Schriftstudies :: 07_Openbaring - OPB02.htm
Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Openbaring van Jezus Christus

Openbaring van Yeshua Masjiach

 

Hoofdstuk 2

 

2:1-2

2:3-5

2:6

2:7

2:8-11

2:12-17

2:18-29

 

Enkele uitgangspunten om de Apocalyps te verklaren:

·   Een profetisch boek toegevoegd aan de boeken van het OT om de Joden van de Eindtijd tot richtsnoer te zijn.

·   De gebeurtenissen voltrekken zich voor een groot gedeelte in de 70e Jaarweek der Joden, wanneer YHWH Elohim de draad der geschiedenis in verband met zijn uitverkoren volk weer oppakt.

·   De christelijke Gemeente bevindt zich dan niet meer op aarde omdat ze (waarschijnlijk) bij het begin van de 70e Week is weggerukt in de 'Opname'.

 

Tekst

 

1  Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: Dit zegt hij die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die rondgaat te midden van de zeven gouden kandelaars:

2  Ik ben bekend met je werken en je inspanning en je volharding, en dat je slechte personen niet kunt verdragen; en je stelde hen die van zichzelf zeggen apostelen [te zijn] en het niet zijn op de proef, en je bevond hen bedrieglijk.

3  Je geeft ook blijk van volharding, en verdroeg omwille van mijn naam, zonder te bezwijken.

4  Maar ik heb tegen je dat je je eerste liefde verliet.

5  Gedenk daarom vanwaar je bent gevallen en kom tot inkeer en doe de eerste werken. Zo niet, dan kom ik tot je en zal je kandelaar van haar plaats verwijderen; tenzij je berouw toont.

6  Maar dit heb je dat je de werken der Nicolaïeten haat, welke ook ik haat.

7  Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt. Aan hem die overwint zal ik geven te eten van de boom des levens, die zich bevindt in het paradijs van God.

8  En schrijf aan de engel der gemeente in Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, hij die een dode werd en tot leven kwam.

9  Ik ben bekend met je verdrukking en armoede, maar je bent rijk, ook de laster van de zijde van hen die van zichzelf zeggen Joden te zijn, maar het niet zijn, doch een synagoge van de Satan.

10  Wees niet bevreesd voor de dingen die je gaat lijden. Zie, de Duivel zal sommigen van jullie in de gevangenis werpen, opdat gij op de proef wordt gesteld en jullie tien dagen verdrukking zullen hebben. Word getrouw tot de dood en ik zal je de kroon des levens geven.

11  Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt. Hij die overwint zal geenszins schade lijden van de tweede dood.

12  En schrijf aan de engel der gemeente in Pergamum: Dit zegt hij die het scherp, tweesnijdend zwaard heeft.

13  Ik weet waar je woont, daar waar de troon van de Satan is. Toch houd je vast aan mijn naam, en mijn geloof verloochende je niet, zelfs niet in de dagen van Antipas, mijn getuige, mijn getrouwe, die bij jullie werd gedood, daar waar de Satan woont.

14  Maar er zijn een paar dingen die ik tegen je heb; dat je daar personen hebt die vasthouden aan de leer van Bileam die Balak ging leren een struikelblok op te werpen voor de zonen van Israël, om afgodenoffers te eten en hoererij te bedrijven.

15  Evenzo heb ook jij personen die op gelijke wijze vasthouden aan de leer der Nicolaïeten.

16  Heb daarom berouw, maar zo niet, dan ik kom vlug tot je, en ik zal oorlog met hen voeren met het zwaard van mijn mond.

17  Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt. Aan hem die overwint zal ik het verborgen manna geven; ook zal ik hem een witte kiezelsteen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven welke niemand kent dan hij die hem ontvangt.

18  En schrijf aan de engel der gemeente in Thyatira: Dit zegt de zoon van God, hij die ogen heeft als vuurvlammen en voeten gelijk koperbrons.

19  Ik ben bekend met je werken en je liefde, trouw, dienstbetoon en volharding; ook zijn je laatste werken meer dan de eerste.

20  Maar ik heb tegen je dat je de vrouw Izebel laat begaan, zij die van zichzelf zegt profetes [te zijn], en mijn slaven leert en misleidt zij om hoererij te bedrijven en afgodenoffers te eten.

21  Hoewel ik haar gelegenheid gaf tot inkeer te komen, weigert zij berouw te hebben van haar hoererij.

22  Zie! Ik werp haar op een ziekbed en zij die overspel met haar bedrijven in grote verdrukking, tenzij zij berouw hebben van haar werken.

23  En haar kinderen zal ik ter dood brengen door de pest. Dan zullen alle gemeenten weten dat ik degene ben die nieren en harten doorvors, en dat ik een ieder vergeld naar hun werken.

24  Maar tot jullie zeg ik, die in Thyatira zijn overgebleven, allen die deze leer niet hebben, degenen die niet bekend werden met de diepe dingen van de Satan, zoals zij zeggen: lk leg jullie geen andere last op.

25  Doch houdt vast aan wat jullie hebben totdat ik kom.

26  En wie overwint en hij die tot het einde mijn werken onderhoudt, aan hem zal ik macht geven over de Heidenen,

27  en hij zal hen weiden met een ijzeren staf; als de aarden vaten worden zij verbrijzeld,

28  gelijk ook ik bij mijn Vader heb ontvangen; en ik zal hem de morgenster geven. 29  Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt.    

 

  

Exegese

2:1-2 

1   τω αγγελω της εν εφεσω εκκλησιας γραψον ταδε λεγει ο κρατων τους επτα αστερας εν τη δεξια αυτου ο περιπατων εν μεσω των επτα λυχνιων των χρυσων

2   οιδα τα εργα σου και τον κοπον και την υπομονην σου και οτι ου δυνη βαστασαι κακους και επειρασας τους λεγοντας εαυτους αποστολους και ουκ εισιν και ευρες αυτους ψευδεις

 

Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: Dit zegt hij die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die rondgaat te midden van de zeven  gouden kandelaars: Ik ben bekend met je werken en je inspanning en je volharding, en dat je slechte personen niet kunt verdragen; en je stelde hen die van zichzelf zeggen apostelen [te zijn] en het niet zijn op de proef, en je bevond hen bedrieglijk  

 

Het is niet mogelijk om deze boodschap naast de brief van de apostel Paulus te plaatsen en te concluderen dat het om één en dezelfde gemeente gaat. In Paulus' brief draait alles om onverdiende gunst [genade], maar in deze boodschap gaat het om werken. Ook is er pas sprake van zegen indien men overwint.

