Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Slaaf en de Paroesie

De Slaaf en de Paroesie

Deel 2 - De Identiteit van de Slaaf

 

De term Overblijfsel

Knecht van Jahweh

Jesaja 41:8-9

Jesaja 42:1-4, 19-20

Jesaja 43:8-11

   Mijn Knecht Job (1)

Jesaja 49:1-7

   Mijn Knecht Job (2)

   Jozef en zijn broers

Jesaja 52:13-15; 61:5-7

   Mijn Knecht Job (3)

 

Zoals reeds opgemerkt gaat het om het juiste Schriftuurlijke begrip van Mt 24:45-47.

Volgens de TELOS-versie luidt deze passage:

Wie is dan de trouwe en wijze slaaf, die de heer over zijn huisbedienden gesteld heeft om hun het voedsel te geven op de juiste tijd?
Gelukkig die slaaf, die zijn heer, als hij komt, zo bezig zal vinden.
Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezittingen zal stellen
.


De term Overblijfsel

 

 

Wie is dus die trouwe en wijze Slaaf?
De Wachttorenorganisatie heeft haar eigen antwoord op die vraag: Wij, een overblijfsel van ware christenen, vormen die Slaaf! Maar zoals we reeds zagen is die bewering bijbels onhoudbaar. Zie: Deel 1 - De Paroesie
Naast de voornaamste, reeds genoemde reden – tijdens de paroesie, het tijdvak waarin de Slaaf optreedt, bevindt de christelijke Gemeente zich niet meer op aarde – kunnen nog andere redenen vermeld worden.
De claim van het WTG dat er in de eindtijd nog een "getrouw overblijfsel van ware christenen" op aarde zou zijn, bestaande uit hun "gezalfden", is een andere foutieve aanname.

Het bijbelse concept van een overblijfsel wordt in de Schrift zelf namelijk nooit met christenen in verband gebracht. Dat kan ook niet, want het begrip overblijfsel impliceert dat een minderheid, een "Rest", het getrouwe deel is binnen een ontrouwe meerderheid. Welnu, die situatie zal zich in verband met de christelijke gemeente, waarvan de leden – een ieder van hen afzonderlijk - voorbestemd, geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt worden, nooit voordoen. Het goede werk dat God in hen start, zal hij tot voltooiing brengen tot op de Dag van Jezus Messias. Zie Rm 8:28-30 en Fp 1:6.

In het OT evenwel verschijnt het Overblijfselbegrip inderdaad in de betekenis zoals in de vorige alinea is geformuleerd; en, let wel, te allen tijde met betrekking tot het natuurlijke volk Israël.

Toen bijvoorbeeld de profeet Elia meende dat hij als de enige getrouwe was overgebleven, te midden van een volk dat tot de afgodische Baälaanbidding was vervallen, hielp God hem die verkeerde gedachte opzij te zetten, door op te merken (1Kn 19:18; SV):

Ook heb ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en alle mond, die hem niet gekust heeft.

Later, in Rm 11:2-5, zou de apostel Paulus verwijzen naar die 7000 als een overblijfsel, door op te merken dat er evenzo, ook in de tegenwoordige tijd, een overblijfsel tot bestaan is gekomen, naar een verkiezing der genade.
Maar zelfs in dat geval, in de beginperiode van de christelijke Gemeente, betrof het leden van het natuurlijke Israël, een minderheid onder de Joden die Jezus als hun Messias had aanvaard, geplaatst tegenover een meerderheid onder het volk die hem in ongeloof had afgewezen.

 Die minderheid, "het uitverkoren deel", ontving datgene wat Israël altijd had nagejaagd, t.w. een rechtvaardige positie bij God, en dat niet dankzij verdienstelijke werken, maar volgens genade en uit geloof. De ongelovige meerderheid geraakte daarentegen in een toestand van verharding en werd door God "opgesloten in ongehoorzaamheid".

Zie: Rm 11:6-8, 30-32.

Volgens de profetie in Jesaja, hoofdstuk 10, zal er nog eenmaal zo’n joods overblijfsel verschijnen, wanneer in de "laatste dagen" een Rest zich in geloof tot hun ware Messias, Jezus, wendt:
Slechts een overblijfsel zal terugkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de Sterke God. Want al zou uw volk, o Israël, als de zandkorrels der zee blijken te zijn, slechts een overblijfsel onder hen zal terugkeren.
Zie Js 2:1-2; 10:21-22; nwv.



De profetieën in het OT die spreken over het verschijnen van een Overblijfsel in de eindtijd, hangen zonder uitzondering samen met het (nog) toekomstige herstel in Gods gunst van het joodse volk. Het WTG evenwel, heeft het aangedurfd die voorzeggingen op zichzelf van toepassing te verklaren en te beweren dat ze in onze moderne tijd, in het bijzonder vanaf 1919, in hun religieuze beweging in vervulling gaan. Een voorbeeld is Micha 5:7-9 (nwv):

7 En de overgeblevenen van Jakob moeten te midden van vele volken worden als dauw van Jehovah, als overvloedige regenbuien op de plantengroei, die niet hoopt op de mens, noch wacht op de zonen van de aardse mens. 8 En de overgeblevenen van Jakob moeten onder de natiën, te midden van vele volken, als een leeuw onder de dieren van een woud worden, als een manen dragende jonge leeuw onder schaapskudden, die, wanneer hij werkelijk doortrekt, stellig zowel vertrapt als verscheurt; en er is geen bevrijder. 9 Uw hand zal hoog boven uw tegenstanders zijn, en al uw vijanden zullen afgesneden worden.



