Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Brief van Paulus aan de Filippenzen

De Brief van Paulus aan de Filippenzen

 

Klik hier voor ‘smal’ lezen

 

Inhoud

A. Paulus en de gemeente Filippi (1:1-26)

1. Opschrift; dankzegging; gebed (1:1-11)
2. Persoonlijke omstandigheden (1:12-20)
3. Zijn vooruitzichten (1:21-26)

B. Vermaning en voorbeelden (1:27 – 2:30)

1. Moedig weerstand bieden aan vijandigheid (1:27-30)
2. Onderlinge liefde bepleit (2:1-4)
3. De gezindheid van de Messias (2:5-11)
4. De gezindheid van de Messias ten toon spreiden (2:12-18)
5. Aanbeveling van Timotheüs en Epafroditus (2:19-30)

C. Waarschuwingen tegen dwaling (3:1 - 4:1)

1. Waarschuwing tegen de Judaïsten (3:1-3)
2. Paulus: Heden en verleden (3:4-16)
3. Het christelijke burgerschap (3:17 - 4:1)

D. Aanmoediging, dankbaarheid (4:2-23)

1. Vermaning tot eenheid en vrede (4:2-9)
2. Dank voor de liefdegaven; slot (4:10-23)

De agora, vermoedelijk ook de plek van  de gevangenis  (Hn  16:24)

Filippi was gelegen aan de bekende Via Egnatia.

 

Filippenzen 1

A. Paulus en de gemeente Filippi (1:1-26)

1. Opschrift; dankzegging; gebed (1:1-11)

Παυλος και Τιμοθεος δουλοι Χριστου Ιησου πασιν τοις αγιοις εν Χριστω Ιησου τοις ουσιν εν φιλιπποις συν επισκοποις και διακονοις· χαρις υμιν και ειρηνη απο θεου πατρος ημων και κυριου Ιησου Χριστου.


1-2 Paulus en Timotheüs, slaven van Messias Jezus, aan al de heiligen in Messias Jezus die in Filippi zijn, samen met opzieners en dienaren; liefderijke gunst zij jullie en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Messias.

Paulus schreef deze Brief tegen het einde van zijn (eerste) gevangenschap te Rome.
Uit de Handelingen weten wij dat de apostel in februari 61 AD in Rome arriveerde; dat hij daar vervolgens gedurende twee volle jaren verbleef in zijn eigen gehuurde huis (Hn 28:30). Daarna werd hij echter overgebracht naar het Pretorium voor een striktere vorm van gevangenschap (Fp 1:12-13; 4:22).


Uit Fp 2:17 kan geconcludeerd worden dat daardoor ook zijn leven in gevaar was komen te verkeren. Niettemin koesterde hij de verwachting dat zijn zaak spoedig behandeld zou worden en een gunstige afloop zou hebben (1:21-26; 2:23-24).
Bijgevolg moet de Brief gedateerd worden op 63 AD, waarschijnlijk geschreven in het voorjaar of in de zomer van dat jaar.

Paulus schrijft namens zichzelf en Timotheüs, maar we merken al spoedig dat hij overgaat op het gebruik van de eerste persoon enkelvoud.
De Brief is gericht aan
al de heiligen te Filippi, maar van hen worden twee groepen apart vermeld: opzieners en dienaren. Kennelijk wordt daarmee gedoeld op een college van oudsten (presbyterium) met hun helpers.

Het is hier voor het eerst dat Paulus daarvan in zijn Brieven melding maakt, hoewel uit Hn 20:28 kan worden afgeleid dat de regeling zeker niet nieuw was. Tijdens zijn reis naar Jeruzalem, in het jaar 57 AD, had hij tijdens een stop in Milete de oudsten van Efeze bij zich geroepen en hen vermaand aandacht te schenken aan de kudde waarover zij als opzieners (herders) waren aangesteld. En nog eerder, rond 47-48 AD, hadden hij en Barnabas tijdens de eerste zendingsreis voor de pas gestichte gemeenten in Lykaonië oudsten aangesteld (Hn 14:23).

Na zijn vrijlating, toen hij weer reisde in het gebied van Klein-Azië en Macedonië, zette hij in een Brief aan Timotheüs uiteen aan welke vereisten opzieners en dienaren moesten voldoen om als zodanig in de plaatselijke gemeenten te kunnen dienen. Zulke mannen verrichtten te midden van de kudde een voortreffelijk werk. Deze geestelijk gerichte mannen dienden ten behoeve van hun medeleden in het Lichaam (1Tm 3:1-13; Ef 4:7, 11-16).


Ευχαριστω τω θεω μου επι παση τη μνεια υμων, παντοτε εν παση δεησει μου υπερ παντων υμων μετα χαρας την δεησιν ποιουμενος, επι τη κοινωνια υμων εις το ευαγγελιον απο της πρωτης ημερας αχρι του νυν, πεποιθως αυτο τουτο οτι ο εναρξαμενος εν υμιν εργον αγαθον επιτελεσει αχρις ημερας Χριστου Ιησου·


3-6 Ik dank mijn God bij elke herinnering aan jullie, altijd in elke smeekbede van mij voor jullie allen, terwijl ik met vreugde de smeekbede opzend, wegens jullie deelname aan het Evangelie van de eerste dag af tot nu toe; hiervan overtuigd zijnde dat hij die een goed werk in jullie begon, [het] zal voltooien tot op [de] Dag van Messias Jezus.

Paulus’ betrekkingen met de gemeente te Filippi waren altijd heel hecht gebleven sinds hij die gemeente tijdens zijn tweede zendingsreis had gesticht.
Het moet rond het jaar 50 AD zijn geweest dat de apostel met zijn gezelschap te Troas gehoor gaf aan het dringende verzoek dat in een nachtelijk visioen door een man, een Macedoniër, werd gedaan: "Kom over naar Macedonië en help ons".
Onder de eerste leerlingen bevond zich ondermeer de hartelijke Lydia, een purperverkoopster, die van grote gastvrijheid blijk gaf: "Zij ‘dwong’ ons er gewoon toe", om in haar huis verblijf te houden. Zie Hn 16:8-40.

Ook na zijn vertrek bleef hij de zorg van de Filippenzen ondervinden, want tot tweemaal toe ontving hij te Thessaloníka een ondersteuning van hen, en ook daarna werd hij door hen geholpen; alleen de laatste tijd waren zij daartoe niet in de gelegenheid geweest (Fp 4:10, 14-16). Ondermeer op die wijze hadden zij vanaf het prilste begin hun eigen bijdrage geleverd aan de bevordering van het Evangelie.
Daaraan terugdenkend heeft Paulus telkens reden om God in zijn gebeden - die onder zijn huidige omstandigheden het karakter van smeekbeden aannemen - te danken.
Zijn dankbaarheid en liefde jegens hen omvat allen. Ook verderop in de Brief zullen we zien dat zijn liefde zich zonder uitzondering tot allen uitstrekt.

Destijds was de stichting van de gemeente weliswaar tot stand gekomen door de prediking van Paulus, Silas, Timotheüs en Lukas, maar in werkelijkheid was het God geweest die door zijn Zoon in de gelovigen een goed werk was begonnen. Zoals voor alle leden van het Gemeentelichaam geldt, waren zij in Messias Jezus tot een nieuwe schepping gemaakt en dat volgens Gods eeuwig raadsbesluit:

Hen die hij tevoren kende bestemde hij ook tevoren [tot] gelijke gedaante van het beeld van zijn Zoon, opdat hij eerstgeborene onder vele broeders zou zijn (Rm 8:29).


Zie ook 2Ko 5:17-18; Ks 1:27; 2:9-13.

Het grote nieuws dat de apostel nu aan deze waarheid toevoegt luidt: God maakt zijn werk feilloos af.
Allen die God tevoren kende in zijn voornemen, heeft hij - ieder op zijn bestemde tijd - geroepen, vanuit geloof gerechtvaardigd en met een mate van heerlijkheid bekleed door de inwoning van zijn heilige geest, daarmee te kennen gevend dat hij hen als zijn zonen aanneemt.
Welnu, die nieuwe schepping is veilig bij God. Zoals Paulus eerder schreef is hun
leven tezamen met de Messias verborgen in God (Ks 3:1-4).
En de belofte luidt:

Wanneer de Messias, jullie leven, openbaar gemaakt wordt, dan zullen ook jullie tezamen met hem openbaar gemaakt worden in heerlijkheid.

Met het aanbreken van de Dag van de Messias worden grootse dingen op gang gebracht. Als bewijs dat zijn beloofde paroesie [tegenwoordigheid] dan een feit is, zal hij persoonlijk uit de hemel neerdalen om zijn Gemeentelichaam tot zich te roepen. De gestorven gelovigen zullen eerst opstaan en vervolgens zullen zij, tezamen met de tot dan toe in leven gebleven laatste generatie van christenen, in wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht.


Vergelijk Rm 8:28-30, 14-18; 1Th 4:15-17.

καθως εστιν δικαιον εμοι τουτο φρονειν υπερ παντων, υμων δια το εχειν με εν τη καρδια υμας, εν τε τοις δεσμοις μου και εν τη απολογια και βεβαιωσει του ευαγγελιου συγκοινωνους μου της χαριτος παντας υμας οντας. μαρτυς γαρ μου ο θεος, ως επιποθω παντας υμας εν σπλαγχνοις Χριστου Ιησου.

7-8 Het is immers terecht dat ik dit van jullie allen denk, daar ik jullie in het hart heb, terwijl jullie allen mijn mededeelhebbers van de liefderijke gunst zijn, zowel in mijn ketenen als in de verdediging en bevestiging van het Evangelie. Want God is mijn getuige hoe ik naar jullie allen verlang met tedere genegenheden van Messias Jezus.

Grammaticaal is niet uit te maken wie nu wie in het hart draagt [letterlijk: heeft], aangezien de infinitief hebben vergezeld gaat van twee accusatieven [με en υμας], zodat vertaald kan worden daar ik jullie in het hart heb, of: daar jullie mij in het hart hebben.
Laatstgenoemde mogelijkheid zou gemotiveerd kunnen worden met:
aangezien jullie allen mijn mededeelhebbers van de liefderijke gunst zijn, zowel in mijn ketenen als in de verdediging en bevestiging van het Evangelie.


We zouden kunnen beslissen dat er sprake is van een wederzijdse, grote en hartelijke genegenheid, omdat de apostel God oproept als zijn getuige hoe hij naar de Filippenzen verlangt met dezelfde innerlijke gevoelens die de Messias koestert voor allen die tot zijn Gemeentelichaam behoren.
Aldus bezien vernemen we hier reeds iets omtrent de diepste wenst die bij Paulus leeft: tezamen met zijn geliefde broeders bij de Heer zijn bij het aanbreken van diens paroesie (1Th 2:19; 3:12-13; 4:15-17)

Zie Fp 1:23.

Met de verdediging en bevestiging van het Evangelie doelt de apostel blijkbaar op wat het centrale punt is geworden van zijn gevangenschap sedert het jaar 58 AD tot dan toe: naast het Judaïsme de wettelijke erkenning binnen het Romeinse Rijk van de godsdienstige stroming die bekend kwam te staan als "de Weg". Binnen die nieuwe beweging – vooral niet te beschouwen als slechts een sektarische tak van het Jodendom - is Jezus, de Messias, de hoofdfiguur en het middelpunt geworden.

Vergelijk Hn 24:14, 22; 25:1026:32.

Vanzelfsprekend is de machtiging om het Evangelie van Jezus de Messias te verbreiden uit de hemel afkomstig. Jezus, die ons opdroeg dit werk te doen, bezit alle autoriteit in de hemel en op aarde. Christenen hebben dus feitelijk niet de toestemming van menselijke regeringen nodig om te prediken. Niettemin is religieuze vrijheid een groot goed en bevorderlijk voor Bijbelstudie en -bespreking. Vandaar dat Paulus aan Timotheüs schreef:

Allereerst
vermaan ik dan smeekbeden, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en allen die in hooggeplaatste posities zijn, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en ernst.
(1Tm 2:1-2)

και τουτο προσευχομαι, ινα η αγαπη υμων ετι μαλλον και μαλλον περισσευη εν επιγνωσει και παση αισθησει, εις το δοκιμαζειν υμας τα διαφεροντα, ινα ητε ειλικρινεις και απροσκοποι εις ημεραν Χριστου, πεπληρωμενοι καρπον δικαιοσυνης τον δια Ιησου Χριστου εις δοξαν και επαινον θεου.

9-11 En dit bid ik, dat jullie liefde nog meer en meer overvloedig mag zijn in verdiepte kennis en volledig waarnemingsvermogen, zodat jullie onderscheid kunnen maken tussen de dingen die verschillen, opdat jullie zuiver zijn en geen aanstoot geven tot op de Dag van [de] Messias; vervuld van de vrucht der rechtvaardigheid, welke door Jezus Messias tot heerlijkheid en lof van God is.

De goddelijke liefde [αγαπη] uit zich niet in sentimentele gevoelens, maar berust op goddelijke principes. Om die hoogste vorm van liefde tot uitdrukking te brengen is derhalve nauwkeurige kennis nodig en het vermogen om zaken juist waar te nemen, met zedelijke fijngevoeligheid.
Alleen dan kunnen zaken van goed en verkeerd -
τα διαφεροντα, de dingen die verschillen, of: de dingen waarop het aankomt – op juiste wijze uit elkaar worden gehouden, getoetst op hun waarde. Een christen wordt daardoor in staat gesteld om in te zien wat Gods juiste weg is en die weg ook te bewandelen, in volkomen afhankelijkheid van de inwonende heilige geest.

Want niemand kan die weg, welke gekenmerkt wordt door zuiverheid en waarbij men geen oorzaak van struikelen wordt voor anderen, in eigen kracht gaan.
De apostel laat dit uitkomen doordat hij die onberispelijke levenswijze aanmerkt als het resultaat (vrucht) van rechtvaardigheid. Maar de rechtvaardigheid van een christen is niet die van hemzelf; het is een hem toegekende rechtvaardigheid welke door geloof in de Messias wordt verkregen.
Daarom heeft niemand van ons ook maar enige reden tot zelfgenoegzaamheid; integendeel, alle glorie en lof komt God toe die het in de Messias mogelijk maakt dat wij niet geheel en al in de greep van onze Adamitische natuur verkeren.

2. Persoonlijke omstandigheden (1:12-20)

Γινωσκειν δε υμας βουλομαι, αδελφοι, οτι τα κατ εμε μαλλον εις προκοπην του ευαγγελιου εληλυθεν, ωστε τους δεσμους μου φανερους εν Χριστω γενεσθαι εν ολω τω πραιτωριω και τοις λοιποις πασιν, και τους πλειονας των αδελφων εν κυριω πεποιθοτας τοις δεσμοις μου περισσοτερως τολμαν αφοβως τον λογον λαλειν.

12-14 Ik wens echter, broeders, dat jullie weten dat mijn omstandigheden veeleer tot bevordering van het Evangelie hebben bijgedragen, zodat mijn ketenen in [de] Messias openbaar zijn geworden in heel het Pretorium en bij alle overigen, en de meesten van de broeders hebben in de Heer door mijn ketenen vertrouwen gekregen om overvloediger het Woord zonder vrees te durven spreken.

Paulus onthult hier aan zijn lezers dat het resultaat van zijn gevangenschap - hoe droevig ook op zichzelf - minstens twee goede resultaten had:
a.
Ondanks zijn isolement was in brede kring bekend geworden dat hij niet tot de ‘gewone’ misdadigers behoorde. Hij was niet vanwege een of ander ernstig vergrijp gevangen gezet. Zowel bij de soldaten van de keizerlijke lijfwacht als bij de bewoners van Rome was bekend geworden dat zijn gevangenschap verband hield met zijn geloof in en zijn verhouding tot de joodse Messias.
Binnen het kamp van de Pretorianen had hij ongetwijfeld met velen van hen kennis gemaakt, aangezien hij voortdurend door één van hen werd bewaakt en zij elkaar geregeld aflosten.

b. Zijn broeders buiten de gevangenis hadden uit zijn boeien (ketenen) moed geput om met grotere vrijmoedigheid dan voorheen het Woord (Evangelie) te verkondigen.
Ook in dit geval veroorzaakte Paulus’ gevangenschap het tegendeel van wat men misschien verwacht zou hebben.

Wellicht dat de situatie voor de Romeinse geloofsgemeenschap aanvankelijk deprimerend is geweest, maar naarmate de gevangenschap van de apostel voortduurde, werkte zijn voorbeeld en zijn woord blijkbaar zó bemoedigend dat zij een krachtiger standpunt durfden in te nemen.
Zij zagen in hem het voorbeeld van iemand die de Heer werkelijk navolgde, een christen die zijn lijden blijmoedig droeg en niet verflauwde in het afleggen van het Messiaanse getuigenis.

Maar Paulus schrijft deze goede uitwerking niet aan zichzelf toe, de broeders
hebben in de Heer door mijn ketenen vertrouwen gekregen. Hun vertrouwen vond zijn diepste grondslag in de Heer.
Op deze wijze ervoeren allen precies datgene wat Paulus eerder, vlak voor zijn gevangenneming, aan zijn broeders in Rome had geschreven:

Wij nu weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen die naar [het] voornemen geroepenen zijn.
(Rm 8:28)

Τινες μεν και δια φθονον και εριν, τινες δε και δι ευδοκιαν τον Χριστον κηρυσσουσιν· οι μεν εξ αγαπης, ειδοτες οτι εις απολογιαν του ευαγγελιου κειμαι, οι δε εξ εριθειας τον Χριστον καταγγελλουσιν, ουχ αγνως, οιομενοι θλιψιν εγειρειν τοις δεσμοις μου.

