Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Openbaring van Jezus Christus

Openbaring van Yeshua Masjiach

 

Hoofdstuk 21

 

21:1-4

21:5-8

21:9-14

21:15-21

21:22-27

 

Enkele uitgangspunten om de Apocalyps te verklaren:

·       Een profetisch Boek toegevoegd aan de boeken van het OT om de Joden van de Eindtijd tot richtsnoer te zijn.

·       De gebeurtenissen voltrekken zich voor een groot gedeelte in de 70ste Jaarweek der Joden, wanneer YHWH Elohim de draad der geschiedenis in verband met zijn uitverkoren volk weer oppakt.

·       De Christelijke Gemeente bevindt zich dan [waarschijnlijk] niet meer op aarde omdat ze bij het begin van de 70ste Week is weggerukt in de 'Opname'.

 

Tekst

 

1  En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde gingen heen, en de zee is niet meer.

2  En de heilige Stad, Nieuw Jeruzalem, zag ik neerdalend uit de hemel vanaf God, toebereid als een bruid, versierd voor haar echtgenoot.

3  En ik hoorde een luide stem vanuit de troon, zeggend: Zie! De Tent van God bij de mensen, en hij zal zijn tent bij hen opslaan en zij zullen zijn volken zijn, en God zelf zal met hen zijn.

4  En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de Dood zal niet meer zijn, noch rouw noch geschreeuw noch pijn zal er meer zijn; de eerste dingen gingen heen.

5  En hij die op de troon is gezeten zei: Zie! Ik maak alle dingen nieuw. Ook zegt hij: Schrijf, want deze woorden zijn betrouwbaar en waarachtig.

6  En hij zei tot mij: Ze zijn geschied! Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Aan de dorstige zal ik vrijelijk geven uit de bron van het water des levens.

7  Hij die overwint zal deze dingen beërven, en ik zal hem tot God zijn en hij zal mij een zoon zijn.

8  Maar wat de lafhartigen betreft en trouwelozen en verdorvenen en moordenaars en hoereerders en spiritisten en afgodendienaren en alle leugenaars, hun deel zal zijn in het meer dat brandt van vuur en zwavel, hetgeen de Tweede dood is.

9  En één uit de zeven engelen die de zeven schalen hebben, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij, zeggend: Kom hier! Ik zal je de Bruid, de Vrouw van het Lam, tonen.

10  En hij voerde mij in geest weg op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de heilige Stad Jeruzalem neerdalend uit de hemel vanaf God,

11  hebbend de heerlijkheid van God. Haar glans gelijk een zeer kostbaar gesteente, als een kristalhelder schijnende jaspissteen;

12  hebbend een grote en hoge muur die twaalf poorten heeft, en op de poorten twaalf engelen; en [daarop] namen geschreven, welke zijn de namen van de twaalf stammen der zonen Israëls.

13  Vanaf het Oosten drie poorten, en vanaf het Noorden drie poorten, en vanaf het Zuiden drie poorten, en vanaf het Westen drie poorten.

14  En de muur van de Stad heeft twaalf fundamenten en daarop twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam.

15  En hij die met mij spreekt hanteerde als maatstaf een gouden rietstok om de Stad en haar poorten en haar muur te meten.

16  En de stad ligt [als een] vierkant, even lang als breed. En hij mat de Stad met de rietstok op twaalfduizend stadiën; haar lengte, breedte en hoogte zijn gelijk. 17  En hij mat haar muur: honderd vier en veertig el, mensenmaat, welke is van een engel.

18  En het bouwmateriaal van haar muur jaspis, en de Stad zuiver goud gelijk zuiver glas.

19  De fundamenten van de muur der Stad versierd met allerlei kostbaar gesteente: het eerste fundament jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragd,

20  het vijfde sardonyx, het zesde kornalijn, het zevende chrysoliet, het achtste beril, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist.

21  En de twaalf poorten twaalf parels; iedere poort afzonderlijk één parel. En de brede straat der Stad zuiver goud, als doorzichtig glas.

22  En een tempelheiligdom zag ik niet in haar, want de Heer God, de Almachtige, is haar tempelheiligdom, en het Lam.

23  En de stad heeft de zon noch de maan nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlichtte haar, en haar lamp het Lam.

24  En de Heidenvolken zullen door haar licht wandelen, en de koningen der aarde zullen hun heerlijkheid in haar brengen.

25  En haar poorten zullen des daags beslist niet gesloten worden, want nacht zal daar niet bestaan.

26  En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de Heidenvolken in haar brengen.

27  Maar alles wat profaan is en hij die iets gruwelijks en leugen beoefent, zal er geenszins binnengaan, slechts zij die geschreven staan in de boekrol des levens van het Lam.      

 

Exegese

 

21:1-4

1   και ειδον ουρανον καινον και γην καινην ο γαρ πρωτος ουρανος και η πρωτη γη απηλθαν και η θαλασσα ουκ εστιν ετι

2   και την πολιν την αγιαν ιερουσαλημ καινην ειδον καταβαινουσαν εκ του ουρανου απο του θεου ητοιμασμενην ως νυμφην κεκοσμημενην τω ανδρι αυτης

3   και ηκουσα φωνης μεγαλης εκ του θρονου λεγουσης ιδου η σκηνη του θεου μετα των ανθρωπων και σκηνωσει μετ αυτων και αυτοι λαοι αυτου εσονται και αυτος ο θεος μετ αυτων εσται [αυτων θεος]

4   και εξαλειψει παν δακρυον εκ των οφθαλμων αυτων και ο θανατος ουκ εσται ετι ουτε πενθος ουτε κραυγη ουτε πονος ουκ εσται ετι [οτι] τα πρωτα απηλθαν

 

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde gingen heen, en de zee is niet meer. En de heilige Stad, Nieuw Jeruzalem, zag ik neerdalend uit de hemel vanaf God, toebereid als een bruid, versierd voor haar echtgenoot. En ik hoorde een luide stem vanuit de troon, zeggend: Zie! De Tent van God bij de mensen, en hij zal zijn tent bij hen opslaan en zij zullen zijn volken zijn, en God zelf zal met hen zijn. En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de Dood zal niet meer zijn, noch rouw noch geschreeuw noch pijn zal er meer zijn; de eerste dingen gingen heen.

