Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Openbaring van Jezus Christus

Openbaring van Yeshua Masjiach

 

Hoofdstuk 18

 

18:1-3

18:4-8

18:9-10

18:11-19

18:20-21

18:22-24

 

Enkele uitgangspunten om de Apocalyps te verklaren:

·       Een profetisch Boek toegevoegd aan de boeken van het OT om de Joden van de Eindtijd tot richtsnoer te zijn.

·       De gebeurtenissen voltrekken zich voor een groot gedeelte in de 70ste Jaarweek der Joden, wanneer YHWH Elohim de draad der geschiedenis in verband met zijn uitverkoren volk weer oppakt.

·       De Christelijke Gemeente bevindt zich dan [waarschijnlijk] niet meer op aarde omdat ze bij het begin van de 70ste Week is weggerukt in de 'Opname'.

 

Tekst

 

1  Na deze dingen zag ik een andere engel neerdalen uit de hemel, grote macht hebbend; en de aarde werd verlicht vanwege zijn heerlijkheid.

2  En hij riep met een sterke stem uit zeggend: Ze viel, Babylon de Grote viel, en zij werd een woonplaats van demonen en een hol van elke onreine geest en een hol van elke onreine en verafschuwde vogel,

3  omdat vanwege de toornwijn van haar hoererij alle Heidenvolken zijn gevallen, en de koningen der aarde bedreven ontucht met haar, en de kooplieden der aarde werden rijk uit de kracht van haar lichtzinnige daden.

4  En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggend: Komt uit, mijn volk, uit haar; opdat jullie niet mede deelhebben aan haar zonden en uit haar plagen niet ontvangen.

5  Want haar zonden werden opgestapeld tot aan de hemel en God bracht zich haar ongerechtigheden te binnen.

6  Vergeldt haar zoals ook zij vergold; en doet  het dubbele, tweemaal de dingen naar haar werken. In de beker in welke zij mengde, mengt voor haar het dubbele. 7  In de mate waarin zij zich verheerlijkte en leefde in lichtzinnigheid, geeft haar zoveel pijniging en rouw. Want in haar hart blijft ze zeggen: Ik zit als koningin, en ik ben geen weduwe, en rouw zal ik beslist niet zien.

8  Om die reden zullen op één dag haar plagen komen: dood en rouw en honger; en zij zal met vuur verbrand worden. Want sterk [is] de Heer God die haar oordeelde. 9  En de koningen der aarde die hoererij met haar bedreven en losbandig leefden, zullen wenen en zich over haar in droefheid slaan, wanneer zij de rook van haar brand zullen zien,

10  van verre staande vanwege de vrees van haar pijniging, terwijl zij zeggen: Wee, wee, de Grote Stad, Babylon de sterke Stad, want in één uur kwam je oordeel.

11  En de kooplieden der aarde wenen en bedrijven rouw over haar, omdat niemand meer hun lading koopt,

12  lading van goud en zilver en edelgesteente en parels; en van fijn linnen en purper en zijde en scharlaken; en allerlei welriekend hout en allerlei snijwerk van ivoor en allerlei voorwerpen van het kostbaarste hout en van koper en ijzer en marmer;

13  en kaneel en specerij en reukwerk en mirre en wierook en wijn en olie en bloem en tarwe en lastdieren en schapen; en van paarden en wagens en van lichamen, en zielen van mensen.

14  En het ooft, waarnaar je ziel begerig was, ging van je weg en al wat kostelijk en schitterend was, ging voor je verloren en men zal ze nooit meer vinden.

15  De kooplieden van deze koopwaar, die rijk werden van haar, zullen van verre staan uit vrees voor haar pijniging, wenend en rouw bedrijvend,

16  zeggend: Wee, wee, de Grote Stad, die gehuld was in fijn linnen en purper en scharlaken, en rijk versierd met goud en edelgesteente en parels,

17  want in één uur werd zulk een rijkdom verwoest! En iedere stuurman en elke kustvaarder en de zeelieden en allen die de zee bevaren, bleven van verre staan, 18  en riepen, toen zij de rook van haar verbranding zagen, zeggend: Welke [stad] was aan de Grote Stad gelijk!

19  En zij wierpen stof op hun hoofden en riepen, wenend en rouw bedrijvend, zeggend: Wee, wee de Grote Stad, waarin allen die schepen op zee hadden rijk werden vanwege haar kostbaarheden, want in één uur werd zij verwoest!

20  Bedrijf vreugde over haar, hemel, en de heiligen en de apostelen en de profeten! Want God voltrok in jullie rechtszaak het vonnis aan haar.