15-17 Weliswaar prediken ook sommigen de Messias door afgunst en strijdlust, maar sommigen ook door goedwilligheid. Dezen werkelijk uit liefde, daar zij weten dat ik tot verdediging van het Evangelie gesteld ben; maar de eersten verkondigen de Messias uit twistzucht, niet zuiver, met de bedoeling verdrukking bij mijn ketenen op te wekken.

Het is waar dat Paulus’ voorbeeld een positieve uitwerking had gehad op veel broeders in Rome. Zij hadden moed gevat om zich onbevreesd over het Evangelie uit te laten. Zij waren tot het inzicht gekomen dat de Messias inderdaad in de apostel verwezenlijkte wat hij eerder, ruim 25 jaar geleden, ten aanzien van Paulus -toen nog Saulus- had aangekondigd:

Deze is mij een uitverkoren vat om mijn naam uit te dragen, zowel voor het aangezicht der Heidenen alsook van koningen als van de zonen Israëls. Want ik zal hem duidelijk laten zien wat hij allemaal om mijn naam moet lijden.
(Hn 9:15-16).

Bijgevolg koesterden zij het verlangen om de apostel bij te staan in het vervullen van zijn opdracht; hun prediking van het Woord vond daarom mede plaats uit hun liefde voor hem.
Maar niet bij allen leefde die gezindheid.
Paulus’ verblijf te Rome had onvermijdelijk een verregaande invloed op de plaatselijke gemeenschap van gelovigen, en dit tot grote ergernis van degenen die zelf een vooraanstaande plaats in de gemeente wilden innemen. Bij hun ambities stond de persoon van Paulus hen in de weg.


Vergelijk Lk 9:46-48; 22:24-27.

Waarschijnlijk moeten we denken aan bepaalde Jodenchristenen die nog altijd de opvattingen van het Judaïsme probeerden uit te dragen; precies die personen dus met wie de apostel geregeld te maken had gekregen tijdens zijn rondreizen in het Oosten.
Dit zou namelijk ook de heftige gemoedsbeweging verklaren welke spreekt uit het eerste gedeelte van hoofdstuk 3, waar hij op de Judaïsten doelt wanneer hij waarschuwt
voor de honden, de slechte arbeiders, de verminking [door de besnijdenis].

Met de woorden
φθονος en ερις tekent Paulus hun afgunst en rivaliteit.
Die vleselijke neigingen komen gewoonlijk vooral aan de oppervlakte bij ambitieuze persoonlijkheden die zich binnen dezelfde maatschappelijke groep (klasse) bevinden.
In dit geval buitten die Judaïsten - gedreven door de oude partijgeest - de situatie uit door in hun onderwijs de Messias te interpreteren volgens de oude joodse denkbeelden.


Met opzet probeerden zij daarmee Paulus’ gevangenschap te verzwaren, want zij wisten maar al te goed hoezeer hij gekant was tegen zulke leringen. Ongetwijfeld zou hij erover horen, maar machteloos als hij nu was wegens zijn ketenen, kon hij er niets tegen ondernemen. Daar waar de geest krachtig werkzaam is, mogen we ook de werkzaamheid van de vijand verwachten; dit is vanaf de vroegste tijden van het Evangelie te zien geweest!


τι γαρ; πλην οτι παντι τροπω, ειτε προφασει ειτε αληθεια, Χριστος καταγγελλεται, και εν τουτω χαιρω·

18a
Want wat is het geval? Behalve dat op elke wijze, hetzij in schijn, hetzij in waarheid, [de] Messias wordt verkondigd, en daarin verheug ik mij.

Dat sommige predikers de apostel ongunstig gezind zijn, doet geen afbreuk aan Paulus’ goddelijke vreugde. Hij weet de situatie te relativeren. Hoe die personen ook gestemd zijn, zij bereiken hun doel niet; het enige wat telt is dat er bekendheid wordt gegeven aan de Messias.
Maar door hun verkondiging te kwalificeren als plaats vindend
in schijn, velt hij wel een (ongunstig) oordeel over hun beweegredenen; die zijn niet oprecht.


Waarschijnlijk mogen we hieraan de conclusie verbinden dat zij bijgevolg ook schijnchristenen waren; zoals Paulus eerder over anderen van hun slag had gesproken in de Galatenbrief:
de heimelijk binnengevoerde schijnbroeders, die heimelijk binnenkwamen om onze vrijheid die wij in Messias Jezus bezitten, te bespieden, met de bedoeling ons aan slavernij te onderwerpen (Gl 2:4).

αλλα και χαρησομαι, οιδα γαρ οτι τουτο μοι αποβησεται εις σωτηριαν δια της υμων δεησεως και επιχορηγιας του πνευματος Ιησου Χριστου, κατα την αποκαραδοκιαν και ελπιδα μου οτι εν ουδενι αισχυνθησομαι, αλλ εν παση παρρησια ως παντοτε και νυν μεγαλυνθησεται Χριστος εν τω σωματι μου, ειτε δια ζωης ειτε δια θανατου

18b-20 Maar ik zal mij ook blijven verheugen, want ik weet dat dit voor mij op redding zal uitlopen door jullie smeekbede en de bijstand van de geest van Jezus Messias, overeenkomstig mijn vurige verwachting en hoop dat ik in niets beschaamd zal worden, maar in alle vrijmoedigheid, zoals altijd, ook nu [de] Messias wordt groot gemaakt in mijn lichaam, hetzij door leven, hetzij door dood.

Paulus keert terug naar zijn huidige situatie, verkerend in ketenen en in afwachting van zijn proces. Hoe de afloop daarvan ook mag zijn, en hoe de uiterlijke gebeurtenissen zich ook mogen ontwikkelen, in zijn vurige verwachting en hoop zal hij niet beschaamd worden; redding zal zijn deel zijn. En dat vormt de grondslag van zijn vreugde.
Ook zelf is hij volkomen overtuigd van de waarheid van vers 6: het goede werk dat God in hem is begonnen zal Deze feilloos tot een goed einde brengen tot op de Dag van Messias Jezus.


Bovendien steunt hij niet op eigen kracht; naast zijn onvoorwaardelijk vertrouwen in God, weet hij zich ook gesterkt door de smeekbeden van zijn broeders in Filippi en de bijstand van de geest van zijn Heer.
Zoals ook het geval is in Hn 16:7 en Rm 8:9, wordt de heilige geest hier aangeduid als
de geest van Jezus, de Messias. Hij wordt immers door de verheerlijkte Messias als de voorzegde Helper gezonden om zijn leerlingen op aarde bij te staan (Jh 14:26; 15:26; 16:13-14).

Het gebed van gelovige broeders en de bijstand van de heilige geest zijn voor alle leden van de Gemeente derhalve van grote waarde. Daardoor kunnen wij als Paulus vol van vertrouwen zijn dat wij tot het einde toe standvastig zullen blijven, getrouw jegens God en zijn Zoon, onze Heer.
Op dat ogenblik verkeerde de apostel lichamelijk in gevaar het leven erbij in te schieten. Maar of dat nu wel of niet het geval zou zijn, hij hechtte maar aan één ding waarde: onder alle omstandigheden in zijn lichaam [of: in zijn persoon] de Messias groot te maken, en dat met alle vrijmoedigheid van handelen en spreken.
Dat hij daarmee niet op zijn lichaam van vlees steunde, noch op welke andere vleselijke situatie dan ook, zal blijken uit Fp 3:3-4.

3. Zijn vooruitzichten (1:21-26)


εμοι γαρ το ζην Χριστος και το αποθανειν κερδος. ει δε το ζην εν σαρκι τουτο μοι καρπος εργου· και τι αιρησομαι ου γνωριζω.

21-22 Want het leven is voor mij [de] Messias en het sterven winst. Maar moet ik verder leven in [het] vlees, betekent dat voor mij vruchtbare arbeid, en wat ik zal kiezen, maak ik niet bekend.

Zoals het geval is in vers 20 voorziet Paulus ook hier twee mogelijke uitkomsten van zijn naderend proces. Maar hoe de afloop ook zal zijn, door beide wil hij de Messias groot maken, want inhoud en doel van zijn leven is die Zoon van God.
Voor de natuurlijke mens mag de waarde van het bestaan gelegen zijn in allerlei aardse zaken, voor de apostel is het enige levensdoel zijn Heer, Messias Jezus. Voor iets anders leven heeft voor hem geen zin. Dat geldt ook voor het geval dat hij in vrijheid gesteld mocht worden; dan zou hij zijn apostolische arbeid voor de zaak van hem weer oppakken, in de stellige verwachting gezegend te worden met goede resultaten.

Maar mocht hij terechtgesteld worden - wat onder de willekeur van de wrede Nero zeer wel mogelijk was - dan zou dat voor hem persoonlijk alleen maar winst zijn; dat zou hem immers dichter tot zijn Heer brengen. Hijzelf zou dan wel ‘naakt’ in het graf liggen, maar zijn volgende bewuste moment zou de ervaring van de Opname zijn,
overkleed met de woning die uit de hemel is.

Vergelijk 2Ko 5:1-5 en Lk 23:43 (In het Paradijs).


Hoewel zijn persoonlijke keuze hieruit eigenlijk al kan worden afgeleid, zal hij, teneinde zijn lezers niet te kwetsen, toch geen bekendheid geven aan datgene waarvoor hij opteert. Want mocht God een verder leven hier op aarde voor hem bestemd hebben, dan zou hij opnieuw in levende lijve bij zijn geliefde Filippenzen kunnen zijn. Zie vers 26.


συνεχομαι δε εκ των δυο, την επιθυμιαν εχων εις το αναλυσαι και συν Χριστω ειναι, πολλω [γαρ] μαλλον κρεισσον· το δε επιμενειν [εν] τη σαρκι αναγκαιοτερον δι υμας.

23-24 Maar ik word van beide kanten gedrongen: het verlangen hebbend naar het heengaan en tezamen met [de] Messias te zijn, want dat is verreweg het beste; maar het blijven in het vlees is meer nodig omwille van jullie.

Want dat is verreweg het beste…
Paulus kan zich niets groters voorstellen dan zijn intrek te nemen bij de Heer, zoals hij al eerder in de Tweede Korinthebrief had geformuleerd.
Ook daarin had hij reeds gezinspeeld op die uitkomst, wanneer zijn aardse tent in elkaar zou storten; d.i wanneer hij zou sterven. Want ook dat zou slechts ‘winst’ opleveren, namelijk een gebouw van God, een niet met handen gemaakt eeuwig huis in de hemelen; d.i. de verandering tot de hemelse natuur (2Ko 5:1-10; 1Ko 15:51-52).

Uiteraard wist de apostel heel goed dat dit pas bij de paroesie zou gebeuren, of, zoals hij aan de Korinthiërs schreef: bij de laatste trompet:
want de trompet zal klinken en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.
Tot aan die tijd zou hij, zonder enig bewustzijn van tijd, in het graf liggen; naakt; ontkleed, d,i. zonder enig lichaam (2Ko 5:3-4).
Toen hoopte hij er kennelijke nog op de paroesie levend mee te maken, maar onder de huidige omstandigheden te Rome heeft hij blijkbaar van die hoop afstand gedaan.

Ongeveer drie jaar hierna, bij zijn tweede gevangenschap, toen hij al wist dat die met zijn dood zou eindigen, gaf hij eveneens te kennen dat de Heer, de rechtvaardige Rechter, hem de kroon der rechtvaardigheid zou doen toekomen op die Dag; d.i. bij de paroesie, wanneer de Heer zich weer zal manifesteren (2Tm 4:6-8).
Maar voor hen die in de dood slapen, staat de klok volkomen stil, zoals ook Jezus zelf aan de rover duidelijk maakte die hem in hun beider doodsuur verzocht:
Jezus, denk aan mij wanneer je in je koninkrijk bent gekomen. Omdat zij nog diezelfde dag zouden sterven, kon Jezus hem antwoorden: Voorwaar,ik zeg je, vandaag zul jij met mij in het paradijs zijn (Lk 23:43).

και τουτο πεποιθως οιδα οτι μενω και παραμενω πασιν υμιν εις την υμων προκοπην και χαραν της πιστεως, ινα το καυχημα υμων περισσευη εν Χριστω Ιησου εν εμοι δια της εμης παρουσιας παλιν προς υμας.

25-26 En in dit vertrouwen weet ik dat ik zal blijven en bij jullie allen zal verblijven tot jullie vooruitgang en vreugde van het geloof; opdat jullie [reden tot] roemen overvloedig mag zijn in Messias Jezus in verband met mij, door mijn tegenwoordigheid wederom bij jullie.

Toch spreekt Paulus hier zijn vertrouwen uit dat het Gods wil is dat zijn voortleven noodzakelijk is en ook dat hij opnieuw enige tijd te midden van zijn broeders te Filippi zal doorbrengen, tot hun geestelijke vooruitgang.
Niet dat zij hem volstrekt niet konden missen. Maar gelet op het feit dat de apostel door de Heer op een bijzondere en geheel unieke wijze werd gebruikt, zou zijn persoonlijke aanwezigheid bij hen [letterlijk:
de paroesie van mij] ongetwijfeld een impuls geven aan hun gemeenteleven en hun blijdschap in het geloof vernieuwen.
En zoals zij voorheen reden hadden om Messias Jezus te verheerlijken omdat hij Paulus naar hen toe geleid had om hun het Evangelie te brengen, zouden zij dat bij een hernieuwd verblijf opnieuw hebben, te meer omdat daaruit zou blijken dat hun gebeden waren verhoord (vers 19).

B. Vermaning en voorbeelden (1:27 – 2:30)

 

1. Moedig weerstand bieden aan vijandigheid (1:27-30)

 

Μονον αξιως του ευαγγελιου του Χριστου πολιτευεσθε, ινα ειτε ελθων και ιδων υμας ειτε απων ακουω τα περι υμων, οτι στηκετε εν ενι πνευματι, μια ψυχη συναθλουντες τη πιστει του ευαγγελιου, και μη πτυρομενοι εν μηδενι υπο των αντικειμενων, ητις εστιν αυτοις ενδειξις απωλειας, υμων δε σωτηριας, και τουτο απο θεου·


27-28 Alleen, leeft als burgers het Evangelie van de Messias waardig, opdat, hetzij ik zou komen en jullie zien, hetzij ik afwezig ben, over de dingen aangaande jullie mag horen dat jullie vaststaan in één geest, één van ziel eendrachtig strijdend voor het geloof van het Evangelie, en je in niets door de tegenstanders laat verschrikken, hetwelk voor hen een aanwijzing is van ondergang, maar van jullie redding; en dit vanwege God.

In zijn aanmoediging tot een levenswandel die gepast is voor mensen die vanuit het Evangelie leven, maakt de apostel gebruik van het werkwoord πολιτευομαι dat duidt op de burgerplicht vervullen, iets wat de bewoners van Filippi moest aanspreken. Aangezien de stad tot een Romeinse kolonie was verheven bezaten de inwoners ook het Romeinse burgerschap, waaraan niet alleen plichten maar ook bepaalde voordelen waren verbonden. Paulus zelf bezat het Romeinse burgerschap en liet zich eens in een kritieke situatie daarop voorstaan (Hn 22:25-29).
Christenen daarentegen zijn, waar zij ook woonachtig zijn, hemelburgers die -  krachtens het Evangelie -
overgezet zijn in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde (Ks 1:13).

In Fp 3:20-21 zal Paulus daar nogmaals naar verwijzen: 

Ons burgerschap bestaat in de hemelen, van waaruit wij ook vurig een redder verwachten, Heer Jezus Messias, die het lichaam van onze vernedering van gedaante zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, overeenkomstig de werking dat hij in staat is ook alle dingen aan zich te onderwerpen.
 

Onze levenswandel moet vanzelfsprekend aan die nieuwe situatie beantwoorden. Hoe uit zich dat in de praktijk?
Paulus’ antwoord luidt:
Vaststaan in één geest, één van ziel eendrachtig strijdend voor het geloof van het Evangelie.
Van de zijde van hun heidense tegenstanders hadden de Filippenzen veel moeilijkheden te verduren. Maar omdat zij allen het nieuwe levensbeginsel van de geest in zichzelf hadden ontvangen, konden zij op die gemeenschappelijke basis een religieuze eenheid zijn en naar buiten toe een eendrachtige gezindheid demonstreren.

Slechts op die wijze konden zij een geestelijk bolwerk vormen tegen de vijand die eropuit is hen te intimideren en wel zodanig dat zij zich schrik zouden kunnen laten aanjagen.
De apostel gebruikt een oud Grieks werkwoord
πτυρω, waarmee de schichtige reactie van een paard werd getekend. Christenen moeten zich voor zulke angstige schrikreacties hoeden; daarvoor is in het geheel geen reden. Hun geestelijke eenheid zal hen daarin behulpzaam zijn, zozeer zelfs dat juist de tegenstanders geïntimideerd worden.