 

Met Johannes gaan we terug naar het begin van het Millennium. De oude regeling waarbij de demonen achter de schermen van onzichtbaarheid heersten over de verdorven maatschappij op aarde, is uit het zicht; geheel verdwenen. Het Messiaanse koninkrijk is nog de enige macht, op aarde zichtbaar vertegenwoordigd door het volk der heiligen van het Opperwezen (Dn 2:44-45; 7:13-14, 27).

 

Bij hen zijn de 'schapen' van Mt 25:34 die zich al ten tijde van de Grote Verdrukking bij hen hadden aangesloten, toen zij tot de erkentenis kwamen dat God duidelijk met die joodse heiligen was (Zc 8:23).

 

Veel exegeten zijn de mening toegedaan dat de aangekondigde gebeurtenissen in de hoofdstukken 20, 21 en 22 zich chronologisch precies in de volgorde moeten ontvouwen zoals ze daarin worden beschreven. Men stuit dan op tal van onoplosbare moeilijkheden.
Komt men evenwel tot het inzicht dat er van chronologische volgorde in het geheel geen sprake is, dan wordt alles heel helder en is ook alle problematiek meteen van tafel:

• Zoals aangeven in Op 20:1-3 begint het Millennium met het binden en in de afgrond opsluiten van de Satan.
• Dat het Millenniumrijk van de Masjiach dan een aanvang kan nemen, behoeft geen betoog.
Op 20:4-6 laat ons in verband daarmee zien dat het ook een 1000-jarige oordeelsperiode zal zijn. De rechters worden ons getoond, zij die de Eerste opstanding ervaren. Behalve als rechters zullen zij ook dienen als koningen en priesters.
• De beschrijving van de manier waarop het oordeel tijdens het Millennium zal verlopen volgt in het gedeelte Op 20:11-15.


In het tussenliggende gedeelte 20:7-10 wordt namelijk eerst de 'zaak' van de voor 1000 jaar gekerkerde Satan afgerond. Er wordt een enorme stap gedaan naar het einde van het Millennium alsof de Duivel intussen niet bestond, wat in zeker opzicht ook het geval zal zijn.

De behandeling van het thema oordeel wordt daarmee niet echt onderbroken, want ons wordt bij voorbaat getoond waarom van velen de naam uiteindelijk niet bijgeschreven zal worden in de boekrol des levens: Buiten het feit dat volgens Js 66:22-24 sommigen een vroegtijdig oordeel (ter dood) over zichzelf halen, zullen in de eindtoets velen zich bij de bevrijde Satan aansluiten in opstand tegen Gods regeling.

• In Openbaring 21 waarin we de beschrijving ontvangen van de geliefde Stad, Nieuw Jeruzalem, die van God uit de hemel neerdaalt, keren we opnieuw terug naar het begin van het Millennium, precies zoals in Op 20:11 al eerder het geval was.
In hoofdstuk 21 wordt ons getoond hoe het Millenniumrijk van de Masjiach in elkaar steekt. Zoals binnen Israël destijds Sion voor de natie het centrum was van zowel aanbidding als koninklijke heerschappij, zal Nieuw Jeruzalem die rol vervullen in het Millennium.

Tenslotte gaan we in Openbaring 22 opnieuw terug naar het begin van de 1000 jaar. Want in dat laatste hoofdstuk wordt ons weer een ander aspect van het Millenniumrijk getoond, namelijk de enige grondslag waarop de opgewekte mensheid [de kleinen en de groten van Op 20:12] na de opstanding blijvend leven binnen het Messiasrijk kunnen verkrijgen: drinken van het levenswater, d.i. gelovig de levengevende voorzieningen aanvaarden die door de offerdood van de Masjiach beschikbaar kwamen.

Bijgevolg kan het Bruiloftsfeest van het Lam met grote vreugde door alle volken gevierd worden.

Aldus bezien wordt het 'totaalplaatje' zowel eenvoudig als schitterend.

Deze nieuwe aardse maatschappij is van meet af aan stabiel; de rusteloze, opstandige mensenzee is met de eeuwige afsnijding van de 'bokken' verleden tijd (Mt 25:33, 41, 46).

 

Op grond van zulke OT profetieën als Js 65:17-19; 66:22, verwachtte de apostel Petrus reeds zo’n geheel nieuwe situatie nadat het oude, slechte wereldsysteem vernietigd zou zijn:

 

Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont (2Pt 3:7, 12-13).

 

In het vorige hoofdstuk is het verloop van het Millennium geschetst vanuit het gezichtspunt van opstanding en oordeel. Daaruit hebben we kunnen afleiden dat er tijdens de 1000 jaar een omvangrijk opvoedkundig programma werkzaam zal zijn, zodat de overigen der doden vertrouwd raken met Gods rechtvaardige beginselen en een rechtvaardig levenspatroon kunnen gaan volgen.

 

Vergelijk Js 42:1-4; 2:3-4; Ps 85:8-13 (9-14); Lk 2:29-32.

 

Nu wordt de 1000 jaar vanuit een andere visie benaderd, de periode waarin het Bruiloftsfeest, al aangekondigd in Op 19:5-8, wordt gevierd. Gelet op de vreugdevolle kenmerken van die gebeurtenis – geen tranen, dood, pijn, geschreeuw [van verdriet] – moeten we blijkbaar denken aan de vervulling van Js 25:6-9, waar wordt voorzegd dat op de 'Berg' van Gods koninkrijk een feestmaal voor alle volken wordt aangerecht:

 

YHWH van de legerscharen recht op deze berg voor alle volken een feestmaal aan met uitgelezen gerechten, een feestmaal met belegen wijnen, verrukkelijke, uitgelezen gerechten, belegen, gelouterde wijnen.