Dit inzicht brengt ons intussen al meteen op een goed spoor om de Slaaf van de eindtijd, die in de paroesie opvallend aanwezig zal zijn, te identificeren.
Bij een zorgvuldige lezing van Mattheüs 24 blijkt namelijk dat de Slaaf niet ten onrechte als getrouw wordt bestempeld. Hij blijkt het getrouwe deel [overblijfsel] van een volk te zijn dat in zijn geheel door God was bedoeld om als zijn "Knecht" ("Slaaf" in het NT) in zijn voornemen te dienen. De meerderheid van dat volk – we hebben het over de Joden zoals we straks verder duidelijk hopen te maken - ontpopt zich echter ook dán, in de eindtijd, wanneer de "Knecht" een cruciale toewijzing krijgt te vervullen, als een ontrouwe, ja, zelfs als een boze of slechte slaaf!
Daarom is Jezus met Mt 24:45-47 nog niet uitgesproken over de Slaaf. Hij vervolgt aldus:

Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt: Mijn heer blijft uit, en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards, dan zal de heer van die slaaf komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een uur dat hij het niet weet, en hij zal hem in tweeën hakken en zijn lot bij dat van de huichelaars stellen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
Mt 24:48-51, TELOS

Deze uitspraak van de Messias wettigt op z’n minst de conclusie dat in de eindtijd de positie van Gods Slaaf (Knecht) door twee groepen zal worden geclaimd, doch die twee zullen het bekende historische patroon vertonen dat onder het uitverkoren volk van God, Israël, altijd zichtbaar is geweest. Vandaar een getrouwe Slaaf, maar daarnaast tevens een boze Slaaf.

Bij verder onderzoek naar de precieze identiteit van de Slaaf, is het van belang dat wij onderscheiden dat in vers 45, wanneer er sprake is van de aanstelling van de Slaaf, de aoristvorm van het werkwoord aanstellen is gebruikt: katestèsen. "Wie is de getrouwe en verstandige dienstknecht die de Heer over zijn dienstpersoneel plaatste?"
De aoristvorm duidt er op dat de Slaaf zijn toewijzing ontving op een zeker punt in de tijd in het verleden.

Knecht van Jahweh

 

Die constatering voert ons helemaal terug naar de tijd van de profeet Jesaja. Jesaja werd namelijk door Jahweh God geïnspireerd om over diens volk Israël te profeteren met het oog op een toen nog verre toekomst: de eindtijd of de "laatste dagen" (Js 2:1-2). In het bijzonder vanaf hoofdstuk 40 wordt voortdurend in profetische taal melding gemaakt van het herstel van Israël en in samenhang daarmee van de aanstelling, of profetische benoeming, van de "Knecht van Jahweh", dikwijls door God zelf aangeduid als "Mijn Knecht".

Een bijzonderheid die de Knecht speciaal maakt, is het feit dat de Messias ook in die term wordt begrepen en dat zelfs in de eerste plaats. Eigenlijk helemaal niet onlogisch. Waarom? Omdat Jezus door geboorte ook deel ging uitmaken van nationaal Israël, maar als hun Messias werd hij het meest prominente lid van die Knechtnatie. Terugblikkend op zijn vleeswording stelde Paulus vast dat Jezus de gedaante van een Slaaf aannam (of: Knechtgestalte; Fp 2:7).


Bij verder onderzoek blijkt dan ook dat Jezus, in zijn rol van de Messias, het eigenlijke Zelf van Israël is, met name van het getrouwe deel, het altijd weer verschijnende overblijfsel (ook in de eindtijd).
Het gevolg daarvan is dat in de Knechtprofetieën zowel naar het toekomstige optreden van het overblijfsel als naar dat van Jezus wordt verwezen. Bij sommige van die profetieën ligt de nadruk evenwel (nagenoeg) uitsluitend op de natie en bij andere (vrijwel) uitsluitend op de Messias.

Terloops merken we naar aanleiding hiervan op dat het voor God uitgesloten is om Israël als zijn Uitverkorene definitief te verwerpen. Dat is ten enenmale onmogelijk, want dan zou hij met Israël ook het voornaamste lid daarvan, de Messias, moeten verwerpen; en dat is uiteraard ondenkbaar.
Enkele voorbeelden van de Knechtprofetieën in het bijbelboek Jesaja:



Jesaja 41:8-9


8 Gij echter, Israël, mijn Knecht, Jakob die ik heb uitverkoren, zaad van Abraham, mijn vriend, 9 gij, die ik gegrepen heb van de uiteinden der aarde, en van haar verste hoeken geroepen, tot wie ik gezegd heb: "Mijn Knecht zijt gij", die ik heb uitverkoren en niet verworpen.

De dubbele benaming Jakob-Israël is karakteristiek in Jesaja 40-66, het tweede deel van het boek, door sommigen betiteld als Deuterojesaja [daarbij veronderstellend dat er van een tweede Jesajafiguur sprake zou zijn].

Jakob-Israël tekent de relatie tussen Jahweh en zijn uitverkoren volk, het zaad van Abraham, maar dat ook zaad van Jakob is; een krachtige verwijzing derhalve naar de aartsvaders. Daarin ligt dan ook de basis voor de Knechtpositie. Zowel voor Israël als voor haar voornaamste vertegenwoordiger, de Messias, geldt: In uw zaad zullen alle natiën der aarde zich zegenen (Gn 22:18; 28:14); en ook: Redding is uit de Joden (Jh 4:22).

