Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Openbaring van Jezus Christus

Openbaring van Yeshua Masjiach

 

Hoofdstuk 1

 

1:1-3

1:4-5a

1:5b-6

1:7-8

1:9-11

1:12-16

1:17-18 

1:19-20

 

Enkele uitgangspunten om de Apocalyps te verklaren:

 

 • Een profetisch boek toegevoegd aan de boeken van het OT om de Joden van de Eindtijd tot richtsnoer te zijn.

 • De gebeurtenissen voltrekken zich voor een groot gedeelte in de 70e Jaarweek der Joden, wanneer YHWH Elohim de draad der geschiedenis in verband met zijn uitverkoren volk weer oppakt. 

• De christelijke Gemeente bevindt zich dan niet meer op aarde omdat ze (waarschijnlijk) bij het begin van de 70e Week is weggerukt in de 'Opname'.

 

Tekst

 

1  Openbaring van Yeshua Masjiach die God hem gaf om aan zijn slaven de dingen te tonen die vlug moeten geschieden. En hij maakte ze, door het zenden van zijn engel, in tekenen bekend aan zijn slaaf Johannes,

2  die getuigde van het woord van God en van het getuigenis van Yeshua Masjiach, alle dingen die hij zag.

3  Gelukkig hij die voorleest en zij die horen de woorden van de profetie, en die de dingen onderhouden die daarin geschreven zijn, want de [bestemde] tijd is nabij.

4  Johannes, aan de zeven gemeenten in Asia. Liefderijke gunst en vrede aan jullie van hem die is en die was en die komt, en van de zeven geesten die vóór zijn troon [zijn],

5  en van Yeshua Masjiach, de getrouwe getuige, de eerstgeborene der doden en de heerser van de koningen der aarde. Aan hem die ons liefheeft en die ons bevrijdde uit onze zonden in zijn bloed

6  en hij maakte ons een koninkrijk, priesters voor zijn God en Vader − aan hem de heerlijkheid en de macht tot in de eeuwen [der eeuwen]! Amen!

7  Zie! Hij komt met de wolken, en elk oog zal hem zien, ook degenen die hem doorstaken; en alle stammen der aarde zullen zich wegens hem in weeklacht slaan. Ja! Amen!

8  Ik ben de Alfa en de Omega, spreekt de Heer God, hij die is en die was en die komt, de Almachtige.

9  Ik, Johannes, jullie broeder en deelgenoot in de verdrukking en koninkrijk en volharding in Yeshua, geraakte op het eiland dat Patmos heet, wegens het woord Gods en het getuigenis van Yeshua.

10  Ik geraakte in geest in de dag die de Heer toebehoort, en ik hoorde achter mij een luide stem als van een trompet,

11  zeggend: Schrijf wat je ziet in een boek en zend [het] naar de zeven gemeenten, naar Efeze en naar Smyrna en naar Pergamum en naar Thyatira en naar Sardis en naar Filadelfia en naar Laodicea.

12  En ik draaide mij om ten einde de stem te zien die met mij aan het spreken was. En mij omkerend zag ik zeven gouden kandelaars.

13  En te midden van de kandelaars [iemand] gelijk een Mensenzoon, gekleed in een gewaad dat tot de voeten reikte, en bij de borsten omgord met een gouden gordel.

14  Zijn hoofd en zijn haren evenwel wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam,

15  en zijn voeten gelijk koperbrons als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stem als een geluid van vele wateren,

16  en hebbend in zijn rechterhand zeven sterren, en uit zijn mond komt een scherp, tweesnijdend zwaard te voorschijn, en zijn gelaat als de zon die schittert in haar kracht.

17  En toen ik hem zag, viel ik als een dode aan zijn voeten neer, maar hij legde zijn rechterhand op mij en zei: Wees niet bevreesd, ik ben de Eerste en de Laatste,                

18  en de Levende, en ik werd een dode, maar zie! Levend ben ik, tot in de eeuwigheid, en ik heb de sleutels van de Dood en van de Hades.

19  Schrijf daarom de dingen die je zag op; ook de dingen die zijn en wat na deze dingen zal geschieden.

20  Het geheimenis van de zeven sterren die je op mijn rechterhand zag, en de zeven gouden kandelaars: De zeven sterren zijn engelen van de zeven gemeenten, en de kandelaars, de zeven, zijn zeven gemeenten.

 

Exegese

1:1-3

1   αποκαλυψις ιησου χριστου ην εδωκεν αυτω ο θεος δειξαι τοις δουλοις αυτου α δει γενεσθαι εν ταχει και εσημανεν αποστειλας δια του αγγελου αυτου τω δουλω αυτου ιωαννη

2   ος εμαρτυρησεν τον λογον του θεου και την μαρτυριαν ιησου χριστου οσα ειδεν

3   μακαριος ο αναγινωσκων και οι ακουοντες τους λογους της προφητειας και τηρουντες τα εν αυτη γεγραμμενα ο γαρ καιρος εγγυς

  

Openbaring van Yeshua Masjiach die God hem gaf om aan zijn slaven de dingen te tonen die vlug moeten geschieden. En hij maakte ze, door het zenden van zijn engel, in tekenen bekend aan zijn slaaf Johannes, die getuigde van het woord van God en van het getuigenis van Yeshua Masjiach, alle dingen die hij zag. Gelukkig hij die voorleest en zij die horen de woorden van de profetie, en die de dingen onderhouden die daarin geschreven zijn, want de [bestemde] tijd is nabij

 

De Openbaring is door tussenkomst van Masjiach Yeshua tot stand gekomen om Gods 'slaven' (knechten) bij voorbaat omtrent de gebeurtenissen van de Eindtijd te informeren. Bedoeld worden Messias belijdende Joden, leden van Gods uitverkoren volk Israël.  Maar Yeshua ontving de Openbaring wel eerst van zijn Vader, God, die de bron is van alle openbaring.

 

Omdat de beschreven gebeurtenissen zich voor het merendeel [de hoofdstukken 1 tm 19) binnen een bestek van zeven jaar gaan voltrekken, wordt er gezegd dat ze vlug moeten verlopen, εν ταχει (Op 22:6).

Het is een verzekering aan de Joden dat de verdrukkingen die ze stellig gaan ondervinden in de 70e Week, zich binnen een betrekkelijk korte periode zullen voordoen; dus niet dat ze eindeloos lijken zoals in het verleden, gedurende het tijdperk van hun opsluiting in ongehoorzaamheid (Rm 11:31-32).  

 

Terwijl zijn slaven de dienaren van God zijn, is Johannes een slaaf van Masjiach Yeshua. Dat betekent dat de leden van de christelijke Gemeente al in een vroeg stadium betreffende de Eindtijdgebeurtenissen werden geïnformeerd, kennelijk met de bedoeling dat zij zich bij die toekomstige gebeurtenissen betrokken zouden voelen.

 

Wij weten immers uit 1Th 4:15-17 en 1Ko 15:51-52 dat ten tijde van Yeshua’s paroesie, in de 'Opname', bij de Laatste Trompet, alle leden van Yeshua’s gemeente zullen worden weggerukt in wolken, de Heer tegemoet in de lucht. Dat zal hen, alle generaties van christenen - zowel zij die stierven als degenen die tot de paroesie in leven waren gebleven - de gelegenheid bieden om van meet af - als de klasse der 24 Oudsten - vanuit de hemel bemoeienis te hebben met Gods slaven op aarde.

Zie daarvoor onder meer het commentaar bij Op 5:8 en de Studie Wat is de identiteit van de 24 Oudsten in de Openbaring?

 

In de inleiding is ook voor de eerste keer sprake van een engel. We zullen zien dat in de Openbaring de engelen vele taken zijn toebedeeld, welke zij overigens onder de leiding van de Heer Yeshua vervullen, zoals ook het geval is in deze situatie.

Genoemde engel die de inhoud van de Openbaring aan Johannes moet overdragen is zijn engel, d.i. van Masjiach Yeshua, waarover deze dus kan beschikken. We zouden die eerste engel voortaan de openbaringsengel kunnen noemen. 

 

Het woord van God en het getuigenis van Masjiach Yeshua zijn dingen die men hoort. Toch ligt in dit vers de nadruk op de dingen die Johannes te zien kreeg; reeds een toespeling op de visioenen die hij zal ontvangen.

We maken de lezer nu al attent op dit onderscheid, aangezien voor een goed begrip van bepaalde gedeelten in de Openbaring horen en/of zien goed uit elkaar gehouden moeten worden.

Vergelijk Op 5:5-6 en Op 7:4, en 9.