Op deze berg verscheurt Hij de sluier die over alle volken ligt, de floers die alle naties bedekt. YHWH de Heer vernietigt de dood voor altijd, Hij veegt de tranen van alle gezichten, op heel de aarde wist Hij de smaad van zijn volk uit: YHWH heeft het gezegd!

Op die dag zal men zeggen: Dat is onze God. Wij hoopten op Hem en Hij heeft ons gered. Dat is YHWH, op wie wij hoopten; laat ons blij zijn en juichen om de redding die Hij heeft gebracht (wv78).

 

Daarom zien we de Bruid nu haar intrede doen. Ze komt bij God vandaan uit de hemel, wat laat zien dat ze daar al verbleef; de 'Opname' heeft dus al eerder plaats gevonden. Zie het commentaar bij Op 4:1 en Op 4:4.

Ze is geheel toebereid om in het Millennium haar taak aan de zijde van haar Echtgenoot, het Lam Yeshua Masjiach, te vervullen. Als degene die, naast een Vredevorst, ook een Eeuwige Vader is, zal hij de verbintenis vruchtbaar maken (Js 9:5).

 

Voor de Vrouw van het Lam is de taak weggelegd om zijn aardse kinderen tot de volwassen staat te leiden. De apostel Paulus liet al in Rm 8:19-22 weten dat de kreunende en zuchtende schepping al sinds de zondeval reikhalzend naar die situatie uitziet: 

 

Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping werd aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door Hem, die haar [daaraan] onderwierp, op [basis van] hoop dat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de verderfelijkheid bevrijd zal worden tot de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods. Want wij weten dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood verkeert tot nu toe.

 

De Bruid wordt geïdentificeerd als de heilige Stad, Nieuw Jeruzalem. Haar bruidstooi of versiering heeft alles met die Stad te maken; het grootste deel van dit hoofdstuk, de vv 9-27, zal door Johannes benut worden om die rijke tooi gedetailleerd te beschrijven.  

 

Uit Op 20:7-10 hebben we begrepen dat deze uit de hemel neerdalende Geliefde Stad het middelpunt zal vormen van het kamp der heiligen, vergelijkbaar met Israëls legering rondom de Tabernakel in de wildernis.

Van hun God YHWH kreeg Israël toen de verzekering:

 

En Ik zal mijn Tabernakel in uw midden zetten, en Ik zal geen afkeer van u hebben, maar Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn.

(Lv 26:11-12)

 

 

Een soortgelijke verzekering wordt hier gegeven met betrekking tot Nieuw Jeruzalem die ook als de Tabernakel van God wordt geïdentificeerd. Door die Tent of Tabernakel zal God zelf bij de mensen verblijven; bijgevolg erkent Hij hen als zijn volken.

Dit vormt opnieuw een aanwijzing dat de 12 stammen – die in de buitenste ring van het kamp gelegerd waren - in die setting de mensen der natiën afbeeldden.

Zie het commentaar bij Op 20:7-10.

 

Waarschijnlijk komt dat eveneens tot uitdrukking in nog een andere setting: De procedure die jaarlijks op de Verzoendag werd gevolgd volgens Leviticus hoofdstuk 16. Het zondeoffer van de stier, en naderhand het zondeoffer van de bok, waarvan het bloed binnen het Heiligdom moest worden gebracht, dienden tot verzoening  voor Aärons eigen huis (de binnenste ring), respectievelijk voor de overige 12 stammen (gelegerd in de buitenste ring).

In het tegenbeeld komt de kracht van Yeshua’s ene offer daarom eerst ten goede aan het Israël Gods, de koninklijke priesterschap, en naderhand ook aan de overigen der doden (Lv 16:6, 11, 14-15).

 

Dat de Tent- of Tabernakelregeling tot aan het einde van het Millennium het middelpunt van het 'kamp' zal zijn, benadrukt krachtig dat niemand van de overigen der doden blijvend leven zal verkrijgen buiten het offer om, in Op 22:1-2 voorgesteld als de rivier van water des levens.

In het opleidingsprogramma van het Millennium (zie bij Op 20:11-15) zal dat daarom een uiterst belangrijk leerpunt zijn. Beginselen zoals vermeld in Jh 3:16 en 36 zullen hun inhoudelijke kracht niet verloren hebben:

 

Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon gaf, opdat een ieder die in hem gelooft, niet vernietigd wordt, maar eeuwig leven heeft…Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de gramschap Gods blijft op hem.

 

Oók Ezechiël heeft deze Tabernakelregeling voor het Millennium aangekondigd:

 

Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn. Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden plaatsen. Mijn Tabernakel zal over hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen mij tot een volk zijn. En de Heidenen zullen weten, dat ik, YHWH, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden staat.

(Ez 37:26-28)

 

Later, in de hoofdstukken 40 t/m 48 zal Ezechiël die regeling zeer uitvoerig in visionaire termen beschrijven als een Tempelstad, gelijkend op Johannes’ schildering van Nieuw Jeruzalem. Opvallend is dat Ezechiël zijn verslag besluit met de vermelding: En de naam der stad is voortaan: YHWH is aldaar (Ez 48:35).

