Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Tweede Brief aan Timotheüs

De Tweede Brief aan Timotheüs

 

 

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

 

Hoofdstuk 1

 

Klik hier voor ‘smal lezen’

 

1   Παυλος αποστολος Xριστου Iησου δια θεληματος θεου κατ επαγγελιαν ζωης της εν Xριστω Iησου

Paulus, apostel van Messias Jezus door de wil van God, naar [de] belofte van het leven dat in Messias Jezus [is],

 

2   Tιμοθεω αγαπητω τεκνω∙ χαρις, ελεος, ειρηνη απο θεου πατρος και Xριστου Iησου του κυριου ημων.

aan Timotheüs, geliefd kind: Liefderijke gunst, barmhartigheid, vrede van God de Vader en van Messias Jezus, onze Heer.

 

Uit het feit dat Paulus zich inleidt als apostel van Messias Jezus concluderen we dat deze Brief niet zonder meer een persoonlijk schrijven is, gericht aan zijn ‘geliefd kind’, Timotheüs. Ook hier hebben we te maken met een ambtelijk, apostolisch Geschrift dat om die reden terecht een plaats kreeg in de Bijbelcanon.

Voor de geïnteresseerden: Behorend tot spaak 11 van het Bijbelwiel >

כ  Kaf (11)  1 Koningen  -  (33)  Micha  - (55)  2 Timotheüs

 

Paulus’ optreden als apostel heeft rechtstreeks te maken met Gods wil om vervulling te geven aan zijn voornemen dat het Evangelie in ruime kring onder de Heidenvolken bekendheid zou verkrijgen. In deze context wordt door Paulus evenwel niet de term Evangelie gebruikt, maar op unieke wijze spreekt hij over de belofte van het leven dat in Messias Jezus [is].  In zijn Romeinenbrief in het bijzonder had hij zich eerder roemend over die goddelijke toewijzing uitgelaten:

 

Want ik schaam mij het Evangelie niet, het is immers een kracht Gods tot redding voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood alsook voor de Griek. Want Gods rechtvaardigheid wordt daarin geopenbaard, uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat: Maar de rechtvaardige, uit geloof zal hij leven

Maar tot jullie, de Heidenen, zeg ik: Voor zover ikzelf dan waarlijk een apostel van de Heidenvolken ben, mijn bediening maak ik heerlijk, of ik wellicht mijn vlees tot jaloezie zal prikkelen en enigen uit hen zal redden.

(Rm 1:16-17; 11:13-14)

 

En nu, hier in deze Brief, heeft hij vrijwel het einde van die carrière bereikt. Zoals uit 4:6-9 blijkt is hij zich er van bewust dat de gelegenheid om Timotheüs nog eenmaal te zien gering is geworden:

 

Want ik word reeds als een drankoffer uitgegoten en de [bestemde] tijd van mijn losmaking is aanstaande. De voortreffelijke strijd heb ik gestreden; de wedloop heb ik volbracht; het geloof heb ik bewaard. Voorts ligt voor mij gereed de krans der gerechtigheid, waarmee de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal vergelden; echter niet alleen mij, maar ook allen die zijn manifestatie hebben liefgehad. Haast je om vlug naar mij toe te komen.

 

En inderdaad, naar de traditie wil, werd de apostel kort na het schrijven van deze Brief te Rome, in de nabijheid van de Via Ostiensis, door onthoofding terechtgesteld. Geen wonder derhalve dat hij zowel voor Timotheüs als voor zichzelf krachtig bewust was van de behoefte aan Gods liefderijke gunst, als ook aan barmhartigheid, vrede van God de Vader en van Messias Jezus, onze Heer.

 

3   Xαριν εχω τω θεω, ω λατρευω απο προγονων εν καθαρα συνειδησει, ως αδιαλειπτον εχω την περι σου μνειαν εν ταις δεησεσιν μου νυκτος και ημερας,

Dankbaarheid gevoel ik jegens God, voor wie ik van voorouders af met een rein geweten heilige dienst verricht, gelijk ik zonder ophouden de gedachtenis aan jou heb in mijn smeekbeden, nacht en dag,

 

4   επιποθων σε ιδειν, μεμνημενος σου των δακρυων, ινα χαρας πληρωθω,

- vol verlangen je te zien, daar ik mij je tranen herinner, opdat ik met blijdschap vervuld mag worden -

 

5   υπομνησιν λαβων της εν σοι ανυποκριτου πιστεως, ητις ενωκησεν πρωτον εν τη μαμμη σου Λωιδι και τη μητρι σου Eυνικη, πεπεισμαι δε οτι και εν σοι.

daarbij komt mij voor de geest het ongeveinsde geloof in jou, dat eerst woonde in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, maar – daarvan ben ik overtuigd - ook in jou.

 

Wanneer de apostel aan God dank brengt doet hij dat met de gedachte hoe zowel hijzelf als zijn pupil het voorrecht genoten beide gelovige voorouders te hebben zodat het verrichten van λατρεια voor God [heilige dienst; Paulus gebruikt het werkwoord λατρευω] eigenlijk voor hen altijd een vanzelfsprekende zaak was geweest (Hn 24:14).

Die heilige dienst was in hun beider geval een overgeërfd voorrecht dat zij eenvoudig hadden voortgezet; ook Timotheüs had van kindsbeen af heilige geschriften gekend, die in staat zijn je wijs te maken tot redding door het geloof in Messias Jezus.  Loïs, zijn grootmoeder, en zijn moeder Eunice hadden hem – bij afwezigheid van een gelovige vader – kennelijk in die “heilige geschriften” onderwezen (Hn 16:1-13).

 

Maar op grond waarvan kon Paulus, de heftige christenvervolger van weleer, van zichzelf beweren dat hij die heilige dienst van voorouders af met een rein geweten had verricht ?  Omdat hij

a. toen nog onwetend was (1Tm 1:13);

b. in die onwetendheid – en ongeloof - meende God een heilige dienst [λατρεια] te bewijzen (Jh 16:2);

c. een nog grotere ijveraar voor de overleveringen van zijn voorvaderen was dan anderen (Gl 1:13-14).

 

Hij vervolgde de Gemeente uit pure godsdienstijver (Fp 3:4-6).

Overigens kan het adjectief καθαρος bij συνειδησις [geweten] ook duiden op een bewustzijn van gereinigd zijn van zonden, uiteraard op grond van geloof in Jezus’ van zonde reinigend offer. Paulus’ geweten was krachtens de losprijs gereinigd van ‘dode werken’ (Hb 6:1).

Vergelijk Jh 15:3, wat Jezus zei omtrent zijn leerlingen: Jullie zijn reeds rein [καθαροι] door het woord dat ik tot jullie heb gesproken.

 

Bij welke gelegenheid de apostel - blijkbaar onder zeer emotionele omstandigheden - afscheid had moeten nemen van Timotheüs wordt ons niet onthuld. Als vanzelfsprekend denken we in het bijzonder aan Paulus’ vertrek richting Rome, misschien reeds in de staat van een gevangene. Hoe dan ook, de kleinmoedige Timotheüs was kennelijk in een staat van diepe neerslachtigheid achtergebleven, wellicht nog steeds te Efeze.

 

Het zou heel goed kunnen dat Paulus geheel onverwacht werd gearresteerd en ontrukt aan Timotheüs’ gezelschap. Plotseling, te midden van een verschrikkelijke uitbarsting van vervolging, werd hij wellicht gegrepen door een bende Romeinse soldaten en weggesleept als een gevangene. Afgaand op 4:13 had Paulus niet eens meer de tijd om terug te gaan naar Karpus en zijn bezittingen op te halen:

Als je komt, breng dan de mantel mee die ik in Troas bij Karpus heb achtergelaten, en de boeken, vooral de perkamenten. 

 

6   δι ην αιτιαν αναμιμνησκω σε αναζωπυρειν το χαρισμα του θεου, ο εστιν εν σοι δια της επιθεσεως των χειρων μου∙

Om die reden herinner ik je eraan de genadegave van God die in je is door de oplegging van mijn handen, opnieuw te doen oplaaien.

7   ου γαρ εδωκεν ημιν ο θεος πνευμα δειλιας, αλλα δυναμεως και αγαπης και σωφρονισμου.

Want God gaf ons niet een geest van lafheid, maar van kracht en van liefde en van bezonnenheid.

 

8   μη ουν επαισχυνθης το μαρτυριον του κυριου ημων μηδε εμε τον δεσμιον αυτου, αλλα συγκακοπαθησον τω ευαγγελιω κατα δυναμιν θεου,

Schaam je dan niet voor het getuigenis van onze Heer, noch voor mij, zijn gevangene, maar lijd mede kwaad voor het Evangelie, naar kracht van God.

 

 

In zijn vermelding van Timotheüs’ ongeveinsde geloof vindt Paulus aanleiding om zijn kind’ krachtig te bemoedigen door diens specifieke genadegave in zijn herinnering terug te roepen, waarschijnlijk die van herder/leraar in de gemeente. In 1Tm 1:14 had hij nog geschreven: Veronachtzaam niet de genadegave die in je is, die je gegeven werd door profetie met oplegging der handen van de gezamenlijke oudsten.  

 

Nu echter dringt hij er bij Timotheüs met klem op aan die gave opnieuw te doen oplaaien. Het Griekse werkwoord αναζωπυρεω doet denken aan een smeulend vuur dat met behulp van een blaasbalg weer wordt aangewakkerd. Bovendien vermeldt Paulus alleen zijn eigen aandeel aan de handoplegging van lang geleden in Lystra, vanwege de zeer persoonlijke relatie die in deze Brief aan de orde is (Hn 16:1-3).

 

Uit vers 7 wordt duidelijk dat Timotheüs’ geestelijke toestand zwaar onder druk staat. Blijkbaar heeft hij zich de brute wegvoering van zijn geestelijke vader bovenmatig aangetrokken en is hij geneigd bangig in ‘zijn schulp te kruipen’. Maar dat is niet de wijze waarop de geest van God - die in elke christen werkzaam is – aandringt. In plaats van zich aan een laffe houding over te geven, voor een netelige kwestie weg te lopen, verleent Gods geest de gelovige juist kracht, alsook liefde en bezonnenheid [of: gezond verstand. Het Griekse σωφρονισμος kan ook duiden op zelfcontrole, in de zin van zichzelf in de hand houden]. 

 

Dat zijn geestelijke vader werd weggevoerd alsof die een ernstige misdadiger zou zijn, een politieke vijand van Caesar, mocht niet tot gevolg hebben dat het Evangelie iets zou zijn om zich voor te schamen. Mensen mogen dan wel van zichzelf denken dat zij geen redding van Gods zijde nodig hebben, dat zij onafhankelijk genoeg zijn om hun eigen leven te leiden, de waarheid is niettemin dat de mens hulpeloos en verloren is.

Ook in dit geval verleent God voldoende kracht om tegen de algemeen heersende opinie in te gaan. Timotheüs zal ongetwijfeld bekend geweest zijn met Paulus’ standpunt dienaangaande, zoals hij verwoordde in Romeinen 1 >

Want ik schaam mij het Evangelie niet, het is immers een kracht Gods tot redding voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood alsook voor de Griek. 

 

In die dagen zullen zeker ook de vroege ervaringen die de apostelen te Jeruzalem opdeden telkens weer binnen gemeenschappen van christenen herhaald zijn. Nadat zij door het Sanhedrin ernstig gewaarschuwd waren en ja, zelfs gegeseld, lezen wij in Handelingen 5 het volgende over hen (nbg):

 

Zij dan gingen uit de Raad weg, verblijd, dat zij verwaardigd waren ter wille van de naam smadelijk behandeld te zijn;  en zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de tempel en aan huis, en verkondigden het evangelie, dat de Christus [Messias] Jezus is.

 

9   του σωσαντος ημας και καλεσαντος κλησει αγια, ου κατα τα εργα ημων αλλα κατα ιδιαν προθεσιν και χαριν, την δοθεισαν ημιν εν Xριστω Iησου προ χρονων αιωνιων,

Hij die ons redde en riep met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar overeenkomstig zijn eigen voornemen en liefderijke gunst, die ons vóór eeuwige tijden in Messias Jezus werd geschonken,

 

10  φανερωθεισαν δε νυν δια της επιφανειας του σωτηρος ημων Xριστου Iησου, καταργησαντος μεν τον θανατον φωτισαντος δε ζωην και αφθαρσιαν δια του ευαγγελιου,

maar nu openbaar werd gemaakt door de manifestatie van onze redder Messias Jezus, die niet alleen de dood teniet deed maar ook leven en onvergankelijkheid aan het licht bracht, door het Evangelie,

 

11  εις ο ετεθην εγω κηρυξ και αποστολος και διδασκαλος.

waarvoor ik werd aangesteld als prediker, apostel en leraar.

 

12  δι ην αιτιαν και ταυτα πασχω, αλλ ουκ επαισχυνομαι, οιδα γαρ ω πεπιστευκα, και πεπεισμαι οτι δυνατος εστιν την παραθηκην μου φυλαξαι εις εκεινην την ημεραν.

Om die reden lijd ik ook deze dingen, maar ik schaam mij niet, want ik weet in wie ik geloof heb gesteld, en ik ben ervan overtuigd dat hij bij machte is het [mij] toevertrouwde te behoeden, tot op die dag.

 

In vers 8 had de apostel Timotheüs gewezen op de noodzaak om mede kwaad te lijden voor het Evangelie, aangezien God zijn zonen daarvoor de kracht verleent. Als vanzelfsprekend mag elke christen op die hulp rekenen, want het is immers God zelf die ons redde en riep met een heilige roeping (vers 9).  En elke roeping kan op zich een wonder genoemd worden, want ze komt bij ieder afzonderlijk tot stand door een nieuwe geboorte, een wederverwekt worden teneinde een nieuwe mens te zijn.

In zijn Efezebrief leerde Paulus al dat aan die nieuwe geboorte een proces van hervorming is verbonden:

Vernieuwd worden in de geest van jullie denken, en je bekleden met de nieuwe mens, die in overeenstemming met God werd geschapen, in waarachtige rechtvaardigheid en oprechtheid (Ef 4:23-24).

 

Eveneens in die Brief kwamen we eerder te weten dat God zich reeds eeuwige tijden geleden had voorgenomen om ons die liefderijke gunst in Messias Jezus te verlenen:

Gezegend de God en Vader van onze Heer Jezus Messias, die ons zegende in alle geestelijke zegen in de hemelsferen in [de] Messias, gelijk hij ons in hem verkoos vóór [de] grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht… Opdat thans aan de overheden en gezagsdragers in de hemelsferen door de Gemeente de rijkgeschakeerde wijsheid Gods bekendgemaakt zou worden, naar [het] voornemen der eeuwen dat hij ontwierp in de Messias Jezus onze Heer (Ef 1:3-4; 3:10-11).

