet de kracht; ze veroordeelde hem slechts (Rm 8:4). 

Evenals de Heidenvolken hadden derhalve ook de Joden de Messias nodig om voor God rechtvaardig te worden, en dat op slechts één enkele manier: geloof stellen in hem (Hb 7:11, 18-25).

Conclusie [en belangrijk voor wat volgt]: Israëls burgerschap was een voorrecht, maar niet ‘zaligmakend’.

 

αρα ουν ουκετι εστε ξενοι και παροικοι, αλλα εστε συμπολιται των αγιων και οικειοι του θεου,

 

19 Zo zijn jullie dan niet langer vreemdelingen en bijwoners, maar jullie zijn medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods,

 

Niet langer vreemdelingen en bijwoners…

Waarom trekt de apostel met zoveel nadruk deze conclusie?

Het is, met Hn 13:14-16, 26, 43-48 in gedachten, niet uitgesloten dat velen van zijn Heidenlezers tot de godvrezenden behoorden die zich, aangetrokken door het Judaïsme, bij de plaatselijke joodse gemeenschap hadden aangesloten. Terwijl zij als Heidenen veraf waren, verkeerden de Joden als zijn uitverkoren volk in een begunstigde situatie met betrekking tot God. Als de nakomelingen van Abraham waren zij de natuurlijke erfgenamen van de beloften die God aan deze en de andere aartsvaders, Isaäk en Jakob, had gedaan. Ook kenden zij de Geschriften waarin God zich in een mate aan hen openbaarde. 

 

Vanwege de hoogstaande Mozaïsche Wetgeving welke voor hen als een beschermende omheining diende, stak hun levenswijze in moreel opzicht gunstig af tegen de grove vormen van ontaarding die binnen de Heidengemeenschap heersten.

Die dingen waren voor Heidenen die op zoek waren naar de ware God, ongetwijfeld redenen om zich met de Joden te ‘verbroederen’. Desondanks bleven ook zij, net als alle andere Heidenen, verstoken van Israëls burgerschap en hadden zij geen plaats in Gods huisgezin.

 

Toch is het waarschijnlijker dat Paulus aldus formuleert met de bedoeling om een pijnlijke gedachte bij de nieuwe Heidengelovigen weg te nemen. Zij waren weliswaar eens veraf, maar nu in het bloed van de Messias dichtbij gekomen (vers 13). Ook zij waren nu heiligen, evengoed als de Jodenchristenen. En precies zoals dezen, waren ook zij opgenomen in het Lichaam, de Gemeente.

Maar het feit deed zich voor dat sommige Jodenchristenen er veel moeite mee hadden zich bij dat idee neer te leggen. Gezien hun achtergrond en de kloof die zo lang had bestaan tussen Joden en Heidenen, was het voor hen problematisch hun Heidenbroeders als volwaardige christenen te aanvaarden; zij waren hooguit bereid hen te dulden maar tegelijkertijd geneigd hen als christenen van de tweede rang te beschouwen.

 

Maar jullie zijn medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods…

De lezers staan nu dus volledig op één lijn met hen die vroeger het uitverkoren volk van God vormden, in het bijzonder met het overblijfsel daarvan, het zogeheten uitverkoren deel, de joodse heiligen in de nieuwe betekenis (Rm 11:5-7).

Er was een waar Israël ontstaan, het Israël Gods; en daarbinnen zal mettertijd het Messiaanse koninkrijk worden opgericht met een nieuw functionerende hoofdstad, het Nieuwe Jeruzalem. En de beiden - Joden en Heidenen van de vv 16 en 18 - hebben daar op gelijke, op volkomen gelijkwaardige wijze deel aan.

 

Er is geen sprake meer van

(a) vreemdelingschap;

(b) slechts een bijwoner te zijn;

(c) uitsluiting van burgerschap;

(d) buiten het huisgezin van God verkeren.

 

Beiden, zowel de joodse als de heidense heiligen binnen het ware Israël van God, zijn huisgenoten Gods; zij behoren tot het grote huisgezin waarin God de plaats van huisvader inneemt.

 

εποικοδομηθεντες επι τω θεμελιω των αποστολων και προφητων, οντος ακρογωνιαιου αυτου Χριστου Ιησου,

 

20 opgebouwd op het fundament der apostelen en profeten, terwijl Messias Jezus zelf hoeksteen is,

 

Paulus gaat over van het ene beeld naar het andere. De leden van het Lichaam, de Gemeente, zijn burgers van het ware Israël Gods, huisgenoten binnen Gods gezin, maar óók zijn zij - in een speciale zin uiteraard - bouwwerken.

Allereerst zijn zij opgetrokken op het fundament van de apostelen en (christelijke) profeten, wat wil zeggen dat het apostolische onderwijs instrument was om hen op effectieve wijze te roepen en te helpen tot het geloof in de Messias te komen, zodat zij gerechtvaardigd konden worden (Jh 17:20-21; Rm 8:28-30; 10:14).

 

Maar in dat onderwijs moesten de predikers voortbouwen op het ene fundament dat gelegd is: Jezus Messias. Zie 1Ko 3:10-11 >

 

Overeenkomstig de liefderijke gunst die mij werd geschonken legde ik als een wijs bouwmeester een fundament, maar een ander bouwt erop. Laat ieder erop toezien hoe hij bouwt, want niemand kan een ander fundament leggen dan die er ligt, welke is Jezus Messias.

 

De hoeksteen waarop alle gelovigen zijn gebouwd, ook de apostelen, profeten en predikers, is derhalve de Messias zelf.

Jesaja voorzei reeds dat er mettertijd in Sion zo’n fundament gelegd zou worden. In de eindtijd, wanneer de Antichrist opstaat als een pseudo-messias en afvallige Joden ingaan op het verbond dat deze met hen zal sluiten (Js 28:14-19; Dn 9:27), zal het joodse overblijfsel op Jezus kunnen steunen als het ware fundament:

 

Daarom zegt Jahweh de Heer: Zie! In Sion leg ik een steen ten grondslag; een steen der toetsing; de kostbare hoek van een goed gelegd fundament. Wie er op vertrouwt, zal niet in paniek reageren.

(Js 28:16)

 

Het hemelse deel van het Israël Gods is daarmee, vanaf 33 AD, reeds begonnen.

 

εν ω πασα οικοδομη συναρμολογουμενη αυξει εις ναον αγιον εν κυριω, εν ω και υμεις συνοικοδομεισθε εις κατοικητηριον του θεου εν πνευματι.

 

21-22 in wie alle bouwwerk, samengevoegd, uitgroeit tot een heilig tempelheiligdom in [de] Heer; in wie ook jullie mede opgebouwd worden tot een woonplaats Gods in geest.

 

Nu wordt duidelijk dat de apostel met alle bouwwerk, Joden en Heidenen die met behulp van het apostolische onderwijs geroepen worden tot hun plaats in het Lichaam, méér bedoelt. Zoals Paulus al vroeger had onderwezen, met name in zijn Korinthebrieven, is elk lid van het Lichaam, zélf een tempel waarin God door middel van zijn geest woont.

Zie 1Ko 3:16-17; 6:19; 2Ko 6:16.

 

Maar volgens het princiep van 1Pt 2:4-6 worden zij als levende stenen opgetrokken tot één groot, geestelijk gebouw: een heilig tempelheiligdom in [de] Heer.

Evenals de tempel van Salomo is dus ook de Gemeente als geheel een heilig bouwwerk, waar God verblijf houdt. 

Daartoe worden de leden van de Gemeente, de afzonderlijke tempelachtige bouwwerken, samengevoegd. Maar omdat er sprake is van een geleidelijk proces -Gods tempelgebouw wordt over een periode van bijna 2000 jaar, tijdens de zogeheten gemeente-eeuw, en ook gedurende vele generaties, steen voor steen gereed gemaakt - zegt de apostel dat zij in de Heer uitgroeien tot een heilige tempel.

 

Pas bij de Opname zullen alle ‘stenen’ definitief gelegd worden en als het hemelse deel van de Tempelstad Nieuw Jeruzalem daadwerkelijk als een geheel gaan functioneren.

Vergelijk Js 66:1.

In 1Kn 6:7 lezen we over de bouwwerkzaamheden voor Salomo’s tempel het volgende:

 

Toen het huis gebouwd werd, werd het opgetrokken van steen, afgewerkt aan de groeve, en geen hamer of beitel of enig ijzeren gereedschap werd gehoord bij het bouwen van het huis.

(nbg)

 

Op de bouwplaats zelf, de berg Moria, was niet het gebruikelijke lawaai van hakken en hamerslagen te horen; alles gebeurde in stilte.

Bij de Opname van de Gemeente, het hemelse deel van het Israël Gods, zal iets vergelijkbaars plaats vinden: De 'stenen' die tijdens de Gemeente-eeuw van ongeveer 1984 jaar ‘bij de groeve’ – binnen het huidige, dikwijls roerige bestaan van de mens – gereed waren gemaakt, worden dan (geruisloos) in het hemelse deel van de naos gelegd; in ‘stilte’, buiten het waarnemingsvermogen van [alle] andere mensen om.

 

Geluiden van ‘hakken en hamerslagen’ zullen dán niet te horen zijn. Dat is geschied sinds 33 AD, vanaf de stichting van de Gemeente, en vindt thans nog altijd voortgang met betrekkinmg tot de huidige, waarschijnlijk laatste generatie van (nog) levende christenen. Hun christelijke loopbaan kan (soms) heel tumultueus verlopen. Er moet – na ‘losgehakt’ te zijn – gewoonlijk nog heel wat aan hen ‘bijgeschaafd’ worden. Niettemin is er op die wijze onafgebroken voortgebouwd aan Gods woonplaats in geest.

 

In wie ook jullie mede opgebouwd worden tot een woonplaats Gods in geest…  Paulus keert terug tot de hoofdgedachte. De lezers, afkomstig uit het Heidendom, zijn volwaardige christenen. De apostel beklemtoont het nog maar eens. Zij horen er helemaal bij! Trouwens alle ‘stenen’, Joden en Heidenen, krijgen door hun eenheid met hun Hoofd, de Messias, samenhang en structuur om tenslotte het ene Tempelgebouw te vormen: een woonplaats Gods in geest.

Efeziërs 3

 

7. Het geheimenis geopenbaard; Paulus’ apostel der Heidenen (3:1-13)

Τουτου χαριν εγω Παυλος ο δεσμιος του Χριστου [Ιησου] υπερ υμων των εθνων – ει γε ηκουσατε την οικονομιαν της χαριτος του θεου της δοθεισης μοι εις υμας,

 

1-2 Om die reden ik, Paulus, de geboeide van de Messias Jezus terwille van jullie, de Heidenen...indien jullie tenminste hoorden van het beheer van de liefderijke gunst Gods, welke mij met het oog op jullie gegeven werd;

 

De zin waarmee hij zich inleidt wordt door Paulus niet voltooid. Gelet op het feit dat hij in vers 14 wederom zal beginnen met τουτου χαριν, is het denkbaar dat het aanvankelijk in zijn bedoeling lag met de bede te beginnen die nu volgt in de vv 14-21.

Maar reeds zijn eerste woorden leiden hem af. Zodra hij zichzelf introduceert met Paulus, de geboeide van de Messias Jezus terwille van jullie, de Heidenen, realiseert hij zich kennelijk dat juist die Heidenchristenen tot wie hij zich richt, hem persoonlijk niet kennen. Daarom onderbreekt hij zichzelf abrupt en vervolgt met: als jullie tenminste hebben gehoordetc.

 

Daaruit moeten wij niet de conclusie trekken dat Paulus er vanuit gaat dat hij voor zijn lezers een totaal onbekende is. Ongetwijfeld hebben zij over hem gehoord, de apostel die weliswaar joods is maar vooral binnen gemeenschappen van Heidenen actief.

Die bediening wordt door Paulus zelf een οικονομια genoemd. En zoals we zagen bij 1:10 duidt die term primair op het beheren van zaken die het huis, de huishouding, betreffen; of ook wel van andermans bezittingen.

 

Gelet op wat voorafgaat in de onmiddellijke context moeten we dan blijkbaar denken aan Paulus’ activiteiten binnen het huisgezin van God, waar hij in het bijzonder ten bate van de Heidengelovigen een goddelijke toewijzing ontving (2:19).

Door zijn beheer moet dezen, die eens zo veraf waren, de liefderijke gunst van God ten deel vallen. Een ieder van hen afzonderlijk moet zich er van bewust worden dat God ook hem/haar, een gelovige uit de Heidenen, heeft gezegend in alle geestelijke zegen in de hemelsferen in [de] Messias.

Kortom, het is Paulus’ taak om dat hele pakket van zegeningen die God al vanaf eeuwigheid (ook) voor hen in petto heeft, uit te pakken’; al de heerlijke dingen die in 1:3-14 worden opgesomd.

 

[οτι] κατα αποκαλυψιν εγνωρισθη μοι το μυστηριον, καθως προεγραψα εν ολιγω,

 

3 dat mij langs de weg van openbaring het geheimenis werd bekendgemaakt, zoals ik eerder in het kort schreef.

 

Paulus grijpt de gelegenheid aan, nu hij zich genoodzaakt voelt om uit te weiden over zijn beheer onder de Heidengelovigen, om enkele bijzonderheden over zijn eigen achtergrond te vermelden. Waarin bestond de liefderijke gunst die God hem in Messias Jezus verleende, teneinde dienstbaar te kunnen zijn aan zijn Heidenbroeders?

 

(1) De grote waarheden omtrent de Messias ontving hij door persoonlijke openbaring.

 

In Gl 1:15-16 liet hij ons weten dat God het op een zeker moment goeddacht zijn Zoon in mij te openbaren.

En aan de Korinthiërs schreef hij dat God hem begunstigde met bovennatuurlijke visioenen en openbaringen van [de] Heer. Bij één van die gelegenheden - het moet omstreeks het jaar 42 AD geweest zijn - werd hij weggerukt naar de derde hemel…tot in het paradijs (2Ko 12:1-4).

 

(2) Aan hem in het bijzonder werd het geheimenis van de Gemeente onthuld, het mysterie.

 

Bij 1:10 hebben we daarover al wat commentaar gegeven:

Omdat het om een mysterie gaat, kan de mens dat geheimenis niet uit zichzelf te weten komen; het moet aan hem geopenbaard worden.

Welnu, Paulus was op dit punt dermate ingewijd dat hij in staat was het ook aan ons mede te delen: Zoals ik eerder in het kort schreef.

De apostel doelt kennelijk op het gedeelte 2:11-22 van deze Brief.

 

προς ο δυνασθε αναγινωσκοντες νοησαι την συνεσιν μου εν τω μυστηριω του Χριστου, ο ετεραις γενεαις ουκ εγνωρισθη τοις υιοις των ανθρωπων ως νυν απεκαλυφθη τοις αγιοις αποστολοις αυτου και προφηταις εν πνευματι, ειναι τα εθνη συγκληρονομα και συσσωμα και συμμετοχα της επαγγελιας εν Χριστω Ιησου δια του ευαγγελιου,

 

4-6 Op grond daarvan kunnen jullie bij het lezen een begrip krijgen van mijn inzicht in het geheimenis van de Messias, dat in andere geslachten niet bekend werd gemaakt aan de zonen der mensen, zoals het nu in geest werd onthuld aan zijn heilige apostelen en profeten: dat de Heidenen mede-erfgenamen zijn en medelichaam en mededeelgenoten van de belofte in Messias Jezus, door het Evangelie,

Bij het lezen van het vorige hoofdstuk konden wij ons inderdaad al een voorstelling maken van Paulus’ speciale inzicht in het Messiaanse geheimenis, vooral aan de hand van 2:11-22. Maar teneinde al zijn lezers te doordringen van de geweldige waarheid welke in het mysterie ligt opgesloten, vat de apostel het geheimenis bondig samen: De gelovigen uit de Heidenen vormen met de Jodengelovigen het ene Lichaam van de Messias. Allen erven alle dingen mét de Messias, en in hém hebben allen deel gekregen aan de Abrahamitische belofte; allen zijn zij ‘zaad’ van Abraham (Rm 8:17; Gl 3:26-29).

 

Voordien was het mysterie onbekend onder de mensen; zelfs Gods volk Israël kende het niet, zij wisten niet dat iets dergelijks in Gods voornemen bestond.

Begrijpelijk ook, want Gods voornemen met hen verloopt langs aardse lijnen. Als het natuurlijke zaad van Abraham geldt voor hen (nog altijd) de belofte van Ex 19:5-6. In het Millennium zullen zij als een koninkrijk van priesters de kern vormen van de aardse maatschappij, bedoeld om voor de mensenwereld tot zegen te worden.

Logischerwijs hebben zij dan ook nooit kunnen bevroeden dat Abrahams zaad gedeeltelijk een hemelse bestemming zou krijgen, en al helemaal niet dat Heidenen, als gevolg van geloof, deel zouden krijgen aan dat ‘zaad’.

 

ου εγενηθην διακονος κατα την δωρεαν της χαριτος του θεου της δοθεισης μοι κατα την ενεργειαν της δυναμεως αυτου. εμοι τω ελαχιστοτερω παντων αγιων εδοθη η χαρις αυτη, τοις εθνεσιν ευαγγελισασθαι το ανεξιχνιαστον πλουτος του Χριστου, και φωτισαι [παντας] τις η οικονομια του μυστηριου του αποκεκρυμμενου απο των αιωνων εν τω θεω τω τα παντα κτισαντι,

 

7-9 waarvan ik een dienaar ben geworden krachtens de liefderijke gunst Gods, mij geschonken door de werking van zijn kracht. Aan mij, de allerminste van alle heiligen, werd deze liefderijke gunst gegeven om aan de Heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van de Messias als goede tijdingen te verkondigen, en voor allen aan het licht te brengen wat het beheer [inhoudt] van het geheimenis dat sinds de eeuwen verborgen was in de God die alle dingen schiep.

 

Van alle apostelen en profeten was Paulus begunstigd met een heel speciaal inzicht in dit voornemen van God. Maar zoals we al in 3:2 zagen, ontving hij die liefderijke gunst met het oog op hén, de Heidengelovigen. In de uitoefening van het beheer binnen het huisgezin Gods is hij vooral ten behoeve van hén een dienaar [διακονος] geworden, met name door de Evangelieprediking.

Maar ook hier, evenals in 1Ko 15:9 en 1Tm 1:12-14, erkent de apostel nederig dat hij van alle christenen feitelijk de geringste is. Niemand had immers zo intens de Gemeente bestreden als hij. Hieruit blijkt wel dat Paulus altijd sterk onder de indruk is gebleven van het gebeurde te Damascus (Hn 8:1-3; 9:1-16).

 

Om aan de Heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van de Messias als goede tijdingen te verkondigen…

In vergelijking met de Joden waren de Heidenen - levend zonder God in de wereld - buitengewoon arm op geestelijk en zedelijk gebied. Maar toch was het juist aan hén dat Paulus het grote nieuws moest verkondigen welke schatten aan waarheid in het mysterie van de Messias en zijn Gemeente vervat zijn. Geestelijke en zedelijke rijkdommen overigens, die voorlopig, zolang wij nog in het vlees zijn, levend in de periode van het onderpand, door onze menselijke verstandelijke vermogens maar ten dele bevat kunnen worden.

 

Niettemin was het Paulus’ roeping om de nieuwe heilsorde en de geheime facetten daarvan voor het voetlicht te brengen in de mate die mogelijk was, begunstigd als hij was met een bijzonder inzicht (zie vers 4). Tot dan toe waren de details daaromtrent verborgen gebleven; het mysterie bestond wel, maar alleen bij God. Het was verborgen in de God die alle dingen schiep.

 

Waarom die toevoeging; die extra vermelding over de God in wie het mysterie en de uitoefening van het beheer daarvan van eeuwigheid lag opgesloten?

Vanwege de relatie die er bestaat tussen het een en het ander: Alles wat God in zijn macht als Schepper tot aanzijn riep en nog roept, hield/houdt altijd direct verband met het voornemen dat Hij in de Messias ontwierp. Alles verloopt langs de lijnen van dat ‘plan’.

 

ινα γνωρισθη νυν ταις αρχαις και ταις εξουσιαις εν τοις επουρανιοις δια της εκκλησιας η πολυποικιλος σοφια του θεου, κατα προθεσιν των αιωνων ην εποιησεν εν τω Χριστω Ιησου τω κυριω ημων, εν ω εχομεν την παρρησιαν και προσαγωγην εν πεποιθησει δια της πιστεως αυτου. διο αιτουμαι μη εγκακειν εν ταις θλιψεσιν μου υπερ υμων, ητις εστιν δοξα υμων.

 

10-13 Opdat thans aan de overheden en gezagsdragers in de hemelsferen door de Gemeente de rijkgeschakeerde wijsheid Gods bekendgemaakt zou worden, naar [het] voornemen der eeuwen dat hij ontwierp in de Messias Jezus onze Heer, in wie wij met vertrouwen de vrijmoedigheid en toegang hebben door zijn geloof. Daarom vraag ik niet moedeloos te worden in mijn verdrukkingen voor jullie; hetwelk is jullie heerlijkheid.

 

Door Paulus’ beheer in het geheimenis van de Gemeente ontvangen zelfs de getrouwe engelen een dieper inzicht. Zij leren daardoor bepaalde facetten van Gods rijkgeschakeerde [letterlijk: veelkleurige; Gr: πολυποικιλος] wijsheid kennen welke voordien, ook voor hén, niet eerder aan het licht waren gekomen.

Wellicht hebben zij zich, net als wij, mensen, soms afgevraagd welke bedoelingen er schuil gingen achter Gods handelen met zijn schepping, vooral met de mensheid op aarde. Zonder kennis van het mysterie, kunnen Gods wegen in zijn wereldbestuur immers onsamenhangend, ja, zelfs verward lijken.

Maar met de komst van de Messias en de stichting van de Gemeente, werden zaken helderder. Vergelijk:

 

Betreffende welke redding profeten hebben uitgezocht en uitgevorst, die over de voor jullie [bestemde] liefderijke gunst hebben geprofeteerd, terwijl zij onderzochten op welke of wat voor tijd de geest van [de] Messias in hen doelde, toen die tevoren getuigde van het lijden voor [de] Messias en van de heerlijkheden daarna. Aan hen werd geopenbaard dat zij niet zichzelf maar jullie dienden met de dingen die jullie nu zijn aangekondigd door hen die jullie het evangelie hebben bekendgemaakt in heilige geest die van de hemel werd gezonden; dingen waarin engelen verlangen een blik te slaan.(1Pt 1:10-12)

 

Zo leren de engelen die getrouw hun toewijzing vervullen in de hun door God geschonken posities van opzicht en gezag, nieuwe dingen wanneer ze het geheimenis van de Gemeente ontvouwd zien worden.

 

[Het] voornemen der eeuwen dat hij ontwierp in de Messias Jezus onze Heer…

Alle dingen die God zich in zijn voornemen of eeuwig raadsbesluit voornam, gaat hij door de diverse eeuwen heen verwezenlijken. Maar alles geschiedt in de Messias Jezus onze Heer.

Om te beginnen brengt de Vader, Degene die uiteraard zelf de Koning der eeuwen is, door tussenkomst van zijn Zoon al die respectieve eeuwen of wereldperiodes voort (1Tm 1:17; Hb 1:2; 11:3).

Voorts vervult die Zoon zelf de hoofdrol in al die achtereenvolgende eeuwen.