In zijn Efezebrief richt de apostel zich overduidelijk tot een geheel andere 'doelgroep': 

 

Aan hen die heiligen zijn en gelovigen in Masjiach Yeshua. Liefderijke gunst voor jullie en vrede van God onze Vader en van Heer Yeshua Masjiach. Gezegend de God en Vader van onze Heer Yeshua Masjiach, die ons zegende in alle geestelijke zegen in de hemelsferen in [de] Masjiach, gelijk hij ons in hem verkoos vóór [de] grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde bestemde hij ons tevoren tot zoonschap voor zichzelf, door Yeshua Masjiach, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof der heerlijkheid van zijn liefderijke gunst, waarmee hij ons in de Geliefde begunstigde. In wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving der overtredingen, naar de rijkdom van zijn liefderijke gunst.

(Ef 1:1-7).

 

Hier, in Openbaring 2, richt Yeshua zich, door tussenkomst van Johannes, in de eerste plaats tot de engel van de gemeente.

In ons commentaar bij Op 1:19-20 maakten wij aannemelijk dat van Yeshua als Michaël, de engelvorst van Israël, alleen maar verwacht kon worden dat hij het is [iemand gelijk een Mensenzoon] die rondwandelt te midden van de Joodse Eindtijdgemeenschap, en dat hij kennelijk in die positie van opzicht/begeleiding aan nog andere engelvorsten verantwoordelijkheid delegeerde. Uit het feit dat die hemelwezens als zeven sterren op zijn rechterhand worden gezien, lijkt dat een juiste gevolgtrekking.

 

Aan het einde van elk der zeven boodschappen lezen we overigens telkens:

Laat hem die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt.

Daaruit kan worden afgeleid dat:

 

(1) elk van de zeven boodschappen bestemd is voor de Joodse Eindtijdgemeenschap, ook al worden ze in eerste instantie gericht tot de engel van de gemeente.

(2) Johannes slechts de spreekbuis is van Gods heilige geest die door de Mensenzoon tot hem komt.

(3) met elke afzonderlijke gemeente een gekenmerkte doelgroep onder de Joden wordt beoogd.

Zo zijn er onder hen typische Efezemensen, maar ook Smyrna-, Pergamum-, Thyatira-, Sardes-, Filadelfia- en Laodicea-mensen.

 

De zeven engelen van die gemeenten zullen bijgevolg ook wel op een volledig aantal duiden, namelijk alle engelvorsten die onder toezicht van Michaël met de Joodse Eindtijdgemeenschap bemoeienis hebben. Zij behoren tot zijn engelen (Op 12:7).

Wij kunnen hierbij bedenken wat Yeshua tot zijn leerlingen zei toen hij hen tot voorzichtigheid maande in hun benadering van de geringen onder het volk:

 

Waak ervoor ook maar één van deze geringen te verachten. Want ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader.

(Mt 18:10; nbv)

 

Yeshua spreekt als vanzelfsprekend over hun engelen, een vorm van taalgebruik dat ook gevonden wordt in ondermeer Ps 91:11-12; Dn 3:25-26.

En in Hb 1:14 lezen we dienaangaande: Zijn zij niet allen geesten in een openbare toewijzing, uitgezonden voor dienst ten behoeve van hen die redding gaan beërven?  

 

Mozes schreef volgens Dt 23:14 >>

 

Want YHWH, uw God, wandelt rond in uw legerplaats… en uw legerplaats moet werkelijk heilig zijn, opdat hij niets onwelvoeglijks bij u ziet en zich er stellig van afwendt u te vergezellen.

 

Evenzo neemt Israëls Masjiach grondig notitie van de situatie onder de Joodse Eindtijdgemeenschap en van de geest waarvan zij blijk geven.

Zie ook Lv 26:11-12, waaruit kan worden afgeleid dat Yeshua's aanwezigheid te midden van de Gemeenten duidt op het bestaan van een tempelregeling onder hen, waarin hijzelf als Hogepriester optreedt. De Joden wordt daarom een bijzondere gelegenheid geboden om in het reine te komen met hun God en wel door de diensten van hun Masjiach dankbaar te aanvaarden (Hb 2:16-18; 9:15-17).

  

Ik ken je werken… is een terugkerend punt in de boodschappen en steunt op Jesaja hoofdstuk 66, waar de voorzegging dat er van de Joden uiteindelijk slechts een Rest berouwvol tot God zal terugkeren en dat de overigen in hun verharding jegens de ware Masjiach, Yeshua, zullen blijven, tot een profetische climax komt (Js 1:27-31; 10:21-23).

In vers 5 van Jesaja 66 brengt de profeet het aldus onder woorden:

 

Hoort het woord van YHWH, jullie die voor zijn woord beeft: Jullie broeders die jullie haten, die jullie verstoten wegens mijn naam, zeggen: YHWH worde verheerlijkt! Hij echter zal tot jullie vreugde verschijnen, en zij zijn degenen die beschaamd zullen staan.

 

Die haatdragende Joden kiezen in de 70e Week voor een Pseudomasjiach, de Antichrist.

In Js 66:17 wordt getoond (zoals ook het geval is in Js 1:29) met welke walgelijke religieuze praktijken dat gepaard zal gaan. Vervolgens verklaart God bij monde van de profeet (in Js 66:18): Ik ken hun daden en hun plannen; ik kom om alle Heidenvolken en talen bijeen te brengen; zij zullen komen en mijn glorie zien. 

 

In de Jesajaanse profetie vormt die uitspraak een overgang van de afvalligen in vers 17 naar degenen die werkelijk losgekocht worden onder Israël, en verder ook naar de Heidenen die zich met het Overblijfsel zullen identificeren doordat zij hen te hulp schieten in hun verdrukking (Js 66:19-21). Vergelijk ook Mt 25:40.

 

Hier komt voor de eerste keer in de boodschappen die tweedeling in beeld. Geen wonder daarom dat we vernemen dat sommige Joden zich ten onrechte voor apostelen, of - zoals in de boodschappen aan Smyrna en Filadelfia – voor (ware) Joden zullen uitgeven (Op 2:9; 3:9). Maar hun beweringen worden als bedrieglijk gelogenstraft.

Vergelijk Rm 2:28-29 en 2Ko 11:13.

 

2:3-5 

3   και υπομονην εχεις και εβαστασας δια το ονομα μου και ου κεκοπιακες

4   αλλα εχω κατα σου οτι την αγαπην σου την πρωτην αφηκες

5   μνημονευε ουν ποθεν πεπτωκας και μετανοησον και τα πρωτα εργα ποιησον ει δε μη ερχομαι σοι και κινησω την λυχνιαν σου εκ του τοπου αυτης εαν μη μετανοησης

 

Je geeft ook blijk van volharding, en verdroeg omwille van mijn naam, zonder te bezwijken. Maar ik heb tegen je dat je je eerste liefde verliet. Gedenk daarom vanwaar je bent gevallen en kom tot inkeer en doe de eerste werken; zo niet, dan kom ik tot je en zal je kandelaar van haar plaats verwijderen; tenzij je berouw toont

   

De 'Efezemensen' onder de Joden nemen kennelijk de aanmoediging zoals verwoord in Hb 12:3 ter harte:

 

Houdt hem voor de geest die zulk een tegenspraak door de zondaars tegen hemzelf heeft verduurd, opdat jullie niet moe worden, in jullie zielen bezwijkend.