 

Toen die Messiaanse Zoon Gods dan ook in de Eerste eeuw werd gemanifesteerd kon het niet anders of er moesten rondom zijn persoon wonderbaarlijke zaken hun beslag krijgen. En dat gebeurde ook: Door zijn eigen dood deed Jezus in principe de Adamitische dood teniet en bracht hij leven en onvergankelijkheid aan het licht.

En het Evangelie werd het middel om dat Grote Nieuws alom te verspreiden.

Hoe zou Paulus dan - of Timotheüs, of welke christen maar ook - zich ooit voor dat geweldige nieuws kunnen schamen, ook al brengt het geregeld een of andere vorm van lijden met zich mee! 

 

Paulus zelf schaamde zich beslist niet, want juist daartoe had hij van Godswege een aanstelling ontvangen als prediker, apostel en leraar. 

Bovendien was hij zich terdege bewust van hem in wie hij geloofd stelde. Vandaar zijn overtuiging: Hij is bij machte het mij toevertrouwde te behoeden, tot op die dag, de ‘dag’ van de paroesie, zoals ook in 4:8.

In de hoedanigheid van prediker, apostel en leraar had God hem ook gebruikt om veertien door ‘God geademde Geschriften” aan de uiteindelijke canon van de Bijbel toe te voegen. Ook aan die ‘nalatenschap’ kunnen we denken als wij de apostel uiting horen geven aan zijn diepe overtuiging dat hij bij machte is het [mij] toevertrouwde te behoeden, tot op die dag. Tot aan de paroesie, wanneer de Opname van de Gemeente plaats vindt, zouden die Geschriften stuk voor stuk voor alle christenen die nog zouden komen van het allergrootste, geestelijke belang blijken te zijn.

 

13  υποτυπωσιν εχε υγιαινοντων λογων ων παρ εμου ηκουσας εν πιστει και αγαπη τη εν Xριστω Iησου∙

Richt je naar het patroon van gezonde woorden die je van mij hoorde, in geloof en de liefde die in Messias Jezus [is].

 

14  την καλην παραθηκην φυλαξον δια πνευματος αγιου του ενοικουντος εν ημιν,

Behoed door [de] heilige geest die in ons inwonend is, het voortreffelijke pand. 

 

Timotheüs was uiteraard grondig bekend met Paulus’ onderwijs inzake het Evangelie. Hoe vaak had hij dat patroon van gezonde woorden tijdens hun gezamenlijk reizen niet door zijn leermeester horen uiteenzetten! Maar nu, in zijn gedeprimeerde situatie, moet hij in de eerste plaats zichzelf naar dat grondpatroon der christelijke waarheden richten, Niet voor niets had de apostel in de voorafgaande verzen 9 en 10 die fundamentele zaken nog maar eens in zijn herinnering opgeroepen. 

 

Het betreft een van Godswege ontvangen voortreffelijk pand dat in de innerlijke mens van elke christen geplant is door de heilige geest en aldaar ook door die goddelijke kracht behoed wordt. En dat niet met de bedoeling om het daar te bewaren als een schoolse herinnering, maar veeleer om er in vol geloof en liefde voor hen die er nog door geroepen zullen worden, bekendheid aan te geven. Zoals Paulus eerder in 1Ko 2:1-5 te kennen gaf in verband met zijn eigen aanpak te Korinthe:

Mijn woord en mijn prediking [waren] niet in overredende woorden van wijsheid maar in bewijsvoering van geest en kracht, opdat jullie geloof niet zou zijn in wijsheid van mensen maar in kracht Gods.

 

Dat voortreffelijke pand staat in schrille tegenstelling tot de profane holle klanken die de pseudoleraren met hun ziekelijke geest in de gemeente te Efeze lieten horen:

O Timotheüs, behoed wat jou is toevertrouwd, je afwendend van de profane holle klanken en tegenstellingen van de valselijk zo genoemde kennis.

 

Terwijl, volgens vers 12, God er garant voor staat dat Hijzelf tot aan de paroesie alles zou behoeden wat Hij aan Paulus had toevertrouwd, staat hier, als het om behoeden gaat, het menselijke element meer op de voorgrond. Timotheüs moest zelf, weliswaar gesteund door de inwonende geest, het voortreffelijke pand behoeden dat God hem door tussenkomst van de apostel had geschonken: het patroon van gezonde woorden.   

Maar wat voor Timotheüs gold geldt natuurlijk ook elke andere christen; allen moeten, met de ondersteuning van Gods kracht, het gezonde Evangeliewoord koesteren en er in geloof en liefde uiting aan geven.

 

15  Oιδας τουτο, οτι απεστραφησαν με παντες οι εν τη Aσια, ων εστιν Φυγελος και Eρμογενης,

Dit weet je, dat allen die in Asia zijn zich van mij hebben afgewend, van wie Fygelus is, en Hermogenes.

 

16  δωη ελεος ο κυριος τω Oνησιφορου οικω, οτι πολλακις με ανεψυξεν και την αλυσιν μου ουκ επαισχυνθη,

Moge de Heer barmhartigheid schenken aan het huis van Onesiforus, omdat hij mij vele malen verkwikte en zich voor mijn keten niet schaamde;

 

17  αλλα γενομενος εν Rωμη σπουδαιως εζητησεν με και ευρεν

maar toen hij in Rome kwam, zocht hij mij ijverig én vond hij [mij].

 

18  - δωη αυτω ο κυριος ευρειν ελεος παρα κυριου εν εκεινη τη ημερα - και οσα εν Eφεσω διηκονησεν, βελτιον συ γινωσκεις.

Moge de Heer geven dat hij barmhartigheid vindt bij de Heer in die dag. En hoeveel diensten hij in Efeze bewees, weet jij beter.

 

Met allen die in Asia zijn kunnen de broeders bedoeld zijn op wie Paulus wellicht een beroep had gedaan om naar Rome te komen teneinde hem bij te staan in zijn verdediging. Het kan zijn dat Paulus had gehoopt dat zij ontlastende verklaringen hadden kunnen afleggen over zijn activiteiten in Asia. Dat zij zich van de apostel hadden gedistantieerd hield blijkbaar in dat zij zijn verzoek om over te komen hadden afgewezen, misschien uit vrees dat zijzelf betrokken konden worden bij de beschuldigingen die tegen Paulus waren ingebracht; mogelijk ook wegens de hevige vervolging die Nero na de brand van Rome, in 64 AD, tegen de christenen had ontketend.

Vergelijk 4:16 > Bij mijn eerste verdediging kwam niemand mij te hulp, maar allen lieten mij in de steek; het worde hun niet toegerekend.

 

Onder hen waren, zoals Timotheüs wist, ook Fygelus en Hermogenes, broeders met wie Timotheüs kennelijk een nauwe relatie onderhield maar van wie overigens verder niets bekend is. Blijkbaar maakt de apostel melding van hen om des te krachtiger het getrouwe gedrag van Onesiforus te laten uitkomen die zelfs op dat moment aan Timotheüs ten voorbeeld gesteld kon worden. In tegenstelling tot de anderen in het district Asia bleef Onesiforus Paulus loyaal ondersteunen, en toen hij zich in Rome bevond, had hij naarstig naar Paulus gezocht en dat ondanks het risico dat hij daardoor zelf liep. 

 

Bevriend zijn met iemand die voor een vijand van Caesar doorging betekende in die dagen niets minder dan het eigen leven in de waagschaal zetten. Nero placht ieder te elimineren die ook maar van de geringste afwijking van loyaliteit aan hem en zijn doeleinden blijk gaf.

Onesiforus echter trotseerde dat alles en liet blijken dat hij zich niet voor Paulus’ gevangenisboeien schaamde, door de apostel goede diensten te bewijzen, zoals hij dat voorheen ook al in Efeze had gedaan; Timotheüs kon daarover meepraten.

 

De loyale houding van Onesiforus werd door de apostel Paulus zeer op prijs gesteld en hij bad of God diens huisgezin barmhartig wilde zijn. Die omstandigheid en ook het feit dat Paulus aan het einde van de Brief groeten zendt aan het huisgezin van Onesiforus en niet aan Onesiforus zelf (4:19), duidt er blijkbaar op dat hij niet meer in leven was. Wellicht had hij de steun die hij de apostel bood zelf met de dood moeten bekopen; daarover hebben we echter geen enkele zekerheid. 

 

Paulus’ bede dat Onesiforus barmhartigheid mocht vinden bij de Heer in die dag is ook daar weer een toespeling op de Dag der paroesie wanneer de Opname van de Gemeente zal plaats vinden. Maar Onesiforus' huis, zijn gezin, had nu vooral behoefte aan het ervaren van Gods barmhartigheid. 

   

Hoofdstuk 2

Klik hier voor ‘smal lezen’ 

 

1   Συ ουν, τεκνον μου, ενδυναμου εν τη χαριτι τη εν Xριστω Iησου,

Jij dan, mijn kind, word innerlijk sterk in de liefderijke gunst die in Messias Jezus [is];

 

2   και α ηκουσας παρ εμου δια πολλων μαρτυρων, ταυτα παραθου πιστοις ανθρωποις, οιτινες ικανοι εσονται και ετερους διδαξαι.

en de dingen die je van mij hoorde in de aanwezigheid van veel getuigen, vertrouw die toe aan getrouwe mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderwijzen.

 

Zinspelend op het moedige optreden van Onesiforus te Rome waar hij de apostel in diens gevangenschap vele malen verkwikte en zich niet schaamde voor zijn keten, moedigt Paulus nu zijn ‘kind’ aan zich niet door moedeloze neerslachtigheid te laten overmeesteren. Timotheüs moet zich daarentegen innerlijk sterken. Hoe? Door geheel op te gaan in de genade [liefderijke gunst] die elke christen ten deel valt in zijn verbondenheid met Messias Jezus.

Dat is wat ook Onesiforus had gedaan. Die had zich sterk betoond binnen dat voor een christen nieuw levenselement en was hij in staat geweest om de angst en de druk van zijn omgeving te weerstaan​​ en een voorbeeld te worden voor Timotheüs en ons allen​​.

 

Alleen wanneer wij onszelf geheel afhankelijk maken van die nieuwe, door de geest geleide wijze van leven, kunnen wij iets voor anderen betekenen, met name om de christelijke waarheden die wijzelf uit de Bijbel vernamen aan getrouwe mensen toe te vertrouwen. Hierbij worden wij herinnerd aan

zowel Jezus’ verzekering dat hij de Helper, Gods geest, die ook de geest der waarheid is, zou zenden welke ons niet alleen behulpzaam is om de christelijke waarheden zelf te vernemen maar ook om ze vervolgens met inzicht te verkondigen;

  wat Paulus eerder schreef aan zijn ‘kind’ in 1:13-14, namelijk de noodzaak dat wij ons richten naar het patroon van gezonde woorden die je van mij hoorde, in geloof en de liefde die in Messias Jezus [is].

Daarbij gaat het om een voortreffelijk pand dat door [de] heilige geest die in ons inwonend is behoed wordt. 

 

Aan wie moeten wij denken als Paulus ons aanmoedigt om de waarheden van het Evangelie slechts toe te vertrouwen aan getrouwe mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderwijzen?

Blijkbaar aan die personen die God op ons pad brengt en die blijk geven van

een onderzoekende geest, een geest die bereid is om het eigen ego opzij te zetten en met een nederig hart nieuwe dingen te leren en te aanvaarden.

Omdat Paulus ook wijst op de noodzaak van een verdere verspreiding van het Evangelie moeten wij tevens denken aan personen van wie Jezus zei dat het zaad bij hen in voortreffelijke aarde viel. Met welk gevolg?

 

De in goede aarde gezaaide is hij, die het woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig. 

(Mt 13:23).

 

Met het oog daarop wijst Paulus ook op de noodzaak van een getrouwe geest, doelend op hen die voortaan, wanneer zij de waarheden van het Evangelie begrepen hebben, alleen nog daarvoor leven.

Uit dit alles begrijpen we hoeveel Paulus eraan gelegen was dat zijn leer, vervat in veertien door ‘God geademde Geschriften”, als ‘nalatenschap’ voor de Gemeente bewaard bleef tot aan de paroesie, wanneer de Opname van de Gemeente plaats vindt. In de tussenliggende eeuwen zouden die Geschriften stuk voor stuk voor alle christenen die nog zouden komen van het allergrootste, geestelijke belang zijn.

 

Dat God zelf ervoor zou zorgdragen dat de in die Bijbelboeken vervatte kostbare waarheden voor hen toegankelijk zouden blijven, blijkt uit zijn overtuiging dat hij [God] bij machte is het [mij] toevertrouwde te behoeden, tot op die dag. Ware christenen zouden zich niet alleen zelf richten naar dat patroon van gezonde woorden, maar de heilige geest die in ons inwonend is, zou dat voortreffelijke pand ook bij hen behoeden (2Tm 1:12-14).

 

In zijn Eerste Brief aan Timotheüs, in 3:15, had de apostel gewezen op het Huis van God, Gemeente van een levende God, als de plaats waar de Evangelische waarheden voorhanden moesten blijven als een pilaar en ondersteuning van de waarheid.

Maar direct daarop aansluitend liet hij tegelijkertijd weten dat er grote geestelijke gevaren dreigden:

Maar de geest zegt uitdrukkelijk dat in latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen, gehoor gevend aan dwaalgeesten en leringen van demonen, als gevolg van huichelarij van leugensprekers die hun eigen geweten hebben dichtgeschroeid (1Tm 4:1-2).

 

Dat er een algemene, niet te vermijden geloofsafval op handen was, had hij zelfs reeds circa 10 jaar eerder aan de Oudsten van Efeze laten weten toen die, tijdens de Derde zendingsreis te Milete bij hem ontboden waren:

Ik weet dat na mijn heengaan onderdrukkende wolven bij jullie zullen binnendringen die de kudde niet sparen; zelfs mannen uit jullie eigen kring zullen opstaan en verdraaide dingen spreken om de leerlingen achter zich aan te trekken.

(Hn 20:29-30; wv).

 

Uit al het voorgaande komen we derhalve tot de conclusie dat de Paulinische waarheden niet te vinden zijn in de grote kerkstelsels, maar in ‘stukjes’ Huis van God, Gemeente van een levende God, pilaar en ondersteuning van de waarheid, samengesteld uit getrouwe christenen die de waarheden doorgeven aan getrouwe mensen die op hun beurt bekwaam zijn om ze weer aan anderen te onderwijzen; gewoonlijk binnen zeer beperkte groepjes van christenen of zelfs op individuele basis.

Zie: De Afval .

 

3   συγκακοπαθησον ως καλος στρατιωτης Xριστου Iησου.

Lijd mede kwaad als een voortreffelijk soldaat van Messias Jezus.