 

21:5-8 

5   και ειπεν ο καθημενος επι τω θρονω ιδου καινα ποιω παντα και λεγει γραψον οτι ουτοι οι λογοι πιστοι και αληθινοι εισιν

6   και ειπεν μοι γεγοναν εγω [ειμι] το αλφα και το ω η αρχη και το τελος εγω τω διψωντι δωσω εκ της πηγης του υδατος της ζωης δωρεαν

7   ο νικων κληρονομησει ταυτα και εσομαι αυτω θεος και αυτος εσται μοι υιος

8   τοις δε δειλοις και απιστοις και εβδελυγμενοις και φονευσιν και πορνοις και φαρμακοις και ειδωλολατραις και πασιν τοις ψευδεσιν το μερος αυτων εν τη λιμνη τη καιομενη πυρι και θειω ο εστιν ο θανατος ο δευτερος

 

En hij die op de troon is gezeten zei: Zie! Ik maak alle dingen nieuw. Ook zegt hij: Schrijf, want deze woorden zijn betrouwbaar en waarachtig. En hij zei tot mij: Ze zijn geschied! Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Aan de dorstige zal ik vrijelijk geven uit de bron van het water des levens. Hij die overwint zal deze dingen beërven, en ik zal hem tot God zijn en hij zal mij een zoon zijn. Maar wat de lafhartigen betreft en trouwelozen en verdorvenen en moordenaars en hoereerders en spiritisten en afgodendienaren en alle leugenaars, hun deel zal zijn in het meer dat brandt van vuur en zwavel, hetgeen de Tweede dood is

 

Er wordt een betekenisvol intermezzo ingelast, vergelijkbaar met Op 17:7; een moment voor reflectie, speciaal voor de Joden die de 70ste Week beleven.

Vergelijk ook Op 1:1-3.

De beschrijving van de tooi der Bruid, dat wil zeggen de bijzonderheden van Nieuw Jeruzalem en de betekenis daarvan voor de Heidenvolken, zal vanaf vers 9 hervat worden.

 

De Joden van de Eindtijd moeten zich een aantal zaken goed realiseren. YHWH Elohim spreekt zelf. Hij brengt door Yeshua, hun Masjiach, een geheel nieuw stelsel tot bestaan. Het is immers de tijd van wedergeboorte, van herschepping. De tijd voor het herstel van alle dingen is aangebroken waarin hij opnieuw tot de zijnen wordt gezonden (Mt 19:28; Hn 3:20-21; Jh 1:11).

Zullen zij deel hebben aan de nieuwe schepping? Bedacht moet worden dat alles wat God daarover heeft toegezegd, volkomen betrouwbaar is. In zijn beleving is het beloofde zelfs al werkelijkheid geworden, zo zeker is hij van zijn zaak: Ze zijn geschied! 

 

Zijn eeuwige voornemen dat hij opvatte in zijn Messiaanse Zoon, is eigenlijk al zo goed als verwezenlijkt (Ef 3:11). Hij is de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde; alles wat daartussen zit komt van hem en wordt met succes voltooid.

Aan degene die dorst naar waarheid en gerechtigheid, en vooral naar het leven zelf, zal hij zonder enige verdienste van diens kant de voordelen doen toekomen van Yeshua’s offer, voorgesteld door het vrijelijk drinken van het water des levens (Js 55:1-3).

 

Met allen die in geloof overwinnen, herstelt hij de Vader/zoon verhouding.

Dus niet langer Lo-Ammi [Niet-Mijn volk], maar zonen van de levende God (Hs 1:6-10). Blijven zij echter verstokt in hun verharding, door in ongeloof de voorkeur te geven aan het volgen en dienen van het Beest, de Pseudomessias, laf om het merkteken te weigeren en bereid om deelgenoten te worden van de walgelijke, leugenachtige, onreine praktijken die met het dienen der demonen vergezeld gaan, dan wacht hen slechts ondergang, d.i. de Tweede dood in het symbolische meer dat van vuur en zwavel brandt. Zij zullen Nieuw Jeruzalem niet binnengaan door haar poorten, zoals hierna aan de orde komt. Zie ook Op 22:14.

 

21:9-14 

9   και ηλθεν εις εκ των επτα αγγελων των εχοντων τας επτα φιαλας των γεμοντων των επτα πληγων των εσχατων και ελαλησεν μετ εμου λεγων δευρο δειξω σοι την νυμφην την γυναικα του αρνιου

10  και απηνεγκεν με εν πνευματι επι ορος μεγα και υψηλον και εδειξεν μοι την πολιν την αγιαν ιερουσαλημ καταβαινουσαν εκ του ουρανου απο του θεου

11  εχουσαν την δοξαν του θεου ο φωστηρ αυτης ομοιος λιθω τιμιωτατω ως λιθω ιασπιδι κρυσταλλιζοντι

12  εχουσα τειχος μεγα και υψηλον εχουσα πυλωνας δωδεκα και επι τοις πυλωσιν αγγελους δωδεκα και ονοματα επιγεγραμμενα α εστιν [τα ονοματα] των δωδεκα φυλων υιων ισραηλ

13  απο ανατολης πυλωνες τρεις και απο βορρα πυλωνες τρεις και απο νοτου πυλωνες τρεις και απο δυσμων πυλωνες τρεις

14  και το τειχος της πολεως εχων θεμελιους δωδεκα και επ αυτων δωδεκα ονοματα των δωδεκα αποστολων του αρνιου

 

En één uit de Zeven engelen die de Zeven schalen hebben, vol van de Zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij, zeggend: Kom hier! Ik zal je de Bruid, de Vrouw van het Lam, tonen. En hij voerde mij in geest weg op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de heilige Stad Jeruzalem, neerdalend uit de hemel vanaf God, hebbend de heerlijkheid van God. Haar glans gelijk een zeer kostbaar gesteente, als een kristalhelder schijnende jaspissteen; hebbend een grote en hoge muur die twaalf poorten heeft, en op de poorten twaalf engelen; en [daarop] namen geschreven, welke zijn de namen van de twaalf stammen der zonen Israëls. Vanaf het Oosten drie poorten, en vanaf het Noorden drie poorten, en vanaf het Zuiden drie poorten, en vanaf het Westen drie poorten. En de muur van de Stad heeft twaalf fundamenten en daarop twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam.