Zij zien op naar Yeshua en naar het model dat hij heeft nagelaten (1Pt 2:21). Zij schatten op de juiste waarde alles wat hij - het eigenlijke Zelf van Israël - aan tegenstand van de kant van zijn eigen volksgenoten ondervond. Van die zijde kunnen zij immers precies dezelfde dingen verwachten, vooral wanneer zij in de Eindfase van het goddeloze aeon duidelijk hun standpunt innemen ten gunste van Gods Zoon als Israëls ware Masjiach.

Yeshua werd niet alleen voortdurend tegengesproken in de leringen die hij zijn broeders voorhield. Neen, de vijandige tegenstand die de Joden hem boden, vooral hun religieuze elite, ging veel verder dan zijn onderwijs. Hun hardnekkig verzet was vooral gericht tegen de persoon die hij was, specifiek tegen datgene wat hij beleed te zijn en wat ook andere, nederige en leergierige mensen over hem beweerden: de langverwachte zoon van David, de van Godswege verschafte Masjiach.

Hij ervoer in persoon precies datgene wat de bejaarde Simeon over hem had gezegd tot Jozef en Maria bij de aanbieding in de tempel:

 

Zie! Deze wordt gelegd tot een val en opstaan van velen in Israël en tot een teken dat weersproken wordt…, opdat de overwegingen uit vele harten blootgelegd worden (Lk 2:34-35).


Precies als hun Masjiach ondervinden ook de leden van het Joodse overblijfsel in persoon de vijandige bejegening van de zijde der 'vrome' Joden. Die zogenaamde broeders zullen het tot het einde toe volkomen verwerpelijk achten dat ook maar iemand van hun ras zich vereenzelvigt met Yeshua. Zij haten niet alleen hem maar ook elke rasgenoot die hem als de ware Masjiach, Gods Zoon, erkent en openlijk belijdt (Js 66:5).
 

Het thema volharding zal nog vaker in de Openbaring in verband met de leden van het Overblijfsel aangeroerd worden, gezien alles wat zij, de heiligen, in de Dag van de Heer te verduren krijgen (Op 2:19; 3:10; 13:10; 14:12).

  

Maar ik heb tegen je dat je je eerste liefde hebt verlaten…

Dit is het centrale punt van deze boodschap. Hier worden we herinnerd aan de vroegste periode in Israëls verhouding tot haar God, toen ze ten tijde van de Exodus YHWH in de wildernis "achternaging": 

 

Het woord van YHWH kwam tot mij: Ga, roep Jeruzalem toe: Dit zegt YHWH: Ik denk terug aan de trouw van uw jeugd aan de liefde van uw bruidstijd; hoe gij Mij zijt gevolgd in de woestijn, het land waar niets wordt gezaaid (Jr 2:1, 2; wv78).

 

Die eerste liefde die Israël toen betoonde en de schitterende omstandigheden die daarmee vergezeld gingen, worden beschreven in Ez 16:8-14. YHWH Elohim tooide zijn Bruidsnatie koninklijk en maakte haar aldus geschikt voor de positie waarvoor zij was voorbestemd (Ex 19:4-6). 

Maar na verloop van tijd pleegde zij verraad aan haar Echtgenoot in de vorm van schandelijke ontrouw:

 

Toen kwam ik voorbij je en zag je, en zie! je tijd was de tijd voor liefkozingen. Derhalve spreidde ik toen mijn slip over je uit en bedekte je naaktheid en ging onder ede een verbond met je aan, spreekt de Heer YHWH, en zo werdt je de mijne.  

Bovendien waste ik je met water en spoelde je bloed van je af en zalfde je met olie. En vervolgens kleedde ik je in een geborduurd gewaad en schoeide je met robbenvel en omgordde je in fijn linnen en bedekte je met een sluier van zijde. Voorts tooide ik je met sieraden en deed armringen aan je handen en een keten om je hals. Verder deed ik een ring door je neus en oorringen aan je oren en zette een luisterrijke kroon op je hoofd. Je tooide je geregeld met goud en zilver, en je kledij was fijn linnen en zijde en een geborduurd gewaad. Meelbloem en honing en olie at je en je werd uitermate schoon, geschikt voor een koninklijke positie. Toen ging er een naam van je uit onder de Heidenvolken wegens je schoonheid, want ze was volmaakt vanwege mijn pracht die ik op je had gelegd, spreekt de Heer YHWH.

 

Merk op dat Israëls schoonheid wordt beschreven in bewoordingen die verwijzen naar de vorm en riten der aanbidding welke YHWH God, haar Echtgenoot, voor haar instelde en die verband hield met de pracht en aankleding van de Tabernakel en de daarin functionerende priesterschap.

Een glimp van die schoonheid in tegenbeeld wordt ons in Openbaring 21 getoond, in de Tabernakel (Tent) van de toekomst, de Tempelstad Nieuw Jeruzalem. Dan zal Sion (Jeruzalem) zich volgens de profeten weer tooien in prachtkledij (Js 52:1; 61:3)

 

Gedenk daarom vanwaar je bent gevallen…

Door ontrouw ging al die luister, schoonheid en pracht verloren. Haar versiering misbruikte zij zowaar door zich als prostituee aan te bieden aan heidense minnaars. Die ontrouw aan haar eerste liefde werd oorzaak van al Israëls latere rampspoed (Ez 16:15-58). Zie ook Hs 11:1; Dt 7:7-8.

 

Het is daarom niet toevallig dat die vroege, geestelijke val van Israël aan de 'Efezemensen' van de Joodse gemeenschap wordt gerelateerd. De stad Efeze was vooral bekend om haar tempel van Artemis, het beroemdste bouwwerk van de stad. Daarin bevond zich ook het beeld van Artemis waarvan werd beweerd dat het uit de hemel was gevallen; letterlijk: "Neergevallen van Zeus" (Hn 19:35).

 

 

Efeze stond dermate bekend om haar demonische praktijken en magische kunsten dat Griekse en Romeinse schrijvers de boekrollen die toverspreuken en bezweringsformules bevatten, aanduidden als "Efezische geschriften" (Hn 19:19).

 

Tot op heden is het religieuze leven der Joden evenzo nog altijd doorspekt van een menigte aan vals religieuze ideeën. Geen wonder dan ook dat we, wanneer de hoerachtige Vrouw, het Grote Babel, ten val komt, een stem uit de hemel tot de Joodse gemeenschap horen zeggen: 

 

Komt uit, mijn volk, uit haar; opdat jullie niet mede deelhebben aan haar zonden en uit haar plagen niet ontvangen. Want haar zonden stapelden zich op tot aan de hemel en God bracht zich haar ongerechtigheden te binnen… want door uw spiritistische praktijk werden alle Heidenen verleid (Op 18:4-5, 23).

 

Gedenk daarom vanwaar je bent gevallen en kom tot inkeer en doe de eerste werken; zo niet, dan kom ik tot je en zal je kandelaar van haar plaats verwijderen; tenzij je berouw toont...

