Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

OPB05

Openbaring van Yeshua Masjiach

Hoofdstuk 5

 

5:1-4

5:5

5:6-7

5:8

5:9-10

5:11-14

 

Enkele uitgangspunten om de Apocalyps te verklaren:

·       Een profetisch boek toegevoegd aan de boeken van het OT om de Joden van de eindtijd tot richtsnoer te zijn.

·       De gebeurtenissen voltrekken zich voor een groot gedeelte in de 70e Jaarweek der Joden, wanneer YHWH Elohim de draad der geschiedenis in verband met zijn uitverkoren volk weer oppakt.

·       De christelijke Gemeente bevindt zich (waarschijnlijk) dan niet meer op aarde omdat ze bij het begin van de 70e Week is weggerukt in de 'Opname'.

 

Tekst

 

1 En ik zag op de rechterhand van hem die op de troon is gezeten een boekrol, beschreven aan de buiten- en binnenkant, welverzegeld met zeven zegels.

2 En ik zag een sterke engel met een krachtige stem uitroepend: Wie is waardig de boekrol te openen en zijn zegels los te maken?

3 En niemand in de hemel noch op de aarde noch onder de aarde bleek in staat de boekrol te openen of er in te kijken.

4 En ik weende zeer omdat niemand waardig werd bevonden de boekrol te openen of er in te kijken.

5 En één uit de Oudsten zegt tegen mij: Ween niet; zie de Leeuw die uit de stam Juda [is], de wortel van David, overwon om de boekrol en zijn zeven zegels te openen.

6 En in het midden van de troon en van de vier Levende wezens en in het midden der Oudsten zag ik een lam staande als zijnde geslacht, hebbend zeven horens en zeven ogen, welke zijn de zeven geesten Gods die uitgezonden zijn tot geheel de aarde.

7 En hij kwam en heeft genomen uit de rechterhand van hem die op de troon is gezeten.

8 En toen hij de boekrol nam vielen de vier Levende wezens en de vierentwintig Oudsten neer vóór het Lam, een ieder in het bezit van een harp en gouden schalen vol zijnde van reukwerk, welke zijn de gebeden van de heiligen.

9 En zij zingen een Nieuw Lied, zeggend: Waardig gij om de boekrol in ontvangst te nemen en zijn zegels te openen, want gij werd geslacht en kocht voor God in uw bloed [mensen] uit elke stam en taal en volk en natie.

10 En gij maakte hen voor onze God een koninkrijk en priesters, en zij zullen als koningen regeren op de aarde!

11 En ik zag en ik hoorde een geluid van vele engelen rondom de troon en de Levende wezens en de Oudsten, en hun aantal was myriaden van myriaden en duizenden van duizenden,

12 zeggend met luide stem: Het Lam dat geslacht is, is waardig de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging te ontvangen.

13 En al het geschapene dat in de hemel en op de aarde en beneden de aarde en op de zee is, en alle dingen in hen, hoorde ik zeggen: Aan Hem die op de troon is gezeten en aan het Lam [zij] de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid.

14 En de vier Levende wezens gingen zeggen: Amen; en de Oudsten vielen neer en brachten hulde.

 

Exegese

5:1-4 

1   και ειδον επι την δεξιαν του καθημενου επι του θρονου βιβλιον γεγραμμενον εσωθεν και οπισθεν κατεσφραγισμενον σφραγισιν επτα

2   και ειδον αγγελον ισχυρον κηρυσσοντα εν φωνη μεγαλη τις αξιος ανοιξαι το βιβλιον και λυσαι τας σφραγιδας αυτου

3   και ουδεις εδυνατο εν τω ουρανω ουδε επι της γης ουδε υποκατω της γης ανοιξαι το βιβλιον ουτε βλεπειν αυτο

4   και εκλαιον πολυ οτι ουδεις αξιος ευρεθη ανοιξαι το βιβλιον ουτε βλεπειν αυτο

 