 

4   ουδεις στρατευομενος εμπλεκεται ταις του βιου πραγματειαις, ινα τω στρατολογησαντι αρεση∙

Niemand die als soldaat dient, verwikkelt zich in de bezigheden van het leven, opdat hij hem behaagt die hem aanwierf.

 

5   εαν δε και αθλη τις, ου στεφανουται εαν μη νομιμως αθληση.

Ook als iemand strijdt [in de Spelen], wordt hij niet gekroond als hij niet streed volgens de regels.

 

6   τον κοπιωντα γεωργον δει πρωτον των καρπων μεταλαμβανειν.

De hardwerkende landman moet het eerst van de vruchten genieten.

 

Teneinde innerlijk sterk te worden in de liefderijke gunst die in Messias Jezus is  en niet bangelijk terug te deinzen bij vervolging en lijden, gebruikt de apostel drie metaforen:

1  Als een soldaat die door Messias Jezus zelf is aangeworven moet Timotheüs bereid zijn (geestelijk) te strijden en alle tegenslagen, zelfs de dood, moedig onder ogen zien. Pogingen om zich aan beproevingen te onttrekken, door terug te vallen in de levenswijze van de mensenwereld die buiten de Gemeente algemeen is, zou desertie inhouden, een laffe, met het Christendom strijdige instelling. 

 

2  Christenen zijn in zekere zin ook te vergelijken met de atleten die destijds kampten in de Griekse Spelen. De Istmische Spelen werden elke drie jaar gehouden, net buiten Korinthe.  Men kan daar nog de renbanen zien waar de hardloopwedstrijden werden gehouden.

De atleten die aan de wedlopen deelnamen moesten een eed afleggen waarin zij verklaarden dat ze een training hadden gevolgd die 10 maanden in beslag nam, en ook dat zij hadden afgezien van bepaalde smakelijke voedselgerechten om in staat te zijn de wedloop te volbrengen.

 

Om de overwinning te behalen hadden zij zich aan een behoorlijk strenge discipline onderworpen en van bepaalde voorrechten afgezien die voor de andere burgers normaal waren. De Grieken hechtten hoge en zelfs godsdienstige waarde aan de regels die bij de wedstrijden in acht moesten worden genomen; overtredingen werden gestraft en leidden tot oneer en schande.

Samen met Paulus had Timotheüs enkele malen Korinthe bezocht; beide waren dus goed bekend met het verloop van de Spelen (1Th 1:1; 3:6; Rm 16:21, 23).

 

3  In deze metafoor spreekt Paulus doelbewust over een hardwerkende landman. De inspanningen die een christen zich getroost zijn met die van hem vergelijkbaar. Denk aan 1Ko 3:5-9 >

Wat dan is Apollos? Wat immers is Paulus? Dienaren door wie jullie tot geloof kwamen, en aan ieder zoals de Heer schonk. Ik plantte,  Apollos begoot, maar God gaf de groei, zodat noch hij die plant iets is, noch hij die begiet, maar God die de groei geeft. Hij nu die plant en hij die begiet zijn één,  maar ieder zal het eigen loon ontvangen naar de eigen inspanning. Want wij zijn Gods medearbeiders. Gods akker, Gods bouwwerk zijn jullie.

 

Bij zijn geestelijke inspanningen als ‘landbouwer’ ondervindt de christen moeilijkheden en soms lijden en vervolging, maar daar staat tegenover dat hij van alle andere mensen als eerste van de vrucht geniet, in de vorm van geestelijke beloningen. Aangezien een christen bij zulke geestelijke inspanningen meer dan iemand anders op zijn nauwe verhouding met God steunt, houdt hij zijn innerlijk leven ook meer op peil. De inzet als die van een soldaat, de gedisciplineerdheid als die van een atleet, en de ijver als die van een boer helpen ons, christenen, bijzonder om op God gericht te blijven, op Hem van wie alle ware zegen komt. Ook brengen ze ons in de situatie waartoe Jezus aanmoedigde: Niemand kan twee Heren dienen…Zoek dan eerst het Koninkrijk en zijn [Gods] rechtvaardigheid (Mt 6). 

 

7   νοει ο λεγω∙ δωσει γαρ σοι ο κυριος συνεσιν εν πασιν.

Denk na over wat ik zeg, want de Heer zal je inzicht geven in alle dingen.

 

8   Mνημονευε Iησουν Xριστον εγηγερμενον εκ νεκρων, εκ σπερματος Δαυιδ, κατα το ευαγγελιον μου∙

Houd in gedachten Jezus Messias opgewekt zijnde uit [de] doden, uit Davids zaad, naar mijn Evangelie,

 

9   εν ω κακοπαθω μεχρι δεσμων ως κακουργος, αλλα ο λογος του θεου ου δεδεται.

waarin ik kwaad lijd tot in boeien als boosdoener; maar het woord van God is niet geboeid.

 

10  δια τουτο παντα υπομενω δια τους εκλεκτους, ινα και αυτοι σωτηριας τυχωσιν της εν Xριστω Iησου μετα δοξης αιωνιου.

Daarom verduur ik alle dingen ter wille van de uitverkorenen, opdat ook zij redding mogen verkrijgen die in Messias Jezus [is], met eeuwige heerlijkheid.

 

Het denk na over wat ik zeg  van vers 7 heeft betrekking op de drie metaforen van de vv 3 tm 6. Parabels waarover niet wordt uitgeweid wekken meteen de aandacht maar eisen wel nader onderzoek om de bedoeling ervan duidelijk te krijgen. 

Paulus heeft evenwel het vertrouwen dat de Heer, Messias Jezus, voor het juiste inzicht zal zorgen. Hijzelf had immers nog bij zijn leven toegezegd dat de heilige geest zijn leerlingen geestelijke verlichting zou schenken (Jh 14:16-17, 26). 

Vergelijk ook Mt 13:51-52 in verband met het ‘verstaan’ van de koninkrijksparabels van Mt 13.  

 

Timotheüs nog verder aansporend om moedig eventueel lijden onder ogen te zien, attendeert zijn geestelijke ‘vader’ hem op ons aller voorbeeld bij uitstek, Messias Jezus. Om aan hem, Davids zoon, de koninkrijksbeloften van onder meer 2Sm 7:18-29; Psalm 2; Psalm 110; Ps 132:11;  Lk 1:26-33 te vervullen, wekte God zijn Messiaanse Zoon, nadat deze tot in de dood toe had geleden, op vanuit het rijk der doden (Hn 2:22-36; 3:12-22).

 

In de Paulinische Brieven, mijn Evangelie, vernemen we eveneens die waarheden.

Denk aan de inleiding van de Romeinenbrief:

Paulus, slaaf van Messias Jezus, geroepen apostel, afgezonderd voor Gods Evangelie, dat hij tevoren beloofde door zijn profeten, in heilige Geschriften, betreffende zijn Zoon, die voortkwam uit Davids zaad naar [het] vlees, die werd aangewezen als Zoon Gods in kracht naar [de] geest van heiligheid uit opstanding der doden, Jezus Messias, onze Heer.

 

Als ‘mede-erfgenamen’ van die Messiaanse Zoon Gods zullen alle leden van zijn Gemeentelichaam - van wie sommigen eveneens tot in de dood lijden ondergingen; Paulus zelf bijvoorbeeld – bij de Opname de Heer tegemoet gaan in de lucht om voor altijd bij hem te zijn, zodat zij met hem als koningen en onderpriesters kunnen functioneren tot zegen van de mensheid (Rm 8:17; 1Th 4:13-17). 

Zie ook: In het huis van mijn Vader zijn vele woningen.

 

Tot sommige Korinthische christenen die blijkbaar lijden uit de weg wilden gaan, had hij eerder – niet zonder een dosis sarcasme – het volgende geschreven:

Jullie zijn [toch] al verzadigd; jullie waren [toch] al rijk; jullie gingen [toch] als koningen regeren, zonder ons. En ik wenste waarlijk dat jullie als koningen gingen regeren opdat ook wij tezamen met jullie als koningen mochten regeren!

(1Ko 4:8)

 

Welnu, voor het verwerven van die ‘redding’ door zijn mede-uitverkorenen is Paulus bereid alles te verduren, zelfs al moet hij de schande ondergaan alsof hij een misdadiger zou zijn die in de gevangenis thuis hoort. Maar zelfs in die trieste plaats is de verbreiding van het Evangelie niet te stuiten. Hijzelf, Gods apostel der Heidenvolken, mag dan in ketenen verkeren, het Woord van God is niet geketend, wat wel blijkt uit het feit dat hij zelfs onder die omstandigheden mondeling en schriftelijk daaraan verspreiding kan geven. Alle pogingen die door mensen in het werk worden gesteld om te verhinderen dat het Evangelie Gods zijn uitverkorenen bereikt zullen uiteindelijk niet succesvol zijn, aangezien God op zijn eigen wijze zijn eigen werk verricht.

 

11  πιστος ο λογος∙

        ει γαρ συναπεθανομεν, και συζησομεν∙

Betrouwbaar [is] het woord:

        Want indien wij tezamen stierven, zullen wij ook tezamen leven;

 

12    ει υπομενομεν, και συμβασιλευσομεν∙

        ει αρνησομεθα, κακεινος αρνησεται ημας∙

        indien wij blijven verduren, zullen wij ook tezamen [als koningen]  

        regeren;

        indien wij zouden verloochenen, zal ook hij ons verloochenen;  

 

13    ει απιστουμεν, εκεινος πιστος μενει,

        αρνησασθαι γαρ εαυτον ου δυναται.

        indien wij ontrouw zijn, hij blijft trouw,

        want zichzelf verloochenen kan hij niet.

 

In deze verzen, 11 tm 13, schijnen wij geconfronteerd te worden met een oudchristelijke hymne, vergelijkbaar met 1Tm 3:16, waar in de vorm van een hymne het geheimenis der godsvrucht wordt voorgesteld en wel in de vorm van drie tegenstellingen.

Hier hebben we te maken met een serie streng symmetrische zinsdelen, bedoeld om christenen in tijden van vervolging tot standvastigheid aan te moedigen, in de zekerheid dat hun een kroon wacht.

 

Vers 11 > Hier vermeldt de hymne allereerst wat Paulus zelf vroeger had uiteengezet in Rm 6:8-11 >

Indien wij echter samen met [de] Messias stierven, geloven wij dat wij ook samen met hem zullen leven, wetend dat Messias, aangezien hij uit doden werd opgewekt, niet meer sterft. Dood voert geen heerschappij meer over hem. Want [de dood] die hij stierf, stierf hij voor de zonde eens voor altijd; maar [het leven] dat hij leeft, leeft hij voor God. Zo moeten jullie ook jezelf beschouwen: weliswaar doden met betrekking tot de zonde, maar voor God levend in Messias Jezus.

 

Als christenen leven wij als het ware tussen twee tijden, tussen verleden en toekomst. Enerzijds heeft het verleden, het tijdperk van de zonde, voor ons afgedaan; wij stierven met betrekking tot de zonde en werden met de Messias 'begraven' door de doop in zijn dood. En zoals Jezus na zijn opstanding een nieuw bestaan ging leiden op een geheel ander niveau, zó ook wij die thans wandelen in een nieuwheid van leven.

 

Met uitzondering van de laatste generatie – die vanuit een levende toestand worden veranderd tot de nieuwe, geestelijke natuur - moeten alle christenen ook werkelijk letterlijk sterven, door alsnog de Adamitische dood te ondergaan. Maar onder welke omstandigheden zij ook sterven – hetzij een natuurlijke dood, hetzij een gewelddadige dood door vervolging - het zou altijd zijn in verbondenheid met hun Heer. Want we leven tezamen met hem en sterven tezamen met hem.

 

Die waarheid had Paulus eerder verwoord in 1Th 5:9-10 >

Want God bestemde ons niet tot gramschap maar tot verkrijging van redding door onze Heer Jezus Messias, die stierf ten behoeve van ons opdat wij, hetzij wij waken hetzij slapen, tezamen met hem zouden leven.

 

Wat de apostel in 1Th 4 (13-17) had verzekerd – dat bij de paroesie alle christenen van alle generaties tegelijkertijd het leven in de bovennatuurlijke sfeer zullen binnengaan – beklemtoonde hij in hoofdstuk 5 nogmaals: Het zal geen verschil maken of wij dan nog in leven zijn (waken) of reeds gestorven zijn (slapen). 

Zie ook het commentaar op Romeinen 6.

 

Vers 12 > De leden van Jezus’ Gemeentelichaam zullen met hem delen in het koningschap. We constateerden dat eerder in de vorige perikoop bij vers 8 > Jezus Messias opgewekt zijnde uit [de] doden, uit Davids zaad, naar mijn Evangelie.

De Heer zelf zal ons ondersteunen om alle tegenstand te verduren.

Dit vers wijst bijgevolg op de werkelijke aanwezigheid van geloof bij ons. 

 

Als wij echt onze Heer toebehoren, wanneer hij werkelijk door Gods geest bij ons inwonend is, zal dat feit altijd tot uiting komen door onze bereidheid 

- om met hem lijden te verduren,

- om voor zijn zaak van een aantal dingen afstand te doen,

 - om onszelf resoluut te verzetten tegen de verlokkingen en verleidingen van dit tijdsgewricht en binnen een andere levensstijl te leven. 

 

Dat is namelijk de manifestatie van waar christelijk leven, en wanneer daarvan sprake is, is het ook absoluut zeker dat we met hem in de erfenis zullen delen; eenvoudig omdat we van hem zijn. 

De tegenstelling indien wij zouden verloochenen, zal ook hij ons verloochenen  wijst daarom op de afwezigheid van werkelijk geloof en het feit dat men geen ware roeping tot het Christendom bezit. Vergelijk Mt 7:22-23.

 

Vers 13 > Met indien wij ontrouw zijn erkent Paulus dat ook ware christenen - zelfs zij die het leven van hun Heer in zich hebben en die bereid zijn om te lijden -  momenten kunnen hebben waarop zij toegeven, zwak zijn en kunnen falen, tot struikelen toe. Petrus bleek zo iemand te zijn toen hij uit pure zwakheid ontkende dat hij deel uitmaakte van Jezus’ gezelschap.

Maar Jezus behield nog steeds zijn trouw jegens hem: Hij blijft trouw, want zichzelf verloochenen kan hij niet.

En dat geldt ook voor ons. Wanneer Jezus door Gods geest inderdaad bij ons inwonend is zal hij ons veilig bewaren en ons eventueel uit een zwakheid herstellen, door ons terug te leiden tot nederig berouw en erkenning van ons foutief handelen. Precies zoals hij ook aan Petrus had toegezegd: 

 

Simon, Simon, zie, de Satan heeft jullie voor zich opgeëist om heen en weer te bewegen als de tarwe in een zeef. Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou bezwijken; en jij, als je eenmaal bent teruggekeerd, versterk je broeders. Maar hij zei tot hem: Heer, met jou ben ik bereid om heen te gaan, zowel in gevangenis als in dood. Hij echter zei: Ik zeg je, Petrus, een haan zal vandaag niet kraaien totdat je driemaal hebt geloochend mij te kennen.