21  En één sterke engel nam een steen op als een grote molensteen, en  wierp [die] in de zee, zeggend: Zo zal Babylon, de Grote Stad, met een plotselinge actie worden neergeworpen, en ze zal beslist niet meer gevonden worden.

22  En geluid van harpspelers en zangers en fluitspelers en bazuinblazers zal geenszins meer in jou worden gehoord; en geen kunstenaar van enige kunst zal geenszins meer in jou gevonden worden; en geluid van een molen zal geenszins meer in jou gehoord worden.

23  En geen lamplicht zal nog langer in jou schijnen; en geen stem van bruidegom en bruid zal nog langer in jou gehoord worden, omdat jouw kooplieden de groten der aarde waren, want door jouw spiritistische praktijk werden alle Heidenvolken op een dwaalspoor gebracht.

24  En in haar werd bloed van profeten en van heiligen gevonden en van allen die op de aarde afgeslacht zijn. 

 

Exegese

18:1-3 

1   μετα ταυτα ειδον αλλον αγγελον καταβαινοντα εκ του ουρανου εχοντα εξουσιαν μεγαλην και η γη εφωτισθη εκ της δοξης αυτου

2   και εκραξεν εν ισχυρα φωνη λεγων επεσεν επεσεν βαβυλων η μεγαλη και εγενετο κατοικητηριον δαιμονιων και φυλακη παντος πνευματος ακαθαρτου και φυλακη παντος ορνεου ακαθαρτου [και φυλακη παντος θηριου ακαθαρτου] και μεμισημενου

3   οτι εκ του οινου του θυμου της πορνειας αυτης πεπωκαν παντα τα εθνη και οι βασιλεις της γης μετ αυτης επορνευσαν και οι εμποροι της γης εκ της δυναμεως του στρηνους αυτης επλουτησαν

 

Na deze dingen zag ik een andere engel neerdalen uit de hemel, grote macht hebbend; en de aarde werd verlicht vanwege zijn heerlijkheid. En hij riep met een sterke stem uit zeggend: Ze viel, Babylon de Grote viel, en zij werd een woonplaats van demonen en een hol van elke onreine geest en een hol van elke onreine en verafschuwde vogel, omdat vanwege de toornwijn van haar hoererij alle Heidenvolken zijn gevallen, en de koningen der aarde bedreven ontucht met haar, en de kooplieden der aarde werden rijk uit de kracht van haar lichtzinnige daden.

 

In Op 14:8 werd de val van Babylon reeds luid aangekondigd. Dat gebeurde door de Tweede van een serie van drie engelen die - vliegend in het midden van de hemel - een eeuwig evangelie hebben om als goede tijdingen te verkondigen aan hen die op de aarde gezeten zijn.

Zie het commentaar aldaar.

 

Hier wordt de aankondiging kracht en luister bijgezet door een engel die, gezien de uitstraling van zijn heerlijkheid, rechtstreeks uit de tegenwoordigheid van God zelf schijnt te komen. De enige onder de engelen die met een heerlijkheid is bekleed vergelijkbaar met die van God zelf, is de Heer Yeshua Masjiach die na zijn verhoging tot de hemel met heerlijkheid en eer werd gekroond en die afstraling der heerlijkheid is en afdruk van zijn wezen (Hb 2:9; 1:3).

 

Oók wordt van hem gezegd dat hij grote macht of autoriteit bezit. Dat alles wijst op het midden van de Jaarweek. Het koninkrijk der wereld wordt het koninkrijk van onze Heer en van zijn Masjiach. Als resultaat van de oorlog in de hemel is de Draak vernederd tot de aarde, en met de 'val' van die god van Babylon, is ook die Stad zelf uit haar hemelhoge positie gevallen (Op 11:15-17; 12:5-10). 

 

Met de aankondiging van Babylons val door Masjiach Yeshua wordt het tafereel van Op 17:3-6a weer voortgezet. Dat betekent dat we de Vrouw Babylon, gezeten op het Beest, zien in haar 'gevallen' situatie. En die toestand is niet bepaald rooskleurig. Gods Messiaanse Zoon die precies weet wat er 'speelt', laat ons weten dat ze in de eindfase van haar bestaan noch slechts als een toevluchtsoord dient voor de onreine geesten; een woonoord van de demonen in menselijke gedaantes.

In die situatie is de vergelding begonnen voor haar eeuwenoude praktijken. De mensen der natiën, de Heidenvolken, zijn het slachtoffer geworden van haar ontucht. Alleen de commercie heeft van haar lichtzinnige leven, in weelde doorgebracht, geprofiteerd.