Wanneer die namelijk getuige zijn van de christelijke eensgezindheid; dat die burgers van het hemelrijk vaststaan in hun geloof en zich door niets uit het veld laten slaan, krijgen zij door Gods beschikking de indruk dat hun zaak verloren is. Innerlijk ontstaat bij hen een overheersend gevoel van onmacht en nederlaag.
Maar dat niet alleen, van Godswege krijgen zij daarnaast ook de aanwijzing dat de christenen zullen zegevieren en inderdaad zullen ervaren wat hun in het Evangelie wordt toegezegd: redding.

Van welk groot en praktisch belang is het derhalve dat christenen eensgezind zijn,
tezamen strijdend voor het geloof. Paulus gebruikt een werkwoord [συναθλεω] waarin de gedachte ligt opgesloten van een atleet die op de Spelen met iemand anders strijdt.
Wanneer twee elkaar bestrijdende partijen met een gemeenschappelijke vijand worden geconfronteerd, zien we vaak dat die twee onderling vrede sluiten teneinde samen sterk te staan tegenover de derde. Maar niet zodra is de gezamenlijke vijand verslagen, of zij vallen terug in hun oude geschillen.


Bij hen die menen christenen te zijn is het vaak nog erger, zij blijven óók bij een gemeenschappelijke vijand - de wereld - elkáár bestrijden.
Zulke personen dienen te bedenken dat, als de vijand ziet dat het hun aan elke christelijke saamhorigheid ontbreekt, deze moed zal vatten. God zal het niet zo beschikken dat de vijand zich onmachtig voelt en ontdekt dat hij voor een verloren zaak strijdt.

Overigens zullen we als gelovigen alleen maar als een eenheid naar buiten kunnen optreden als we echt naar binnen toe één zijn; als we eensgezind zijn in onze onderlinge omgang met elkaar. Dat betekent dat we als gelovigen moeten leren respect en hoogachting voor elkaar te hebben. We moeten niet zó met eigen zaken bezig zijn, dat we de zaken van anderen over het hoofd zien. Liefdeloosheid en egoïsme zijn in alle tijden een grote hindernis voor eensgezindheid gebleken.

 Mogen we daarom gericht zijn op het welzijn van onze medegelovigen. In de volgende perikoop zullen we zien dat de apostel juist die conclusies verbindt aan de vermaningen die hij hier heeft laten horen.

οτι υμιν εχαρισθη το υπερ Χριστου, ου μονον το εις αυτον πιστευειν αλλα και το υπερ αυτου πασχειν, τον αυτον αγωνα εχοντες οιον ειδετε εν εμοι και νυν ακουετε εν εμοι.

29-30 Want voor de zaak van [de] Messias is het jullie goedgunstig gegeven niet alleen in hem te geloven, maar ook voor hem te lijden, dezelfde worsteling hebbend als jullie in mij hebben gezien en nu in mijn geval horen.

Ook wanneer God de loop der gebeurtenissen zodanig leidt dat tegenstanders een machteloos gevoel bekruipt, houdt dat nog niet in dat christenen lijden bespaard blijft. In Gods kracht een geestelijke strijd voeren en daarbij lijden ondergaan zijn dingen die samengaan. Want het Evangelie bezit een kracht en invloed die mensen niet zelden bewust maakt van eventueel onrechtvaardig handelen. Het Woord wijst hen terecht en roept hen op hun heil niet langer bij zichzelf te zoeken of bij de instituties van deze wereld.

Maar zulke signalen worden vaak verkeerd geduid en roepen in plaats van belangstelling juist verzet op. Daarom betekent geloven tevens lijden.
Welnu, in zijn goedgunstigheid heeft God het zó beschikt; de zaak van de Messias brengt dat met zich mee. Wie werkelijk één met Jezus wil blijven, kan verwachten dat hij het zwaar te verduren zal krijgen van de zijde van mensen die hem tegenstaan, ja, soms bewust haten. Hoe wij tegen lijden moeten aankijken wordt ons in Hb 5:8-9 in verband met de Messias zelf getoond:

Hoewel
hij zoon was, leerde hij de gehoorzaamheid uit de dingen die hij leed; en tot volmaaktheid gebracht werd hij voor allen die hem gehoorzamen oorzaak van eeuwige redding.

Lijden maakte Jezus derhalve volkomen geschikt om in het Messiaanse koninkrijk koning-hogepriester te zijn. Zoals ook in Hb 2:17-18 te kennen wordt gegeven.

De zelfde worsteling hebbend als jullie in mij hebben gezien en nu in mijn geval horen.
Toen de apostel in hun midden was om hun het Evangelie te brengen, werden de nieuwe gelovigen te Filippi vrijwel meteen getuigen van zijn strijd en lijden.
Zie hoofdstuk 16 van de Handelingen, vanaf vers 11.
Later bereikten hen allerlei berichten dat hij ook elders, vooral in Jeruzalem, te Cesarea en in Rome veel had moeten lijden voor de zaak van de Messias.

Filippenzen 2

2. Onderlinge liefde bepleit (2:1-4)


Ει τις ουν παρακλησις εν Χριστω, ει τι παραμυθιον αγαπης, ει τις κοινωνια πνευματος, ει τις σπλαγχνα και οικτιρμοι, πληρωσατε μου την χαραν ινα το αυτο φρονητε, την αυτην αγαπην εχοντες, συμψυχοι, το εν φρονουντες,

1-2 Indien dan enige bemoediging in [de] Messias; indien enige vertroosting der liefde; indien enige gemeenschap van de geest; indien enige tedere genegenheden en [uitingen van] mededogen; maakt dan mijn vreugde volledig dat jullie hetzelfde bedenken, dezelfde liefde hebbend, in ziel verenigd, het ene bedenkend,

Met een opeenhoping van termen geeft de apostel uiting aan zijn gemoedstoestand, blijkbaar met de bedoeling om zijn vermaning van 1:27 kracht bij te zetten: de Filippenzen moeten vaststaan in één geest, één van ziel eendrachtig strijdend voor het geloof van het Evangelie.
Ook valt het op dat Paulus het werkwoord inslikt. We zouden kunnen aanvullen: Indien deze dingen bestaan en voor jullie waarde hebben…; dus niet alleen hijzelf jegens hen, maar vooral ook zij ten aanzien van hem, in dat geval kunnen zij zijn vreugde volledig maken.


In de inleiding, in 1:4, had hij reeds vermeld dat hij zijn smeekbede tot God ten behoeve van hen
met vreugde opzond. Maar nu kunnen zij zijn vreugde volledig maken [letterlijk: vullen of vol maken, van een beker; vergelijk Ps 23:5] door eendrachtig te zijn in denken, in liefde, in verlangen.

μηδεν κατ εριθειαν μηδε κατα κενοδοξιαν, αλλα τη ταπεινοφροσυνη αλληλους ηγουμενοι υπερεχοντας εαυτων, μη τα εαυτων εκαστος σκοπουντες, αλλα [και] τα ετερων εκαστοι.

3-4 niets uit twistgierigheid, noch uit ijdele roemzucht, maar elkaar met een nederige gezindheid uitnemender achtend dan zichzelf; terwijl ieder van jullie niet de eigen belangen op het oog heeft, maar iedereen ook die van anderen.

De apostel is zich ervan bewust dat niet alleen in Rome, maar ook overal elders in de gemeenten, partijzucht en persoonlijke ambitie gemakkelijk de kop kunnen opsteken, met funeste gevolgen. Het eensgezinde denken en handelen - waarvan zulk een verpletterende kracht van Godswege kan uitgaan richting de haatdragende tegenstanders - wordt er compleet door tenietgedaan. Vergelijk 1:17, 27-28.

Om zulke toestanden te vermijden is ware liefde en nederigheid nodig.
De apostel spreekt over
ταπεινοφροσυνη, wat doelt op het op een nederige wijze denken over zichzelf. Ware ootmoed dus, welke gevoed wordt door het besef van eigen geringheid en volkomen afhankelijkheid van de weergaloos grote God.
Dan is er geen sprake van ijdele, lege roemzucht, helemaal gericht op eigen belangrijkheid, maar veeleer van het hoogachten van de ander; van wederzijds respect. Dat zou pas
ware vooruitgang en vreugde van het geloof betekenen (1:25).

Een christen mag zeer zeker goed in het oog houden wat tot zijn eigen geestelijk belang dient, mits het niet in botsing komt met dat van anderen. Meer nog, ware liefde brengt hem er ook toe om oog te hebben voor de dingen die kunnen bijdragen tot de goede geestelijke verhouding die anderen, vooral zijn broeders, jegens God en zijn Zoon hebben.
Om zulk een voortreffelijke gezindheid te ontwikkelen is er, behalve liefde, ook een goed inzicht nodig; ondermeer dat men inziet welke slechte vruchten de geest van de wereld, waar eigenbelang helemaal voorop staat, voortbrengt (1Ko 2:12; Ef 2:1-3; 1Jh 2:15-17).


3. De gezindheid van de Messias (2:5-11)


τουτο φρονειτε εν υμιν ο και εν Χριστω Ιησου, ος εν μορφη θεου υπαρχων ουχ αρπαγμον ηγησατο το ειναι ισα θεω, αλλα εαυτον εκενωσεν μορφην δουλου λαβων, εν ομοιωματι ανθρωπων γενομενος· και σχηματι ευρεθεις ως ανθρωπος εταπεινωσεν εαυτον γενομενος υπηκοος μεχρι θανατου, θανατου δε σταυρου.

5-8 Laat die denkwijze in jullie zijn welke ook in Messias Jezus [was], die, bestaande in gestalte Gods, geen roof overwoog gelijk te zijn aan God, maar zichzelf ontledigde, gestalte van een slaaf aangenomen hebbend, geworden in gelijkheid der mensen. En in uiterlijk als mens bevonden, zichzelf vernederde, gehoorzaam geworden tot de dood, ja, de dood der martelpaal.

Hoewel dit deel van de Brief in theologisch opzicht zeker het belangrijkste is, moeten we het in de eerste plaats toch zien in het licht van wat direct vooraf is gegaan. De apostel is eropuit de Messias te presenteren als het voorbeeld bij uitstek van nederige dienstbaarheid, iemand die nimmer aan eigen belang dacht maar juist dat van anderen zocht.
In plaats dat hij ambitieus zinde op een nog hogere positie dan waarin hij in zijn pre-existentie reeds verkeerde - een bestaan in heerlijkheid naast God als diens evenbeeld - toonde hij zijn nederige gezindheid in de bereidheid zich van al die goddelijke heerlijkheid te ontdoen teneinde dienstbaar te worden aan een verloren mensheid op aarde (Jh 17:5).

Terwijl de Satan in de Hof van Eden God trachtte te beroven van zijn positie als de Allerhoogste, aan wie alleen gehoorzame aanbidding toekomt, en ook het eerste mensenpaar zich liet verleiden om gelijk aan God te willen zijn, heeft de voormenselijke Jezus zelfs nooit zulk een gedachte bij zich laten opkomen. Vergelijk Js 14:12-14 en Ez 28:11-15. Zie ook Gn 3:5-6.


Hoewel alle dingen niet alleen door hem, maar ook tot hem zijn geschapen, dat wil zeggen als erfenis voor hem bestemd, heeft hij de gedachte om dan ook maar de positie van God over te nemen als weerzinwekkend verworpen (Ks 1:15-17;

Rm 8:17; Hb 1:3).

Zeker,
hijzelf heeft in alle dingen de voorrang gekregen, omdat het heel de Volheid goeddacht in hem te wonen. Tegelijkertijd is hij er diep van doordrongen dat dit alles in Gods oorspronkelijke voornemen met hem bedoeld is om door hem alle dingen geheel tot hem te verzoenen, vrede gemaakt hebbend door het bloed van zijn martelpaal, door hem, hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen (Ef 3:11; Ks 1:15-20).

Uit de verwijzingen naar de Efeze- en Kolossenzen Brieven, die enige tijd aan het schrijven van de Filippenzenbrief voorafgingen, kunnen wij concluderen dat Paulus hier geen nieuwe details toevoegt wat betreft de positie die de Zoon in zijn voormenselijk bestaan bij God innam.
Wat aanvullend is zijn de dingen die de apostel hier onthult omtrent het denken van die Zoon: zijn nederige gezindheid, zijn bereidheid om zijn hemelse heerlijkheid als co-schepper af te leggen teneinde de slaafgestalte op aarde aan te nemen. Dat wil zeggen: zich te schikken in de situatie die kenmerkend is voor de mens, een geheel van God afhankelijk en gebonden wezen.
Paulus had dit onder verlichting van de geest al eerder gesignaleerd:


Jullie kennen immers de liefderijke gunst van onze Heer Jezus Messias, dat hij omwille van jullie arm werd, terwijl hij rijk was, opdat jullie door diens armoede rijk zouden worden.
(2Ko 8:9)

De hemelse hoven verlaten en daarmee het genieten van de vertrouwelijke omgang met God opgeven, was op zichzelf al een buitengewone liefdedaad, maar de Zoon ging nog verder in zijn bereidheid zich geheel weg te cijferen: vervolgens werd hij ook gehoorzaam tot de dood, ja, de dood der martelpaal.

διο και ο θεος αυτον υπερυψωσεν και εχαρισατο αυτω το ονομα το υπερ παν ονομα, ινα εν τω ονοματι Ιησου παν γονυ καμψη επουρανιων και επιγειων και καταχθονιων, και πασα γλωσσα εξομολογησηται οτι κυριος Ιησους Χριστος εις δοξαν θεου πατρος.

 
9-11 Daarom ook verhief God hem hoog en gaf hem goedgunstig de naam die boven elke naam is, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zou buigen van hen die in de hemel en van hen die op de aarde en van hen die onderaards zijn, en elke tong openlijk zou belijden: Jezus Messias is Heer, tot heerlijkheid van God de Vader.

Daarom ook verhief God hem hoog…
De grenzeloze vernedering van zijn Zoon is voor God aanleiding geworden hem ook uitermate te verhogen.
Op de avond voor zijn dood, toen hij op aarde Gods werk voor hem had voleindigd, had de Zoon de Vader gesmeekt hem opnieuw naast Zichzelf te verheerlijken met de heerlijkheid die hij naast hem had genoten in zijn pre-existentie (Jh 17:4-5).

 

Maar God ging verder dan dit verzoek; hij kende zijn Zoon in zijn gunst een nieuwe positie, of waardigheid (naam) toe, welke verheven zou zijn boven de waardigheid van wie maar ook. Voortaan zouden al Gods schepselen in hun verhouding tot en benadering van de Vader de Zoon als hun Heer moeten erkennen. Slechts op die basis zouden zij tot Gods heerlijkheid kunnen strekken.
Uit Op 5:11-14 kunnen we de conclusie trekken dat de hemel dit precies zo begrepen heeft:


En ik zag en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon en de Levende wezens en de Oudsten, en hun aantal was myriaden van myriaden en duizenden van duizenden, zeggend met een luide stem: Het Lam dat geslacht is, is waardig de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging te ontvangen. En al het geschapene dat in de hemel en op de aarde en beneden de aarde en op de zee is, en alle dingen in hen, hoorde ik zeggen: Aan hem die op de troon is gezeten en aan het Lam [zij] de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid. En de vier Levende wezens zeiden: Amen; en de Oudsten vielen neer en brachten hulde.

Tijdens zijn dienst op aarde bleek Jezus reeds met die bedoeling van de Vader bekend te zijn. Blijkbaar was dit vanaf het prilste begin een belangrijk aspect van diens voornemen met zijn Eniggeboren Zoon:

Jullie hebben nu verdriet, maar ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn, en niemand zal je je vreugde afnemen. Dan hoeven jullie mij niets meer te vragen. Maar ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volmaakt zijn.
(Jh 16:22-24; nbv)

En van hen die onderaards zijn…
Onder verlichting van de geest ziet de apostel reeds vooruit naar de algemene opstanding.
Ook alle opgewekte doden die in het Millenniumkoninkrijk voor de Grote Witte Troon verschijnen,
de groten en de kleinen - mensen van alle rangen en standen waaruit de wereldbevolking eens bestond - zullen de positie van de Zoon moeten erkennen. Alleen op die basis kan hun opstanding tot blijvend leven leiden en zullen hun namen worden bijgeschreven in de boekrol des levens (Op 20:11-15).
Eerder had de apostel in Rm 14:9 dienaangaande geschreven:


Want daartoe stierf [de] Messias en kwam hij tot leven, dat hij zowel over doden als levenden Heer zou zijn.


4. De gezindheid van de Messias ten toon spreiden (2:12-18)

Ωστε, αγαπητοι μου, καθως παντοτε υπηκουσατε, μη ως εν τη παρουσια μου μονον αλλα νυν πολλω μαλλον εν τη απουσια μου, μετα φοβου και τρομου την εαυτων σωτηριαν κατεργαζεσθε· θεος γαρ εστιν ο ενεργων εν υμιν και το θελειν και το ενεργειν υπερ της ευδοκιας. παντα ποιειτε χωρις γογγυσμων και διαλογισμων,

12-14 Welnu dan, mijn geliefden, gelijk jullie altijd gehoorzaamden, niet alleen zoals in mijn aanwezigheid, maar nu des te meer in mijn afwezigheid, bewerkt met vrees en beven de eigen redding; want het is God die in jullie werkt, zowel het willen als het werken, omwille van het welbehagen. Doet alles zonder morren en afwegingen,

De apostel gaat ertoe over conclusies te verbinden aan al wat voorafging vanaf Fp 1:27, waar hij reeds begonnen was zijn lezers te vermanen tot het volgen van een levenswandel die voor hemelburgers van het koninkrijk Gods passend is. Dat Paulus ook zelf terugdenkt aan dat deel van zijn Brief, blijkt uit het feit dat hij opnieuw melding maakt van zijn aan-, respectievelijk zijn afwezigheid.
Wat hij aan de Filippenzen wil overbrengen is de gedachte dat het feitelijk geen verschil dient te maken of hij bij hen in persoon tegenwoordig is of zich ver van hen vandaan ophoudt. Zowel voorheen als nu is de geest van God in hen werkzaam.