  

De openbaring wordt een profetie genoemd en sluit als zodanig aan op de profetische Boeken van het OT. En precies zoals die Boeken in de synagogen werden voorgelezen en toegelicht, zo moet ook de profetie van de Apocalyps worden voorgelezen en verklaard op de Joodse bijeenkomsten. Dit met de bedoeling om in overeenstemming met de inhoud tot handelen over te gaan. Wanneer de Joden in de 70e Week uit hun opsluiting in ongehoorzaamheid komen, is de tijd daarvoor meer dan ooit nabij.

 

1:4-5a

4   ιωαννης ταις επτα εκκλησιαις ταις εν τη ασια χαρις υμιν και ειρηνη απο ο ων και ο ην και ο ερχομενος και απο των επτα πνευματων α ενωπιον του θρονου αυτου

5a   και απο ιησου χριστου ο μαρτυς ο πιστος ο πρωτοτοκος των νεκρων και ο αρχων των βασιλεων της γης

  

Johannes, aan de zeven gemeenten in Asia. Liefderijke gunst en vrede aan jullie van hem die is en die was en die komt, en van de zeven geesten die vóór zijn troon [zijn], en van Yeshua Masjiach, de getrouwe getuige, de eerstgeborene der doden en de heerser van de koningen der aarde

 

Dat Johannes zich tot de zeven gemeenten richt, geeft zijn Geschrift het karakter van een Brief. Het gebruik van het getal 7 – hier voor de eerste maal – duidt op volledigheid, zoals ook het geval is met de zeven geesten (Op 4:5).

Met de zeven gemeenten zou dan gedoeld worden op de gehele gemeenschap van Messiasbelijdende Joden in de 70e Week. De Eerste eeuwse zeven gemeenten in de Romeinse provincie Asia zouden dan voor die (herstelde) gemeenschap van Joodse Eindtijdgelovigen slechts model hebben gestaan.

 

Asia is dan uiteraard diasporagebied en dat leidt tot de conclusie dat Johannes de Joodse Eindtijdgemeenschap beziet als verkerend buiten het land Israël, precies zoals ook het geval is in de Brieven van Jakobus en Petrus. Vergelijk:

 

Jakobus, slaaf van God en van de Heer Jezus Messias, aan de twaalf stammen in de diaspora: gegroet!... Petrus, apostel van Jezus Messias, aan uitverkorenen, tijdelijke vreemdelingen der diaspora van Pontus, Galatië, KappadociëAsia, en Bithynië (Jk 1:1 en 1Pt 1:1).

 

Zowel bij Petrus als bij Johannes behoorden de genoemde gebieden eens tot het Rijk van de Seleucidische Koning van het Noorden over wie Daniël uitvoerig profeteerde in hoofdstuk 11 van zijn gelijknamige Boek. Tegen het einde van dat hoofdstuk (11) neemt de laatste koning in de lijn van Seleucidische heersers de gestalte van de Antichrist aan, in de Openbaring het duo Beest en Valse Profeet. Van die zijde krijgen de Joden in de Eindtijd de 3½-jarige Grote Verdrukking over zich heen.

Vergelijk Dn 11:3-6, 36-45; 12:1, 7 en Op 11:2-3; 12:6 en 14; 13:1-7.


De twee genoemde genadegaven - vreugdevolle, liefderijke gunst en vrede - worden hen toegewenst vanwege God zélf die hier in OT-ische trant wordt voorgesteld als de Zijnde, die Was en de Komende.

Die formule kan wellicht beschouwd worden als een ontwikkeling van de naam die YHWH God zichzelf gaf aan Mozes in Ex 3:14 (LXX > και ειπεν ο θεος προς Mωυσην εγω ειμι ο ων και ειπεν ουτως ερεις τοις υιοις ισραηλ ο ων απεσταλκεν με προς υμας).

De aanduiding de Komende wijst vooruit naar de machtsuitingen van God die in dit Bijbelboek geopenbaard zullen worden.

Reeds in het OT werd elke goddelijke machtsuiting als een komst voorgesteld. 

 

Gunst en vrede komen niet alleen van God maar ook van de zeven geesten voor zijn troon; blijkbaar de werkzaamheid in volledige mate van Gods heilige geest. Volgens sommigen de Spiritus septiformis, d.i. de heilige geest in zijn zeven gaven. Vergelijk Js 11:2.

In Op 4:5 worden deze zeven geesten voorgesteld als zeven vurige lampen (fakkels, toortsen), eveneens vóór Gods troon.

  

Het valt op dat Masjiach Yeshua hier pas als derde wordt vermeld, God en de heilige geest. Dit wijst kennelijk op het feit dat de Joodse gelovigen die altijd al naar God en de werking van zijn geest opzagen, tenslotte ook Yeshua als hun ware Masjiach accepteerden. Ja, en meer dan dat. Zij zijn ook gaan inzien dat alles wat in het OT aan het volk was toegezegd, slechts door tussenkomst van hem, de ware Messias, verwezenlijkt kon worden. Gods gunst en vrede komen alleen door zijn Middelaarschap.

Hij is ook hun Middelaar van het Nieuwe Verbond dat in de 70e Week met hen in werking komt, op grond waarvan zij tot een nieuwe schepping kunnen worden als het aardse deel van het (ware) Israël Gods (Gl 6:15-16).

Zie Hb 8:6-13 voor een gedetailleerde behandeling van het door Jeremia lang geleden aangekondigde Nieuwe Verbond dat YHWH God met zijn volk Israël in de Eindtijd zou sluiten. 

 

Als mens op aarde betoonde Yeshua zich de getrouwe getuige (Op 3:14; Jh 3:11; 1Tm 6:13).

zijn dood werd hij de eerstgeborene van de doden, en als degene aan wie God alle macht in hemel en op aarde toevertrouwde, werd hij ook de heerser van de koningen der aarde (Ks 1:18; Mt 28:18) .

 

1:5b-6

5b  τω αγαπωντι ημας και λυσαντι ημας εκ των αμαρτιων ημων εν τω αιματι αυτου

6   και εποιησεν ημας βασιλειαν ιερεις τω θεω και πατρι αυτου αυτω η δοξα και το κρατος εις τους αιωνας [των αιωνων] αμην

 

Aan hem die ons liefheeft en die ons bevrijdde uit onze zonden in zijn bloed − en hij maakte ons een koninkrijk, priesters voor zijn God en Vader − aan hem de heerlijkheid en de macht tot in de eeuwen [der eeuwen]! Amen!

 

Dit zal voor de Joodse Rest van de Eindtijd een spectaculair nieuwe manier van belijden inhouden: Yeshua, die zij eens als hun rechtmatige Masjiach verwierpen en die zij al helemaal niet erkenden als degene wiens offer van zijn volmaakte, menselijke leven zij nodig hadden om werkelijk van de schuld der zonde bevrijd te worden, belijden zij nu als hun Redder. En gelukkig voor hen, want juist die gelovige belijdenis van redding krachtens het bloed van het Lam zal hen tijdens de Grote Verdrukking bescherming bieden.

 

Zie Openbaring 7 vanaf vers 13 

 

Maar in hun belijdenis die de vorm van een doxologie aanneemt, zien we ook reeds een voorglimp van het visioen waarin hun Masjiach Yeshua wordt gezien als het Lam, zijnde geslacht, staande in het midden van Gods troon (Op 5:6)

  

De tussenzin - en hij maakte ons een koninkrijk, priesters voor zijn God en Vader - onderbreekt de doxologie en verwijst naar de uiteindelijke vervulling van Ex 19, vers 5/6:

Indien gij mijn stem strikt zult gehoorzamen en mijn verbond zult onderhouden, dan zult gij uit alle volken mijn speciale bezit worden, want de gehele aarde behoort mij toe. En gij zult mij een koninkrijk van priesters en een heilige natie worden.

 

Vergelijk Dn 7:27; Js 61:6, en zie Op 5:10 en 20:6.

Maar spreekt Johannes ook niet namens de christelijke Gemeente? Zeker, want door het gebruik van het meervoud ons worden ook christenen betrokken in de verklaring: Hij [Masjiach Yeshua] maakte ons een koninkrijk, priesters voor zijn God en Vader.

 

Dit is geheel in overeenstemming met 1Pt 2:9-10.

 

Gij echter [zijt] een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk tot eigendom, opdat jullie wijd en zijd de grote daden zouden verkondigen van hem die jullie uit duisternis riep tot zijn wonderbaar licht; die eens Geen-volk [waren] maar nu Gods volk, die [eens] Geen-barmhartigheid ontvingen maar aan wie nu barmhartigheid werd bewezen.