 

Met de vermelding van de kooplieden die rijk zijn geworden van de handel met haar, wordt op een nog niet eerder genoemd aspect van Babylons corrupte wezen de aandacht gevestigd: Haar funeste rol binnen de wereldeconomie. Niet alleen op politiek en religieus terrein, maar ook op het gebied van de wereldhandel ging de Grote Hoer er altijd mee voort om met haar ontucht de aarde te verderven (Op 19:1-4). In het OT werd ze in dat facet vooral afgeschaduwd door de oude handelsstad Tyrus. Zie de hoofdstukken 26-28 van Ezechiël.

 

18:4-8 

4   και ηκουσα αλλην φωνην εκ του ουρανου λεγουσαν εξελθατε ο λαος μου εξ αυτης ινα μη συγκοινωνησητε ταις αμαρτιαις αυτης και εκ των πληγων αυτης ινα μη λαβητε

5   οτι εκολληθησαν αυτης αι αμαρτιαι αχρι του ουρανου και εμνημονευσεν ο θεος τα αδικηματα αυτης

6   αποδοτε αυτη ως και αυτη απεδωκεν και διπλωσατε τα διπλα κατα τα εργα αυτης εν τω ποτηριω ω εκερασεν κερασατε αυτη διπλουν

7   οσα εδοξασεν αυτην και εστρηνιασεν τοσουτον δοτε αυτη βασανισμον και πενθος οτι εν τη καρδια αυτης λεγει οτι καθημαι βασιλισσα και χηρα ουκ ειμι και πενθος ου μη ιδω

8   δια τουτο εν μια ημερα ηξουσιν αι πληγαι αυτης θανατος και πενθος και λιμος και εν πυρι κατακαυθησεται οτι ισχυρος κυριος ο θεος ο κρινας αυτην

 

En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggend: Komt uit, mijn volk, uit haar; opdat jullie niet mede deelhebben aan haar zonden en uit haar plagen niet ontvangen. Want haar zonden werden opgestapeld tot aan de hemel en God bracht zich haar ongerechtigheden te binnen. Vergeldt haar zoals ook zij vergold; en doet  het dubbele, tweemaal de dingen naar haar werken. In de beker in welke zij mengde, mengt voor haar het dubbele. In de mate waarin zij zich verheerlijkte en leefde in lichtzinnigheid, geeft haar zoveel pijniging en rouw. Want in haar hart blijft ze zeggen: Ik zit als koningin, en ik ben geen weduwe, en rouw zal ik beslist niet zien. Om die reden zullen op één dag haar plagen komen: Dood en rouw en honger; en zij zal met vuur verbrand worden. Want sterk [is] de Heer God die haar oordeelde

 

Dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen de totale ondergang van Babylon en de periode waarin zij gevallen is, blijkt uit deze passage. De situatie waarin zij het Beest berijdt is de periode van gevallen zijn. Daarin hebben mensen nog de gelegenheid haar te verlaten. Vandaar de oproep van Godswege: Komt uit, mijn volk, uit haar!

 

De woorden zijn ontleend aan diverse OT passages, waarin Gods volk Israël krachtig wordt aangeraden Babylon te verlaten zodra de gelegenheid daartoe zich zou voordoen na haar val in 539 v.Chr.

Zie Js 52:11; Jr 50:8; 51:6. In Jr 51: 9, 45 lezen we:

 

Ga de stad uit, terug naar uw land, want de schuld van Babel reikt tot de hemel, tot hoog in de wolken…Trek hiervandaan, mijn volk, red uw leven van YHWH’s brandende toorn.

 

Opmerkelijk is dat in het boek Jesaja de oproep tot Israël/Jakob vergezeld gaat van de mededeling dat YHWH hen heeft verlost, of losgekocht:

 

Trekt weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën. Verkondigt met jubelende stem en laat het horen, draagt het uit tot in de verste hoeken der aarde, en zegt: YHWH heeft zijn dienstknecht Jakob verlost (Js 48:20).

 

Zie ook Js 43:1; 44:22-23; 52:9.

 

In de LXX wordt daarbij enkele malen het Hebreeuwse werkwoord gâ’al met lutroô weergegeven dat in het NT wordt gebruikt voor de loskoop krachtens Yeshua's losprijs (1Pt 1:18-19).

De oproep tot zijn volk om uit Babylon de Grote weg te gaan, is voor de Joodse Rest daarom meer dan een oproep om hun ziel in veiligheid te stellen; ze houdt ook de belofte in van loskoop, en op basis daarvan tot een nieuwe schepping te worden gemaakt.

Zie het commentaar bij Op 14:4-5 en Op 14:13.