Een vreemde oproep indien we hier aan de christelijke Gemeente zouden moeten denken. Die gemeente, Yeshua’s Lichaam, is immers gezegend met elke geestelijke zegen in de hemelsferen (Ef 1:3). Israël echter kan slechts dan tot een licht voor de Heidenvolken worden wanneer ze hersteld wordt tot haar vroegere verhouding met haar Heer en Echtgenoot. Met betrekking tot het Overblijfsel hebben we profetisch de verzekering dat dit ook zal gebeuren: 

 

Keert terug, jullie afvallige zonen, spreekt YHWH. Want ik ben jullie [echtelijke] Heer; en ik zal jullie nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en jullie naar Sion brengen. En ik zal jullie herders geven naar mijn hart; die zullen je weiden met kennis en verstand (Jr 3:14, 15).

 

En ik zal je voor altijd aan mij verloven, ik zal je aan mij verloven in rechtvaardigheid en in gerechtigheid en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En ik zal je aan mij verloven in getrouwheid; en jullie zullen YHWH kennen (Hs 3:19-20).

 

Dit herstel zal plaats vinden in het kader van het Nieuwe Verbond, zoals geformuleerd in Jr 31:31-34; het Verbond dat ertoe leidt dat allen van [het ware] Israël mij zullen kennen (v 34).

 

2:6 

6   αλλα τουτο εχεις οτι μισεις τα εργα των νικολαιτων α καγω μισω

 

Maar dit heb je dat je de werken der Nicolaïeten haat, welke ook ik haat

 

Dit bevestigt Yeshua's waarneming dat zij slechte personen in hun midden niet verdragen (vers 2). Zij onderscheiden zich dus in gunstige zin van hen die zich inlaten met seksuele immoraliteit. Dat mogen we blijkbaar afleiden uit de vv 14 en 15, want daar komen de Nicolaïeten opnieuw in beeld. Zie het commentaar bij Op 2:12-17.

 

2:7  

7   ο εχων ους ακουσατω τι το πνευμα λεγει ταις εκκλησιαις τω νικωντι δωσω αυτω φαγειν εκ του ξυλου της ζωης ο εστιν εν τω παραδεισω του θεου

 

Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt. Aan hem die overwint zal ik geven te eten van de boom des levens, die zich bevindt in het paradijs van God

 

Opnieuw kunnen we concluderen dat alles wat Gods geest door hun Masjiach Yeshua spreekt, voor de gehele gemeenschap van Joodse mensen in de Eindtijd is bestemd. Zij worden aangemoedigd om te doen wat hun voorvaders in de Eerste eeuw meestal nalieten: Laat hem die oren heeft luisteren! (Mt 11:15; Mr 4:9; Lk 14:35).

Yeshua sprak die woorden destijds in verband met een op handen zijnde overgang van het ene tijdperk (aeon) naar een volgend in Gods voornemen. En ook ten tijde van de actualiteit van de zeven boodschappen is aeon-overgang aan de orde.

 

De gelegenheid om nu door de bemiddelende tussenkomst van hun Masjiach-Loskoper met hun Echtgenoot-Heer verzoend te worden, is daarom te kostbaar om die voorbij te laten gaan. Dus worden zij aangemoedigd te overwinnen, d.i. elk obstakel voor terugkeer vastberaden te slechten, hetzij een lang gekoesterde opvatting, hetzij tegenstand van vermeende broeders, hetzij verdrukking van de zijde van antichristelijke vijanden.

Om het met de woorden van Dn 11:32 te zeggen: Maar het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn en handelen.

 

Nogmaals: Een dergelijk woordgebruik is geheel vreemd aan de brieven die Paulus schreef. De leden van de Gemeente zijn in hun Heer reeds overwinnaars in alle dingen: Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door hem die ons lief had  (Rm 8:37).

 

Aan de hand van Openbaring hoofdstuk 22 kan vastgesteld worden wat eten van de boom des levens in het paradijs van God precies inhoudt: Ten volle de voordelen genieten van het offer van Masjiach Yeshua. Of anders gezegd: Door het Lam naar bronnen van wateren des levens geleid worden  (Op 22:1-2, 14; 7:17).

 

In de volgende boodschappen zullen ook aan de overige gemeenten beloften worden gedaan. Daarin is een zekere lijn waarneembaar. 

Wat de eerste belofte betreft, God verwijst terug naar het oorspronkelijke paradijs van God. In dat paradijs, Gan Eden, bevond zich naast de boom der kennis van goed en kwaad ook de boom des levens. Vanwege Adams ongehoorzaamheid werd destijds echter de weg naar die speciale boom afgeschermd door de cherubim (Gn 3:22-24).

 

Maar in deze eerste boodschap aan de Zeven gemeenten vernemen we dat de weg naar die ‘boom’ eens weer opengesteld zal worden en volmaakt leven dan kan worden terugontvangen. Aangezien dat slechts mogelijk zal zijn door geloof te oefenen in Yeshua’s verzoenend offer, verzinnebeeldt hij die boom des levens in het paradijs van God.

Wat moeten wij verstaan onder dat paradijs?

 

Uit een vergelijking met 2Ko 12:2-4 kan vastgesteld worden dat het paradijs van God onder meer te maken moet hebben met wat Paulus noemde de derde hemel, of de hemel der hemelen waar God zelf verblijf houdt. Sinds zijn hemelvaart bevindt ook Yeshua zich daar, aan de rechterhand van zijn Vader. 

Bij de Opname zullen de leden van zijn Gemeentelichaam daar met hem verenigd worden.

In Op 4:4 en Op 5:6-8 zien we hen bij voorbaat als het hemelse deel van de koninklijke priesterschap functioneren onder het zinnebeeld van de 24 Oudsten, in nauwe relatie met hun Heer, het Lam als zijnde geslacht.

 

Maar wij weten uiteraard ook heel goed dat Yeshua bij zijn terechtstelling aan één der rovers de belofte deed dat ook deze zich - bij zijn opstanding op aarde ten tijde van het Messiasrijk – zou verheugen in een paradijselijke toestand:

 

Eén van de gehangen misdadigers nu hoonde hem: Ben jij niet de Messias? Red jezelf en ons. Ten antwoord zei de andere echter bestraffend tot hem: Vrees zelfs jij God niet, daar je in hetzelfde oordeel bent? En wij zeker terecht, want wij ontvangen terug wat onze daden verdienen. Maar deze deed niets verkeerds. Voorts zei hij: Yeshua, denk aan mij, wanneer gij in uw koninkrijk gekomen zijt. En hij zei tot hem: Voorwaar, ik zeg je: Heden zal jij met mij in het paradijs zijn (Lk 23:39-43)

 

Natuurlijk bedoelde Yeshua met die belofte niet dat deze rover nog diezelfde dag met hem in de hemel zou zijn. Yeshua zelf werd immers pas op de derde dag opgewekt en zijn terugkeer naar de hemel vond weer 40 dagen later plaats (Hn 1:3). Tot de gelovige rover die tot inkeer kwam sprak Yeshua binnen een Joodse omlijsting. Bijgevolg moet hij gedoeld hebben op het herstelde paradijs tijdens het Millennium; een verwachting die ook bij de Joden leefde.