En ik zag op de rechterhand van hem die op de troon is gezeten een boekrol, beschreven aan de buiten- en binnenkant, welverzegeld met zeven zegels. En ik zag een sterke engel met een krachtige stem uitroepend: Wie is waardig de boekrol te openen en zijn zegels los te maken? En niemand in de hemel noch op de aarde noch onder de aarde bleek in staat de boekrol te openen of er in te kijken. En ik weende zeer omdat niemand waardig werd bevonden de boekrol te openen of er in te kijken

 

Ook in hoofdstuk 5 blijven we in de onmiddellijke nabijheid van de troon, maar nu staat een boekrol centraal, welverzegeld met 7 zegels, op de rechterhand van God, alsof de boekrol wordt aangeboden.

Dat het om een rol gaat die zowel van binnen als van buiten is beschreven, is zeer ongewoon, maar ook in Ez 2:9 is dat het geval en het geeft blijkbaar te kennen dat het om een volledige en belangrijke boodschap gaat.

 

De zevenvoudige verzegeling duidt er kennelijk op dat zowel de kennis als de vervulling van de dingen die moeten gebeuren, volledig aan de menselijke invloed zijn onttrokken. God zelf heeft de inhoud van de boekrol geschreven; om die reden kan niemand daarin ook maar enige verandering aanbrengen.

Het is zoals Pilatus zei met betrekking tot het opschrift boven Yeshua’s hoofd:

Wat ik heb geschreven, heb ik geschreven.

En wat had hij geschreven? Yeshua de Nazarener, de koning der Joden.  

 

Wanneer het in hoofdstuk 6 zover is dat de zegels worden verbroken, worden niet alleen zeer gewichtige gebeurtenissen onthuld, maar ook zullen we zien dat die gebeurtenissen zich dan onmiddellijk op aarde gaan voltrekken.

Wanneer daarom aan de gehele met verstand begiftigde schepping gevraagd wordt Wie van jullie is waardig om deze boekrol te openen, impliceert die vraag of er in het universum ook een persoon is met zulk een achtergrond en zulke verdiensten dat het verdere verloop van de geschiedenis op aarde van hem afhankelijk kan worden gemaakt.

 

Dat niemand waardig wordt bevonden, stemt Johannes verdrietig, niet vanwege teleurgestelde nieuwsgierigheid, maar uit bezorgdheid of de openbaring van die belangrijke dingen die gebeuren moeten, nog wel in orde komt. Hij verneemt echter al vlug dat het probleem reeds is opgelost.

 

5:5

5   και εις εκ των πρεσβυτερων λεγει μοι μη κλαιε ιδου ενικησεν ο λεων ο εκ της φυλης ιουδα η ριζα δαυιδ ανοιξαι το βιβλιον και τας επτα σφραγιδας αυτου

 

En één uit de Oudsten zegt tegen mij: Ween niet; zie de Leeuw die uit de stam Juda [is], de wortel van David, overwon om de boekrol en zijn zeven zegels te openen

 

De leeuw uit de stam Juda is een joodse titel; zo ook de wortel van David. Zij wijzen terug naar Oudtestamentische profetieën (Gn 49:9 en Js 11:10) waarin werd voorzegd dat uit de stam Juda en de familielijn van David een prominent persoon zou opstaan om de blijvende Regeerder te zijn op de troon van zijn Vader David (Lk 1:33): de koning der Joden, zoals Pilatus hem onbedoeld had aangeduid.

 

Door zijn dood werd het voor de mensheid mogelijk gemaakt de weg terug naar God in te slaan. Hij heeft al het kwaad dat door Gods grote Tegenstander in de wereld is gebracht, volledig overwonnen. Hij heeft daarom aan God, zijn Vader, het definitieve antwoord verschaft met betrekking tot hem die mij hoont (Sp 27:11; Jh 16:33).