In de parallelbrief aan de Kolossenzen heeft Paulus dat aldus aangegeven:

 

Hij is evenbeeld van de onzichtbare God, eerstgeborene van alle schepping, omdat in hem alle dingen werden geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare dingen; hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen. En zelf is hij vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen in hem. En zelf is hij het Hoofd van het Lichaam, de Gemeente; hij die oorsprong is, eerstgeborene uit de doden, opdat hijzelf in alle dingen de voorrang zou hebben.

(Ks 1:15-18)

 

Thans, in de eeuw der Gemeente is Messias Jezus als het Hoofd van dat Gemeentelichaam gaan functioneren. Maar wat was zijn rol in al die wereldperiodes welke daaraan voorafgingen? Welnu, toen de engelen werden geschapen, geschiedde dat door hem. Want toen God zijn Eerstgeborene schiep, schiep hij tevens alle dingen in hem; dat wil zeggen dat God hem zodanig voortbracht dat in de voormenselijke Messias het oeridee van alle (andere) dingen al waarneembaar was.

 

Op de daarvoor door God vastgestelde tijden kon de Zoon er derhalve toe overgaan, de onzichtbare, hemelse dingen tot aanzijn te brengen, en vervolgens de zichtbare dingen, zoals de stoffelijke schepping.

Toen bijvoorbeeld het ‘fundament’ voor de aarde werd gelegd juichten en jubelden de onzichtbare zonen Gods (Jb 38:4-7).

 

Toen de tijd aanbrak dat God tot zijn Zoon zei: Laten wij de mens maken naar ons beeld, overeenkomstig onze gelijkenis, ging God ertoe over de mens te scheppen, maar in werkelijkheid vond een en ander door tussenkomst van de Zoon plaats, zoals verduidelijkt wordt in Sp 8:22-31.

 

Met de schepping van manlijk en vrouwelijk brak een Zevende Dag aan in Gods scheppingscyclus betreffende de aarde en het leven daarop. God zegende die ‘Dag’ - wereldperiode; eeuw - omdat daarin een belangrijk aspect van zijn voornemen in zijn Messias verwezenlijkt moet worden: het voortbrengen van de overige mensheid welke een juiste heerschappij over de aarde voert, geheel tot Gods tevredenheid (Gn 1:26-28; 2:3; Hb 4:3-4).

 

Terugkijkend op de ongeveer eerste 6000 jaar van die Dag, kunnen we vaststellen dat er successievelijk binnen die ‘eeuw’ subeeuwen tot ontwikkeling werden gebracht, zoals de wereldperiode tot op de Vloed, de patriarchale eeuw van de aartsvaders, de eeuw van Israël onder de Mozaïsche Wetgeving; en thans de Gemeente-eeuw, terwijl de laatste periode van de Zevende Dag de Millenniumeeuw zal omvatten.

Maar in al die eeuwen vervult de Zoon de hoofdrol, alle dingen zijn immers ook tot hem geschapen.    

 

Daarom vraag ik niet moedeloos te worden in mijn verdrukkingen voor jullie; hetwelk is jullie heerlijkheid.

De lezers waren door Tychikus geïnformeerd over Paulus’ gevangenschap te Rome en over wat hij daar doormaakte op het gebied van persoonlijke verdrukkingen (Ef 6:21-23). Kennelijk voorzag hij dat het feit, dat hij een geboeide van de Messias Jezus [was] terwille van jullie, hen kon bedroeven en neerslachtig stemmen (Ef 3:1).

 

Daar is niet echt reden voor, laat hij hen nu weten; zijn verdrukkingen zijn niet tevergeefs; ze dienen een doel binnen zijn beheer als dienaar van het mysterie, namelijk hen bevestigen in hun nieuwe situatie van mede-erfgenamen, medelichaam en mededeelgenoten (3:6); een nieuwe geestelijke toestand die met heerlijkheid is omgeven.

In de andere Brief die Tychikus toentertijd voor Paulus bezorgde bij de christenen te Kolosse, lichtte Paulus zijn situatie op dezelfde positieve manier toe:

 

Nu verheug ik mij in al het lijden voor jullie en ik vul plaatsvervangend in mijn vlees aan wat nog ontbrak aan de verdrukkingen van de Messias ten behoeve van zijn Lichaam, dat is de Gemeente.

(Ks 1:24)

 

8. Gebed voor de lezers (3:14-21)

Tουτου χαριν καμπτω τα γονατα μου προς τον πατερα, εξ ου πασα πατρια εν ουρανοις και επι γης ονομαζεται,

 

14-15 Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, van wie elk vaderschap in hemelen en op aarde wordt afgeleid.

 

De apostel pakt de afgebroken zin van vers 1 weer op teneinde gevolg te geven aan zijn oorspronkelijke opzet om zich ten behoeve van zijn lezers in gebed tot de Vader te wenden; nu zelfs met nog grotere motivatie, na uitgeweid te hebben over enkele bijzonderheden van zijn beheer in het geheimenis van de Messias en diens Gemeente.

 

De Vader, van wie elk vaderschap in hemelen en op aarde wordt afgeleid.

We signaleren een opmerkelijk gebruik door Paulus van de verwante woorden πατηρ en πατρια. Het etymologisch verband tussen beide wijst op God als de enige ware Vader, de Alvader om zo te zeggen. Zijn scheppingsmacht (zie vers 9) openbaart zich als een alomvattend vaderschap, ook al zijn er andere vaders, met name menselijke vaders op aarde. Hun vaderschap is te allen tijde een afgeleide van dat van de Vader.

 

Maar Paulus betrekt in zijn stelling ook de hemelen. Ook elk vaderschap in die sfeer bestaat slechts dankzij de Alvader. En dan denken we vanzelfsprekend aan het vaderschap van onze Messias Jezus. Zoals alle mensen hun afstamming kunnen terugvoeren op de eerste menselijke vader Adam - door hem ontvingen allen immers het leven - geldt ook voor de laatste Adam, Jezus, dat hij de vader wordt van allen die krachtens zijn offerdood eeuwig leven zullen ontvangen, hetzij hier op aarde voor de overgrote meerderheid, hetzij in de hemel voor de leden van zijn Lichaam, de Gemeente.

Wat dat betreft is het zeer betekenisvol wat wij lezen in Jesaja, hoofdstuk 9:

 

Want een kind wordt ons geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem: Wonder van beleid, Sterke God, Vader voor eeuwig, Vredevorst. Groot is de macht en eindeloos de vrede voor de troon van David, voor zijn koninkrijk; hij zal het stichten en stutten door recht en gerechtigheid van nu af en voor altijd. De ijverzuchtige liefde van Jahwe der legerscharen zal dit bewerken.

(wv78)

 

Jezus, de Vredevorst van het Millenniumkoninkrijk, zal ook een Eeuwige vader zijn; allen die blijvend leven ontvangen zullen die ‘vader’ voor eeuwig dankbaar zijn. Maar ook het vaderschap van de Zoon bestaat slechts dankzij de Ene Vader van allen; een gedachte die reeds lag opgesloten in Gods voornemen der eeuwen dat hij ontwierp in de Messias Jezus onze Heer (vers 11).

 

ινα δω υμιν κατα το πλουτος της δοξης αυτου δυναμει κραταιωθηναι δια του πνευματος αυτου εις τον εσω ανθρωπον, κατοικησαι τον Χριστον δια της πιστεως εν ταις καρδιαις υμων, εν αγαπη ερριζωμενοι και τεθεμελιωμενοι,

 

16-17 Opdat hij jullie, naar de rijkdom van zijn heerlijkheid, door zijn geest, geve met kracht gesterkt te worden in de innerlijke mens; dat de Messias door het geloof in jullie harten woont, in liefde geworteld en gegrondvest zijnde.

 

Zijn knieën gebogen hebbend, richt Paulus zich nu met enkele beden tot de Vader. Aangezien hij dit al in vers 1 van plan was, is het niet verkeerd zijn beden te zien in het licht van de afsluitende verzen van hoofdstuk 2. Daar werd ons duidelijk dat wij ons als christenen in een proces bevinden waarin wij, zelf tempels zijnde van de heilige geest, samengevoegd uitgroeien tot één heilige tempel, de woonplaats Gods in geest.

Met het oog daarop kunnen wij begrijpen dat Paulus de mens die we innerlijk zijn van groot belang acht. Zijn eerste bede is dan ook dat de Vader onze innerlijke geestelijke gesteldheid door zijn geest krachtig mag beïnvloeden.

 

Uit 1Pt 3:4 blijkt dat de innerlijke mens synoniem is aan de verborgen mens van het hart. Daarom voegt Paulus er aan toe dat de Messias door het geloof in jullie harten woont, want de versterking van de innerlijke mens in geestelijke zin geschiedt door de inwoning van de Messias. Eerder schreef de apostel daarover:

 

Tezamen met [de] Messias ben ik aan de paal gehangen. Het is dan ook niet langer ikzelf die leef, doch [de] Messias leeft in mij; wat ik dan nu in [het] vlees leef, leef ik in geloof in de Zoon van God, die mij liefhad en zichzelf voor mij overgaf.

(Gl 2:20)

 

Verhoring van de bede dat de mens die we innerlijk zijn in kracht wordt versterkt, zal dan ook tot gevolg hebben dat we de aanwezigheid in persoon van de Messias, onze Heer, als een realiteit in ons leven ervaren. Wij worden bevestigd in ons geloof dat wij thans in een nieuwheid des levens wandelen (Rm 6:4).

 

In liefde geworteld en gegrondvest zijnde…

De bijzin schijnt betrekking te hebben op de voorafgaande gedachte dat de Messias in ons hart woont. Als gevolg van ons geloof neemt hij intrek in de innerlijke persoon van ons hart, maar die omstandigheid heeft een krachtig fundament: de liefde van de Messias en, in reactie daarop, onze liefde voor hem.

Onze relatie met hem is verzekerd; daarin zal geen verandering komen; ze is zowel geworteld als gegrondvest in liefde. Beide werkwoorden zijn participia in het perfectum, hetgeen wil zeggen dat het nieuwe leven waarbij Jezus in ons is ,en wij in hem, blijvend is in een wederzijdse band van liefde (Jh 14:20-21, 23).

 

ινα εξισχυσητε καταλαβεσθαι συν πασιν τοις αγιοις τι το πλατος και μηκος και υψος και βαθος,

 

18 Opdat jullie ten volle in staat mogen zijn om, tezamen met alle heiligen, te vatten wat de breedte en lengte en hoogte en diepte [is],

 

Wat de breedte en lengte en hoogte en diepte [is]…

De leden van Jezus’ Gemeentelichaam moeten met betrekking tot Gods voornemen der eeuwen dat hij in zijn Zoon ontwierp, geen onwetende, onmondige mensen blijven. Zoals we al in de Inleiding opmerkten werd deze Brief geschreven om ons inzicht te geven in onze roeping; in de wijze waarop God met ons heeft gehandeld: dat hij ons, al heel lang geleden, in zijn eeuwig raadsbesluit, tevoren in Jezus kende als zijn uitverkorenen en ons, toen reeds, bestemde tot het zoonschap met hem.

 

Bovendien is het geheimenis inzake de Gemeente onthuld. Niet alleen Joden zijn leden van het Lichaam, maar ook wij, de Heidengelovigen, zijn mede-erfgenamen en medelichaam en mededeelgenoten van de belofte in Messias Jezus. Kortom, met de vage uitdrukking breedte-lengte-hoogte-diepte wordt klaarblijkelijk gedoeld op het geheel [de omvang in alle dimensies] van alle dingen die ons, Heidenchristenen in de Messias zijn geschonken.

 

De toevoeging tezamen met alle heiligen, geeft overigens te kennen dat niet alleen de lezers, maar alle christenen tot dit diepere inzicht dienen te komen.

Ook wijst het op de noodzaak om met elkaar daarin bezig te zijn. Wij kunnen ons niet geheel van de andere leden van het Lichaam isoleren.

Hoewel we ons vanzelfsprekend persoonlijk, in afzondering, met het Woord bezig zullen houden, is er ook een noodzaak om dat op geschikte tijden met anderen te doen. Jezus heeft immers beloofd: Waar twee of drie in mijn naam vergaderd zijn, dáár ben ik in hun midden (Mt 18:20). We hebben elkaar dus nodig.

Zie ook Rm 1:12.

 

Daarvoor bad Paulus, en in antwoord op zijn gebed zal de inwonende Messias ons inzicht geven, ons daarbij veilig leidend door de geest. Wij echter, van onze kant, moeten ons deel doen door ons ijverig met het geïnspireerde Woord bezig te houden, het alle gelegenheid gevend om op ons in te kunnen werken.

 

γνωναι τε την υπερβαλλουσαν της γνωσεως αγαπην του Χριστου, ινα πληρωθητε εις παν το πληρωμα του θεου.

 

19 en zo de liefde van de Messias te kennen, welke de kennis te boven gaat; opdat jullie vervuld mogen worden tot heel de volheid van God.

 

Het verbindingswoordje τε duidt aan dat het leren kennen van de liefde die de Messias heeft, samenhangt met het voorafgaande, namelijk het vatten van de breedte-lengte-hoogte-diepte. Maar de apostel laat ons ook meteen weten dat louter kennis niet toereikend is om die liefde ten volle naar waarde te kunnen schatten. Eigenlijk zegt hij dus: en zo de liefde van de Messias te kennen welke niet te kennen is.

 

Hier komt daarom in beeld wat we ervaringskennis zouden willen noemen. Wij weten immers allen hoe iets voelt wat we toch niet kunnen bevatten.

Een baby bijvoorbeeld voelt de liefde van zijn moeder. Hij heeft er weliswaar geen begrip van, maar toch ervaart hij ze.

Zo ongeveer is het ook met de liefde van de Messias; wanneer we een idee beginnen te krijgen van de omvang der grote waarheden welke in deze Brief onder onze aandacht zijn gekomen, zullen we waarschijnlijk overstelpt worden door een mix van allerlei gevoelens. Wat er in de hemelsferen voor ons is gereserveerd komt ons zo groots voor, zo onbegrijpelijk ook; voor een mens met zijn beperkte dimensies niet werkelijk te bevatten. Maar omdat we overtuigd zijn van de feitelijkheid er van, kunnen we ons alleen maar verbazen over de grote liefde van God die Hij in zijn Zoon jegens ons tot uitdrukking brengt.

 

Opdat jullie vervuld mogen worden tot heel de volheid van God…

Wellicht hebben we het ons tot nu toe niet gerealiseerd, maar hier tekent de apostel het ultieme doel dat God altijd al, vanaf de tijd dat Hij zijn voornemen der eeuwen in de Messias ontwierp, met ons voorhad: geheel vervuld worden met het goddelijke, met alles wat God zelf is. In de parallelbrief aan de Kolossenzen vinden we over dit grootse leerpunt aanvullende bijzonderheden:

 

Omdat het heel de Volheid [van God] goeddacht in hem [de Zoon] te wonen… Want in hem woont heel de Volheid van de goddelijkheid lichamelijk, en in hem zijn jullie vervuld geworden, hij die het Hoofd is van alle overheid en gezag.

(Ks 1:19; 2:9-10)

 

Later zou Johannes in zijn Evangelie schrijven: Want wij allen hebben uit zijn volheid ontvangen, ja, liefderijke gunst op liefderijke gunst (Jh 1:16).

 

Τω δε δυναμενω υπερ παντα ποιησαι υπερ εκπερισσου ων αιτουμεθα η νοουμεν κατα την δυναμιν την ενεργουμενην εν ημιν, αυτω η δοξα εν τη εκκλησια και εν Χριστω Ιησου εις πασας τας γενεας του αιωνος των αιωνων· αμην.

 

20-21 Aan hem nu, die naar de kracht welke in ons werkzaam is, in staat is meer dan overvloedig te doen boven alles wat wij vragen of bedenken, aan hem [zij] de heerlijkheid in de Gemeente en in Messias Jezus, tot in alle geslachten van de eeuw der eeuwen! Amen.

 

De apostel sluit zijn gebed af met een doxologie, gericht tot de God die bij machte is gebeden te verhoren in een mate die zelfs alles waarvan wij ons een denkbeeld kunnen vormen, te boven gaat. Wij mensen zijn niet in staat iets te bedenken wat God niet in oneindig veel hogere mate kan vervullen, zoals ook in 1Ko 2:9 te kennen wordt gegeven:

 

Wat geen oog zag en oren niet hoorden en in geen mensenhart opkwam, de dingen die God bereidde voor hen die hem liefhebben.

 

Al die niet te bedenken zaken kan en zál God ook realiseren en wel overeenkomstig de kracht die in ons werkzaam is, zijn heilige geest.

Thans, in onze menselijke beperktheid, kunnen wij ons er weliswaar (nog) geen voorstelling van maken, maar ze zullen zeker plaats vinden; de geest die nu al in ons werkt en ons leidt, is daarvoor de waarborg.

 

Al de glorie of heerlijkheid komt daarom aan God toe, maar geheel in overeenstemming met de strekking van de Brief komt die heerlijkheid in het bijzonder tot uitdrukking in de Messias en in de Gemeente, zijn Lichaam; dus dáár waarin het geheimenis is gemanifesteerd, het mysterie dat zo lang verborgen bleef voor de vroegere geslachten (vers 5).

 

Tot in alle geslachten van de eeuw der eeuwen…

De apostel heeft het nog steeds over de heerlijkheid Gods die op een unieke wijze manifest is geworden in de Gemeente en haar Hoofd. Maar zoals we al zagen, in 3:11, wordt daarmee Gods grote doel gediend, zijn voornemen der eeuwen dat Hij ontwierp in de Messias.

God verwezenlijkt dat voornemen door de eeuwen - door de successievelijke wereldperiodes - heen. Maar in de Zevende Dag, de eeuw die bij haar aanvang door God gezegend werd, komen alle dingen tot een climax. Om die reden kan die wereldperiode dé eeuw van alle eeuwen genoemd worden.

 

Welnu, binnen die eeuw moet tot voltooiing komen wat de Vader zich in zijn Zoon ten doel stelde: het zegenen van alle geslachten.

Vanzelfsprekend lag die zegen reeds opgesloten in de zegen die God uitsprak, eerst toen hij manlijk en vrouwelijk schiep en hen zegende, en vervolgens ook toen hij de gehele wereldperiode van de Zevende Dag zegende en die eeuw bovendien een heilige status verleende.

Maar wij weten ook dat al in een vroeg stadium - vanwege Adams ongehoorzaamheid - alle leden van alle successievelijke geslachten in zonde en met dwaling ter wereld kwamen en tekort kwamen aan de heerlijkheid Gods (Ps 51:7; Rm 5:19; 3:23).

 

Daarom moet de heerlijkheid Gods die op zo’n bijzondere wijze in de Gemeente met haar Hoofd, de Messias, tot uitdrukking komt, aangewend worden ten voordele van al die geslachten; en dat geheel overeenkomstig de belofte welke Jahweh deed aan aartsvader Abraham:

 

Ik zal zegenen, die u zegent, vervloeken, die u vervloekt.

En in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

(Gn 12:3)

 

Tijdens de laatste 1000 jaar van de Zevende Dag, in het Millenniumrijk van de Messias, zal ook dat onderdeel van Gods voornemen der eeuwen gerealiseerd worden (Op 21:3-5; 22:1-3).

 

Efeziërs 4

 

B. Vermanend deel (4:1 – 6:24)

 

1. Het bewaren van de eenheid (4:1-16)

Παρακαλω ουν υμας εγω ο δεσμιος εν κυριω αξιως περιπατησαι της κλησεως ης εκληθητε, μετα πασης ταπεινοφροσυνης και πραυτητος, μετα μακροθυμιας, ανεχομενοι αλληλων εν αγαπη, σπουδαζοντες τηρειν την ενοτητα του πνευματος εν τω συνδεσμω της ειρηνης· εν σωμα και εν πνευμα, καθως και εκληθητε εν μια ελπιδι της κλησεως υμων· εις κυριος, μια πιστις, εν βαπτισμα· εις θεος και πατηρ παντων, ο επι παντων και δια παντων και εν πασιν.

 

1-6 Ik vraag jullie dan dringend, ik, de geboeide in [de] Heer, te wandelen de roeping waarmee jullie geroepen werden, waardig. Met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, elkaar in liefde verdragend. Je beijverend de eenheid des geestes te bewaren in de verenigende band van de vrede: één Lichaam en één geest, gelijk jullie ook geroepen werden in één hoop van jullie roeping; één Heer, één geloof, één doop; één God en Vader van allen, die over allen en door allen en in allen [is].

 

Met ik vraag jullie dan dringend baseert Paulus zich op al het voorgaande, waarin hij zijn lezers vertrouwd heeft gemaakt met hun hoge roeping; en ook dat God reeds begonnen is, door de aanwending van zijn grote macht, hun hoop die daarmee samenhangt, te verwezenlijken.

De dingen waartoe hij hun opwekt beantwoorden dan ook aan de leerstellige uiteenzetting van de eerste drie hoofdstukken; zij moeten zó als christenen leven dat ze zich hun roeping waardig tonen.

 

Op zich heeft Paulus’ verzoek al een dringend karakter, maar door de toevoeging dat ze gedaan wordt door hem, de geboeide in de Heer, moeten zijn vermanende woorden des te meer indruk maken.

Hoe moet hun levenswijze er dan uitzien?

De apostel schrijft duidelijk in het besef dat het voor Joden en Heidenen, hoewel beide tot het Lichaam behorend, nog een hele uitdaging zal vormen om eensgezind in de Gemeente van de Messias te functioneren.

 

De Messias heeft dan wel

- de beiden -Jood en Griek- één gemaakt;

- de twee in hemzelf tot één nieuwe mens geschapen;

- vrede gesticht door de joodse Wet buiten werking te stellen;

- de vijandschap gedood door zijn eigen dood aan de martelpaal,

doch de praktijk van het leven is niettemin weerbarstig en vleselijk handelen vanwege de niet aflatende druk der Adamitische natuur, ligt om zo te zeggen ‘vlak om de hoek’ (Ef 2:14-16).

 

Geen wonder dus dat hij aandringt op alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, elkaar in liefde verdragend. En ook dat wij ons moeten beijveren om de eenheid des geestes te bewaren in de verenigende band van de vrede.

Een nederige opvatting omtrent onszelf is dus zeer gepast. Wat iemands herkomst ook moge zijn, allen zijn wij onderhevig aan het maken van fouten. We moeten dus een ‘lang geduld’ met elkaar hebben. Vergelijk Ks 3:12-15.

 

Elke ruzie, ja, zelfs elke onenigheid, vernietigt in zekere zin het werk van God die ons in de Messias één heeft gemaakt. Wat ons verenigt moet prevaleren boven alles wat ons zou kunnen scheiden. Zeker, er zal sprake zijn van verschillen in achtergrond, persoonlijkheid, sociale status, ja, zelfs in de wijze waarop wij menen dat het Woord geïnterpreteerd moet worden, maar het bewaren van de vrede moet ons boven alles gaan.

 

In de vv 4-6 maakt de apostel zeer bewust melding van: één Lichaam, één geest, één hoop, één Heer, één geloof, één doop en één God en Vader. Het zevenmaal gebruikte één karakteriseert weliswaar op opvallende wijze Gods regeling in de Messias, maar het geschrevene behoudt voor de lezer nog altijd het karakter van een vermaning: alle gelovigen moeten zich in hun uiterlijk handelen laten inspireren door die innerlijke, geestelijke eenheid. Allen zijn wij immers tot hetzelfde doel geroepen; dienstbaar te zijn in Gods voornemen der eeuwen.