Bijgevolg lijkt de conclusie gewettigd dat dit paradijs op aarde dan de heerlijkheid van het hemelse ‘paradijs’ zal weerspiegelen. Jeruzalem als de zetel van het Koninklijke bestuur op aarde zal niet alleen als zodanig het hemelse Jeruzalem op aarde vertegenwoordigen, maar ook de heerlijkheid van die Tempelstad op aarde afstralen. Vergelijk Opb 21:22.

 

Zie ook: Lukas - In het paradijs (23:39-43).

 

2:8-11

8   και τω αγγελω της εν σμυρνη εκκλησιας γραψον ταδε λεγει ο πρωτος και ο εσχατος ος εγενετο νεκρος και εζησεν

9   οιδα σου την θλιψιν και την πτωχειαν αλλα πλουσιος ει και την βλασφημιαν εκ των λεγοντων ιουδαιους ειναι εαυτους και ουκ εισιν αλλα συναγωγη του σατανα

10   μηδεν φοβου α μελλεις πασχειν ιδου μελλει βαλλειν ο διαβολος εξ υμων εις φυλακην ινα πειρασθητε και εξετε θλιψιν ημερων δεκα γινου πιστος αχρι θανατου και δωσω σοι τον στεφανον της ζωης

11  ο εχων ους ακουσατω τι το πνευμα λεγει ταις εκκλησιαις ο νικων ου μη αδικηθη εκ του θανατου του δευτερου

 

En schrijf aan de engel der gemeente in Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, hij die een dode werd en tot leven kwam, ik ben bekend met je verdrukking en armoede, maar je bent rijk, ook de laster van de zijde van hen die van zichzelf zeggen Joden te zijn, maar het niet zijn, doch een synagoge van de Satan.

 

Wees niet bevreesd voor de dingen die je gaat lijden. Zie, de Duivel zal sommigen van jullie in de gevangenis werpen, opdat gij op de proef wordt gesteld en jullie tien dagen verdrukking zullen hebben. Word getrouw tot de dood en ik zal je de kroon des levens geven.

 

Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt. Hij die overwint zal geenszins schade lijden van de tweede dood.

 

Ook in de boodschap aan Smyrna begint de Mensenzoon met een verwijzing naar de wijze waarop hij werd voorgesteld in het eerste tafereel.

 

Dit zegt de Eerste en de Laatste, hij die een dode werd en tot leven kwam…

De uitspraak paste naadloos aan bij Smyrna.

Bij het lezen van deze woorden zouden de bewoners immers onmiddellijk de analogie met hun eigen stad onderscheiden. Strabo verhaalt namelijk dat de Lydiërs onder koning Alyattes de oude stad rond 580 v.Chr. verwoestten en dat er vervolgens 400 jaar lang geen 'stad' bestond, maar slechts wat dorpjes die verspreid lagen over de vlakte en de heuvels rondom. Smyrna was eens letterlijk "dood", maar kwam nochtans tot leven en werd daarna een belangrijke handelsstad. Toen de stad later tot de Romeinse provincie Asia behoorde, werd ze vanwege haar prachtige openbare gebouwen geroemd om haar stedelijke schoonheid.

 

Bijgevolg ligt in deze boodschap veel nadruk op het volledige verlossingswerk van de Masjiach, met inbegrip van een herstel uit een eventuele martelaarsdood. En dat is ook precies datgene waarin de 'Smyrnamensen', gezien de zware verdrukking die onvermijdelijk komt, een absoluut vertrouwen nodig hebben.

Zij kunnen de eerste dood, geërfd van Adam, ervaren, de dood als gevolg van zonde; maar zullen behoed worden voor een dood waaruit geen herstel mogelijk is.

In Op 20:4-6 zullen zij dienaangaande uitgebreider worden geïnformeerd:

 

Zij kwamen tot leven en heersten als koningen met de Masjiach duizend jaren… Dit is de eerste opstanding. Gelukkig en heilig hij die deel heeft aan de Eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van de Masjiach zijn en zij zullen de duizend jaren met hem als koningen heersen.

 

Op welke speciale periode in Israëls geschiedenis steunt de boodschap aan Smyrna? Naar wij menen op de gebeurtenissen die in het boek Numeri worden verhaald, met name in de hfdst 13 tm 16.

De vraag is immers wie zijn de ware Joden, of beter: wie van Israël rekent God tot het ware Israël Gods (Rm 9:6; Gl 6:15-16).

De reactie van het volk op het handelen van hun God, YHWH, moet hieromtrent opheldering verschaffen. Toen 10 van de 12 verspieders die Mozes had uitgezonden, van ongeloof blijk gaven en het godsvertrouwen van het volk door hun slecht rapport ondermijnden, was het resultaat als volgt:

 

Toen verhief de gehele vergadering haar stem, en die hele nacht door liet het volk onophoudelijk zijn stem weerklinken en bleef het wenen. En alle zonen van Israël gingen tegen Mozes en Aäron murmureren, en de gehele vergadering ging tegen hen zeggen: Waren wij maar in het land Egypte gestorven, of waren wij maar gestorven in deze wildernis! En waarom brengt YHWH ons naar dit land om te vallen door het zwaard? Onze vrouwen en onze kleinen zullen tot plundering worden. Is het niet beter dat wij terugkeren naar Egypte? Zij gingen zelfs zo ver dat zij tot elkaar zeiden: Laten wij een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren! (Nm 13:25 – 14:38).

 

Die gehele generatie van 20 jaar en ouder ging bijgevolg Gods rust niet in wegens ongeloof (Hb 3:16 – 4:13).

In de nasleep daarvan lezen wij over de opstand tegen Mozes en Aäron onder aanvoering van Korach, Dathan en Abiram: 

 

Nu is het genoeg, want de gehele vergadering, zij allen zijn heilig en YHWH is in hun midden. Waarom dient gij u dan boven de gemeente van YHWH te verheffen?

 

Deze mannen zeiden van zichzelf dat zij heilig waren, terwijl zij bezig waren een onheilige opstand tegen God te ontketenen! Dus luidde Gods oproep aan het volk door Mozes: 

 

Verwijdert u van voor de tenten van deze goddeloze mannen en raakt niets aan wat hun toebehoort, opdat gij niet in al hun zonde wordt weggevaagd (Nm 16:1-50).

 

Terugverwijzend naar dat catastrofale incident, stelde Paulus vast: 

 

De Heer kent degenen die hem toebehoren…Een ieder die naam van de Heer noemt, breke met onrechtvaardigheid (2Tm 2:19).