(Lk 22:31-34)

 

Zie: Verloochening voorzegd.

 

14  Tαυτα υπομιμνησκε, διαμαρτυρομενος ενωπιον του θεου μη λογομαχειν, επ ουδεν χρησιμον, επι καταστροφη των ακουοντων.

Breng deze dingen in herinnering, voor het aangezicht van God dringend betuigend geen woordenstrijd te voeren, welke tot niets dient dan tot rampspoed van de hoorders.

 

15  σπουδασον σεαυτον δοκιμον παραστησαι τω θεω, εργατην ανεπαισχυντον, ορθοτομουντα τον λογον της αληθειας.

Beijver je om jezelf aan God welbeproefd ter beschikking te stellen; een arbeider die zich niet schaamt, die het woord der waarheid recht snijdt.

 

16  τας δε βεβηλους κενοφωνιας περιιστασο∙ επι πλειον γαρ προκοψουσιν ασεβειας,

Maar de profane holle klanken moet je uit de weg gaan, want zij zullen nog meer goddeloosheid bevorderen,

 

17  και ο λογος αυτων ως γαγγραινα νομην εξει∙ ων εστιν Υμεναιος και Φιλητος,

en hun woord zal als gangreen voortwoekeren. Tot hen behoren Hymeneüs en Filetus,

 

18  οιτινες περι την αληθειαν ηστοχησαν, λεγοντες [την] αναστασιν ηδη γεγονεναι, και ανατρεπουσιν την τινων πιστιν.

die van de waarheid afweken, zeggend dat de opstanding reeds heeft plaatsgevonden, en zij werpen het geloof van sommigen omver.

 

Al bij het begin van dit hoofdstuk, in het commentaar op de vv 1 en 2, constateerden we dat we als een christen alleen iets voor anderen kunnen betekenen wanneer wij onszelf geheel afhankelijk maken van het nieuwe, door de geest van God geleide wijze van leven, met name door de christelijke waarheden die wijzelf uit de Bijbel ontvingen toe te vertrouwen aan (andere) getrouwe mensen.   

Daarbij kunnen we steunen op Jezus’ verzekering dat hij de Helper, Gods geest - die ook de geest der waarheid is - zou zenden welke ons niet alleen behulpzaam is om de christelijke waarheden zelf te vernemen maar ook om ze vervolgens met inzicht te verkondigen. Alleen op die wijze functioneren we als een ‘stukje’ christelijke Gemeente, in 1Tm 3:15 door Paulus aangeduid als pilaar en ondersteuning van de waarheid.  En alleen op die basis kon de algemene, niet te vermijden geloofsafval die op handen was, nog enigszins ingedamd worden.   

 

En ook in deze perikoop, vanaf vers 14, wordt de apostel niet moe om Timotheüs in die richting raad te geven. Zoals hij ook in de Eerste Brief telkens weer had beklemtoond moest hij binnen zijn eigen kring krachtig optreden tegen de verkeerde leraars, die zich het liefst inlieten met allerlei twistvragen, woordenstrijd en regelrechte beuzelpraat. Want zulke dingen strekken de toehoorders slechts tot rampspoed.

Vergelijk 1Tm 1:3-11 en 6:3-10.

 

Timotheüs zelf moet het juiste voorbeeld stellen: Gods arbeider die zich nergens voor behoeft te schamen, en dat zeker niet wanneer hij met het Woord van het Evangelie correct omgaat; volgens het Grieks het recht snijdt. Het Griekse werkwoord ορθοτομεω kan verwijzen naar een boer die rechte voren trekt. De nbg vertaalt dan ook die rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid.

 

Hymeneüs en Filetus waren echter al verder gegaan dan het ‘verkopen’ van beuzelpraat. Zij verspreidden onder meer de leer dat de opstanding reeds had plaats gevonden, kennelijk doelend op datgene wat een christen ervaart wanneer hij met geloof op zijn roeping reageert. Zoals gepreciseerd door Paulus in Rm 6:3-4>

Weten jullie niet dat zovelen die in Messias Jezus werden gedoopt, in zijn dood werden gedoopt? Wij werden dan met hem begraven door de doop in de dood, opdat -  evenals [de] Messias uit doden werd opgewekt door de heerlijkheid van de Vader - zo ook wij in een nieuwheid van leven zouden wandelen.

 

Dat nieuwe leven was alles wat een christen mocht verwachten, van een letterlijke opstanding zou geen sprake zijn, tenminste volgens H + F.

Onder meer vanuit 1 Korinthe 15 weten wij dat de opstanding, voor de Gemeente bij de Opname, volkomen zeker is; het is het ‘gronddogma’ van de christelijke leer.

Welnu, Paulus bestempelde dit dan ook niet meer als onschuldige ‘holle klanken’, maar als regelrechte afvalligheid en ασεβεια; Grieks voor goddeloosheid. Zij en hun afvallige leringen waren als een kankergezwel dat steeds verder om zich heen grijpt en ook andere, nog gezonde delen van een lichaam aanvreet. De apostel waarschuwt daarvoor; hij weet dat het proces op den duur niet te stuiten is.

 

19  ο μεντοι στερεος θεμελιος του θεου εστηκεν, εχων την σφραγιδα ταυτην∙ Eγνω κυριος τους οντας αυτου,

και,

Aποστητω απο αδικιας πας ο ονομαζων το ονομα κυριου.

Maar toch, het vaste fundament van God staat, dit zegel hebbend:

De Heer kent degenen die van hem zijn;

en:

Laat ieder die de naam van de Heer noemt, afstand nemen van ongerechtigheid.

 

Zoals we al vaststelden leerde Hymeneüs dat er geen letterlijke opstanding zou zijn; hij erkende slechts het geestelijk tot leven komen ten tijde van de wedergeboorte. Bij het verbreiden van die leer voegde hij zich waarschijnlijk naar de Griekse filosofie welke in die dagen in Efeze ook de overhand had en die propageerde dat het lichaam slechts kwaad was en dat het bijgevolg voor God ondenkbaar was zulke lichamen ook maar ooit op te wekken; zij vormden slechts graftombes en men kon zich gelukkig prijzen wanneer men daaraan kon ontsnappen. Ook het feit dat de sekte der Sadduceeën leerde dat er geen opstanding is, kan verdere voeding aan die gedachtegang hebben gegeven (Lk 20:27-40).

 

Tegenover die dwaalleer stelt de apostel het vaste fundament van God, een grondslag die naar het Grieks στερεος is, d.i. vast; solide; massief. En, zo vervolgt hij, dat solide fundament heeft een tweevoudig zegel, dat wil zeggen een waarmerk waardoor de vastheid van het fundament door God zelf wordt bekrachtigd en gewaarborgd. Timotheüs hoeft zich om die reden niet ‘van streek’ te laten brengen, ook al steekt in de gemeente afvalligheid de kop op en zijn er uitingen van ketterse dwaalleer waartegen hij moet optreden: Gods solide fundament kan niet werkelijk aangetast worden. Waarom niet?   

 

Paulus brengt hem het schokkende verslag van Numeri 16 in herinnering. Met de ondersteuning van Dathan, Abiram en On, behorend tot de stam Ruben, tezamen met 250 Israëlitische oversten, keerde de invloedrijke Kehathiet Korach, een Leviet, zich tegen Gods aanstelling van Mozes en Aäron. Hun grootste verwijt was: Waarom stellen jullie je boven de gemeente van Jahweh? Daarmee ten onrechte suggererend dat zij zich eigenmachtig hadden verheven boven een gemeente van gelijken, waarin elk lid heilig was (Nm 16:1-3).

 

De Kehathitische Levieten waren destijds, tijdens de tocht naar het Beloofde Land, vlak bij de Rubenieten gelegerd. Het kan dus heel goed zijn dat Korach en sommige vooraanstaande mannen van de stam Ruben dikwijls met elkaar van gedachten hebben gewisseld. Aangezien Ruben de eerstgeboren zoon van Jakob was, kunnen sommigen van deze nakomelingen van hem aanstoot genomen hebben aan het feit dat Mozes bestuursautoriteit over hen uitoefende. Korach was er van zijn kant kennelijk niet tevreden mee slechts als een assistent van de Aäronische priesterschap dienst te verrichten. Zie: Plattegrond Tabernakel.

 

In Nm 16:5 lezen we Mozes’ reactie:

Hij sprak tot Korach en heel zijn aanhang: ‘Morgen zal Jahweh bekend maken wie de man van zijn keuze is; de heilige, degene die Hij uitkiest, zal Hij tot zich laten naderen’ (wv78).

 

Met die uitspraak hebben wij Gods kant van het tweevoudige ‘zegel’:  De Heer kent degenen die van hem zijn; vrijwel letterlijk naar de LXX > Eγνω o Θεος τους οντας αυτου.

Daarmee bevestigt Paulus wat hij meer dan eens in zijn Brieven benadrukt had: God kende tevoren hen die hij zou roepen om een specifieke rol te vervullen in de uitwerking van zijn voornemen, om als het hemelse deel van Abrahams zaad binnen de regeling van het koninkrijk Gods tot een zegen te worden voor de Heidenvolken. Maar ook om binnen die Bestuursregeling er toe bij te dragen dat alles in hemel en op aarde weer op God gericht wordt en in volkomen harmonie met Hem gebracht >

 

  Hen die naar voornemen geroepenen zijn. Want hen die hij tevoren kende, bestemde hij ook tevoren [tot] gelijke gedaante van het beeld van zijn Zoon, opdat hij eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. Hen dan die hij voorbestemde, dezen riep hij ook (Rm 8:28-29).

 

  Gezegend de God en Vader van onze Heer Jezus Messias, die ons zegende in alle geestelijke zegen in de hemelsferen in [de] Messias, gelijk hij ons in hem verkoos vóór [de] grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht… Hij maakte ons namelijk het geheimenis van zijn wil bekend, naar zijn welbehagen dat hij zich had voorgenomen in hem, voor een huishoudelijk bestuur van de volheid der tijden, om alle dingen onder één hoofd samen te brengen in de Messias (Ef 1:3-4, 9).

 

De andere zijde van het zegel is de menselijke bijdrage in deze zaak van God: Laat ieder die de naam van de Heer noemt, afstand nemen van ongerechtigheid.

Ook dit aansporende citaat voert ons terug naar Numeri 16. Toen de Israëlitische oproerkraaiers hardnekkig volhardden in hun rebellie sprak Jahweh het volgende tot Mozes: Spreek tot de gemeenschap en zeg: Trek u terug van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram.  Daarop vond het volgende plaats:

 

Toen stond Mozes op en hij ging naar Dathan en Abiram, en de oudsten van Israël gingen achter hem aan. En hij sprak tot de gemeenschap: Ga toch bij de tenten van deze goddeloze mannen vandaan, raak niets aan van alles wat van hen is, anders zult u door al hun zonden weggevaagd worden (Nm 16:24-26; hsv).

 

Degenen die God werkelijk toebehoren, hen die hij riep - of nog zal roepen - om een specifieke taak in zijn voornemen te vervullen, zullen vroeg of laat onderscheiden wat binnen een gemeenschap van christenen werkelijk Gods waarheid is en wat, anderzijds, op dwaling berust. Dat zal hen in de gelegenheid stellen gehoor te geven aan de vermaning: Een ieder die de naam van de Heer noemt verwijdere zich van ongerechtigheid.

 

Zowel hier, bij Paulus, als in Nm 16:27 (LXX) is in het Grieks het werkwoord αφίστημι gebruikt dat de betekenis heeft van afstand nemen van; zich verwijderen: Toen trokken zij weg uit de omtrek van de woning van Korach, Datan en Abiram (Nm 16:27; nbg).

Ray Stedman gaf op vers 19 onder meer onderstaand commentaar:

 

The apostle says that those who are genuine will depart from iniquity. That is the test of a true believer. There is a life in him that will not let him compromise himself with evil and iniquity forever. There may be a long-term struggle… but God will not let them go on. They must leave the false teaching at last because they cannot live with themselves any longer. Speaking of certain apostates, the apostle John said, "They went out from us that it might be evident that they were not of us, for if they had been of us they would have continued with us," (1 John 2:19). That is the mark that will encourage Timothy.

 

20  Eν μεγαλη δε οικια ουκ εστιν μονον σκευη χρυσα και αργυρα αλλα και ξυλινα και οστρακινα, και α μεν εις τιμην α δε εις ατιμιαν

In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommigen weliswaar tot eer, maar sommigen tot oneer.

 

21  εαν ουν τις εκκαθαρη εαυτον απο τουτων, εσται σκευος εις τιμην, ηγιασμενον, ευχρηστον τω δεσποτη, εις παν εργον αγαθον ητοιμασμενον.

Wanneer dan iemand zich grondig reinigt van deze [vaten], zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot elk goed werk toebereid.

 

Het voorgaande, van vers 19, gaat de apostel nu illustreren door de Gemeente van God – volgens 1Tm 3:15 pilaar en ondersteuning van de waarheid – te vergelijken met een groot huis waarin zich huisraad bevindt van allerlei soort. Daaronder zijn niet alleen kostbare vaten van goud en zilver die voor een eervol doel gebruikt worden maar ook die van hout en leem vervaardigd zijn welke gewoonlijk aangewend worden voor een meer profaan gebruik. 

 

Volgens 1Ko 3:11 is Messias Jezus het enige en ware fundament waarop de Gemeente gebouwd is; volgens Ef 2:20 de Hoeksteen.  Maar in 1Ko 3:10-11 waarschuwde Paulus ook reeds voor ondeugdelijke manieren waarop er door anderen verder wordt gebouwd op dat fundament:

Overeenkomstig de liefderijke gunst die mij werd geschonken legde ik als een wijs bouwmeester een fundament, maar een ander bouwt erop. Laat ieder erop toezien hoe hij bouwt, want niemand kan een ander fundament leggen dan die er ligt, welke is Jezus Messias.

 

Maar die waarschuwing werd al heel vlug door niet kundige ‘bouwers’ genegeerd. Dat het fundament en het daarop gebouwde huis, de Gemeente, onwrikbaar vast staan betekent derhalve nog niet dat ook alle gelovigen tegen dwaling gevrijwaard zijn. Zoals het grote woonhuis met allerlei huisraad gevuld is, zo herbergt de Wereldgemeenschap die het stempel ‘christelijk’ draagt eveneens een grote diversiteit aan ‘gelovigen’. Onder hen bevinden zich zeker hen die door God gekend worden, zij die hem toebehoren, degenen die vaststaan in het geloof. Maar er zijn ook de vele dwaalleraren van wie sommigen rechtstreekse ‘beuzelpraat’ verkondigen waardoor hun (niet zelden) grote aanhang misleid wordt. 

