Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Staat Israël in gevaar

De Staat Israël in gevaar?

Voor ‘smal’ lezen, klik hier

 

Inleiding

Lo Ammi en Lo-Ruchama

Een nieuw Huwelijksverbond

De Jaarwekenprofetie

De Hielwond

De koninklijke Steen

De 70ste Week

Het Israël Gods

De tarwe en het onkruid

De godvruchtige naamlozen

   1. Mariam, de ‘draagmoeder’

   2. De Herders

   3. Simeon

   4. Anna 

   5. Zijn Ouders

De goddelijke Bibliotheek

Hebreeën – Details

a.    De nieuwe Priesterschap

   b.  De superioriteit van de Zoon

   c.  De consequenties van afwijzing

        c1  Afdrijven

        c2  Gods Rust missen

        c3  Berouw niet meer mogelijk

Het joodse erfdeel

De wederkerigheid tussen de twee Jeruzalems

De demonische Gog - Magog

Samenvatting

 

Inleiding

 

In een artikel van het blad ARUTZ SHEVA uitte Mordechai Kedar op 4 december 2014 zijn grote bezorgdheid voor het voortbestaan van de Staat Israël: 


What began in Oslo as "Gaza and Jericho first" today threatens the very existence of Israel by creating a parallel Palestinian state from Dimona and Beer Sheva in the south up to Afula and Beit Shean in the north, running along the coastal cities – including Tel Aviv and its suburbs.

European parliamentarians, one after another, recognize a Palestinian state, despite the fact that they have no way of ensuring that this country will not be run by a terrorist organization – Hamas . This would not have come to passhad Israelis not supported the "legitimacy" of the Palestinian narrative" because the Europeans say to themselves: If the Israelis, the Zionists, adopt the idea of a Palestinian state for the Palestinian people, why do we have to be more extreme than they?

This is how the "Palestinian narrative" was adopted and established a terror state on the hills of Judea and Samaria, the cradle the people of Israel in biblical times and its natural milieu today.

The state of Israel will eventually be reduced to the coastal plain, the area that was conquered by the Philistines, invaders from the Greek Isles. That is how the goddess of history laughs at those who do not learn about themselves from history, that is how she avenges the sins they commit against themselves… We are on our way to a terrible war with a terrorist entity that the world is establishing against us.

Hoe moeten wij, die leven anno 2015, tegen deze kwestie aankijken? Is de Staat Israël in haar huidige vorm werkelijk ten dode opgeschreven?
In Tehilim (Psalm) 127, een pelgrimslied van Salomo, wordt elke joodse lezer met een belangrijk beginsel geconfronteerd:

 
Als יהוה het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan;
als
 
יהוה de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.

Het beginsel dat hier door Salomo werd neergelegd is van toepassing op de Staat Israël die in 1948 werd gesticht. Het was een puur menselijk initiatief, niet dat van אֱלוֹהִים ‎יהוה .
De bewijzen daarvoor worden elke dag geleverd, en de afgelopen maanden zelfs in toenemende mate. 

Sinds de derde galoeth begon met de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 AD, hadden veel Joden in 1948 - met de uitroeping van de Staat Israël - het gevoel eindelijk "thuis" gekomen te zijn, in het eigen vaderland, in het oude vertrouwde Erets Jisraël, en daar - na lange en smartelijke omzwervingen – eindelijk veilig te zijn. 

Maar het tegendeel is waar gebleken: Thans, nu er intussen meer dan 66 jaar zijn verstreken, is het gevaarlijker dan ooit om in dat oude homeland te verblijven. 
Waar schort het aan? Aan heel veel zaken!

Zeker, in veel Bijbelpassages wordt het herstel van Gods volk Israël (Jakob) in het eigen land aangekondigd. De oudste vinden wij in Devarim (Deuteronomium) 30. 
Nadat Elohim in de voorafgaande hoofdstukken herhaaldelijk had aangekondigd dat Israël het in de diaspora zwaar te verduren zou krijgen, heeft zijn spreekbuis Mosjeh gelukkig ook een vertroostende aankondiging: 


1 Het zal gebeuren, wanneer al deze dingen, de zegen en de vervloeking die ik u voorgehouden heb, over u komen, dat u het weer ter harte zult nemen onder alle volken waarheen YHWH, uw God, u verdreven heeft.
2 En u zult zich bekeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, u en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel, overeenkomstig alles wat ik u heden gebied.
3 Dan zal YHWH, uw God, een omkeer brengen in uw gevangenschap en Zich over u ontfermen. Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken waarheen YHWH, uw God, u verspreid had.
4 Al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, toch zal YHWH, uw God, u vandaar bijeenbrengen en u vandaar weghalen.
5 En YHWH, uw God, zal u naar het land brengen dat uw vaderen in bezit hadden, en u zult het weer in bezit nemen; en Hij zal u goeddoen en u talrijker maken dan uw vaderen.
6 YHWH, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om YHWH, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leven zult.
7 YHWH, uw God, zal al deze vervloekingen op uw vijanden leggen en op hen die u haten en die u vervolgd hebben. 

HSV, aangepast. Voor het Hebreeuws, zie deze link

Wat een schitterende profetische belofte, waarbij men bovendien kan bedenken dat אֱלוֹהִים ‎יהוה toentertijd al volkomen bekend bleek te zijn met de gehele geschiedkundige ontwikkeling van zijn Volk Israël, zijn Vrouwgemeente, zelfs voordat zij ook maar één voet in het Land van Belofte had gezet. Toen reeds gaf Hij – naar pas veel later bleek – te kennen dat hij de Joden naar alle natiën zou verdrijven, doch hen naderhand ook weer vandaar zou bijeenbrengen. 