 

Mozes had immers verklaard: 

 

Morgen zal YHWH bekendmaken, wie hem toebehoort, wie de heilige is en wie hij tot zich doet naderen; al wie hij uitkiest, die zal hij tot zich doen naderen (Nm 16:5).

 

Daarom is er altijd sprake van een Rest onder Israël, óók in de eindtijd. De 'Smyrnamensen' onder de Joden kunnen het vertrouwen koesteren daartoe te behoren.

In de Openbaring worden zij als de heiligen aangeduid.

 

2:12-17 

12  και τω αγγελω της εν περγαμω εκκλησιας γραψον ταδε λεγει ο εχων την ρομφαιαν την διστομον την οξειαν

13  οιδα που κατοικεις οπου ο θρονος του σατανα και κρατεις το ονομα μου και ουκ ηρνησω την πιστιν μου και εν ταις ημεραις αντιπας ο μαρτυς μου ο πιστος μου ος απεκτανθη παρ υμιν οπου ο σατανας κατοικει

14  αλλ εχω κατα σου ολιγα οτι εχεις εκει κρατουντας την διδαχην βαλααμ ος εδιδασκεν τω βαλακ βαλειν σκανδαλον ενωπιον των υιων ισραηλ φαγειν ειδωλοθυτα και πορνευσαι

15  ουτως εχεις και συ κρατουντας την διδαχην [των] νικολαιτων ομοιως

16  μετανοησον ουν ει δε μη ερχομαι σοι ταχυ και πολεμησω μετ αυτων εν τη ρομφαια του στοματος μου

17  ο εχων ους ακουσατω τι το πνευμα λεγει ταις εκκλησιαις τω νικωντι δωσω αυτω του μαννα του κεκρυμμενου και δωσω αυτω ψηφον λευκην και επι την ψηφον ονομα καινον γεγραμμενον ο ουδεις οιδεν ει μη ο λαμβανων

 

En schrijf aan de engel der gemeente in Pergamum: Dit zegt hij die het scherp, tweesnijdend zwaard heeft. Ik weet waar je woont, daar waar de troon van de Satan is. Toch houd je vast aan mijn naam, en mijn geloof verloochende je niet, zelfs niet in de dagen van Antipas, mijn getuige, mijn getrouwe, die bij jullie werd gedood, daar waar de Satan woont.

 

Maar er zijn een paar dingen die ik tegen je heb; dat je daar personen hebt die vasthouden aan de leer van Bileam die Balak ging leren een struikelblok op te werpen voor de zonen van Israël, om afgodenoffers te eten en hoererij te bedrijven. Evenzo heb ook jij personen die op gelijke wijze vasthouden aan de leer der Nicolaïeten.

 

Heb daarom berouw, maar zo niet, dan ik kom vlug tot je, en ik zal oorlog met hen voeren met het zwaard van mijn mond. Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt. Aan hem die overwint zal ik het verborgen manna geven; ook zal ik hem een witte kiezelsteen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven welke niemand kent dan hij die hem ontvangt

 

In de omgeving van het huidige Bergama lag het oude Pergamum, oorspronkelijk een burcht op een steile, geïsoleerde heuvel tussen twee rivieren, maar later breidde de stad zich naar het beneden liggende dal uit, waarna de heuvel tot de hooggelegen stadsburcht werd.

Een opvallend aspect van Pergamums religie was haar aanbidding van politieke heersers. Daarom werd er een prachtige tempel voor de aanbidding van Caesar Augustus gebouwd die geheel gewijd was aan de keizercultus. Toen later, in de dagen van de keizers Trajanus en Severus, nog twee van zulke tempels werden gebouwd werd de stad het belangrijkste centrum van de keizercultus.

 

Die aanbidding van de Romeinse keizer diende ook een politiek doel: om al de verschillende veroverde landen van het rijk aaneen te smeden onder een gemeenschappelijke god. Weliswaar was het toegestaan dat men de eigen nationale goden aanbad, maar tegelijkertijd werd geëist dat allen ook de keizer aanbaden.

Onder de regering van Domitianus werd de aanbidding van de goddelijke keizer zelfs tot toetssteen van de loyaliteit der burgers gemaakt. Antipas kan danook gedood zijn omdat hij weigerde Caesar te aanbidden.

 

Niet vreemd daarom dat de Mensenzoon aan Johannes laat weten dat Pergamum de plaats is waar de troon van Satan is en dat hij in die stad zelfs woont.

In Op 13:2 zal gezegd worden dat het Beest Satans troon ontvangt, naast diens kracht en grote macht. De dood van "Antipas" verschaft daarom een voorglimp van de vervolgingen die door de Antichrist in de 70e Week jegens de getrouwen onder Israël zal worden ontketend.  

 

Uit dat zelfde hoofdstuk (13) wordt duidelijk dat de keizercultus van vroeger in de Eindtijd zal herleven.

Door de Valse profeet zal erop worden aangedrongen dat zij een beeld maken voor het Beest dat de zwaardslag heeft en leefde. En het werd hem gegeven geest aan het beeld van het Beest te geven, opdat het beeld van het Beest zowel zou spreken alsook zou bewerken dat allen die het beeld van het Beest niet zouden aanbidden gedood werden (Op 13:14-17).

 

Zie Mt 24:9-12, alsook het commentaar bij  Op 6:9-11.

 

Dit zegt hij die het scherp, tweesnijdend zwaard heeft…

Het scherp, tweesnijdend zwaard doet verwachten dat Masjiach Yeshua in deze boodschap krachtige, rechterlijke uitspraken zal doen. En dat blijkt ook het geval te zijn. Want ondanks hun standvastig geloof moet hij constateren dat er binnen hun gelederen iets ernstig mis is. 

 

Ook in dit geval gaat het, zoals eerder in Op 2:6, om seksuele immoraliteit die door de "Nicolaïeten" wordt aangemoedigd. En dat naar het voorbeeld van Bileam die koning Balak aanraadde verleidelijke Midianitische vrouwen in te schakelen om de Israëlitische mannen over te halen aan hun seksuele orgieën ter ere van hun goden deel te nemen.

Dat alles geschiedde met de arglistige bedoeling dat God zelf zijn vloek over Israël zou brengen, iets wat eerder niet was gelukt door waarzeggerij. Op Balaks verzoek had de door hem ingehuurde valse profeet Bileam namelijk tot driemaal toe vergeefs getracht het volk te vervloeken. YHWH Elohim had zijn pogingen gedwarsboomd door de vloek telkens in een zegen te veranderen (Nm 24:1 tm 25:18; 31:2, 13-18).

 

De tweedeling onder het Israël van de Eindtijd wordt hier weer duidelijk zichtbaar. Want naast die afvalligen die zich door het slechte hebben laten overwinnen [de naam Nikolaüs heeft als betekenis: overwinnaar van het volk], is er ook een trouw deel, hoewel een minderheid, verpersoonlijkt door de getrouwe Antipas.