Dat geschiedt op grond van zijn voornemen dat hij reeds in een heel ver verleden in de Messias opvatte, een overallplan waarin hij veel behagen schept (Ef 1:9; 3:11).
Het is namelijk Gods bedoeling voor hen, en vanzelfsprekend voor alle leden van Jezus’ Gemeentelichaam, dat zij binnen de zaak die God in de wereld heeft de voor hen bestemde taak vervullen: hun persoonlijke
deelname aan het Evangelie, wat ondermeer inhoudt het Woord zonder vrees te durven spreken, dat wil zeggen de verkondiging van de Messias. In verband daarmee was God een goed werk in hen begonnen dat hij pas beëindigt wanneer de Dag van de Messias aanbreekt (Fp 1:5-6, 14-17).

God in die taak gehoorzamen zou feitelijk een vanzelfsprekende zaak voor hen moeten zijn, in het geheel niet afhankelijk van Paulus’ verblijf onder hen. Maar nu hij niet in staat is om bij hen te zijn, zou het gemakkelijk kunnen gebeuren dat sommigen onder hen een en ander ter discussie stellen. Als er niet direct een persoon in de buurt is van wie men erkent dat hij opzicht mag uitoefenen, zijn mensen namelijk snel geneigd hun toewijzing met minder ernst en/of toewijding op te vatten.
Weliswaar begrijpelijk, maar toch een verkeerde instelling, zeker voor een christen. Want in hem werkt immers God zelf. Zijn geest in ons bevordert niet alleen het willen arbeiden voor zijn zaak, maar ook het verrichten van die arbeid. Alle eventueel gemopper en het aanvoeren van bedenkingen daarover zou bijgevolg tegen God zelf ingaan en de invloed van zijn geest in ons leven belemmeren.

Dat is niet de manier waarop een christen de eigen redding moet bewerken, dat wil zeggen gewillig samenwerken met onze Vader God die
ons tevoren tot zoonschap voor zichzelf bestemde, door Jezus Messias, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof der heerlijkheid van zijn liefderijke gunst, waarmee hij ons in de Geliefde begunstigde (Ef 1:4-6).

Paulus voelt in het geheel geen sympathie voor een formalistische wijze van geloofsbeleving, waarin mensen niets willen weten van geestelijke vooruitgang door strijd. Dat bleek al uit zijn vermaning in Fp 1:27-30. Hij dringt bij een ieder van ons juist aan op grote inzet en betrokkenheid; vandaar de termen vrees (eerbied; ontzag) en beven (siddering) ten aanzien van de grote God. En niemand anders dan Gods eigen Zoon is daarin ons voorbeeld. Deze ontledigde zichzelf door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden. Vervolgens vernederde hij zich nog dieper en onderwierp zich in gehoorzaamheid aan zijn Vader aan de dood der martelpaal. Wij worden aangemoedigd tot het koesteren van dezelfde gezindheid (Fp 2:5-8).

ινα γενησθε αμεμπτοι και ακεραιοι, τεκνα θεου αμωμα μεσον γενεας σκολιας και διεστραμμενης, εν οις φαινεσθε ως φωστηρες εν κοσμω, λογον ζωης επεχοντες, εις καυχημα εμοι εις ημεραν Χριστου, οτι ουκ εις κενον εδραμον ουδε εις κενον εκοπιασα.

15-16 opdat jullie onberispelijk en ongeschonden mogen worden, onbesproken kinderen van God te midden van een krom en verdraaid geslacht, onder wie jullie schijnen als lichtbronnen in de wereld, acht gevend op het woord des levens, mij een reden tot roem in de dag van [de] Messias, dat ik niet tevergeefs liep, noch tevergeefs me inspande.

Omdat God zelf door zijn geest in ons werkzaam is en daarom feitelijk Degene is die alles tot stand brengt in ons aandeel aan het Evangelie, zou het heel verkeerd zijn een tegendraadse houding aan de dag te leggen (Ef 2:8-10).
Maar de apostel noemt nog een reden om
alles zonder morren en [het maken van] afwegingen te doen: alléén in dat geval zullen wij ons als Gods kinderen gunstig onderscheiden van de bedorvenheid van het ons omringende Heidendom. Weliswaar als mensen die te allen tijde te kampen hebben met de inherente Adamitische natuur, maar die dankzij Gods gunst en de kracht van zijn geest in hun leven, vrij kunnen blijven van alle onzuiverheid, corruptheid en immoraliteit waarvan de scheefgegroeide mensenwereld doortrokken is. Vergelijk Dt 32:4-5.

Slechts ook in die situatie kunnen wij iets betekenen voor de mensen binnen die wereld, doordat wij het licht van het Evangelie naar hen uitstralen. De apostel verwijst naar zulke lichtbronnen als de sterren, die vanwege hun vaste positie aan het firmament de mens ten dienste staan om te midden van duisternis zijn weg te vinden.
Om zelf ook zulke lichtgevers te zijn is het zaak dat wijzelf in de eerste plaats krachtig steunen op het Evangelie. Dat immers heeft levengevende kracht voor allen die geloof stellen in de persoon die daarin centraal staat, Gods Zoon de Messias. We moeten dus nooit eigen ideeën propageren; daarbij zal niemand ook maar enige baat hebben, maar veeleer stevig vasthouden aan wat God spreekt, en anderen behulpzaam zijn hetzelfde te doen. Alleen het Woord des levens is een veilig baken (Mt 5:14).

Paulus ziet, zoals bijvoorbeeld ook het geval is in 1Th 2:19-20, vooruit naar Jezus’ paroesie.
Wanneer wij, Heidenchristenen, gehoor geven aan al zijn vermaning, zal hij, de Heidenapostel, op de Dag van Messias Jezus met grote vreugde kunnen terugzien op al zijn (dikwijls moeizame) arbeid. Zijn lopen en zwoegen zal dan blijken alle moeite waard te zijn geweest.


αλλα ει και σπενδομαι επι τη θυσια και λειτουργια της πιστεως υμων χαιρω και συγχαιρω πασιν υμιν το δε αυτο και υμεις χαιρετε και συγχαιρετε μοι

17-18 Maar zelfs wanneer ik als drankoffer word uitgegoten op het slachtoffer en openbare dienst van jullie geloof, verheug ik mij en verheug ik mij tezamen met jullie allen. Jullie echter evenzo: verheugt je en verheugt je tezamen met mij.

In de vv 14-16 had Paulus zijn leven getekend als een loopbaan van grote inspanningen, ja, van zwoegen ten behoeve van zijn lezers en alle andere christenen die hij had bijgestaan. Maar wanneer als resultaat daarvan zij zich ware kinderen van God zouden betonen, geestelijk licht uitstralend te midden van een verloren mensheid, dan was al zijn gezwoeg de moeite waard gebleken en zou hij bij de paroesie met vreugde kunnen terugblikken op zijn geestelijke strijd.
En een eventuele voortijdige dood door executie, als uitkomst van zijn naderend proces, zou daarin geen verandering brengen.

In dat geval - een gewelddadige dood als gevolg van religieuze verdrukking - mocht hij het vergieten van zijn bloed bezien in het perspectief van de vroegere offerdienst bij de Tabernakel.
In combinatie met de meeste andere offers werden ook de zogeheten drank- of plengoffers aangeboden die in de vorm van wijn op het altaar werden uitgegoten.
In Nm 15:8-11 (wv78) lezen wij daarover het volgende:


Wanneer gij aan Jahwe een rund als brandoffer of als slachtoffer brengt ter vervulling van een gelofte of om een andere reden, dan moet men bij het rund een meeloffer van drie issaron aanbieden, aangemaakt met een halve hin olie en een plengoffer van een halve hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt. Zo moet er gedaan worden bij elke stier, bij elke ram, bij elk stuk kleinvee, schaap of geit.

Bij Paulus wordt het drank- of plengoffer beeldspraak, om uitdrukking te geven aan zijn bereidheid zich volledig ten behoeve van zijn medechristenen te geven. Uit de frase wanneer ik als drankoffer word uitgegoten op het slachtoffer en [de] openbare dienst van jullie geloof wordt gewoonlijk, en niet onterecht, het volgende afgeleid:

Slachtoffer en openbare dienst hebben één gemeenschappelijk artikel, het bepaalde lidwoord τη, dat dus niet vóór openbare dienst wordt herhaald. In het Nederlands leidt dit tot een onregelmatigheid omdat openbare dienst de vereist en niet het zoals bij slachtoffer het geval is.

 

• Bij een eventueel sterven zou Paulus dus als plengoffer uitgegoten worden op zowel het slachtoffer als op de openbare dienst.

Die beide, slachtoffer en openbare dienst, zijn het produkt van jullie geloof, d.i. van het geloof der Filippenzen. Die wijze van toepassing door de apostel brengt met zich mee dat de Filippenzen die twee zaken als een uitdrukking van hun geloof naar het ‘altaar’ brengen om het daarop aan God aan te bieden; een vorm van priesterlijke dienst.

Omdat de twee zo nauw met elkaar verbonden zijn hebben sommige, vrijere Bijbelvertalingen ze tot één term samengevoegd: Maar ook al wordt mijn bloed geplengd bij de offerdienst van uw geloof… (wv).

Aangezien de Filippenzen het geloof en daarmee hun redding door Paulus’ bemiddeling ontvingen, en hij vervolgens (bij zijn overlijden) zijn bloed als een plengoffer op het altaar zou voegen bij de offerdienst van hun geloof, is hij ook degene die in de eerste plaats in de hele situatie optreedt in een priesterlijke hoedanigheid. Hij is dan vooral de tussenpersoon die alles wat zich op het altaar bevindt aan God aanbiedt.

Dit alles in aanmerking genomen is er volgens de apostel dan ook geen reden tot treuren. Bezien vanuit dit verheven perspectief is er veeleer reden om zich te verheugen, de apostel met hen en zij met de apostel.

Een alternatieve opvatting is dat Paulus bij zijn dood als een plengoffer op het altaar gevoegd zou worden bij het slachtoffer dat de Messias zelf bracht, doch ook bij de openbare dienst van jullie geloof, d.i. het slachtoffer van lof dat christenen brengen wanneer zij in geloof uiting geven aan de inhoud van het Evangelie, het pakket van geloofswaarheden omtrent de Messias. Vergelijk Hb 13:10-16.

Aangezien de dierlijke offers typologisch waren voor Jezus’ eigen offer is ook die uitleg niet onwaarschijnlijk.

Hoe dan ook, in beide gevallen gebruikte Paulus het drankoffer als beeldspraak om uitdrukking te geven aan zijn bereidheid zich volledig op te offeren ten behoeve van zijn medechristenen.

 

In een stad als Filippi moet men zeer bekend zijn geweest met de zogenaamde libaties, drankoffers die vrome Hellenen aan een godheid opdroegen. Precies zoals zij een deel van de dieren welke zij voor het eigen levensonderhoud doodden, aan de goden ten offer brachten, plengden zij op dezelfde wijze tot eer van de godheid een gedeelte van de drank waarvan men dronk. Soms vormde de libatie alleen het hele offergebeuren.

De gebeden die men tot de goden richtte alvorens men tot een belangrijke actie overging, bijvoorbeeld bij het uitvaren van een oorlogsvloot, werden vaak ondersteund door afzonderlijke libaties.

Volgens Gn 35:14-15 stortte Jakob een drankoffer uit op de stenen zuil die hij te Bethel oprichtte nadat God persoonlijk daar tot hem had gesproken.

 

Hoewel deze eerste gevangenschap niet met Paulus’ dood is geëindigd, was dat wel het geval toen hij enkele jaren hierna opnieuw gevangen werd gezet. Kort voor zijn dood schreef hij toen aan Timotheüs:

Want ik word reeds als een drankoffer uitgegoten en de [bestemde] tijd van mijn losmaking is aanstaande. De voortreffelijke strijd heb ik gestreden; de wedloop heb ik volbracht; het geloof heb ik bewaard. Voorts ligt voor mij gereed de krans der gerechtigheid, waarmee de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal vergelden; echter niet alleen mij, maar ook allen die zijn manifestatie hebben liefgehad.
(2Tm 4:6-8)

 

5. Aanbeveling van Timotheüs en Epafroditus (2:19-30)


Eλπιζω δε εν κυριω Ιησου Τιμοθεον ταχεως πεμψαι υμιν, ινα καγω ευψυχω γνους τα περι υμων. ουδενα γαρ εχω ισοψυχον οστις γνησιως τα περι υμων μεριμνησει, οι παντες γαρ τα εαυτων ζητουσιν, ου τα Ιησου Χριστου. την δε δοκιμην αυτου γινωσκετε, οτι ως πατρι τεκνον συν εμοι εδουλευσεν εις το ευαγγελιον. τουτον μεν ουν ελπιζω πεμψαι ως αν αφιδω τα περι εμε εξαυτηςπεποιθα δε εν κυριω οτι και αυτος ταχεως ελευσομαι.

 19-24 Maar ik hoop in de Heer Jezus Timotheüs spoedig tot jullie te zenden, opdat ook ik welgemoed mag zijn als ik jullie omstandigheden te weten ben gekomen. Want ik heb niemand van gelijke gezindheid die echt zorg zal dragen voor jullie zaken, want allen zoeken hun eigen belangen, niet die van Jezus Messias. Maar jullie kennen zijn beproefde trouw, dat hij samen met mij in het Evangelie diende, zoals een kind met een vader. Deze hoop ik dus te zenden, zodra ik mijn zaken overzie. Maar ik ben vol vertrouwen in de Heer dat ik ook zelf spoedig zal komen.

Paulus mag dan wel in gevangenschap verkeren, hij zit niet bij de pakken neer. Vol vertrouwen in de Heer maakt hij plannen voor de naaste toekomst, maar hij realiseert zich daarbij ook dat alles afhangt van de manier waarop zijn naderend proces zal verlopen. Pas bij een gunstige afloop zal hij zijn dierbare medewerker Timotheüs naar hen toe zenden. Zijn hoop om dat inderdaad te kunnen doen berust op zijn gemeenschap met de Heer die over de macht beschikt zijn verlangen te verwezenlijken: opgebeurd worden door gunstige berichten vanuit Filippi.

Want ik heb niemand van gelijke gezindheid…
Uit het verband blijkt dat deze visie van de apostel alleen betrekking heeft op degenen die voor de eventuele reis naar Filippi in aanmerking kwamen. Kennelijk was alleen Timotheüs daartoe bereid. Welke verontschuldigingen de anderen van zijn naaste medewerkers hebben aangevoerd, weten wij niet, maar Paulus onderscheidt wel dat zij hun eigen belangen boven de zaak van de Messias stellen.


Waarschijnlijk moeten we in deze kwestie niet denken aan hen van wie de groeten in Ks 4:10-14 werden overgebracht, aangezien

a er aan het einde van de Filippenzenbrief geen namen worden genoemd, en

b omdat we met deze Brief verder in de tijd zijn en genoemde personen kennelijk niet meer in zijn nabijheid verkeren.

Αναγκαιον δε ηγησαμην Επαφροδιτον τον αδελφον και συνεργον και συστρατιωτην μου, υμων δε αποστολον και λειτουργον της χρειας μου, πεμψαι προς υμας, επειδη επιποθων ην παντας υμας, και αδημονων διοτι ηκουσατε οτι ησθενησεν. και γαρ ησθενησεν παραπλησιον θανατωαλλα ο θεος ηλεησεν αυτον, ουκ αυτον δε μονον αλλα και εμε, ινα μη λυπην επι λυπην σχω. σπουδαιοτερως ουν επεμψα αυτον ινα ιδοντες αυτον παλιν χαρητε καγω αλυποτερος ω. προσδεχεσθε ουν αυτον εν κυριω μετα πασης χαρας, και τους τοιουτους εντιμους εχετε, οτι δια το εργον Χριστου μεχρι θανατου ηγγισεν, παραβολευσαμενος τη ψυχη ινα αναπληρωση το υμων υστερημα της προς με λειτουργιας.

25-30 Maar ik achtte het noodzakelijk Epafroditus, mijn broeder en medearbeider en medestrijder, maar jullie afgevaardigde en verzorger van mijn behoefte, naar jullie toe te zenden, aangezien hij verlangend was naar jullie allen en zich zorgen maakte omdat jullie gehoord hadden dat hij ziek was. Want hij is ook ziek geweest, de dood nabij, maar God was hem barmhartig, doch niet alleen hem maar ook mij, opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben. Daarom zond ik hem met des te meer spoed, opdat jullie, als jullie hem weerzien, je moogt verheugen en ik minder bedroefd ben. Ontvangt hem dan in de Heer met alle vreugde en houdt zulke mannen in ere; want wegens het werk van [de] Messias was hij de dood nabij, doordat hij zijn ziel riskeerde om aan te vullen wat aan jullie verzorging jegens mij ontbrak.