 

In Jesaja, hoofdstuk 35, wordt op schitterende, profetische wijze beschreven hoe er voor hen die gehoor geven aan de oproep om uit Babylon weg te trekken, een hoofdweg zal zijn, een weg der heiligheid, waarop de Losgekochten zullen wandelen, op weg naar Sion:

 

Aldaar zal een heirbaan zijn; de heilige weg zal zij heten; geen onreine  zal haar betreden—zij is voor zijn volk dat de weg gaat—en dwazen dolen daarop niet rond. Daar zal geen leeuw zijn, geen verscheurend dier zal er komen, er immer op aangetroffen worden. De verlosten [vorm van het werkwoord gâ’al] bewandelen haar, YHWH’s vrijgekochten keren weder; zij zullen Sion binnenkomen onder  gejubel, met altoosdurende vreugde op hun hoofd. Blijdschap en vreugde  bereiken hen; kommer en zuchten zijn gevloden.

(Js 35:8-10; LV)

 

De toepassing van Js 52:11 door Paulus op Christenen, in 2Ko 6:14-18, laat zien dat tijdens de Gemeente-eeuw de leden van Yeshua's Gemeentelichaam de Joodse Gemeente voorafgaan in het achter zich laten van het stelsel van de Duivel. Christenen, die als eersten worden losgekocht en tot een nieuwe schepping worden, horen niet thuis in Babylon de Grote (2Ko 5:14-17). 

 

Het is ondenkbaar voor Gods zonen om een deel te zijn van religieus Babylon met haar afgodische ontucht. Maar ook commercieel Babylon, gekenmerkt door trots en genotzieke hebzucht naar rijkdom, is voor hen een ongezonde omgeving.

Vóórdat Babylon volledig wordt verwoest, zullen de plagen pest (dood), rouw en hongersnood over haar komen. Oók om die reden moet er haast worden gemaakt met het verlaten van de Stad; zij die talmen zullen uit haar plagen ontvangen.  

 

De situatie is vergelijkbaar met die van Sodom toen Lot en zijn gezin gemaand werden haast te maken om de stad, op het punt van ondergang, te ontvluchten (Gn 19:15-17, 26; Lk 17:20-37).

 

De stem uit de hemel laat ook weten dat aan Babylon dubbel vergolden zal worden naar wat zij zelf deed. Zie Ex 22:4-9, waar dubbele vergoeding werd geëist in het geval van diefstal; wellicht een profetische hint naar Babylon en de oneerlijke manier waarop zij haar grote rijkdom zou vergaren. Zie ook Js 47:8-11.

Het strafgericht aan Babylon wordt voltrokken door het Beest en zijn 10 horens, maar op bevel van God: Want sterk de Heer God die haar oordeelde (Op 17:15-18).

 

18:9-10 

9   και κλαυσουσιν και κοψονται επ αυτην οι βασιλεις της γης οι μετ αυτης πορνευσαντες και στρηνιασαντες οταν βλεπωσιν τον καπνον της πυρωσεως αυτης

10  απο μακροθεν εστηκοτες δια τον φοβον του βασανισμου αυτης λεγοντες ουαι ουαι η πολις η μεγαλη βαβυλων η πολις η ισχυρα οτι μια ωρα ηλθεν η κρισις σου

 

En de koningen der aarde die hoererij met haar bedreven en losbandig leefden, zullen wenen en zich over haar in droefheid slaan, wanneer zij de rook van haar brand zullen zien, van verre staande vanwege de vrees van haar pijniging, terwijl zij zeggen: Wee, wee, de Grote Stad, Babylon de sterke Stad, want in één uur kwam je oordeel  

 

De ondergang van Babylon wordt nog steeds in toekomstige termen aangekondigd. Min of meer onopgemerkt gaat de stem van vers 4 over in een profetisch woord.

De catastrofe die haar zal treffen wordt beschreven in een serie klaagliederen die teruggaan op de klaagzangen die in Ezechiël 26-28 profetisch werden aangeheven over Tyrus, de imposante handelsstad in de oudheid.

Beurtelings horen we de klachten

* der koningen (de vv 9-10),

* van de kooplieden (de vv 11-17a),

* en van de zeelieden (de vv 17b-19).