 

Iedereen kan immers gemakkelijk onderscheiden dat niet elk stukje ‘bovenbouw’ in lijn is met het fundament, Messias Jezus. Het gaat daarbij niet slechts om het leerstellige bouwwerk van de ekklèsia, de christelijke Gemeente, maar ook om de diverse aspecten waarin het geloofsleven zich uit.

Het kan dus niet anders of er moeten binnen de ‘christelijke wereldgemeenschap’ naast de vaten met een eervolle bestemming ook vaten met een minderwaardige bestemming functioneren. 

 

Welnu, wanneer een waar christen bruikbaar wil zijn voor zijn Heer en eigenaar, Jezus, hier aangeduid als δεσποτης, de Meester van het Huis, moet hij zich grondig reinigen; Grieks εκκαθαιρω, letterlijk uitzuiveren (1Ko 5:7), dus zich volkomen zuiveren van alle onreine, profane invloeden. Alleen dan zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot elk goed werk toebereid.

 

Ook daarin zien wij weer een overeenkomst met de toepassing van vers 19, het tweezijdige zegel: De Heer kent degenen die van hem zijn (Gods zijde; zijn soevereine keuze ons voor een speciale bestemming te gebruiken), en: Laat ieder die de naam van de Heer noemt, afstand nemen van ongerechtigheid (Onze zijde; afstand nemen van onzuiver ‘christen zijn’).

 

22  τας δε νεωτερικας επιθυμιας φευγε, διωκε δε δικαιοσυνην, πιστιν, αγαπην, ειρηνην μετα των επικαλουμενων τον κυριον εκ καθαρας καρδιας.

Maar ontvlucht de begeerten der jeugd; jaag daarentegen gerechtigheid na, geloofstrouw, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.

 

23  τας δε μωρας και απαιδευτους ζητησεις παραιτου, ειδως οτι γεννωσιν μαχας∙

Wijs evenwel de dwaze en ongerijmde speculaties af, wetend dat zij strijdpunten veroorzaken.

 

24  δουλον δε κυριου ου δει μαχεσθαι, αλλα ηπιον ειναι προς παντας, διδακτικον, ανεξικακον,

Een slaaf van de Heer echter moet niet strijden, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te onderwijzen, kwaad verdragend;

 

25  εν πραυτητι παιδευοντα τους αντιδιατιθεμενους, μηποτε δωη αυτοις ο θεος μετανοιαν εις επιγνωσιν αληθειας,

in zachtaardigheid de dwarsliggers opleidend. Wellicht schenkt God hun berouw tot juiste kennis der waarheid,

 

26  και ανανηψωσιν εκ της του διαβολου παγιδος, εζωγρημενοι υπ αυτου εις το εκεινου θελημα.

en zij weer tot bezinning komen uit de strik van de Duivel, door wie zij levend gevangen zijn, om diens wil [te doen].

 

Ook de slotverzen van dit hoofdstuk bevatten voor Timotheüs verdere raad hoe hij binnen het Grote Huis der Wereldgemeenschap dat voor christelijk doorgaat de ‘vaten’ die God voor een eervol doel bestemde – degenen die door de Heer gekend worden als hem toebehorend – kan bijstaan zich grondig te zuiveren van alle ongerechtigheid binnen dat ‘Huis’, zowel van on-Bijbelse leringen als van met waar Christendom strijdige praktijken.

Om in die pogingen succesvol te zijn moest Timotheüs - die omstreeks deze tijd wellicht half in de dertig was, dus nog betrekkelijk jong - zich hoeden voor het maken van de fouten die ‘de jeugd’ eigen zijn. Welke? 

 

Het koesteren van een lichtvaardig oordeel (bevooroordeeld zijn); fel van leer trekken tegen opponenten; persoonlijk worden; verwikkeld raken in woordgevechten; eerzuchtig zijn gelijk willen halen, etc.

Zeker, hij mag (en moet zelfs) dwaze en ongerijmde bespiegelingen krachtig afwijzen, maar zich daarbij niet in een sfeer van getwist laten betrekken. In vrede en liefde leven met gelijkgezinden, zij die de Heer aanroepen uit een rein hart,  is niet zo moeilijk, maar wel met hen die hardnekkig ‘tegendraads’ zijn. 

 

Het is zeker niet ondenkbaar dat Paulus, bij het geven van deze raad, teruggedacht heeft aan zijn eigen situatie toen hij zich als opgevoed Farizeeër door jeugdig fanatisme liet leiden in het nationale verzet tegen de Messiaanse beweging die rond Gods Zoon op gang was gekomen. Toen Stafanus doodgestenigd werd lezen we in Hn 7:58 over Paulus’ (toen nog Saulus) betrokkenheid >

En de getuigen legden hun mantels af aan de voeten van een jonge man [νεανιας], Saulus genaamd. 

In Hn 8:1 wordt ons verduidelijkt dat die handelwijze inhield dat Saulus instemde met Stefanus’ dood. Hij schaarde zich aan de zijde van die valse getuigen.

Vervolgens, in vers 3, wordt verhaald hoe hij in zijn felle, jeugdige hartstochtelijkheid de gemeente begon te verwoesten: hij ging de huizen binnen, sleepte mannen en vrouwen mee en leverde hen over in de gevangenis.

Dit soort begeerten der jeugd [νεωτερικας] – in de zin van zich vurig, hartstochtelijk, op iets richten -  kunnen dus gemakkelijk een gevaarlijke kant krijgen. Zo’n verkeerd gerichte ijver richt slechts schade aan.

 

Het is echter onverstandig zich in een sfeer van geruzie te laten betrekken, iets wat gemakkelijk kan gebeuren wanneer iedereen maar zijn persoonlijke mening ten beste geeft, niet ‘gehinderd’ door een dosis van povere feitenkennis. In zulke situaties, waarin de hartstochten hoog kunnen oplaaien en men tegenover zeer persoonlijk getinte opinies komt te staan, is het verstandig om een vriendelijke sfeer te scheppen, alsook tact en sympathie aan de dag te leggen, in zachtaardigheid trachtend de dwarsliggers wat verdere opleiding te geven.

 

Paulus vermeldt tenslotte nog een extra reden voor zo’n ‘aanpak’.

Er bestaat namelijk nog altijd de mogelijkheid dat God sommigen onder hen gelegenheid biedt om tot inkeer (berouw) te komen. In het commentaar bij vers 19 kwamen wij immers onder meer tot de slotsom dat zij die God werkelijk toebehoren, degenen dus die hij ooit riep, vroeg of laat zullen onderscheiden wat binnen een gemeenschap van christenen werkelijk Gods waarheid is en wat, anderzijds, op dwaling berust. Dat zal ook hen in de gelegenheid stellen gehoor te geven aan de vermaning: Een ieder die de naam van de Heer noemt verwijdere zich van ongerechtigheid.

 

Het kan tijd vergen voordat die ommekeer zich voordoet; men moet met die factor rekening houden aangezien het daarbij dikwijls een moeilijke procedure betreft die tijd en geduld vergt: Niets minder dan bevrijd worden uit de strik van de Duivel zelf. Letterlijk zegt Paulus dat zij nuchter moeten worden, zij moeten ontwaken uit een roes waarin Gods grote Tegenstander hen eens kon manoeuvreren. Door onoplettendheid waren zij door hem levend gevangen; bijgevolg was hij in de gelegenheid hen toe te voegen aan het grote kamp van opstandige mensen die precies doen wat hij wil.

Tot bezinning komen betekent in deze context derhalve niets minder dat zulke leden van Jezus’ Gemeentelichaam teruggehaald worden uit het anti-God kamp!

Wellicht had Paulus deze categorie van christenen in gedachten toen hij in 1Ko 3:13-15 schreef:

 

Het werk van ieder zal openbaar worden want de Dag [van de paroesie] zal [het] duidelijk maken omdat die in vuur geopenbaard zal worden, en hoedanig ieders werk is zal het vuur uitwijzen… Indien iemands werk verbrand zal worden zal hij verlies lijden; hijzelf zal echter gered worden, maar wel zo: als door vuur heen.

  

Hoofdstuk 3

Klik hier voor ‘smal’ lezen 

 

1   Tουτο δε γινωσκε, οτι εν εσχαταις ημεραις ενστησονται καιροι χαλεποι∙

Maar weet dit, dat er in de laatste dagen gevaarvolle tijden zullen aanbreken;

 

2   εσονται γαρ οι ανθρωποι φιλαυτοι, φιλαργυροι, αλαζονες, υπερηφανοι, βλασφημοι, γονευσιν απειθεις, αχαριστοι, ανοσιοι,

want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, pochers, hoogmoedigen, lasteraars, ongehoorzaam aan ouders, ondankbaar, respectloos,

 

3   αστοργοι, ασπονδοι, διαβολοι, ακρατεις, ανημεροι, αφιλαγαθοι,

zonder natuurlijke genegenheid, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onbeheerst, onhandelbaar, zonder liefde tot het goede,

 

4   προδοται, προπετεις, τετυφωμενοι, φιληδονοι μαλλον η φιλοθεοι,

verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God,

 

5   εχοντες μορφωσιν ευσεβειας την δε δυναμιν αυτης ηρνημενοι∙ και τουτους αποτρεπου.

die een uiterlijke vorm van godsvrucht bezitten, maar de kracht daarvan verloochenen; en van dezen moet men zich afwenden.

 

6   εκ τουτων γαρ εισιν οι ενδυνοντες εις τας οικιας και αιχμαλωτιζοντες γυναικαρια σεσωρευμενα αμαρτιαις, αγομενα επιθυμιαις ποικιλαις,

Want uit hen zijn zij die de huizen binnensluipen en vrouwtjes inpalmen die met zonden beladen zijn, gedreven door allerlei lusten,

 

7   παντοτε μανθανοντα και μηδεποτε εις επιγνωσιν αληθειας ελθειν δυναμενα.

[vrouwen] die altijd leren en nooit tot juiste kennis van de waarheid kunnen komen.

 

8   ον τροπον δε Iαννης και Iαμβρης αντεστησαν Mωυσει, ουτως και ουτοι ανθιστανται τη αληθεια, ανθρωποι κατεφθαρμενοι τον νουν, αδοκιμοι περι την πιστιν∙

Op de wijze waarop Jannes en Jambres Mozes weerstonden, zo weerstaan ook dezen de waarheid, mensen volkomen bedorven van denken, afgekeurd wat de geloofstrouw betreft.

 

9   αλλ ου προκοψουσιν επι πλειον, η γαρ ανοια αυτων εκδηλος εσται πασιν, ως και η εκεινων εγενετο.

Maar zij zullen het niet verder brengen; want hun onzinnigheid zal aan allen volledig duidelijk worden, zoals ook bij die beiden het geval was.

 

Door de geest geleid voorspelde Paulus reeds in zijn Eerste Brief aan Timotheüs dat  in latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen, gehoor gevend aan dwaalgeesten en leringen van demonen, als gevolg van huichelarij van leugensprekers die hun eigen geweten hebben dichtgeschroeid.

(1Tm 4:1-2)

 

En in deze, de Tweede Brief, had hij in verband met die ontwikkeling gedetailleerd het Grote Huis beschreven welke uit die gang van zaken zou voortspruiten, de Wereldgemeenschap die het stempel ‘christelijk’ zou dragen en gevuld zou zijn met huisraad van allerlei soort, t.w. de grote diversiteit aan ‘gelovigen’ (de ‘vaten’).waarin dat huisraad zich zou manifesteren.

En hoewel die situatie eeuwenlang bestendig zou zijn, zou er in “de laatste dagen” alsnog een grote ommekeer komen die vergezeld zou gaan van toestanden welke in hoofdstuk 2 nog niet waren aangegeven, door Paulus te beschrijven met de woorden: Maar weet dit, dat er in de laatste dagen gevaarvolle tijden zullen aanbreken.

 

Waren de demonische invloeden in alle voorgaande eeuwen onmiskenbaar werkzaam, met name in dat Grote Huis met zijn vele schijnchristenen, bij het aanbreken van de laatste dagen zullen de demonen zelfs in persoon aanwezig zijn; zij zullen namelijk de zelfde gelegenheden ontvangen als in de periode die aan de Vloed voorafging. Jezus’ paroesie breekt dan aan en doordat als eerste bewijs daarvan de christelijke Gemeente de Opname zal ervaren en het vervolgens enige tijd zal duren voordat er wederom een nieuwe schepping verschijnt - de herstelde joodse Gemeente, in de vorm van een overblijfsel - zullen de onreine geesten een tijdlang min of meer vrij spel krijgen om op ongekende schaal het zedenbederf te bevorderen, wellicht te omschrijven als een nieuw Heidendom zoals getekend in Rm 1:29-31. Alle vroomheid zal slechts schijn zijn.

 

Zie: Identificatie van de Antichrist (zijn geestelijke natuur), aan de hand van:

Openbaring en 2 Thess 2

Daniël

 

In datgene wat de apostel Paulus in de verzen 6 tm 9 profetisch schildert, herkennen wij de Nefilim, de gevallen zonen Gods, die hun kans grijpen om zich wederom onder de mooie dochters der mensen te begeven, en zich vrouwen te nemen, allen die zij maar wilden (Genesis 6:1-4).

 

 

Er vindt om zo te zeggen 'een herhaling van zetten' plaats. Het resultaat zal een mate van slechtheid op ongekende schaal zijn. Wat we in Genesis 6:5, 6 lezen past in alle opzichten volkomen op het beeld dat de apostel schildert:

 

Toen YHWH dan zag, hoe groot op aarde het bederf onder de mensen was geworden, en zij enkel maar zonnen op slechte dingen,

berouwde het YHWH, dat hij de mens op aarde gemaakt had.

 

Dat de Nefilim op geraffineerde wijze vrouwtjes zullen inpalmen die altijd leren, roept vergelijkingen op met een verschijnsel dat zich in recente tijden meerdere malen aan de wereld heeft vertoond: religieus getinte communes met goeroe-achtige leiders aan het hoofd, charismatische figuren die [vooral] 'leergierige' vrouwtjes om de vinger winden, en sluw weten te verbergen dat ze eigenlijk maar één oogmerk hebben. De demonen zullen dergelijke misleiders ongetwijfeld nog verre in het bedrog overtreffen.

 

Vrouwen die altijd leren en die zich tegelijkertijd (vrijwel) nooit de diepe waarheden van de Schrift eigen maken, laten zich niet zelden denigrerend uit over hen die serieus werk proberen te maken van de aanmoediging die de apostel in dit zelfde hoofdstuk tot Timotheüs richtte; in de vv 14 tm 17:

 

Jij echter, blijf in de dingen die je leerde en waarin je, vol overtuiging, geloofde, wetend van welke [personen] je [ze] leerde, en omdat je van kindsbeen af heilige geschriften hebt gekend, die in staat zijn je wijs te maken tot redding door het geloof in Messias Jezus. Alle Schrift [is] door God geademd en nuttig tot onderricht, tot terechtwijzing, tot verbetering, tot opvoeding welke in rechtvaardigheid [is], opdat de mens Gods volkomen zij, tot elk goed werk uitstekend toegerust.