 

Maar in de vorming van die koninklijke priesterschap, en trouwens ook in alle andere ontwikkelingen die verband houden met het voortbrengen van de Nieuwe schepping en het Israël Gods, gaat de christelijke Gemeente de Joodse Gemeente vooraf.

Vergelijk Lk 22:28-30; 2Ko 5:17, en 2Tm 2:12.

 

De inlassing van deze frase in de doxologie, zonder enige verdere verklaring, doet veronderstellen dat de gedachte aan een koninklijke priesterschap tegen het einde van de Eerste eeuw al een vrij bekend concept was. Omdat dit concept de beide Gemeenten van Gods voornemen omvat, zal de priesterschap uiteindelijk ten dele hemels en ten dele aards zijn.

 

1:7-8

7   ιδου ερχεται μετα των νεφελων και οψεται αυτον πας οφθαλμος και οιτινες αυτον εξεκεντησαν και κοψονται επ αυτον πασαι αι φυλαι της γης ναι αμην

8   εγω ειμι το αλφα και το ω λεγει κυριος ο θεος ο ων και ο ην και ο ερχομενος ο παντοκρατωρ

  

Zie! Hij komt met de wolken, en elk oog zal hem zien, ook degenen die hem doorstaken; en alle stammen der aarde zullen zich wegens hem in weeklacht slaan. Ja! Amen! Ik ben de Alfa en de Omega, spreekt de Heer God, hij die is en die was en die komt, de Almachtige

 

De achterliggende teksten voor vers 7 zijn Dn 7:13 en Zc 12:10-14, maar hier vrijelijk aangewend.

De aankondiging brengt de lezer onmiddellijk naar de climax van Yeshua's paroesie, wanneer hij komt ten oordeel. Maar in Dn 7:13-14 wordt ons profetisch getoond dat het oordeel vooraf wordt gegaan door de oprichting in de hemel van het Messiaanse koninkrijk.

 

Zoals uit Op 11:14-18 zal blijken is er een verband tussen de installatie van het Messiaanse koninkrijk en de tenuitvoerlegging van Gods oordeel. Het koninkrijk vormt namelijk het Derde Wee dat over de mensenwereld zal komen, vooral over hen die zich weerbarstig, tot het einde toe, tegen Gods heerschappij zullen verzetten:

 

Het tweede Wee is voorbij. Zie! Het derde Wee komt vlug. En de zevende engel blies de trompet en grote stemmen geschiedden in de hemel zeggend: Het koninkrijk der wereld werd van onze Heer en van zijn Masjiach, en hij zal als koning regeren tot in alle eeuwigheid. En de vierentwintig Oudsten die vóór God op hun tronen zitten, vielen op hun aangezicht en aanbaden God, zeggend: Wij danken u Heer God, de Almachtige, die is en die was, dat gij uw grote kracht hebt opgenomen en als koning zijt gaan regeren. En de Heidenen ontstaken in toorn en uw toorn kwam en de [bestemde] tijd om de doden te oordelen en het loon te geven aan uw slaven de profeten, en aan heiligen en aan hen die uw naam vrezen, de kleinen en de groten, en om hen te verderven die de aarde verderven.

 

De oprichting van het Messiasrijk in de hemel dient om die reden in de Openbaring als een scharnierend punt - of beter wellicht, als kantelmoment - in de geschiedenis der aarde.

Wanneer God door middel van het Rijk van zijn Zoon na 4200 jaar weer zijn heerschappij in de wereld der mensen laat gelden, moet dat onvermijdelijk tot een beslissende ingreep leiden: Het wegvagen van alle corrupte heerschappij die mensen onder de boosaardige invloed der demonen zo lang mochten uitoefenen, waardoor de weg vrijkomt voor de Millenniumheerschappij van de Masjiach.

 

Zie ook de Studie: De Zeven Tijden

 

Wanneer ons dus bij voorbaat in Daniël 7 wordt getoond dat de God des hemels de heerschappij over de aarde in handen van de Mensenzoon legt, hoeft het geen verbazing te wekken dat hij komt met de wolken des hemels. Vooral omdat die komst plaats vindt te midden van een context van vergeldend oordeel dat gerechtelijk wordt uitgesproken over en voltrokken aan de laatste Caesar van de Romeinse wereldmacht, de agressieve Kleine Horen; in Openbaring 13 ook geduid als het Beest en in hoofdstuk 17 als de Achtste koning:


Ik bleef toen aanschouwen vanwege het geluid van de grandioze woorden die de hoorn sprak; ik bleef aanschouwen tot het Beest gedood werd en zijn lichaam vernietigd en het aan het brandende vuur overgegeven. Maar wat de overige Beesten aangaat, hun heerschappij werd weggenomen, en er werd hun een verlenging van leven gegeven voor een tijd en een tijdperk.

Ik bleef aanschouwen in de nachtvisioenen, en ziedaar! met de wolken des hemels bleek iemand gelijk een Mensenzoon te komen; en tot de Oude van Dagen verkreeg hij toegang, en men bracht hem dicht bij, ja vóór Deze. En hem werd heerschappij en waardigheid en koninkrijk gegeven, opdat de volken, nationale groepen en talen alle hém zouden dienen. Zijn heerschappij is een heerschappij van onbepaalde duur, die niet zal voorbijgaan, en zijn koninkrijk een dat niet te gronde gericht zal worden.
(Dn 7:11-14; nwv)

 

Komen met de wolken duidt op de heerlijkheid waarvan de komst van de Mensenzoon vergezeld zal gaan. Zelf verwees hij óók daarnaar toen hij zijn komst ten oordeel aankondigde, bij de climax van zijn paroesie: En dan zal het teken van de Mensenzoon in de hemel verschijnen, en dan zullen alle stammen der aarde zich in weeklacht slaan, en zij zullen de Mensenzoon zien, komend op de wolken des hemels met macht en veel heerlijkheid (Mt 24:30).

Dat volgens onze tekst - elk oog hem [dan] zal zien - moet blijkbaar gerelativeerd worden; zijn aanwezigheid zal onderscheiden worden aan de hand van specifieke verschijnselen.

Een voorbeeld is 2Th 1:7-8. Jezus' openbaring vanuit de hemel zal ondermeer plaats vinden in een vlammend vuur.


De Mensenzoon zal dan ook 'gezien' worden volgens het beginsel dat Paulus in Rm 1:20 gebruikte teneinde de realiteit van een werkelijk bestaande, levende en scheppende God kracht bij te zetten:
Want zijn onzichtbare dingen worden sedert [de] schepping der wereld met het verstand doorzien uit de dingen die gemaakt zijn, zowel zijn eeuwige kracht als goddelijkheid. 


Tot hen die daardoor tot de erkenning komen dat het om Masjiach Yeshua gaat, zullen ook degenen behoren die hem doorstaken. Wie worden met hen bedoeld?
Natuurlijk is de Romeinse soldaat die met een speer in de zijde van de terechtgestelde Yeshua stak
, waarna er onmiddellijk bloed en water tevoorschijn kwam - een aanwijzing dat hij al overleden was - allang geleden gestorven. Maar het waren vooral de haatdragende Joden welke bij Pilatus op zijn terechtstelling hadden aangedrongen, die schuldig waren aan de dood van hun Masjiach. Zij 'doorstaken' hem in zekere zin in de eerste plaats. Maar óók zij zijn al eeuwenlang dood.

Om te begrijpen op wie precies gedoeld wordt, moeten we ons tot de Evangelist Johannes wenden, want toen hij de gebeurtenissen van destijds beschreef maakte hij ons er in Jh 19:34-37 op attent dat het toen om de primaire vervulling van Zc 12:10 ging: Zij zullen kijken naar hem die zij doorstaken.


Maar het gedeelte in Zacharia is vooral profetisch voor de Eindtijd en voorzegt in de eerste plaats dat God zich weer in gunst tot zijn uitverkoren volk zal wenden:

 

Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal ik de geest van gunst en smekingen uitstorten, en zij zullen opzien naar degene die zij doorstaken, en zij zullen over hem weeklagen zoals bij het geweeklaag over een enige [zoon]; en er zal een bittere jammerklacht zijn over hem, zoals wanneer er een bittere jammerklacht is over de eerstgeboren [zoon] (Zc 12:10).

Als resultaat daarvan zullen zij berouwvol terugzien op hun haatdragende houding waarvan zij sinds de Eerste eeuw jegens hun eigen Masjiach bij voortduring blijk gaven. Want dan komen zij tot de erkenning wat zij altijd al in Mt 1:21 hadden kunnen lezen: Jij moet hem Yeshua noemen, want hij zal zijn volk redden van hun zonden.