 

Als Babylon ten onder gaat, voelen de politieke minnaars een zekere droefheid over hun eeuwenoude Minnares die voor hen een hulp was om de Volken onder de duim te houden, terwijl zij met de Hoer een 'goede tijd' hadden. Religie kwam hen dikwijls goed van pas om oorlogen een schijn van heiligheid te geven, waarbij de geestelijken bereid waren jonge mensen, in de kracht van hun leven, naar de slagvelden te prediken. Desondanks missen zij de moed haar te hulp te komen; het machtsvertoon van de concurrerende Masjiach, het Beest met zijn 10 horens, is kennelijk zo overweldigend, en de ondergang van de Hoer zo onverwacht plotseling, dat zij veilig op afstand proberen te blijven.

 

Mede om die reden zullen zij blijkbaar kort hierop, geïmponeerd als zij zijn door deze ogenschijnlijk onoverwinnelijke Macht (Op 13:3-4), bereid zijn met het Beest de strijd aan te binden tegen de ware Masjiach op Gods Grote Dag te Har-Magedon (Op 16:13-14; 19:19-21).

In Ez 26:16-18 wordt eveneens door de koningen gerouwd en geweeklaagd over Tyrus:

 

Al die vorsten der zee zullen van hun tronen afdalen, hun mantels afleggen, hun bontgestikte klederen uittrekken, met ontsteltenis bekleed op de grond gaan zitten, alsmaar bevend van angst, en een klaagzang over u aanheffen, waarin zij van u zeggen: Hoe zijt ge te gronde gegaan, van de zeeën verdwenen, gij hoog geprezen Stad, die sterk was door de zee! Gij met uw bewoners, die schrik inboezemden aan al de zeebewoners. Thans ontstellen de kustlanden over uw val; staan zij die op zee zijn, verbijsterd over uw ondergang.

 

18:11-19 

11  και οι εμποροι της γης κλαιουσιν και πενθουσιν επ αυτην οτι τον γομον αυτων ουδεις αγοραζει ουκετι

12  γομον χρυσου και αργυρου και λιθου τιμιου και μαργαριτων και βυσσινου και πορφυρας και σιρικου και κοκκινου και παν ξυλον θυινον και παν σκευος ελεφαντινον και παν σκευος εκ ξυλου τιμιωτατου και χαλκου και σιδηρου και μαρμαρου

13  και κινναμωμον και αμωμον και θυμιαματα και μυρον και λιβανον και οινον και ελαιον και σεμιδαλιν και σιτον και κτηνη και προβατα και ιππων και ρεδων και σωματων και ψυχας ανθρωπων

14  και η οπωρα σου της επιθυμιας της ψυχης απηλθεν απο σου και παντα τα λιπαρα και τα λαμπρα απωλετο απο σου και ουκετι ου μη αυτα ευρησουσιν

15  οι εμποροι τουτων οι πλουτησαντες απ αυτης απο μακροθεν στησονται δια τον φοβον του βασανισμου αυτης κλαιοντες και πενθουντες

16  λεγοντες ουαι ουαι η πολις η μεγαλη η περιβεβλημενη βυσσινον και πορφυρουν και κοκκινον και κεχρυσωμενη [εν] χρυσιω και λιθω τιμιω και μαργαριτη

17  οτι μια ωρα ηρημωθη ο τοσουτος πλουτος και πας κυβερνητης και πας ο επι τοπον πλεων και ναυται και οσοι την θαλασσαν εργαζονται απο μακροθεν εστησαν

18  και εκραζον βλεποντες τον καπνον της πυρωσεως αυτης λεγοντες τις ομοια τη πολει τη μεγαλη

19  και εβαλον χουν επι τας κεφαλας αυτων και εκραζον κλαιοντες και πενθουντες λεγοντες ουαι ουαι η πολις η μεγαλη εν η επλουτησαν παντες οι εχοντες τα πλοια εν τη θαλασση εκ της τιμιοτητος αυτης οτι μια ωρα ηρημωθη

 

En de kooplieden der aarde wenen en bedrijven rouw over haar, omdat niemand meer hun lading koopt, lading van goud en zilver en edelgesteente en parels; en van fijn linnen en purper en zijde en scharlaken; en allerlei welriekend hout en allerlei snijwerk van ivoor en allerlei voorwerpen van het kostbaarste hout en van koper en ijzer en marmer; en kaneel en specerij en reukwerk en mirre en wierook en wijn en olie en bloem en tarwe en lastdieren en schapen; en van paarden en wagens en van lichamen, en zielen van mensen. En het ooft, waarnaar je ziel begerig was, ging van je weg en al wat kostelijk en schitterend was, ging voor je verloren en men zal ze nooit meer vinden. De kooplieden van deze koopwaar, die rijk werden van haar, zullen van verre staan uit vrees voor haar pijniging, wenend en rouw bedrijvend, zeggend: Wee, wee, de Grote Stad, die gehuld was in fijn linnen en purper en scharlaken, en rijk versierd met goud en edelgesteente en parels, want in één uur werd zulk een rijkdom verwoest! En iedere stuurman en elke kustvaarder en de zeelieden en allen die de zee bevaren, bleven van verre staan, en riepen, toen zij de rook van haar verbranding zagen, zeggend: Welke [stad] was aan de Grote Stad gelijk! En zij wierpen stof op hun hoofden en riepen, wenend en rouw bedrijvend, zeggend: Wee, wee de Grote Stad, waarin allen die schepen op zee hadden rijk werden vanwege haar kostbaarheden, want in één uur werd zij verwoest!