Maar voor een oprechte waarnemer moet één zaak toch wel heel duidelijk zijn: Tot op heden is de vervulling van deze Belofte niet gekomen. 
אֱלוֹהִים ‎יהוה heeft zijn volk nog niet teruggeleid naar het dierbare land. Globaal gesproken heeft men beslist niet al deze dingen, de zegen en de vervloeking die ik u voorgehouden heb weer ter harte genomen. 

Wat sinds 1948 heeft plaats gevonden was alles slechts menselijk initiatief. De Staat Israel functioneert op democratische basis. Van theocratisch Bestuur is absoluut geen sprake! 
De Staat is, gezien vanuit de verzameling van politieke partijen die het alsmaar met elkaar oneens zijn, meer dan ooit een gedrocht, een aanfluiting voor de Allerhoogste indien Hijzelf er werkelijk voor verantwoordelijk zou zijn!  


Lo-Ammi en Lo-Ruchama

Israël bevindt zich nog altijd in de toestand van Lo-Ammi en Lo-Ruchama, waarover in het Bijbelboek Hosea wordt uitgeweid.
Bij de Sinaï ging אֱלוֹהִים ‎יהוה een huwelijksrelatie aan met zijn Exodusnatie;
In
Ezechiël 16 blikte Hijzelf daarop terug: 


1 Het woord van YHWH kwam tot mij:
2 Mensenkind, laat Jeruzalem zijn gruweldaden weten,
3 en zeg: Zo zegt de Heer YHWH tegen Jeruzalem: Uw oorsprong en uw geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was die Amoriet en uw moeder een Hethitische.
4 Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld.
5 Geen oog zag naar u om, om een van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven op de dag dat u geboren werd.
6 Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef!
7 Ik heb u even overvloedig gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid. Uw borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot.
8 Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u een eed en ging een verbond met u aan, spreekt de Heer YHWH, en zo werd u van Mij.
9 Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie.
10 Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeienhuiden, omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde.
11 Ik tooide u met sieraden. Ik deed armbanden om uw polsen en een ketting om uw nek. 
12 Ook deed Ik een ring door uw neus, oorbellen aan uw oren en zette een sierlijke kroon op uw hoofd.
13 Zo werd u getooid met goud en zilver. Uw kleding was van fijn linnen en zijde, en voorzien van kleurrijk borduurwerk. Meelbloem, honing en olie at u. U werd buitengewoon mooi, en werd geschikt voor het koningschap.
14 Van u ging een naam uit onder de Heidenvolken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt door Mijn glorie, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heer YHWH.

Maar helaas, Israël bleef haar Echtgenoot niet trouw.

Nog een stukje uit Ezechiël 16:


15 Maar u vertrouwde op uw schoonheid en bedreef hoererij, trots op uw naam. U hebt uw hoererijen uitgestort over ieder die voorbijtrok, uw schoonheid was voor hem!
16 U nam een deel van uw kleding, maakte daarmee voor uzelf de hoogten kleurrijk en bedreef er hoererij op. Nooit is zoiets voorgekomen en het zal nooit meer gebeuren.
17 U nam uw sieraden van Mijn goud en van Mijn zilver dat Ik u gegeven had, en maakte voor uzelf mannenbeelden en daarmee bedreef u hoererij.
18 U nam uw kleurrijk geborduurde kleding en bedekte ze daarmee. U zette Mijn olie en Mijn reukwerk voor hen neer.
19 En Mijn brood, dat Ik u had gegeven, en de meelbloem, olie en honing, die Ik u te eten had gegeven, hebt u hun aangeboden als een aangename geur. Zo gebeurde dat, spreekt de Heer YHWH.
20 U nam uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard had en bracht ze als offer voor hen om te eten. Waren uw hoererijen niet genoeg,
21 dat u Mijn kinderen geslacht hebt, ze prijsgegeven hebt, toen u ze voor hen door het vuur liet gaan?
22 Ook hebt u bij al uw gruweldaden en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, toen u naakt en bloot was, trappelend in uw bloed. 


(Ontleend aan de HSV; aangepast)

In het Bijbelboek Hosea wordt die ontrouwe houding van Israël jegens haar goddelijke Echtgenoot treffend afgebeeld in het huwelijk dat Hosea met Gomer moest aangaan: een vrouw van hoererij en kinderen van hoererij, waardoor werd uitgebeeld dat Israël door hoererij zich van het volgen van haar Echtgenoot YHWH zou afkeren.

In Hosea 2:2-13 wordt Gods aanklacht jegens Israël in details geformuleerd. In vers 2 lezen we: Klaagt uw moeder aan, klaagt haar aan. Want zij is niet mijn vrouw en ik ben haar man niet. Laat zij de tekens van de ontucht wegdoen van haar gezicht en de tekens van het overspel wegdoen tussen haar borsten.

Met de verwoesting van Jeruzalem en haar tempel in 70 AD toonde אֱלוֹהִים ‎יהוה dat zijn Vrouwnatie voorlopig Niet-Mijn-volk zou zijn. Sindsdien verkeert zij nog altijd in de situatie van Geen-Barmhartigheid

Wat triest!
Een en ander houdt tevens in dat de profetie in Hosea 3:4-5 nog altijd wacht op vervulling: 


Want de zonen van Israël zullen vele dagen zonder koning en zonder vorst en zonder slachtoffer en zonder zuil en zonder efod en terafim wonen. Daarna zullen de zonen van Israël terugkeren en YHWH hun God en David, hun koning, zoeken; en bevend zullen zij tot YHWH en tot zijn goedheid komen, in het laatst der dagen.


Aan de toestand Lo-Ammi en Lo-Ruchama zal dus een einde komen en dat tijdstip ligt niet meer veraf in het verschiet! Herstel is in zicht: אֱלוֹהִים ‎יהוה zal zijn Vrouwnatie terugnemen, precies zoals Hosea op een heel barmhartige wijze de overspelige Gomer terugnam, door terugkoop. Nadat אֱלוֹהִים ‎יהוה namelijk tegen Hosea had gezegd: Ga nogmaals, bemin een vrouw die door een metgezel wordt bemind en overspel pleegt, lezen wij dat Hosea tot de volgende actie overging: Toen kocht ik mij haar voor 15 zilverstukken en 1 1/2 homermaat gerst.
Zie Hosea 3:1-2.