Het geweeklaag van alle stammen der aarde zou dan allereerst verwijzen naar de 12 stammen van het natuurlijke Israël, maar bij uitbreiding naar de stammen van de gehele mensheid, zoals ook het geval is in Mt 24:30.

 

Het universele van deze gebeurtenis is wellicht ook door Paulus getekend met de woorden van Fp 2:9-11. De uitwerking van de weeklacht zou dan positief zijn en niet een voorbode van ondergang. Zie het verband tussen Zc 12:10-14 en Zc 13:1.

 

Ik ben de Alfa en de Omega, spreekt de Heer God, hij die is en die was en die komt, de Almachtige…

Al in vers 4 duidde God zichzelf aan als hij die is en die was en die komt.

Natuurlijk is hij de Almachtige, maar nu noemt hij zich tevens de Alfa en de Omega.

Die uitspraak steunt op Js 41:4; 44:6 en 48:12.

Jahweh God is Degene die de geschiedenis volledig beheerst. Hij gaat alles vooraf en hij besluit ook de laatste gebeurtenissen.

 

Bij hem ligt de oorsprong en het einddoel van alle dingen. Daardoor is eeuwigheid geen abstracte kwaliteit maar een blijvende actieve aanwezigheid.

Alleen iemand die Almachtig is, kan in deze trant spreken. Als de Almachtige identificeert hij zich bij uitstek in dit boek.

 

Zie Op 4:8; 11:17; 15:3; 16:7, 14; 19:6, 15; 21:22.

 

1:9-11

9   εγω ιωαννης ο αδελφος υμων και συγκοινωνος εν τη θλιψει και βασιλεια και υπομονη εν ιησου εγενομην εν τη νησω τη καλουμενη πατμω δια τον λογον του θεου και την μαρτυριαν ιησου

10  εγενομην εν πνευματι εν τη κυριακη ημερα και ηκουσα οπισω μου φωνην μεγαλην ως σαλπιγγος

11  λεγουσης ο βλεπεις γραψον εις βιβλιον και πεμψον ταις επτα εκκλησιαις εις εφεσον και εις σμυρναν και εις περγαμον και εις θυατειρα και εις σαρδεις και εις φιλαδελφειαν και εις λαοδικειαν

  

Ik, Johannes, jullie broeder en deelgenoot in de verdrukking en koninkrijk en volharding in Yeshua, geraakte op het eiland dat Patmos heet, wegens het woord Gods en het getuigenis van Yeshua. Ik geraakte in geest in de Dag die de Heer toebehoort, en ik hoorde achter mij een luide stem als van een trompet, zeggend: Schrijf wat je ziet in een boek en zend [het] naar de zeven gemeenten, naar Efeze en naar Smyrna en naar Pergamum en naar Thyatira en naar Sardis en naar Filadelfia en naar Laodicea

 

 

Doordat Johannes het vermijdt om op zijn apostolische status te wijzen en zich slechts aanduidt met jullie broeder, plaatst hij zich met zijn joodse broeders op één lijn. Hij en zij delen trouwens in de zelfde dingen: verdrukking, koninkrijk, volharding [let op de volgorde]. Door de vermelding van deze drie gemeenschappelijke ervaringen wordt hier reeds de grondslag gelegd voor één der themalijnen van het Boek: de gelovigen in hun verbondenheid met de Messias lijden verdrukking, thans en eschatologisch, maar zij verheugen zich voortdurend in het vooruitzicht van hun toekomstig koningschap dat door veel verdrukkingen heen bereikt zal worden (Hn 14:22).

  

Ik geraakte in geest in de Dag die de Heer toebehoort…

Dit vers (10) vormt, naar wij menen, de sleutel tot begrip van het gehele Boek, tenminste wanneer men zich realiseert dat Johannes in geestvervoering werd vooruit geplaatst in de tijd, tot in de Dag die de Heer toebehoort, en niet zoals de traditie leert dat hij zijn visioenen ontving op een zondag.

De vraag is niet op welke dag van de week een en ander plaats vond. Dat speelt in het geheel geen rol en heeft geen enkele relatie tot het begrijpen van de tekenen.

 

Rekening houdend met de profetie der Jaarweken uit Dn  9:24-27, lijkt het aannemelijk dat de Dag die de Heer toebehoort allereerst de 70ste Week omvat, waarin de draad der historie, wat het Joodse volk betreft, weer wordt opgepakt. Omdat bij het aanbreken van die laatste Week kennelijk het aeon [de eeuw] der Gemeente tot een einde komt, lijkt het niet onredelijk te verwachten dat spoedig daarop  ook Yeshua's paroesie een aanvang neemt en de Opname van de Gemeente plaats vindt (Rm 11:25; 1Th 4:15-17).

Maar de Dag van de Heer reikt ongetwijfeld ver voorbij die 70ste Week. Waarom?

 

Omdat de 70ste Week tot een climax komt bij Yeshua’s komst ten oordeel, direct in aansluiting op de Grote Verdrukking van de Tweede helft van 3½ jaar van die Week. 

 

Zie het commentaar bij vers 7 waar we al voorbereid werden op het feit dat Johannes' blik op die speciale periode in de wereldgeschiedenis gericht zou worden.

En vergelijk ook Mt 24:29-31 en Dn 12:7, 11-12.

  

De 70e Week omvat uiteraard 2520 dagen, precies zoals met alle voorgaande 69 Weken het geval was.

Uit een vergelijking met Op 11:2-3; 12:6, 14 concluderen we daarom niet geheel onverwacht dat elke Weekhelft 1260 dagen omvat, dus ook de eerste Weekhelft.

 

Maar volgens Dn 9:27 en 12:7, 11 moet vanaf het midden der Week, het tijdstip waarop de verwoestende gruwel wordt geplaatst, nog eens 1290 dagen geteld worden. En vervolgens worden in vers 12 van Dn 12 bovendien degenen gelukkig verklaard die volhardend wachten en de 1335 dagen bereiken: Gelukkig is hij die blijft verwachten en duizend driehonderdvijfendertig dagen bereikt.

 

Wellicht zijn die extra 30, recpectievelijk de 45 dagen, verwijzingen naar de eindafrekening in Har-Magedon, alsook het geluk dat de overlevenden van die Grote Dag van God de Almachtige zullen smaken wanneer zij getuige worden van de opstanding der rechtvaardigen. Zie vers 13 in de context van de 1290 en 1335 dagen.

 

Vergelijk Op 16:13-16 en Op 19:11-21; als ook Hn 24:15 en Op 20:4-6. 

 

Met betrekking tot de 1290 dagen die verlopen vanaf het midden der Jaarweek, het tijdstip waarop de verwoestende gruwel wordt geplaatst, is wel gesuggereerd dat de extra 30 dagen mogelijk wijzen op het feit dat er zich tijdens die Tweede helft van de Week slechts één keer een schrikkeljaar zal voordoen waarin, zoals gebruikelijk bij schrikkeljaren, 30 dagen aan het maanjaar worden toegevoegd door de extra (13e) maand Ve-Adar in te lassen.

Omdat zo’n schrikkelmaand wel 7 maal per elke 19 jaar wordt toegevoegd, kan het nuttig zijn om te weten dat die situatie zich tijdens de Tweede helft van de Week slechts 1x zal voordoen. Zie: Een mogelijk verloop van de Zeventigste Jaarweek.

 

In ieder geval zal dan de Dag van de Heer op dat tijdstip 1260 + 1290 + 45 = 2595 dagen hebben geduurd.

Hoewel die periode beslist van zeer grote betekenis zal zijn, aangezien verreweg het grootste deel van de zinnebeelden die in het Boek worden aangekondigd zich in die periode afspelen - naar het schijnt zeker tot en met Op 20:4-6 - blijven er voldoende redenen over om aan te nemen dat die 2595 dagen toch nog maar het begin van die Dag zullen vertegenwoordigen. Vanaf Op 20:11 gaat Johannes immers opnieuw weergeven wat hij in tekenen zag, namelijk de duizendjarige periode van oordeel waarbij hij de opgewekte mensheid voor de Grote Witte Troon ziet verschijnen.

 

Verder beschrijft hij vanaf Op 21:1 eveneens de Nieuwe hemel en de Nieuwe aarde die hij te zien kreeg. Zo ook in Op 22:1 waar de openbaringsengel hem de rivier van water des levens toont.

Pas in Op 22:8 eindigt hij zijn verslag met de woorden: En ik Johannes [ben het] die deze dingen hoort en ziet. En toen ik hoorde en zag, viel ik neer...