 

Sindsdien heeft YHWH Elohim hem begunstigd met alle macht in hemel en op aarde (Mt 28:18), en met het aanbreken van de 70e Week en de Dag die (hem) de Heer toebehoort, komt ook de wederoprichting van het koninkrijk voor Israël in beeld (Hn 1:6).

Aangezien door zijn verzoenend offer menselijk leven veilig is gesteld en daarmee de voortzetting van de geschiedenis, is alleen hij degene die gerechtigd is de boekrol te nemen en de zeven zegels te verbreken, zodat de daarin aangekondigde gebeurtenissen voor de laatste dagen een aanvang kunnen nemen.

 

5:6-7

6   και ειδον εν μεσω του θρονου και των τεσσαρων ζωων και εν μεσω των πρεσβυτερων αρνιον εστηκος ως εσφαγμενον εχων κερατα επτα και οφθαλμους επτα οι εισιν τα [επτα] πνευματα του θεου απεσταλμενοι εις πασαν την γην

7   και ηλθεν και ειληφεν εκ της δεξιας του καθημενου επι του θρονου

 

En in het midden van de troon en van de vier Levende wezens en in het midden der Oudsten zag ik een lam staande als zijnde geslacht, hebbend zeven horens en zeven ogen, welke zijn de zeven geesten Gods die uitgezonden zijn tot geheel de aarde. En hij kwam en heeft genomen uit de rechterhand van hem die op de troon is gezeten

 

Waarschijnlijk verwachtte Johannes een leeuw te zien, maar wat hij werkelijk zag was een lam, nog met de tekens van de dood op zich. Die tekens van de dood bevinden zich nog altijd op het Lam, en blijven daar, voor altijd.

In deze twee symbolen, de Leeuw van Juda en het Lam dat werd geslacht, ziet Johannes de vereniging van twee thema's die door de hele Bijbel heen lopen.

 

De leeuw is een symbool van majesteit, macht, heerschappij en gezag.

Leeuwen veroveren; lammeren onderwerpen zich! Leeuwen brullen; lammeren worden gedood!

Hier wordt degene aan ons voorgesteld die overwint door onderwerping. De symbolen binden de aardse beloften voor Israël samen met de hemelse roeping van de Gemeente.

 

Omdat in het midden van met nadruk wordt herhaald, komen we tot de conclusie dat Gods Zoon met betrekking tot de uitoefening van Gods heerschappij de sleutelfiguur is. Zijn grote waardigheid om de boekrol in ontvangst te nemen en zijn zeven zegels te openen - waardoor de gebeurtenissen op aarde onmiddellijk een beslissende wending gaan nemen - wordt eveneens beklemtoond in het feit dat hij gezien wordt als het offerlam, of – zoals Johannes tegenover zijn discipelen opmerkte – het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt (Jh 1:29, 36).

 

Door het brengen van zijn smetteloze leven als slachtoffer, krijgen de beide Gemeentes, Christelijk en Joods-christelijk, bestaansrecht. Om die reden is dit één van de weinige thema's die de Openbaring en de Paulinische brieven gemeenschappelijk hebben. Zie 1Ko 5:7 en Hb 7:26.

 

Horens zijn in het OT een zinnebeeld van macht; zeven duidt daarbij op volledigheid. Daarom zei Yeshua zijn dood en opstanding en kort voor zijn hemelvaart: Alle macht in hemel en op aarde is mij gegeven (Mt 28:18).

Die volledige macht berust op zijn dood. Bijgevolg neemt hij in de hemel een ereplaats in, aan de rechterhand van zijn Vader:

 

Het is overeenkomstig de werking van de macht van zijn sterkte, die hij aanwendde in de Masjiach door hem vanuit doden op te wekken en aan zijn rechterhand plaats te doen nemen in de hemelsferen, hoog boven alle overheid en gezag en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze eeuw, maar ook in de toekomstige. En hij onderwierp alle dingen aan zijn voeten en gaf hem Hoofd over alle dingen met betrekking tot de Gemeente, welke zijn Lichaam is, de volheid van hem die alle dingen in alle zaken volledig maakt.  (Ef 1:19-23)

 

In 1Pt 3:21-22 wordt die waarheid door Petrus bevestigd:

 

Yeshua Masjiach, die aan Gods rechterhand is, heengegaan naar de hemel, terwijl engelen, machten en krachten aan hem onderworpen werden.