 

Wat een contrast! In Op 17:1 werd Johannes door één der zeven engelen die de zeven schalen hebben uitgenodigd om van nabij het oordeel gade te slaan over de Grote Hoer, de onreine Vrouw Babylon. Nu wordt hem door een andere engel van die groep de Bruid, de Vrouw van het Lam, getoond, een Vrouw die de heerlijkheid van God zelf bezit!

 

Ze komt dan ook uit de onmiddellijke tegenwoordigheid van God, wat benadrukt wordt door haar glans. Die is gelijk een zeer kostbaar gesteente, als een kristalhelder schijnende jaspissteen.

Maar toen Johannes de heerlijkheid en de serene rust rondom de troon van God beschreef, maakte hij eveneens melding van een kostbare jaspissteen: En Hij die op de troon is gezeten van aanzien gelijk een jaspis- en  sardissteen (Op 4:3).

 

Dit laat nogmaals uitkomen dat de Vrouw van het Lam overeenkomt met de 24 Oudsten die zich in de onmiddellijke nabijheid van God bevinden (Op 4:4).

Zowel in Op 4:3 als hier is de kostbare jaspis zinnebeeldig voor de majesteit en heerlijkheid van God. Johannes wordt daarom ook niet in geest naar een wildernis gevoerd. Hij wordt in geest omhoog gebracht en op een grote en verheven Berg geplaatst, vergelijkbaar met Ezechiël die in visioenen van God werd overgebracht naar het land Israël en neergezet op een zeer hoge Berg, waarop iets was gelijk de bouw van een Stad (Ez 40:1-4; Js 2:2-3).

 

In feite krijgt Johannes ook een Stad te zien, want de Bruid, de Vrouw van het Lam, vormt de heilige Stad, Nieuw Jeruzalem.

Ezechiël en Johannes geven daarom beide een beschrijving van Nieuw Jeruzalem, de heilige Tempelstad, maar Ezechiël kennelijk vanuit de aardse visie en Johannes vanuit het hemelse gezichtspunt.

 

Voor een uitgebreide verhandeling van de wederkerige relatie die zal bestaan tussen Jeruzalem-hemels en Jeruzalem-aards, zie de Studie

Jeruzalem en het Koninkrijk Gods

 

De wederkerigheid tussen Jeruzalem-hemels en Jeruzalem-aards wordt ook hier duidelijk: De Stad heeft 12 fundamenten, vertegenwoordigend de 12 apostelen.

Zoals de apostel Paulus al in Ef 2:20 liet weten is de christelijke Gemeente opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Masjiach Yeshua zelf hoeksteen is.

Abraham verwachtte die Stad: de Stad die de fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is (Hb 11:10, 16).

 

De Gemeente kan haar oorsprong ook op de apostelen terugvoeren wat betreft de leer. Met betrekking tot zijn getrouwe apostelen bad Yeshua op de vooravond van zijn dood tot zijn Vader:

 

Niet alleen betreffende dezen doe ik een verzoek, maar ook betreffende hen die door hun woord geloof in mij stellen, opdat zij allen één mogen zijn.

(Jh 17:20-21)

 

Maar in de muur van de Stad bevinden zich 12 poorten met daarop de namen van de 12 stammen. Van oorsprong is de Stad hemels, bestaande uit de verheerlijkte Christelijke Gemeente, de gemalin van het Lam Yeshua, maar op aarde hebben de 144000 van de Joodse Gemeente toegang tot de Stad (Op 22:14).

 

De poorten bevinden zich binnen een grote en hoge muur…en op de poorten 12 engelen. In het verleden was een stad pas veilig wanneer ze omringd was door een hoge en solide muur. Aangezien de daarin noodzakelijk aan te brengen poorten de veiligheid van de stad verzwakten, moesten die poorten dag en nacht bewaakt worden.

Vergelijk Js 62:1-6.

 

Het idee hier schijnt te zijn dat niemand in Nieuw Jeruzalem wordt toegelaten die daar niet thuishoort, opdat de heiligheid van de Stad niet wordt bezoedeld (vers 27).

Vergelijk ook Gn 3:24; Jl 3:17; Zc 14:21; Ez 44:9.

Alleen de leden van het Israël Gods hebben toegang tot de Stad (Op 22:14-16); ze is daardoor geestelijk veilig.  

 

Oók in Ez 48:30-34 heeft de Stad naar elke windstreek 3 poorten, maar daar dragen de poorten de namen van Jakobs 12 zonen [niet van de stammen] die bovendien elk afzonderlijk worden vermeld.

In het verleden werd het recht beoefend in de poorten. Dat de Stad aan alle kanten poorten heeft symboliseert dan ook de toegankelijkheid tot het recht in het Millennium.

Vanaf (4x expliciet genoemd) alle windrichtingen zal de Stad voor de Heidenvolken gemakkelijk benaderbaar zijn.

 

Vergelijk: Dt 16:18; 21:19; 22:15; 25:7; Rt 4:1.