Een nieuw Huwelijksverbond

 

Zo zal er eveneens een verlossing door terugkoop voor Gods eigen Vrouw komen! 
Maar dat betekent in de praktijk wel dat voor die transactie een geheel nieuwe regeling getroffen moet worden. Er kan namelijk geen herstel door terugkoop op basis van het Oude (Wets-) Verbond komen, Gods oorspronkelijke huwelijksverbond met Israël. 

Het goede nieuws evenwel is dat YHWH Elohim die nieuwe regeling al lang geleden voorzien heeft. Jeremia liet Hij namelijk voorzeggen dat er een Nieuw Verbond met zijn volk gesloten zal worden: 


Zie! Er komen dagen, verzekering van YHWH, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal; niet één gelijk het verbond dat ik met hun voorvaders heb gesloten op de dag dat ik hen bij de hand vatte om hen uit het land Egypte te leiden, mijn verbond dat zij verbroken hebben, terwijl ik hen als echtgenoot bezat (Jr 31). 

Een Nieuw Huwelijksverbond derhalve; het Oude Huwelijksverbond van de Sinaï volstaat namelijk niet. Waarom niet? Omdat de dierlijke slachtoffers waarop dat Verbond berustte de overtredingen niet werkelijk konden bedekken. Dierlijk bloed heeft geen echte loskopende waarde. 

Heel begrijpelijk uiteraard, maar in dat opzicht moet Gods volk nog een grote, geestelijke stap nemen door tot de erkentenis te komen van de waarheid die een godvruchtige Jood in de Eerste eeuw, rond het jaar 60 AD, reeds neerpende: 


Want de Wet, een schaduw hebbend van de toekomstige goede dingen, niet het beeld der feiten zelf, is nimmer in staat met dezelfde slachtoffers die men voortdurend jaarlijks opdraagt, hen die naderen tot volmaaktheid te brengen. Zou anders het opdragen [van offers] niet opgehouden zijn, doordat zij die dienst voor God verrichten - eens voor altijd gereinigd zijnde - geen enkel bewustzijn van zonden meer zouden hebben? Integendeel, in die [offers] is er jaarlijks een herinnering der zonden. Want het is niet mogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt. 


In die terechte constatering ligt precies het heikele punt voor Israël: Het Nieuwe Verbond heeft, om in werking te kunnen komen, een beter offer nodig dan dat van een stier of bok! 

Het eventueel oprichten van een Derde tempel, iets wat veel joodse mensen zo dolgraag willen – een tempel waar weer dierlijke offers worden opgedragen – zal dus geen enkele jood baat brengen! 
Integendeel, in Jesaja 66:1-5 heeft YHWH God al bijvoorbaat zijn misnoegen over zulk een onderneming profetisch kenbaar gemaakt: 

Wie een rund slachtoffert is als iemand die een man neerslaat. Wie een schaap offert breekt (als het ware) een hond de nek. Wie een spijsoffer brengt – zwijnebloed. Wie wierook offert tot een gedachtenis, zegent een afgod. Zij zijn degenen die hun eigen wegen hebben verkozen. Hun ziel schept behagen in hun eigen gruwelen

(Vers 3; link voor Hebreeuwse tekst).

De onmogelijkheid tot terugkoop op grond van offers die tot het Oude Verbond behoren, kwam in voorafbeelding krachtig aan het licht toen Peloni Almoni in de poort van Beth Lechem tegenover Boaz en de tien Oudsten moest erkennen - IK KAN NIET LOSSEN - ook al had hij de oudste rechten! 
Zie Ruth 4: Ik kan niet lossen

 
Laten we het Nieuwe Huwelijksverbond eens wat meer van nabij beschouwen. Volgens Jeremia 31:31-34 lezen we:

 

Zie! Er komen dagen, verzekering van YHWH, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal; niet één gelijk het verbond dat ik met hun voorvaders heb gesloten op de dag dat ik hen bij de hand vatte om hen uit het land Egypte te leiden, mijn verbond dat zij verbroken hebben, terwijl ik hen als echtgenoot bezat. 
Voorzeker, dit is het verbond dat ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt YHWH: Ik zal mijn wet
 in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot God zijn en zíj zullen mij tot volk zijn. 
Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken YHWH, want zij allen zullen mij kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt YHWH.
 Want ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken. 

 

Let onder meer op de toezeggingen:
 Ik zal mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven

Die belofte wordt ook in Ezechiël gegeven, maar daar met de extra vermelding dat Israël, door de werking van Gods geest, uit haar verharde houding gehaald zal worden: 

Ik zal u uit de Heidenvolken halen en u uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik u naar uw land brengen. Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.
Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven. Ik zal mijn geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in mijn verordeningen wandelt en dat u mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.
U zult wonen in het land dat ik uw vaderen gegeven heb, u zult een volk voor mij zijn en ik zal een God voor u zijn.
(Ez 36:24-28). 

Elke joodse lezer kan in alle oprechtheid zelf wel bepalen in welk opzicht Israël (als natie) sinds de Eerste eeuw blijk heeft gegeven van een niet aflatende verharding jegens Elohim en zijn regeling voor verlossing. 