 

Als Israëls Messias beschikt Yeshua ook in volledige mate over de werkzaamheid van de heilige geest. Opmerkelijk is dat  die volheid van de geest wordt vereenzelvigd met de zeven ogen van het Lam, aangezien in Zc 4:10 ook sprake is van de werking van Gods geest, aldaar in verband met de taak die Zerubbabel moest volbrengen om de bouw van Gods Huis met succes te voltooien en aangeduid met de zeven ogen van YHWH.

 

Men heeft opgemerkt dat ook hierin een aspect van de theologie die kenmerkend is voor het Johannes’ Evangelie, tot uitdrukking komt. Zie Jh 16:13-15 (GNB):

 

Maar wanneer de geest van de waarheid komt, zal hij jullie de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet op eigen gezag spreken, hij zal alleen vertellen wat hij hoort, en de dingen die komen gaan, bekendmaken. Hij zal mij verheerlijken, want alles wat hij jullie bekendmaakt, heeft hij van mij. Alles wat de Vader heeft, is van mij; daarom zeg ik jullie dat hij alles wat hij jullie bekendmaakt, van mij heeft. 

 

Dat de geest voorgesteld wordt door de (zeven) ogen van het Lam, laat uitkomen dat hij met een volmaakt onderscheidingsvermogen de heiligen op aarde leidt door de geest. Maar ook doorziet hij volkomen wat de Antichristelijke vijand intussen tegen hen beraamt (Jh 2:25).

 

Zonder enige terughoudendheid neemt hij daarom de boekrol uit de hand van zijn Vader. Naar mag worden aangenomen vertegenwoordigt deze zinnebeeldige handeling een specifiek moment in de realiteit van Gods voornemen dat stap voor stap ten uitvoer wordt gelegd. In Psalm 110:2 zegt de Heer YHWH profetisch tot Davids Heer, Masjiach Yeshua: Zet je aan mijn rechterhand totdat ik je vijanden leg tot een voetbank voor je voeten.

 

In de Eerste eeuw begon die periode van 'afwachting' nadat Yeshua voor altijd één slachtoffer voor zonden had gebracht (Hb 10:11-14).

Nu, op dit tijdstip in de Openbaring, is die periode blijkbaar verstreken en is de tijd aangebroken om tot actie jegens zijn vijanden over te gaan. In hem moeten immers de dingen vervuld worden die voor de Leeuw van Juda en de wortel van David zijn voorzegd:

 

De scepter zal van Juda niet wijken, noch de gebiedersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong zijner ezelin aan de wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivenbloed zijn gewaad (Gn 49:10, 11).

 

Hij zal de aarde slaan met de roede van zijn mond en met de adem van zijn lippen de goddeloze ter dood brengen (Js 11:4; 2Th 2:8).

 

Bovendien is hij Het Woord van God. 

Wanneer God spreekt, dan staat de Zoon gereed om dat Woord in daden om te zetten. Door de boekrol uit Gods rechterhand aan te nemen breekt daarom een nieuwe fase in Gods voornemen aan waarin door de Zoon op grond van het Woord verdere activiteiten worden ontplooid (Op 19:11-13; Jh 1:1-3; Js 55:1-11).