De vermelding van Abraham past om nog een andere reden goed in de context, aangezien het roepen "van de uiteinden der aarde" concreet naar de roeping van Abraham verwijst, eerst uit Ur en naderhand ook uit Haran. De uitverkiezing van Israël en zijn roeping als "Knecht", krijgen aldus een historische diepte, en zijn daarnaast ter wille van die voorvaders, wat God betreft, onberouwelijk, d.i. blijvend (Rm 11:28).


Jesaja 42:1-4, 19-20

1 Zie, mijn Knecht, die ik vasthoud; mijn uitverkorene in wie mijn ziel behagen schept. Ik heb mijn geest op hem gegeven, het Recht voor de natiën zal hij voortbrengen. 2 Hij zal niet roepen noch schreeuwen, hij laat zijn stem niet horen op straat. 3 Het geknakte riet zal hij niet breken en de kwijnende pit niet doven. Waarlijk, hij zal het Recht voortbrengen. 4 Hij zal niet kwijnen, niet worden geknakt, tot hij op aarde het Recht heeft gevestigd en op zijn Wet zullen de eilanden wachten.

Hier wordt een prachtig beeld geschetst van het toekomstig optreden van Gods Knecht, de getrouwe en wijze dienaar van de eindtijd. Zijn voornaamste taak? Het Recht op aarde vestigen! Tot 3x toe wordt dit voornemen van Jahweh God herhaald. Het betreft de door God gewilde Wereldorde onder het te vestigen Messiaanse Bestuur, dat gekenmerkt zal worden door vrede en gerechtigheid (Js 9:6-7). Daarom wordt de profetie in Mt 12:18-21 door de evangelist op Israëls Voornaamste, de Messias, toegepast. Hij heeft in de Eerste eeuw de basis voor de vestiging van de nieuwe Rechtsorde gelegd.

Geen wonder dat de Duivel te zijner tijd, bij het verschijnen van de Knecht, het joodse Overblijfsel van de eindtijd, juist over deze de Grote Verdrukking zal brengen. En ook zijn instrument in die tijd, de Pseudomessias [aangehangen door de joodse meerderheid, de boze Slaaf], zal zich niet onbetuigd laten om die uitverkorenen, indien mogelijk te misleiden. Maar ter wille van hen zullen die dagen (van verdrukking) verkort worden.

Ook de Knecht zelf zal niet geknakt worden. Dat kan en mag niet van Jahweh, want anders zou geen vlees gered worden. De hele heidenwereld is namelijk afhankelijk van het feit dat door zijn tussenkomst de nieuwe, vreedzame en rechtvaardige Wereldorde gevestigd wordt. En ook daarna, in het Millennium, zullen de natiën bij het licht van het Messiaanse Bestuur, op aarde vertegenwoordigd door deze getrouwe Knecht, wandelen. Hij immers wordt aangesteld over al de bezittingen van de Meester!

Zie Js 42:6-7 en Mt 24:21-25; Jr 30:4-7; Dn 12:1.

19 Wie is blind tenzij mijn Knecht? Of doof als mijn Bode die ik zend? 20 Er was veel te zien, maar gij hebt het niet in acht genomen. Met open oren hebt gij niet geluisterd.

Een aanklacht tegen de Knechtnatie. God beschuldigt Israël. Als uitverkoren volk was ze zeer begunstigd; zouden zij aandacht hebben geschonken, dan zou er voortdurend veel te zien zijn geweest, speciaal in Gods handelen. Maar met open oren bleef de meerderheid van het volk over het algemeen ontoegankelijk.

In de eerste eeuw kwam de climax met de afwijzing van hun Messias. Daarom is de status van Israël als Gods Knecht het resultaat van pure onverdiende gunst. Zoals we hierboven al zagen in Js 41:9 : Mijn Knecht zijt gij, die ik heb uitverkoren en niet verworpen.

In Romeinen hoofdstuk 11 wordt dat leerpunt door Paulus uitvoerig toegelicht. Tot aan de Opname van de Gemeente blijft Israël in haar blindheid, maar met het verlaten der christenen van de aarde kan en zal God daarin een keer brengen. Hij zal zich opnieuw exclusief bezig houden met zijn Knechtnatie. De tussentijd van hun opsluiting in ongehoorzaamheid heeft zijn doel gediend, de volheid der heidenen is ingegaan.

Zie Rm 11:1-2a, 11, 25, 28-32.

Achter dit handelen van God gaat een diepte aan wijsheid schuil die voor ons mensen moeilijk te doorgronden is (Rm 11:33).

Jesaja 43:8-11

8 Laat nu het volk vóórkomen, dat blind is en toch ogen heeft, en de doven, die toch oren hebben. 9 Alle naties komen samen en de volkeren zijn vergaderd. Wie onder hen heeft zoiets aangekondigd, en ons doen horen wat vroeger is gebeurd? Laat ze komen met getuigen, die hun gelijk bewijzen; laat anderen naar hen luisteren om te kunnen zeggen: Het is waar.

10 Gij zijt mijn getuigen, - zo luidt de godsspraak van Jahwe -, en mijn Dienstknecht, die Ik heb uitverkoren, gij moet inzien en in Mij geloven, gij moet begrijpen dat Ik het ben. Eerder dan Ik werd er geen god gevormd, en ook na Mij zal er geen zijn. 11 Ik, Ik alleen ben Jahwe, en een redder buiten Mij is er niet.