 

Kelly scheef over die ‘vrouwtjes’:

The magicians of Egypt are invoked as the pattern of the misleaders, Jannes and Jambres who withstood Moses. Now the manner in which these adversaries wrought was by imitating Moses as far as possible. This they could only do within limits till the power of God rising in its display made it hopeless for them to follow. In Christendom imitation is easier, as it is not a question of miracle, but the semblance of truth; and striking it is that the new and withering seductions of the enemy are characteristically imitations of truth, so close as to deceive.

 

Vanzelfsprekend denken we in dit verband aan de manier waarop de duivelse Slang de onervaren Eva ‘om zijn vinger’ wist te winden. Maar ook hoe de Nefilim kennelijk ‘vrouwtjes’ wisten in te palmen.

 

Om deze en andere redenen zullen de laatste dagen gevaarvolle tijden zijn, in Bijbelvertalingen uiteenlopend weergegeven met moeitevol, zwaar, boos of moeilijk, etc. Het Griekse woord betreft χαλεπος (chalepos) dat buiten 2Tm 3:1 alleen nog voorkomt in Mattheüs 8:28 wanneer de evangelist het woeste, heftige gedrag beschrijft van twee door een legioen demonen bezeten menselijke slachtoffers:

 

Toen hij aan de overzijde van het meer was gekomen, in het land der  Gerasenen, liepen twee bezetenen uit de grafspelonken hem tegemoet, die zo woest [chalepoi] waren, dat niemand langs die weg kon gaan.

 

Vandaar blijkbaar dat de apostel niet zonder reden de laatste dagen tekent als chalepos, niet in het minst vanwege de woeste, heftige invloed der demonen die zich opnieuw te midden van de mensen zullen ophouden, in rechtstreeks contact met hen.

Maar kennelijk zullen hun extreme gedragingen dermate alle perken te buiten gaan, dat de apostel ook kon schrijven: hun onzinnigheid zal aan allen volledig duidelijk worden.

 

Paulus vergelijkt de situatie dan ook niet alleen met de dagen van voor de Vloed - waarmee overigens de paroesie van de Mensenzoon grote overeenkomst zal vertonen (Mt 24:37-39; “komst” staat in die passage steeds voor paroesie) - maar ook met de ervaringen die Mozes had met Farao’s priesterlijke tovenaars, soms aangeduid als de magie-beoefenende priesters.

Van hen vermeldt de apostel alleen Jannes en Jambres die kennelijk prominent onder hen waren en wier namen in de traditie voort zijn blijven leven, ook in de Talmoed. Zij weerstonden Mozes en Aäron ondermeer door met hun magische kunsten op bovennatuurlijke wijze eveneens hun staven in slangen te veranderen (Ex 7:11-12). 

 

Zelfs bij de eerste twee plagen slaagden die Duivelskunstenaars er in om Mozes en Aäron na te bootsen:

1. In het veranderen van het Nijlwater in bloed, en

2. Om uit de wateren van Egypte kikvorsen te laten opkomen (Ex 7:19–25 en 8:1-15).

Vanaf de derde plaag (de muggen) bleken zij echter niet langer daartoe in staat (Ex 8:16-19).

Gods macht bleek, als een zichtbaar teken, te allen tijde toch sterker te zijn dan die van de Duivel. Het kwaad heeft zijn grenzen en dat zal ook in de eindtijd het geval zijn. Gelukkig weten we bij voorbaat dat er mensen zullen zijn met een oprecht hart die de zijde zullen kiezen van het joodse Overblijfsel dat in de Tweede helft van de 70ste Jaarweek voor Israël het opgerichte koninkrijk Gods als goede tijding zal prediken tot alle Heidenvolken (Mt 24:14; Op 14:6-7).

Zie: Schapen en Bokken.

 

10  Συ δε παρηκολουθησας μου τη διδασκαλια, τη αγωγη, τη προθεσει, τη πιστει, τη μακροθυμια, τη αγαπη, τη υπομονη;

Maar jij volgde mij nauwgezet wat betreft het onderricht; het leven dat we leiden; het doel dat we nastreven; de geloofstrouw; de lankmoedigheid; de liefde; de volharding;

 

11  τοις διωγμοις, τοις παθημασιν, οια μοι εγενετο εν Aντιοχεια, εν Iκονιω, εν Λυστροις, οιους διωγμους υπηνεγκα∙ και εκ παντων με ερρυσατο ο κυριος.

de vervolgingen; het lijden – alles wat mij overkwam in Antiochië, in Iconium, in Lystra; welke vervolgingen ik al niet heb moeten verduren - maar de Heer verloste mij uit alles.

 

12  και παντες δε οι θελοντες ευσεβως ζην εν Xριστω Iησου διωχθησονται∙

Trouwens, ook allen die godvruchtig in Messias Jezus willen leven zullen vervolgd worden.

 

13  πονηροι δε ανθρωποι και γοητες προκοψουσιν επι το χειρον, πλανωντες και πλανωμενοι.

Maar boosaardige mensen en bedriegers [door misleidende toverkunsten] zullen tot erger voortgaan, op een dwaalspoor brengend en gebracht wordend.

 

Van de ‘zware tijden’ waardoor de laatste dagen gekenmerkt zullen worden switcht Paulus terug naar het aeon van de huidige Gemeente-eeuw, en met Timotheüs als voorbeeld wil hij laten zien hoe de Paulinische leringen in die wereldperiode met zijn Grote Huis (van 2:20) praktisch beleefd worden. In ieder geval totaal verschillend van de schijnvrome praktijken die volgens de vv 2 tm 9 in de eindtijd de overhand zullen hebben. Ook de levenshouding van de apostel zelf dient voor de leden van het Gemeentelichaam als navolgenswaardig voorbeeld. Wat we uit zijn Brieven vernemen moet ons als richtsnoer dienen, enerzijds gekenmerkt door geloofstrouw, lankmoedigheid, liefde en volharding, maar anderzijds ook door de bereidheid vervolging en het lijden dat daarmee samengaat te verduren. 

 

Aangezien Timotheüs uit Lystra afkomstig was vermeldt Paulus als het voorbeeld van het eigen vele lijden alleen de vervolgingen die hij bij zijn bezoek aan dat gebied tijdens zijn Eerste zendingsreis ondervond. Timotheüs moet destijds nog een tiener geweest zijn; tezamen met zijn moeder en grootmoeder ging die familie over op het Christendom. Zeer waarschijnlijk was ook Timotheüs zelf er toen getuige van dat Paulus door de vijandige Joden, hun eigen volksgenoten, zo goed als doodgestenigd werd (Hn 14:1-7, 19-20). 

 

Terwijl Paulus ons met Timotheüs laat weten dat allen die verbonden zijn met Messias Jezus als hun Heer eveneens op lijden en vervolgingen kunnen rekenen, voegt hij er wel als aanmoediging aan toe dat de Heer hémzelf uit al zijn moeilijkheden verloste. Onze betrekkingen met Gods Zoon wekken namelijk onveranderlijk de haat en vijandschap van Satans wereld op; de christelijke Gemeente heeft dat door alle eeuwen heen ondervonden, maar ook het joodse Overblijfsel van de eindtijd - dat zich met hun ware Messias zal identificeren - zal die ervaring hebben, en zoals we nu reeds bij voorbaat weten, op zelfs een zeer pijnlijke wijze. Jezus zelf waarschuwde daarvoor meerdere malen:

 

Indien de wereld jullie haat, weet dan, dat zij mij eerder dan jullie gehaat heeft. Indien jullie vanuit de wereld waren, zou de wereld het hare liefhebben, maar omdat jullie vanuit de wereld niet zijn, maar ik jullie uit de wereld uitkoos, daarom haat de wereld jullie. Gedenkt het woord dat ik tot jullie sprak: Een slaaf is niet groter dan zijn heer. Indien zij mij vervolgden, zullen zij ook jullie vervolgen; indien zij mijn woord bewaarden, zullen zij ook dat van jullie bewaren. Maar al deze dingen zullen zij jullie aandoen om mijn naam, omdat zij hem niet kennen die mij zond.

(Jh 15:18-21)

 

Weer terugswitchend naar de “laatste dagen” gebruikt de apostel een speciale stijlfiguur om nogmaals de climax van goddeloosheid te tekenen die zich dan zal voordoen:

Maar boosaardige mensen (1)

en bedriegers (2) 

zullen tot erger voortgaan,

op een dwaalspoor brengend (3) 

en gebracht wordend (4).

 

In deze stijlfiguur nu moet men 3 met 2 en 4 met 1 als behorend denken.

De zin is dan dat de zedelijk bedorven mensen van de vv 2 tm 5 worden getekend als bedrogenen, de misleiders van de vv 6 tm 9 daarentegen als de bedriegers die hen doen dwalen. Niet vreemd, want de bedriegers (2-3) worden in het Grieks getekend als γοητες , duidend op personen die door aanwending van misleidende toverkunsten anderen (1-4) op een dwaalspoor brengen. We kunnen om die reden met een nog grotere mate van zekerheid de demonen in gedachten hebben die zich, als gematerialiseerde mannen, op slinkse wijze onder de mensen in het algemeen zullen begeven, waardoor de ‘laatste dagen’ niet alleen ook zo bijzonder chalepoi zullen worden; moeilijk om te verduren (vers 1), maar de mensen ook op grote schaal bezwendeld zullen worden; geheel volgens het patroon dat de apostel jaren eerder al in 2 Th 2:8-10 aangaf >

 

Dan zal de Wetteloze [de demonische, antichristelijke Eindtijdmacht] geopenbaard worden, welke de Heer Jezus zal verteren door de geest van zijn mond en teniet zal doen door de manifestatie van zijn paroesie, van wie [de Wetteloze] de paroesie is volgens werking van de Satan in allerlei macht en leugentekenen en leugenwonderen en in allerlei verleiding der ongerechtigheid voor hen die vergaan, als een vergelding, omdat zij de liefde der waarheid niet aanvaardden tot hun redding.

 

Dat Paulus in de Tweede Timotheüsbrief heen en weer switcht tussen het huidige aeon van de Gemeente en de eindtijdperiode, komt op grond van de samenstelling van het Bijbelwiel, dat gebaseerd is op de volgorde der Bijbelboeken in de Bijbelcanon, niet geheel onverwacht. Twee Timotheüs maakt namelijk deel uit van Spaak 11, gebaseerd op de 11e letter van het Hebreeuwse alfabet, de letter kaf (כ), t.w.

Eén Koningen (Boek 11);

Micha (Boek 33);

Twee Timotheüs (Boek 55). 

 

Zoals gewoonlijk zijn er met elke ‘spaak’ betekenisvolle hoofdstukken verbonden in andere Bijbelboeken die hetzelfde nummer hebben; in dit geval dus 11.

Om van een en ander een indruk te krijgen, klik hier, waar onder het kopje Inner Cycles inderdaad geattendeerd wordt op Psalm 11; Jesaja 11; Mattheüs 11; Romeinen 11 en Openbaring 11.

 

Beperken we ons even tot Romeinen 11, dan valt vanaf vers 25 meteen op dat Paulus aldaar eveneens een switch maakt van de christelijke Gemeente - die tot haar voltooiing komt - naar het oude Godsvolk Israël dat in de daarop volgende eindtijd uit haar eeuwenlange verharding jegens haar Messias komt - althans in de vorm van een Overblijfsel – en daarom bij God weer in beeld is >>

 

Want ik wil niet, broeders, dat jullie onwetend zijn van dit geheimenis - opdat jullie niet volgens eigen inzicht bezig zijn - dat er voor een deel verharding over Israël kwam, totdat de volheid der Heidenvolken is binnengekomen. 

 

En zie verder de vv 26 tm 31.

 

14  συ δε μενε εν οις εμαθες και επιστωθης, ειδως παρα τινων εμαθες,

Jij echter, blijf in de dingen die je leerde en waarin je, vol overtuiging, geloofde, wetend van welke [personen] je [ze] leerde,

 

15  και οτι απο βρεφους [τα] ιερα γραμματα οιδας, τα δυναμενα σε σοφισαι εις σωτηριαν δια πιστεως της εν Xριστω Iησου.

en omdat je van kindsbeen af heilige geschriften hebt gekend, die in staat zijn je wijs te maken tot redding door het geloof in Messias Jezus.

 

16  πασα γραφη θεοπνευστος και ωφελιμος προς διδασκαλιαν, προς ελεγμον, προς επανορθωσιν, προς παιδειαν την εν δικαιοσυνη,

Alle Schrift [is] door God geademd en nuttig tot onderricht, tot terechtwijzing, tot verbetering, tot opvoeding welke in rechtvaardigheid [plaats vindt],

 

17  ινα αρτιος η ο του θεου ανθρωπος, προς παν εργον αγαθον εξηρτισμενος.

opdat de mens Gods volkomen zij, tot elk goed werk uitstekend toegerust.

 

Met Jij echter, zoals ook in vers 10, switcht de apostel nog eenmaal terug naar het heden van de christelijke Gemeente-eeuw. En opnieuw met Timotheüs als sprekend voorbeeld worden alle leden van alle tijden der christelijke Gemeenschap aangemoedigd om, tegengesteld aan de schijnvromen die door demonische leringen misleid, ja, bezwendeld zullen worden, te volharden in de Evangelische leer die zij bij hun roeping gelovig aanvaardden. Alleen die Geschriften leiden op tot redding aangezien ze aantonen dat Messias Jezus met het oog daarop plaatsvervangend voor hen stierf.

 

Timotheüs zelf was van kindsbeen af door zijn moeder en grootmoeder onderwezen in de door God geademde Hebreeuwse Geschriften van de Bijbelcanon. Later, toen hij geregeld in het gezelschap van zijn geestelijke ‘vader’ Paulus verkeerde, zal deze hem ongetwijfeld verder daarin ingewijd hebben. Al die Geschriften wierpen licht vooruit op Jezus’ lijden en de grootse effecten daarvan voor gelovige mensen. Daarom overtreffen zij als kennisbron verre alle andere geschriften van menselijke oorsprong. Op de Opstandingsdag bevestigde Jezus zelf de goddelijke inspiratie van die oude, profetische Geschriften:

 

Beginnend vanaf Mozes en vanaf al de profeten legde hij hun [de twee van Emmaüs] uit wat in al de Schriften op hemzelf betrekking had (Lk 24:27).