 

De diepste grond van onze eenheid is dan ook gelegen in onze ene God en Vader, tot wie wij allen in de zelfde relatie staan. Om zijn voornemen te verwezenlijken is Hij:

- boven ons allen; als de Allerhoogste telt alleen Zijn wil;

- door ons allen; wij dienen als zijn werktuigen;

- in ons allen, omdat Hij door zijn geest in ons woont.

   

Ενι δε εκαστω ημων εδοθη η χαρις κατα το μετρον της δωρεας του Χριστου. διο λεγει,

Αναβας εις υψος ηχμαλωτευσεν αιχμαλωσιαν,

εδωκεν δοματα τοις ανθρωποις.

το δε Ανεβη τι εστιν ει μη οτι και κατεβη εις τα κατωτερα [μερη] της γης; ο καταβας αυτος εστιν και ο αναβας υπερανω παντων των ουρανων, ινα πληρωση τα παντα.

 

7-10 Doch aan elkeen van ons werd de liefderijke gunst gegeven naar de maat der gave van de Messias. Daarom zegt hij:

Toen hij naar de hoogte opsteeg heeft hij de gevangenschap gevangen genomen; hij gaf geschenken aan de mensen.

Welnu, Hij steeg op, wat betekent dat anders dan dat hij ook is afgedaald naar de lagere delen der aarde? Hij die is afgedaald is ook zelf degene die opsteeg hoog boven allen der hemelen, opdat hij alle dingen zou kunnen volmaken.

 

Na ons vermaand te hebben om de eenheid te bewaren en verenigd te blijven in de band van vrede, ons attenderend op de harmonie die binnen de geestelijke regeling van de ene God en Vader bestaat, maakt de apostel ons nu duidelijk dat er niettemin sprake is van een grote verscheidenheid binnen het Gemeentelichaam. Wat hij in het Schriftdeel 1Ko 12:4-30 zeer uitvoerig uiteenzet - dat het Lichaam van de Messias uit vele leden bestaat, elk met een eigen inbreng, naargelang van de ontvangen geestesgaven [charismata] - verwoordt hij hier bondig aldus: Aan elkeen van ons werd de liefderijke gunst gegeven naar de maat der gave van de Messias.

 

We zouden verwachten dat hij de respectieve charismata nu zou gaan opsommen, maar dat doet hij in dit geval niet; dat gebeurt eerst in vers 12.

Wat hij wel doet - en dat weer geheel in overeenstemming met de teneur van de Brief - is de leer der charismata in een verheven perspectief plaatsen.

Paulus gaat namelijk verduidelijken onder welke omstandigheden en tegen welke achtergrond de geestesgaven verleend worden.

 

Hij doet dit door Jezus’ optreden te vergelijken met de wijze waarop God handelde toen Deze zijn uitverkoren volk uit de gevangenschap in Egypte en naar de Sinaï leidde en uiteindelijk in het Beloofde Land bracht, waarbij Hijzelf als het ware ging wonen op de verheven berg Sion. De apostel baseert zich op Psalm 68:19

 

Gij zijt in de hoogte opgestegen; gij hebt gevangenschap gevankelijk weggevoerd; gij hebt gaven ontvangen in mensen.

 

De strekking van de context is dat Jahweh zijn volk vanaf de Sinaï uiteindelijk het Beloofde land binnenleidde. Daartoe moesten de vele vijanden van Israël overwonnen en tot gevangenen gemaakt worden. Vervolgens stijgt Jahweh op, als het ware hemelhoog, naar zijn verheven woning, het heiligdom op de Sionberg, daarbij gevangenen als gaven voor Israël meevoerend.

 

Naar analogie van dat beeld projecteert Paulus de details op de Messias, overigens met de vrijheid die voor hem kenmerkend is, door de inhoud voor zijn eigen doel aan te passen. Zo wijzigt hij geschenken ontvangen in mensen in geschenken gegeven aan de mensen.

Hij kan dit doen, niet alleen omdat er sprake is van een zekere analogie, maar ook omdat Psalm 68 nog haar echte vervulling moet ontvangen, namelijk in de eindtijd wanneer Israëls herstel aanbreekt en Jahweh op de Berg Sion gaat wonen met de bedoeling om daar voor eeuwig te verblijven (Ps 68:23, 17), etc.  

 

Toen Jezus ten hemel voer kon hij dat doen met de ‘resultaten’ van zijn offerdood.

De menselijke gevangenschaar die door Adam verkocht was onder de zonde en bijgevolg in een geestelijke gevangenschap aan de Duivel was geraakt, werd door het offer van zijn leven vrijgekocht (Rm 7:14; Ef 2:1-3; 2Tm 2:26).

 

Op die wijze nam hij de gevangenschap zelf gevangen. De Duivel stond machteloos.

Zelfs toen hij nog op aarde was, demonstreerde Jezus zijn macht over Satan door hen die door de demonen in slavernij werden gehouden te bevrijden. Het was alsof hij Satans huis binnendrong, hem bond en zijn goederen buitmaakte (Mt 12:28-29).

 

Maar toen Jezus eenmaal was opgestegen en de waarde van zijn offer aan God in het ‘Allerheiligste’ had aangeboden en hem voorts alle gezag in hemel en op aarde was verleend, ging hij er pas echt toe over Satans huis te plunderen en de gevangenschap gevangen te nemen, mannen en vrouwen die reeds lang in slavernij aan zonde en dood en onder Satans macht hadden verkeerd. Vanaf Pinksteren 33 AD  vond dat in toenemende mate plaats.

Zie: Hb 9:11-12; 2:14-15; Mt 28:18; Hn 2:41; 4:4; 5:14.

 

En zoals een overwinnaar als teken van zijn overwinning de buit van de vijand verdeelt onder zijn volk, kon ook de Messias gaven schenken aan de mensen. In zijn geval gebeurt dat door de leden van zijn Lichaam met geestesgaven te begiftigen zodat zij tot een zegen voor anderen kunnen worden.

 

In de geschiedenis van Israël was het vooral koning David die als triomfator de berg Sion kon bestijgen welke hij op de vijandelijke Jebusieten veroverd had (2Sm 5:4-10). Maar zijn antitype steeg op in veel verhevener zin, d.i. hoog boven allen der hemelen.

 

In Ef 1:20-21 gaf Paulus reeds aan in welke zin dat moet worden verstaan: Nadat God zijn Zoon had opgewekt liet hij hem aan zijn rechterhand plaats nemen in de hemelsferen, hoog boven alle overheid en gezag en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt. Vergelijk ook Fp 2:9-11.

In die hoog verheven positie is hij uitstekend in staat om Gods liefderijke gunst aan anderen te doen toekomen, zodat zij tot de juiste ‘volheid’ zullen geraken.

 

Terloops grijpt Paulus nog de gelegenheid aan om te beredeneren dat Jezus, voordat hij opsteeg naar de hogere hemelregionen, uiteraard eerst moet zijn afgedaald naar de veel lagere aardse regionen om daar als mens te verschijnen.

Vergelijk ook Rm 10:6-7.

Maar vanzelfsprekend was het niet Gods bedoeling dat hij op aarde zou blijven om daar zijn koningschap uit te oefenen. Dan zou zijn reikwijdte veel te beperkt zijn gebleven.

 

In zijn nieuwe positie, hoog boven alle overheid en gezag en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, kan hij, tezamen met zijn Gemeente die te zijner tijd eveneens verhoogd en in heerlijkheid openbaar gemaakt wordt, pas echt van grote betekenis voor de ongelukkige mensheid op aarde worden (Rm 8:18-22; Ks 3:4; Op 22:1-2, 17).

 

a. Geen onmondigen (4:11-16)

 

και αυτος εδωκεν τους μεν αποστολους, τους δε προφητας, τους δε ευαγγελιστας, τους δε ποιμενας και διδασκαλους, προς τον καταρτισμον των αγιων εις εργον διακονιας, εις οικοδομην του σωματος του Χριστου, μεχρι καταντησωμεν οι παντες εις την ενοτητα της πιστεως και της επιγνωσεως του υιου του θεου, εις ανδρα τελειον, εις μετρον ηλικιας του πληρωματος του Χριστου,

 

11-13 En hijzelf gaf sommigen als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraren. Met het oog op de toerusting der heiligen voor dienstwerk, tot opbouw van het Lichaam van de Messias. Totdat wij allen geraken tot de eenheid van het geloof en van de verdiepte kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot een gestaltemaat van de volheid der Messias.

 

Na te hebben uitgelegd dat de Messias moest opstijgen hoog boven alle hemelingen teneinde volheid aan alle dingen te kunnen geven (Jh 7:39), haakt de apostel nu weer aan bij vers 7, waar hij liet weten dat aan elkeen van ons de liefderijke gunst werd gegeven naar de maat der gave van de Messias.

Alleen wordt hij nu specifieker; hij geeft enkele sprekende voorbeelden van gaven aan de mensen welke het gehele Lichaam ten goede komen en daarom fundamenteel nodig zijn: apostelen, profeten, evangelisten, herders, leraren.

 

Door hen wordt voorzien in het stichten van gemeentes, in het geven van onderwijs, in bestuurlijke- en geestelijke leiding. Aldus worden ook alle anderen toegerust om deel te kunnen hebben aan het dienstwerk [εργον διακονιας].

Het ultieme doel is dat allen worden opgebouwd en een mate van geestelijke wasdom bereiken welke representatief is voor de volheid van de Messias.

Daarvoor is het nodig dat alle heiligen tot de eenheid van het geloof raken. Er is immers slechts één geloof. Willen wij echter allemaal tot die ene geloofsbeleving komen dan is verdiepte kennis van de Zoon van God essentieel.

 

Er zijn gelovigen die nogal laatdunkend spreken over de noodzaak dat een christen in het bezit zou moeten komen van een gedegen en nauwkeurige Bijbelkennis. Niet zelden doet men denigrerend over serieuze Bijbelvorsers die, zoals dat heet, alles willen uitpluizen en zich bezig houden met elke punt en komma!

Door zich opzettelijk in zulke overtrokken termen uit te laten, wil men anderen het idee geven dat grondige Bijbelstudie niet nodig, ja, overdreven zou zijn. God weet heus wel dat ik hem liefheb. Goed zijn voor je medemens, dat is pas echt van belang!

 

Herkent u die klanken, lezer? Weet dan dat de apostel u hier laat weten dat welke vorm van [christelijk] dienstbetoon maar ook, nauwelijks betekenisvol kan zijn wanneer het niet samengaat met het geloof en de kennis waarvan de Messias, de Zoon van God, het voorwerp is.

Door met nadruk te spreken over de verdiepte kennis van de Zoon van God, wijst Paulus op de hele rijke inhoud van diens persoon, van hem die in het Gemeentelichaam ons Hoofd is. Om die reden alleen al zouden wij de grootste belangstelling moeten hebben voor de onderscheiden christelijke waarheden.

Hoe dan ook, dit is de weg om tot geestelijke wasdom te geraken, tot de gestaltemaat die representatief is voor de volheid waardoor de Messias zelf wordt gekenmerkt.

 

In die situatie kan elk lid van het Lichaam, hoe gering ook in achtergrond, opleiding, sociale status, meefunctioneren in het geheel. Want vergeet nooit, dat elkeen van ons toen wij tot het geloof werden geroepen, een geestelijke gave ontving waarmee wij in de positie die wij binnen het Lichaam mogen innemen, werkzaam kunnen zijn tot welzijn van anderen. Want juist daarin is de kracht van de Gemeente gelegen, namelijk dat elke afzonderlijke christen voor zichzelf vaststelt wat zijn geestelijke gave is en die vervolgens met beleid tot bloei brengt.

 

ινα μηκετι ωμεν νηπιοι, κλυδωνιζομενοι και περιφερομενοι παντι ανεμω της διδασκαλιας εν τη κυβεια των ανθρωπων εν πανουργια προς την μεθοδειαν της πλανης,

 

14 opdat wij niet langer onmondigen zouden zijn, heen en weer geslingerd door golven en meegesleurd door elke wind van de leer in het valse spel der mensen, in sluwheid om door list te doen dwalen,

 

Paulus maakt duidelijk waarom het bereiken van geestelijke volwassenheid, de Messiaanse volheid waardig, voor christenen een absolute noodzaak is. Want alleen in dat geval zullen wij beschikken over een verantwoord zelfstandig oordeel, niet vatbaar voor al het willekeurige ‘geroep’ van mensen die hun mening ten beste geven over bepaalde gedeelten uit de Bijbel.

De apostel gebruikt daartoe het beeld van een stuurloos schip dat in volle zee door zware golven en winden geteisterd wordt, in elke richting meegesleurd. Zo komen ook zij die wat betreft geloofskennis onmondige kinderen blijven, nooit tot rust en zekerheid, beïnvloedbaar als zij zijn voor elke lering die onder hun aandacht komt.

 

De apostel maakt in dit verband gebruik van nog een andere metafoor. Ook in zijn tijd waren er al dobbelaars die uit winstbejag op bedrieglijk wijze het spel trachtten te beïnvloeden. Zo zijn er eveneens op godsdienstig terrein tal van leraren die niet met echt zuivere bedoelingen onderwijzen.

 

We kunnen hierbij denken aan sterk sektarisch getinte organisaties die door hun leer de argeloze gelovigen ten eigen voordele aan zich willen binden. Zulke denominaties claimen dikwijls in het bezit te zijn van dé religieuze waarheid. Alleen binnen hun gelederen zou de weg tot redding te vinden zijn. Van hun aanhang wordt daarom verwacht dat ze zich gewillig voegt naar de centrale leiding waarin wordt voorzien. Afwijkende opvattingen worden niet geduld, op straffe van excommunicatie.

 

Het is dus verstandig elke charlatan die maar langskomt te mijden. Het hart heeft vastheid nodig:

 

Jezus Messias [is] gisteren en heden dezelfde, en tot in de aeonen.

Jullie moeten je niet op een zijspoor laten brengen door veelsoortige en vreemde leringen; want het is voortreffelijk dat het hart standvastig wordt gemaakt door liefderijke gunst.

(Hb 13:8-9)

 

αληθευοντες δε εν αγαπη αυξησωμεν εις αυτον τα παντα, ος εστιν η κεφαλη, Χριστος, εξ ου παν το σωμα συναρμολογουμενον και συμβιβαζομενον δια πασης αφης της επιχορηγιας κατ ενεργειαν εν μετρω ενος εκαστου μερους την αυξησιν του σωματος ποιειται εις οικοδομην εαυτου εν αγαπη.

 

15-16 maar laten wij, in elk opzicht waarheid sprekend, in liefde opgroeien naar hem toe die het Hoofd is, [de] Messias, uit wie elk lichaam - samengevoegd en bijeengehouden door elke ondersteunende verbinding, naar [de] werking die elk deel is toegemeten - de groei van het Lichaam bewerkt tot opbouw van zichzelf in liefde.

 

Zoals wij in de vv 11-13 zagen zijn de gaven in mensen aan de Gemeente geschonken om de heiligen, de afzonderlijke leden van Jezus’ Gemeentelichaam, tot een mate van geestelijke wasdom te brengen die de volheid van de Messias waardig is. Geen onmondige kinderen derhalve wie het in geloofszaken aan een zelfstandig oordeel ontbreekt, maar in het bezit van de precieze feitenkennis omtrent de Zoon van God, een zeer waardevol iets waarin het hart rust en zekerheid vindt.

 

Een en ander vormt een voortreffelijk uitgangspunt voor elke heilige afzonderlijk om gehoor te geven aan de aanmoediging die Paulus nu geeft, t.w.:

* Verknocht als we zijn aan de waarheid zullen we ons te allen tijde en in alle dingen volgens die waarheid uiten en daardoor in de eerste plaats zelf in liefde opgroeien naar hem toe die het Hoofd is; d.i. richting de gestaltemaat van zijn volheid;

* om vervolgens - weliswaar gestuurd door het Hoofd - een persoonlijke bijdrage te leveren aan de geestelijke groei van het Gemeentelichaam als geheel, doordat het door de onderlinge liefde wordt opgebouwd.

 

De apostel werkt daartoe de gedachte van Ef 2:21-22 verder uit: de afzonderlijke leden die elk op zich een tempelbouwwerk vormen vanwege de inwonende geest, moeten, in hun verbondenheid met hun Hoofd en in hem samengevoegd, uitgroeien tot een heilige tempel in [de] Heer, een woonplaats Gods in geest.

 

Maar nu spreekt hij niet over alle bouwwerk, maar over elk lichaam. En de nadruk ligt niet op het feit dat zij uitgroeien tot een tempel, maar op het bevorderen van de groei en de opbouw van het Gemeentelichaam krachtens de onderlinge liefde.

Vergelijk 1Ko 6:15, 19, waaruit we kunnen concluderen dat onze (eigen) lichamen binnen Jezus’ Gemeentelichaam leden zijn, zoals ze ook binnen de ene tempel in de Heer afzonderlijke, levende bouwstenen zijn.

 

In dat verband wil de apostel een besef van onze onderlinge afhankelijkheid inprenten. De ledematen van het menselijke lichaam werken immers ook niet onafhankelijk van elkaar. Integendeel, ze zijn harmonisch samengevoegd en worden door de gewrichten tezamen gehouden, zodat het hoofd met zijn brein sturing kan geven aan alle ledematen. Elk respectief lid kan bijgevolg functioneren zoals bedoeld en bijdragen aan het welzijn van het gehele lichaam.

 

2. De oude en de nieuwe mens (4:17-24)

Τουτο ουν λεγω και μαρτυρομαι εν κυριω, μηκετι υμας περιπατειν καθως και τα εθνη περιπατει εν ματαιοτητι του νοος αυτων, εσκοτωμενοι τη διανοια οντες, απηλλοτριωμενοι της ζωης του θεου, δια την αγνοιαν την ουσαν εν αυτοις, δια την πωρωσιν της καρδιας αυτων, οιτινες απηλγηκοτες εαυτους παρεδωκαν τη ασελγεια εις εργασιαν ακαθαρσιας πασης εν πλεονεξια.

 

17-19 Dit zeg ik daarom en getuig ik in [de] Heer, dat jullie niet langer wandelen gelijk ook de Heidenvolken wandelen in de leegheid van hun denken, verduisterd als zij zijn in hun verstand, vervreemd van het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart. Zij zijn degenen die zichzelf in hun zedelijke verdoving hebben overgegeven aan de losbandigheid om in hebzucht allerlei onreinheid te bedrijven.

 

In vers 1 was Paulus begonnen - op grond van de voorafgaande leerstellige uiteenzetting - zijn lezers aan te moedigen tot een christelijke wandel die beantwoordt aan hun hoge uitverkiezing en roeping. Vanaf vers 7 raakte hij echter afgeleid door de leer over de charismata, of genadegaven die aan de Gemeente zijn geschonken, tot haar opbouw en functioneren in liefde.

Maar nu neemt hij de draad met betrekking tot de christelijke levenswijze weer op, en dat met een zelfs nog grotere intensiteit.

 

Om het gewicht van de nu volgende vermaning kracht bij te zetten beroept hij zich namelijk op zijn vereniging met de Messias: Dit zeg ik daarom en getuig ik in [de] Heer. Wat volgt is dus niet slechts een stukje apostolische raad op grond van menselijke redenering, maar veeleer goddelijke openbaring. Ons wordt door de apostel Gods denken ten aanzien van de juiste christelijke levenswandel onthuld. En de Vader blijkt – uiteraard - grondig bekend te zijn met de aard der problematiek binnen de menselijke samenleving.

 

De Heidenwereld, en dan hebben we het in feite over de gehele menselijke maatschappij buiten het Israël Gods, is in een diepe, geestelijke duisternis gedompeld. Haar gehele 'handel en wandel' voltrekt zich immers in de leegheid van hun denken. Ze is leeg of ijdel omdat ze gericht is op de vruchteloze ambities van deze wereld, welke in Gods ogen gespeend zijn van ware realiteit aangezien die dingen nagestreefd worden geheel buiten zijn voornemen der eeuwen om ( Ef 3:11).

 

Hoe komt dat? Waarom leven de mensen van deze wereld in een ijdele gezindheid? In de eerste plaats omdat God zelf hen, bij hun opstand tegen hem, aan die situatie overgaf (Rm 8:20). Daarna geraakte de mensheid in de greep van de wereldheersers van deze duisternis, de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen; in het bijzonder vanaf de Spraakverwarring is dat in toenemende mate het geval geweest (Ef 6:12; 1Jh 5:19; Hn 14:16).

 

Zie ook de commentaren bij Ef 1:5-8; 2:1-3 en 2:11-13.

 

Vandaar dat de mensen van deze wereld wandelen in de leegheid van hun denken. Hun verstand is gehuld in een geestelijke duisternis, zonder het licht van goddelijke openbaring. Daarom weten ze ook helemaal niets af van het leven van God, d.i. het bovennatuurlijke leven dat in vereniging met God en zijn Zoon wordt geleid.

Een en ander heeft ook te maken met hun onwetendheid, maar de wijze waarop de apostel die omstandigheid ter sprake brengt, geldt niet als een excuus; integendeel, eerder als de schuldige oorzaak waardoor hun verduisterd brein geen onderscheid maakt tussen goed en kwaad. Zie Rm 1:20-23.

 

Hetzelfde geldt voor de verharding of verstoktheid van hun hart. Ook daarvan moet de oorzaak bij henzelf gezocht worden, aangezien zij het hogere leven, de levenswijze die in overeenstemming is met God, volstrekt niet waarderen, er ook niet naar verlangen.

Door eigen schuld verkeren zij ook in een gevoelloze situatie met betrekking tot moraliteit. Door hun geestelijke en zedelijke afgestomptheid zijn zij in een toestand van verdoving terechtgekomen wat betreft het onderscheid tussen goed en kwaad. Bijgevolg schrikken zij niet terug voor een leven van ongebondenheid; integendeel zelfs, het kwaad oefent zulk een aantrekkingskracht op hen uit dat zij zich gretig in allerlei onreine praktijken storten en wentelen, reeds vanouds kenmerkend voor een heidense samenleving (Rm 1:24-27).

 

Het is opmerkenswaardig dat Paulus al deze zaken niet opsomt met de bedoeling dat wij er tegen te hoop zouden lopen; er actie tegen zouden gaan ondernemen. Nee, zeker niet; het enige waarop hij bij ons aandringt is: leef niet zoals zij!

Wij worden dus niet geroepen om wereldverbeteraars te worden. Nee, maar wel om zelf anders te denken dan zij en hun levensfilosofie niet aan te hangen, noch hun ontaarde waardebepaling. Dan kunnen we aan anderen laten zien dat God gelijk heeft en de wereld ongelijk.

 

υμεις δε ουχ ουτως εμαθετε τον Χριστον, ει γε αυτον ηκουσατε και εν αυτω εδιδαχθητε, καθως εστιν αληθεια εν τω Ιησου, αποθεσθαι υμας κατα την προτεραν αναστροφην τον παλαιον ανθρωπον τον φθειρομενον κατα τας επιθυμιας της απατης,

 

20-22 Maar de Messias leerden jullie zó niet kennen; mits jullie hem hoorden en in hem werden onderwezen, gelijk waarheid in de Jezus is: dat jullie, wat de vroegere levenswandel betreft, de oude mens afleggen, die te gronde gaat als gevolg van de bedrieglijke begeerten,

 

Maar de Messias leerden jullie zó niet kennen…

Tegenover het bandeloze gedrag der Heidenvolken plaatst Paulus scherp het christelijke levensideaal zoals dat in het Evangelie onder onze aandacht komt. Maar in plaats dat hij naar het Evangelie verwijst, noemt de apostel eenvoudigweg de Messias, aangezien het in zijn Persoon wordt belichaamd. Jezus heeft ons de juiste christelijke levenswandel immers op volmaakte wijze voorgeleefd. Hij was precies het tegendeel van wat de Heidenwereld te zien geeft.