(wv78)

Met deze profetische uitspraak zijn alle Getuigen en ex- Getuigen van Jehovah bekend. Al sinds het begin van de dertiger jaren van de vorige eeuw vereenzelvigt het Genootschap zich met deze profetie betreffende de Knecht van Jahweh en ziet ze haar "gezalfden" in dit licht, zoals ook voor de getrouwe Slaaf van Mattheüs 24 geldt.

En inderdaad is de Slaaf identiek aan de Jesajaanse Knecht. Dat we dit verband leggen is dus helemaal niet vreemd; het WTG heeft dit inmiddels al zo’n 80 jaar gedaan.

 

De pointe is evenwel dat het WTG zich die identificatie geheel ten onrechte heeft toegeëigend. Want a.) de Slaaf kan geen collectief van christenen zijn, zoals reeds is aangetoond, en b.) de  collectieve Knecht van getuigen is in de context van Jesaja duidelijk joods.
Wanneer de hier profetisch aangekondigde universele rechtszaak in de "laatste dagen" dient, zullen de ogen van dat Knechtlichaam, het getrouwe Overblijfsel, geopend zijn, en hun oren ontsloten. Dan zullen zij er van kunnen getuigen dat alles wat hun is overkomen -alle ellende, alle lijden en geestelijke vertwijfeling- precies datgene bleek te zijn wat hun God Jahweh ver van tevoren had aangekondigd.

Na duizenden jaren blijkt hij Dezelfde te zijn, de enige God die waar profeteert. Ook met betrekking tot hun (tijdelijke) verwerping en uiteindelijk herstel is alles geschied zo hij leert [koninkrijkslied van de Getuigen].

 

Mijn Knecht Job (1)


Dan zal bijvoorbeeld blijken dat het lijden van Israël door de eeuwen heen, dat (voorlopig) zijn climax bereikte met de Holocaust en haar 6 miljoen slachtoffers, zich al aftekende in het lijden van "mijn knecht Job" (Job 1:8; 2:3).
Het drama van Job is het drama van het volk Israël geworden. Om die reden, maar ook omdat God zelf hem geregeld "mijn knecht Job" noemt, biedt zijn levensverhaal een extra invalshoek om de identiteit van de Slaaf precies te onderscheiden.

Maar zoals Job tot inkeer kwam en berouw toonde "in stof en as" en vervolgens in zijn vroegere waardigheid werd hersteld, ja, dubbel terugontving, zo zal ook het getrouwe deel van Israël er mettertijd van kunnen getuigen dat het hun evenzo is vergaan (Job 42:6, 10).

 

Een verder onderzoek van het lijden van Job, onthult het volgende:

1.  Het eeuwenoude lijden van Israël tekende zich reeds af in dat lijden.

2.  De manier waarop er een einde kwam aan zijn persoonlijke tragiek is een heenwijzing naar Israëls toekomstig herstel.

3.  Jobs "afloop" helpt ons de  identiteit van de Slaaf van Mt 24:45-47 nader vast te stellen, alsook meer begrip te krijgen van zijn belangrijke taak tijdens de paroesie

 

Job kon maar niet begrijpen waarom hij – nota bene niemand op aarde als hij, een onberispelijk en oprecht man, godvrezend en wijkend van het kwaad [volgens God zelf] - zoveel lijden moest doormaken.

Om zijn eigen rechtvaardigheid bevestigd te krijgen, geraakte hij geregeld in de gevaarlijke situatie dat hij bijna God schuldig verklaarde, ja, hem zelfs van onrechtvaardig handelen betichtte. Zie bijvoorbeeld Job 27:2; 32:2; 33:8-13.

 

Maar met de hulp van Elihu en doordat God zelf vanuit een storm tot hem sprak, kwam Job tot het juiste inzicht en bijgevolg tot inkeer. Of hij daarbij ook begrepen heeft dat God toestaat dat juist het allerbeste dat hij op aarde heeft, door Satan tot het uiterste beproefd mag worden, weten wij niet. In ieder geval toonde hij berouw "in stof en as" en werd vervolgens in zijn vroegere waardigheid hersteld. Ja, hij ontving dubbel terug (Job 42:6, 10).

Welnu, zo zal ook het getrouwe deel van Israël er mettertijd van kunnen getuigen dat het hun uiteindelijk precies zo is vergaan. Zie daarvoor onder Jesaja 61:6-7.

 

Jesaja 49:1-7

 

1 Jehovah zelf heeft mij zelfs van de buik af geroepen. Van de inwendige delen van mijn moeder af heeft hij mijn naam vermeld. 2 En hij ging ertoe over mijn mond als een scherp zwaard te maken. In de schaduw van zijn hand heeft hij mij verborgen. En geleidelijk maakte hij mij tot een gepolijste pijl. Hij stak mij weg in zijn eigen koker. 3 En hij zei vervolgens tot mij: Gij zijt mijn knecht, o Israël, gij, in wie ik mijn luister tentoon zal spreiden.

 

4 Maar wat mij betreft, ik zei: Het is voor niets dat ik mij heb afgemat. Voor onwerkelijkheid en ijdelheid heb ik mijn eigen kracht verbruikt. Waarlijk, mijn recht is bij Jehovah, en mijn loon bij mijn God.

 

5 En nu heeft Jehovah, die mij van de buik af formeerde als een Knecht die hem toebehoort, gezegd [dat ik] Jakob tot hem dien terug te brengen, opdat Israël zelf tot hem vergaderd wordt. En ik zal verheerlijkt worden in de ogen van Jehovah, en mijn eigen God zal mijn sterkte zijn geworden. 6 En hij zei vervolgens: Het is meer dan een onbeduidende zaak geweest dat gij mijn Knecht zijt geworden om de stammen van Jakob op te richten en zelfs de beveiligden van Israël terug te brengen; ik heb u ook tot een licht der natiën gegeven, opdat mijn redding moge reiken tot het uiteinde der aarde.