 

Op grond hiervan menen wij dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de Dag die de Heer toebehoort zich minstens uitstrekt tot het tijdstip waarop, na duizend jaar, Satan uit zijn gevangenis wordt losgelaten. Dan ontvangt hij de gelegenheid de natiën  - die dan 'genezen' zullen zijn door de weldadige invloed der bladeren van het geboomte des levens aan weerszijde van de rivier van water des levens alsnog te misleiden in een laatste beproeving (Op 20:7-8; 22:1-2).

 

Voor die conclusie hebben wij nog een andere, speciale reden:

Het is immers op z’n minst opmerkelijk te noemen dat buiten 1Ko 11:20 het woord κυριακος, in het vrouwelijk κυριακη, tot de Heer behorend, alleen nog in deze tekst, Op 1:10, voorkomt, zodat we respectievelijk krijgen:

 

de maaltijd die tot de Heer behoort;

en

de Dag die tot de Heer behoort.

 

Tijdens de maaltijd die tot de Heer behoort, wordt er van het brood gegeten en van de wijn gedronken, als een gedachtenis aan Yeshua's verzoenend offer.

In 1Ko 11:26 zegt Paulus daarom: Want zo dikwijls als jullie dit brood eten en de beker drinken, verkondigen jullie de dood van de Heer.

 

Men staat dan stil bij datgene wat zijn dood voor de mensheid betekent:

de Masjiach plaatsvervangend gestorven voor de zonden, waardoor de weg ten leven geopend werd (Rm 6:23);

de nieuwe verhouding tot God die daardoor mogelijk is geworden (Rm 8:15); etc.

 

De leden van de Gemeente verheugen zich - nu reeds - in het onderpand idee (Ef 1:13-14): verzegeling met de geest, wat grootse verwachtingen wekt voor een toekomstige (volledige) verlossing, zoals Rm 8:23 te kennen geeft: En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen der geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.

 

Met alle leden van de mensheid, waaronder dus ook christenen, verkeert de [menselijke] schepping nog altijd in barensnood en wordt er gezucht en pijn geleden. Hoe lang nog? Totdat voor de Gemeente het definitieve zoonschap komt, de verlossing van het oude Adamitische lichaam, maar ook voor de gehele menselijke schepping de tijd aanbreekt om - krachtens Yeshua's offer - vrijgemaakt te worden van de slavernij aan het verderf en zich te verheugen in de glorierijke vrijheid die bij de kinderen van God hoort (Rm 8:20-22).

Zie: De schepping in barensnood 


Ligt het dan niet voor de hand dat de verwezenlijking van die dingen komt in
de Dag die de Heer toebehoort. Daarmee doelen we op de daadwerkelijke verlossing; het op effectieve wijze aanwenden van de voordelen van Yeshua's offer.

Vanuit die invalshoek zou die speciale Dag dan lopen vanaf de Opname der Gemeente en zich helemaal uitstrekken tot het moment waarop Yeshua aan het einde van het Millennium zijn koninkrijk overdraagt aan de Vader, wanneer Deze alle vijanden onder de voeten van zijn Zoon, de Masjiach, heeft gelegd, inclusief de Dood (1Ko 15:24-26, en de voorafgaande verzen).

 

Samengevat: bij de maaltijd nog de vooruitzichten en de hoop; in de Dag de verwezenlijking daarvan, niet alleen voor de Gemeente, maar ook voor de hele mensheid: redding in de Masjiach.

 

Aldus bezien, krijgen Yeshua's woorden die hij sprak naar aanleiding van het geregelde verwijt dat zijn religieuze tegenstanders hem maakten wat betreft de in hun ogen ongeoorloofde activiteiten op de Joodse sabbat, nog meer betekenis: De Mensenzoon is Heer van de Sabbat (Lk 6:1-5).

Yeshua verbond die uitspraak met het feit dat hij de Mensenzoon is van Daniël, hoofdstuk 7.

 

In het licht van Dn 7:13-14 geduid, houden die woorden dan in dat zijn Messiaans Rijk tevens gezien moet worden als een grote Sabbat van 1000 jaar, logischerwijs volgend op de zes perioden van 1000 jaar die het mensdom onder de onderdrukkende heerschappij van de Satan zuchtte.

Een en ander impliceert dat de Dag die de Heer toebehoort bijna geheel in beslag wordt genomen door de duizendjarige Sabbat waarvan Yeshua Heer is.

 

En ik hoorde achter mij een luide stem als van een trompet…

Johannes hoorde achter zich een luide [lett.: een grote, d.i. een machtige] stem. Wat hij in geestvervoering hoort en ziet, is gewoonlijk overweldigend. Vergelijk Ez 3:12.

Ook de profeet Ezechiël werd in geest in de tijd vooruit geplaatst; bijvoorbeeld om de visionaire tempel van YHWH God te zien (Ez 40:1, 2).

Aangezien veel beelden uit Ezechiël die betrekking hebben op het herstel van Israël terugkeren in de Openbaring, mogen we aannemen dat ze beide hun vervulling hebben in de periode die begint met de laatste dagen van het huidige wereldaeon.

 

Zie ook de Studie: De laatste trompet, waarin aannemelijk wordt gemaakt dat het om de zelfde trompet gaat als die welke in 1Ko 15:52 wordt vermeld in verband met de Opname van de Gemeente, primair een eschatologisch signaal om de joodse Eindtijdgemeenschap bijeen te roepen. 

Om die reden zal in Op 4:1 die stem als een trompet opnieuw door Johannes worden genoemd wanneer hij wordt opgeroepen om een kijkje in de hemel te nemen en daar ondermeer de opgenomen Gemeente, onder het zinnebeeld der 24 Oudsten, te aanschouwen.

Zie in genoemde Studie ook het commentaar op Ezechiël 40 voor een verdere analyse van de 70ste Jaarweek.

 

Schrijf wat je ziet in een boek en zend [het] naar de zeven gemeenten, naar Efeze en naar Smyrna en naar Pergamum en naar Thyatira en naar Sardis en naar Filadelfia en naar Laodicea.

Zie het commentaar bij 1:4-5a.

 

Ekklèsia [gemeente] moeten we hier blijkbaar niet nemen in de zin van de Paulinische brieven, maar in de oorspronkelijke betekenis van het OT: een vergadering of gemeente van YHWHs uitverkoren volk die naar Joods gebruik samenkomt in een synagoge (Op 2:9; 3:9; Jk 2:2).

Dat we niet met christelijke gemeenten naar Paulinisch model te maken hebben, blijkt ondermeer uit de vermelding van de engel der gemeente in plaats van ouderlingen (opzieners) en dienaren. Zie het commentaar bij de vv 16 en 20.

 

Het is moeilijk te achterhalen waarom juist deze gemeenten werden uitgekozen, aangezien in dit gebied zich nog andere (prominente) gemeenten bevonden.

Wellicht hangt de keuze samen met 

 

a.) de toestanden die in de laatste dagen binnen de Joodse, Messias belijdende gemeenschap de overhand zullen hebben, overeenkomend met de toestanden die destijds in de zeven gemeenten bestonden; en/of

b.) de achtergrondsituatie van de genoemde steden die kenmerken hadden die bruikbaar waren voor zinnebeeldig gebruik. Bijvoorbeeld Laodicea: Het hete bronwater dat via een lang aquaduct naar de stad werd geleid en bij aankomst lauw was geworden; óók de oogzalf die aldaar werd geproduceerd.  

 

1:12-16 

12  και επεστρεψα βλεπειν την φωνην ητις ελαλει μετ εμου και επιστρεψας ειδον επτα λυχνιας χρυσας

13  και εν μεσω των λυχνιων ομοιον υιον ανθρωπου ενδεδυμενον ποδηρη και περιεζωσμενον προς τοις μαστοις ζωνην χρυσαν

14  η δε κεφαλη αυτου και αι τριχες λευκαι ως εριον λευκον ως χιων και οι οφθαλμοι αυτου ως φλοξ πυρος

15  και οι ποδες αυτου ομοιοι χαλκολιβανω ως εν καμινω πεπυρωμενης και η φωνη αυτου ως φωνη υδατων πολλων

16  και εχων εν τη δεξια χειρι αυτου αστερας επτα και εκ του στοματος αυτου ρομφαια διστομος οξεια εκπορευομενη και η οψις αυτου ως ο ηλιος φαινει εν τη δυναμει αυτου

 

En ik draaide mij om ten einde de stem te zien die met mij aan het spreken was. En mij omkerend zag ik zeven gouden kandelaars. En te midden van de kandelaars [iemand] gelijk een Mensenzoon, gekleed in een gewaad dat tot de voeten reikte, en bij de borsten omgord met een gouden gordel. Zijn hoofd en zijn haren echter wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam en zijn voeten gelijk koperbrons als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stem als een geluid van vele wateren, en hebbend in zijn rechterhand zeven sterren, en uit zijn mond komt een scherp, tweesnijdend zwaard te voorschijn, en zijn gelaat als de zon die schittert in haar kracht

 

Uiteraard was Johannes benieuwd naar de persoon met de grote stem (vers 10). Maar het eerste wat hem opvalt wanneer hij zich omgedraaid heeft, zijn zeven kandelaars, kennelijk een terugverwijzing naar de zevenarmige kandelaar in de Tabernakel met zijn zeven lampen, één stuk gedreven werk, van zuiver goud (Ex 25:29-40).