 

Mits jullie hem hoorden en in hem werden onderwezen…

Paulus noemt zichzelf in Rm 11:13 een apostel der Heidenen, maar als zodanig was hij niet in persoon onder zijn lezers werkzaam geweest; andere predikers moeten hen met de Messias bekend hebben gemaakt. Dat hij niettemin ook hen als zijn broeders in de Messias beschouwde, had hij al in Ef 2:13 te kennen gegeven, waar hij constateerde: Maar thans, in Messias Jezus, zijn jullie die eens veraf waren, dichtbij gekomen in het bloed van de Messias.

 

Toch zit in het gebruik van ει γε een veronderstelling opgesloten: Goed, de lezers zijn tot het geloof gekomen, maar hebben zij wel alle waarheid zoals die in de Messias [de Jezus; het artikel wijst op hem als een werkelijk figuur: de historische Jezus] ligt besloten, ten volle van hun onderwijzers vernomen; d.i naar de gestaltemaat van de Messiaanse volheid?

Zijn Paulus wellicht berichten ter ore gekomen die doen vermoeden dat er nog heel wat aan hun geestelijke opbouw 'gesleuteld' moet worden? Duiden die berichten op hun onmondigheid; zijn zij in geestelijk opzicht nog kinderen die gemakkelijk zijn om te praten tot andere, verdraaide visies omtrent de Messias? De context van de vv 11-16 zou heel goed daarop kunnen wijzen.

Vergelijk ook Jh 1:14-17.

 

Hoe dan ook, van welk gehalte hun situatie in geestelijk opzicht ook moge zijn, Paulus is gaarne bereid om zijn apostolische waardigheid te benutten om hen verder in te weiden in de christelijke waarheden, met name in die zaken welke, wat de christelijke levenswijze betreft, fundamenteel zijn.

De oude mens die gevormd was naar de leegheid [of: vruchteloosheid] van het heidense denken, moet beslist afgelegd worden; zinnebeeldig: afleggen als een kleed.

 

Met het gebruik van αποθεσθαι, de infinitief van het werkwoord in de aorist, geeft Paulus zijn lezers te verstaan dat zij in deze actie niet halfslachtig te werk moeten gaan. Het is niet de bedoeling dat zij stapje voor stapje met hun vroegere heidense levenswandel breken. Integendeel, niet aarzelen maar vastberaden een rigoureus besluit nemen! Waarom? Hun oude mens is namelijk bezig te gronde te gaan (Rm 6:17).

 

Een en ander is gelegen in de begeerten die voor de mensen van deze wereld aantrekkelijk lijken, aangezien ze hen geluk en genot voorspiegelen. Maar naar hun aard zijn die wereldse verlangens bedrieglijk; in werkelijkheid brengen ze de mens die er ongebreideld gehoor aan geeft, tot steeds grotere ontaarding.

In de Parallelbrief schrijft Paulus daarom in een zeer directe stijl: De oude mens uitgetrokken hebbend (Ks 3:9; ook nu een aoristvorm, maar dan van het werkwoord απεκδυομαι; uittrekken; afleggen).

 

ανανεουσθαι δε τω πνευματι του νοος υμων και ενδυσασθαι τον καινον ανθρωπον τον κατα θεον κτισθεντα εν δικαιοσυνη και οσιοτητι της αληθειας

 

23-24 maar vernieuwd worden in de geest van jullie denken, en je bekleden met de nieuwe mens, die in overeenstemming met God werd geschapen, in waarachtige rechtvaardigheid en oprechtheid.

 

Zoals de oude mens zonder aarzelen moet worden afgelegd, moet de gelovige zich met dezelfde vastberadenheid met de nieuwe mens bekleden [ενδυσασθαι; de aorist-infinitief van ενδυομαι; aandoen; zich bekleden met].

Een en ander zou vergezeld moeten gaan van een geheel nieuwe manier van denken. Het denken in een nieuwe richting is echter een proces en geschiedt in de tijd wél volgens een geleidelijk patroon. Vandaar Paulus’ gebruik van de duratieve vorm (praesens) van het werkwoord vernieuwen.

 

Het idee van vernieuwing veronderstelt dat het oude, ijdele, heidense denken moet verdwijnen en er plaats komt voor Gods gedachten. Maar zich een totaal nieuwe gezindheid eigen maken gebeurt niet 'overnacht'. Het vergt tijd om zich bewust te worden van het feit hoe kostbaar Gods gedachten zijn; dat ze zoveel heilzamer zijn dan onze vroegere, schadelijke ideeën.

Vergelijk Js 55:7-9; Ps 139:17; Sp 2:10-11.

 

De nieuwe mens wordt als reeds bestaand gedacht; in principe reeds door God geschapen en derhalve als ideaal kleed beschikbaar. Ze ligt bij wijze van spreken in Gods confectieatelier gereed om door de wedergeborene zonder uitstel te worden aangedaan. Zijn oude 'kleed' is immers met de Messias aan de paal gehangen en daar ge(ver)oordeeld (Rm 6:6; Ks 2:11).

 

In de Parallelbrief wordt door Paulus nog een detail toegevoegd: de nieuwe mens werd voortgebracht naar het beeld van Hem die ze schiep (Ks 3:10).

Vandaar de attributen die vermeld worden: rechtvaardigheid en oprechtheid [οσιοτης; kan ook duiden op getrouwheid; zuiverheid], maar dan [letterlijk] volgens de waarheid, d.i. in alle waarachtigheid, zoals uiteraard bij God zelf het geval is.

De apostel lijkt in zijn gedachten dan ook bij Dt 32:4 verwijld te hebben:

 

Ik zal de naam van Jahweh uitroepen. Schrijft grootheid toe aan onze God! De Rots, volmaakt zijn werk! Want al zijn wegen zijn gerechtigheid. Een God van getrouwheid, bij wie geen onrecht is; rechtvaardig en oprecht is hij.

 

Toen zijn zoon Johannes (de Doper) op de achtste dag werd besneden, loofde zijn vader Zacharias de God van Israël vanwege enkele beslissende stappen die Deze toentertijd had gezet in verband met de verwezenlijking van zijn voornemen der eeuwen in de Messias. Ook hij gebruikte toen in één adem de beide termen δικαιοσυνη [rechtvaardigheid] en οσιοτης:

Hij heeft een hoorn van redding voor ons opgericht in [het] huis van David, zijn knecht, gelijk hij in de loop der tijden door de mond van zijn heilige profeten heeft gesproken: redding vanuit onze vijanden en uit [de] hand van allen die ons haten; om barmhartigheid te betonen aan onze vaderen en zijn heilig verbond indachtig te zijn, [de] eed die hij heeft gezworen jegens Abraham, onze vader; om ons [de gelegenheid] te geven -na bevrijd te zijn uit [de] hand van onze vijanden- hem onbevreesd dienstbaar te zijn, in godvruchtige trouw en rechtvaardigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen.

(Lk 1:69-75)

3. Navolgers van God in onze dagelijkse gedragingen (4:25 – 5:2)

Διο αποθεμενοι το ψευδος λαλειτε αληθειαν εκαστος μετα του πλησιον αυτου, οτι εσμεν αλληλων μελη. οργιζεσθε και μη αμαρτανετε· ο ηλιος μη επιδυετω επι [τω] παροργισμω υμων, μηδε διδοτε τοπον τω διαβολω.

 

25-27 Daarom, aangezien wij de leugen aflegden, spreekt waarheid, een ieder met zijn naaste, want wij zijn elkaars ledematen. Wordt toornig, en zondigt niet; laat de zon niet ondergaan in je verontwaardiging; biedt ook de Duivel geen ruimte.

 

Met daarom grijpt de apostel terug op de voorafgaande verzen over het afleggen van de oude- en het aandoen van de nieuwe mens. De nieuwe mens is naar het beeld van God geschapen en wordt gekenmerkt door waarachtige rechtvaardigheid en oprechtheid. Daarmee gaat een vernieuwd denken gepaard waarin voor leugen en bedrog en andere heidense ondeugden geen plaats is.

Maar ook omdat christenen allen leden zijn van hetzelfde (Jezus’) Lichaam, mag van hen een strikte, onderlinge waarheidsliefde verwacht worden.

 

Het is interessant dat Paulus zich uitdrukt in bewoordingen die aan Zc 8:16 zijn ontleend:

 

Hier moeten jullie je aan houden: Spreek de waarheid tegen elkaar, bewaar de vrede door eerlijk en rechtvaardig recht te spreken.

(nbv)

 

In het sterk apocalyptisch getinte Bijbelboek Zacharia, hoofdstuk 8, kondigt Jahweh het toekomstige herstel van zijn volk aan. Het ogenschijnlijk onmogelijke gaat toch gebeuren: Jahweh zal een overblijfsel redden uit de joodse diaspora en de leden daarvan weer in Jeruzalem doen verblijven. Hijzelf zal hun God worden in waarachtigheid en rechtvaardigheid.

Door daaruit te citeren laat Paulus uitkomen dat de vermaning van vers 16 in gelijke mate geldt voor de beide gemeenten van het Israël Gods (Gl 6:15-16).

 

Wordt toornig, en zondigt niet…

In Gl 5:20 wordt ons gezegd dat woede-uitbarstingen [of: vlagen van toorn; θυμοι; onderscheiden van οργη] tot de werken van het vlees behoren. Maar er zijn ook gerechtvaardigde uitingen van toorn zoals de toorn van Jezus ten aanzien van het gemarchandeer in Gods heiligdom.

 

Christenen moeten oppassen wanneer zij grote verontwaardiging in zich voelen opkomen, bijvoorbeeld wanneer men met onrecht wordt geconfronteerd. Omdat wij nog altijd de zondige Adamitische natuur bezitten, is het zaak dat wij ons bedwingen en geen schadelijke acties ondernemen, noch verbitterd raken. Daarmee zou de Duivel immers in de kaart gespeeld worden en ruimte krijgen om ons tot zondig handelen te verleiden.

Ook in dit geval is er sprake van een reminiscentie van het OT:

 

Weest toornig, maar zondigt niet; spreekt in uw hart op uw leger, en zwijgt.

(Ps 4:5; nbg)

 

Laat dus de zon niet ondergaan in je verontwaardiging.

Wanneer men zich aan het einde van een dag te rusten legt moet dat in vrede kunnen geschieden.

Paulus hanteert het beginsel van Dt 24:15, waar het echter over het uitbetalen van het loon van loonarbeiders gaat.

 

Het is opvallend dat in de Efezebrief, waarin vooral de roeping van de christelijke Gemeente en de plaats die ze in Gods voornemen der eeuwen inneemt wordt behandeld, tegelijkertijd ook geregeld gewaarschuwd wordt voor de praktijken van de wereldheersers van deze duisternis, de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen, in het bijzonder voor hun overste, Satan, de Duivel, in Ef 2:2 getypeerd als de overste van het gezag der lucht, de geest die thans werkzaam is in de zonen der ongehoorzaamheid.

 

Christenen zijn dan wel gezegend in alle geestelijke zegen in de hemelsferen in [de] Messias (1:3); en ook heeft God hen mede opgewekt en mede plaats doen nemen in de hemelsferen in Messias Jezus (2:5-6), maar in die geestelijke regionen worden zij geconfronteerd met die boosaardige, geestelijke wezens.

In Ef 6:11-12 zal de apostel dan ook melding maken van het feit dat de strijd van christenen in de eerste plaats tegen hen gericht is, en niet tegen bloed en vlees (mensen). In de betrekkelijk korte Brief zal hij dan behoorlijk wat ruimte gebruiken om de geestelijke wapenrusting te beschrijven die de christen nodig heeft om zich doeltreffend te weer te stellen tegen de listige praktijken van de Duivel (Ef 6:13-18).

 

ο κλεπτων μηκετι κλεπτετω, μαλλον δε κοπιατω εργαζομενος ταις [ιδιαις] χερσιν το αγαθον, ινα εχη μεταδιδοναι τω χρειαν εχοντι.

 

28 Laat hij die steelt, niet langer stelen, maar laat hij zich liever inspannen, met de eigen handen het goede bewerkend, opdat hij [iets] heeft om mee te geven aan hem die gebrek heeft.

 

Hier, en in wat volgt, wordt goed duidelijk dat het bij het gehoor geven aan de aanmoediging van vers 23 - vernieuwd te worden in de geest van jullie denken - inderdaad om een proces gaat. Het vergt tijd om de vele heidense ondeugden achter zich te laten; daarvoor moet immers een nieuwe gezindheid ontwikkeld worden: dat het ene zedelijk verkeerd is, het andere moreel goed.

 

In dit vers (28) wordt gedoeld op de gelovige voor wie het als Heiden heel gewoon was om te stelen. Achter die slechte praktijk moet hij uiteraard definitief een punt zetten, maar hij moet verder gaan dan van andermans bezittingen af te blijven. Zoals hij voorheen gewend was om zijn handen te gebruiken voor diefstal, moet hij die nu aanwenden om het zedelijk goede te doen; zelfzucht moet plaats maken voor offervaardige liefde.

Terwijl hij zich vroeger weinig of helemaal niets gelegen liet aan zijn slachtoffers, moet hij zich voortaan juist om zijn medemens bekommeren en zo mogelijk iets betekenen voor zijn behoeftige broeder.

 

πας λογος σαπρος εκ του στοματος υμων μη εκπορευεσθω, αλλα ει τις αγαθος προς οικοδομην της χρειας, ινα δω χαριν τοις ακουουσιν.

 

29 Laat geen enkel verdorven woord uit jullie mond voortkomen, maar als er enig goed [woord is] tot opbouw waar nodig…, opdat het liefderijke gunst verleent aan de hoorders.

 

In het NT wordt σαπρος gebruikt om bedorven, onbruikbare dingen, aan te geven zoals bomen, boomvruchten, vissen. Hier wordt kennelijk gedoeld op het verdorven taalgebruik der Heidenen, een gewoonheid, ook nu nog, in kringen van mensen die van God vervreemd zijn.

Wanneer men echter een christen wordt, en zich daarmee bewust van de hoge roeping in de Messias, moet ook aan die slechte gewoonte een einde komen.

 

De zin blijft, zoals wel meer bij Paulus voorkomt, onvoltooid.

Blijkbaar bedoelt hij te zeggen dat verdorven taalgebruik in ieder geval te allen tijde achterwege moet blijven, maar wanneer de gelegenheid zich voordoet, en er een geestelijke noodzaak bestaat, kan de christen het woord nemen om daarmee iets goeds tot stand te brengen.

Als daarmee bereikt wordt dat medegelovigen geestelijk worden opgebouwd, fungeert hij op zo’n moment zelfs als spreekbuis van de heilige geest: de aanwezigen ervaren Gods liefderijke gunst.

Precies als in Ks 4:6 moet χαρις hier in de specifiek christelijke zin worden genomen: Jullie woord [zij] altijd in liefderijke gunst, met zout gekruid.

 

και μη λυπειτε το πνευμα το αγιον του θεου, εν ω εσφραγισθητε εις ημεραν απολυτρωσεως. πασα πικρια και θυμος και οργη και κραυγη και βλασφημια αρθητω αφ υμων συν παση κακια. γινεσθε [δε] εις αλληλους χρηστοι, ευσπλαγχνοι, χαριζομενοι εαυτοις καθως και ο θεος εν Χριστω εχαρισατο υμιν.

 

30-32 En bedroeft niet de heilige geest van God, waarin jullie werden verzegeld tot een dag van verlossing. Laat alle bitterheid en gramschap en toorn en geschreeuw en lastering uit jullie midden worden verwijderd, tezamen met alle slechtheid. Wordt daarentegen vriendelijk jegens elkaar, vol medeleven, elkaar gaarne vergevend, zoals ook God jullie in [de] Messias gaarne vergaf.

 

En bedroeft niet de heilige geest van God…

Zoals in vers 27 de lezers door middel van een tussengedachte op het hart werd gedrukt vooral Satan geen ruimte te bieden in het beoefenen van de heidense ondeugden, wordt hier evenzo in een tussenzin de aandacht gevestigd op Gods heilige geest die bedroefd kan worden door het heidense, verkeerde gebruik van het spraakvermogen.

 

Vanzelfsprekend wordt de geest door elke zonde bedroefd, maar hier wordt dit specifiek in verband gebracht met slechte taal. Dat heeft te maken met het feit dat de heilzame werking van de geest vooral in het spreken tot uiting wil komen; vergelijk vers 29, waar we zagen dat een opbouwend woord dermate gunstig is voor de hoorders dat hun daardoor goddelijke genade, of liefderijke gunst, wordt meegedeeld.

 

Dat het bedroeven van de heilige geest niet licht moet worden opgevat, blijkt ook daaruit dat de apostel ons eraan herinnert dat we tot aan de Opname met die geest verzegeld zijn. In de tussenliggende periode dient ze als onderpand, of waarborg, van de erfenis die ons in de hemelsferen wacht, en houdt ze de hoop op onze (definitieve) verlossing bij ons levend (Ef 1:13-14; Rm 8:23).

Reden waarom Paulus in de Parallelbrief schrijft: Weest dankbaar (Ks 3:15).

 

Door uiting te geven aan bitterheid, gramschap, toorn, geschreeuw en lastering wordt niet alleen de heilige geest van God bedroefd, maar zondigen we ook tegen de liefde voor onze medeleden in het Lichaam.

Veel beter is het dat wij ons in onze onderlinge betrekkingen spiegelen aan de houding van God. In zijn Zoon heeft hij ons geregeld vrijelijk vergiffenis geschonken wat betreft onze vele verkeerde daden.

 

In plaats dus dat wij tegen zijn geest ingaan, moeten we het besluit nemen ons juist krachtig door die goddelijke geest te laten beïnvloeden, zodat ook wij vriendelijk jegens elkaar worden, vol medeleven, elkaar gaarne vergevend.

In de Parallelbrief verwoordde de apostel een en ander op de volgende wijze:

 

Bekleedt je dan als uitverkorenen Gods, heiligen en geliefden, met tedere genegenheden van mededogen, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid; elkaar verdragend en elkaar gaarne vergevend, wanneer de een tegen de ander een klacht heeft; gelijk ook de Heer jullie gaarne vergaf, zó ook jullie. Boven al deze dingen echter de liefde, welke een verenigende band is der volmaaktheid. En laat de vrede van de Messias de beslissende stem in jullie harten hebben; daartoe ook werden jullie in één Lichaam geroepen; en weest dankbaar. 

(Ks 3:12-15)

 

Efeziërs 5

 

γινεσθε ουν μιμηται του θεου, ως τεκνα αγαπητα, και περιπατειτε εν αγαπη, καθως και ο Χριστος ηγαπησεν ημας και παρεδωκεν εαυτον υπερ ημων προσφοραν και θυσιαν τω θεω εις οσμην ευωδιας.

 

1-2 Wordt dan navolgers van God, als geliefde kinderen; en gaat voort in liefde te wandelen, gelijk ook de Messias ons liefhad en zichzelf voor ons overgaf, een offergave en slachtoffer voor God tot een welriekende geur.

 

De aanmoediging is gebaseerd op het uitnemende voorbeeld van God die ons in zijn Zoon van harte heeft vergeven, daarmee zijn liefde jegens ons, zijn geliefde kinderen, bewijzend. Als rechtgeaarde kinderen van hem dient het daarom ons verlangen te zijn de Vader daarin na te bootsen [μιμηται; letterlijk: nabootsers], maar dan in oprechtheid, als ware navolgers en niet als toneelspelers [ook een betekenis van μιμηται].

 

Gaat voort in liefde te wandelen, gelijk ook de Messias ons liefhad en zichzelf voor ons overgaf…

Als Gods ware kinderen ‘wandelen’ christenen volgens het liefdebeginsel, maar daarin worden zij ten zeerste gesteund doordat zij in de Messias, hun Hoofd, een tastbaar voorbeeld hebben van het tentoonspreiden van onbaatzuchtige liefde. Hij heeft zich immers (in de eerste plaats) voor hen als een offergave gegeven (Ef 5:25).

 

Met termen die ontleend zijn aan het OT wordt die offerandelijke gave als een volledig brandoffer gekarakteriseerd. Bijgevolg hield het offer zijn volkomen vernietiging in; bij zijn opstanding nam hij niets van zijn menselijke lichamelijkheid terug.

Vergelijk Mt 9:13 waar eveneens het Griekse θυσια wordt aangetroffen in het citaat uit Hs 6:6.

De omhoogstijgende ‘geur’ van zulke offers was God welgevallig of aangenaam, iets wat zeer beslist het geval was met betrekking tot de offerdood van zijn Zoon (Ex 29:18).

 

In de Messias zijn christenen derhalve in het bezit van het geheim des levens. Uit het Woord van God vernemen zij hoe Jezus in liefde gewandeld heeft en verder hebben zij in het onderpand van de heilige geest hem inwonend bij zichzelf. Zoals ook Paulus erkende:

 

Tezamen met [de] Messias ben ik aan de paal gehangen. Het is dan ook niet langer ikzelf die leef, doch [de] Messias leeft in mij; wat ik dan nu in [het] vlees leef, leef ik in geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgegeven.

(Gl 2:20)

 

Christenen zijn na hun roeping daarom niet langer de mensen zoals zij voorheen binnen het Heidendom waren. In dankbare reactie jegens God en zijn Zoon ondergaan zij de in hoofdstuk 4 beschreven transformatie: In plaats van liegen het spreken van waarheid; in plaats van stelen offervaardigheid; in plaats van verdorven taalgebruik heilzame woorden die opbouwen; in plaats van een harde opstelling vriendelijkheid en meelevendheid. Kortom, de nieuwe mens in actie, die in overeenstemming met God werd geschapen, in waarachtige rechtvaardigheid en oprechtheid.

4. De ondeugden van het Heidendom mijden (5:3-21)

 

πορνεια δε και ακαθαρσια πασα η πλεονεξια μηδε ονομαζεσθω εν υμιν, καθως πρεπει αγιοις, και αισχροτης και μωρολογια η ευτραπελια, α ουκ ανηκεν, αλλα μαλλον ευχαριστια.

 

3-4 Maar laat hoererij en allerlei onreinheid of hebzucht onder jullie zelfs niet genoemd worden, gelijk heiligen betaamt; ook geen laagheid en dwaas gepraat of schunnige taal, dingen die niet gepast zijn, maar veeleer dankzegging.

 

De vermaningen die nu volgen wekken op tot het leiden van een leven dat heiligen (christenen) betaamt; een en ander houdt vooral in de heidense ondeugden volkomen achter zich laten. Daarom noemt Paulus allereerst de πορνεια [ontucht; hoererij], ακαθαρσια [onreinheid in het algemeen] en de πλεονεξια [hebzucht; inhaligheid; begerigheid], de drie voornaamste daarvan.

Met πορνεια wordt gedoeld op elke vorm van ongeoorloofd geslachtelijk verkeer, waaronder dus ook overspel.

 

Van die drie ondeugden wordt gezegd dat ze onder christenen zelfs niet ter sprake gebracht moeten worden. Hoewel het mogelijk is dat de apostel daarmee wil aangeven dat een christen zich niet in die dingen moet vermeien en/of er niet met een zeker behagen met anderen over spreken, is het waarschijnlijker dat hij daarmee wil uitdrukken hoezeer ze strijdig zijn met waar Christendom.