(nwv)

 

Deze profetie met betrekking tot de Knecht fascineert omdat ze wordt getekend in de natie Israël als collectief, maar tevens in de persoon van haar Messias. Maar nogmaals, zoals reeds opgemerkt: de Messias is de voornaamste, de nummer Eén onder zijn volk.

Hij vervult uiteraard in de eerste plaats de Knechtpositie, en als zodanig zal hij te zijner tijd, ná de Opname van zijn eigen (christelijke) Gemeente (Mt 16:18), Jakobs twaalf stammen weer oprichten tot volledig herstel.

 

Mijn Knecht Job (2)

 

De "beveiligden van Israël" zullen door Gods voornaamste Knecht, zijn Zoon, tot hun God Jahweh worden teruggebracht. Het is waar dat zij de Grote Verdrukking nog zullen moeten doormaken, maar daaruit zullen zij als geredde mensen te voorschijn komen. Wij weten dit aan de hand van Openbaring 7:9-17, een Schriftdeel waarnaar wij in Jesaja 49, m.n. in de verzen 8 tm 10, al een heenwijzing vinden. En ziei wat de 12 Stammen betreft, de verzen 1 tm 8 van Openbaring 7.

 

Precies zoals Elihu Job 'oprichtte' door hem te informeren omtrent de verhouding tot Jahweh God die voor hem gepast was, zo zal ook Messias Jezus het Overblijfsel oprichten en tot God terug brengen. Hij is als geen ander daartoe uitstekend in staat, want naar de voorzegging in Gn 3:15 bleek hij tijdens zijn bediening op aarde in de eerste plaats het voorwerp van vijandschap [de betekenis van de naam Job] van de Duivel te zijn. Zoals hij was er beslist helemaal niemand op aarde, maar ook hij had zijn Elifaz, Bildad en Zofar. 

 

In Hb 2:16-18 beschrijft Paulus waarom de achtergrond van Jezus zo geschikt was om "de beveiligden van Israël", Abrahams zaad, op te richten:

Want waarlijk, engelen komt hij niet te hulp, maar zaad van Abraham komt hij te hulp. Vandaar dat hij in alle opzichten aan de broeders gelijk moest worden gemaakt, opdat hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden in de dingen die God betreffen, om verzoening te doen voor de zonden van het volk. Want doordat hijzelf heeft geleden toen hij beproefd werd, kan hij hen die beproefd worden, helpen. 

 

Omdat hij zelf heeft geleden, kan hij het beproefde zaad van Abraham bijstaan. Maar wil het Job-Israël echt tot herstel komen, dan moeten zij tot het inzicht komen dat zij de diensten van hun voornaamste broeder in de hoedanigheid van Hogepriester nodig hebben, alsook het zoenoffer dat hij voor de zonden van het volk (Israël) heeft gebracht.

Interessant is om te zien hoe Elihu in Job 33:21-26 met Job precies in die richting spreekt:

 

21  Hij teert weg tot een schim van zichzelf,

en zijn botten, eerst onzichtbaar, steken uit.

22  Hij kruipt naar de afgrond,

nadert de herauten van de dood.

23  Maar als hij een pleitbezorger heeft,

één die zijn voorspraak is, één uit duizenden,

om van zijn onschuld te getuigen,

24  en als God hem welgezind is en zegt:

“Laat niet toe dat hij in de afgrond afdaalt,

ik heb een losgeld voor hem verkregen, ”

25  dan krijgt hij weer vlees op zijn botten als vroeger

en keert hij terug naar de kracht van zijn jeugd.

26  Hij bidt weer tot God en God is hem gunstig gezind,

hij roept het uit van vreugde en verschijnt voor hem,

want hij wordt door God in ere hersteld.

(nbv)

 

Opmerkelijk is voorts dat Elihu zomaar 'uit het niets' schijnt op te duiken.

In Job 32 constateert men met verrassing dat hij gedurende heel de duur van de over-en-weer redes tussen Job en zijn metgezellen aanwezig moet zijn geweest. Dit past goed op de persoon van Jezus, de Messias, de Voornaamste binnen het Job-Israël. Bij het aanbreken van de eindtijd zal blijken dat hij achter de schermen van onzichtbaarheid, alle 20 eeuwen door, kennis heeft genomen

 

a.) van de niet aflatende kritiek uit de hoek van hen die in naam vrienden waren van het lijdende Israël, maar die dikwijls als betweters dat Jobachtige Israël scherp veroordeelden;

 

 

en

b.) van de geestelijke worsteling met God van de  gelovigen binnen het Jodendom; van wie velen grote moeite hadden met het Recht van God.  Het leek voor hen, die de Torah hoogachtten en meenden van daaruit rechtvaardig te leven, zo irrationeel dat God daarop niet met gunst leek te reageren. Integendeel, het had er eerder de schijn van dat hij zijn uitverkoren volk haatte!

 

De "Elihu" die vanuit de onzichtbare hemelsferen toeziet weet dus precies hoe vele Joden, aan het einde van hun krachten gekomen, zich hebben afgevraagd of het nog wel zinvol was deel uit te maken van een door God zelf verkozen volk, zijn eigen erfdeel (Dt 32:9).