Dit verslag over Epafroditus verklaart zichzelf. Een enkele kanttekening wellicht:
Als gezant [letterlijk: apostel] van de gemeente Filippi, was hij naar Rome vertrokken om namens de gemeente Paulus bij te staan. Gezien de situatie waarin deze nu verkeerde - in afwachting van zijn proces overgeplaatst naar het Pretorium voor een striktere vorm van gevangenschap - was zijn missie niet zonder gevaar. Kennelijk heeft hij zijn leven daarbij in de waagschaal gesteld.
Bovendien werd hij tijdens zijn verblijf in Rome ziek, zelfs op de rand van de dood. Toen het thuisfront daarover hoorde informeerden de Filippenzen daarop bezorgd naar hem.

Aangezien Epafroditus kennelijk last had van heimwee deed het hem geen goed te horen dat men zich te Filippi zorgen om hem maakte. Dus achtte Paulus het raadzaam hem direct na zijn herstel terug te sturen; dan kon hij ook meteen deze Brief aan de gemeente overbrengen.
Het valt verder op dat Paulus zorgvuldig formuleert. Er lijkt hem alles aan gelegen te zijn Epafroditus in een zo gunstig mogelijk licht te plaatsen; men zou het misschien vreemd kunnen vinden dat hij eerder terugkeerde dan verwacht was.

 

Maar daarover moest geen misverstand ontstaan: Epafroditus had de apostel voortreffelijk namens hen gediend, als broeder, medearbeider en medestrijder; beslist eretitels. En ook het thuisfront werd aangemoedigd zulke mensen als hij in ere te houden. Met een dergelijke aanbeveling was er dus alle reden Epafroditus hartelijk te verwelkomen, ja, hem te ontvangen in de Heer; dat wil zeggen zoals hun verhouding tot de Heer Jezus Messias dat vorderde.


Filippenzen 3

C. Waarschuwingen tegen dwaling (3:1-21)

1. Waarschuwing tegen de Judaïsten (3:1-3)

Το λοιπον, αδελφοι μου, χαιρετε εν κυριω. τα αυτα γραφειν υμιν εμοι μεν ουκ οκνηρον, υμιν δε ασφαλες. Βλεπετε τους κυνας, βλεπετε τους κακους εργατας, βλεπετε την κατατομην. ημεις γαρ εσμεν η περιτομη, οι πνευματι θεου λατρευοντες και καυχωμενοι εν Χριστω Ιησου και ουκ εν σαρκι πεποιθοτες, καιπερ εγω εχων πεποιθησιν και εν σαρκι.

1-4a Wat het overige betreft, mijn broeders, verheugt je in de Heer. Jullie dezelfde dingen te schrijven is voor mij heus niet vervelend, maar veilig voor jullie. Kijkt uit voor de honden, kijkt uit voor de slechte arbeiders, kijkt uit voor de versnijdenis. Want wij zijn de besnijdenis, die door de geest Gods dienstbaar zijn en roemen in Messias Jezus en niet in vlees vertrouwen stellen, hoewel ik eveneens redenen heb tot vertrouwen in vlees.

Wat het overige betreft…
Dit is een wending waarmee de apostel de Brief schijnt te willen afsluiten. Maar het lijkt er op dat de geest van inspiratie hem ingeeft zijn geliefde Filippenzen eerst nog nog enkele zeer noodzakelijke waarschuwingen mee te geven. Na dat gedaan te hebben gaat hij in 4:8 echt richting slot.
Het dient zijn lezers tot veiligheid dat zij nogmaals herinnerd worden aan de noodzaak om voor de Judaïsten op hun hoede te zijn.
Kennelijk wordt met alle drie kwalificaties - honden, slechte arbeiders, versnijdenis - op hén gedoeld.

In Fp 1:15-17 had hij die (vermeende) Jodenchristenen al in hun bedoelingen ontmaskerd. Te Rome waren zij in de plaatselijke gemeente er nog altijd - op zeer ambitieuze wijze, in oppositie tot de apostel - op uit de opvattingen van het Judaïsme te propageren, met name de noodzaak van de letterlijke besnijdenis in het vlees, daarbij bewust misbruik makend van Paulus’ situatie in gevangenisketens.


Zij gaven voor de Messias te prediken, maar in werkelijkheid waren zij
slechte arbeiders die veel kwaad deden aan het Evangelie. Ook konden zij als honden -gewoonlijk een schimpnaam voor de onreine Heidenen - worden aangemerkt, niet alleen vanwege hun verachtelijke wijze van optreden, maar vooral omdat zij overal Paulus op zijn reizen langs de gemeenten venijnig nablaften; dus hem feitelijk vervolgden.

De Judaïsten hingen zogenaamd het Christendom aan, maar in werkelijkheid deden zij er alles aan om de nieuwe wijn in oude zakken op te bergen (Lk 5:37-39). Hun Christendom was niets anders dan een veredeld Jodendom.
In het bijzonder beroemden zij zich op het besneden zijn naar het vlees, daarmee de traditie van Gods verbond met Abraham voortzettend. Maar in Romeinen, hoofdstuk 4, had Paulus reeds aan de hand van Genesis 15 en 17 uitgelegd dat die besnijdenis slechts waarde heeft als een teken van de inwendige rechtvaardigheid die op geloof berust (Rm 4:1-3, 9-12).

De ware besnijdenis is die van de Messias. In Ks 2:11 had hij eerder in zijn Romeinse gevangenschap daarover geschreven:


In hem ook werden jullie besneden met een besnijdenis niet door handen verricht, in het wegnemen van het vleselijk lichaam, in de besnijdenis van de Messias.

Dit is de ware besnijdenis; de leden van de Gemeente ontvangen ze als eersten. Ze wordt terecht de besnijdenis van de Messias genoemd, want ze berust op Jezus’ plaatsvervangend sterven aan de martelpaal. Door die ‘besnijdenis’ wordt het vleselijk lichaam der zonden weggenomen.
Voor een christen betekent de werkelijkheid van zijn ‘besnijdenis’ dan ook dat zijn onreine, van Adam overgeërfde toestand wordt "weggesneden". Het lichaam der zonde wordt als het ware vernietigd doordat - dankzij de werking van Gods geest - de zondige begeerten niet langer de overhand hebben. Vergelijk ook Rm 6:6.

Vanuit die optiek wordt binnen het Christendom de besnijdenis naar het vlees gedegradeerd tot niets minder dan een verminking van het lichaam - door Paulus verachtelijk aangeduid met de term versnijdenis - zeker wanneer daarop vanuit een godsdienstig motief wordt aangedrongen, zoals de Judaïsten deden. Zij mochten zich dan wel op die besnijdenis beroemen, de ware christen roemt alleen in Messias Jezus, door wie de zeer kostbare ware besnijdenis van het zondige, Adamitische lichaam mogelijk is geworden.

Hoewel ik eveneens redenen heb tot vertrouwen in vlees…
Terwijl de ‘honden’ de versnijdenis zijn, zijn de christenen de besnijdenis, voor hen een reden tot roem in de Messias. Maar zelfs wanneer de Judaïsten zich laten voorstaan op hun achtergrond en de mening zijn toegedaan dat de voorrechten van het vlees die zij krachtens de Mozaïsche wetgeving bezitten, nog stof tot roemen en vertrouwen zouden bieden, dan kan de apostel, zelfs in die situatie, nog meer redenen aanvoeren tot roemen dan zijn blaffende tegenstanders.


2. Paulus: Heden en verleden (3:4-16)


ει τις δοκει αλλος πεποιθεναι εν σαρκι, εγω μαλλονπεριτομη οκταημερος, εκ γενους Ισραηλ, φυλης Βενιαμιν, Εβραιος εξ Εβραιων, κατα νομον Φαρισαιος, κατα ζηλος διωκων την εκκλησιαν, κατα δικαιοσυνην την εν νομω γενομενος αμεμπτος.

4b-6 Indien iemand anders meent in vlees vertrouwen te kunnen stellen, ik nog veel meer: besneden op de achtste dag; uit het geslacht van Israël; van de stam Benjamin; een Hebreeër uit Hebreeën; naar de Wet een Farizeeër; wat ijver betreft vervolgend de Gemeente; wat de rechtvaardigheid betreft die in de Wet is, onberispelijk bevonden.

De apostel stelt zich voor een moment op het standpunt der Judaïsten die zich nog altijd beroemen op hun achtergrond in 'Mozes', met name op hun besnijdenis in de traditie van Abraham. Zelf weet hij beter; in de Hebreeënbrief toont hij immers dat zulk een roemen geheel berust op het vlees en niet op de geest:

Die [de dienst van de Tabernakel] zinnebeeldig [is] voor de tegenwoordige tijd. In overeenstemming daarmee worden zowel gaven als slachtoffers opgedragen, die niet in staat zijn hem die dienst voor God verricht naar [het] geweten tot volmaaktheid te brengen, slechts [bestaande in] spijzen en dranken en verschillende dopen: rechtvaardige voorschriften die op het vlees betrekking hebben, opgelegd tot een tijd van rechtzetting.

(Hb 9:9-10)

Met het aanbreken van het Messiaanse tijdperk was ook de tijd gekomen om de vleselijke inzettingen achter zich te laten en zich te richten op de betere dingen die in de Messias, krachtens zijn dood, beschikbaar waren gekomen.

Niettemin gaat Paulus voor het ogenblik even mee in de denkwijze van zijn tegenstanders die zo trots zijn op hun vleselijke voorrechten. Die voorrechten bezit hij namelijk in nog veel hogere mate dan zij! Hij kan zichzelf nog meer op het vlees beroemen dan wie ook.

Vergelijk dit met zijn 'roemen' in 2Ko 11:2112:5.

De Nieuwe Bijbelvertaling neemt de vrijheid ons tekstgedeelte al uitleggend weer te geven:

Als anderen menen dat te kunnen doen, dan kan ik dat zeker. Ik werd besneden toen ik acht dagen oud was en behoor tot het volk van Israël, tot de stam Benjamin, ik ben een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een Farizeeër en heb de gemeente fanatiek vervolgd. Aan wat er in de wet over gerechtigheid staat, voldeed ik volledig.

Paulus is ook zelf niet alleen besneden, maar dit vond volgens de Wet precies plaats op de daarvoor vereiste achtste dag. Hij was dus een geboren Jood en geen proseliet; ja, meer dan dat: geboortig uit het geslacht der voorvaders, Abraham, Isaäk en Jakob, uit wie de stammen van Israël zijn voortgekomen, waaronder de stam Benjamin.

Een Hebreeër uit Hebreeën…
De apostel had ouders die de kenmerkende hoedanigheden in taal en cultuur hadden behouden en daarom onderscheiden van de Hellenistische Joden (Hn 6:1). De laatsten hadden het Grieks als omgangstaal. Weliswaar was Paulus van Tarsus afkomstig, maar hij kende zowel Grieks als Aramees en Hebreeuws. Zijn ouders waren blijkbaar uit Palestina afkomstig en de familie was niet gehelleniseerd.

Aan de godsdienstige plichten volgens de Mozaïsche wetgeving had hij, behorend tot de sekte der Farizeeën, volledig beantwoord. Hoewel daardoor op zich al streng orthodox gericht, overtrof hij zelfs nog de anderen in religieus fanatisme, door met verbeten ijver de vroeg christelijke Gemeente te vervolgen. Kortom, Paulus kon zich 'beroemen' op een volledige score in het Judaïsme.
Vergelijk Hn 9:1-2; Gl 1:13-14; 1Tm 1:12-13.


[αλλα] ατινα ην μοι κερδη, ταυτα ηγημαι δια τον Χριστον ζημιαν. αλλα μενουνγε και ηγουμαι παντα ζημιαν ειναι δια το υπερεχον της γνωσεως Χριστου Ιησου του κυριου μου, δι ον τα παντα εζημιωθην, και ηγουμαι σκυβαλα ινα Χριστον κερδησω και ευρεθω εν αυτω, μη εχων εμην δικαιοσυνην την εκ νομου αλλα την δια πιστεως Χριστου, την εκ θεου δικαιοσυνην επι τη πιστει,

7-9 Maar alle dingen dan ook welke voor mij tot voordeel waren, die heb ik door toedoen van de Messias schade geacht.
Jazeker, zelfs alle dingen acht ik schade te zijn wegens de uitnemendheid der kennis van Messias Jezus, mijn Heer. Door hem werden alle dingen mij tot schade, en ik acht [ze] als stukken afval opdat ik [de] Messias mag winnen en in hem bevonden mag worden; niet mijn [eigen] rechtvaardigheid hebbend welke uit de Wet voortspruit, maar die door geloof van de Messias, de rechtvaardigheid die uit God is, op basis van het geloof;

Terwijl Paulus voorheen al de genoemde dingen als even zoveel voordelen beschouwde, heeft hij daarop nu een heel andere kijk ontwikkeld. Door toedoen van Jezus heeft hij leren inzien dat ze veeleer tot zijn nadeel waren. Weliswaar verschaften zij hem in het verleden voldoening en aanzien onder zijn volksgenoten - zelfs binnen de joodse Raad werd hij bezien als een topstudent van de gerenommeerde leraar Gamaliël - maar nu onderscheidt hij hoe die zogenaamde voordelen hem schaadden in zijn verhouding tot God (Hn 5:34; 22:3).

De apostel heeft maar één, doch wel zeer uitdrukkelijke wens: bevestigd worden in zijn verhouding tot de Messias, zijn Heer, daarbij niet zijn eigen rechtvaardigheid volgens de Wet zoekend - want daardoor zou hij Messias Jezus juist kwijtraken - maar steunend op de rechtvaardigheid die God toekent aan hen die geloof oefenen in zijn Zoon (Gl 2:15-17).

Daarvoor is hij gaarne bereid de vleselijke 'voordelen' van vroeger naar de vuilnis te verwijzen. Σκυβαλον doelt op de afval van de maaltijd welke men honden toewerpt, maar ook op overig huiselijk afval en zelfs drek, dingen die met walging worden weggeworpen.

Vroeger, in zijn onwetendheid, had hij de overtuiging – welke ook thans nog altijd de overhand heeft binnen het Jodendom - dat de mens door nauwgezette wetsbetrachting zijn eigen rechtvaardigheid kan bewerken, een gerechtigheid derhalve die men zichzelf verwerft en bijgevolg door God alleen nog maar erkend behoeft te worden.
Volgens vers 6 wilde ook de apostel voorheen daarin uitblinken; hij schepte er hoogmoedig behagen in als onberispelijk bezien te worden.


Nu weet hij echter dat de Adamitische erfenis ieder mens in die ambitie hopeloos in de weg staat:
Allen zondigden en komen te kort aan de heerlijkheid Gods, een obstakel die derhalve in het Judaïsme logischerwijs geloochend moet worden.
In hun ongefundeerde hoogmoed wijzen zij de rechtvaardigheid
die uit God is, de gerechtigheid die op basis van geloof in de Messias wordt verkregen, nog altijd af (Rm 3:23-25).

του γνωναι αυτον και την δυναμιν της αναστασεως αυτου και [την] κοινωνιαν [των] παθηματων αυτου, συμμορφιζομενος τω θανατω αυτου,

10 om hem te kennen en de kracht van zijn opstanding en de gemeenschap van al zijn lijden, gelijkvormig gemaakt wordend aan zijn dood;

Om hem te kennen…
Paulus heeft al uiting gegeven aan zijn diepste verlangen: bevonden te worden in de Messias. En nu voegt hij daaraan nog een wens toe: het voortdurende besef dáárvan ondervinden; hem, de Zoon van God, kennen, in de zin van dagelijkse, persoonlijke ervaring.
De apostel noemt drie zaken om aan te geven hoe de toestand van in de Messias zijn, geestelijk wordt ervaren in de dagelijkse praktijk van het leven, t.w.:

(1)
De kracht van zijn opstanding
Wat wil dit zeggen: opstandingskracht? Hoe verschilt ze van andere krachten?
In de Brieven van de apostel is dit leerpunt prominent aanwezig, want hiermee wordt gedoeld op een opgestane Heer die bij ons, gelovigen, inwonend is en ons het nieuwe leven van de geest verleent en daarmee de kracht om aan de uitdagingen van een zondige wereld het hoofd te bieden.

Zoals we op diverse plaatsen lezen: met de Messias gestorven, met hem begraven, met hem opgewekt en levend gemaakt, zodat we voortaan in een nieuwheid des levens zouden wandelen (Rm 6:4-6; Gl 2:20; Ef 2:1, 4-6; Ks 2:12).

Die bijzondere kracht werkt ook in situaties waar alle hoop vervlogen lijkt, iets wat nu juist waar bleek te zijn bij Jezus’ eigen dood. Diep terneergeslagen zeiden de twee van Emmaüs:


Jezus de Nazarener, een man die een profeet werd, krachtig in werk en woord voor God en al het volk, hoe onze overpriesters en leiders hem hebben overgegeven tot een doodvonnis en hem aan een paal hebben gehangen. Wij echter hoopten dat hij degene was die Israël zou verlossen; maar met dit alles is het nu de derde dag sinds deze dingen geschied zijn.
(Lk 24:19-21)

Maar met zijn opstanding veranderde alles; het donkere plaatje maakte plaats voor zonneschijn; wanhoop voor hoopvolle verheuging. Dat is de uitwerking van opstandingskracht!