● Zij allen zullen mij kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe

Denken we nog even terug aan Hosea, waar (in Hoofdstuk 2) Israëls verlossing door terugkoop reeds werd aangekondigd, dan zien we aldaar dat ook toen reeds, met juist die bewoordingen, werd gezinspeeld op dat Nieuwe Huwelijksverbond: 

Ik zal voor hen een verbond sluiten op die dag met de dieren van het veld, met de vogels in de lucht en de kruipende dieren op de aarde. En boog, zwaard en strijd zal Ik van de aarde doen verdwijnen, en ik zal hen onbezorgd doen neerliggen.
Ik zal u voor eeuwig tot mijn Bruid nemen: Ja, ik zal u tot mijn Bruid nemen in gerechtigheid en in recht, in goedertierenheid en in barmhartigheid. In trouw zal ik u voor mij als Bruid nemen; en u zult YHWH kennen.

● Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken

Waarom kan YHWH Elohim in die tijd aldus met zijn Volk handelen? En niet eerder?

Het heeft alles te maken met Israëls houding tegenover het offer dat werkelijk verlossing mogelijk maakt. Het offer op basis waarvan dat Nieuwe Verbond van kracht kan worden is namelijk van een onmetelijk hogere kwaliteit dan dat van offerdieren.

In Genesis 22 werd van dat superieure offer – dat zonden werkelijk kan bedekken - al een voorglimp verschaft. De jood die wij eerder citeerden met betrekking tot de ontoereikendheid van dierlijke offers, schreef in de Eerste eeuw aan medejoden ook het volgende: 

In geloof heeft Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaäk ten offer opgedragen, en hij die de beloften op zich nam, wilde de eniggeborene ten offer opdragen, hij tot wie werd gesproken: In Isaäk zal jou [het] zaad genoemd worden. Hij overwoog dat God bij machte is hem zelfs uit doden op te wekken, waaruit hij hem ook in zinnebeeld terugkreeg. 

De aartsvader reageerde aldus in geloof op de goddelijke opdracht: Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaäk, en ga naar het land Moría, en offer hem daar tot een brandoffer op één der bergen die ik u noemen zal. 
Het is toch niet te moeilijk om daarin het beeld te herkennen van datgene wat YHWH Elohim zelf werkelijk deed in de Eerste eeuw. Zoals geschreven staat: 

Want God had de wereld zo lief, dat hij zijn eniggeboren zoon gaf, opdat ieder die in hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven zou hebben. 

In vers 19 van Genesis 22 lezen we iets opmerkelijks, waaraan men gemakkelijk voorbij zou kunnen gaan: Toen keerde Abraham terug tot zijn knechten, en zij gingen tezamen op weg naar Berséba, en Abraham woonde te Berséba.

Wij weten dat Isaäk gered werd van het altaar. In Gods voorziening nam een ram zijn plaats in (vers 13), zinnebeeld voor het plaatsvervangend sterven van de Zoon van de Grotere Abraham. Voor Isaäk echter was die ervaring 'in zinnebeeld' als een opstanding uit de doden. 
En nu lezen wij hier alsof Abraham alleen bij de twee knechten terugkeerde. Het zinnebeeld laat Isaäk achter op de berg! Voor de toekijkende knechten was hij er als het ware niet meer! Toen Gods eigen Zoon op de derde dag opstond uit de dood bleek hij verdwenen te zijn; voor het menselijk oog onzichtbaar.

Vergelijk vers 4 van Genesis 22: Toen Abraham op de derde dag zijn ogen opsloeg zag hij [de berg Moria].

Zie eventueel Genesis 22 in de Studie: Abrahams bestemming

Wellicht wordt het de joodse lezer daarmee begrijpelijk waarom YHWH Elohim in het jaar 70 AD de Romeinse legermacht toestond het tempelheiligdom te Jeruzalem voorgoed te verwoesten.
Ja, voorgoed! Want dat blijkt wel uit het feit dat YHWH de Islam toestond om op de Tempelberg een eigen heiligdom te bouwen, een actie welke tot op heden heeft verhinderd dat overijverige Joden aldaar een Derde tempel zouden kunnen oprichten om de oude offercultus te laten opleven.
Wij wezen echter al op Jesaja 66:1-5 voor Gods visie daaromtrent.

De Jaarwekenprofetie

 

Bijzonder interessant is het feit om vast te stellen dat in de Jaarwekenprofetie van Daniël 9 de historische gang van zaken met betrekking tot die kwestie al 2½ duizend jaar geleden in geschrifte werd vastgelegd.

Hieronder een zo letterlijk mogelijke weergave van alles wat Gabriël tot Daniël sprak, volgens Dn 9:23-27 : 


23 
Geef dus acht op de zaak en heb begrip van het gezicht
24 
Zeventig zevens zijn toebedeeld betreffende uw volk en uw heilige stad
om een einde te maken aan de overtreding
en om zonden te verzegelen
en om ongerechtigheid te verzoenen
en om rechtvaardigheid van eeuwen in te voeren
en om een zegel te drukken op visioen en profetie
en om een heilige der heiligen te zalven
25 
Weet dan en onderscheid: Vanaf uitgaan woord om te
herstellen en te bouwen Jeruzalem tot aan Masjiach Vorst
7 zevens en 62 zevens
Ze zal opnieuw worden gebouwd, plein en gracht
maar in druk der tijden
26 
En na de 62 zevens zal Masjiach worden afgesneden
en niets voor hem

En het volk
van de vorst die komt zal de stad en het heiligdom verderven en zijn einde in overstroming
en tot einde oorlog, verordend zijn verwoestingen
27 
En naar velen zal hij een verbond kracht bijzetten 1 zeven
En op de helft van de zeven zal hij doen ophouden
slachtoffer en spijsoffer
En op vleugel van gruwelen een verwoester
en tot voleinding zal wat vast besloten is uitgestort worden
op de verwoester

Met in achtneming van Nehemia 1:1 en 2:1-6, namelijk dat het woord om Jeruzalem te herstellen en te bouwen uitging in het 20ste jaar van de Perzische koning Artaxerxes - dus in het jaar 445-444 vóór onze huidige tijdrekening - komen we na 69 [7 plus 62] jaarweken verder uit op zondag 9 Nisan van het jaar 33 AD. 