Welsprekend is wat dat betreft hetgeen een zekere Rabbi Menachem Mendel van Kotzk (1787-1859) in zijn benardheid gezegd zou hebben:

 

Heer van het heelal! Zend ons onze Messias, want wij hebben geen kracht meer om te lijden. Toon mij een teken, o God. Anders kom ik tegen u in opstand. Als Gij uw Verbond niet houdt, dan zal ik ook de belofte niet houden en is het allemaal voorbij; we hebben er genoeg van uw Uitverkoren Volk, uw bijzondere schat te zijn.  

 

Of Kadia Molodowsky (1894-1975), afkomstig uit Wit-Rusland, die zich ook intens heeft bezig gehouden met de joodse identiteit in relatie tot God. Zij schreef in haar beroemde gedicht God of Mercy, in reactie op de genocide der Nazi’s, nogal cynisch:

 

O God of Mercy,

For the time being

Choose another people.

We are tired of death, tired of corpses,

We have no more prayers

For the time being

Choose another people.

 

 

O God der barmhartigheid, verkies voor een poosje een ander volk.

We zijn moe van de dood, moe van de lijken, we hebben geen gebeden meer. Verkies voor een poosje een ander volk

 

Toch hebben sommigen van hen moed geput uit het verslag van Jobs lijden; zij hebben op z’n minst begrepen dat er in hun lot een keer ten goede moest komen (Job 42:10). Maar pas bij hun herstel zullen zij de woorden van Jakobus in hoofdstuk 5 ten volle naar waarde kunnen schatten:

 

7 Oefent daarom geduld, broeders, tot de paroesie van de Heer. Ziet! De boer wacht de kostbare vrucht van de aarde af en oefent ten aanzien ervan geduld totdat hij de vroege regen en de late regen krijgt.

11 Gij hebt van de volharding van Job gehoord en hebt gezien hoe de Heer het heeft laten aflopen, dat de Heer zeer teder in genegenheid en barmhartig is

 

Beter dus de afloop dan het begin van een zaak (Pr 7:8a). Voor wie speciaal? Beter iemand die geduldig is dan iemand die hoogmoedig van geest is (vers 8b). 

De Joden zullen dus ervaren dat "Elihu", de Heer Jezus Messias, bij zijn paroesie uit zijn verborgenheid [als Israëls Messias] te voorschijn zal treden, hun ten goede. Dat gaat zeker gebeuren, want ongeveer een eeuw [naar men meent] vóór dat de geschiedenis van Job speelde, werd die gebeurtenis, weliswaar binnen een geheel andere setting, in de verhouding tussen Jozef en zijn broers afgebeeld.

 

Jozef en zijn broers

 

Ongetwijfeld kennen wij de feiten uit het aangrijpende relaas omtrent Jakobs lievelingszoon Jozef waarover wij lezen in Genesis 37-47.

Een korte samenvatting van de voornaamste leerpunten in het kader van deze Studie:

 

• Uit haat wordt Jozef door zijn broers verkocht. Daarna is hij, wat hen betreft voor altijd uit het zicht; zij beschouwen hem zo goed als dood en dat is wat zij ook hun vader Jakob willen laten geloven. Zijn lange kleed, herhaaldelijk gedoopt in het bloed van een geitenbok, moet daarvoor het bewijs leveren.

De betekenis van het type is duidelijk: de Joden meenden dat zij Jezus bij zijn dood voorgoed kwijt waren. Weinig konden zij vermoeden wat later zou volgen, en nog minder dat er door hun verraad in het vereiste zoenoffer voor het volk werd voorzien (Hb 2:17).

 

• Het ontgaat de broers intussen volkomen dat Jozef uiteindelijk door de Farao wordt verheven tot Heer van Egypte, want de Farao onderscheidt dat op Jozef duidelijk Gods geest rust en dat hij "een Wonderbaar Raadgever" is (Js 11:2; 9:6). Zoals Farao zelf opmerkte, volgens Genesis 41:

 

38 Derhalve zei Farao tot zijn dienaren: Kan er een andere man gevonden worden als deze, in wie de geest van God is? 39 Daarna zei Farao tot Jozef: Aangezien God u dit alles heeft doen weten, is er niemand zo beleidvol en wijs als gij.

40 Gij zult persoonlijk over mijn huis staan, en heel mijn volk zal u onvoorwaardelijk gehoorzamen. Alleen met betrekking tot de troon zal ik groter zijn dan gij.

41 En Farao zei verder tot Jozef: Zie, ik stel u waarlijk over het gehele land Egypte. 

 

Er was volgens de Farao onder zijn dienaren dus niemand te vinden zo beleidvol en wijs als Jozef.

Sommigen hebben gemeend dat hier sprake is van een verwijzing naar de getrouwe en beleidvolle Knecht van Mt 24:45, te meer omdat het Griekse φρονιμος [fronimos, d.i. beleidvol, wijs, verstandig, prudent] in die tekst, óók te vinden is in de LXX-versie van Gn 41:39. En wellicht hebben dezen gelijk, hoewel Jozef in de eerste plaats een voorafbeelding is van Jezus zelf.

 

Maar zoals we zagen is Jezus in de zin van Deuterojesaja de voornaamste onder zijn broeders binnen de Knechtnatie. En zoals Jozef als Heer optrad voor zijn broers toen zij tenslotte bij hem in Egypte terecht kwamen voor voedsel, zo is Christus de Heer [Kurios] van de Slaaf in Mt 24:45.