De naam Antipas betekent in de plaats van vader; wellicht een verwijzing naar de getrouwe houding der patriarchen en andere voorvaders der Israëlieten die, ondanks tegenwerking van hun volksgenoten, een leven van geloof leidden (Hebreeën  11).

 

Aan hem die overwint zal ik het verborgen manna geven…

Uit Jh 6:48-51 kan worden afgeleid dat het verborgen manna - gedoeld wordt op de kruik manna die in de verbondskist in het Allerheiligste van de Tabernakel werd bewaard - het levende brood dat uit de hemel is neergedaald symboliseert; dat wil zeggen de levengevende kracht van Yeshua's zondeverzoenend offer.

Daarvan eten verzinnebeeldt het gebruik maken van een voedselvoorraad welke niet aan bederf onderhevig is en dan in het bijzonder wat daaruit voortvloeit: eindeloos leven.

 

Ook zal ik hem een witte kiezelsteen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven welke niemand kent dan hij die hem ontvangt…

Kiezelstenen werden destijds in gerechtshoven gebruikt om iemand schuldig (zwart) of juist onschuldig (wit) te verklaren. De witte kiezelsteen symboliseert bijgevolg dat iemand door de Zoon (aan wie de Vader heel het oordeel toevertrouwde) voor onschuldig wordt gehouden, zuiver, rein (Jh 5:22). 

 

De nieuwe naam die erop geschreven staat en die buiten de persoon zelf door niemand wordt gekend, duidt op zijn nieuwe geboorte/schepping die innerlijk wordt ervaren door de werking van Gods geest (Ez 36:25-27; Jr 31:31-34).

 

2:18-29 

18  και τω αγγελω της εν θυατειροις εκκλησιας γραψον ταδε λεγει ο υιος του θεου ο εχων τους οφθαλμους αυτου ως φλογα πυρος και οι ποδες αυτου ομοιοι χαλκολιβανω

19  οιδα σου τα εργα και την αγαπην και την πιστιν και την διακονιαν και την υπομονην σου και τα εργα σου τα εσχατα πλειονα των πρωτων

20  αλλα εχω κατα σου οτι αφεις την γυναικα ιεζαβελ η λεγουσα εαυτην προφητιν και διδασκει και πλανα τους εμους δουλους πορνευσαι και φαγειν ειδωλοθυτα

21  και εδωκα αυτη χρονον ινα μετανοηση και ου θελει μετανοησαι εκ της πορνειας αυτης

22  ιδου βαλλω αυτην εις κλινην και τους μοιχευοντας μετ αυτης εις θλιψιν μεγαλην εαν μη μετανοησωσιν εκ των εργων αυτης

23  και τα τεκνα αυτης αποκτενω εν θανατω και γνωσονται πασαι αι εκκλησιαι οτι εγω ειμι ο εραυνων νεφρους και καρδιας και δωσω υμιν εκαστω κατα τα εργα υμων

24  υμιν δε λεγω τοις λοιποις τοις εν θυατειροις οσοι ουκ εχουσιν την διδαχην ταυτην οιτινες ουκ εγνωσαν τα βαθεα του σατανα ως λεγουσιν ου βαλλω εφ υμας αλλο βαρος

25  πλην ο εχετε κρατησατε <αχρις> ου αν ηξω

26  και ο νικων και ο τηρων αχρι τελους τα εργα μου δωσω αυτω εξουσιαν επι των εθνων

27  και ποιμανει αυτους εν ραβδω σιδηρα ως τα σκευη τα κεραμικα συντριβεται

28  ως καγω ειληφα παρα του πατρος μου και δωσω αυτω τον αστερα τον πρωινον

29  ο εχων ους ακουσατω τι το πνευμα λεγει ταις εκκλησιαις

 

En schrijf aan de engel der gemeente in Thyatira: Dit zegt de zoon van God, hij die ogen heeft als vuurvlammen en voeten gelijk koperbrons. Ik ben bekend met je werken en je liefde, trouw, dienstbetoon en volharding; ook zijn je laatste werken meer dan de eerste.

 

Maar ik heb tegen je dat je de vrouw Izebel laat begaan, zij die van zichzelf zegt profetes [te zijn], en mijn slaven leert en misleidt zij om hoererij te bedrijven en afgodenoffers te eten. Hoewel ik haar gelegenheid gaf tot inkeer te komen, weigert zij berouw te hebben van haar hoererij.

 

Zie! Ik werp haar te bed en zij die overspel met haar bedrijven in grote verdrukking, tenzij zij berouw hebben van haar werken. En haar kinderen zal ik ter dood brengen door de pest. Dan zullen alle gemeenten weten dat ik degene ben die nieren en harten doorvors, en dat ik een ieder vergeld naar hun werken.

 

Maar tot jullie zeg ik, die in Thyatira zijn overgebleven, allen die deze leer niet hebben, degenen die niet bekend werden met de diepe dingen van de Satan, zoals zij zeggen: lk leg jullie geen andere last op. Doch houdt vast aan wat jullie hebben totdat ik kom.

 

En wie overwint en hij die tot het einde mijn werken onderhoudt, aan hem zal ik macht geven over de Heidenvolken, en hij zal hen weiden met een ijzeren staf, als de aarden vaten worden zij verbrijzeld, gelijk ook ik bij mijn Vader heb ontvangen; en ik zal hem de morgenster geven. Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt.

 

Dit is de vierde boodschap en dus de middelste van de zeven. Volgens de leer der Bijbelse getalscomposities mag daarom worden verwacht dat in deze boodschap de serie tot een climax komt.

Dat dit inderdaad het geval is blijkt al uit de aanhef: Dit zegt de Zoon van God.

 

Dit is de eerste en ook de enige keer dat Yeshua in de Openbaring die titel voor zichzelf gebruikt, daarbij verwijzend naar Ps 2:7 [aangezien ook de volgende verzen, 8 en 9, uit die Psalm in deze boodschap worden toegepast]: 

 

Hij sprak tot mij: Mijn zoon ben jij; ik heb je heden verwekt. Vraag mij en ik zal volken geven tot je erfdeel, de einden der aarde tot je bezit. Jij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk.

 

Na zijn dood en opstanding heeft de Vader zijn Zoon bovenmatig verhoogd en hem de naam [wat staat voor positie en alles wat de persoon vertegenwoordigt] gegeven die boven elke naam is. En nu toont hij, de Zoon en Heer, zich vastbesloten om tot eer en heerlijkheid van de Vader handelend op te treden (Fp 2:8-11; Hb 1:5).

 

Nergens in de zeven boodschappen is de tegenstelling tussen de twee Joodse partijen ook zo opvallend als hier. Aan de ene kant de getrouwe heiligen met wie Yeshua door en door bekend is, zoals hun liefde, trouw, dienstbetoon en standvastigheid.

Zij houden zich verre van de diepe dingen van de Satan [welke staan tegenover de diepe dingen Gods; 1Ko 2:10], waaraan de tegenpartij zich volledig overgeeft.