In onze moderne samenleving zou zijn vermaning ook betrekking kunnen hebben op het luisteren en kijken naar twijfelachtige TV programma’s.

 

Dezelfde houding is gepast wat betreft:

- αισχροτης [laagheid; schandelijkheid; obsceniteit]; alle gedrag waarvoor men zich diep dient te schamen.

- μωρολογια [dwaas gepraat]; onzinnig, ijdel gezwets; gaat verder dan onnozele kletspraat.

- ευτραπελια [schunnige taal]; het woord heeft oorspronkelijk de gunstige betekenis van geestig, humoristisch zijn, maar hier - omdat het gerekend wordt tot de dingen die niet gepast zijn - doelt het in ongunstige zin op twijfelachtige scherts; het debiteren van dubbelzinnigheden, of grove gekkigheid, onder het mom van grappig zijn, zoals schering en inslag is bij veel hedendaagse conferenciers en cabaretiers.

 

Al de genoemde zaken zijn een christen onwaardig; hij waardeert de vaderlijke liefde van een heilige, zuivere God en is diep dankbaar voor het feit dat hij in Jezus, de Messias, tot zoon is aangenomen.

Daarom streeft hij ook zelf - zowel in de anonimiteit als in zijn omgang met anderen - naar een hoge moraal en het leiden van een fatsoenlijk leven.

 

τουτο γαρ ιστε γινωσκοντες οτι πας πορνος η ακαθαρτος η πλεονεκτης, ο εστιν ειδωλολατρης, ουκ εχει κληρονομιαν εν τη βασιλεια του Χριστου και θεου. Μηδεις υμας απατατω κενοις λογοις, δια ταυτα γαρ ερχεται η οργη του θεου επι τους υιους της απειθειας. μη ουν γινεσθε συμμετοχοι αυτων·

 

5-7 Want dit moeten jullie beslist weten dat elke hoereerder of onreine of hebzuchtige, dat is een afgodendienaar, geen erfdeel heeft in het koninkrijk van de Messias en van God. Laat niemand jullie met lege woorden bedriegen; want wegens deze dingen komt de toorn van God over de zonen der ongehoorzaamheid. Wordt dan niet hun mededeelgenoten.

 

Met het dubbele weten jullie wetende [ιστε γινωσκοντες] wil de apostel blijkbaar aangeven dat zijn lezers met zekerheid moeten weten wat hij nu gaat zeggen: In het Messiaanse koninkrijk heeft niemand die een gewoontezondaar is wat betreft de drie voornaamste, heidense ondeugden (vers 3), ook maar enig erfdeel.

Het kan zijn dat mensen buiten het Israël Gods die dingen willen goedpraten, maar dat moet doorzien worden als klinklaar bedrog. Gods toorn komt juist over zulke notoire zondaars, in het bijzonder over hebzuchtigen aangezien zij voor God synoniem zijn met hen die afgoderij bedrijven (Ks 3:5).

 

Doordat Paulus die personen, evenals in Ef 2:2, aanduidt als de zonen der ongehoorzaamheid, komen wij tot de gevolgtrekking dat hij doelt op mensen buiten het Israël Gods: ongelovige, niet bekeerde Heidenen die nog altijd in het machtsgebied verblijven van de overste van het gezag der lucht, de geest die thans werkzaam is in de zonen der ongehoorzaamheid.

Mochten sommigen niettemin van zichzelf claimen dat zij christenen zijn, dan roept die bewering op z’n minst grote twijfels op, gelet op wat wij lezen in Fp 1:6, namelijk dat God bij de roeping van een christen een goed werk in hem start dat hij tot voltooiing brengt, helemaal tot een Dag van Jezus Messias.

 

In de aanhef van zijn Brief schreef Paulus immers: gelijk hij ons in hem verkoos vóór [de] grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. Bij hen die werkelijk tot de geroepenen c.q. uitverkorenen behoren, zal een en ander - door de werkzaamheid van Gods geest in hun leven - vroeg of laat zichtbaar worden. Precies zoals Paulus ook elders aangaf: 

 

Of weten jullie niet dat onrechtvaardigen [het] koninkrijk Gods niet zullen beërven? Wordt niet misleid. Noch ontuchtigen, noch afgodendienaren, noch overspelers, noch schandknapen, noch knapenschenders, noch dieven, noch hebzuchtigen, noch dronkaards, noch beschimpers, noch afpersers zullen [het] koninkrijk Gods beërven. En sommigen plachten zo te zijn. Maar jullie wasten je af, maar jullie werden geheiligd, maar jullie werden gerechtvaardigd in de naam van de Heer Jezus Messias en in de geest van onze God (1Ko 6:9-11).

 

Wordt dan niet hun mededeelgenoten.

Uit deze woorden spreekt dat er voor christenen, ja, zelfs voor hen die werkelijk geroepenen zijn, gevaar dreigt. Aangezien de zondige Adamitische natuur strijd voert tegen de geest van God, is het gevaar om tot ernstig verkeerd moreel gedrag te vervallen heel nabij. Maar mocht zoiets iemand ooit overkomen, mocht een waar christen in dit soort van dwaasheid vallen, dan zal hij, wanneer hij tot bezinning komt, zichzelf ongetwijfeld verfoeien en zijn zonde verafschuwen.

 

In zo’n berouwvolle houding is terugkeer tot God mogelijk, maar de mens die zich verdedigt, die zichzelf rechtvaardigt en verontschuldigingen aanvoert voor zijn misstap, waarbij hij misschien zelfs durft te beweren dat het in zulke zaken om zijn persoonlijke vrijheid gaat, is - geplaatst in het licht van wat Paulus schreef - beslist geen christen en is dat ook nooit geweest, ongeacht wat hij belijdt. Die persoon bedriegt zichzelf en eventueel ook zijn omgeving. In werkelijkheid heeft hij nooit bevrijding ervaren van de onderworpenheid aan Satan en diens heerschappij over de zonen der ongehoorzaamheid.

Wordt dan niet hun mededeelgenoten.

Voor een waar christen houdt deze vermaning dan ook in dat hij helemaal niets te maken kan hebben met sexuele immoraliteit. Mocht uit zijn gedrag anders blijken dan logenstraft hij zijn bewering een christen te zijn.

 

ητε γαρ ποτε σκοτος, νυν δε φως εν κυριω· ως τεκνα φωτος περιπατειτε –ο γαρ καρπος του φωτος εν παση αγαθωσυνη και δικαιοσυνη και αληθεια– δοκιμαζοντες τι εστιν ευαρεστον τω κυριω· και μη συγκοινωνειτε τοις εργοις τοις ακαρποις του σκοτους, μαλλον δε και ελεγχετε,

 

8-11 Want eens waren jullie duisternis, maar nu licht in [de] Heer; wandelt als kinderen van licht – want de vrucht van het licht [bestaat] in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid – afwegend wat de Heer welgevallig is. En neemt niet mede deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar stelt ze veeleer aan de kaak.

 

Destijds, toen we ons nog binnen het Heidendom bevonden, verkeerden we niet slechts in geestelijke duisternis, maar waren we zelf een en al duisternis, niet in staat om ook maar een straaltje licht te verschaffen.

Op zich vormt die constatering reeds een hint om niet te denken dat zogenaamd verlichte geesten, wereldse mensen die misschien wel naam hebben gemaakt op het terrein van de wijsbegeerte, de sociale wetenschappen e.d., een christen geestelijk zouden kunnen adviseren.

 

Zoals we al eerder opmerkten, naar aanleiding van Ef 1:22-23, heeft God in zijn voornemen de opgewekte, verheerlijkte Messias aan de Gemeente gegeven als Hoofd. In die verbondenheid wil God de orde in het universum herstellen en alles weer terugbrengen in volledige harmonie met Zichzelf. De wederkerigheid tussen Hoofd en Lichaam levert een volheid op, waaruit zodanig geput kan worden dat alle zaken, welk aspect van het leven maar ook, tot de volledigheid gebracht kunnen worden welke God altijd al voor ogen heeft gestaan.

Als christenen hebben wij zulke wereldwijze personen derhalve in het geheel niet nodig, want God heeft hun zijn raad juist onthouden. In alle bescheidenheid en (vooral) dankbaarheid, mogen we een zelfbewustheid hebben dat wij thans -in de Heer- licht zijn. Dat wil zeggen dat wij licht kunnen uitstralen, anderen ten goede (Mt 11:25-27; Ks 2:8-10).

 

Wandelen als kinderen van licht houdt dus voor de christen een geheel nieuwe levenswijze in, gekenmerkt als ze wordt door de dingen die eigen zijn aan Gods licht: goedheid, gerechtigheid, waarachtigheid. Paulus noemt die hoedanigheden de vrucht van het licht, een totaalpakket derhalve, precies zoals het geval is met de vrucht van de geest volgens Gl 5:22-23. Het christelijke leven wordt als geheel door alle afzonderlijke hoedanigheden gekenmerkt: rechtschapen, gerecht, waarachtig.

Hoezeer een en ander verschilt van de duistere, heidense levenswijze, zouden we kunnen laten uitkomen door vers 9 aldus aan te vullen: de vrucht der duisternis bestaat in alle boosheid, ongerechtigheid en leugen.

 

Afwegend wat de Heer welgevallig is…

Christenen zijn leerlingen van hun Heer, de Messias. Hoewel zij in zijn volheid delen, moeten zij blijven onderzoeken wat licht is en wat tot de duisternis behoort. Alleen dan kunnen zij volledig gehoor geven aan de vermaning van vers 7 om geen mededeelgenoten te worden in de heidense ondeugden.

In vers 11 gaat de apostel echter nog een stap verder: de heidense, onvruchtbare werken der duisternis moeten niet alleen door een christen vermeden worden; hij moet ook openlijk zijn houding er tegenover bepalen. Niet door personen te veroordelen die in hun onwetendheid zulke dingen beoefenen, maar door zijn geheel andere levenswijze de daden als onjuist te ontmaskeren.

Zie ook het beginsel van Gl 6:1, waar we vernemen dat een christen ook zichzelf te allen tijde in het oog moet houden om geen misstap te doen.

 

τα γαρ κρυφη γινομενα υπ αυτων αισχρον εστιν και λεγειν· τα δε παντα ελεγχομενα υπο του φωτος φανερουται, παν γαρ το φανερουμενον φως εστιν.

 

12-13 Want de dingen die heimelijk door hen worden gedaan zijn te schandelijk om zelfs maar te noemen. Alle dingen echter die door het licht aan de kaak worden gesteld, worden openbaar gemaakt; alles immers wat openbaar wordt gemaakt is licht.

 

Paulus was nog niet uitgesproken over de onvruchtbare werken der duisternis, die christenen eerder aan de kaak moeten stellen dan er aan deel te nemen.

Wat binnen het Heidendom aan onzedelijkheid wordt bedreven is soms van een dermate schandelijk gehalte dat zelfs de bedrijvers ervan het niet openlijk durven te bekennen. Zij zoeken de anonimiteit om in het verborgene, dikwijls in letterlijke duisternis, zich aan die schunnige praktijken over te geven. In Rm 1:24-27 had de apostel al eerder een vingerwijzing naar zulke buitengewoon weerzinwekkende vormen van ontucht gegeven.

 

Hoewel de meerderheid der mensen zich tegen die gedachte zal afzetten leeft het Heidendom van Paulus’ dagen onverminderd voort binnen de huidige, moderne maatschappij. Objectieve waarneming leert ons dat we met de heidense ondeugden zelfs een nieuw tijdperk zijn binnengetreden.

Eufemistisch spreekt men dan graag over een nieuwe moraal die zich recent onder verlichte mensen zou hebben aangediend. Maar eerder is hier sprake van nieuwe uitwassen in een verblinde, verwarde, zieke maatschappij.

 

Paulus ziet in de openlijke veroordeling van sexueel smerige praktijken daarom een goddelijk vonnis; het kwaad wordt erdoor aan het licht gebracht. Welnu, de onthulling van het kwaad in zijn ware gedaante vormt op zich reeds een krachtige vorm van bestrijding. Alles immers wat openbaar wordt gemaakt is licht.

De zonde behoort krachtens haar wezen tot het rijk der duisternis, maar wanneer men ze openlijk als zodanig veroordeelt, dan wordt zij door het licht getroffen en behoort zij in zekere zin tot het rijk van het licht. De zonde is slecht, maar de kennis en de veroordeling der zonde zijn goed (Keulers).

 

διο λεγει,

Εγειρε, ο καθευδων,

και αναστα εκ των νεκρων,

και επιφαυσει σοι ο Χριστος.

 

14 Daarom zegt hij:

Ontwaak, jij die slaapt,

en sta op uit de doden,

en de Messias zal op je schijnen.

 

Waarom het aan de kaak stellen van sexuele immoraliteit tot het rijk van het licht behoort, bekrachtigt Paulus met een citaat uit de Schrift: Daarom zegt hij; dat wil zeggen het door God geïnspireerde Woord laat iets in die zin uitkomen.

En wat de Schrift precies laat uitkomen komt op het volgende neer:

De veroordeling van het kwaad dient voor hem die erin betrokken was geraakt als een krachtige oproep om (geestelijk) wakker te worden; hij moet ontwaken uit zijn slaapachtige verdoving. Vervolgens moet hij ook opstaan, eveneens in geestelijke zin, namelijk uit een op de dood gelijkende toestand.

Hier worden we herinnerd aan Ef 2:4-6 >

 

Maar God, die rijk is aan barmhartigheid, maakte ons, vanwege zijn diepe liefde waarmee hij ons liefhad, toen óók wij doden waren in de overtredingen, levend tezamen met de Messias… en Hij wekte ons mede op en deed ons mede plaats nemen in de hemelsferen in Messias Jezus.

 

Waar we het citaat in de Schrift moeten zoeken, is niet werkelijk duidelijk. Het komt ons voor dat Paulus verwijst naar een combinatie van Schriftdelen uit het Boek Jesaja waarin het toekomstig herstel van etnisch Israel profetisch wordt aangekondigd.

Met name denken we aan Js 60:1, waar we iets vinden wat overeenkomt met het beeld van het licht. Te zijner tijd moet Vrouwe Sion opstaan, uit de duisternis treden en licht verspreiden aangezien voor haarzelf licht is gekomen omdat de heerlijkheid van Jahweh over haar is gaan schijnen.

 

Niet zelden voelt Paulus zich vrij om zulke aankondigingen in eerste instantie toe te passen [een toepassing, geen vervulling] op het Lichaam van de Messias, de christelijke Gemeente, aangezien de leden daarvan als eersten zo’n geestelijke revival ervaren, met name de gelovigen uit het Heidendom. Sinds de Spraakverwarring zit dat deel van de mensheid immers opgesloten in ongehoorzaamheid in hun van God vervreemde situatie. In de 70e Week komt de werkelijke vervulling voor het joodse Overblijfsel dat dan eveneens uit haar situatie van opsluiting – in ongehoorzaamheid – wordt bevrijd (Rm 11:30-32; Ef 2:13).

 

Βλεπετε ουν ακριβως πως περιπατειτε, μη ως ασοφοι αλλ ως σοφοι, εξαγοραζομενοι τον καιρον, οτι αι ημεραι πονηραι εισιν. δια τουτο μη γινεσθε αφρονες, αλλα συνιετε τι το θελημα του κυριου.

 

15-17 Kijkt dan nauwlettend hoe jullie wandelen, niet als onwijzen maar als wijzen, woekerend met je tijd, omdat de dagen goddeloos zijn. Weest daarom niet onverstandig, maar ziet in wat de wil van de Heer is.

 

Kijkt dan nauwlettend hoe jullie wandelen…

De apostel refereert aan alle voorafgaande vermaningen om niet te leven zoals de Heidenen gewend zijn; Paulus vat ze in deze ene aanmoediging samen. De Heidengelovigen moeten voortaan op een verstandige wijze hun leven leiden. Het getuigt van wijsheid om:

 

- niet langer te liegen, maar de waarheid te spreken;

- voorzichtig om te gaan met boosheid;

- een edelmoedige gever te zijn in plaats van een dief;

- het spraakvermogen te beheersen en tot opbouw te spreken;

- zich niet te laten gaan in uitbarstingen van woede;

- vriendelijk, barmhartig, vergevingsgezind te zijn;

- zich door de liefde te laten leiden;

- alle onzedelijkheid, onreinheid, hebzucht, laagheid, dwaas gepraat, schunnige taal geen enkele plaats in het leven te geven;

- in plaats van deel te hebben aan de onvruchtbare werken der duisternis ze veeleer te ontmaskeren en aan de kaak te stellen.

 

Al in vers 10 werden wij aangemoedigd om voortdurend te onderzoeken wat welgevallig is aan de Heer en ook hier worden wij opnieuw dienaangaand vermaand: niet in onverstand te werk gaan maar begrijpen of verstaan wat de wil van de Heer is.

In de praktijk houdt een en ander voor de christen in dat hij leert in beginselen te denken en niet tracht zich een eindeloze lijst van regeltjes eigen te maken, zoals de wettische Jood doet die meent dat hij door het nakomen van de Talmoedische regelgeving voor God rechtvaardig kan worden.

Nee, het is veeleer een kwestie van het afleggen van de oude mens en het aandoen - of zich bekleden met - de nieuwe, wat tevens betekent vernieuwd te worden in de geest van ons denken (Ef 4:22-24).

 

Een van die beginselen geeft Paulus zelf aan: woekerend met je tijd, omdat de dagen goddeloos zijn.

De apostel gebruikt het werkwoord uitkopen [εξαγοραζομαι], waarmee hij wil zeggen: buit de gelegenheden uit die jou binnen de mensenmaatschappij worden geboden.

Goddeloze dagen zijn voor een christen dus niet even zoveel obstakels, maar bieden hem veeleer gelegenheden om te zijn wat de wil van God wenst dat hij is.

 

Het is waar dat de slechtheid om ons heen druk op ons uitoefent, maar juist met het oog daarop sprak de apostel in de aanhef van de Brief de zegenwens uit dat liefderijke gunst en vrede van God onze Vader en van Heer Jezus Messias ons deel mocht zijn. Met Gods liefderijke gunst en vrede zijn we principieel tegen veel moeilijke situaties opgewassen. Dat en ook onze geheel andere visie op de toekomst - het snel naderbijkomen van het Messiaanse koninkrijk, een Godsbestuur dat zich over de gehele aarde zal gaan uitstrekken - kunnen mensen het inzicht geven van welk een grote betekenis het Christendom is; hoe rijk ze is aan werkelijke en geestelijke waarden; dat de materialistische, hedonistische en godloze zienswijze van de wereld alleen maar een onbevredigende leegheid schept.

 

και μη μεθυσκεσθε οινω, εν ω εστιν ασωτια, αλλα πληρουσθε εν πνευματι, λαλουντες εαυτοις [εν] ψαλμοις και υμνοις και ωδαις πνευματικαις, αδοντες και ψαλλοντες τη καρδια υμων τω κυριω, ευχαριστουντες παντοτε υπερ παντων εν ονοματι του κυριου ημων Ιησου Χριστου τω θεω και πατρι,

 

18-20 En wordt niet dronken van wijn, waarin liederlijkheid is, maar wordt vervuld in geest, tot elkaar sprekend in psalmen en hymnen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in je hart tot de Heer, te allen tijde de God en Vader voor alle dingen dankend in de naam van onze Heer Jezus Messias.

 

Zich bedrinken door overmatig wijngebruik was ongetwijfeld in Paulus’ tijd voor veel mensen een manier om tijdelijk aan de vele sociale misères van het leven te ontsnappen. De betrokkenen konden daardoor even wegvluchten in een geestelijke verdoving, maar tegelijkertijd vielen daarmee ook alle morele remmingen weg. De Adamitische natuur kreeg alle kans zich in allerlei liederijke situaties uit te leven.

 

Maar het valt op dat Paulus de waarschuwing voor zulke misstanden bewust in de context van religieuze beleving plaatst. Het Heidendom werd inderdaad gekenmerkt door excessen van deze aard; de aanbidding van de goden ging niet zelden vergezeld van zulke uitspattingen; maar voor christenen was iets dergelijks volkomen taboe; een onwaardige zaak.

Zij moeten daarentegen vol zijn van heilige geest; deze dient hun leven geheel te beïnvloeden, ook in hun onderling samenzijn.

 

Terwijl de wijn bij heidense feestelijkheden bedwelming veroorzaakt, verleent de heilige geest de christen juist een heldere blik, waardoor hij, vervuld van dankbaarheid, God vanuit zijn hart verheerlijkt voor alle gunst die hem in de Messias ten deel is gevallen (Rm 8:28).

 

Tot elkaar sprekend in psalmen en hymnen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in je hart tot de Heer, zal op een natuurlijke wijze plaats vinden wanneer wij samen zijn met anderen die zich in hun geloof ook geheel op de rijke inhoud van de Schrift verlaten. Als de geest in ons de stuwende kracht is zullen wij vreugdevol gestemd zijn en ons waarderend tegenover elkaar uiten.

Daarom staat er in de corresponderende Kolossenzentekst:

 

Het woord van de Messias wone rijkelijk binnen in jullie in alle wijsheid; elkaar onderwijzend en vermanend met psalmen, hymnen, geestelijke liederen in liefderijke gunst; in jullie harten God toezingend (Ks 3:16).

 

God vanuit het hart toezingen duidt op niet hoorbare [voor anderen] lofprijzing.

 

υποτασσομενοι αλληλοις εν φοβω Χριστου.

 

21 zich aan elkaar onderwerpend in vrees van [de] Messias:

 

Wat de vorm betreft - in de vv 19-21 is alleen sprake van participia der werkwoorden - sluit dit vers nog nauw aan bij het voorafgaande. Feitelijk vormt het echter de overgang naar het volgende onderwerp, met name naar de relatie man-vrouw in de gezinssituatie.

Het thema dat de apostel aansnijdt is onderwerping. Om te beginnen geldt het beginsel van onderwerping voor alle leden van het Lichaam in hun onderlinge verhouding. Wij dienen aan elkaar onderworpen te zijn in de zin dat we de belangen van onze medeleden op het oog hebben en elkaar daarin dienstbaar zijn. Als basis waarop dit moet geschieden noemt Paulus de eerbiedige vrees die wij allen gemeenschappelijk hebben voor ons Hoofd, de Messias.

Christenen zullen zich bijgevolg graag naar elkaars belangen schikken in plaats van, bijvoorbeeld, hun eigen wil doorzetten. Tijdens zijn bediening gaf Jezus zijn toenmalige leerlingen dienaangaand reeds duidelijke indicaties:

 

Maar er ontstond ook onenigheid onder hen, wie van hen de grootste scheen te zijn. Hij nu zei tot hen: De koningen der natiën heersen over hen, en zij die gezag over hen uitoefenen, worden weldoeners genoemd. Jullie evenwel niet aldus, maar laat de grootste onder jullie als de jongste worden, en hij die leiding heeft als degene die dient. Want wie is groter, hij die aanligt of degene die dient? [Is het] niet hij die aanligt? Ik echter ben in jullie midden als degene die dient (Lk 22:24-27).

 

Tijdens de ‘eeuw’ der Gemeente worden christenen geacht deze principes reeds in praktijk te brengen. Voor het hele Israël Gods geldt immers dat God de hoogmoedigen weerstaat, maar dat hij de nederigen liefderijke gunst verleent (1Pt 5:5-6).