 

• Toen de broers uiteindelijk weer met Jozef werden geconfronteerd, was hij de Machthebber van het land. Ook dat was hun ontgaan, precies zoals het Israël over het algemeen is ontgaan dat hij die de Knechtgestalte aannam, naderhand door God tot een superieure positie werd verhoogd (Fp 2:7-9).

Zij herkenden hem dus niet, maar hij hen wél (Gn 42:5-8).

 

Dit laat zien dat, wanneer de eindtijdperiode van zeven jaar aanbreekt, overeenkomend met de 70e Jaarweek van Daniël hoofdstuk 9, Israël als volk nog steeds in theologische onwetendheid zal verkeren wat betreft de verheven positie van hun Messias.

Pas wanneer men zich tot de Heer keert wordt de sluier weggenomen (2Ko 3:15-16; Rm 11:25).

 

Omgekeerd is Jezus door alle eeuwen heen volledig bekend geweest met de situatie van zijn joodse broeders. Zijn oog is altijd op hen geweest. Vergelijk Jr 16:17.

 

• Daarna stelt Jozef zijn broers op de proef. Door middel van een vernuftige procedure legt hij hun harten bloot, zodat zij zich geconfronteerd weten met hun verkeerde handelwijze uit het verleden. Dat leidt uiteindelijk bij hen tot inkeer en oprecht berouw. Zie Gn 42:21-23 en 44:16; alsook het gloedvolle pleidooi van Juda ten behoeve van hun oude vader Jakob; nu niet meer in onverschillige harteloosheid, maar in een oprechte liefdevolle bezorgdheid (Gn 44:18-34).

 

En dan, ook hier, is daar zomaar, plotseling, geheel onverwacht, hun dood gewaande broer. Jozef maakt  zich tot hun ontsteltenis aan hen bekend. De Heer van Egypte is niemand anders dan hun eigen broer. En er stond niemand anders bij hem toen Jozef zich aan zijn broers bekend maakte (Gn 45:1).

 

Het tegenbeeld zal te zijner tijd volkomen met de voorafbeeldingen overeenstemmen. Het zal een 'privézaak' zijn tussen Israël en hun Messias; geen bemiddelend persoon zal tussen hen staan.

Merk op hoe verbijsterd Israël volgens Zc 12:10 zal zijn wanneer zij tot de ontdekking komt dat de eens door hen verworpen, en voor executie aan de Romeinen overgegeven Jezus, toch hun eigen Messias is:

 

En ik wil over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem de geest van gunst en smekingen uitstorten, en zij zullen stellig opzien naar degene die zij hebben doorstoken, en zij zullen stellig over hem weeklagen zoals bij het geweeklaag over een enige [zoon]; en er zal een bittere jammerklacht over hem zijn zoals wanneer er een bittere jammerklacht is over de eerstgeboren [zoon] 

 

Jesaja 52:13-15; 61:5-7

 

52:13 Ziet! Mijn Knecht zal met inzicht handelen. Hij zal een hoge positie bekleden en zal stellig verheven en zeer verhoogd worden.

14 In de mate dat velen star zijn geweest van ontzetting over hem — zozeer was de misvorming met betrekking tot zijn uiterlijk, meer dan die van enige andere man, en met betrekking tot zijn statige gestalte, meer dan die van de mensenzonen —

15 zal hij insgelijks vele natiën ontstellen. Om hem zullen koningen hun mond sluiten, want wat hun niet was verhaald, zullen zij werkelijk zien, en op wat zij niet hadden gehoord, moeten zij hun aandacht richten.

 

61:5 En vreemden zullen werkelijk staan en uw kudden weiden, en de buitenlanders zullen uw landbouwers en uw wijngaardeniers zijn.

6 En wat u aangaat, de priesters van Jehovah zult gij worden genoemd; de dienaren van onze God zal men u heten. Het vermogen der natiën zult gij eten, en in hun heerlijkheid zult gij uitgelaten over uzelf spreken.

7 In plaats van uw schaamte zal er een dubbel deel zijn, en in plaats van schande zullen zij een vreugdegeroep aanheffen over hun deel. Daarom zullen zij in hun land zelfs een dubbel deel in bezit nemen.

 

Hier dient zich iets heel bijzonders aan. In zijn hoge positie onder het Messiaanse Koninkrijksbestuur zal de Knecht (Slaaf) ten behoeve van de natiën, hier aangeduid met vreemden en buitenlanders, priesterlijke diensten verrichten:

Gij echter wordt dan priesters van Jahwe genoemd en dienaren van onze God zult gij heten. Van de rijkdom der volken zult gij genieten, op hun luister zult gij u beroemen (Js 61:6; wv78).

 

Ook dit zal Israël ervaren, geheel naar het patroon van "mijn Knecht Job". Want merk op in Job 42:7-10 dat Job van God de toewijzing kreeg priesterlijk te bemiddelen met betrekking tot zijn 'vrienden' Elifaz, Bildad en Zofar:

 

Mijn knecht Job (3)

 

7 Nu gebeurde het nadat Jehovah deze woorden tot Job gesproken had, dat Jehovah voorts tot de Temaniet Elifaz zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en uw twee metgezellen, want gij hebt niet naar waarheid over mij gesproken, zoals mijn knecht Job.

8 Nu dan, neemt u zeven stieren en zeven rammen en gaat naar mijn knecht Job, en gij moet een brandoffer ten behoeve van u offeren; en mijn knecht Job zal zelf voor u bidden. Slechts zíjn aangezicht zal ik aannemen, zodat ik geen schandelijke dwaasheid met u bega, want gij hebt niet naar waarheid over mij gesproken, zoals mijn knecht Job.