69 profetische jaarweken omvatten immers 69 x 7 x 360 dagen = 173880 dagen. Wanneer we die omrekenen tot zonnejaren krijgt men > 
173880 :
365,2422 = 476,07 gewone jaren, of 476 jaar en 25 dagen. 

Werd toen de Masjiach afgesneden? 
Zeker, op 14 Nisan, vrijdag 3 april 33 AD, stierf hij aan een stauros, Grieks voor martelpaal. Enkele dagen daarvoor, op zondag 9 Nisan, had hij zijn triomfantelijke, koninklijke intocht gemaakt in Jeruzalem. Maar hijzelf wist toen al, mede aan de hand van Daniëls profetie, dat schokkende gebeurtenissen in het directe verschiet lagen. 

Tijdens die intocht, de Berg der Olijven afdalend, sprak hij namelijk deze profetische woorden: 


Indien gij, ja gij, op deze dag de dingen onderscheidde [die] tot vrede [strekken] – nu echter zijn ze voor je ogen verborgen. Want er zullen dagen over je komen en je vijanden zullen een palissade tegen je oprichten, en je omsingelen en je van alle kanten insluiten; en zij zullen jou en je kinderen in jou tegen de grond verpletteren; en zij zullen in jou geen steen op de andere laten, omdat je de tijd waarin naar je werd omgezien, niet onderscheidde. 

Het gezicht op de stad, in het bijzonder op het glorierijke, door Herodes gerestaureerde tempelheiligdom, moet schitterend zijn geweest. Maar terwijl de menigte in extase verkeert, breken bij de Masjiach de tranen uit. Wenend weeklaagt hij over de stad en haar onderdanen, zoals ook Jeremia deed, nadat Jeruzalem met haar tempel voor de eerste maal was verwoest (Kl 1:1). 

Hij weet precies wat er volgens de Jaarwekenprofetie na afloop van de 69e Week zal plaatsvinden:

En na de tweeënzestig weken zal Masjiach worden afgesneden en niets voor hem. En de stad en het heiligdom zullen door het volk van een vorst die [nog] komt, verwoest worden.
(Dn 9:26)

De Koning komt tot zijn koninklijke hoofdstad, maar de stad met haar bevolking, onder aanvoering van haar leiders, heeft geen oog voor hem noch voor de dingen die met vrede en redding te maken hebben. 
In de persoon van zijn Zoon ziet Elohim in gunst naar hen om, maar dat wordt niet door hen onderscheiden. Integendeel, nog maar enkele dagen en dan zal de huidige euforie omslaan en zal het volk, op aandringen van de religieuze elite, de dood van de Masjiach eisen.

Hij zal worden afgesneden, zonder ook maar iets te ontvangen wat op grond van zijn koninklijke intocht verwacht mocht worden: de scepter die niet van Juda zou wijken; installatie als Gods koning, op Sion, zijn heilige berg; de gehoorzaamheid der volken (Gn 49:10; Ps 2:6, 8; 45:6; Dn 7:13-14). 

Ook zou dat geslacht nog de tweede verwoesting van Jeruzalem met haar tempel door de Romeinse legioenen ervaren, wat in 70 AD ook inderdaad gebeurde.

Maar.., wat is er aan de hand met de laatste, de Zeventigste Jaarweek?

Ja, die laatste (70ste) Jaarweek is heel bijzonder, en tot nu toe voor velen mysterieus gebleven. 
Volgens Daniël 9:27 lezen we: 

En naar velen zal hij [het] verbond kracht bijzetten één week. En op de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden. En op vleugel van gruwelen een verwoester, en tot aan [de] voleinding zal wat vast besloten is uitgestort worden op de verwoester. 

In ieder geval moet die laatste Week nog altijd aanbreken!
Waarom kunnen we dat met zoveel zekerheid stellen? 
Het antwoord luidt: Omdat de zaken die daarin worden aangekondigd zich nog altijd niet hebben gemanifesteerd. Na afloop van de 69ste Week is er duidelijk sprake van een interval, of een ‘gap’ zoals het in het Engels heet. 
In die ‘gap’ voltrokken zich in de Eerste eeuw in ieder geval nog de rampzalige gebeurtenissen die in vers 26 werden aangekondigd:


En het volk van [een] vorst die komt zal de stad en het heiligdom verderven... 

Iedereen weet dat die catastrofe 37 jaar na afloop van de 69ste Week ook werkelijk plaatsvond, in 70 AD. 
Wie waren daarvoor verantwoordelijk? Ook dat weet iedereen: de Romeinse legers die, zoals de Masjiach had voorzegd, de stad zouden insluiten met een palissade van gepunte boomstammen. Maar Gabriël had het op deze wijze aangegeven: Het volk van een vorst die komt zou de verwoesting teweeg brengen.

Niet de vorst zelf, want die moest nog komen; maar "het volk" van die toekomstige vorst. En dat is de eerste vermelding van de komst van de Pseudomasjiach in deze profetie, en die zal de Romeinse wereldmacht – het tegenbeeldige Edom - doen terugkeren op het politieke toneel van deze wereld. Hoe? Doordat hij als "de Kleine Horen" zal oprijzen tussen de tien horens op de kop van het Vierde Beest in Daniël 7.

We weten nu al bijvoorbaat dat die Pseudomasjiach de 3½-jarige weergaloos grote verdrukking voor Jakob zal veroorzaken; zoals ook wordt aangekondigd in Dn 7:25  

En hij [die Kleine horen waarvan de aanblik groter was dan die van zijn metgezellen, vers 20] zal zelfs woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen van het Opperwezen zal hij voortdurend bestoken…en zij zullen in zijn hand worden gegeven voor een tijd en tijden en een halve tijd.

Zie svp ook Jeremia 30:7 > Een tijd van benauwdheid is het voor Jakob, maar daaruit zal hij gered worden.
Alsook Daniël 12:1 > Te dien tijde zal Michael opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen.