5. Binnen het gezin en de maatschappij (5:22 – 6:9)

 

Αι γυναικες τοις ιδιοις ανδρασιν ως τω κυριω,

 

22 de vrouwen aan de eigen mannen als aan de Heer,

 

Vers 22 sluit zo nauw aan op vers 21 dat het werkwoord zich onderwerpen [υποτασσομαι] achterwege blijft.

Terwijl voor het hele Lichaam geldt dat de leden zich aan elkaar onderwerpen, is de verhouding tussen man en vrouw in de huwelijksrelatie anders. Een en ander is terug te voeren op Gods raadsbesluit dat door het menselijke huwelijk de huwelijksrelatie moest worden afgebeeld welke veel later tussen zijn Zoon, de Messias, en de Gemeente - zijn Lichaam - zou ontstaan.

 

Verderop, in vers 32, zal de apostel toelichten dat het daarbij om een groot mysterie gaat, maar reeds vanaf dit vers is heel zijn betoog op die grotere huwelijksrelatie gebaseerd.

Daarom ontvangt ook reeds hier de vrouw de aanmoediging om zich aan haar eigen echtgenoot te onderwerpen als aan de Heer, omdat zij binnen het huwelijk de Gemeente afbeeldt welke zich eveneens graag aan het gezag van haar Hoofd onderwerpt.

En zoals Jezus zich niet aan zijn Gemeente hoeft te onderwerpen, wordt hier evenmin tot de man gezegd dat hij zich aan zijn echtgenote zou moeten onderwerpen; dat wil zeggen binnen het huwelijk, want aangezien beiden, man en vrouw, ledematen zijn (vers 30), geldt ook voor hen het beginsel van vers 21: zich aan elkaar onderwerpend in vrees van [de] Messias.

 

En wij zagen reeds dat dit onder meer de bereidheid inhoudt om elkaars belangen te dienen en op z’n minst óók dat men elkaar respecteert. Nog afgezien van de plaats die hem van Godswege in het huwelijk is toebedeeld, heeft de man binnen de huwelijksband op zich al een uitstekende gelegenheid om dat beginsel in praktijk te brengen. En dat, let wel, in de vrees van de Messias! Dit moet voor de man op zich al voldoende reden zijn om zich af te vragen: Wat verwacht de Heer van mij als echtgenoot in mijn relatie tot mijn vrouw?

Vergelijk ook Gl 3:26-28 >

 

Want jullie allen zijn zonen Gods door het geloof in Messias Jezus. Want zovelen als er in [de] Messias werden gedoopt, bekleedden zich met [de] Messias; daar is geen Jood noch Griek; daar is geen slaaf noch vrije, geen manlijk en vrouwelijk; want jullie allen zijn één in Messias Jezus.

 

οτι ανηρ εστιν κεφαλη της γυναικος ως και ο Χριστος κεφαλη της εκκλησιας, αυτος σωτηρ του σωματος. αλλα ως η εκκλησια υποτασσεται τω Χριστω, ουτως και αι γυναικες τοις ανδρασιν εν παντι.

 

23-24 want [de] man is hoofd van de vrouw, zoals ook de Messias Hoofd van de Gemeente; Hij, redder van het Lichaam. Maar zoals de Gemeente zich aan de Messias onderwerpt, zo ook de vrouwen aan de mannen, in alles.

 

Zoals de Messias het Hoofd is van zijn Vrouw, de Gemeente, is binnen het menselijk huwelijk de man het hoofd van zijn echtgenote. Maar toch is er een verschil: Jezus is de Redder geworden van zijn Lichaam, de Gemeente, en iets dergelijks kan niet van de echtgenoot gezegd worden. Jezus heeft dan ook grotere rechten ten opzichte van de Gemeente dan de man tegenover zijn echtgenote.

 

Maar…,

en wij zouden kunnen inlassen: ondanks dit onderscheid - dat de man niet in de positie van redder jegens zijn vrouw verkeert - zal de vrouw niettemin de plaats van haar echtgenoot in het huwelijk respecteren. Haar grote voorbeeld is immers het Gemeentelichaam (waarvan zij trouwens ook zelf een lid is) dat zich aan de Messias onderwerpt: zo ook de vrouwen aan de mannen, in alles.

 

Οι ανδρες, αγαπατε τας γυναικας, καθως και ο Χριστος ηγαπησεν την εκκλησιαν και εαυτον παρεδωκεν υπερ αυτης,

 

25 De mannen: hebt de vrouwen lief, gelijk ook de Messias de Gemeente liefhad en zichzelf voor haar overgaf,

 

De apostel eist nu de volledige aandacht van christelijke echtgenoten op. Omdat van hun vrouwen gevraagd wordt dat zij van harte het voorbeeld van de Gemeente navolgen - op de manier zoals het in de Schrift van Godswege wordt geopenbaard, niet zoals het zich op jammerlijke wijze in de loop der eeuwen in de praktijk heeft ontwikkeld - door zich te onderwerpen aan de leiding van hun mannen, dragen die laatsten een grote verantwoordelijkheid. Ook zij moeten handelen naar het voorbeeld van hun Hoofd, de Messias. En wat laat diens voorbeeld hun zien?

 

Welnu, Jezus had de Gemeente lief met een goddelijke liefde.

Het gebruikte werkwoord is αγαπαω, d.i. liefhebben zoals God zelf liefheeft. En bij God heeft de liefde haar wortels in Hemzelf; de liefde die Hij tentoonspreidt is in het geheel niet afhankelijk van een ander persoon. Paulus liet dat ondermeer uitkomen in zijn Romeinenbrief:

 

Maar God beveelt zijn eigen liefde [αγαπη] jegens ons aan, doordat [de] Messias voor ons stierf terwijl wij nog zondaars waren.

(5:8)

 

Ziedaar wat God van christelijke echtgenoten vraagt! Een christelijke man heeft zijn vrouw niet op een vriendschappelijke wijze lief, alsof zij slechts een vriendin van hem zou zijn, maar met de onbaatzuchtige liefde welke de Vader en zijn Zoon aan de dag leggen. Zijn liefde is dus niet van haar opstelling afhankelijk; ook bij hem heeft de liefde haar wortels in hemzelf.

 

Men zou de vraag kunnen opwerpen of zoiets niet te veel gevraagd is van de echtgenoot. Welnu, dat zou misschien zo kunnen zijn als hij nog volgens het patroon van de oude mens zou leven; maar als christen leeft hij voortaan vanuit de nieuwe mens die hij in de Messias is geworden.

In dit Schriftdeel zijn de aanwijzingen die de apostel voor een harmonisch huwelijk verstrekt immers alle terug te voeren op wat hij eerder schreef:

 

dat jullie, wat de vroegere levenswandel betreft, de oude mens afleggen, die te gronde gaat als gevolg van de bedrieglijke begeerten, maar vernieuwd worden in de geest van jullie denken, en je bekleden met de nieuwe mens, die in overeenstemming met God werd geschapen, in waarachtige rechtvaardigheid en oprechtheid.

(Ef 4:22-24)

 

In de nieuwe mens komt het beeld van de Messias tot uitdrukking en dat gegeven maakt het de man mogelijk zijn vrouw lief te hebben gelijk ook de Messias de Gemeente liefhad en zichzelf voor haar overgaf.

Als het goed is zou zich dat in de praktijk moeten vertalen naar een gezinssituatie waarin de echtgenoot een zegen is voor zijn vrouw, in plaats dat er sprake zou zijn van heerschappij. Want toen God bij zijn oordeel over het zondige paar in Eden tot de vrouw zei: En hij [de man en echtgenoot] zal over je heersen, was dat een negatieve kwalificatie om aan te duiden waarin, door de zonde, de leiding van de man zou ontaarden.

 

ινα αυτην αγιαση καθαρισας τω λουτρω του υδατος εν ρηματι, ινα παραστηση αυτος εαυτω ενδοξον την εκκλησιαν, μη εχουσαν σπιλον η ρυτιδα η τι των τοιουτων, αλλ ινα η αγια και αμωμος.

 

26-27 opdat hij haar zou heiligen, gereinigd hebbend met het bad des waters krachtens [het] woord, opdat hij de Gemeente naast zichzelf zou stellen, glorierijk, geen vlek of rimpel of iets dergelijks hebbend, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn.

 

Door zijn offerdood heeft Jezus zijn Gemeente geheiligd, d.i. afgezonderd van de profane, zondige wereld. Iets dergelijks vindt altijd plaats met een bepaald doel, een bestemming die samenhangt met Gods voornemen der eeuwen dat hij in de Messias opvatte. En hier weidt Paulus over dat voornemen uit binnen de omlijsting van het menselijk huwelijk. Daarin lag namelijk van meet af een groot mysterie opgesloten; het zou als voorafbeelding dienen van de geestelijke huwelijksverhouding die mettertijd tussen de Messias en zijn Gemeente zou bestaan.

 

En in die huwelijksrelatie gaat God zijn grootse plannen die hij reeds bij de schepping van het eerste mensenpaar ontvouwde, uiteindelijk verwezenlijken: het voortbrengen van een gezonde mensenwereld. Waar de eerste Adam met zijn vrouw Eva in gebreke bleef en vanwege de zonde jammerlijk faalde, gaat de laatste Adam met zijn Evagemeente alsnog verwezenlijken wat God voor ogen stond toen hij de Zevende Dag zegende en heilig maakte: het voortbrengen van een maatschappij van mensen die, omdat zij volmaakt naar zijn beeld functioneren, een juiste heerschappij over de aarde voeren, geheel tot goddelijke tevredenheid.

 

Vergelijk: 1Ko 15:45; 2Ko 11:2-3; Gn 1:26-28; 2:3; Hb 4:3-4.

 

Gereinigd hebbend met het bad des waters krachtens [het] woord…

In Tt 3:5 worden overeenkomstige termen gebruikt om de wedergeboorte aan te duiden:

 

Hij [God, naar zijn barmhartigheid] redde ons door een bad van wedergeboorte en vernieuwing van heilige geest.

 

In onze tekst geeft de apostel mede aan dat, behalve Gods geest, ook zijn Woord fundamenteel betrokken is bij reiniging en vernieuwing, in die mate dat er sprake is van wedergeboorte; dat de nieuwe mens kan verschijnen.

Eerder zagen we, in Ef 4:23, dat vernieuwd worden in de geest van jullie denken, een voortschrijdend proces is. Ondanks het (eenmalige) feit van de wedergeboorte vereist het tijd en inspanningen om het oude, heidense denken achter zich te laten en in plaats daarvan steeds meer ruimte te geven aan Gods gedachten. Om die reden doen wij allen er goed aan om, na de aanvankelijke reiniging, het Woord alle gelegenheid te geven als een reinigend bad in ons geestelijke leven te werken.

 

Opdat hij de Gemeente naast zichzelf zou stellen, glorierijk, geen vlek of rimpel of iets dergelijks hebbend, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn.

De Messias staat de toekomst helder voor ogen. Hij is zich ten volle bewust van Gods voornemen betreffende hem, de Bruidegom, en zijn Gemeente, de Bruid.

Hij ziet vooruit naar het moment van de Opname, wanneer zijn Vrouw naast hem plaats zal nemen in de hemelsferen, glorierijk, zoals passend is voor de Zoon van God die, volgens Hb 1:3, afstraling der heerlijkheid is en nauwkeurige afdruk van zijn wezen.

 

Daarom is de Bruidegom er - door alle tijden van de ‘eeuw’ der Gemeente heen - mee bezig geweest zijn Vrouw tot een waardige Bruid te maken, glorierijk; in de beperktheid der menselijke termen aangegeven als vlekkeloos, zonder rimpel, smetteloos, zodat, wanneer de bruiloft van het Lam aanbreekt er gezegd kan worden:

 

Zijn vrouw bereidde zichzelf. En het werd haar gegeven dat zij zich zou tooien in helder, rein fijn linnen, want het fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen.

(Op 19:7-8)

 

Met dat glorierijke toneel in het vooruitzicht wijdt de Bruidegom zich met een niet aflatende toewijding aan de Vrouw die hem ten huwelijk beloofd is. Hij treedt in de hemel, voor het aangezicht van zijn Vader, geregeld voor haar tussenbeide (Rm 8:34), en op aarde heeft hij zijn menselijke werktuigen, personen zoals de apostel Paulus, die naar vermogen zorg dragen voor haar geestelijke belangen (2Ko 11:2-3; Ef 4:11-14). 

 

ουτως οφειλουσιν [και] οι ανδρες αγαπαν τας εαυτων γυναικας ως τα εαυτων σωματα. ο αγαπων την εαυτου γυναικα εαυτον αγαπα, ουδεις γαρ ποτε την εαυτου σαρκα εμισησεν, αλλα εκτρεφει και θαλπει αυτην, καθως και ο Xριστος την εκκλησιαν, οτι μελη εσμεν του σωματος αυτου. 

 

28-30 Aldus zijn ook de mannen verplicht hun eigen vrouwen lief te hebben als hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. Want niemand haatte ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt en koestert het, gelijk ook de Messias de Gemeente; omdat wij ledematen van zijn Lichaam zijn.

 

Wanneer een echtgenoot zijn vrouw liefheeft, heeft hij zichzelf lief. Waarom? Omdat zij als zijn eigen lichaam is. Ook hier naar analogie van de Messias die zijn Gemeente liefheeft omdat de Gemeente zijn Lichaam is. Paulus laat daarover geen twijfel bestaan wanneer hij toevoegt, wellicht ten overvloede maar toch voor alle duidelijkheid: Wij zijn immers ledematen van zijn Lichaam.

De eenheid van een echtgenoot met zijn vrouw is als Jezus’ eenheid met zijn Gemeente.

De apostel zinspeelt hier reeds op het tweede hoofdstuk van Genesis, waar verhaald wordt hoe de vrouw werd voortgebracht uit de zijde van de mens en de laatste -door die ingreep getransformeerd zijnde tot (uitsluitend) manlijk- daarop uitriep: Dit is eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees.

 

Door de man eraan te herinneren dat zijn vrouw als zijn eigen lichaam is, kan Paulus de zorg die de echtgenoot voor zijn echtgenote moet hebben tot een vanzelfsprekendheid maken, tot iets natuurlijks: Hij haat zijn eigen vlees immers niet; integendeel hij voedt en koestert zijn lichaam. En wanneer hij diezelfde zorg aan zijn vrouw geeft, handelt hij weer naar zijn Grote voorbeeld, de Messias, die eveneens blijk geeft van een tedere zorg voor zijn Gemeentelichaam. 

 

Het geheimenis van het huwelijk (5:31-32)

 

αντι τουτου καταλειψει ανθρωπος [τον] πατερα και [την] μητερα και προσκολληθησεται προς την γυναικα αυτου, και εσονται οι δυο εις σαρκα μιαν. το μυστηριον τουτο μεγα εστιν, εγω δε λεγω εις Χριστον και εις την εκκλησιαν.

 

31-32 Daarom zal een mens de vader en de moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en de twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot, maar ik spreek met het oog op [de] Messias en de Gemeente.

 

We zagen al dat de apostel in de vv 28-29 zinspeelde op Gn 2:22-23, waar het voortbrengen van manlijk en vrouwelijk uit de eerste Adam wordt verhaald. Nu citeert hij rechtstreeks uit Gn 2:24, welke in de Hebreeuwse tekst luidt: Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en zij zullen tot één vlees worden.

Hoezo daarom?

 

Door Gods (aanvullende) scheppingsdaad werden de twee zijden zoals ze oorspronkelijk harmonieus in de eerste mens waren verenigd, van elkaar gescheiden zodat manlijk en vrouwelijk ontstond. Maar die twee zijden hoorden van nature bij elkaar; logischerwijs bleven ze dan ook naar eenwording verlangen.

 

Om dus een harmonieus leven te kunnen leiden waren man en vrouw voortaan op elkaar aangewezen. De gescheiden delen zouden naar elkaar toe willen groeien; ja, ze werden als vanzelfsprekend naar elkaar toe gedreven om - in theologische terminologie sprekend - tot een volheid te worden.

 

En dat brengt ons terug naar Ef 1:22-23, waar we vernamen dat Paulus in soortgelijke termen over de relatie tussen Jezus en zijn Gemeente sprak:

 

En hij [God] onderwierp alle dingen aan zijn voeten en gaf hem [als] Hoofd over alle dingen met betrekking tot de Gemeente, welke zijn Lichaam is, de volheid van hem die alle dingen in alle zaken volledig maakt.

 

Een hoofd is pas echt werkzaam als het met een lichaam verbonden is; zonder lichaam geen functionerend hoofd! Dat geldt ook voor de Messias: zonder zijn Gemeentelichaam kan er ook voor hem geen sprake zijn van volheid; zonder zijn Gemeente is ons Hoofd incompleet, althans in Gods bedoelingen met hem!

 

Dit geheimenis is groot…

Waarop doelt de apostel? Hoewel zijn vertrekpunt het menselijk huwelijk is, definieert hij het mysterie met de woorden: Ik spreek echter met het oog op [de] Messias en de Gemeente.

Of anders gezegd: Het geheimenis van de één-vlees vereniging binnen het menselijk huwelijk is een beeld van de één-vlees vereniging van de Messias met zijn Gemeente. Alleen is in het laatste geval de term één-vlees minder op z’n plaats, omdat die huwelijksverbintenis zich in de hemelsferen voltrekt.

 

We zien dan ook in 1Ko 6:16-17 dat Paulus het formuleert zoals het in werkelijkheid is:

De twee [een man die zich met een hoer verenigt] zullen één-vlees zijn; hij daarentegen die zich met de Heer verenigt is één-geest.

 

Wanneer we nog even verwijlen bij het gedeelte in Genesis 2 waarin, zoals nu achteraf blijkt, een groot mysterie lag opgesloten, ontdekken we nog andere details die facetten onthullen van de één-geest huwelijksrelatie.

In Ef 5:23 werd iets van Jezus gezegd waarin de analogie met de menselijk echtgenoot niet opgaat: Hij, redder van het Lichaam. De Messias gaf zichzelf over voor zijn Gemeente in een offerandelijke dood welke in de eerste plaats ten behoeve van haar was (vers 25).

 

Toen de Romeinse soldaat zijn speer in Jezus’ zijde [Grieks: πλευρα; pleura] stak, kwam daar bloed en water uit, waarmee bevestigd werd dat Jezus overleden was; zijn offerdood was een feit (Jh 19:33-34).

Het lijkt niet toevallig dat de Bijbel in de vermelding van die gebeurtenis een verband legt tussen het uiterlijke bewijs van Jezus' dood en één van zijn lichaamszijden.

 

Het is natuurlijk waar dat door het optreden van de soldaat een profetie in vervulling ging (Zc 12:10; Jh 19:37), maar het lijkt ons niet ondenkbaar dat er tegelijkertijd een zinspeling is op Genesis, hoofdstuk 2. Want toen Jahweh de vrouw schiep lag één van Adams zijden [πλευρα volgens de LXX] aan haar schepping ten grondslag, in een zekere analogie dus met Jezus’ Vrouwgemeente, waarvan hij de Redder is.

 

Ook is het in nog een ander opzicht veelbetekenend dat in het menselijk huwelijk het grote mysterie van Jezus en zijn Vrouwgemeente lag opgesloten.

Als namelijk binnenkort die Bruidgemeente wordt opgenomen en in de hemel met haar Bruidegom wordt verenigd, zal de bruiloft van het Lam plaats vinden. De voorafbeelding heeft dan haar doel gediend, de werkelijkheid is aangebroken.

 

πλην και υμεις οι καθ ενα εκαστος την εαυτου γυναικα ουτως αγαπατω ως εαυτον, η δε γυνη ινα φοβηται τον ανδρα.

 

33 Doch ook jullie, laat elkeen van jullie zijn eigen vrouw zó liefhebben als zichzelf, zodat de vrouw respect kan hebben voor de man.

 

Paulus komt met een concluderende afsluiting van zijn betoog over het huwelijk. In vers 22 was hij begonnen de vrouwen aan te moedigen zich aan hun eigen mannnen te onderwerpen; dezen hebben immers van Godswege de toewijzing ontvangen om leiding te geven aan een verbintenis welke nu zowaar een profetisch beeld blijkt te zijn, typologisch voor de huwelijksrelatie die in het Messiaanse tijdperk tussen de Messias en zijn Gemeente tot ontwikkeling zou komen.

 

Vanuit dat gegeven had Paulus beredeneerd dat de man als hoofd een verantwoordelijkheid draagt vergelijkbaar met die welke de Messias tot uitdrukking brengt jegens zijn Gemeente, tastbaar geworden in een allesopofferende liefde voor haar, aangezien de Gemeente ook zijn Lichaam is.

Om die reden heeft de Gemeente - de ledematen van dat Lichaam - diepe liefde en een groot respect voor hem.

Voor Paulus leidt dat tot de slotconclusie dat een echtgenoot evenzo door zijn vrouw gerespecteerd zal worden als Jezus’ voorbeeld ook in zijn handelen zichtbaar wordt.

 

Efeziërs 6

Tα τεκνα, υπακουετε τοις γονευσιν υμων [εν κυριω], τουτο γαρ εστιν δικαιον. τιμα τον πατερα σου και την μητερα, ητις εστιν εντολη πρωτη εν επαγγελια, ινα ευ σοι γενηται και εση μακροχρονιος επι της γης.

 

1-3 De kinderen: gehoorzaamt jullie ouders in [de] Heer, want dat is juist. Eer je vader en moeder – wat een gewichtig gebod is, [gegeven] in een belofte – opdat het je goed moogt gaan en je langlevend op de aarde zult zijn.

 

De woorden εν κυριω in vers 1 zijn afwezig in de codex Vaticanus, maar worden in diverse oude manuscripten aangetroffen, waaronder de P46. Als ze toegevoegd zouden zijn, moet dat derhalve in een vroeg stadium hebben plaatsgevonden, maar het lijkt waarschijnlijker dat ze zijn weggelaten teneinde de tekst te veralgemenen.

 

In Ef 5:22-33 werd de verhouding tussen echtgenoot en echtgenote belicht vanuit de nieuwe mens en daarom partners zijn in verbondenheid met de Messias. Nu komt een tweede familieverhouding aan de orde die - wil ze bevredigend verlopen - eveneens de invloed van de heilige geest nodig heeft. Daarom vermaant de apostel gelovige kinderen dat zij, wanneer zij gehoor geven aan de leiding van hun ouders, dat in de Heer moeten doen; dat wil zeggen in volledige erkenning van Jezus’ positie als Hoofd van de Gemeente. De term εν κυριω slaat namelijk terug op gehoorzamen, niet op ouders. Daarom voegt de apostel er aan toe: want dat is juist, d.i. volkomen terecht en in harmonie met Gods wil.

 

De toevoeging in de Heer heeft dan ook als verdere consequentie dat gelovige kinderen hun ouders niet hoeven te gehoorzamen wanneer dezen dingen van hen zouden eisen die tegen de wil van God ingaan. Het gehoorzaamheidsbeginsel is derhalve relatief. Vergelijk Hn 5:29.

Maar zolang zij thuis wonen, levend onder het gezag van hun ouders, dienen zij zich aan hen te onderwerpen; het is een verantwoordelijkheid die zij hebben naar hun Hoofd, Jezus de Messias, toe.

 

Wij gaan er dus vanuit dat Paulus gelovige kinderen op het oog heeft:

 

a. In zijn adres richt hij zich tot hen die heiligen zijn en gelovigen in Messias Jezus.

 

b. De Brief was bedoeld om in de vergadering van de gemeente te worden voorgelezen, waarbij hij de aanwezigheid van de kinderen veronderstelde, op dezelfde wijze als van de vrouwen (5:22).