9 Bijgevolg gingen de Temaniet Elifaz en de Suhiet Bildad [en] de Naämathiet Zofar heen en deden juist zoals Jehovah tot hen gesproken had, waarop Jehovah Jobs aangezicht aannam.

10 En Jehovah zelf bracht een keer in de toestand van gevangenschap van Job toen deze ten behoeve van zijn metgezellen bad, en Jehovah gaf voorts bovendien nog alles wat Job bezeten had, in dubbele mate.

 

Hoe zeer zullen de rollen in de eindtijd worden omgedraaid. De critici binnen de christenheid hebben eeuwenlang het Job-Israël bekritiseerd. Zoals het geval was met Elifaz, Bildad en Zofar, wisten zij zogenaamd exact waar het bij het Job-Israël aan schortte: Om welke andere reden dan dat de Joden de Messias hadden vermoord en dat maar niet berouwvol wilden erkennen!

 

Zonder enig onderscheid te maken tussen een getrouw Overblijfsel en de ontrouwe meerderheid van wie de representanten in het jaar 33 AD met de Romeinen samenwerkten om inderdaad hun Messias ter dood te brengen, konden zij de Joden precies vertellen waarom zij door de eeuwen heen zoveel lijden te verduren hadden gekregen. Ook kenden zij exact de remedie voor het Job-Israël: God heeft jou geheel en al verworpen, al je voorrechten en vooruitzichten zijn op de christelijke Gemeente overgegaan; bekeer je dus en erken tegenover God je schuld! Een greep uit Bildads betoog in Job 8:

 

8 Waarlijk, doe alstublieft navraag bij het vorige geslacht,
En vestig
[uw aandacht] op hetgeen door hun vaderen is uitgevorst.

10 Zullen zíj u niet onderrichten, het u vertellen,
En zullen zij uit hun hart geen woorden voortbrengen?

 

En wat hebben de zogenaamde "Vaders" in de christenheid, zoals bijvoorbeeld de prominente Augustinus uitgevorst? Hij zag in het geheel geen toekomst meer voor nationaal Israël. In zijn beroemde werk De civitate Dei (De stad Gods) verklaarde Augustinus: „De kerk die nu op aarde is, is zowel het koninkrijk van Christus als het koninkrijk des hemels.”

De New Bible Dictionary verklaart welk effect deze zienswijze op de katholieke theologie had:

In de rooms-katholieke theologie is een onderscheidend kenmerk de vereenzelviging van het koninkrijk Gods met de Kerk in de aardse bedeling, een vereenzelviging die voornamelijk aan Augustinus’ invloed toe te schrijven is. In de kerkelijke hiërarchie wordt aan Christus als Koning van het koninkrijk Gods gestalte gegeven. Het gebied van het koninkrijk heeft dezelfde grenzen als de macht en het gezag van de Kerk. Het koninkrijk des hemels wordt uitgebreid door de missie en de opmars van de Kerk in de wereld.

 

Sedert die tijd heeft men in de christenheid aan Israël de vervloekingen overgelaten en aan de christelijke Kerk alle voorrechten en zegeningen; de zogeheten vervangingstheologie, die ook rond 1930 door het WTG werd omhelsd, in tegenstelling tot Charles T. Russell, de grondlegger van het WTG. Terwijl men binnen het Genootschap de hierboven geformuleerde theologie van Augustinus (terecht) afwijst, heeft men ongeveer 15 jaar na de dood van Russell alsnog Augustinus’ vervangingsleer binnengehaald.

 

Het Genootschap is tijdens de latere periode van Joseph Rutherford, de 2e president van het WTG, daarin zelfs nog verder gegaan dan de christenheid: Alle zegeningen vielen voortaan slechts hun "gezalfden" ten deel; buiten hun organisatie zijn namelijk geen andere, ware christenen te vinden!

Het Wachttorengenootschap is daarom in theologisch opzicht een interessante religieuze beweging qua studieobject; haar valt namelijk op grond van dit standpunt de twijfelachtige eer te beurt de substitutietheologie het meest consequent te hebben doorgevoerd!

 

Want terwijl ze de beloofde zegeningen aan de eigen organisatie toekent, komen de vervloekingen over de afvallige christenheid. In verband daarmee is in haar opvatting ook de boze Slaaf christelijk maar dan van het afvallige soort, waaronder niet slechts de namaakchristenen worden gerekend, maar ook de dissidente Getuigen uit de eigen gelederen. En uiteraard komt etnische Israël in het geheel niet meer 'in het stuk voor'.

 

Zullen de hedendaagse aanhangers van die leer, binnen en buiten het Genootschap, zo nederig zijn om, wanneer ze die periode mogen beleven, in de eindtijd gehoor te geven aan Gods aanwijzing dat iedereen dan het bemiddelende priesterschap van het herstelde Israël voor redding zal moeten aanvaarden?

Want ook dát is de consequentie van het vaststellen van de precieze identiteit van de Slaaf van Mt 24:45-47!

Aan de hand van Zc 8:23 weten wij nu reeds met profetische zekerheid dat een volledig aantal personen juist dat zal doen:

 

Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: Het zal zijn in die dagen dat tien mannen uit alle talen der natiën zullen vastgrijpen, ja, zij zullen werkelijk de slip vastgrijpen van een man die een jood is, en zeggen: Wij willen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord [dat] God met ulieden is.

(nwv)

 

Lees verder:

Deel 3 – Reactie op de Slaaf

En zie ook:

Deel 1 – De Paroesie

 

-.-.-.-