 

Aan de klaagzang der kooplieden wegens de teloorgang van Babylons commercie en haar grote materiële rijkdommen, wordt veel uitvoeriger aandacht gegeven dan aan het treuren der politici. Johannes wordt niet moe om, geheel naar het klaaglied over Tyrus in Ez 27:1-36, een opsomming te geven van de grote verscheidenheid aan Babylons handelswaar.

 

Uit het wenen en klagen der kooplieden en ook van de zeevaarders moet wel afgeleid worden dat met de ondergang van Babylon zo goed als de hele wereldeconomie instort. Dit geeft voedsel aan de gedachte dat Babylon, de Grote Stad, veel meer omvat dan een heerszuchtig, afgodisch religieus systeem dat vanaf Nimrods opstand afval van de ware God en bijgeloof onder de mensen heeft bevorderd. Zie het commentaar bij Op 17:5-6a.

Dat systeem nestelde zich in de gehele samenleving; ze ging de Maatschappij in alle facetten diepgaand beïnvloeden. Dat verklaart dat de Grote Hoer met haar hoererij de aarde verdierf (Op 19:2).

 

Volgens historici was in Johannes' dagen het Romeinse Rijk met haar Heidense cultus en priesterschap het stelsel dat in de eerste plaats Babylon vertegenwoordigde. Toen haar verval intrad ging die hegemonie geleidelijk over op de Christelijke wereld, beter aangeduid met de term 'christenheid', aangezien ze met waar Christendom vrijwel niets te maken had.

Zie: De Tarwe en het Onkruid

 

Tijdens haar bloeitijd was Rome de beste afnemer van alle wereldproducten. Ze werd wel "een onverzadigbare buik" genoemd, die nagenoeg alle voortbrengselen der wereld verslond. In onze tijd worden soortgelijke dingen gezegd van de VS van Amerika, de huidige wereldmacht en een werelddeel waarin de Christenheid dominant aanwezig is.

 

Op 11 oktober 2006 publiceerde het Britse dagblad The Independent over de 'supersize nation', de VS van Amerika, waar de gemiddelde burger vier keer meer energie en drie keer meer water gebruikt dan elders in de wereld. Met een inwonertal dat binnenkort de 300 miljoen bereikt, dreigen de VS de hele wereld te 'verorberen'. Daarbij laten zij 2x zoveel afval achter dan het wereldgemiddelde en stoten ze 5x meer kooldioxide uit. Deze manier van leven, waarbij een buitensporig beroep op de grondstoffen wordt gedaan, betekent een enorme aanslag op het milieu, niet alleen in de VS zelf maar in heel de wereld. De Amerikanen vertegenwoordigen 5% van de wereldbevolking maar verslinden 23% van de energie en 28% van het papier. Eén op de 7 vaten olie die in de wereld worden verhandeld, wordt opgestookt door Amerikaanse automobilisten. 

 

Aandacht verdient wat in Op 18:14 ten aanzien van  Babylon wordt gesignaleerd wegens haar plotselinge einde: En het ooft, waarnaar je ziel begerig was, ging van je weg. Het Griekse woord opôra betekent eigenlijk nazomer, herfst.

Vandaar dat het wordt gebruikt voor de oogst die in die periode van het jaar wordt binnengehaald, namelijk de vruchtenoogst. In tegenstelling tot de graanoogst moet op het oogsten van de vruchten van bomen soms een aantal jaren worden gewacht.

 

Babylon heeft door de eeuwen heen naar die 'herfstoogst' uitgezien: Universele heerschappij door het politiek getinte religieuze systeem, als resultaat van al dan niet gedwongen wereldbekering. De Christenheid heeft lange tijd dat streven gehad, maar thans - voorjaar 2017 - blaast vooral de Islam haar oude ambities dienaangaande nieuw leven in.

Een kolossale 'oogst' werd verwacht, gepaard met veel heerlijkheid en aanzien voor zichzelf, maar nu, met Babylons smadelijke afgang, is die zo fel begeerde oogst van haar weggegaan.