  

Hij nu zei tot hen [de elf die met anderen op de opstandingsdag vergaderd waren]: Dit zijn mijn woorden die ik tot jullie sprak toen ik nog bij jullie was, dat alle dingen vervuld moesten worden die over mij geschreven staan in de Wet van Mozes en in de Profeten en Psalmen. Toen opende hij hun verstand volledig, om de Schriften te begrijpen. En hij zei tot hen: Aldus staat er geschreven dat de Messias zou lijden en uit de doden opstaan op de derde dag, en op [basis van] zijn naam zou berouw tot vergeving van zonden gepredikt worden tot alle Heidenvolken – beginnend vanaf Jeruzalem.

 

Niet vreemd daarom dat Petrus naderhand, in 2Pt 1:20-21, eveneens op de goddelijke inspiratie van al die heilige Geschriften wees:

 

Dit allereerst wetend dat geen enkele profetie der Schrift uit eigen interpretatie ontstaat. Want niet door [de] wil van een mens werd ooit profetie voortgebracht, maar door heilige geest gedreven, spraken mensen van Godswege.

 

In vers 17 vat de apostel samen hoe alle door God geademde Geschriften Gods doel dienen: opdat de mens Gods volkomen zij, tot elk goed werk uitstekend toegerust.  De Oudtestamentische Geschriften kunnen derhalve niet ten volle begrepen worden wanneer men de aanvullende Openbaring over de Messias in de Nieuwtestamentische Geschriften afwijst. De Joden hebben dit als volk gedaan; bijgevolg verkeren zij tot op heden in volslagen duisternis met betrekking tot de ware identiteit van hun Messias. 

 

In zijn drie Pastoraalbrieven beklemtoont Paulus die omstandigheid doordat hij geregeld wijst op het feit hoe leeg – en hoe onvruchtbaar ook - de beschouwingen waren van de Efezische pseudoleraren die zich bezig hielden met joodse mythen en eindeloze geslachtsregisters. Zie vooral 1Tm 1:3-7.

 

In 2Tm 3:17 maakt Paulus melding van de mens Gods.

Volgens het Grieks  ο του θεου ανθρωπος. 

Denken we weer aan Spaak 11 van het Bijbelwiel dan is ook dat zeker geen toeval te noemen, want het eerste Boek van die ‘Spaak’, Eén Koningen, voert immers een man (mens) Gods bij uitstek ten tonele, Elia uiteraard. Toen deze de overleden zoon van de weduwe te Sarfath tot leven herstelde, zei zij tot de profeet: Nu weet ik zeker dat u een man van God [LXX: ανθρωπος θεου ] bent en dat YHWH werkelijk door uw mond spreekt (1Kn 17:24; wv78).  

Zie: 1 Koningen 17 in de Studie Elia, een mens van dezelfde gevoelens als wij.

 

Zie ook het kopje ALL Scripture Inspired van Spaak 11, waaronder wordt aangetoond dat ook 2Tm 3:16 spoort met één van de sleutelwoorden van die Spaak,  het Hebreeuwse kol [כל], alle.

 

Hoofdstuk 4

 

Klik hier voor ‘smal’ lezen

 

1   Διαμαρτυρομαι ενωπιον του θεου και Xριστου Iησου, του μελλοντος κρινειν ζωντας και νεκρους, και την επιφανειαν αυτου και την βασιλειαν αυτου∙

Ik betuig uitdrukkelijk voor het aangezicht van God en Messias Jezus - die levenden en doden zal oordelen - en zijn manifestatie en zijn koninkrijk:

 

2   κηρυξον τον λογον, επιστηθι ευκαιρως ακαιρως, ελεγξον, επιτιμησον, παρακαλεσον, εν παση μακροθυμια και διδαχη.

Predik het woord; dring aan, gelegen, ongelegen; wijs terecht, berisp, moedig aan, in alle lankmoedigheid en leer.

 

3   εσται γαρ καιρος οτε της υγιαινουσης διδασκαλιας ουκ ανεξονται, αλλα κατα τας ιδιας επιθυμιας εαυτοις επισωρευσουσιν διδασκαλους κνηθομενοι την ακοην,

Want er zal een tijd zijn dat zij het gezonde onderricht niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraren zullen bijeenhalen, om het gehoor te strelen;

 

4   και απο μεν της αληθειας την ακοην αποστρεψουσιν, επι δε τους μυθους εκτραπησονται.

en terwijl zij geen gehoor verlenen aan de waarheid, zullen zij zich wél tot de mythen wenden.

 

De apostel is weer volop terug in het Grote huis (van 2:19) van de wereldgemeenschap die ‘christelijk’ heet. In 2:16-17 had hij al gewaarschuwd voor de profane holle klanken afkomstig van afvallige leraren die steeds meer goddeloosheid zouden bevorderen. Binnen het Grote Huis zouden hun valse leringen voortwoekeren, als een kankergezwel dat alsmaar meer om zich heen grijpt.

Maar nu waarschuwt hij dat er een tijd zal aanbreken dat zij de gezonde bijbelse leringen zelfs niet meer zullen kunnen aanhoren. Die gezonde leer zullen zij onverdraaglijk vinden. In hun verkeerd gerichte begeerten zullen zij daarom op zoek gaan naar leraren die hun bevallen, die aan hun perverse geestelijke smaak voldoen. Wanneer men de waarheid zoekt is één bekwame leraar voldoende, maar zoekt men een leer naar eigen smaak dan zijn er nooit genoeg. Dan moet men die ‘bijeenhalen’ of opeenhopen zoals het werkwoord επισωρεύω te kennen geeft; men heeft er steeds meer en/of anderen nodig.

 

In vers 3 wordt dat idee aangescherpt door de eigenaardige uitdrukking jeuk hebbend aan het oor, de weergave van het werkwoord κνήθομαι, zich het oor laten kietelen. Bij de keuze van hun leraar laten die mensen zich dus leiden door de zucht naar wat hun oor streelt; het is hun dus duidelijk niet om de waarheid te doen, maar eerder om een ‘mooie preek’ te horen.

Het gevolg? Zij zullen zich tot onware verhaaltjes wenden; mythen, zoals Paulus al besprak in 1Tm 1:4 en 4:7, waar hij het denigrerend had over de profane en oudewijven fabels.  

 

Hoe moest Timotheüs zich persoonlijk ten aanzien van die niet te stuiten ontwikkeling binnen het Grote Huis opstellen? Voor het oog van God zelf, alsook onder het toezicht van Messias Jezus, bezweert Paulus hem plechtig om zelf altijd het zuivere Bijbelwoord te prediken en erop toe te zien dat andere leraren binnen de christelijke gemeenschappen dat ook doen. Vanzelfsprekend wordt het Bijbelwoord bij voorkeur gebruikt om aan te moedigen, maar soms ook om terecht te wijzen en te berispen, of het de christelijke hoorders nu schikt of niet. Van de christelijke onderwijzer vergt dat een geduldige opstelling, alsook een bekwame  gebruikmaking van leer [didachè] die zich daarvoor specifiek leent.

 

De ernst van de zaak beklemtonend richt Paulus ook het oog op een nog verder in de toekomst gelegen tijd, wanneer Jezus’ zich manifesteert bij zijn paroesie, zijn koninkrijk wordt opgericht en levenden en doden door hem geoordeeld zullen worden.

Zijn Vader, God, heeft hem immers al het oordeel toevertrouwd (Jh 5:22). 

 

Door daarnaar te verwijzen herinnert de apostel Timotheüs - en met hem ons allen die leden van het Gemeentelichaam zijn - dat wij arbeiden in de tegenwoordigheid van onze Vader in de hemel, Hij in wiens hand de levensadem is van elk menselijk wezen; aan wie de soevereine macht over allen toebehoort welke Hij echter uitoefent door de tussenkomst van zijn Zoon. En ook wij, christenen, die naar de Opname van de Gemeente uitzien, moeten ons realiseren dat we dan - geheel volgens 2Ko 5:10 - voor de rechterstoel van de Messias openbaar gemaakt worden, opdat een ieder voor zichzelf de dingen wegdraagt die hij door het lichaam beoefende, hetzij goed hetzij verachtelijk.

Zie ons commentaar bij die belangrijke Schriftplaats.

 

5   συ δε νηφε εν πασιν, κακοπαθησον, εργον ποιησον ευαγγελιστου, την διακονιαν σου πληροφορησον.

Jij daarentegen, wees nuchter in alle dingen, lijd kwaad, doe het werk van een evangelist, vervul je dienst ten volle.

 

6   Eγω γαρ ηδη σπενδομαι, και ο καιρος της αναλυσεως μου εφεστηκεν.

Want ik word reeds als een drankoffer uitgegoten en de [bestemde] tijd van mijn losmaking is aanstaande.

 

Precies zoals eerder in 3:10 en 3:14 moet Timotheüs op Paulus’ aandringen een geheel andere en ook krachtige houding aannemen. In plaats van in een toestand van geestelijke bedwelming te verkeren - waarin men geen onderscheid meer maakt tussen waarheid en dwaling, doordat men zich nog slechts het oor laat strelen – doet Timotheüs er goed aan zijn nuchtere benadering in al die zaken te bewaren. Thans zouden we zeggen: “Met het koppie er helemaal bij blijven”. 

Een christen, en niet alleen Timotheüs, is iemand die het zuivere Evangelie aanhangt dat hij met de mogelijkheden die hij bezit, tracht te bevorderen, daarbij het lijden dat die instelling kan opleveren, voor lief nemend ter wille van de zaak van de Heer.

 

Paulus motiveert zijn oproep aan Timotheüs met een eerder door hem gebruikt beeld: de libatie, of het drankoffer - in de vorm van wijn - dat binnen de Mozaïsche offercultus werd uitgegoten, ‘geplengd’, op het altaar en aldus bij het eigenlijke offer werd gevoegd:

 

Wanneer gij aan Jahwe een rund als brandoffer of als slachtoffer brengt ter vervulling van een gelofte of om een andere reden, dan moet men bij het rund een meeloffer van drie issaron aanbieden, aangemaakt met een halve hin olie en een plengoffer van een halve hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt. Zo moet er gedaan worden bij elke stier, bij elke ram, bij elk stuk kleinvee, schaap of geit (Nm 15:8-11 (wv78).

In Fp 2:14-18, tegen het einde van zijn eerste gevangenschap, had Paulus zijn leven getekend als een loopbaan van grote inspanningen, ja, van zwoegen ten behoeve van zijn lezers en alle andere christenen die hij had bijgestaan, een loopbaan die eventueel door een voortijdige dood door executie beëindigd kon worden. In dat geval bezag hij het vergieten van zijn bloed in het perspectief van de vroegere offerdienst bij de Tabernakel.
En ook hier, nu hij er helemaal van overtuigd is dat zijn dood aanstaande is, behoort Timotheüs vooral tot degenen die zijn werk in de Evangelieprediking moeten voortzetten; hijzelf zal er niet meer toe in staat zijn. De apostel is reeds in de situatie gekomen dat zijn losmaking (overlijden) nabij is; weldra zal hij als plengoffer in de dood worden uitgegoten op het altaar,
gevoegd bij het ware slachtoffer dat Gods Zoon, de Messias, zelf op Gods altaar bracht.

 

Vergelijk Hb 13:10-16 en zie: De gezindheid van de Messias ten toon spreiden

 

7   τον καλον αγωνα ηγωνισμαι, τον δρομον τετελεκα, την πιστιν τετηρηκα∙

De voortreffelijke strijd heb ik gestreden; de wedloop heb ik volbracht; het geloof heb ik bewaard.

 

8   λοιπον αποκειται μοι ο της δικαιοσυνης στεφανος, ον αποδωσει μοι ο κυριος εν εκεινη τη ημερα, ο δικαιος κριτης, ου μονον δε εμοι αλλα και πασιν τοις ηγαπηκοσιν την επιφανειαν αυτου.

Voorts ligt voor mij gereed de krans der gerechtigheid, waarmee de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal vergelden; echter niet alleen mij, maar ook allen die zijn manifestatie hebben liefgehad.

 

Ongetwijfeld met de bedoeling om Timotheüs verder aan te moedigen, en met hem ook ons, tekent de apostel met dankbaarheid zijn loopbaan in het Evangelie. Hij doet dat met gebruikmaking van drie perfecta, nogmaals een aanwijzing dat hij zijn eigen leven als beëindigd beschouwt:

Ik heb de voortreffelijke strijd gestreden; αγων zoals in 1Tm 6:12.

ik heb de wedloop volbracht; als in de arena (1Ko 9:24-27).

ik heb het geloof bewaard. Als resultaat van de strijd en de wedloop.

 

Met het bewaren van zijn geloof bedoelt Paulus niet alleen de inhoud van het geloof, in tegenstelling tot alle dwaalleer, maar vooral ook de geloofskracht, in tegenstelling tot alle ongeloof en twijfels met hun verzwakkende uitwerking op de christelijke loopbaan.

En precies zoals het geval was in de Griekse Spelen, waar bij de kampleider de krans gereed lag om daarmee de overwinnende atleet te kronen, ligt voor Paulus ook een krans van overwinning gereed bij de Heer zelf: de krans die wordt toegekend op basis van een leven dat geleid werd in geloof jegens de verlossende kracht van Jezus’ eigen slachtoffer.

 

Op die Dag, de dag van de paroesie, zal die krans van gerechtigheid aan Paulus worden uitgereikt, maar ook aan allen die met dat zelfde soort geloof binnen het Grote Huis dienden en daarbij voortdurend met verlangen uitzagen naar Jezus’ manifestatie ten tijde van de Opname, waarbij hijzelf, de Heer, uit de hemel zal neerdalen met  een bevelend roepen, met een stem van [de] aartsengel en met een trompet Gods.

 

 

9   Σπουδασον ελθειν προς με ταχεως∙

Haast je om vlug naar mij toe te komen;

10  Δημας γαρ με εγκατελιπεν αγαπησας τον νυν αιωνα, και επορευθη εις Θεσσαλονικην, Kρησκης εις Γαλατιαν, Tιτος εις Δαλματιαν∙

want Dèmas liet mij in de steek, daar hij de tegenwoordige eeuw lief kreeg, en hij vertrok naar Thessaloníka, Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.

 

11  Λουκας εστιν μονος μετ εμου. Mαρκον αναλαβων αγε μετα σεαυτου, εστιν γαρ μοι ευχρηστος εις διακονιαν.

Alleen Lukas is bij mij. Haal Markus op en breng hem met je mee, want hij kan mij uitstekend van dienst zijn.

 

12  Tυχικον δε απεστειλα εις Eφεσον.

Tychicus echter zond ik naar Efeze.

 

13  τον φαιλονην ον απελιπον εν Tρωαδι παρα Kαρπω ερχομενος φερε, και τα βιβλια, μαλιστα τας μεμβρανας.

Als je komt, breng dan de mantel mee die ik in Troas bij Karpus achterliet, en de boeken, vooral de perkamenten.