(2)
De gemeenschap van al zijn lijden
Het nieuwe leven van de geest betekent een breuk met de wereld van Satan en brengt bijgevolg lijden met zich mee; in de praktijk door een verscheidenheid van vormen van verdrukking. Dat is onvermijdelijk het deel van ieder die in de Messias wordt bevonden, d.i. voor buitenstaanders waarneembaar. Vergelijk 1Ko 15:29-32.

De apostel zelf verheugde zich dat hij plaatsvervangend in zijn vlees mocht aanvullen wat nog ontbrak aan de verdrukkingen van [de] Messias ten behoeve van zijn Lichaam, dat is de Gemeente (Ks 1:24).
Als de apostel der Heidenen kreeg Paulus in het roepen van de leden van het Lichaam veel te verduren. Vergelijk 2Ko 4:9-10; 11:21-27.

Het lijden van de Messias was ten goede van anderen. Hetzelfde geldt voor een christen. Wanneer hij deelhebber wordt van al zijn lijden, komt dat doordat hij moeite doet om tot een zegen voor anderen te worden. Zoals ook Petrus schreef:


Mocht gij ook lijden terwille van rechtvaardigheid, gelukkig [zijt gij]… Want [het is] beter, als de wil van God het wil, door goeddoen te lijden dan door kwaaddoen.
(1Pt 3:13, 17)

Een christen is nooit uit op lijden; hij speelt niet graag de martelaar, maar wanneer voor de zaak van de Messias lijden onvermijdelijk is, zal het inzicht dat dit op een praktische wijze een manier is om
hem te kennen, ons helpen nederig te bukken voor de wil van God.

(3)
Gelijkvormig gemaakt wordend aan zijn dood
Het participium staat in de lijdende vorm (passivum) van het praesens, dus in de tegenwoordige, voortdurende tijd.
De apostel laat uitkomen dat wij als christenen in een proces verkeren dat van dag tot dag voortgang vindt; in dit specifieke geval: gelijkvormig gemaakt wordend aan de dood van de Messias.


Toen Jezus plaatsvervangend voor de mensheid stierf, maakte hij daarmee in principe een einde aan het oude leven van zonde dat door Adam aan ons allen is doorgegeven.
Gelijkvormig gemaakt wordend aan zijn dood betekent derhalve dat wij dat feit erkennen en bijgevolg weigeren nog langer voort te gaan in de kenmerkende Adamitische levenswijze.

Leven voor de Adamitische natuur zou alle aantrekkingskracht voor ons verloren moeten hebben, omdat we principieel daarvan bevrijd zijn.
Hem te kennen houdt in dit geval dan ook in volgens onze nieuwe vrijheid te leven; een geheel andere levenswijze dus, waarbij wij de zelfzuchtige, hedonistische manier van leven achter ons hebben gelaten:

Maar wat mij betreft moge het nooit geschieden om in iets anders te roemen dan in de martelpaal van onze Heer Jezus Messias, door wie voor mij [de] wereld aan de paal is gehangen, en ik voor [de] wereld. Want noch besnijdenis is iets noch voorhuid, maar een nieuwe schepping.
(Gl 6:14-15)

ει πως καταντησω εις την εξαναστασιν την εκ νεκρων.

11 of ik, hoe dan ook, de uitopstanding mag bereiken, die welke uit [de] doden is.

Wat is de uitopstanding ?
In het gehele NT, dus ook bij Paulus zelf, verschijnt de term alleen hier.
Het gaat om
αναστασις, het gewone woord voor opstanding, maar nu met de prepositie εξ [uit] als voorvoegsel.
Het betreft daarom een opstanding die ergens uit is, en ter verklaring voegt Paulus er aan toe [letterlijk]:
die welke uit doden is.

Terecht begrijpt men daarom dat de apostel doelt op de Opname van de Gemeente, wanneer de Heer zelf - bij zijn paroesie - van de hemel zal afdalen en eerst de doden in de Messias beveelt op te staan en vervolgens de overgebleven levende christenen, tezamen met hen die zijn opgestaan, in wolken wegrukt, hemzelf tegemoet in de lucht (1Th 4:15-17).

Bij die gebeurtenis zal de hele Gemeente dus betrokken zijn, zij die dood zijn in [de] Messias, waarmee gedoeld wordt op hun speciale verbondenheid met hem. Zij zijn leden van zijn Lichaam, het Christelijke Gemeentelichaam waarvan hij het Hoofd is (Ef 1:22-23). En het was de Vader zelf die hen ‘riep’ tot die specifieke band met zijn Zoon (Rm 8:28-30).

Door die roeping, vanuit een mensheid die principieel in een geestelijk dode toestand verkeert vanwege de overgeërfde zondige Adamitische natuur, kwamen die Lichaamsleden van Jezus tot leven. Zoals door de apostel in Rm 6:1-11 uitvoerig werd uiteengezet zijn ze voor de Vader God levend in Messias Jezus.

 

Vanuit die visie kon de apostel hier schrijven dat zij bij de Opname opstaan vanuit het midden van alle andere mensen die, vanwege hun positie buiten de Christelijke Gemeente, voor God ‘doden’ zijn. Weliswaar zijn zij (nog) niet in het graf afgedaald, maar als geboren Adamieten zijn zij niettemin ‘doden’ in hun onvermijdelijke overtredingen (Rm 4:25; 2Ko 5:19; Ga 3:19). En het zijn juist die overtredingen waarvan Christenen verlost zijn (Ef 1:7-8).


Met name de laatste generatie Christenen, zij die tot op de paroesie in leven zullen zijn gebleven, maar ook allen van de voorafgaande generaties, zullen bijgevolg worden
weggerukt vanuit het midden van een mensenwereld bestaande uit doden… in overtredingen en zonden (Ef 2:1, 5).

Men zou dit nader aldus kunnen preciseren:

Bij de Opname worden allen, de levenden en de doden, weggenomen uit de dodelijke leefomgeving van het huidige wereldbestel, om vervolgens hun intrek te nemen bij de Heer. Zoals de apostel ongeveer vijf jaar daarvoor aan zijn broeders te Korinthe schreef:

 

Want wij weten dat wanneer onze aardse tentwoning ontbonden zou worden, wij een gebouw vanuit God zullen hebben, een niet met handen gemaakte, eeuwige woning in de hemelen… Maar wij zijn vol goede moed en hebben er veeleer een welgevallen in afwezig te zijn, uit het lichaam, en thuis te zijn bij de Heer.

Of: Bij de Heer onze intrek te nemen (2Ko 5:1, 8).

Kortom, volkomen weggenomen vanuit een dodelijk leefmilieu.

 

Paulus koesterde uiteraard de hoop de Opname mee te maken. Over dat toekomstige gebeuren en zijn aanwezigheid daarbij koesterde hij geen twijfels.

Maar zou hij het nog tijdens zijn leven meemaken? Daarover was op het moment van het schrijven van deze Brief niets met zekerheid bekend. Natuurlijk wist hij dat de Opname eerst dan kon plaats vinden wanneer alle uitverkorenen uit de natiën geroepen waren en de Gemeente dus compleet zou zijn. En wat een buitengewoon voorrecht zou het voor hem zijn wanneer hij zijn bediening tot op die dag zou mogen voortzetten! Vergelijk Rm 11:25-27.


Hoe dan ook - hetzij intussen overleden, hetzij nog altijd in leven - de uitopstanding was een zekerheid om zich op te verheugen. Voor Paulus in die mate dat hij bij zulk een vooruitzicht gaarne alle dingen als verlies (nadeel) achtte en toch maar vooral
in de Messias bevonden te worden.

Ουχ οτι ηδη ελαβον η ηδη τετελειωμαι, διωκω δε ει και καταλαβω, εφ ω και κατελημφθην υπο Χριστου [Ιησου]. αδελφοι, εγω εμαυτον ου λογιζομαι κατειληφεναιεν δε, τα μεν οπισω επιλανθανομενος τοις δε εμπροσθεν επεκτεινομενος, κατα σκοπον διωκω εις το βραβειον της ανω κλησεως του θεου εν Χριστω Ιησου

12-14 Niet dat ik reeds ontving, of reeds tot volmaaktheid ben gekomen; maar ik jaag na of ik ook mocht grijpen waarvoor ik ook door Messias Jezus gegrepen werd. Broeders, ik voor mij ben niet van oordeel gegrepen te hebben; doch één ding: de dingen achter mij vergetend, mij daarentegen uitstrekkend naar de dingen vóór mij, ga ik recht op het doel af voor de prijs van Gods omhoog roeping in Messias Jezus.

Paulus heeft alle zogenaamde voorrechten die het Judaïsme hem te bieden had, resoluut van de hand gewezen; alsof het stukken afval waren. Trouwens, alles wat niet strookte met de Messias had hij als schadelijk verworpen. De zelfbewuste toon waarop hij een en ander had beschreven, kon echter een verkeerde indruk bij de lezers wekken. Was hij dan soms al volmaakt; had hij zijn bestemming reeds bereikt?


Om die reden tempert hij nu zijn toon; het ultieme doel - de verwezenlijking van de christelijke roeping bij de Opname - moet nog altijd met ernst nagestreefd worden.
Hijzelf, en ook alle christenen, leiden dan wel het nieuwe leven van de geest, maar doen dat volgens het principe van het onderpand. Weliswaar vormt dat een waarborg dat we de Messias toebehoren, maar zolang we nog in het vlees zijn, leiden wij ons leven in afwachting van de volledige verlossing van het Adamitische organisme (2Ko 1:21-22; Rm 8:23; Ef 1:3, 13-14).

Niet dat ik reeds ontving…
Omdat het werkwoord de aorist heeft, verwijst de apostel naar een bepaald tijdstip in het verleden; kennelijk zinspeelt hij op zijn roeping toen hij vlak vóór Damaskus een confrontatie had met de opgewekte Heer. Die gebeurtenis vormde nog maar het begin van zijn loopbaan. En ook nu is hij nog niet tot volmaaktheid gebracht; het perfectum van het werkwoord tot volmaaktheid komen beschrijft de tegenwoordige toestand.

Zeker, toen, vóór de poorten van Damaskus, heeft de Heer hem gegrepen, maar datgene waarvoor hij gegrepen werd, ligt nog altijd vóór hem.
Mochten anderen, wellicht sommigen onder zijn lezers, daarover anders denken, hijzelf beeldt zich dat geenszins in.
Sommige MSS hebben
ουπω λογιζομαι in plaats van ου λογιζομαι, zoals het geval is met de P46 en de codex Vaticanus.
Kortom, Paulus verbeeldt zich niet dat hij de volledige kracht van Jezus’ opstanding reeds heeft leren kennen; hij weet daarentegen dat hij nog altijd moet voortgaan in
de gemeenschap van al zijn lijden.

Ga ik recht op het doel af voor de prijs van Gods omhoog roeping in Messias Jezus...
Ook hier
διωκω, najagen; nastreven (als in vers 12).
Evenals in 1Ko 9:24-26, vergelijkt de apostel zich ook hier met de atleet die aan een wedloop deelneemt tijdens de Spelen. Wil men de prijs behalen dan moet men niet stilstaan bij de afstand die reeds is afgelegd (de dingen achter), maar zich ook niet bezorgd maken over het nog af te leggen traject (de dingen vóór).
Dus ook door gebruik van die beeldspraak geeft de apostel onomwonden te kennen dat het einddoel nog niet bereikt is: de verwezenlijking van
Gods omhoog roeping.

In Hn 2:19 staat
ανω tegenover κατω: Ik zal wonderen geven in de hemel boven [ανω] en tekenen op de aarde beneden [κατω].
De
ανω-roeping is derhalve de hemelse bestemming.
Dat de apostel daarop doelde, en niet uitsluitend op een roeping die hemels van aard is - d.i. van de hemel afkomstig - blijkt ook uit enkele andere plaatsen in deze Brief (Fp 1:21, 23 en 3:20-21).
F.W. Grant heeft de uitdrukking the "calling above" [ook wel aangeduid als the upward call] terecht omschreven als the calling to a place outside the earth altogether.

Οσοι ουν τελειοι, τουτο φρονωμενκαι ει τι ετερως φρονειτε, και τουτο ο θεος υμιν αποκαλυψειπλην εις ο εφθασαμεν, τω αυτω στοιχειν.

15-16 Voor zover wij dan [geestelijk] volwassen zijn, laten wij aldus gezind zijn; en indien jullie enigszins anders gezind zijn, zal God ook dit aan jullie openbaren. In ieder geval, tot waar wij gekomen zijn: in hetzelfde spoor voortgaan.

De apostel heeft zojuist (in vers 12) verklaard dat hij ook nu nog niet tot volmaaktheid is gekomen. Om die reden doelt hij hier met τελειοι [volmaakten] blijkbaar op volmaakt zijn in de betekenis van geestelijk rijp zijn.

Als christenen kunnen wij van geestelijke volwassenheid blijk geven door dezelfde gezindheid aan de dag te leggen als die van Paulus: niet stilstaan bij het verleden, maar zich geheel richten op de toekomst en wat die ons gaat brengen: de verwezenlijking van onze roeping bij de uitopstanding. Ga recht op dat doel af, is dat wat de apostel ons aanraadt.

En mochten sommigen onder ons nog niet zover in hun denken zijn, dan ontvangen zij hier de verzekering dat dit inzicht vroeg of laat ook bij hen zal doorbreken; daarvoor zal God zelf wel zorgdragen!
Maar in welke situatie we ook verkeren, welke mate van geestelijke groei we thans ook bereikt hebben, het devies luidt: Ga daarin ordelijk maar gestaag voort, zoals een soldaat die voortmarcheert [de betekenis van het hier gebruikte werkwoord
στοιχεω].
Kortom, blijf je geestelijk ontwikkelen, maar blijf intussen bij je eenmaal bereikte standpunt.

Wat dat betreft moesten de Filippenzen er voor zorgen dat zij hun onafhankelijkheid van het Judaïsme niet prijs gaven. Het zou pure achteruitgang, ja, eigenlijk afval van het geloof inhouden, wanneer zij de rechtvaardigheid Gods zouden inruilen voor de gerechtigheid volgens de Wet.
En ook wij, die in moderne tijden leven, doen er goed aan alle wetticisme te mijden die anderen ons mogelijk zouden willen opdringen. In de Messias bezitten wij alles; de dingen buiten hem zijn doorgaans (geestelijk) schadelijk. In hem zijn wij in het bezit van het nieuwe leven van de geest; wij leven vanuit geloof en niet vanuit vermeende verdienstelijkheid van werken.


3. Het christelijke burgerschap (3:17-21)


Συμμιμηται μου γινεσθε, αδελφοι, και σκοπειτε τους ουτω περιπατουντας καθως εχετε τυπον ημας. πολλοι γαρ περιπατουσιν ους πολλακις ελεγον υμιν, νυν δε και κλαιων λεγω, τους εχθρους του σταυρου του Χριστου, ων το τελος απωλεια, ων ο θεος η κοιλια και η δοξα εν τη αισχυνη αυτων, οι τα επιγεια φρονουντες.


17-19 Wordt medenavolgers van mij, broeders, en houdt hen voor ogen die zó wandelen gelijk jullie ons tot voorbeeld hebben. Want velen wandelen - ik sprak jullie dikwijls over hen, maar nu spreek ik zelfs wenend - als de vijanden van de martelpaal van de Messias; wier einde vernietiging, wier god de buik [is], en van wie de heerlijkheid in hun schande [gelegen is]; degenen die zinnen op de aardse zaken.


De centrale vraag in dit Schriftdeel luidt: Wie zijn degenen die zich als christenen voordoen maar zich ontpoppen als de grootste tegenstanders van de Messias? De apostel bestempelt hen, door het gebruik van het artikel, zelfs als de vijanden bij uitstek van Jezus’ kruis [σταυρος; martelpaal].
De context in aanmerking nemend, ligt het voor de hand dat hij doelt op
de honden, de slechte arbeiders van vers 2, de Judaïsten derhalve; zij die prat gaan op hun besneden zijn naar de Wet, maar wier besnijdenis eerder als verminking [versnijdenis] moest worden aangemerkt.


Door hun wettelijke gerechtigheid en hun roemen op de besnedenheid van hun vlees, ontkenden zij de kracht van Jezus’ dood aan de martelpaal, waarin juist, volgens Ks 2:11, de ware besnijdenis is gelegen, d.i.
de besnijdenis van de Messias.
Zij demonstreerden die vijandschap niet zozeer in hun spreken, maar door hun gedrag; door Paulus aangegeven met de term wandelen.

Maar namen die schijnchristenen geen streng patroon van leefregels in acht?
Zeker, in ieder geval volgens hun eigen idee. Wij moeten evenwel in gedachten houden dat strenge wetsbetrachting in zich weinig geestelijks heeft. Feitelijk houdt het niets anders in dan op een hoogmoedige wijze vertrouwen stellen in het vlees. In vers 3 liet Paulus dat al uitkomen:
Want wij zijn de besnijdenis, die door de geest Gods dienstbaar zijn en roemen in Messias Jezus en niet in vlees vertrouwen stellen.
En ook al eerder had de apostel, in Rm 16:17-18, laten zien dat de Judaïsten niet ongevoelig waren voor de aardse geneugten:

Ik roep jullie er echter toe op, broeders, hen in het oog te houden die de verdeeldheden [veroorzaken] en de struikelblokken [opwerpen] tegen het onderwijs dat jullie leerden, en wendt je van hen af. Want zulke lieden dienen niet onze Heer Jezus Messias als slaven, maar hun eigen buik, en door fraaie spraak en loftuitingen bedriegen zij de harten der argelozen.