 

21:15-21 

15  και ο λαλων μετ εμου ειχεν μετρον καλαμον χρυσουν ινα μετρηση την πολιν και τους πυλωνας αυτης και το τειχος αυτης

16  και η πολις τετραγωνος κειται και το μηκος αυτης οσον [και] το πλατος και εμετρησεν την πολιν τω καλαμω επι σταδιων δωδεκα χιλιαδων το μηκος και το πλατος και το υψος αυτης ισα εστιν

17  και εμετρησεν το τειχος αυτης εκατον τεσσερακοντα τεσσαρων πηχων μετρον ανθρωπου ο εστιν αγγελου

18  και η ενδωμησις του τειχους αυτης ιασπις και η πολις χρυσιον καθαρον ομοιον υαλω καθαρω

19  οι θεμελιοι του τειχους της πολεως παντι λιθω τιμιω κεκοσμημενοι ο θεμελιος ο πρωτος ιασπις ο δευτερος σαπφιρος ο τριτος χαλκηδων ο τεταρτος σμαραγδος

20  ο πεμπτος σαρδονυξ ο εκτος σαρδιον ο εβδομος χρυσολιθος ο ογδοος βηρυλλος ο ενατος τοπαζιον ο δεκατος χρυσοπρασος ο ενδεκατος υακινθος ο δωδεκατος αμεθυστος

21  και οι δωδεκα πυλωνες δωδεκα μαργαριται ανα εις εκαστος των πυλωνων ην εξ ενος μαργαριτου και η πλατεια της πολεως χρυσιον καθαρον ως υαλος διαυγης

 

En hij die met mij spreekt hanteerde als maatstaf een gouden rietstok om de Stad en haar poorten en haar muur te meten. En de stad ligt [als een] vierkant, even lang als breed. En hij mat de Stad met de rietstok op twaalfduizend stadiën; haar lengte, breedte en hoogte zijn gelijk. En hij mat haar muur: honderd vier en veertig el, mensenmaat, welke is van een engel. En het bouwmateriaal van haar muur jaspis, en de Stad zuiver goud gelijk zuiver glas. De fundamenten van de muur der Stad versierd met allerlei kostbaar gesteente: het eerste fundament jaspis, het tweede saffier,  het derde chalcedon, het vierde smaragd, het vijfde sardonyx, het zesde kornalijn, het zevende chrysoliet, het achtste beril, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist. En de twaalf poorten twaalf parels; iedere poort afzonderlijk één parel. En de brede straat der Stad zuiver goud, als doorzichtig glas.

 

 

Hij die met Johannes spreekt - blijkbaar nog steeds één der zeven engelen die de zeven schalen hebben - is ook in het bezit van een gouden meetriet om de Stad in haar onderdelen te meten. Zo zag ook Ezechiël in de poort van het visionaire Jeruzalem een man die eruitzag alsof hij van brons was; deze man had een linnen koord en een meetstok in zijn hand (Ez 40:3).

 

Wat is de zin van het meten? Het doel lijkt te zijn om vast te stellen of de Stad de juiste bouwkundige proporties heeft. Anders gezegd: God wil vastgesteld zien, of bevestigd krijgen, dat de eindsituatie geheel aan zijn raadsbesluiten beantwoordt. Het meten moet de vraag beantwoorden:

 

In welke toestand verkeert dat wat door God is voortgebracht; beantwoordt het aan de door hem beoogde maatstaf? Bezit het de juiste geestelijke dimensies?

 

Om die reden moest in Op 11:2 het Voorhof buiten de naos (nog) niet gemeten worden. Dat aardse deel van Nieuw Jeruzalem, de heilige Stad, verkeerde aan het begin van de Jaarweek, en zelfs ook op de helft daarvan, nog niet in de door God beoogde eindsituatie.

Zie het commentaar bij Op 11:1-2.

In Zc 2:1-5 (nbg) wordt eveneens getoond dat meten soms (nog) niet aan de orde is.

 

Het resultaat van het meten hier is tot volkomen tevredenheid, wat blijkt uit het geregeld terugkerende getal 12.

De Stad heeft 12 fundamenten; de muur heeft 12 poorten; de muur zelf is 144 [= 12 x 12] el; de lengte, breedte en hoogte der Stad is 12000 stadiën.

Dat alles wijst op perfecte regeling. Er is niets onregelmatigs betreffende deze Stad vast te stellen; alles is in volkomen harmonie met Gods bouwplan; naar getal en maat even nauwkeurig geordend en gerangschikt als de gehele natuurlijke schepping.

Een en ander houdt in dat Nieuw Jeruzalem gereed is om binnen het tegenbeeldige Jubeljaar van 1000 jaar haar beoogde taak te volbrengen:

 

Gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een Jubeljaar zal het voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezitting en tot zijn familie terugkeren. Een Jubeljaar zal dat vijftigste jaar voor u worden…Het zal u een Jubeljaar zijn, heilig zal het u zijn…In dit Jubeljaar zal ieder van u tot zijn bezitting terugkeren.

(Lv 25:10-13)

 

Vergelijk: Rm 8:19-22 met commentaar.

 

Vandaar ook dat YHWH deze Stad Gods zal helpen wanneer de morgen van het Millennium aanbreekt: 

 

Een rivier; haar stromen verheugen de Stad Gods, de hoogheilige, grootse Tabernakel van de Allerhoogste. God is in haar midden, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen. De Heidenvolken woedden, koninkrijken wankelden, Hij verhief zijn stem, de aarde versmolt. YHWH der legerscharen is met ons, een burcht is ons de God van Jakob.

(Ps 46:4-7)

 

Dat bij het meten van de muur wordt geconstateerd dat de 144 el mensenmaat [is] welke is van een engel, laat opnieuw uitkomen dat de Stad zowel aardse als hemelse dimensies heeft.

De Stad zelf ligt als een vierkant, dat wil zeggen in de richting van de vier hoeken der aarde. Ze blijkt een kubus te zijn, een verwijzing naar het kubusvormige Allerheiligste van de door Salomo gebouwde tempel:

 

De achterzaal [het eigenlijke Heiligdom] nu was twintig el lang, twintig el breed en twintig el hoog, en hij overtrok die met gedegen goud (1Kn 6:20).

 

Johannes kan geen beelden genoeg vinden om de heerlijkheid van de Stad te schilderen, gebouwd als ze is van edelgesteente en zuiver goud, fonkelend als kristal. Dit laat kennelijk zien dat allen die er deel van uit maken gereinigde en gelouterde personen zullen zijn, volkomen zuiver.