 

5:8 

8   και οτε ελαβεν το βιβλιον τα τεσσαρα ζωα και οι εικοσι τεσσαρες πρεσβυτεροι επεσαν ενωπιον του αρνιου εχοντες εκαστος κιθαραν και φιαλας χρυσας γεμουσας θυμιαματων αι εισιν αι προσευχαι των αγιων

 

En toen hij de boekrol nam vielen de vier Levende wezens en de vierentwintig Oudsten neer vóór het Lam, een ieder in het bezit van een harp en gouden schalen vol zijnde van reukwerk, welke zijn de gebeden van de heiligen

 

Opnieuw zien we de twee groepen die zich in de directe nabijheid van de troon bevinden harmonieus handelen. Beide vallen neer in erkenning van Yeshua's autoriteit. De grammaticale structuur gebiedt echter dat er, wat het tweede deel van het vers betreft, toch onderscheid wordt gemaakt tussen hen. Alléén de Oudsten zijn in het bezit van harpen en van de schalen met reukwerk.

Dit onderscheid is belangrijk want het beklemtoont eens te meer dat die 24 Oudsten in de hemel "Zaad van Abraham" zijn doordat zij het beeld vervullen van Israëls priesterschap, onderverdeeld zoals het destijds was in 24 afdelingen.

 

De gouden schalen met reukwerk vertegenwoordigen immers de gebeden van hen die in de 70e Week de heiligen op aarde zijn, de gelovige joodse Rest. Hieruit kan worden afgeleid dat het hemelse deel van het "Zaad" een speciale relatie heeft met Abrahams zaad op aarde, "de heiligen".

Lk 1:5-10 is een Schriftdeel dat deze visie ondersteunt. Zacharías, een priester uit de afdeling van Abía - de 8e uit de 24 afdelingen - offert reukwerk op het reukaltaar in het Heilige van de tempel [Grieks: naos], terwijl een menigte van het volk buiten het heiligdom in gebed is.

 

Als priesters in de hemel zullen de 24 Oudsten, te beginnen met de 70e Week en vervolgens ook binnen het Millennium, als priesters voor Gods aangezicht optreden ten behoeve van de mensheid. De gebeden die van de aarde worden opgezonden, worden door hen als reukwerk aan God aangeboden (Ps 141:2).

 

5:9-10 

9   και αδουσιν ωδην καινην λεγοντες αξιος ει λαβειν το βιβλιον και ανοιξαι τας σφραγιδας αυτου οτι εσφαγης και ηγορασας τω θεω εν τω αιματι σου εκ πασης φυλης και γλωσσης και λαου και εθνους

10  και εποιησας αυτους τω θεω ημων βασιλειαν και ιερεις και βασιλευσουσιν επι της γης

 

En zij zingen een Nieuw Lied, zeggend: Waardig gij om de boekrol in ontvangst te nemen en zijn zegels te openen, want gij werd geslacht en kocht voor God in uw bloed [mensen] uit elke stam en taal en volk en natie; en gij maakte hen voor onze God een koninkrijk en priesters, en zij zullen als koningen regeren op de aarde!

 

De 24 Oudsten voelen zich ten zeerste betrokken bij het verlossingswerk krachtens Yeshua's slachtoffer. Zijzelf hebben die verlossing ervaren, en in het Nieuwe Lied dat zij tot lof van het Lam zingen, geven zij te kennen dat dit verlossingswerk nu een tweede fase is ingegaan in verband met de Joodse Gemeente van God. Een Overblijfsel daarvan is uit de eeuwenlange verharding gekomen en steunt niet langer op vermeende eigen verdienste, maar op het bloed van het Lam.

(Op 7:14; 12:11; Rm 11:25).

 

Aangezien zij sinds lang verstrooid zijn over de hele aarde, kan er gezegd worden dat zij vrijgekocht zijn uit elke stam, taal, volk en natie. Vergelijk Op 7:9.

Zij zullen het Messiaanse koninkrijk op aarde dienen en vertegenwoordigen als het aardse deel van de koninklijke priesterschap (Op 20:4, 6, 9).

Hun loskoop is dan ook het thema van het Nieuwe Lied. Het bezingt de waardigheid van het Lam; hij komt in aanmerking de boekrol te nemen en de zeven zegels er van te openen, vanwege de verlossing die hij heeft bewerkstelligd.