En ook hier spreekt hij zeer geringschattend over de buik als het symbool van de zinnelijke genotzucht (1Ko 6:13). Ja, erger nog, hun zucht naar vleselijke genoegens had de vorm van afgodendienst aangenomen, aangezien zij de buik boven God stelden. Aldus bezien, lag hun roem of heerlijkheid in hun schande. In de genotzucht - eigenlijk hun diepste schande - beroemen zij zich onder elkaar; en dat heeft alles te maken met hun verkeerd gerichte gezindheid.
In plaats van de dingen te zoeken die boven zijn -
waar de Messias is, gezeten aan Gods rechterhand - was heel hun denken en streven juist op aardse, vleselijke zaken gericht.
Ks 3:1-4 in aanmerking nemend, t.w.


Indien jullie tezamen met de Messias werden opgewekt, zoekt dan de dingen boven, waar de Messias is, gezeten aan Gods rechterhand. Bedenkt de dingen boven, niet de dingen op de aarde. Want jullie zijn gestorven en jullie leven is tezamen met de Messias verborgen in God. Wanneer de Messias, jullie leven, openbaar gemaakt wordt, dan zullen ook jullie tezamen met hem openbaar gemaakt worden in heerlijkheid.

moet men wel tot de conclusie komen dat deze vijanden van Jezus’ martelpaal nooit met hem waren gestorven en dus ook nooit met hem levend gemaakt en opgewekt, teneinde in een nieuwheid des levens te wandelen (Rm 6).
Wanneer Paulus expliciet aankondigt dat hun einde volledige ondergang is [
απωλεια; vernietiging], blijkt daaruit immers dat we hen inderdaad op die wijze moeten bezien.

Als in de Eerste eeuw al velen van zulke schijnchristenen zich te midden van Jezus’ Gemeentelichaam ophielden, hoe moet het dan in onze tijd gesteld zijn, nu er met het modernisme steeds weer nieuwe pieken in goddeloosheid bereikt worden?

M. Taylor ziet het aldus:

En ook nu wandelen velen overeenkomstig hun eigen religieuze gevoelens en maken die tot hun god. Geopenbaarde waarheid wordt verlaagd tot de maatstaf van menselijke gevoelens en ervaringen; in plaats van God worden deze de bepalende factoren. Religieuze behoeften en geestelijke honger worden gestild met haar eigen sensaties.
Israël werd ervoor gewaarschuwd om niet hun God, Jahweh, te vergeten zodra zij gegeten hadden en verzadigd waren; en het gebed van Agur luidde: "opdat ik niet verzadigd word en u verloochen" (Dt 8:10, 14; Sp 30:9).
Christus zelf, het grootse doel, wordt genegeerd. Bedwelming in de vorm van religieuze extase vervangt hem en neemt de ziel tot haar schade en gevaar in beslag.
Het is de buik die telt, niet Christus; het gaat om religieuze emotie, niet om Christus. Er is geen vertrouwen in de geest, maar in het vlees. En zoals het vlees haar voldoening en groei vindt in de lagere hartstochten en in een wereld die steeds meer seculier wordt, zo ook religie.
Het kruis kwam er bij om al die zaken ter dood te brengen. En hoewel het kruis vaak wordt genoemd en men zich er voortdurend voor neerwerpt, wandelen velen in werkelijkheid als de vijanden van de martelpaal van de Messias".


In zulke personen hebben de lezers dus in het geheel geen inspirerend voorbeeld. Vandaar Paulus’ raad:

 

Wordt medenavolgers van mij, broeders, en houdt hen voor ogen die zó wandelen gelijk jullie ons tot voorbeeld hebben.


Blijkbaar had de apostel al vele malen op die slechte arbeiders gewezen, maar hij voelt zich verplicht zijn lezers nogmaals voor hen te waarschuwen en te wijzen op zijn eigen voorbeeld van levenswandel, zoals hij in de vv 4 tm 14 had beschreven. Maar omdat hij voor het moment niet bij hen kan zijn, wijst hij tevens op het voorbeeld van al degenen die wandelen zoals wij (hij sluit blijkbaar ook Timotheüs in).
De Filippenzen moeten zulke voorbeelden van de christelijke levenswandel als door God aan hen geschonken beschouwen.


ημων γαρ το πολιτευμα εν ουρανοις υπαρχει, εξ ου και σωτηρα απεκδεχομεθα κυριον Ιησουν Χριστον, ος μετασχηματισει το σωμα της ταπεινωσεως ημων συμμορφον τω σωματι της δοξης αυτου κατα την ενεργειαν του δυνασθαι αυτον και υποταξαι αυτω τα παντα.

20-21 Want ons burgerschap bestaat in de hemelen, van waaruit wij ook vurig een Redder verwachten, Heer Jezus Messias, die het lichaam van onze vernedering van gedaante zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, overeenkomstig de werking dat hij in staat is ook alle dingen aan zich te onderwerpen.

Eerder, in Fp 1:27, had Paulus zijn lezers aangemoedigd om als burgers te leven, waardig het Evangelie van de Messias.
Daarmee liet hij al uitkomen dat christenen, buiten het feit dat zij, gelijk iedereen, burgers zijn van een land, stad, dorp, tevens burgers zijn van het koninkrijk Gods en dat zelfs in de eerste plaats.


Immers, toen zij door Gods liefderijke gunst werden geroepen in Messias Jezus, werden zij
geschikt gemaakt om deel te hebben aan het erfgoed van de heiligen in het licht, ontrukt aan de macht der duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde. 

Bijgevolg leven zij thans in de hoop die voor hen is weggelegd in de hemelen (Ks 1:5, 13-14).


Dus waar ook woonachtig in deze wereld, christenen zijn allereerst hemelburgers. In ons nieuwe leven van de geest is ons denken en al ons streven dan ook op d
át nieuwe vaderland gericht, alsook op de goddelijke zaken die daarmee verband houden; geheel in tegenstelling derhalve met hen wier god hun buik is.
Dat brengt met zich mee dat wij tevens leven in de verwachting van de verandering van natuur, wat verwezenlijkt zal worden bij
de uitopstanding, die welke uit [de] doden is (vers 11).


In 1 Thessalonicenzen 4 had de apostel al onthuld dat dit gaat gebeuren bij de Opname, wanneer de Heer zelf, bij het aanbreken van zijn paroesie, uit de hemel neerdaalt.
Vandaar dat hij hier kan schrijven dat wij, christenen, vurig naar dat gebeuren uitzien. Maar nu noemt hij Jezus niet slechts de Heer, maar meer uitgebreid:
Redder, Heer Jezus Messias.


Een en ander strookt geheel met de strekking van deze Brief, vooral met het gedeelte dat onmiddellijk hieraan voorafgaat, de vv 7-19, waarin Paulus erkent dat wij nog altijd in een geestelijke strijd verwikkeld zijn, het volmaakte nog niet bereikt hebben, en vastbesloten moeten zijn in het juiste spoor voort te gaan.
Principieel hebben wij weliswaar een redding uit het huidige, goddeloze wereldtijdperk [αιων] ervaren, doordat de Heer Jezus Messias zichzelf gaf ten behoeve van onze zonden, maar de volledige verlossing van het [Adamitische] lichaam moet nog altijd plaats vinden (Gl 1:3-4; Rm 8:23).

Door een buitengewone machtsdaad zal onze Heer en Redder dit bij de Opname verwezenlijken. Hij
zal het lichaam van onze vernedering van gedaante veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid.
De macht die hij daarbij zal aanwenden is overeenkomstig de werking dat hij in staat is ook alle dingen aan zich te onderwerpen.


Die manier van uitdrukken duidt op een verzet, op vijandige tegenwerking, welke overwonnen moet worden. Hierbij kunnen we terecht denken aan 1 Korinthe 15, alwaar over Jezus als de Messiaanse koning wordt voorzegd dat hij moet heersen als koning totdat Hij [God] alle vijanden onder zijn voeten heeft gelegd; de laatste vijand die teniet gedaan wordt is de Dood (vv 25-26).

Maar waarom spreekt de apostel over
het lichaam van onze vernedering ?
Blijkbaar omdat de context daartoe aanleiding geeft. Als hemelburgers staat onze huidige vleselijke natuur ons in de weg onze zinnen volledig te richten op
de dingen boven (Ks 3:2).
Door onze aardse natuur zijn we met nog heel wat banden aan de aarde en het aardse bestaan verbonden. En
zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo is het ook gesteld met hemelse lichamen ten opzichte van aardse lichamen (Js 55:9; 1Ko 15:40; 2Pt 2:11).


Waarschijnlijk komt nergens die tegenstelling sterker tot uitdrukking dan in 2Ko 5:1, alwaar Paulus onze huidige staat in het vlees vergelijkt met een tent die voortdurend op het punt van inklappen staat, en die situatie plaatst tegenover het gebouw
uit God, een eeuwig tehuis in de hemelen, niet met handen gemaakt, dat ons deel zal worden bij de Opname. Zie ook: 1Ko 15:52-53.

Toen Jezus zijn hemelse woonplaats opgaf om aan de mensen gelijk te worden, moest hij zichzelf ontledigen, dat wil zeggen zijn hemelse heerlijkheid volledig afleggen. Hij daalde derhalve af tot de nederige staat van een Mensenzoon.
Vandaar dat hij in het hogepriesterlijk gebed de Vader vroeg hem te
verheerlijken met de heerlijkheid welke ik naast U had eer de wereld was (Fp 2:7; Jh 17:5).


Filippenzen 4

Ωστε, αδελφοι μου αγαπητοι και επιποθητοι, χαρα και στεφανος μου, ουτως στηκετε εν κυριω, αγαπητοι.

1 Bijgevolg, mijn broeders, geliefd en naar wie ik verlang, mijn vreugde en kroon, staat zó vast in [de] Heer, geliefden!

Paulus trekt de conclusie uit geheel hoofdstuk 3, waarin hij voortdurend waarschuwde voor de invloed van dezelfde personen, namelijk de Judaïsten; zowel voor hun overschatting van de joodse voorrechten naar het vlees als de aardse gezindheid van die slechte arbeiders.
In de apostel zelf, maar ook in allen die wandelen naar zijn voorbeeld, kunnen zij een inspirerend levenspatroon ontwaren waaraan zij zich kunnen optrekken. In dat spoor verder, derhalve!


De apostel doet daarbij een beroep op zijn innige, broederlijke relatie en zijn geestelijke gemeenschap met hen allen. Wanneer zij zich hoeden voor het gestook van hen die
de versnijdenis zijn, en derhalve vaststaan in hun eerder ingenomen standpunt, kan de apostel met vreugde vooruit blijven zien naar de paroesie; zij zullen dan zijn roem en erekroon blijken te zijn. Vergelijk Fp 2:16.


D. Aanmoediging, dankbaarheid (4:2-23)

1. Vermaning tot eenheid en vrede (4:2-9)


Ευοδιαν παρακαλω και Συντυχην παρακαλω το αυτο φρονειν εν κυριω. ναι ερωτω και σε, γνησιε συζυγε, συλλαμβανου αυταις, αιτινες εν τω ευαγγελιω συνηθλησαν μοι μετα και Κλημεντος και των λοιπων συνεργων μου, ων τα ονοματα εν βιβλω ζωης.

2-3 Euodia vermaan ik en Syntyche vermaan ik eensgezind te zijn in de Heer. Ja, ik verzoek ook jou, echte Synzygos [Jukgenoot], sta deze vrouwen bij die tezamen met mij hebben gestreden in het Evangelie, met ook Clemens en mijn overige medearbeiders, van wie de namen in het boek des levens [staan].

Ogenschijnlijk zonder enige overgang richt de apostel zich nu rechtstreeks tot twee vrouwelijke leden van de gemeente: Euodia [Goede weg] en Syntyche [Met fortuin]. Kennelijk hadden die beiden een zodanig groot probleem met elkaar dat de gemeente erdoor geïnfecteerd was geraakt; misschien daardoor zelfs verdeeld in twee kampen.
Dat Paulus de kwestie hier ter sprake brengt doet vermoeden dat de twee vrouwen een voorname plaats in de gemeente innamen en door hun onenigheid een slechte invloed uitoefenden op anderen.



Er is wel gesuggereerd dat in de huizen van beide vrouwen mogelijk christenen samenkwamen; bij de één een huisgemeente bestaande uit Jodenchristenen en bij de ander een huisgemeente van Heidenchristenen. Dit is echter louter veronderstelling, maar mocht ze eventueel toch juist zijn dan zou het aansnijden van dit probleem niet langer onlogisch lijken, of onverwacht komen. Integendeel, het zou dan kunnen dat Paulus met al het voorgaande expliciet de bedoeling had op deze kwestie uit te komen. We kunnen dan met name denken aan hoofdstuk 2, de vv 1-18 en heel hoofdstuk 3. Ook vers 27 van hoofdstuk 1 wordt dan des te meer begrijpelijk. De apostel wilde immers graag horen dat jullie vaststaan in één geest, één van ziel eendrachtig strijdend voor het geloof van het Evangelie. Kortom, te Filippi kreeg men dan met deze Brief geestelijk materiaal aangereikt dat geschikt was voor onmiddellijke toepassing.

Hoe dan ook, Paulus achtte de kwestie dermate schadelijk dat hij op verzoening aandrong. Om elke indruk van partijdigheid te vermijden gebruikt hij het dubbele vermaan ik. Tegelijkertijd doet hij een beroep op een zekere Synzygos om de betekenis van zijn naam (Jukgenoot) waar te maken, namelijk door Paulus in dit probleem terzijde te staan en te trachten de twee vrouwen met elkaar te verzoenen op basis van hun geestelijke vereniging met Messias Jezus, hun beider Heer.


De verzoening gaat de apostel zeer ter harte, natuurlijk in de eerste plaats voor het geestelijk welzijn van de gemeente, maar ook omdat beide vrouwen ooit hem terzijde stonden in de strijd der verkondiging van het Evangelie. Het kan zijn dat Paulus daarmee doelt op de moeilijke tijd die hij doorbracht in Macedonië in afwachting van de komst van Titus. Zelf schreef hij daarover:


Want ook toen wij in Macedonië aankwamen, kreeg ons vlees in het geheel geen verlichting, maar wij verkeerden in allerlei verdrukking: van buiten strijd, van binnen vrees.
(2Ko 7:5)

Met ook Clemens en mijn overige medearbeiders, van wie de namen in het boek des levens [staan]…
De apostel maakt van de gelegenheid gebruik om ook de anderen die toen met hem samenwerkten, gunstig te vermelden.
Dat buiten Clemens de namen van andere betrokkenen niet worden genoemd, is blijkbaar ook niet nodig; iedereen weet op wie de apostel doelt. Bovendien - en dat is van veel meer belang - staan hun namen vermeld in het boek des levens; God kent terdege hen die hem toebehoren.

Zie: Ps 69:29; Lk 10:20; 2Tm 2:19; Hb 12:23).

Daarmee wil Paulus geenszins zeggen dat de namen van de overige christenen te Filippi niet geschreven zouden staan in Gods boek des levens. Alle namen van degenen die tevoren bestonden in Gods
voornemen der eeuwen, ver vóór de grondlegging der wereld, zijn uiteraard bij hem bekend, als het ware opgeschreven (Rm 8:28-29; Ef 1:3-4; 3:9-11).


Maar door daarin ook de beide vrouwen te betrekken die thans zo moeilijk doen met elkaar, laat de apostel uitkomen dat niemand moet denken dat God hen verwerpt; hun namen staan evengoed in het boek des levens vermeld. Reden te meer om er alles aan te doen dat het probleem tot een oplossing komt! Zij, en de hele verdere gemeente met hen, moeten weer op gemeenschappelijke, geestelijke ‘grond’ komen.


Χαιρετε εν κυριω παντοτεπαλιν ερω, χαιρετε. το επιεικες υμων γνωσθητω πασιν ανθρωποις. ο κυριος εγγυς. μηδεν μεριμνατε, αλλ εν παντι τη προσευχη και τη δεησει μετα ευχαριστιας τα αιτηματα υμων γνωριζεσθω προς τον θεον. και η ειρηνη του θεου η υπερεχουσα παντα νουν φρουρησει τας καρδιας υμων και τα νοηματα υμων εν Χριστω Ιησου.

4-7 Verheugt je altijd in de Heer! Wederom zal ik zeggen: Verheugt je! Laat jullie inschikkelijkheid aan alle mensen bekend worden. De Heer is dichtbij. Maakt je over niets bezorgd, maar laat in alles, door het gebed en de smeking met dankzegging, jullie verzoeken bij God bekend worden. En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal jullie harten en jullie gedachten bewaken in Messias Jezus.