Die kinderen nu, wier tegenwoordigheid hij veronderstelt, behandelt hij als behorend tot de gemeente. Zij zijn bekend met de geopenbaarde wet en begrijpen waarom Exodus 20:12 verband houdt met hun situatie.

 

c. Christelijke gehoorzaamheid kan de apostel alleen van degenen verlangen die gelovigen zijn in de Heer en die ook werkelijk als christenen willen leven. Iets van hen eisen op grond van het feit dat hun ouders christenen waren, zou niet binnen zijn bevoegdheid liggen, en bovendien ook nutteloos zijn.

 

Het Griekse woord dat met gehoorzamen is weergegeven [υπακουω] wordt in de Schrift onder meer gebruikt als een militaire term: soldaten die de orders van hun meerderen moeten gehoorzamen. Voor kinderen houdt het daarom eenvoudig in: Doen wat de ouders hen zeggen.

Dat thema is ook prominent aanwezig in het Boek Spreuken. Zoals bijvoorbeeld in hoofdstuk 4 (nbv):

 

1 Zonen, luister naar de lessen van je vader,

wees vol aandacht en kom tot begrip.

2 Wat ik je leer is waardevol,

sla dus mijn onderricht niet in de wind.

3 Ik was mijn vaders beminde zoon,

mijn moeders lieveling.

4 Mijn vader leerde mij:

‘Laat je hart mijn woorden bewaren,

handel naar mijn richtlijnen, dan gaat het je goed.

5 Streef naar wijsheid, zoek naar kennis,

wijk niet af van wat ik zeg, vergeet het niet.

6 Verlaat de wijsheid niet, dan beschermt ze je,

heb haar lief, dan behoedt ze je.

7 Het begin van wijsheid is dat je wijsheid zoekt,

aan alles wat je hebt verworven, inzicht toevoegt’.

 

Om het gewicht van zijn vermaning kracht bij te zetten, refereert de apostel echter aan het vijfde gebod van de Decaloog: Eer je vader en moeder.

Daarmee verdiept hij het onderwerp. Hij laat uitkomen welke houding schuil dient te gaan achter gehoor geven. De ouders moeten zodanig gehoorzaamd worden dat zij daardoor geëerd worden. En om die reden was aan dat vijfde gebod een belofte verbonden: opdat het je goed moogt gaan en je langlevend op de aarde zult zijn.

Dan namelijk vindt gehoorzamen niet plaats in een houding van tegenzin of zelfs stuursheid, gemelijkheid, maar van harte en in opgewektheid. Door een dergelijke houding worden ouders geëerd; alles wordt gedaan vanuit de nieuwe mens waarin het beeld van de Heer zichtbaar wordt.

 

Και οι πατερες, μη παροργιζετε τα τεκνα υμων, αλλα εκτρεφετε αυτα εν παιδεια και νουθεσια κυριου.

 

4 En de vaders: prikkelt jullie kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de vorming en vermaning van de Heer.

 

Het rechtmatig gezag dat aan ouders, in het bijzonder aan de vader, over hun kinderen (door God) is gedelegeerd, mag nooit ontaarden in onderdrukking en/of een tiranniek optreden wat (vooral) bij tieners tot een verbitterde houding kan leiden. Dát is niet de manier om hen tot volwassenen te vormen, wat principieel de betekenis is van παιδεια, d.i. the whole training and education of children (which relates tot the cultivation of mind and morals, and employs for this purpose now commands and admonition, now reproof and punishment), aldus Thayer’s G-E Lexicon of the NT.

 

In de vorming en vermaning van de Heer…

Dit impliceert dat de ouders zich op het standpunt stellen dat hun kinderen geroepenen zijn. Onbekeerden worden niet in de Heer opgeleid.

In die situatie gaat opleiding dan ook verder dan de omschrijving die Thayer van παιδεια gaf.

In het geval van christelijke jongeren zal de vader de opleiding in de geest van Messias Jezus trachten te volbrengen, dus de nieuwe mens - waarin het beeld van de Messias tot uiting komt - in actie! Gehoorzaamheid en het eren van de ouders zal dan voor het kind - als het inderdaad een geroepene is - geen probleem zijn; eerder een vreugde.

Wanneer ouders en kinderen hebben begrepen dat alles in de Heer dient te verlopen, d.i. in erkenning van Jezus’ gezag als Hoofd van het Gemeentelichaam, zullen harmonieuze verhoudingen in het gezin het resultaat zijn.

 

Οι δουλοι, υπακουετε τοις κατα σαρκα κυριοις μετα φοβου και τρομου εν απλοτητι της καρδιας υμων ως τω Χριστω, μη κατ οφθαλμοδουλιαν ως ανθρωπαρεσκοι αλλ ως δουλοι Χριστου ποιουντες το θελημα του θεου εκ ψυχης, μετ ευνοιας δουλευοντες, ως τω κυριω και ουκ ανθρωποις, ειδοτες οτι εκαστος, εαν τι ποιηση αγαθον, τουτο κομισεται παρα κυριου. ειτε δουλος ειτε ελευθερος.

 

5-8 De slaven: gehoorzaamt jullie heren naar het vlees met eerbied en ontzag in [de] oprechtheid van je hart, als aan de Messias; niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar als slaven van [de] Messias, die de wil van God zielsgraag doen; als slaaf dienend met welwillendheid als aan de Heer en niet aan mensen; wetend dat ieder, hetzij slaaf of vrije, al wat hij aan goed doet van de Heer zal terugontvangen.

 

Met een beroep op hun geestelijke verhouding tot de Messias, zelfs tot driemaal toe, vermaant de apostel christelijke slaven zich van harte aan hun slavenmeesters te onderwerpen, niet als huichelaars maar in alle oprechtheid en bereidwilligheid. Aldus volbrengen zij Gods wil jegens hen, en dat willen zij, zo veronderstelt de apostel, toch zielsgraag doen [εκ ψυχης; letterlijk: vanuit ziel].

Vergelijk Ks 3:22-25, waar Paulus te kennen geeft dat met die instelling slaven God behagen en feitelijk tonen slaven te zijn van de hoogste Meester, Jezus, de Messias.

 

En ook al zullen veel aardse meesters in gebreke blijven de diensten van zulke goede slaven te waarderen, laat staan hen ervoor belonend - ze deden ‘slechts’ wat van hen verwacht mocht worden (Lk 17:7-10) - zal het onze hemelse Meester beslist niet ontgaan dat alles werd gedaan en/of verduurd, als was het voor hem.

Of je nu een slaaf bent of vrij man, ieder zal al wat hij aan goed doet van de Heer terugontvangen. Dat wil zeggen, de Heer zal het vergelden.

 

Het gebruikte Griekse werkwoord is κομιζω, dat in de mediumvorm de waarde kan hebben van wegdragen voor zichzelf, d.i. daden vergolden krijgen, waardoor ze als het ware worden teruggegeven aan hen die ze verrichtten.

In die betekenis onthult Paulus in 2Ko 5:10 dat elkeen van ons bij de Opname, wanneer wij voor de rechterstoel van de Messias openbaar worden gemaakt, de dingen zal wegdragen welke hij verrichtte toen hij nog in zijn vleselijk lichaam verkeerde, hetzij goed hetzij verachtelijk.

 

Και οι κυριοι, τα αυτα ποιειτε προς αυτους, ανιεντες την απειλην, ειδοτες οτι και αυτων και υμων ο κυριος εστιν εν ουρανοις, και προσωπολημψια ουκ εστιν παρ αυτω.

 

9 En de heren: doet dezelfde dingen jegens hen, het dreigen achterwege latend; wetend dat zowel hun als jullie Heer in [de] hemelen is; en bij hem bestaat geen aanzien des persoons.

 

Doet dezelfde dingen jegens hen…

Een verrassende uitspraak, want wat had de apostel tot slaven (werknemers) gezegd? Ondermeer dit: gehoorzaamt jullie heren naar het vlees met eerbied en ontzag in oprechtheid van je hart, als aan de Messias.

Betekent een en ander dat ook werkgevers hun werknemers moeten gehoorzamen? In zekere zin, ja! Door hen een gewillig oor te lenen als zij wat te zeggen hebben over hun taak en/of arbeidsomstandigheden. Wellicht komen zij met waardevolle suggesties; een christelijke werkgever zal die niet bot van de hand wijzen, maar met hetzelfde respect daarop reageren als hij van zijn ondergeschikten verwacht.

In de parallelle passage van de Kolossebrief geeft de apostel het aldus aan:

 

De heren, verschaft de slaven wat rechtvaardig en billijk is, wetend dat ook jullie een Heer in de hemel hebben.

(Ks 4:1)

 

Christelijke ‘bazen’ hebben niet het recht hun ondergeschikten als roerend goed te behandelen, die er alleen zijn voor de verbetering van de eigen financiële positie, hen wellicht tegelijkertijd dreigend met ontslag of inhouding van loon als bepaalde prestaties niet worden geleverd. In plaats dat zulke dreigementen motiveren veroorzaken ze eerder verbittering en wrok. Werkgevers moeten de goede gezindheid van hun werknemers waarderen en die in een zelfde stemming beantwoorden.

 

Wetend dat zowel hun als jullie Heer in [de] hemelen is; en bij hem bestaat geen aanzien des persoons…

Zowel vrije mensen als slaven onder christenen hebben een zelfde Heer die hemelhoog boven hen verheven is. En voor hem tellen de verhoudingen die hier beneden zo gewichtig lijken, in het geheel niet. Hij kijkt naar de innerlijke waarde van de menselijke daden en wordt niet geïmponeerd door iemands rijkdommen of sociale positie.

 

In de eindtijd bijvoorbeeld zal zijn beoordeling van de mensen der natiën niet afhangen van hun plaats in deze maatschappij, maar of zij in religieus opzicht de zijde van zijn joodse broeders kozen en hen terzijde stonden. Want dat ziet hij als voor hemzelf gedaan (Mt 25:31-46 - Schapen en Bokken).

Kortom, christenen, van welke achtergrond ook, leven in het bewustzijn van een nabije Heer die van alle zaken notitie neemt.

 

6. De wapenrusting Gods (6:10-20)

Του λοιπου ενδυναμουσθε εν κυριω και εν τω κρατει της ισχυος αυτου. ενδυσασθε την πανοπλιαν του θεου προς το δυνασθαι υμας στηναι προς τας μεθοδειας του διαβολου·

 

10-11 Wat het overige betreft, sterkt je in de Heer en in de macht van zijn sterkte. Doet de volle wapenrusting Gods aan, om stand te kunnen houden tegen de listige daden van de Duivel.

 

Paulus nadert het einde van zijn Brief. Wat is er nog overgebleven om gezegd te worden? Allereerst en bovenal dat geestelijke kracht gezocht moet worden bij de Vader, God. Wat wij nodig hebben is de macht van zijn sterkte, welke hij ook aanwendde toen Hij zijn Zoon uit de dood opwekte; die kracht bleek een allesovertreffende grootheid te zijn (Ef 1:19-20).

 

En waarom moeten christenen zich daarin sterken?

Vanwege de 'listen en lagen' die hen van de zijde van de Duivel bedreigen.

En daarmee komt Paulus tenslotte toe aan de behandeling van een thema welke reeds door de hele Brief heen terloops was aangeroerd.

Zie het commentaar bij Ef 4:25-27.

 

οτι ουκ εστιν ημιν η παλη προς αιμα και σαρκα, αλλα προς τας αρχας, προς τας εξουσιας, προς τους κοσμοκρατορας του σκοτους τουτου, προς τα πνευματικα της πονηριας εν τοις επουρανιοις. δια τουτο αναλαβετε την πανοπλιαν του θεου, ινα δυνηθητε αντιστηναι εν τη ημερα τη πονηρα και απαντα κατεργασαμενοι στηναι.

 

12-13 Want onze worsteling is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen. Neemt daarom de volle wapenrusting van God op, opdat jullie in staat mogen zijn weerstand te bieden in de boze dag en, na alle dingen volbracht te hebben, vast te staan.

 

Zoals van meet af door de apostel werd aangegeven speelt het geestelijke leven van christenen zich af in de hemelsferen, maar in die regionen houden ook hun vijanden, de demonen, zich op. Die gevallen engelen, door Jezus vaak aangeduid als onreine geesten, hebben zich - geheel naar Gods voorzegging in de eerste profetische uitspraak (Gn 3:15) - ontpopt als tegenstanders van God en zijn Zoon, maar ook van allen die Gods zijde kiezen. In het Messiaanse tijdperk is in het bijzonder het geestelijke zaad van Abraham hun doelwit.

 

Om die reden hebben wij een worsteling of strijd te voeren in de geestelijke sfeer. Die worsteling voeren we dus niet in de eerste plaats met mensen (bloed en vlees), want als die ons op een vijandige wijze tegenstaan bevindt zich achter hen, zonder dat zij het zelf weten, nog altijd een duistere macht behorend tot een andere sfeer, de bovennatuurlijke.

Mensen mogen dan het idee hebben dat de wereld ook door louter menselijke regeerders bestuurd wordt, de Bijbel leert anders.

 

Daarin vernemen wij o.a. dat demonische geestenvorsen sinds de Spraakverwarring achter de schermen van wereldmachten opereren en - voor ons onzichtbaar - politiek en religie beïnvloeden.

Het beeld bijvoorbeeld dat Nebukadnezar in een droom te zien kreeg, blijkt bij bestudering de periode van wereldheerschappij te vertegenwoordigen die de demonen vanaf het Neobabylonische rijk (Nebukadnezar) hebben uitgeoefend tot nu toe, en dat zullen blijven doen tot aan hun ondergang (Daniël, hoofdstuk 2).

Zie voor een uitvoerige behandeling van dat thema:

 

De rol der demonen in de eindtijd en

Michaël, de aartsengel, in conflict met Satans Rijk

 

Neemt daarom de volle wapenrusting van God op…

Voor de tweede maal roept Paulus ons hiertoe op (vers 11). Waarom? Omdat de vijanden die ons in de sfeer der hemelen belagen zulke machtige tegenstanders zijn. Wij hebben dan ook alle geestelijke hulpstukken nodig om effectief weerstand te kunnen bieden.

Binnen het worstelperk zullen we tot het einde toe van alles op het gebied van tegenstand meemaken, maar met de hulp die God door zijn Zoon geeft, kunnen we als overwinnaars te voorschijn komen, en zegevierend voor het aangezicht van de Mensenzoon staan, precies zoals het geval zal zijn met het toekomstige joodse overblijfsel:

 

Maar slaat acht op jezelf, dat jullie harten nooit bezwaard worden in roes en dronkenschap en zorgen van het dagelijks leven, en die dag plotseling over jullie komt als een strik. Want hij zal komen over allen die gezeten zijn op het oppervlak der gehele aarde. Blijft dan wakker, te allen tijde smekend dat jullie in staat mogen zijn te ontkomen aan al deze dingen die op het punt staan te geschieden, en te staan voor het aangezicht van de Mensenzoon.

(Lk 21:34-36).

 

Het commentaar dat in Lukas - hoofdstuk 21 op die passage wordt gegeven, luidt gedeeltelijk:

 

Hoewel Jezus sprak met het oog op zijn leerlingen die zijn komst ten oordeel zouden meemaken, zou het voor ons, christenen, kortzichtig zijn om er geen les voor onszelf aan te ontlenen. Hoewel het in de loop van de ‘laatste dagen’ ongetwijfeld nog veel erger zal worden, leven wij, zeker in de Westerse maatschappij, te midden van een mensheid die geheel opgaat in genoegens (2Tm 3:1-5). Ook zijn er voortdurend heftige bewegingen in het financiële, economische en politieke vlak. Met al die zaken zou ons hart bezwaard kunnen raken en onze verwachting om met onze Heer verenigd te worden bij de Opname, verduisterd. We doen er dus zeker goed aan de aanmoediging - Blijft dan wakker, te allen tijde smekend - ook persoonlijk ter harte te nemen.

 

Wij moeten dus de volle wapenrusting Gods opnemen en aandoen.

Het Griekse πανοπλια is een samenstelling van twee woorden: πας [geheel; volledig] en οπλον [wapen]. Vergelijk Jh 18:3 en Rm 6:13; 13:12.

Met πανοπλια wordt danook gedoeld op de volle uitrusting van zwaarbewapenden, wat in de oudheid de volgende delen omvatte: schild, helm, borstharnas, scheenplaten, zwaard en lans.

 

In de volgende verzen benoemt Paulus de onderdelen - eveneens zes - van de geestelijke wapenrusting aldus:

- de gordel van waarheid

- het borstharnas van rechtvaardigheid

- het schoeisel van de toebereiding van het Evangelie des vredes

- het schild des geloofs

- de helm der redding

- het zwaard van de geest, (een) woord Gods

 

Zonder die geestelijke toerusting kunnen we niet effectief weerstand bieden.

Jezus heeft dat duidelijk gemaakt toen hij tijdens zijn aardse dienst ervan werd beschuldigd met de hulp van de Duivel zelf, Beëlzebul, de demonen uit te drijven. Die beschuldiging was uiteraard te dwaas voor woorden, want dan zou de Duivel er voortdurend mee bezig zijn geweest systematisch zijn eigen heerschappij te vernietigen. Jezus had danook een treffend weerwoord:

 

Elk koninkrijk dat inwendig verdeeld is, wordt verwoest en huis valt op huis. Indien nu ook de Satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn koninkrijk standhouden? Jullie zeggen immers dat ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf…Wanneer de sterke, volledig van wapens voorzien, zijn hofstede bewaakt, verkeren zijn bezittingen in vrede. Zodra echter iemand die sterker is dan hij, hem overvalt en overwint, neemt die zijn wapenrusting waarop hij vertrouwd had weg, en verdeelt zijn buit. Wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet met mij bijeenbrengt, verstrooit.

(Lk 11:17-23)

 

Met de parabel over de sterke die zijn hofstede bewaakt doelt Jezus op Satan.

Diens bezittingen - mensen over wie hij een onderdrukkende heerschappij voert - verkeren dan in vrede, dat wil zeggen dat de mens die geheel op zichzelf is aangewezen machteloos staat tegenover die heerser. Hij is niet opgewassen tegen die machtige, geslepen, bovennatuurlijke figuur. Dat geldt trouwens ook voor de gehele wereld der van God vervreemde mensheid. In zijn Eerste Brief schreef Johannes immers: De hele wereld ligt in de Goddeloze (1Jh 5:19).

 

Het bewijs daarvan wordt dagelijks geleverd in de machteloosheid van de wereldse regeringen haar problemen op te lossen, het kwaad en de corruptie uit te bannen en een vredige maatschappij te creëren. Zonder hulp van buitenaf zal dat ook nooit lukken. Alle mensen, niemand uitgzonderd, ongeacht hoe scherpzinnig en goed opgeleid zij ook mogen zijn, zijn zonder Messias Jezus hulpeloze slachtoffers van de demonische wereldoverheersing. Onder die heerschappij voelen zij zich vaak ellendig, vooral wanneer het tot hen gaat doordringen dat zij, noch ook maar iemand anders, in staat zijn aan die situatie te ontsnappen, laat staan er een einde aan te maken.

 

Ontnuchterend is wat dat betreft ook wat het verslag in het OT vermeldt over de misstappen van grote Bijbelse figuren -patriarchen, profeten, koningen en anderen - die te eniger tijd ten prooi vielen aan de listige daden van de Duivel.

Triest is het te lezen hoe zulke glorierijke koningen als David en Salomo slachtoffers werden van Satans sluwheid (2Sm 11:2-15; 24:1-10David telt het volk)  en 1Kn 11:1-9.

Maar Jezus zei gelukkig ook: Zodra echter iemand die sterker is dan hij, hem overvalt en overwint, neemt die zijn wapenrusting waarop hij vertrouwd had weg, en verdeelt zijn buit.

 

Daarmee gaf onze Messias precies aan wat er toentertijd aan de gang was.

Met Jezus’ komst stond Satans domein op instorten. Weliswaar zal het pas volledig ten onder gaan bij de definitieve vestiging van het Messiasrijk, maar principieel heeft Jezus reeds de overwinning behaald op die duivelse heerser van deze wereld (Jh 12:31).

Jezus blijkt in de kracht van de geest Gods sterker te zijn dan de Satan, de sterke. Jezus was reeds begonnen hem zijn goederen, zijn huisraad - personen over wie hij tot dan toe heerschappij voerde en die in zijn macht waren - te ontnemen. Want daarop was zijn hele bediening gericht: de geestelijke en lichamelijke bevrijding van mensen die tot dan toe door Satan werden onderdrukt.

 

Om al deze redenen hebben wij goddelijke hulp nodig, niet alleen om aan de Satan ontrukt te worden, maar ook om niet alsnog slachtoffer te worden van zijn listig gekuip. Juist met het oog daarop wordt ons de volledige wapenrusting Gods aangereikt.

 

στητε ουν περιζωσαμενοι την οσφυν υμων εν αληθεια, και ενδυσαμενοι τον θωρακα της δικαιοσυνης,

 

14 Staat dan vast, jullie lende omgord hebbend met waarheid, en aangedaan hebbend het borstharnas der rechtvaardigheid,

 

In vers 10 waar Paulus een begin maakte met zijn afsluitende opmerkingen, kregen wij de belangrijke raad om ons te sterken in de Heer en in de macht van zijn sterkte. Met het oog daarop wordt ons de volle wapenrusting Gods aangereikt. Het aandoen daarvan is de manier om aan zijn raad gehoor te geven.

Maar het verrassende feit doet zich voor dat, wanneer wij daartoe overgaan, wij ons in werkelijkheid bekleden [zelfde Griekse werkwoord: ενδυομαι] met de Messias zelf. Vergelijk maar Rm 13:14

 

Bekleedt je veeleer met de Heer Jezus Messias, en aan het vlees moeten jullie niet de aandacht schenken [die] tot begeerten [aanzet].

 

Onze wapenrusting is in de Messias gelegen; in hem is die voorziening gepersonifieerd, zichtbaar aanwezig. En aangezien hijzelf door middel van Gods geest in ons, de leden van zijn Lichaam, woont, kan een en ander ook in ons leven manifest worden, als wij tenminste van onze zijde gunstig op de werking van de geest reageren; ze niet bedroeven (Ef 4:30).

In Rm 8:8-10 wordt een en ander verduidelijkt:

 

Zij dan die in vlees zijn, kunnen God niet behagen. Maar jullie zijn niet in vlees, maar in geest, indien althans Gods geest in jullie woont. Maar indien iemand de geest van [de] Messias niet heeft, is deze niet van hem. Indien [de] Messias echter in jullie [is], is het lichaam weliswaar dood vanwege zonde, maar de geest leven vanwege de rechtvaardigheid.

 

Wanneer Paulus dus de onderdelen van de wapenrusting opsomt, geeft hij eigenlijk een beschrijving van de Messias, hoe wij hem moeten beschouwen en hoe wij ons met hem moeten vereenzelvigen.

Maar voordat wij daarvan een nadere studie maken, eerst een algemene opmerking:

 

De onderdelen van de wapenrusting vertegenwoordigen feitelijk acties die wij eigenlijk al in het verleden eens en voor altijd hadden moeten nemen. De gebruikte werkwoordsvormen - participia (1 tm 4) en imperatieven (5 en 6) - verschijnen namelijk in de aorist:

 

(1) jullie lende omgord hebbend met waarheid

(2) aangedaan hebbend het borstharnas der rechtvaardigheid

(3) de voeten geschoeid hebbend met de toebereiding van het evangelie des vredes

(4) opgenomen hebbend het grote schild des geloofs

(5) neemt aan de helm der redding, en

(6) het zwaard van de geest

 

Maar Paulus’ intensieve behandeling van dit thema leidt - zoals altijd - tot meer begrip; daardoor onderscheiden we veel beter de noodzaak om zonder uitstel tot handelen over te gaan; eventuele nalatigheid goedmakend.