 

Dat de dwaalleraars zich op Satans diepe dingen beroemen, duidt kennelijk op de omstandigheid dat zij het als een verdienste beschouwen de diepten van de Satan te doorgronden. Ook kan het zijn dat zij daarmee hun ongebonden levenswijze willen goedpraten; in ieder geval vinden zij het voor zichzelf belangrijk de geheime macht van de Satan persoonlijk te leren kennen en wellicht ook zelf te ervaren.

 

Zij volgen daarin de leiding van de vrouw Izebel.

Door haar invloed worden seksuele immoraliteit, afgodische dienst en ontaarde praktijken van allerlei aard, in de 70e Week tot een climax opgevoerd.

Deze "vrouw" draagt niet voor niets de naam Izebel. Zij evenaart of overtreft misschien wel haar prototype, Izebel, de dochter van Ethbaäl, die door de goddeloze koning Achab tot gemalin werd genomen (1Kn 16:30-33). 

Izebel was een felle voorvechtster van de ontaarde Baälaanbidding die zij fanatiek in Israël bevorderde; ook met het oogmerk de aanbidding van de ware God volledig teniet te doen.

 

In zijn verlangen zijn vrouw te behagen bouwde Achab voor Izebel een tempel en altaar voor Baäl; ook richtte hij de heilige paal [asjerah, een fallussymbool] op. In haar heerszucht gaf Izebel het bevel de profeten van YHWH uit te roeien, zodat die 'ondergronds' moesten gaan. Mettertijd had Izebel de beschikking over haar eigen 450 profeten van Baäl en 400 profeten van de heilige paal, die allen op staatskosten werden verzorgd en aan haar tafel aten (1Kn 17:1-3; 18:4, 13, 19).

 

Wij kunnen wellicht met recht stellen dat wat door Bileam in Israël werd binnengebracht, onder Achab en Izebel werd verheven tot een nationaal religieus systeem (Op 2:14).

Een soortgelijk systeem zal blijkbaar herleven in de Eindtijd. Ontaarde riten en praktijken zullen onder het mom van religie de lage instincten der mensen bevredigen:

 

Weet wel, dat er in de Laatste dagen zware [Grieks: chalepos] tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn…met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben…Want tot hen behoren zij, die zich in de huizen indringen en vrouwtjes weten in te palmen, die met zonden beladen zijn en gedreven worden door velerlei begeerten (2Tm 3:1-6).

 

De enige andere plaats in het NT waar chalepos verschijnt, is in de geschiedenis van de twee bezetenen in het land der Gadarenen, die zich ongewoon heftig [chalepos) gedroegen, vanwege 'het legioen' demonen dat hen terroriseerde (Mt 8:28; Mr 8:9). Zoals in de dagen vóór de Vloed de aardse maatschappij ontaard raakte door de seksuele escapades der zonen Gods [engelen die zich tot manspersonen materialiseerden], zo zal het blijkbaar ook gaan in de Eindtijd.

Met het oog op het oordeel worden die demonen sinds de Vloed in Tartarus bewaard.

 

Vergelijk Mt 24:37-39; Gn 6:1-5; Judas 6; 2Pt 2:4.

 

De "Izebel" van Thyatira weigert tot berouw te komen. Niet verwonderlijk want uit 2Kn 9:22, 30-37 blijkt dat Izebel tot aan haar ondergang schaamteloos brutaal bleef in haar hoererijen en vele tovenarijen.

Haar einde roept krachtige reminiscenties op aan de manier waarop de Hoer, het Grote Babel, ten onder zal gaan:

 

De tien horens die je zag en het Beest zelf zullen een afschuw krijgen van de Hoer en ze zullen haar woest en naakt maken, haar vleesdelen eten en haar in vuur verbranden. Want God gaf in hun harten zijn gezindheid te volbrengen (Op 17:16, 17).

 

De "Izebel" van de Eindtijd moeten we om die reden kennelijk zoeken onder de vele hoerachtige 'dochters' van Babylon, het grote, universele systeem van religieuze verwarring dat samenwerkt met het Beest, de Antichrist (Op 17:3-6).

Trouwens, aangezien er (in vers 24) sprake is van haar leer, moet men er waarschijnlijk van uitgaan dat "Izebel" niet alleen een manier van leven maar ook een bepaalde geestesrichting vertegenwoordigt, één van de vele binnen Babylon.

 

Vanuit die optiek kunnen we ook begrijpen waarom het Overblijfsel van mijn volk te zijner tijd de oproep te horen krijgt om weg te gaan uit het gevallen Babylon:

 

Komt uit, mijn volk, uit haar; opdat jullie niet mede deelhebben aan haar zonden en uit haar plagen niet ontvangen. Want haar zonden werden opgestapeld tot aan de hemel en God bracht zich haar ongerechtigheden te binnen.

 

Die plagen zullen ook Izebels kinderen treffen; dat wil zeggen hen die van dezelfde ontaarding en onberouwvolle geest blijk geven (Op 9:20-21).

De overwinnaars onder het volk zullen met Masjiach Yeshua delen in de vervulling van Psalm 2. Aan hen zal hij, als de door God gestelde koning op mijn heilige berg Sion, regeringsmacht over de Heidenvolken delegeren. 

 

Gelet op het profetische beeld dat verschaft werd in de dagen van koning Josafat in verband met de strijd die Israël toen had tegen de gecombineerde legers van Ammon, Moab en Seïr, is het onwaarschijnlijk dat het Overblijfsel zelf aan de verbrijzeling der natiën zal deelnemen: 

 

Schenkt aandacht, heel Juda en gij inwoners van Jeruzalem en koning Josafat! Dit heeft YHWH tot u gezegd: Weest niet bevreesd, noch verschrikt wegens deze grote menigte; want het is geen strijd van u, maar van God…Gij zult in dit geval niet hoeven te strijden. Stelt u op, blijft staan en ziet de redding van YHWH ten behoeve van u. O Juda en Jeruzalem, weest niet bevreesd, noch verschrikt. Trekt morgen tegen hen uit, en YHWH zal met u zijn (2Kr 20:1-30; Jl 3:1-2, 9-17). 

 

In het verlengde van de gedachte dat Yeshua zijn getrouwen betrekt in zijn heerschappij (Dn 7:13-14, 18, 27) moeten we blijkbaar ook de belofte interpreteren dat aan elke overwinnaar de morgenster zal worden gegeven.

Toen Bileam Gods volk moest zegenen in plaats van vervloeken, moest hij door de kracht van Gods geest spreken: Een ster komt op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël. Hij verbrijzelt de slapen van Moab, de schedel van alle zonen van tumult (Nm 24:17).

 

Die profetie zal haar ultieme vervulling krijgen in de Masjiach bij zijn komst ten oordeel. Maar hij, die Ster, geeft zichzelf aan zijn getrouwen en brengt hen daarmee in een innige verhouding tot zichzelf. Zie ook Op 22:16.

 

-.-.-.-

 Naar Openbaring 3