Naar onze mening gaat de apostel hier niet over tot het geven van enkele algemene vermaningen. Het gaat veeleer om raadgevingen die toegesneden zijn op de zorgelijke situatie die onder de gelovigen te Filippi was ontstaan in verband met de verdeeldheid in de gemeente waarvan de twee vrouwen het middelpunt waren.
De moeilijkheden hadden ongetwijfeld aanleiding gegeven tot een gedrukte stemming. Onder verlichting van Gods geest onderscheidt Paulus dat gebrek aan vreugde hen schaadde, vooral in geestelijk opzicht. Vandaar zijn nadrukkelijke
Verheugt je! Ja, christenen dienen altijd redenen te hebben om zich in de Heer te verheugen.

Met het oog daarop moeten zij snel hun onderlinge onenigheden beëindigen door zich inschikkelijk - met welwillendheid - jegens elkaar op te stellen. En zijn zij misschien van mening dat dit gemakkelijker gezegd is dan gedaan? Welnu, de Heer is altijd dichtbij om in elke moeilijkheid hulp te bieden. In plaats van zich overmatig bezorgd te maken moeten zij moeilijke kwesties snel in gebed voor Gods troon brengen. De belofte is immers dat Hij
alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, in het bijzonder voor hen die volgens zijn voornemen geroepenen zijn (Rm 8:28).

Wanneer christenen hun zorgen aan God bekend maken kunnen zij erop vertrouwen dat onrust plaats zal maken voor innerlijke vrede. Jezus gaf dit al te kennen op de avond vlak voor zijn dood:


Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan. Maak je niet ongerust en verlies de moed niet.
(Jh 14:27; nbv)

De vrede die God geeft gaat alle verstand te boven; dat wil zeggen dat wij verstandelijk niet volledig kunnen bevatten wat God door zijn geest in onze mentale gewaarwordingen tot stand kan brengen. Het is zoals Paulus elders over God schreef: Die naar de kracht welke in ons werkzaam is, in staat is meer dan overvloedig te doen boven alles wat wij vragen of bedenken (Ef 3:20).

Wat bewerkt die vrede dan? Ze neemt onrust weg, zoals Jezus al zei. En Paulus voegt er hier nog aan toe: ze
zal jullie harten en jullie gedachten bewaken in Messias Jezus.
De apostel gebruikt het werkwoord φρουρεω dat oorspronkelijk betrekking had op de bescherming die geboden werd door een militaire wacht (2Ko 11:32).


Toegepast op christenen betekent dit dat de vrede van God als een schildwacht is die de wacht houdt over ons diepste innerlijk en onze mentale gewaarwordingen, teneinde ze tegen vijandelijke infiltratie te beschermen, in het bijzonder tegen de aanvallen van Satan. In zijn Romeinenbrief had de apostel het eerder als volgt omschreven:

 

Het koninkrijk van God is … rechtvaardigheid en vrede en vreugde in heilige geest.

(Rm 14:17)

Το λοιπον, αδελφοι, οσα εστιν αληθη, οσα σεμνα, οσα δικαια, οσα αγνα, οσα προσφιλη, οσα ευφημα, ει τις αρετη και ει τις επαινος, ταυτα λογιζεσθεα και εμαθετε και παρελαβετε και ηκουσατε και ειδετε εν εμοι, ταυτα πρασσετεκαι ο θεος της ειρηνης εσται μεθ υμων.

8-9 Voor het overige, broeders, al wat waar is, al wat waardig, al wat rechtvaardig, al wat eerbaar, al wat beminnelijk, al wat welluidend is; indien er enige deugd en indien er enige lof is, vestigt daarop jullie gedachten. Wat jullie zowel leerden als aanvaardden, zowel hoorden als zagen in mij, brengt dat in praktijk; en de God des vredes zal met jullie zijn.

In 3:1 leek de apostel zijn Brief al te willen beëindigen, maar de geest leidde het anders. Eerst moest nog datgene worden aangeroerd wat voor de Filippenzen een reëel gevaar inhield: de wettische accenten die de Jodenchristenen kennelijk in toenemende mate binnen de gemeente wilden leggen op de apostolische leer omtrent het Evangelie.
Nu staat hij inderdaad op het punt de Brief af te sluiten, maar zelfs nog draalt hij daarmee. Zojuist had hij geschreven over de hoogst belangrijke vrede die van God komt. Ze is namelijk als een schildwacht die het innerlijk van de christen behoedt tegen schadelijke, demonische infiltratie; daaraan nu heeft de apostel nog iets toe te voegen. Wijzelf moeten daarin volstrekt met Gods geest samenwerken. Hoe?

Door selectief te zijn wat betreft de dingen die wijzelf in ons denken willen toelaten. Wij moeten de goddeloze geestenkrachten niet in de kaart spelen door in ons denken te verwijlen bij onware-, onwaardige-, onrechtvaardige-, oneerbare-, niet lieflijke-, niet goed klinkende dingen. Ook zaken die strijdig zijn met wat zedelijk goed is, en ook die welke in het geheel geen lof verdienen, kunnen wij beter geen plaats geven in ons denken.

Hieruit blijkt dat het christelijke levensideaal ook alles omvat wat zelfs in de ogen der Heidenen als moreel goed wordt beschouwd en derhalve waardering verdient. Paulus somt de natuurlijke deugden op die eigenlijk alle mensen als vanzelfsprekend zouden moeten beschouwen, niet slechts voor anderen, maar in de eerste plaats voor zichzelf.


Ter aanmoediging verwijst de apostel nog maar eens naar zijn eigen levenswandel toen hij te midden van hen verkeerde in Macedonië. Alles wat zij toen in het Evangelie vernamen en als waarachtig aannamen, maar ook alles wat hij hen in woord en voorbeeld voorhield, kunnen zij ter harte nemen en ook zelf op een praktische wijze beoefenen.


2. Dank voor de liefdegaven; slot (4:10-23)


Εχαρην δε εν κυριω μεγαλως οτι ηδη ποτε ανεθαλετε το υπερ εμου φρονειν, εφ ω και εφρονειτε ηκαιρεισθε δε. ουχ οτι καθ υστερησιν λεγω, εγω γαρ εμαθον εν οις ειμι αυταρκης ειναι.

10-11 Ik verheugde mij echter ten zeerste in de Heer, dat jullie eindelijk weer eens het denken ten bate van mij verlevendigden; waarop jullie wel degelijk bedacht waren, maar het ontbrak jullie aan de gelegenheid. Niet dat ik [dit] zeg vanwege gebrek; want ik leerde tevreden te zijn in de omstandigheden waarin ik ben.

Paulus keert terug naar de inleiding van de Brief, waarin hij melding had gemaakt van hun deelname aan het Evangelie; hoe zij zich vanaf het prilste begin daarin Paulus’ mededeelhebbers hadden betoond. Altijd had hij hun zorg ondervonden, tijdens zijn verblijf bij hen in Macedonië, maar ook nadat hij verder was gereisd (Fp 1:5-7).
 De apostel gebruikt op unieke wijze het werkwoord αναθαλλω dat de waarde heeft van opbloeien, weer uitspruiten, en alleen nog in de LXX-versie van Ez 17:24 wordt aangetroffen: Ik zal de dorre boom weer doen uitspruiten. Zoals in de lente de tijd aanbreekt voor een boom om weer uit te lopen, gaan ook mensen tot handelen over als ze in hun geest daarvoor gereed zijn.

Paulus had over hun moeilijkheden vernomen en het grootste deel van zijn Brief had hij benut om hen te tonen hoe zij geestelijk tegen probleemsituaties moesten aankijken, zodat zij vervolgens met inzicht daarin hun eigen opstelling konden bepalen. Ook had hij hun voldoende oplossingen aan de hand gedaan om met elkaar uit de geestelijke impasse te geraken die in hun eigen midden was ontstaan in de kwestie Euodia/Syntyche en de verdeeldheid binnen de gemeente welke daarvan het gevolg was geweest.

Maar nu wil hij hen nogmaals laten weten dat het hem buitengewoon goed had gedaan dat zij hem, zelfs te midden van hun eigen problemen, niet vergeten waren.
Zijn blijdschap betreft dan ook niet louter de stoffelijke gave - want dáárvan is zijn vreugde geenszins afhankelijk - maar dat hun ondersteuning berustte op hun gezamenlijke verhouding tot de Heer. De geestelijke banden die zij op die grondslag gemeenschappelijk hebben, zijn daardoor aangehaald.


οιδα και ταπεινουσθαι, οιδα και περισσευεινεν παντι και εν πασιν μεμυημαι και χορταζεσθαι και πειναν, και περισσευειν και υστερεισθαι. παντα ισχυω εν τω ενδυναμουντι με.

12-13 Ik weet [wat het is] sober te leven, ik weet ook overvloed te hebben; in elk opzicht en in alle dingen ben ik volkomen ingewijd, zowel verzadigd zijn als honger lijden, zowel overvloed hebben als gebrek lijden. Ik vermag alle dingen in hem die mij sterkt.

Paulus licht hier toe wat voor hem autarkisch leven inhoudt; daarvan had hij in vers 11 melding gemaakt: tevreden zijn in de omstandigheden waarin ik ben. Niet in filosofische zin dat hij zichzelf genoeg was; eerder in zijn onafhankelijkheid als christen die onder alle omstandigheden zijn evenwicht bewaart door zich blijmoedig te voegen naar de situatie van het moment, in de wetenschap dat hij er van Godswege de kracht voor heeft.

Een en ander heeft mede te maken met het feit dat hij
in elk opzicht en in alle dingen volkomen ingewijd is. De apostel gebruikt het werkwoord μυεω dat oorspronkelijk doelde op ingewijd zijn in de geheime riten der heidense mysteriën.
Evenzo heeft hij alle mogelijke levensomstandigheden leren kennen; voor hem hebben ze geen geheimen meer. Vergelijk 2Ko 6:4-10, waar hij vertelt dat hij alles heeft meegemaakt.


Maar het belangrijkste is de kracht van God. Die stelt hem in staat zich niet te verzetten tegen zijn omstandigheden, maar ze daarentegen zelfs te willen. In de kracht die God hem in de Messias verleent, kan hij immers alles aan, is hij tegen elke moeilijkheid opgewassen. Hij weet, dat wil zeggen hij heeft er verstand van, hoe in elke situatie - hoe beproevingsvol ook - de vrede van God behouden wordt.


πλην καλως εποιησατε συγκοινωνησαντες μου τη θλιψει. Οιδατε δε και υμεις, Φιλιππησιοι, οτι εν αρχη του ευαγγελιου, οτε εξηλθον απο Μακεδονιας, ουδεμια μοι εκκλησια εκοινωνησεν εις λογον δοσεως και λημψεως ει μη υμεις μονοιοτι και εν Θεσσαλονικη και απαξ και δις εις την χρειαν μοι επεμψατε.

14-16 Nochtans deden jullie er goed aan dat jullie mede deelnamen aan mijn verdrukking. Jullie weten immers ook zelf, Filippenzen, dat in het begin van het Evangelie, toen ik uit Macedonië wegging, geen enkele gemeente met mij deelnam aan een rekening van uitgave en ontvangst dan jullie alleen. Want zelfs in Thessaloníka zonden jullie mij zowel een eerste als een tweede maal [iets] voor mijn behoefte.

In het begin van het Evangelie, toen ik uit Macedonië wegging…
Paulus’ verblijf te Filippi vond plaats tijdens zijn tweede zendingsreis; toch noemt hij dit het begin van het Evangelie.
Waarom?
Kennelijk omdat hij Macedonië, waar hij voor het eerst het nog volkomen heidense Europa betrad, als een gekenmerkt begin beschouwt wat betreft zijn loopbaan als
apostel der Heidenvolken (Rm 11:13). Dit lijkt bevestigd te worden door 2Th 2:13-14, waar hij - verwijzend naar Macedonië, waar zowel Filippi als Thessaloniki gelegen waren - het volgende constateert:

Maar wij behoren God altijd te danken voor jullie, door de Heer geliefde broeders, dat God jullie verkoos [als] eerstelingsgave tot redding, in heiliging van de geest en geloof van de waarheid, waartoe hij jullie door ons Evangelie riep, tot het verwerven der heerlijkheid van onze Heer Jezus Messias.

Geen enkele gemeente met mij deelnam aan een rekening van uitgave en ontvangst dan jullie alleen.
De apostel maakt gebruik van de terminologie der toenmalige handelstaal.
Alleen met de gemeente te Filippi had Paulus een gemeenschappelijke ‘rekening’, waarop credit [
δοσις; uitgave] en debet [λημψις; ontvangst], genoteerd werden. De apostel verstrekte de geestelijke ‘goederen’ en ontving daarvoor hun materiële ondersteuning terug.

De Heer zelf had die gang van zaken in de verkondiging van het koninkrijk reeds vastgelegd.
Vergelijk Mt 10:7-10; 1Ko 9:14; 1Tm 5:18.

Dat die ‘rekening’ - metafoor voor hun wederzijdse liefdeband - tussen Filippi en de apostel vanaf het prilste begin bestond, blijkt wel uit het feit dat hij de situatie van Hn 17:1-9 in hun herinnering terugroept. Te Thessaloniki, de eerste stad die hij na zijn vertrek uit Filippi bezocht, hadden zij hem tot tweemaal toe iets ter ondersteuning gezonden.


ουχ οτι επιζητω το δομα, αλλα επιζητω τον καρπον τον πλεοναζοντα εις λογον υμων. απεχω δε παντα και περισσευωπεπληρωμαι δεξαμενος παρα Επαφροδιτου τα παρ υμων, οσμην ευωδιας, θυσιαν δεκτην, ευαρεστον τω θεω. ο δε θεος μου πληρωσει πασαν χρειαν υμων κατα το πλουτος αυτου εν δοξη εν Χριστω Ιησου.

17-19 Niet dat ik op de gave uit ben, maar ik ben uit op de vrucht die op jullie rekening aangroeit. Ik ben echter van alles voorzien en heb overvloed. Ik heb volop, nu ik van Epafroditus de van jullie afkomstige dingen heb ontvangen: een welriekende geur, een aangename offergave, God welgevallig. Mijn God daarentegen zal in al jullie behoefte voorzien naar zijn rijkdom in heerlijkheid in Messias Jezus.

De apostel hanteert nog even de toenmalige financiële terminologie debet en credit. Hij voegt er nu de term vrucht [καρπος] aan toe, om in de vorm van een metafoor de bijschrijving van een rentebedrag aan te geven, waardoor hun tegoed bij God nog verder aangroeit. Zij kunnen er zeker van zijn dat God ook voor hen zal zorgen. Hij is immers Paulus’ God en beschouwt derhalve de weldaden die zij de apostel bewezen als aan Hemzelf betoond (Sp 11:24-25).

Overigens put de apostel zich uit in het verschaffen van redenen waarom er voor het moment geen nieuwe gaven nodig zijn. Hij heeft nu volop; ja, hij is overladen met stoffelijke dingen.
Dit moeten de Filippenzen echter niet verkeerd opvatten. Om die reden geeft hij nogmaals uiting aan zijn diepe waardering: hun ondersteuning die hem door hun afgevaardigde Epafroditus werd overgebracht, heeft godsdienstige betekenis; voor zijn God is ze als een aangenaam slachtoffer [
θυσια], dat Hem zeer welgevallig is.

 Op zijn beurt zal Hij ook in hun behoefte voorzien, en wel naar zijn rijkdom in heerlijkheid in Messias Jezus. God vergeldt zoals alleen de ware God kan doen: in heerlijkheid, maar ook op grond van hun verbondenheid met zijn geliefde Zoon, de Messias. Zegen zal hen derhalve in hem geschonken worden.

τω δε θεω και πατρι ημων η δοξα εις τους αιωνας των αιωνωναμην. Ασπασασθε παντα αγιον εν Χριστω Ιησου. ασπαζονται υμας οι συν εμοι αδελφοι. ασπαζονται υμας παντες οι αγιοι, μαλιστα δε οι εκ της Καισαρος οικιας. η χαρις του κυριου Ιησου Χριστου μετα του πνευματος υμων.

20-23
Aan onze God en Vader nu [zij] de heerlijkheid tot in de eeuwen der eeuwen! Amen. Groet elke heilige in Messias Jezus. De broeders die bij mij zijn groeten jullie. Al de heiligen groeten jullie, maar vooral zij die tot het Huis van Caesar behoren. De liefderijke gunst van de Heer Jezus Messias [zij] met jullie geest.

Het feit dat de Vader God - naar zijn rijkdom in heerlijkheid in Messias Jezus - in al de behoefte van de Filippenzen zal voorzien (vers 19), is voor Paulus aanleiding tot een doxologie. Aan Hem komt alle heerlijkheid toe. Daarvoor is alleen een eeuwigheid voldoende, wat de apostel te kennen geeft met de frase tot in de eeuwen der eeuwen. In de wereldperiodes [aeonen] die nog zullen aanbreken binnen alle wereldperiodes [aeonen] die nog zullen volgen, moet alle heerlijkheid gegeven worden aan de alleen ware God (Jh 17:3; 1Jh 5:20; Op 4:9-11).

Alle christenen (heiligen) te Filippi ontvangen de groeten uit Rome, van Paulus en de broeders die bij hem zijn, maar ook van alle andere christenen (heiligen) in zijn omgeving. Zij die aan het keizerlijke hof verbonden zijn, worden speciaal vermeld, blijkbaar om de Filippenzen te bemoedigen; het Evangelie is zelfs doorgedrongen tot in het paleis van de Caesar!
 

-.-.-.-.-