 

Zie: Het lange termijneffect van Genesis 16:12 betreffende Ismaël.

Alsook het commentaar op Op 13:3-4.

 

In dit verband is het interessant om in Ezechiël 27 te lezen wat Tyrus stelde tegenover de grote verscheidenheid aan producten die door de natiën naar de stad werden aangevoerd.

Terwijl die artikelen zorgvuldig worden gespecificeerd alsof de opsomming ontleend is aan douanelijsten, ontbreekt een specificatie van de producten die Tyrus op háár beurt leverde geheel en al. Ze worden slechts aangeduid als uw handelswaar (Ez 27:12-33).

Wat dat inhield in mystieke zin laat zich raden: De gouden beker in haar hand, vol van gruwelen en van de onreinheden van haar hoererij (Op 17:3-4).

 

18:20-21 

20  ευφραινου επ αυτη ουρανε και οι αγιοι και οι αποστολοι και οι προφηται οτι εκρινεν ο θεος το κριμα υμων εξ αυτης

21  και ηρεν εις αγγελος ισχυρος λιθον ως μυλινον μεγαν και εβαλεν εις την θαλασσαν λεγων ουτως ορμηματι βληθησεται βαβυλων η μεγαλη πολις και ου μη ευρεθη ετι

 

Bedrijf vreugde over haar, hemel, en de heiligen en de apostelen en de  profeten! Want God voltrok in jullie rechtszaak het vonnis aan haar. En één sterke engel nam een steen op als een grote molensteen, en wierp [die] in de zee, zeggend: Zo zal Babylon, de Grote Stad, met een plotselinge actie worden neergeworpen, en ze zal beslist niet meer gevonden worden.

 

Tegenover de koningen der aarde die treuren over het einde van het weelderige leven dat zij in hun relatie met de Hoer hebben geleid, en de handelsmagnaten die jammeren over de instorting van hun markteconomie waarvoor Babylon door de eeuwen heen de gunstige condities schiep, staat het Israël Gods, de Vrouw die zowel aards als hemels is. De leden daarvan, de Christelijke Gemeente in de hemel en de Joodse Rest op aarde, hebben reden zich uitbundig te verheugen omdat God ten behoeve van hen het oordeel voltrok aan hun eeuwenoude vijandin:

 

Verheug u niet over mij, mijn vijandin: Al ben ik gevallen, ik zal weder opstaan; al zit ik in het duister, YHWH zal mij tot licht zijn.

De woede van YHWH zal ik dragen - want ik heb tegen hem gezondigd - totdat hij mijn rechtsgeding voert en mij recht verschaft. Hij zal mij uitleiden in het licht; ik zal aanschouwen hoe Hij gerechtigheid oefent. Mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken, haar die tot mij zei: Waar is YHWH, uw God? Mijn ogen zullen op haar neerzien. Nu zal zij vertreden worden, als slijk der straten.

(Mc 7:8-10)

 

Het oordeel wordt hier voorgesteld als zijnde aan de Hoer voltrokken. Om die reden zou nu onmiddellijk hoofdstuk 19 kunnen volgen, waarin Johannes vanaf vers 1 verneemt dat hemel en aarde zich inderdaad verheugen en God luidkeels lof toezwaaien, culminerend in Op 19:5-8.

De lofprijzende grote menigte onderscheidt dat met de ondergang van Babylon, de eeuwenoude vijandin van God en zijn volk, het koningschap van God hersteld is en dat niets meer de Bruiloft van het Lam in de weg staat.

 

Er volgt evenwel opnieuw een intermezzo waarbij wederom in toekomstige termen over Babylons ondergang wordt gesproken, te beginnen met een illustratie: Babylon zal plotseling, met een snelle worp worden neergeslingerd, alsof een sterke engel een enorme molensteen in de zee slingert. Zoals die natuurlijk voor altijd in de diepte wegzinkt, zo zal het de Hoer vergaan, ze zal er nooit meer zijn.

 

Het beeld gaat terug op Jeremia 51 waar de profeet een boodschap van ondergang van het historische Babylon te boek stelde en Seraja, de kwartiermeester die koning Zedekia vergezelde bij diens bezoek aan de stad, de volgende opdracht gaf:

 

Wanneer gij in Babel komt, zie dan toe en lees al deze woorden en zeg: YHWH, gij hebt aangaande deze plaats gesproken, dat gij haar zult afsnijden, zodat er geen inwoner meer in zijn zal, hetzij mens of huisdier, maar dat zij voor eeuwig niets dan een verlaten woestenij zij.