 

Jullie lende omgord hebbend met waarheid…

In Paulus’ dagen was de krijgsgordel een leren band die rond het middel of om de heupen werd gedragen. Deze varieerde in breedte van 5 tot 15 centimeter en was vaak versierd met plaatjes van ijzer, zilver of goud. Het zwaard van de strijder werd eraan gehangen en soms werd de gordel door een schouderriem op zijn plaats gehouden. Zo’n gordel gaf steun aan de lendenen en beschermde ze. Als wij als christenen in die zin omgord zijn met waarheid kunnen we vaststaan in beproevingsvolle situaties.

 

Het betekent ook dat wij een vaste greep op de waarheid hebben zodat wij in staat zijn een doeltreffend gebruik van de Schrift te maken, bijvoorbeeld om de oprechte vragen van anderen te beantwoorden; maar ook - en dat zelfs in de eerste plaats - ons zelf overtuigd te houden van de juistheid van ons standpunt wanneer de Satan zijn werktuigen gebruikt om ons daarin te ondermijnen. Wanneer wij onze geest bezighouden met de waarheid zoals die in Jezus is, zal dit ons beslist helpen pal te staan tegen de listen en lagen van de Duivel.

 

Jezus zei van zichzelf: Ik ben de waarheid, en Johannes schreef: De liefderijke gunst en de waarheid zijn door Jezus Messias geworden (Jh 14:6; 1:17).

En eerder in deze Brief herinnerde Paulus ons aan de hoop die we in verband met de waarheid over de Messias ontvingen en de heilzame resultaten daarvan:

 

Op wie ook jullie [gingen hopen], toen jullie het woord der waarheid, het Evangelie van jullie redding, hoorden … gelijk waarheid in de Jezus is … want de vrucht van het licht [bestaat] in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid.

(Ef 1:13; 4:21; 5:9)

 

Toen wij als gevolg van Gods roeping christenen werden, omgordden wij ons met waarheid. In Jezus, onze Messias, vonden wij de waarheid die schuil gaat achter alle zaken die voorheen voor ons onbegrijpelijk waren. Wij leerden hém kennen die in zichzelf de waarheid en de ultieme werkelijkheid is.

Om die reden kon hij tot de mensen spreken op een wijze zoals niemand ooit had gedaan; niemand zag en verwoordde de dingen zo helder als hij (Jh 7:46).

Wat hij zei blijkt ook altijd de waarheid te zijn, ook nu we 2000 jaar verder zijn.

Niets daarin behoeft updating. Hoe kan dat? In Hb 13:8 wordt het antwoord gegeven: Jezus de Messias [is] dezelfde, gisteren en vandaag en tot in de eeuwen.

 

Aangedaan hebbend het borstharnas der rechtvaardigheid…

Het is niet toevallig dat de gordel en de borstplaat tezamen vermeld worden. De gordel die door de Romeinse strijder werd omgedaan hield zowel de schede voor het zwaard als het borstpantser op hun plaats.

De laatste bedekte het lichaam van de soldaat vanaf zijn nek tot zijn middel en had ook een achterstuk, maar het pantser dankte zijn naam aan het belangrijke voorstuk dat bescherming moest bieden aan het hart.

 

Dat geeft aan van welke betekenis het borstharnas der rechtvaardigheid voor ons, christenen, is. Dat een christen als het ware omringd is door rechtvaardigheid - voor en achter - is slechts mogelijk geworden door de verdienste van de Messias. In hem zijn wij voor God rechtvaardig:

 

Uit hem echter zijn jullie in Messias Jezus, die voor ons wijsheid werd vanwege God, rechtvaardigheid alsook heiliging en verlossing door loskoop, opdat gelijk geschreven staat: Laat hij die roemt roemen in de Heer (1Ko 1:30-31).

 

Met een rechtvaardige positie voor God als symbolisch borstpantser wordt ons hart, de zetel van onze motieven en emoties, tegen vijandige aanval beveiligd. De vijand is er namelijk op een niet aflatende wijze op uit misbruik te maken van de inherente menselijke zwakheid die wij in Adam bezitten. Hoe doet hij dat? Enerzijds door vleselijke verlangens en/of verkeerde beweegredenen in ons hart op te roepen, anderzijds door ons een gevoel van onwaardigheid te geven zodra wij voor die druk zwichten.

 

Hij wil dat wij ons ontmoedigd voelen; dat we concluderen dat we als christen een mislukkeling zijn; dat wij zo slecht zijn dat God ons zeker zal moeten verwerpen.

Omdat hij niet wil dat wij ons gelukkig voelen in het geloof, probeert hij ons voortdurend aan onze tekortkomingen te herinneren, dat we gebukt gaan onder een gevoel van schuld; dat God boos is op ons.

Hoe kunnen we zulke aanvallen weerstaan?

 

Door onszelf te herinneren aan het feit dat we in Messias Jezus rechtvaardigen zijn; dat we in onze verhouding tot God mogen steunen op zijn verdiensten.

Wij zijn immers op een tijdstip in het verleden ermee opgehouden te trachten God te behagen op grond van vermeende eigen rechtvaardige daden. We zijn daarentegen in geloof gaan steunen op het plaatsvervangend sterven van Jezus voor ons. Op die basis werd ons rechtvaardigheid toegekend. 

 

Welnu daarin is, wat God betreft, geen enkele verandering gekomen; nog steeds bevinden wij ons op die basis voor zijn aangezicht, en tot aan de Opname zullen we dat ook blijven. God is een goed werk in ons begonnen en hij gaat dat voltooien tot op de Dag van onze Heer Jezus Messias (Fp 1:6).

Dat nu is de bescherming die het borstpantser van rechtvaardigheid ons hart biedt.

 

και υποδησαμενοι τους ποδας εν ετοιμασια του ευαγγελιου της ειρηνης,

 

15 en de voeten geschoeid hebbend met de toebereiding van het Evangelie des vredes,

 

Goed schoeisel was destijds voor Romeinse soldaten cruciaal in de strijd. Daarom hadden zij zeer stevige sandalen ondergebonden, beslagen met scherpe, dikke nagels wat de ‘grip’ op een ruwe ondergrond verhoogde. 

Christenen zijn evenzo geschoeid op een wijze die hen in staat stelt stevig in het leven te staan, maar dan wel volgens het leefpatroon van de nieuwe mens, d.i. de vreedzame inhoud van het Evangelie in praktijk gebracht. Jezus’ eigen leven werd daardoor gekenmerkt:

 

Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan. Maak je niet ongerust en verlies de moed niet.

(Jh 14:27; nbv)

 

In de zelfde trant sprak Paulus eerder in deze Brief over de uitwerking van de Evangelieverkondiging onder Joden en Heidenen:

 

Want hijzelf is onze vrede, hij die de beiden één maakte en de scheidsmuur der omheining, de vijandschap, heeft afgebroken … Opdat hij de twee in hemzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, [aldus] vrede stichtend, en de beiden in één Lichaam volledig met God zou verzoenen door de martelpaal, waardoor hij de vijandschap ter dood bracht in hemzelf. En gekomen zijnde heeft hij vrede als goede tijdingen verkondigd aan jullie die veraf, en vrede aan hen die dichtbij [waren].

(Ef 2:14-17)

 

Het is daarom die toestand van vrede in ons hart die ons toebereidt tot het succesvol volgen van de christelijke levensweg, zoals ook Paulus zelf in zijn Romeinenbrief beleed: Daar wij dan uit geloof gerechtvaardigd werden, genieten wij vrede bij God, door onze Heer Jezus Messias (Rm 5:1).

Een beter uitgangspunt is niet denkbaar; ons moreel kan zodoende hoog zijn en blijven, ook al bevinden wij ons soms op ‘ruwe grond’.

 

εν πασιν αναλαβοντες τον θυρεον της πιστεως εν ω δυνησεσθε παντα τα βελη του πονηρου [τα] πεπυρωμενα σβεσαι·

 

16 In alle omstandigheden opgenomen hebbend het grote schild des geloofs, waarmee jullie al de brandende pijlen van de Goddeloze zullen kunnen doven.

 

Met het grote schild wordt de θυρεος bedoeld, een term die ontleend is aan het Griekse woord voor deur (θυρα). En niet onterecht want θυρεος was een groot rechthoekig schild waarachter de strijder vrijwel geheel schuil kon gaan, in tegenstelling tot het kleinere en ronde ασπις.

Het bood bescherming tegen de τα βελη [τα] πεπυρωμενα [brandende pijlen; of projectielen die in vlam waren gezet].

 

In Bijbelse tijden gebruikten soldaten namelijk een soort pijlen die waren gemaakt van holle rietstengels met kleine ijzeren kokertjes die met brandende nafta konden worden gevuld. Volgens een kenner toentertijd één van de gevaarlijkste wapens die in de oorlogvoering werden gebruikt. Om niet ernstig gewond te raken of misschien zelfs gedood te worden hadden soldaten het grote schild nodig.

 

Voordat zij een strijd ingingen waarin met brandende pijlen op hen kon worden geschoten, maakten de soldaten de leren bekleding van het schild nat om de pijlen te blussen. De Romeinse legionairs konden de gelederen met deze schilden vrijwel volkomen sluiten door hetzij hun schilden naar voren [de buitenste rijen] hetzij boven hun hoofden te houden [de rijen achter hen]. In die formatie waren zij vrijwel onkwetsbaar voor pijlen, stenen en zelfs speren.

 

In alle omstandigheden opgenomen hebbend het grote schild des geloofs…

Als christenen hebben wij voortdurend, bij alle vormen van tegenstand en beproevingen, een krachtig geloof nodig teneinde weerstand te kunnen bieden en vast te blijven staan. 

Maar soms kunnen de aanvallen vanuit de demonenwereld wel een bijzonder venijnig karakter aannemen. Waaraan moeten wij dan denken?

 

Bijvoorbeeld aan uiteenlopende vormen van vervolging. Speciaal moeilijk is het om weerstand te bieden aan tegenstand die uit eigen gelederen komt: het gezin; de kennissen- en familiekring; de religieuze gemeenschap die geen dissidente opvattingen toestaat:

 

Deze dingen heb ik tot jullie gesproken, opdat jullie niet zouden struikelen. Zij zullen jullie uit de synagoge bannen; het uur komt, dat ieder die jullie gedood heeft, zal menen God een dienst te bewijzen. En die dingen zullen zij doen omdat zij de Vader niet hebben leren kennen, noch mij.

(Jh 16:1-3)

 

Hoe reageert geloof op zulke gevaarlijke projectielen? Paulus verwoordt het aldus:

 

Wat zullen wij dan zeggen ten aanzien van deze dingen? Indien God voor ons [is], wie tegen ons? Hoe zal hij, die zelfs de eigen Zoon niet spaarde maar hem voor ons allen overgaf, ons ook niet met hem alle dingen goedgunstig schenken? Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen uitverkorenen Gods? God is degene die rechtvaardigt. Wie [is het] die veroordeelt? De Messias [is het] die stierf, ja meer nog, die werd opgewekt, die ook aan de rechterhand van God is, die ook voor ons pleit.

(Rm 8:31-34)

 

Jezus zelf bezat zo’n onwankelbaar geloof. We stelden immers vast dat de wapenrusting in werking terug te vinden is in de Messias. Daarom zien wij hem in de Evangeliën keer op keer handelen vanuit een onbeperkt geloofsvertrouwen. Zoals bij de gelegenheid dat de demonen er op uit waren om de boot waarmee Jezus en zijn leerlingen het meer overstaken, zo mogelijk tot zinken te brengen door het ontketenen van een zware storm:

 

En zij staken van wal. Terwijl zij nu voeren, viel hij in slaap. En er sloeg een hevige stormwind neer op het meer, en zij liepen vol [water] en raakten in gevaar. Toen gingen zij naar hem toe, wekten hem en zeiden: Meester, Meester, wij vergaan! Hij echter stond op, bestrafte de wind en de golfslag van het water, en ze bedaarden, en er ontstond een stilte. Hij nu zei tot hen: Waar is jullie geloof?

(Lk 8:22-25)

 

Jezus’ bestraffing van de natuurelementen doet denken aan de eerdere gebeurtenis waarbij hij een demon in ongeveer gelijke termen bestrafte:

Jezus gebood hem scherp, zeggend: Zwijg, en ga uit hem weg! En nadat de demon hem in het midden had neergesmeten, ging hij uit hem weg, zonder dat hij hem letsel toebracht (Lk 4:34-36).

 

Dit, en in aanmerking nemend wat onmiddellijk hierna volgde: zijn optreden tegen het legioen demonen in heidens gebied, maakt het waarschijnlijk dat Jezus in werkelijkheid de goddeloze geesten bij deze gelegenheid bestraffend heeft toegesproken, omdat zij achter het ontketende natuurgeweld schuil zouden zijn gegaan. 

De demonen die zich buiten Israël, in heidens gebied, kennelijk heer en meester waanden, zouden Jezus’ komst in hun richting, terecht met angst tegemoet hebben gezien. Een en ander blijkt ook uit hun eerste contact met hem via de bezetenen. Vergelijk ook Mt 8:23-27.

 

Dat de demonen nog altijd hun kansen grijpen om hun onderdrukkende heerschappij vooral in een door-en-door heidense omgeving uit te oefenen, zien we in deze 21e Eeuw opnieuw bevestigd in de wreedheden die thans bedreven worden binnen agressieve geledingen van Islam. In de gebieden waar zij de macht konden grijpen wordt dikwijls een ware terreur uitgeoefend: onthoofdingen, of het dreigen daarmee, en uitroeiing van religieuze minderheden, met name christenen.

Een en ander kan als een onheilspellend voorteken gezien worden van het onheil dat de wereld zal treffen wanneer met de Opname van de christelijke Gemeente ook de (nu nog) als een belemmering werkende geest van God uit het midden der mensenmaatschappij (tijdelijk) verdwijnt. Voor de verschijning en het optreden van de tirannieke Antichrist is dan alle tegenwerkende kracht weggenomen.

Vergelijk 1Th 5:1-3 en 2Th 2:1-7.

 

και την περικεφαλαιαν του σωτηριου δεξασθε, και την μαχαιραν του πνευματος, ο εστιν ρημα θεου,

 

17 En neemt de helm der redding aan, en het zwaard van de geest, hetwelk is woord Gods,

 

Een helm beschermt onze hersenpan waarbinnen zich het brein bevindt, de zetel van ons verstand en denkvermogen. In die 'helmsituatie' zijn we ons bewust van het feit dat wij redding ontvingen door het geloof in de Messias Jezus: Hijzelf is de Redder van het Lichaam (Ef 1:13; 2:8; 5:23).

 

Ondanks het feit dat wij ons nog altijd in de slechte sfeer van het huidige wereldbestel bevinden, zijn wij er reeds uit gered en opgenomen in de sfeer van Gods heerschappij, het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde, de Messias (Ks 1:13-14). Dat besef biedt, vooral in zware tijden, een machtige bescherming tegen de listen en lagen van de Duivel:

 

Alleen, leeft als burgers het Evangelie van de Messias waardig, opdat, hetzij ik zou komen en jullie zien, hetzij ik afwezig ben, over de dingen aangaande jullie mag horen dat jullie vaststaan in één geest, één van ziel eendrachtig strijdend voor het geloof van het Evangelie, en je in niets door de tegenstanders laat verschrikken, hetwelk voor hen een aanwijzing is van ondergang, maar van jullie redding; en dit vanwege God. Want voor de zaak van [de] Messias is het jullie goedgunstig gegeven niet alleen in hem te geloven, maar ook voor hem te lijden, dezelfde worsteling hebbend als jullie in mij hebben gezien en nu in mijn geval horen (Fp 1:27-30).

 

Onze hoop op redding is dientengevolge een zekerheid, reden waarom Paulus de wapenrusting in 1Th 5:8-9 ook aldus beschrijft:

 

Maar laten wij die tot de dag behoren nuchter zijn, een borstharnas van geloof en liefde aanhebbend en [als] helm hoop der redding. Want God bestemde ons niet tot gramschap maar tot verkrijging van redding door onze Heer Jezus Messias.

 

En het zwaard van de geest, hetwelk is woord Gods…

Het symbolische zwaard wordt ons niet alleen ter verdediging maar ook voor de aanval gegeven. Zijn oorsprong ligt bij de heilige geest van God. Eigenlijk is het daarom een instrument van de geest, welke ons op het juiste moment een woord Gods indachtig kan maken (Mt 10:19-20; Hn 6:8-10).

Rημα duidt namelijk niet op Gods Woord, de Bijbel, noch op het Evangelie, maar op iedere uitspraak, spreuk of tekst die aan de Schrift is ontleend.

Jezus is weer een voorbeeld van het afweren van Satanische aanvallen op die wijze (Mt 4:1-11). Vandaar dat wij lezen: Weerstaat de Duivel en hij zal van jullie wegvluchten (Jk 4:7).

 

δια πασης προσευχης και δεησεως προσευχομενοι εν παντι καιρω εν πνευματι, και εις αυτο αγρυπνουντες εν παση προσκαρτερησει και δεησει περι παντων των αγιων,

 

18 te allen tijde door alle [vorm van] gebed en smeking in geest biddend, en daartoe wakker blijvend met alle vasthoudendheid en smeking voor al de heiligen,

 

Hoewel gebed geen onderdeel uitmaakt van de wapenrusting, kunnen we niettemin een link leggen met soldaten die in een strijd verwikkeld zijn. Zij moeten in het gevecht voeling houden met hun aanvoerder, en de aanwijzingen die hij geeft precies volgen, wil zijn strategie succes hebben en zijzelf overleven.

Ook wij als christenen hebben in onze strijd - niet tegen bloed en vlees, maar tegen de goddeloze geestenkrachten - voortdurend behoefte aan Gods leiding.

De tegenstander is bovennatuurlijk superieur aan de mens (2Pt 2:11).

 

Daarom moeten wij door gebed met de hemel in contact blijven, en dat kan in alle mogelijke vormen: lofzang, dankzegging, smeking, smeekbeden; waartoe de omstandigheden ook maar aanleiding geven (Ks 4:2; Fp 4:6).

Wij worden aangemoedigd om dat in geest te doen, wat wil zeggen dat we ons laten bezielen door de heilige geest die ons leert wat passend is om in onze gebeden aan God voor te leggen (1Ko 2:13; Rm 8:26-27).

 

Ook worden wij vermaand om, wat het gebed betreft, alert te blijven [αγρυπνεω; lett: zonder slaap zijn]; daarin niet onachtzaam te zijn, maar juist snel onze toevlucht bij God te zoeken; met alle standvastigheid of aanhoudendheid: Houdt aan in het gebed (Rm 12:12).

En omdat wij deel uitmaken van een Lichaam, betrekken wij ook al onze medeleden in onze gebeden. Ook al kennen we elkaar niet, de wetenschap dat in alle delen van de wereld leden van het ware Israël Gods ons voor de troon van God brengen door hun gebeden, en wij hén, is niettemin hartverwarmend en een bevestiging van onze eenheid.

 

και υπερ εμου, ινα μοι δοθη λογος εν ανοιξει του στοματος μου, εν παρρησια γνωρισαι το μυστηριον του ευαγγελιου υπερ ου πρεσβευω εν αλυσει, ινα εν αυτω παρρησιασωμαι ως δει με λαλησαι.

 

19-20 ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond een woord gegeven mag worden om met vrijmoedigheid het geheimenis van het Evangelie bekend te maken - waarvoor ik als gezant optreed in een keten - opdat ik daarin vrijmoedig mag spreken, zoals ik behoor te spreken.

 

Dat de lezers al de heiligen in hun gebeden moeten betrekken is voor Paulus aanleiding hen met zijn eigen situatie te confronteren, weliswaar onder huisarrest in Rome maar toch als een gezant optredend van het Evangelie.

Om zijn roeping als apostel der Heidenvolken te volbrengen en de kern van het Evangelie - een mysterie of geheimenis - bekend te maken - dat de Heidenen mede-erfgenamen en medelichaam en mededeelgenoten van de belofte in Messias Jezus zijn - had hij grote vrijmoedigheid nodig (Ef 3:4-8; Ks 1:27).

 

Om die reden verzoekt hij hen specifiek eveneens voor hem te bidden, dat hem het juiste woord mag worden gegeven, want hij beschouwt zichzelf slechts als een werktuig van Gods heilige geest.

Uit een vergelijking met Hn 28:30-31 en Fp 1:12-14 blijkt dat die gebeden door God werden verhoord, want twee jaar lang sprak hij met de grootste vrijmoedigheid, zonder belemmering, tot degenen die hij in zijn eigen, gehuurde huis gastvrij mocht ontvangen. De gehele Pretoriaanse lijfwacht kwam te weten dat hij niet wegens enig misdrijf geketend rondliep, maar verband hield met zijn gezantschap van de Messias en diens koninkrijk.

En uit Fp 4:21-22 wordt duidelijk dat er binnen het huis van Caesar een betekenisvolle respons moet zijn geweest.

 

7. Slot en zegenwensen (6:21-24)

 

Ινα δε ειδητε και υμεις τα κατ εμε, τι πρασσω, παντα γνωρισει υμιν Tυχικος ο αγαπητος αδελφος και πιστος διακονος εν κυριω, ον επεμψα προς υμας εις αυτο τουτο ινα γνωτε τα περι ημων και παρακαλεση τας καρδιας υμων. Eιρηνη τοις αδελφοις και αγαπη μετα πιστεως απο θεου πατρος και κυριου Ιησου Χριστου. η χαρις μετα παντων των αγαπωντων τον κυριον ημων Ιησουν Χριστον εν αφθαρσια.

 

21-24 Opdat echter ook jullie mijn omstandigheden mogen weten, hoe het met mij gaat, zal Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in [de] Heer, jullie alle dingen bekend maken. Juist met dat doel zond ik hem naar jullie toe, opdat jullie de dingen omtrent ons mogen weten en hij jullie harten mag vertroosten. Vrede zij de broeders en liefde met geloof, van God [de] Vader en van [de] Heer Jezus Messias. De liefderijke gunst zij met allen die onze Heer Jezus Messias liefhebben, in onverderfelijkheid.

 

In Ks 4:7-9 vermeldde Paulus dezelfde dingen over Tychikus. Maar daar blijkt dat hij de reis maakte in het gezelschap van Onesimus. Beide broeders moesten de gemeenten informeren over de stand van zaken in Rome. De apostel verwacht dat zijn lezers door hun verslag geestelijke aanmoediging zullen ontvangen.

 

Vanwege onze roeping is liefderijke gunst en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Messias één van de vele geestelijke zegeningen waarmee wij, christenen, in de Messias in de hemelsferen zijn gezegend (Ef 1:2-3).

In zijn inleiding gaf de apostel dat reeds aan; nu komt hij er op terug en verzekert hij ons dat wij innerlijke vrede en onderlinge liefde zullen blijven ervaren wanneer wij er mee voortgaan vanuit het geloof te leven, in liefdevolle toewijding aan onze Heer, ons Hoofd Jezus Messias. De liefderijke gunst van God en zijn Zoon zal dan voor altijd ons deel zijn.

 

-.-.-.-.