Ook vers 7 van dat hoofdstuk maakt melding van die 3½-jarige verdrukking


Toen hoorde ik de man die met linnen klederen bekleed was en zich boven het water van de rivier bevond, zweren bij Hem die eeuwig leeft, terwijl hij zijn rechterhand en zijn linkerhand naar de hemel hief: Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn.

Het laatste deel van vers 26 van de Jaarwekenprofetie levert meestal problemen op: En zijn einde in overstroming en tot [het] einde oorlog; verwoestingen zijn verordend.
De meeste uitleggers menen dat er dieper wordt ingegaan op de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 en dat er gezinspeeld wordt op het volledige einde van de stad en de Joodse natie.
Maar Gabriël sprak niet over het einde van de stad. Waarover dan wel?

 

Er wordt door Gabriël veeleer gezinspeeld op het einde van "een vorst die komt", het einde van de Pseudomasjiach. Die Schijnmasjiach verschijnt namelijk slechts gedurende een betrekkelijk korte periode tijdens de laatste (70ste) Week; na zijn verschijning is zijn einde ook vrijwel meteen dicht bij. Gabriël typeerde hem allereerst als "een vorst die komt", door er meteen aan toe te voegen: "maar zijn einde [zal zijn] in overstroming".

De conclusie is dus - en vrij belangrijk - dat in de Jaarwekenprofetie nooit wordt gezinspeeld op het definitieve einde van de stad Jeruzalem. Hoe zou dat ook kunnen als we onderscheiden dat Jeruzalem - kennelijk als het aardse prototype van een hemels Jeruzalem - zo'n prominente plaats inneemt in Israëls herstelprofetieën. Zie ondermeer Jesaja 2:1-6
De toekomstige rol van Jeruzalem zoals die in het apocalyptische boek Zacharia wordt beschreven, is ook vermeldenswaard. Zie in het bijzonder Zacharia 1:14 t/m 3:10 en de hoofdstukken 8, 9 en 12 t/m 14.

Wij zagen eerder dat ook door de Masjiach zelf naar de Jaarwekenprofetie werd verwezen in zijn publiekelijk onderwijs tijdens zijn laatste verblijf in Jeruzalem.
Maar zijn verwijzing naar de stad bleef niet beperkt tot de aankondiging dat zijn generatie de ondergang van de stad en tempel nog zou meemaken. Hij verschafte ook hoop op een zeker herstel.

In dat verband gebruikte hij op unieke wijze de uitdrukking de Tijden der Heidenvolken. Na de wegvoering van de bevolking naar alle Heidenvolken, zou de stad Jeruzalem niet verdwijnen, maar veeleer in een toestand van vertreding blijven door die Heidenvolken. Maar die "Tijden der Heidenvolken" zouden op zeker moment eindigen, of vervuld worden.
Mede op grond van de profetie der Jaarweken kon hij het volgende aankondigen:

Wanneer jullie nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld zien, weet dan dat haar verwoesting nabijgekomen is. Laten dan zij die in Judea [zijn], vluchten naar de bergen; en die in haar midden, er uittrekken, en die in de landstreken, er niet binnengaan. Want dagen van vergelding zullen die [dagen] zijn, om alles wat geschreven staat, in vervulling te laten gaan. Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen; want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen worden weggevoerd naar alle Heidenvolken; en Jeruzalem zal door de Heidenvolken vertreden worden, totdat de Tijden der Heidenvolken vervuld zijn. 

Zij die de Schrift (Tenach) werkelijk grondig kennen hoeven zich eigenlijk niet te verbazen over deze profetische uitspraak van Masjiach ישוע .
Waarom niet? Alweer op grond van het Boek Daniël.

Na de Grote Vloed in Noachs dagen was namelijk de tweede grote gebeurtenis in de menselijke geschiedenis waarbij God rigoureus ingreep om de goddeloze ontwikkelingen op aarde in verband met de mens te beteugelen de Spraakverwarring.

Genesis 11:6 leert ons dat, indien YHWH Elohim niet tussenbeide was gekomen bij de torenbouw, de mensheid al veel en veel eerder het huidige goddeloze stadium op aarde bereikt zou hebben waarin alles op technisch gebied bereikbaar lijkt geworden, met inbegrip van wapensystemen die ons allen zo maar zouden kunnen wegvagen.

Toen God die torenbouwers de voet dwars zette door hun taal te verwarren, leidde dat tot het ontstaan van de huidige goddeloze eeuw, waarin de aarde qua heerschappij tot een lappendeken van afzonderlijke nationale groepen werd en Satan de geboden kans greep om zich tot de 'god' van die eeuw en de heerser der wereld te maken. Masjiach ישוע zelf duidde hem, de Slang [nachasj, zijn grote tegenspeler, op die wijze aan.
Denk maar even aan 

1.) hun gelijke gematriawaarde 358. 
2.) dat de Slang het Messiaanse zaad van de Vrouw [Israël] in de hiel zou vermorzelen (Gn 3:15).

De Spraakverwarring was dus bepaald geen onbelangrijke gebeurtenis, want de Tijden der Heidenvolken namen toen een aanvang. Maar wat heeft het Boek Daniël daarmee van doen?

Antwoord: In hoofdstuk 4 van dat Bijbelboek werden namelijk zowel de duur als de kenmerken van die Tijden afgebeeld in de situatie waarin koning Nebukadnezar zich in een beestachtige toestand bevond.

Zie de Studies:

De Zeven Tijden en

Spraakverwarring en Tijden der Heidenen

 

De Hielwond


Voordat we met Daniël verder gaan alsnog wat opmerkingen over die eerste profetische uitspraak in de Bijbel met betrekking tot het zaad van haar die later Israël bleek te zijn en God als Vrouw ging toebehoren. 
In Gan Eden ontwikkelde zich, naar wij allen weten, de volgende ‘conversatie’: 

Elohim [Hij riep de mens en sprak tot hem]: Waar ben je? 