 

Timotheüs moet er haast mee maken om de apostel, zijn geestelijke ‘vader’, nog in levende lijve aan te treffen. Paulus verlangt te meer naar Timotheüs’ gezelschap omdat hij zich in zijn Romeinse kerker eenzaam voelt; het is leeg om hem heen geworden. Alleen Lukas is nog bij hem, alle andere naaste medewerkers zijn inmiddels vertrokken. 

Paulus somt op:

 

- Dèmas, eerder vermeld in Ks 4:14 en Fm 24, toen hij ook reeds tijdens Paulus’ eerste gevangenschap in diens gezelschap verkeerde, is naar Thessalonika vertrokken, blijkens Paulus’ scherpe toon kennelijk op eigen initiatief. Wellicht dat het Dèmas in Rome te gevaarlijk was geworden om Paulus nog langer te willen bijstaan. De apostel legt Dèmas’ vertrek echter uit als een vlucht naar meer geriefelijke omstandigheden in een wereld die iemand nog wat te bieden zou hebben.

 

Blijkbaar was Dèmas niet moedig genoeg geweest om die wereld voortijdig prijs te willen geven. En hoewel er vanzelfsprekend in het geheel geen sprake was van geestelijke afvalligheid, spreekt Paulus toch zijn afkeuring uit over Dèmas’ besluit.

Diens liefde voor de tegenwoordige eeuw staat in schril contrast met de liefde voor Jezus’ manifestatie bij de Opname (vers 8). Terwijl Paulus zelf verlangend uitzag naar die overweldigende gebeurtenis, zich daarbij neerleggend bij zijn aanstaande marteldood, was Dèmas daarentegen kennelijk bang om in Paulus’ lotgevallen verwikkeld te raken; zijn verlangen om zo lang mogelijk de genietingen van de huidige wereldperiode te ervaren, was sterker dan het verlangen om thuis te zijn bij de Messias, zijn Heer (2Ko 5:1-9; Fp 1:21-24).

 

Overigens vond Paulus het blijkbaar wél nodig dat Timotheüs wist dat Dèmas zich inmiddels te Thessalonika ophield. Wellicht kan daaruit ook worden geconcludeerd dat Dèmas gesuggereerd had dat hij aldaar in het christelijke werk meer tot stand kon brengen dan in het gevaarlijke Rome, dicht bij de bloeddorstige Nero.

 

- Crescens, die nergens ander wordt vermeld, is naar Galatië vertrokken, wellicht met de bedoeling om aldaar andere christelijke gemeenschappen te ondersteunen.

- Titus had zich na zijn dienst op Kreta weer bij Paulus gevoegd, blijkbaar te Nikopolis in Dalmatië - zoals deze hem in Tt 3:12 had verzocht - misschien met de bedoeling om in het voorjaar samen verder te reizen naar Rome. 

Hoe dan ook, ná Paulus’ arrestatie verbleef Titus in ieder geval enige tijd bij hem te Rome, maar de situatie in Dalmatië was blijkbaar zodanig dat de apostel het nodig vond dat Titus daarheen terugkeerde.

 

Tychikus was door Paulus naar Efeze gezonden. Voor Timotheüs was dat een geruststelling, hij kon daardoor zonder uitstel gehoor geven aan Paulus’ dringende verzoek om met haast naar hem toe te komen. Tychikus zou inmiddels Timotheüs’ taken te Efeze overnemen. Timotheüs zelf moet daarop via Troas gereisd hebben om Paulus’ opdracht te kunnen uitvoeren om aldaar, bij Karpus, diens mantel en bepaalde boeken op te halen. Wellicht had de apostel die attributen door zijn onverwachte arrestatie gedwongen moeten achterlaten. Van de boekrollen vermeldt hij vooral de perkamenten; een aanwijzing voor ons dat het om Geschriften ging die Paulus zeer kostbaar achtte.

 

In Paulus’ dagen zou het bij de Romeinen een gewoonte zijn geweest dat, wanneer een burger van het Rijk naar Rome werd overgebracht om aldaar terecht te staan. het hem werd toegestaan om twee slaven met zich mee te nemen. Die omstandigheid verklaart misschien Paulus’ vermelding van Lukas: Alleen Lukas is [nog] bij mij. Het zou heel goed kunnen dat Lukas vrijwillig één van die plaatsen heeft ingenomen om, in de hoedanigheid van geneesheer, wat hij immers ook was, Paulus van zeer nabij te ondersteunen, helemaal tot aan diens einde.

 

Die zeer getrouwe opstelling kan als nog een gunstige omstandigheid gewerkt hebben, maar dan niet alleen voor de apostel, doch ook voor Lukas zelf, doordat hij in de gelegenheid was van Paulus belangrijke gegevens te ontvangen bij de samenstelling van zijn twee Bijbelboeken, zijn Evangelie en de Handelingen.

 

Ergens op zijn tocht moet Timotheüs ook Markus opgehaald hebben, aangezien Paulus had geschreven: Breng hem met je mee, want hij kan mij uitstekend van dienst zijn. Wellicht met de bedoeling om die tweede, officieel toegestane positie van ‘slaaf’ te kunnen innemen!

Markus was tijdens de eerste gevangenschap vanuit Rome naar Kolosse gezonden (Ks 4:10) en bevond zich inmiddels blijkbaar nog steeds in de nabijheid van Efeze, zodat Timotheüs hem kon opzoeken en hem namens Paulus kon vragen hem naar Rome te vergezellen, te meer daar Markus ervaring had met het Romeinse gevangeniswezen.

 

14  Aλεξανδρος ο χαλκευς πολλα μοι κακα ενεδειξατο∙ αποδωσει αυτω ο κυριος κατα τα εργα αυτου∙

Alexander de smid berokkende mij veel kwaad; de Heer zal hem vergelden naar zijn werken.

 

15  ον και συ φυλασσου, λιαν γαρ αντεστη τοις ημετεροις λογοις.

Voor wie ook jij op je hoede moet zijn, want hij weerstond onze woorden ten zeerste.

 

16  Eν τη πρωτη μου απολογια ουδεις μοι παρεγενετο, αλλα παντες με εγκατελιπον∙ μη αυτοις λογισθειη∙

Bij mijn eerste verdediging kwam niemand mij te hulp, maar allen lieten mij in de steek; het worde hun niet toegerekend.

 

17  ο δε κυριος μοι παρεστη και ενεδυναμωσεν με, ινα δι εμου το κηρυγμα πληροφορηθη και ακουσωσιν παντα τα εθνη, και ερρυσθην εκ στοματος λεοντος.

Maar de Heer stond mij bij en verleende mij kracht, opdat door mij de prediking ten volle volbracht zou worden en alle natiën haar zouden horen; en ik werd verlost uit de muil van een leeuw.

 

18  ρυσεται με ο κυριος απο παντος εργου πονηρου και σωσει εις την βασιλειαν αυτου την επουρανιον, ω η δοξα εις τους αιωνας των αιωνων∙ αμην.

De Heer zal mij verlossen van elk boos werk en redden voor zijn hemels koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid tot in de eeuwen der eeuwen! Amen.

 

Aangezien Paulus al zijn moeilijkheden verbindt met Alexander, de smid, lijkt het waarschijnlijk dat deze hem, op grond van valse beschuldigingen, overleverde aan de Romeinse rechterlijke autoriteiten. Wanneer hij de Alexander is van 1Tm 1:20 die door Paulus, tezamen met Hymeneüs, moest worden geëxcommuniceerd wegens laster, lijkt het aannemelijk dat hij getracht heeft zich op deze wijze op de apostel te wreken. Ook toen Paulus zich bij zijn eerste gelegenheid tegen de (valse) aanklachten trachtte te verdedigen, deed Alexander er blijkbaar alles aan om de apostel veroordeeld te krijgen door hem heftig te weerspreken; voor Timotheüs een extra reden om bij zijn aankomst te Rome zeer voor Alexander op z’n hoede te zijn.

 

Met een verwijzing naar Sp 24:12 spreekt Paulus zijn vertrouwen in God uit als de Rechter die wel degelijk rechtvaardig optreedt. Paulus schrijft dit niet uit rancuneuze motieven, maar eerder in de overtuiging dat hij zijn zaak in de handen van een alwijze en almachtige God - die het hart van allen kan peilen - kan overlaten en daarin zelf rust vinden. Hij vergeldt een ieder, ook Alexander, naar diens werken (Rm 2:6).

 

Tot zijn verdriet moet de apostel onthullen dat niemand van zijn vertrouwelingen onder de broeders de moed had getoond om Paulus in de eerste ronde van zijn verdediging terzijde te staan; voor Timotheüs inderdaad een extra reden om zich naar Rome te haasten en zijn geestelijke vader zo mogelijk bij te staan in de tweede fase van diens verdediging.

Een en ander betekent overigens niet dat zij die (blijkbaar) uit vrees afhaakten, ook te Rome in persoon aanwezig waren en vóór de verdediging de stad verlieten. Het kan evengoed betekenen dat zij niet naar Rome durfden te komen, daar zij wellicht meenden te veel met Paulus’ zaak gecompromitteerd te worden, of – nog een andere mogelijkheid – weinig of niets voor hem te kunnen betekenen.

Zie bij 1:15-18.

 

Het valt immers op dat de apostel veel milder over hén oordeelt dan over Alexander: Het worde hun niet toegerekend.

Bovendien had de apostel de ervaring opgedaan dat er Iemand was die hem wél bijstond en dat ook zou blijven doen, de Heer Jezus Messias. Die verleende hem de zo noodzakelijke geestelijke kracht zodat Paulus bovendien tot het einde toe de aan hem verleende toewijzing kon behartigen, inclusief getuigenis afleggen van het Evangelie voor het forum van de toenmalige hoofdstad der wereld. 

 

Met dat getuigenis zouden de Heidenvolken nog meer omtrent het Evangelie vernemen, aangezien de wijze waarop de apostel de christelijke zaak voor Caesars rechtbank had verdedigd, wijd en zijd bekend zou worden. Daarom ook werd hij – weliswaar voorlopig nog - evenals Daniël, verlost uit de muil van de leeuw, wellicht doelend op de bloeddorstige Nero, of Satan zelf die er niet aflatend op uit is om ‘te verslinden’ (Dn 6; 1Pt 5:8-9)

Vergelijk Hn 9:15 en Gl 1:15-16. 

 

Maar nog belangrijker was Paulus’ uiteindelijke redding. De Romeinen zouden hem tenslotte inderdaad executeren, maar zij konden niet verhinderen dat Paulus op die dag (van de paroesie) de kroon der gerechtigheid uitgereikt zou krijgen (vers 8), met een blijvende, hemelse plaats in het Messiasrijk van Gods Zoon.

 

19  Aσπασαι Πρισκαν και Aκυλαν και τον Oνησιφορου οικον.

Groet Prisca en Aquila en het huis van Onesiforus.

 

20  Eραστος εμεινεν εν Kορινθω, Tροφιμον δε απελιπον εν Mιλητω ασθενουντα.

Erastus bleef in Korinthe; Trofimus liet ik echter ziek achter in Milete.

 

21  Σπουδασον προ χειμωνος ελθειν. Aσπαζεται σε Eυβουλος και Πουδης και Λινος και Kλαυδια και οι αδελφοι παντες.

Haast je om vóór de winter te komen. Jou groet Eubulus en Pudens en Linus en Claudia en al de broeders.

 

22  O κυριος μετα του πνευματος σου, η χαρις μεθ υμων.

De Heer zij met je geest. De liefderijke gunst [zij] met jullie.  

 

Ongetwijfeld bevonden zich te Efeze veel christenen die Paulus persoonlijk kende. Toch laat hij alleen het echtpaar Prisca en Aquila en het huis van Onesiforus zijn groeten overbrengen; de eersten omdat de apostel vanaf een vroeg begin nauw met hen had samengewerkt en hun ongetwijfeld een grote genegenheid toedroeg.

Tijdens zijn tweede reis was hij te Korinthe met hen - die zojuist afkomstig waren uit Rome wegens vervolging der Joden - in aanraking gekomen en werkten zij samen in het tentenmakersvak. Zij volgden hem naar Efeze alwaar zij nog verbleven tijdens Paulus’ derde reis, maar tegen het einde van die reis bevonden zij zich weer te Rome. Op het moment van het schrijven van deze Brief verblijven zij echter opnieuw in Efeze, maar steeds een actieve rol spelend in de verbreiding van het Evangelie en het bijstaan van medechristenen, dikwijls binnen een gemeente bij hen aan huis.

 

Dat Paulus ook de groeten laat overbrengen  aan het huis van Onesiforus, wijst er kennelijk op dat Onesiforus zelf - van wie we uit hdst 1 weten dat hij de apostel zulke getrouwe diensten te Rome bewees - waarschijnlijk niet meer in leven was.

Zie het commentaar bij 2Tm 1:16-18.

 

Dat Paulus pas hier bijzonderheden vermeldt omtrent Erastus en Trofimus, en niet bij de vv 10 tm 12, kan te maken hebben gehad met het feit dat de apostel het belangrijk vond Timotheüs te informeren omtrent hun verblijfplaats en de redenen waarom zij nog niet in Efeze waren gearriveerd. Want kennelijk waren beiden van oorsprong uit Efeze afkomstig en hoorden zij daar thuis. Dus niet nog meer redenen voor ongerustheid!

Dat Timotheüs zelf zich moest haasten om naar Rome te reizen stond ook in verband met de naderende wintertijd waarin het veel moeilijker, of zelfs onmogelijk werd om de reis nog over zee te maken.

 

Hoewel Paulus zich met Lukas eenzaam voelde in zijn gevangenschap, waren leden van de Romeinse gemeente blijkbaar toch in de gelegenheid geweest om met hen in contact te komen, en hadden zij - of wellicht één van hen namens allen – verzocht hun groeten aan Timotheüs over te brengen. Blijkens Rm 16:21 en Fp 1:1 kenden zij hem immers persoonlijk. 

 

Paulus’ laatste woord aan hem, zijn geestelijk kind, is een gewichtig woord: De Heer zij met je geest!  De Heer is immers door zijn eigen geest, Gods geest, bij ons, christenen. Vergelijk Rm 8:9-10,16 >

Maar jullie zijn…in geest, indien althans Gods geest in jullie woont. Maar indien iemand de geest van Messias niet heeft, is deze niet van hem. Indien Messias echter in jullie [is], is…de geest leven vanwege de rechtvaardigheid… De geest zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. 

 

De Heer was ook met Paulus’ geest, zodat hij In vers 17 kon verklaren dat hij in staat was geweest zijn verdediging te voeren; de Heer zelf had hem bijgestaan. Eerder had Paulus dit ervaren toen het hem werd toegestaan om voor koning Agrippa de zaak van het Evangelie te verdedigen, en wel in die mate dat de koning moest erkennen: U overtuigt mij bijna om christen te worden! (Hn 26).

Paulus wenst nu Timotheüs hetzelfde toe.

 

-.-.-.-