Hoewel dit eerst in de wedergeboorte verwezenlijkt zal worden, wekt het bij de leden van het ware Israël Gods een natuurlijk verlangen om aan die heiligheid en zuiverheid te beantwoorden:

 

Geliefden, nu zijn wij kinderen van God en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten dat, wanneer het geopenbaard wordt, wij hem gelijk zullen zijn; want wij zullen hem zien zoals hij is. En een ieder die deze hoop op hem heeft, zuivert zich evenals die zuiver is (1Jh 3:2-3). 

 

Uit Jesaja hoofdstuk 54 blijkt dat de heerlijkheid van Jerzualem-hemels weerspiegeld zal worden in Jeruzalem-aards.

Daar wordt namelijk het herstel van Israël, de onvruchtbare, diepbedroefde Vrouw, die door haar echtgenoot YHWH een tijd lang aan zichzelf is overgelaten, profetisch geschilderd in bewoordingen die overeenkomen met de beschrijving van Nieuw Jeruzalem in al haar heerlijkheid:

 

Jubel het uit, gij onvruchtbare, die nooit hebt gebaard, breek uit in jubel en juich, die geen weeën hebt gekend, want talrijker zijn de zonen van de verlaten vrouw, dan van haar, die een man heeft, zegt YHWH…De beschaming van uw jeugd zult gij vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet langer denken. Want Hij die u gemaakt heeft is uw man, YHWH van de machten is zijn naam, en uw Verlosser is de Heilige van Israël, die de God van heel de aarde heet. Want gij waart een verstoten en zielsbedroefde vrouw toen YHWH u riep…Een kort ogenblik heb Ik u in de steek gelaten, maar met groot erbarmen breng Ik u weer bijeen. In een stortvloed van toorn heb Ik een ogenblik mijn gezicht voor u verborgen; maar met eeuwige trouw erbarm Ik Mij over u, zegt uw Verlosser, YHWH Ik leg uw stenen op kleurrijke mortel, en uw grondvesten op saffier; Ik maak uw transen van robijn, uw poorten van karbonkelsteen, en geheel uw ringmuur van kostbaar gesteente.

(Js 54:1-12, wv78).

 

De beschrijving van de versiering met allerlei kostbaar gesteente van de 12 fundamenten van de Stad, is zo uitvoerig dat er wel een diepere zin achter schuil moet gaan. Welke? Er lijkt gezinspeeld te worden op het speciale borststuk van de hogepriester dat vier rijen van telkens drie edelstenen bevatte, ongeveer overeenkomend met de hier genoemde 12 edelgesteenten. Het werd het borststuk van de rechtspraak genoemd en was door gouden kettinkjes verbonden met de efod (Ex 28:15-22).

 

Om die reden lijkt de versiering van de 12 fundamenten te wijzen op de priesterlijke en rechterlijke functies die door de leden van Nieuw Jeruzalem vervuld zullen worden.

 

Dat de 12 poorten elk afzonderlijk uit één parel bestaan, is moeilijk te verklaren.

Zoals bekend wordt een parel gevormd wanneer een uiterst kleine zandkorrel de schelp van een oester binnendringt. De irritatie die dit bij de oester teweegbrengt leidt er toe dat hij week, glanzend parelmoer afscheidt om daarmee de irritante korrel te omhullen, en die weke, kalkachtige substantie verhardt zich tot een prachtige, stralende parel.

 

In Op 22:14 zal duidelijk worden dat zij die hun gewaden hebben gewassen in het bloed van het Lam, gemachtigd zijn de Stad binnen te gaan door haar poorten en zich naar het geboomte des levens te begeven. Dat elke poort afzonderlijk een parel is, wijst daarom wellicht op Yeshua Masjiach, maar dan speciaal op de irritatie en pijn die het brengen van het offer van zijn leven voor hem betekende.

Aldus bezien zouden de poorten het besef aan Yeshua’s verzoenend offer levend houden, speciaal bij de rond de Stad 'gelegerde' Heidenvolken. Vergelijk Mt 13:45-46.

 

21:22-27 

22  και ναον ουκ ειδον εν αυτη ο γαρ κυριος ο θεος ο παντοκρατωρ ναος αυτης εστιν και το αρνιον

23  και η πολις ου χρειαν εχει του ηλιου ουδε της σεληνης ινα φαινωσιν αυτη η γαρ δοξα του θεου εφωτισεν αυτην και ο λυχνος αυτης το αρνιον

24  και περιπατησουσιν τα εθνη δια του φωτος αυτης και οι βασιλεις της γης φερουσιν την δοξαν αυτων εις αυτην

25  και οι πυλωνες αυτης ου μη κλεισθωσιν ημερας νυξ γαρ ουκ εσται εκει

26  και οισουσιν την δοξαν και την τιμην των εθνων εις αυτην

27  και ου μη εισελθη εις αυτην παν κοινον και [ο] ποιων βδελυγμα και ψευδος ει μη οι γεγραμμενοι εν τω βιβλιω της ζωης του αρνιου

 

En een Tempelheiligdom zag ik niet in haar, want de Heer God, de Almachtige, is haar Tempelheiligdom, en het Lam. En de stad heeft de zon noch de maan nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlichtte haar, en haar lamp het Lam. En de Heidenvolken zullen door haar licht wandelen, en de koningen der aarde zullen hun heerlijkheid in haar brengen. En haar poorten zullen des daags beslist niet gesloten worden, want nacht zal daar niet bestaan. En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de Heidenvolken in haar brengen. Maar alles wat profaan is en hij die iets gruwelijks en leugen beoefent, zal er geenszins binnengaan, slechts zij die geschreven staan in de Boekrol des levens van het Lam

 

Uit de voorafgaande beschrijving hebben we al begrepen dat de Stad zelf een heiligdom is, overeenkomend met het kubusvormige Allerheiligste van Salomo’s tempel. En omdat die achterste afdeling de hemel afbeeldt waar God zelf verblijf houdt, zag Johannes uiteraard geen tempel in haar.