Nadat zijn kinderen verdwaald waren geraakt en zich vanwege schaamte trachtten te verbergen, ging YHWH Elohim meteen naar hen op zoek. Hij had hen duidelijk niet laten vallen. Hoewel zij door hun ongehoorzaam handelen de band met hun goddelijke Vader hadden geschaad, nam Deze niettemin onmiddellijk het initiatief om die band in stand te houden.

De mensUw stem hoorde ik in de tuin, maar ik was bevreesd omdat ik naakt was en daarom verborg ik mij.


Elohim
Wie vertelde je dat je naakt was? Heb je soms van de boom gegeten waarvan ik je gebood niet te eten?


De mens
De vrouw die u me gaf om bij mij te zijn, zij gaf mij van de boom en dus at ik.


Elohim
 [maar nu tot de vrouw]: Wat heb jij nu gedaan?


De vrouwDe slang — die bedroog mij en dus at ik.

Na aldus ten aanhoren van een ieder de feiten te hebben vastgesteld sprak YHWH Elohim zijn oordeel uit over elk van de overtreders:


[Tot de slang]: Omdat je dit deed, ben jij de vervloekte onder alle huisdieren en onder al het wild gedierte van het veld. Op je buik zul je gaan en stof zul je eten al de dagen van je leven. En ik zal vijandschap stellen tussen jou en de vrouw en tussen jouw zaad en haar zaad. Hij zal jou in de kop vermorzelen en jij zult hem in de hiel vermorzelen.

[Tot de vrouw]: Ik zal de smart van je zwangerschap zeer doen toenemen; met barensweeën zul je kinderen voortbrengen, en je sterke begeerte zal naar je man uitgaan, en hij zal over je heersen.

[Tot de mens]: Omdat je naar de stem van je vrouw luisterde en van de boom ging eten waaromtrent ik je geboden had: Daarvan mag je niet eten, is de aardbodem ter wille van jou vervloekt. Met smart zul je de opbrengst ervan eten al de dagen van je leven. En doorns en distels zal hij je voortbrengen, en je zult de plantengroei van het veld eten. In het zweet van je aangezicht zul je brood eten, totdat je tot de aardbodem terugkeert, want daaruit werd je genomen. Want je bent stof en tot stof zul je terugkeren.

Hierna gaf Adam zijn vrouw de naam Eva [Levende], omdat zij de moeder zou worden van een ieder die leeft. En YHWH Elohim maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleding van dierenhuid en bekleedde hen.
Zie: Genesis 3:8-21

Wellicht hebben we dit verslag van Gods optreden in Eden altijd gelezen met de gedachte aan straf voor de overtreders, en het is waar: dat geldt zeker voor de Slang, alias de Satan. Elohim vervloekte die geestenzoon van hem en kondigde zijn volkomen ondergang aan: In de kop vermorzeld worden door het Zaad van de 'Vrouw', Gods Zoon. 

Dat die Zoon bedoeld wordt met het Zaad - Masjiach ישוע die als de beloofde Masjiach voortkwam uit Gods Vrouw Israël - bleek reeds uit de voorzegging dat de Slang eerst de gelegenheid zou krijgen hem de hiel te vermorzelen
En zoals we allen weten wees dat vooruit naar het sterven van Masjiach ישוע aan een martelpaal op Golgotha, vlak buiten Jeruzalem. 
Het superieure offer dat voldoende kracht heeft tot loskoop en om het Nieuwe Huwelijksverbond van kracht te laten worden, was daarmee echter verschaft!

Bovendien ‘genas’ Elohim, zijn Vader, die 'hielwond' door zijn Zoon uit de dood op te wekken. Niet opnieuw als mens maar als een glorierijk geestelijk schepsel wat hem in staat zou stellen de Slang definitief uit te schakelen: vermorzeling in de kop.

In de bekende Messiaasnse Psalm 110 was dit alles al ver tevoren profetisch aangekondigd:

 

1 Van David; een psalm. Zo spreekt YHWH tot mijn Heer: "Zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden leg tot een voetbank uwer voeten".
2 De scepter van uw sterkte zal YHWH vanuit Sion zenden: "Heers te midden van uw vijanden".
3 Uw volk zal zich gewillig aanbieden op de Dag van uw strijd. In de pracht der heiligheid, uit de schoot der dageraad, hebt gij de dauw van uw jeugd.
4 YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij zijt priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek".
5 De Heer aan uw rechterhand verplettert koningen op de Dag van zijn toorn.
6 Hij zal gericht houden onder de Heidenvolken; hoopt lijken op; verplettert het Hoofd van een volkrijk land.   

Maar YHWH Elohim was destijds in Eden reeds zeer barmhartig jegens het eerste mensenpaar. Hoe? Door hun naaktheid te bedekken met kleding van dierenhuid. 
Om hen met huiden te bekleden moest uiteraard bloed worden vergoten; in dit geval weliswaar bloed van dieren, maar daarmee werd door God toch een precedent gesteld: Zonder bloedvergieten geschiedt geen vergeving (zoals een jood in de Eerste eeuw schreef aan mede-Joden; Hb 9:22). 

YHWH Elohim maakte daarmee voor het eerst het beginsel van substitutie bekend, het plaatsvervangend sterven van de onschuldige voor de schuldige, of zoals de jood פטרוס eveneens in de Eerste eeuw over de Masjiach schreef: een rechtvaardige voor onrechtvaardigen opdat hij jullie tot God zou leiden (1Pt 3:18). 

Toen YHWH Elohim zijn oordeel uitsprak over de Slang hadden Adam en zijn vrouw reeds een glimp gekregen van dat betere offer: de vermorzeling in de hiel van het Zaad. Blijkbaar op die basis bewees YHWH hen een zodanige barmhartigheid dat zij alsnog een uitbreiding aan het mensengeslacht konden geven, precies zoals hun oorspronkelijk was opgedragen (Gn 1:28).