In vers 20 zal de zinnebeeldige betekenis verklaard worden: de kandelaars, de zeven, zijn zeven gemeenten.

 

De lamp is een natuurlijk symbool van voorzien in licht; in Bijbelse zin door getuigenis af te leggen, zoals Yeshua zelf opmerkte met betrekking tot zijn voorganger Johannes die hem bij Israël introduceerde (Jh 1:31; 5:33-35).

Dat er zeven afzonderlijke kandelaars worden gezien, benadrukt de verantwoordelijkheid van elke afzonderlijke gemeente in dit opzicht. De lampen van de kandelaars stralen licht uit. In dit geval uiteraard geestelijk licht, de religieuze waarheid, d.i. de waarheid over de Messias, waarvan God wenst dat ze bekend wordt onder alle mensen.

Vergelijk 1Tm 2:3-6, waar ondermeer sprake is van het feit dat God in zijn voornemen specifieke tijden heeft gereserveerd om van Yeshua's verlossingswerk te getuigen. De 70e Jaarweek zal een dergelijke gekenmerkte periode zijn.

  

Het tafereel van de Mensenzoon die zich te midden van de zeven kandelaars bevindt, steunt niet alleen op Dn 7:13, de Mensenzoon die met de wolken des hemels komt, maar ook op Dn 10:4-6, de grootse verschijning die Daniel aan de oever van de rivier Hiddekel te zien kreeg, namelijk een in linnen geklede 'man',

- bij de heupen omgord met goud uit Ufaz;

- wiens lichaam als turkoois was;

- met een gelaat dat er uitzag als de bliksem;

- wiens ogen als vuurfakkels waren en van wie de armen en voeten de aanblik hadden van gepolijst koper. 

 

Ook bij hem was het geluid van zijn mond als het geluid van een menigte.

In vers 13 wordt hij door een ander hemels wezen, een engel die kwam in antwoord op Daniëls gebed, geïdentificeerd als Michael, een zeer voorname vorst.

 

Die engel begon volgens Dn 10:1 met Daniël in contact te treden in het derde jaar van Cyrus, de koning van Perzië, d.i. het jaar 536 v.Chr. Deze engel had veel tot Daniël te zeggen; in Dn 11:1 verwijst hij nogmaals naar Michaël met wie hij nauw samenwerkte. Maar alle profetische bijzonderheden die Daniël vanaf Dn 10:1 tot en met het einde van zijn boek opschreef, ontving hij door tussenkomst van die openbaringsengel.

In het slotgedeelte verschijnt Michaël, de in linnen geklede 'man' boven de stroom de Hiddekel, opnieuw en beantwoordt hij de vraag hoe lang de Eindtijdbenauwdheid voor Israël zal duren:

 

Daarop hoorde ik de in linnen geklede man die zich boven het water van de rivier bevond spreken. Hij hief beide handen op naar de hemel en zwoer bij de eeuwig Levende: 'Eén tijd, een dubbele en een halve tijd: wanneer de macht van het heilige volk niet langer verbrijzeld zal worden, dan zullen al deze dingen zich hebben voltrokken.'

(Dn 12:1, 7; nbv)

 

Hiermee is Yeshua, de Mensenzoon die zich tussen de zeven kandelaars beweegt, tevens geïdentificeerd als Michaël, de voorname vorst die optreedt ten behoeve van Israël, Daniëls volk (Dn 12:1). Iets wat uiteraard ook al kon worden afgeleid uit 1Th 4:16; Judas 9, en Op 12:7.

 

De wijze waarop Johannes hem voor ons in het visioen tekent, met name wat zijn kleding betreft, voert ons ook terug naar Ex 28:4-8, naar de beschrijving van de hogepriesterlijke ambtskledij. Zie ook Zc 3:4.

In het visioen presenteert Jezus zich dan ook als de glorierijke Hogepriester van het Nieuwe Verbond, binnen de omlijsting van een Tempelregeling.

Dat er gesproken wordt van iemand gelijk een Mensenzoon, behoort tot de apocalyptische uitdrukkingswijze; de visionair spreekt met een zekere terughoudendheid: iemand of iets als.

 

Tot hiertoe is Jezus Messias dus aan ons getoond als profeet (vers 1); als heerser van de koningen der aarde (vers 5), en nu ook als drager van de hogepriesterlijke waardigheid.

In de Openbaring wordt de Zoon van God dan ook aan ons voorgesteld op een wijze die in de Evangeliën nog verborgen was gebleven. In die verslagen treedt hij op als de 30-jarige Evangelieprediker; hier echter als de wijze Persoon die al een lang leven achter zich heeft, in glorierijke waardigheid. In staat om scherp te onderscheiden en schepselen te toetsen, waarbij zijn blik diep doordringt, helemaal tot in harten en nieren.

 

Zie Op 2:18, 23; 19:12, en vergelijk Sp 16:31; Dn 7:9.

  

Zijn voeten gelijk koperbrons als in een oven gloeiend gemaakt…

Voeten die aldus worden beschreven, kunnen slechts de voeten zijn van een Machtige die de wereld regeert, aan wiens voeten de Vader alle dingen onderwerpt (Ef 1:20-22; Ps 110). Ze verzinnebeelden kracht en vastheid; onwankelbare heerschappij; onverzettelijk jegens de antichristelijke vijanden die hem in zijn speciale Dag maar wat graag terzijde zullen willen schuiven.

  

En hebbend in zijn rechterhand zeven sterren, en uit zijn mond komt een scherp, tweesnijdend zwaard te voorschijn, en zijn gelaat als de zon die schittert in haar kracht...

In vers 20 zal worden toegelicht dat de zeven sterren een afbeelding zijn van de engelen der zeven gemeenten.

Maar waarom bevinden zij zich in Yeshua's rechterhand? Omdat die engelen onder zijn toezicht staan en kunnen vertrouwen op zijn steun en op de machtige bescherming die zijn rechterhand symboliseert.

Vergelijk Ps 118:15-16.

 

Met het oog daarop maakt YHWH God, zoals ook al profetisch in Js 49:2-6 werd aangekondigd, de mond van zijn Messiaanse Knecht tot een scherp zwaard. Het is namelijk zijn taak Jakobs stammen weer op te richten en aldus "Jakob" (Israël) tot Hem terug te brengen.

De herstelaankondigingen in het boek Jesaja spelen een belangrijke rol in de Openbaring. Maar in dit voornemen van God dat zich in de Dag van de Heer gaat ontvouwen, kijkt YHWH God verder dan Israëls herstel. Hij heeft ook het welzijn van de Heidenvolken (de natiën) op het oog:

 

Het is meer dan een onbeduidende zaak geweest dat gij mijn Knecht zijt geworden om de stammen van Jakob op te richten en de gespaarden van Israël terug te brengen; ik heb u ook tot een licht der natiën gegeven, opdat mijn redding zou reiken tot het uiteinde der aarde.

 

De vervulling van die profetische opdracht zal met veel tegenstand vergezeld gaan; vandaar het tweesnijdend zwaard dat uit zijn mond tevoorschijn komt. In Jesaja krijgt Israël (Jakob) voortdurend de verzekering dat zij door hun Messias die zich met Gods Knecht Israël identificeert, bijgestaan zullen worden:

 

Gij, o Israël, zijt mijn Knecht, gij, o Jakob, die ik verkoren heb, zaad van  Abraham, mijn vriend;  gij, die ik gegrepen heb van de uiteinden der aarde, en gij, die ik geroepen heb uit haar afgelegen streken; tot wie ik  gezegd heb: Gij zijt mijn Knecht; ik heb u verkoren, en ik heb u niet verworpen.  Wees niet bevreesd, want ik ben met u. Blik niet angstig rond, want ik ben uw God. Ik sterk, ja, ik help u. Ik houd u vast met mijn gerechtige rechterhand 

(Js 41:8-10).