 

Het volk was eens losgekocht uit Egypte, want het is in verband met Egypte en de Exodus dat voor de eerste keer in de Bijbel melding wordt gemaakt van verlossing, ook in een Lied, dat van Ex 15:13.

 

Uw genade leidde het volk dat U verlost hebt; uw kracht heeft het naar uw heilige plaats geleid (WV).

 

Maar nu wordt het voor een tweede maal losgekocht. Zie Js 11:11, 16.

 

5:11-14

11  και ειδον και ηκουσα φωνην αγγελων πολλων κυκλω του θρονου και των ζωων και των πρεσβυτερων και ην ο αριθμος αυτων μυριαδες μυριαδων και χιλιαδες χιλιαδων

12  λεγοντες φωνη μεγαλη αξιον εστιν το αρνιον το εσφαγμενον λαβειν την δυναμιν και πλουτον και σοφιαν και ισχυν και τιμην και δοξαν και ευλογιαν

13  και παν κτισμα ο εν τω ουρανω και επι της γης και υποκατω της γης και επι της θαλασσης και τα εν αυτοις παντα ηκουσα λεγοντας τω καθημενω επι τω θρονω και τω αρνιω η ευλογια και η τιμη και η δοξα και το κρατος εις τους αιωνας των αιωνων

14  και τα τεσσαρα ζωα ελεγον αμην και οι πρεσβυτεροι επεσαν και προσεκυνησαν

 

En ik zag en ik hoorde een geluid van vele engelen rondom de troon en de Levende wezens en de Oudsten, en hun aantal was myriaden van myriaden en duizenden van duizenden, zeggend met luide stem: Het Lam dat geslacht is, is waardig de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging te ontvangen. En al het geschapene dat in de hemel en op de aarde en beneden de aarde en op de zee is, en alle dingen in hen, hoorde ik zeggen: Aan Hem die op de troon is gezeten en aan het Lam [zij] de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid. En de vier Levende wezens gingen zeggen: Amen; en de Oudsten vielen neer en brachten hulde.

 

In hun lofprijzing jegens het Lam maken de engelen melding van een zevenvoudige waardigheid, elk gescheiden door het voegwoord en. Dat zet de hoorder er toe aan elk kenmerk afzonderlijk te beschouwen.

Aan de drie kenmerken die in Op 4:11 werden vermeld, waar de Oudsten hulde brengen aan de Schepper God, worden er hier vier toegevoegd: rijkdom, wijsheid, sterkte, dankzegging.

Dit gebeurt blijkbaar in de erkenning dat Gods schepping, dankzij de kracht van Yeshua's offer, wordt vernieuwd en tot volmaaktheid gebracht.

 

Met de Levende wezens, de Oudsten en de engelen verenigen zich tenslotte alle geschapen dingen, bezield en onbezield in een machtige finale jegens zowel God als het Lam. De doxologie is nu vierledig, waarbij 4 het getal van de schepping is.

De lofzang lijkt een achtergrond te hebben in de lofpsalmen, in het bijzonder 148, 149 en 150. Uit 148 wordt duidelijk waarom het onbezielde deel van het geschapene kan deelnemen aan het bezingen van Gods lof. Bijvoorbeeld:

 

Looft YHWH vanaf de aarde, gij grote zeedieren en alle  waterdiepten, vuur en hagel, sneeuw en dikke rook, en gij stormwind, die zijn woord volbrengt (148:7, 8).

 

God bedient zich van natuurverschijnselen om zijn wil te volbrengen. Als gepersonifieerd kunnen zij op hun beurt 'spreken' en hem, de Almachtige, loven.

Zij die in de hemelen zijn bekrachtigen de lofzang der natuur. De vier Levende wezens bevestigen de doxologie met een plechtig Amen! En de Oudsten, die vooral de mensheid vertegenwoordigen, vallen op hun aangezicht om God en het Lam hulde te brengen.

 

-.-.-.-

Naar Openbaring 6