En wanneer gij klaar zijt met het lezen van dit boek, bind er dan een steen aan en werp het midden in de Eufraat, en zeg: Evenzo zal Babel wegzinken en nooit weer bovenkomen, ten gevolge van het onheil dat ik erover ga brengen.

(Jr 51:59-64).

 

In de Openbaring wordt de Eufraat vervangen door de zee, een zinnebeeldige term die steeds binnen Johannes' visionaire gezichtskring blijft. Vooral in hoofdstuk 18 is het gebruik van zee passend gezien het feit dat daarin de nadruk ligt op het commerciële Babylon. Haar prototype Tyrus, de handelsstad die met haar markten, waar de goederen der natiën werden verhandeld, het commerciële centrum der wereld vormde, was immers aan de zee gelegen. 

Vergelijk Ez 26:17-18; 27:25-27.

 

18:22-24 

22  και φωνη κιθαρωδων και μουσικων και αυλητων και σαλπιστων ου μη ακουσθη εν σοι ετι και πας τεχνιτης πασης τεχνης ου μη ευρεθη εν σοι ετι και φωνη μυλου ου μη ακουσθη εν σοι ετι

23  και φως λυχνου ου μη φανη εν σοι ετι και φωνη νυμφιου και νυμφης ου μη ακουσθη εν σοι ετι οτι οι εμποροι σου ησαν οι μεγιστανες της γης οτι εν τη φαρμακεια σου επλανηθησαν παντα τα εθνη

24  και εν αυτη αιμα προφητων και αγιων ευρεθη και παντων των εσφαγμενων επι της γης

 

En geluid van harpspelers en zangers en fluitspelers en bazuinblazers zal geenszins meer in jou worden gehoord; en geen kunstenaar van enige kunst zal geenszins meer in jou gevonden worden; en geluid van een molen zal geenszins meer in jou gehoord worden. En geen lamplicht zal nog langer in jou schijnen; en geen stem van bruidegom en bruid zal nog langer in jou gehoord worden, omdat jouw kooplieden de groten der aarde waren, want door jouw spiritistische praktijk werden alle Heidenvolken op een dwaalspoor gebracht. En in haar werd bloed van profeten en van heiligen gevonden en van allen die op de aarde afgeslacht zijn

 

Met de opsomming van wat allemaal niet meer aangetroffen zal worden in Babylon, worden nog verdere kenmerken voor haar identificatie verschaft. Eeuwenlang werden de schone kunsten vrijwel uitsluitend binnen religie beoefend. Schilders, beeldhouwers, architecten waren bijna per definitie gefocust op religieuze voorstellingen en/of gebouwen.

 

Enorme hoeveelheden geld en mankracht werden aangewend voor de bouw van imposante kloosters, bisschoppelijke paleizen, kathedralen, moskeeën, die door kunstwerkers luisterrijk werden gemaakt met kostbare altaren, panelen, beeldhouwwerk.

Tot op heden komen met veel pracht en praal vorsten, presidenten, hoge politici, kopstukken binnen de Handel en het Geld- en Bankwezen, kortom de groten der aarde, bijeen op huwelijksplechtigheden en/of begrafenissen waar Babylons geestelijken de leiding hebben.

 

Hoe indrukwekkend dat alles ook moge zijn, de feiten der historie kunnen de onreine praktijken van Babylon niet verhullen. Missie/zending, gedwongen ‘bekeringen’ gingen gewoonlijk hand in hand met het kolonialiseren cq overweldigen van volken in bloedige oorlogen. Hun gebieden werden vervolgens niet zelden tot wingewesten gemaakt en eeuwenlang uitgezogen.

 

En wat kregen die mensen ervoor terug op het gebied van godsdienst? Wat de Christenheid betreft werden de bijgelovige leringen en praktijken van demonen - waarin de Heidenen reeds waren gedompeld - niet zelden met slechts een 'christelijk' vernisje overdekt. Er vond niet meer dan een verschuiving binnen Babylonische segmenten plaats. Het bijgeloof bleef.

 

En zoals reeds geconstateerd bij Op 17:5-6a, heeft Babylon met haar mystieke, afgodische praktijken bijgedragen tot een klimaat waarbinnen door mensen onder haar invloed rivieren van bloed zijn vergoten. Daarom wordt zij door God gevonnist. Hij is haar ongerechtigheden niet vergeten; haar zonden hebben zich helemaal tot de hemel opgestapeld (vers 4).

 

Zie ook Js 24:8; Ez 26:13; Jr 25:10; 7:34; 16:9; Js 23:8-9; 47:9; Na 3:4.

 

-.-.-.-

Naar Openbaring 19