 

Zie ook Js 11:4 en 2Th 2:8

De twaalf Stammen kunnen opzien naar een Messias en Middelaar wiens aangezicht een goddelijke heerlijkheid uitstraalt, waarbij het gelaat van Mozes, dat heldere stralen uitzond nadat hij in Gods tegenwoordigheid was geweest, verbleekt (Ex 34:29-35; 2Ko 3:7-11).

Jezus' aangezicht schittert in heerlijkheid als de zon in haar volle kracht, wat in zijn paroesie ook het geval zou zijn (Mt 17:2; 2Pt 1:16).

Door tussenkomst van Masjiach Yeshua, hun Middelaar in het Nieuwe Verbond, kunnen de Joden in de 70e Week de vervulling verwachten van Jr 31:31-34; Ez 36:25-27.

 

Dat Mashiach Yeshua gezien wordt als zich bevindend te midden van de zeven kandelaars, afbeeldend de Joodse Eindtijdgemeenschap, geeft extra ondersteuning aan de gedachte dat in deze fase Romeinen 11:25 vervuld is: De volheid der Heidenvolken is ‘binnen’. Anders verwoord: Alle beoogde leden van Yeshua’s Gemeentelichaam zijn niet alleen bijeengebracht maar hebben waarschijnlijk inmiddels ook de Opname ervaren. Zie het commentaar bij Op 4:1.

 

1:17-18 

17  και οτε ειδον αυτον επεσα προς τους ποδας αυτου ως νεκρος και εθηκεν την δεξιαν αυτου επ εμε λεγων μη φοβου εγω ειμι ο πρωτος και ο εσχατος

18  και ο ζων και εγενομην νεκρος και ιδου ζων ειμι εις τους αιωνας των αιωνων και εχω τας κλεις του θανατου και του αδου

 

En toen ik hem zag, viel ik als een dode aan zijn voeten neer, maar hij legde zijn rechterhand op mij en zei: Wees niet bevreesd, ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en ik werd een dode, maar zie! Levend ben ik, tot in eeuwigheid, en ik heb de sleutels van de Dood en van de Hades

 

Johannes' ervaring komt in veel opzichten overeen met die van de profeet Daniël in het jaar 536 v.Chr. Zoals we al vaststelden in ons commentaar bij de vv 12-16, ontving de profeet toen het visioen dat door hem werd opgetekend in Dn 10:1 tm 12:13, in de Bijbel direct volgend op de Jaarwekenprofetie.

De bedoeling was dat Daniël zou onderscheiden wat uw volk in het laatst der dagen zal overkomen (Dn 10:14).

De hoofdfiguur die in het visioen optreedt, is de in linnen geklede man, bij de aanblik waarvan in Daniël geen kracht overbleef, en mijn eigen waardigheid werd aan mij veranderd ten verderve, en ik behield geen kracht.

 

Daniël ervoer iets soortgelijks als Johannes:

 

Ik dan hoorde het geluid van zijn woorden; en terwijl ik het geluid van zijn woorden hoorde, gebeurde het dat ikzelf mij ook in een diepe slaap bevond op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde. En zie! er was een hand die mij aanraakte, en geleidelijk schudde ze mij wakker om [mij] op mijn knieën en mijn handpalmen [overeind te doen komen].

 

De beschrijving komt in veel details overeen met de glorierijke Mensenzoon die in de Openbaring te midden van de zeven kandelaars (gemeenten) wordt gezien.

Dit verschaft nog een reden voor de overtuiging dat we in de Openbaring verplaatst worden naar de 70e Jaarweek waarin God en zijn Zoon zich exclusief bezig houden met Daniëls volk, de Joden.

 

Johannes bezwijmde toen hij de glorierijke Mensenzoon te zien kreeg en viel als dood aan diens voeten neer. Maar deze legde zijn rechterhand op hem. Johannes vermeldt niet of de verheerlijkte Jezus hem ook verder hielp om overeind te komen.

Hierin zien wij dus enig verschil met wat Daniël ondervond. Toen hij als dood neerviel ervoer hij dat iemand hem te hulp kwam: En zie! er was een hand die mij aanraakte, en geleidelijk schudde ze mij wakker om [mij] op mijn knieën en mijn handpalmen [overeind te doen komen]. 

 

Uit een grondige beschouwing van de hoofdstukken 9 tm 12 van het boek Daniël, moet men concluderen dat het "de man Gabriël" geweest moet zijn die opnieuw aan Daniël verscheen om hem aanvullende profetische informatie te verschaffen omtrent de eindtijd.

Zie de Studie: Michaël, de aartsengel, in conflict met Satans Rijk

 

Dat Yeshua, de Mensenzoon, zich de Eerste en de Laatste noemt betekent niet dat hij God zelf is. Wanneer die (in Op 1:8) aldus over zichzelf spreekt, als de Alfa en de Omega, voegt hij er aan toe: de Almachtige.

Die uitdrukking eigent Gods Zoon zich nooit toe. Hijzelf is de Eerste en de Laatste in de betekenis dat hij van het begin tot het einde Gods voornemen volledig vervult. In het bijzonder met betrekking tot Gods plan van redding is hij de sleutelfiguur, de Eerste en de Laatste, de enige derhalve.

 

Met het oog daarop werd hij een dode, toen hij aan de paal de verlossende losprijs betaalde. Maar nu leeft hij voor altijd om Gods reddingsplan tot een succesvol einde te brengen: Vandaar ook dat hij in staat is volledig te redden hen die door hem tot God naderen, daar hij altijd leeft om voor hen ten beste te spreken (Hb 7:25).

 

Dat hij in het bezit is van de sleutels van de Dood en de Hades houdt in dat hij beschikkingsmacht heeft om gestorvenen uit hun doodstoestand in het algemene graf der mensheid te voorschijn te laten komen. In Op 20:11-15 zal Johannes er getuige van zijn dat dit in het Millenniumrijk ook werkelijk plaats vindt en met welk doel:

 

En ik zag een grote witte troon en hem die daarop is gezeten, van wiens aangezicht vluchtte de aarde en de hemel en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande vóór de troon, en boekrollen werden geopend. Ook een andere boekrol werd geopend, die is des levens. En de doden werden geoordeeld uit de dingen geschreven zijnde in de boekrollen overeenkomstig hun werken. En de Zee gaf de doden die in haar [waren]; ook de Dood en de Hades gaven de doden die in hen [waren]; en zij werden geoordeeld, een ieder overeenkomstig hun werken. En de Dood en de Hades werden in het meer van vuur geworpen; dit is de tweede Dood: het meer van vuur. En indien iemand niet werd gevonden geschreven in de boekrol des levens, werd hij geworpen in het meer van vuur.  

 

Zie ook Mt 16:18 en Jh 5:28-29.

 

1:19-20  

19  γραψον ουν α ειδες και α εισιν και α μελλει γενεσθαι μετα ταυτα

20  το μυστηριον των επτα αστερων ους ειδες επι της δεξιας μου και τας επτα λυχνιας τας χρυσας οι επτα αστερες αγγελοι των επτα εκκλησιων εισιν και αι λυχνιαι αι επτα επτα εκκλησιαι εισιν

 

Schrijf daarom de dingen die je zag op; ook de dingen die zijn en wat na deze dingen zal geschieden. Het geheimenis van de zeven sterren die je op mijn rechterhand zag, en de zeven gouden kandelaars: De zeven sterren zijn engelen van de zeven gemeenten, en de kandelaars, de zeven, zijn zeven gemeenten

 

Alles wat Johannes tot nu toe heeft gezien – en vanzelfsprekend ook alles wat hij hoorde – moet hij in geschrifte vastleggen. Te beginnen met het adembenemende tafereel waarvan hij zojuist getuige is geweest, in de geest, in de Dag die de Heer toebehoort. Vanaf Op 2:1 zal Yeshua zich via hun zeven engelen tot de zeven gemeenten richten. Johannes, en wij met hem, komen dan te weten hoe de toestanden zijn onder de wereldomvattende Joodse gemeenschap op aarde. We zullen merken dat de Mensenzoon daarbij geregeld teruggrijpt op onderscheiden periodes uit Israëls geschiedenis (de hfdst 2 en 3).

 

Vervolgens, in de hfdst 4 en 5, zullen we geconfronteerd worden met de hemel, en met name geïnformeerd worden hoe de situatie rondom Gods Troon is ingericht wanneer die speciale Dag aanbreekt. Kortom de dingen die zijn:

op aarde onder Gods uitverkoren volk;

en in de hemel, vanwaar alle aandacht uitgaat naar dit volk op aarde.