In deze Tempelstad dient Yeshua Masjiach als Hogepriester. Dat hij in dit stadium nog steeds wordt aangeduid als het Lam, benadrukt dat de tempeldienst voor het Millennium vooral het toedienen van de levengevende effecten van Yeshua’s slachtoffer zal inhouden.

 

Doordat het Israël Gods in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God en het Lam verkeert, genieten zij volop geestelijke verlichting, welke door tussenkomst van die koninklijke priesterschap ook op de Heidenen afstraalt. Alles wat door die priesterschap onder leiding van de hemel tot stand wordt gebracht, brengt verdere heerlijkheid aan de Stad, en vooral eer aan God.

 

In een stad die door Gods heerlijkheid wordt verlicht, kan het vanzelfsprekend nooit nacht zijn. In Jesaja 60 is al lang geleden profetisch aangegeven hoe Jeruzalem-aards de nieuwe situatie waarin zij tot zegen voor de Heidenvolken zal worden - die zich op hun beurt aan haar dienstbaar zullen maken - zal ervaren:

 

Buitenlanders zullen je muren opbouwen; hun eigen koningen staan jou ten dienste. In mijn verontwaardiging heb ik je geslagen, maar in mijn welbehagen zal ik je barmhartig zijn. En je poorten zullen steeds openstaan; noch bij dag noch bij nacht worden ze nog gesloten, om tot jou het vermogen der Heidenvolken te laten komen en hun koningen zullen hen begeleiden. Want elke natie en elk koninkrijk die jou weigeren te dienen, zullen vergaan; al die Heidenvolken zullen volledig worden verdelgd.

 

Tot jou zal de heerlijkheid van de Libanon komen, cipres, plataan en spar tezamen, om de plaats van mijn Heiligdom luister bij te zetten; en de plaats van mijn voeten [de aarde] zal ik heerlijk maken. En neergebogen gaan ze naar jou op weg, de zonen van je verdrukkers; en al wie jou verachtten, buigen zich aan jouw voetzolen neer; en zij zullen je noemen: de stad van YHWH, Sion van de Heilige Israëls.

 

In plaats dat je een verlatene bent, een gehate, zonder dat iemand te hulp komt, stel ik jou tot een trots voor eeuwig, een verrukking voor geslacht na geslacht. En jij zult de melk der Heidenvolken opzuigen; aan de borst van koningen mag je zuigen; en je zult weten dat ik, YHWH, je redder ben, je Terugkoper, de Machtige van Jakob.

 

In plaats van koper breng ik goud binnen, in plaats van ijzer breng ik zilver, en in plaats van hout, koper, in plaats van stenen, ijzer. Tot uw overheid zal ik Vrede aanstellen, tot uw bestuurders Gerechtigheid. Van geweld zal niet meer worden gehoord in je land, noch van verwoesting en verbrijzeling binnen je grenzen. Je muren zal je Redding noemen, en je poorten Lof.

 

Voor jou zal de zon niet meer een licht zijn des daags, de glans van de maan hoeft je geen licht meer te geven. YHWH zal voor jou een eeuwigdurend licht zijn, je God je luister. Je zon zal niet meer ondergaan, noch je maan afnemen; want YHWH zal jou tot een eeuwigdurend licht worden, en de dagen van je rouw zullen voorbij zijn.

 

Je volk, allen zullen zij rechtvaardig zijn; voor eeuwig zullen zij het land in bezit houden, de spruit van mijn planting, maaksel van mijn handen, bestemd voor mijn luister. De kleinste zal tot duizend worden, de geringste tot een machtig volk. Ikzelf, YHWH, zal het snel volvoeren wanneer de tijd is gekomen.

(Js 60:10-22).

 

De reden waarom in het Millennium de Heidenvolken onweerstaanbaar tot het Nieuwe Jeruzalem worden getrokken, wordt hier aangegeven: Vanwege de heerlijkheid van God die over de Stad zichtbaar zal zijn. De verachting die men voorheen wellicht onder de Heidenen voor Israël koesterde, zal omslaan in bewondering; Sion is duidelijk de Stad van YHWH, de Heilige van Israël.

In erkenning dat de Stad namens God in een Bestuursorgaan voorziet, zijn de gewilligen gaarne bereid om alles wat hun waardevol is, in dienst van de Stad te stellen.

 

Nogmaals (zie vers 8) wordt het heilige karakter van de Stad benadrukt: Niets profaans, d.i. alles wat in het verleden Heidens of tegen de Joodse Wet was, mag binnen de Stad komen, noch hij die iets gruwelijks [in verband met afgoderij] en de leugen [onware aanbidding] beoefent:

 

Waak op, waak op, bekleed je met sterkte, Sion; bekleed je met je pronkgewaden, Jeruzalem, heilige stad. Want geen onbesnedene of onreine zal meer in jou komen.

(Js 52:1)

 

De enigen die toegang hebben tot de heilige Stad zijn de leden van geestelijk Israël, zij die door God voor deze bestemming werden voorbeschikt. Hun namen staan geschreven in de boekrol des levens van het Lam.

 

Zie Op 3:5, 13:8 en 17:8.

 

In Op 20:11-15 werd ook melding gemaakt van de boekrol des levens, maar daar in verband met het algemene oordeel van de 1000 jaar.

Op die duizendjarige ‘Dag’ zullen de opgewekten uit de Heidenvolken de gelegenheid ontvangen om, door het verrichten van getrouwe daden, een gunstig oordeel te ontvangen. Wanneer zij daarbij tevens steunen op de verdiensten van het Lam, Gods Zoon, zal een en ander ook voor hén tot eeuwig leven leiden. Hun namen zullen bijgevolg eveneens worden bijgeschreven in de boekrol des levens.

 

-.-.-.-

Naar Openbaring 22