 

Oók wat daarna zal geschieden, de taferelen die hem getoond zullen worden vanaf hoofdstuk 6, moet hij opschrijven, t.w. de schokkende gebeurtenissen die de eigenlijke kern van het Boek vormen.

 

Het geheimenis van de zeven sterren die je op mijn rechterhand zag, en de zeven gouden kandelaars: De zeven sterren zijn engelen van de zeven gemeenten, en de kandelaars, de zeven, zijn zeven gemeenten…

Tot hier toe werd de verklaring van het visioen grotendeels aan de scherpzinnigheid van de lezer overgelaten. Door Schrift met Schrift te vergelijken kunnen door hem redelijk betrouwbare gevolgtrekkingen worden gemaakt, iets wat trouwens ook geldt voor alles wat hierna zal volgen.

 

Maar nu is er sprake van een mysterie, een goddelijk geheim, dat door ons, mensen, slechts kan worden begrepen wanneer God het in zijn welwillendheid inhoudelijk aan ons wil onthullen.

Vergelijk Ef 3:1-6 waar de apostel Paulus nederig toegeeft dat het heilig geheim van de christelijke Gemeente - dat de Heidenen mede-erfgenamen zijn en medelichaam en mededeelgenoten van de belofte in Messias Jezus – aan hem geopenbaard moest worden. Dat geheimenis omtrent de Messias was al van eeuwigheid bij God bekend, maar werd in andere geslachten niet bekend gemaakt aan de zonen der mensen, zoals het nu in geest is onthuld aan zijn heilige apostelen en profeten.

En ook hier wordt door de Mensenzoon het geheimenis ontsluierd; althans ten dele:

 

De zeven sterren zijn engelen van de zeven gemeenten, en de kandelaars, de zeven, zijn zeven gemeenten…

Van de zeven kandelaars (gemeenten) suggereerden we al in het commentaar bij vers 4 dat ze de gehele gemeenschap van Messiasbelijdende Joden in de 70e Week vertegenwoordigen. De Eerste eeuwse zeven gemeenten in Asia stonden daarvoor slechts model. Maar wie zijn hun zeven sterren (engelen)? 

Dat we inderdaad aan engelen moeten denken en niet aan menselijke boodschappers, zoals de shaliach tsiboer, die ook nu nog in de synagoge dient als de afgevaardigde van de gemeente, haar woordvoerder (Bullinger), kan op de volgende gronden worden beredeneerd:

 

(1) In de Schrift worden engelen inderdaad soms voorgesteld als sterren.

(2) In de visionaire taferelen van de Openbaring verschijnen zij consequent in hun eigen hoedanigheid: als hemelwezens.

(3) De context: Het is de Mensenzoon die zoveel gelijkenis vertoont met de in linnen geklede man van Daniël 10 die het geheimenis toelicht.

 

Om met het laatste argument te beginnen, in ons commentaar bij de vv 12-16 concludeerden we reeds dat de in linnen geklede man geïdentificeerd moet worden als Michaël, een zeer voorname vorst die andere getrouwe engelen van God ter zijde staat. Zo ontving bijvoorbeeld de engel die aan Daniël vele profetische bijzonderheden overbracht zodat deze mocht weten wat uw volk in het laatst der dagen zal overkomen, de steun van Michaël om succesvol weerstand te bieden tegen de engelvorsten van Perzië en Griekenland.

 

Bijgevolg kwamen we tot de conclusie dat Yeshua, de Mensenzoon die zich tussen de zeven kandelaars beweegt, niemand anders kan zijn dan Michaël, van wie in Dn 12:1 wordt gezegd dat hij als vorst optreedt ten behoeve van de natie Israël, Daniëls volk.

Reeds in Gn 16:7 verscheen hij als de engel van YHWH, de engel die God ook voor zijn volk Israël liet uittrekken bij de Exodus (Ex 14:19; 32:34). Bij Jericho verscheen hij aan Jozua als de vorst van het leger [tsaba] van YHWH (Jz 5:13-15).  

 

Dat Michaël inderdaad identiek is aan Gods Zoon blijkt tevens uit het feit dat hij volgens Dn 12:1 in de eindtijd zal opstaan, dat wil zeggen in de zin van koningschap aanvaarden.

Uit Dn 11:20-21 kan immers afgeleid worden dat opstaan in precies die betekenis moet worden opgevat. Op de helft van de Jaarweek zal Yeshua het koningschap in zijn Messiasrijk aanvaarden, wat overigens meteen aanleiding zal zijn voor een grote benauwdheid of verdrukking, de 3½-jarige Grote Verdrukking, die ook in Dn 7:25; 12:7, Mt 24:21 en Op 7:14 wordt aangekondigd; in Jr 30:7 ook wel "de tijd der benauwdheid voor Jakob" genoemd. Zie ook Dn 2:44; 4:17 en 7:13-14.

 

Al die bijzonderheden helpen ons om tot de overtuiging te komen dat God in de hemelsferen wordt omringd door een 'hofhouding' van een enorme menigte aan hemelwezens, engelen die met sterren worden vergeleken maar die ook wel vorsten, ja, soms zelfs goden worden genoemd.

Natuurlijk is er maar één ware God, de Almachtige (Jh 17:3), maar in Psalm 82 zien we hem als Degene die de vergadering der "goden" presideert of voorzit (nbg). Volgens Job 1:6; 2:1 en 2Kr 18:18, blijkbaar een geregeld terugkerende gebeurtenis in de hemel.

Zo lezen we ook in Ps 89:6 (7): Want wie in de wolkenhemel kan met YHWH vergeleken worden; is gelijk aan YHWH onder de zonen der goden?    

 

In Ks 1:15-17 wordt aan ons onthuld dat God die hemelwezens schiep door tussenkomst van zijn Zoon, In vers 16 worden zij qua positie(s) gerangschikt onder de zaken die weliswaar onzichtbaar zijn maar niettemin als realiteiten bestaan, en wel in de vorm van

- Tronen

- Heerschappijen

- Regeringen

- Machten

 

We verwezen reeds naar 2Kr 18:18, maar daar wordt die hemelse hofhouding ook aangeduid als "heel het hemelleger [heir der hemelen]". Het Hebreeuwse woord tsaba dat met leger of heir wordt weergegeven, wordt in de Bijbel ook geregeld voor het heir der hemellichamen, met name de sterren, gebruikt: Heft uw ogen naar omhoog en ziet! Wie heeft deze dingen geschapen? Hij, die hun heir [tsaba] in getale doet uitrukken, ze alle bij name roept; vanwege zijn grote macht en geduchte sterkte ontbreekt niet één (Js 40:26; LV).

 

Een bekende aanduiding voor God is YHWH der legerscharen [YHWH Tsebaôth], in Rm 9:29 vergriekst tot Sabaooth (Js 1:9).

YHWH Elohim kan de God van een aardse legermacht zijn, zoals de legerscharen van Israël (Ex 12:41), maar heel vaak ook in de betekenis van de hemellegers van godenzonen, het engelenheir. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Js 37:16. In  zijn smeekbede om hulp richtte koning Hizkia zich tot YHWH der legerscharen, de God van Israël die de kerubim bewoont.

 

Kortom, het verbaast ons dus niet dat

(a) Gods godenzonen in de hemelsferen, zijn engelen, ook 'sterren' worden genoemd. Met betrekking tot de grondvesting van de aarde, toen er dus nog in het geheel geen andere schepselen bestonden, stelde God aan Job de vraag: Waarop zijn haar pijlers neergelaten, of wie heeft haar hoeksteen gelegd, terwijl de Morgensterren tezamen juichten, en al de zonen Gods jubelden? (Job 38:6-7)

 

(b) zij, hemelvorsten, posities van opzicht/begeleiding over de mensheid uitoefenen; hetzij met betrekking tot afzonderlijke personen (Mt 18:10; Hn 12:15), of ten aanzien van de Heidenvolken (Dn 10:13, 20), maar ook over Gods eigen volk Israël (Dn 12:1).

 

Wanneer we daarom Michaël, de Mensenzoon, te midden van de Joodse gemeenschap van de Eindtijd zien wandelen (de zinnebeeldige zeven kandelaars) is dat beslist geen ongewoon tafereel: We konden dat van hem, de engelvorst van Israël, alleen maar verwachten. In die positie van opzicht heeft hij blijkbaar aan nog andere engelvorsten verantwoordelijkheid dienaangaande gedelegeerd, wat moge blijken uit het feit dat zij als zeven sterren op zijn rechterhand worden gezien.

 

-.-.-.-

 Naar Openbaring 2