Toen zij namelijk – aanvankelijk weliswaar schoorvoetend, maar vervolgens toch openlijk - hun schuld toegaven, zien we dat Elohim onmiddellijk als hun verdediger optrad: En YHWH Elohim maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleding van dierenhuid en bekleedde hen.
Nog vóórdat dat eerste mensenpaar kinderen begon voort te brengen bekleedde Elohim hen met kleding die verzoening symboliseerde. 

Blijkbaar werd dit later ook door Abel begrepen. Binnen het gezin van Adam en Eva moet Gods belofte van een komende Bevrijder een veel besproken onderwerp zijn geweest. Abel schijnt in geloof ingezien te hebben dat het bloed van de beloofde Bevrijder vergoten zou moeten worden om de menselijke schuld te bedekken. Te meer omdat YHWH Elohim zelf aanleiding tot die veronderstelling had gegeven doordat hij zijn ouders had bekleed met kleding van dierenhuiden.
En daarvoor was bloed vergoten:

Ook Abel bracht een offer van de eerstgeborenen van zijn kudde, en wel van de vetste. En YHWH zag genadig neer op Abel en zijn offer, maar op Kaïn en zijn offer sloeg YHWH geen acht. – Gn 4:3-4

In hoofdstuk 11 van het Boek Hebreeën wordt hij daarom aan Joden ten voorbeeld gesteld: 


In geloof droeg Abel aan God een slachtoffer van meer waarde op dan Kaïn, waardoor hij getuigenis ontving dat hij rechtvaardig was, daar God aangaande zijn gaven getuigenis aflegde; en daardoor spreekt hij nog, nadat hij stierf. – Hb 11:4


En ook de mens [Adam] reageerde in dankbare reactie op het feit dat God hem en zijn vrouw genadig was:


Hierna gaf Adam zijn vrouw de naam Eva [Levende], omdat zij de moeder zou worden van een ieder die leeft. Gn 3:20

Adams reactie kwam kennelijk voort uit de manier waarop hij het profetische woord van vers 15 verstond: Ik zal vijandschap stellen tussen jou [de Slang] en de vrouw en tussen jouw zaad en haar zaad.
De aanwijzing voor die veronderstelling blijkt uit het feit dat hij er toe overging de naam van zijn vrouw te wijzigen. Aanvankelijk was haar naam niet Eva. Toen zij, zijn vrouwelijke zijde, uit hem werd genomen noemde Adam haar Isjsjaah, Vrouw, maar letterlijk: Uit Man (Gn 2:23).

Maar nu wijzigt hij haar naam op grond van Gods belofte in Chawaah, Leven, wat in ons taalgebruik tot Eva is geworden. Daarna wordt er in de Bijbel nog uitsluitend met die naam naar haar verwezen: Eva [Leven]. – Gn 3:20
Gewoonlijk wordt deze naamswijziging uitgelegd alsof Adam nu begrepen zou hebben dat uit zijn vrouw een geslacht van mensen zou worden voortgebracht. 
Maar dat lijkt niet waarschijnlijk, want dát was immers van meet af helder op grond van de opdracht die God hen volgens Gn 1:28 had gegeven: Weest vruchtbaar en wordt tot velen.

Bedenk dat YHWH Elohim zo juist tot Adam had gezegd: In het zweet van je aangezicht zul je brood eten, totdat je tot de aardbodem terugkeert, want daaruit werd je genomen. Want je bent stof en tot stof zul je terugkeren.
Adam moest daaruit wel afleiden dat hij in zijn nieuwe situatie de vader van een geslacht zou worden dat bij voorbaat gedoemd was te sterven. Vanwege zijn overtreding lag voor al zijn nakomelingen de dood in het verschiet en dat van hun geboorte af. Toch verandert hij de naam van zijn vrouw in Leven!

Waarom? Omdat hij - en uiteraard ook zijn vrouw - geloof stelden in de Edense Belofte; als een mens die weliswaar schuldig voor God stond wegens zonde maar geloof stelde in diens belofte. 
Op grond van datgene wat God beloofde was er weer toekomst.


Vandaar dat Adam de naam van zijn vrouw wijzigde in Leven: Want zij zou de moeder worden van alle levenden. Dat wil zeggen van een lijn van nakomelingen die, op grond van geloof, met name in de belofte van Gn 3:15, zouden overgaan van dood naar leven.

Bij uitbreiding dus het geloof dat gekenmerkt wordt door het onvoorwaardelijk vertrouwen dat er een zaad zou verschijnen dat uiteindelijk de Slang in de kop zou vermorzelen, maar daarvoor eerst als mens plaatsvervangend voor de schuld van de mens zou sterven: de Hielwond.

Evenzo zou ‘de Vrouw’ van Gn 3:15 niet zonder meer de moeder van alle mensen worden, maar veeleer van hen die werkelijk leven zouden ontvangen door het plaatsvervangend sterven van de Masjiach voor hen. Aldus bezien was Adams reactie op Gods belofte een daad van geloof toen hij de naam van zijn vrouw wijzigde in Eva [Leven].

 

Israel heeft (als volk) nu al bijna 2000 jaar grote moeite met het idee van een lijdende Masjiach. Maar dat zou bij zorgvuldige bestudering van de Schrift eigenlijk niet het geval moeten zijn. 

● Buiten Gn 3:15 (het Zaad dat in de hiel wordt vermorzeld) en 
● Gn 22, waar Abraham in voorafbeelding zijn enige zoon (bij Sara) zo goed als ten offer opdroeg, verschaft de Tenach op diverse andere plaatsen aanwijzingen dat de Messias allereerst - voorafgaand aan zijn komst in heerlijkheid - plaatsvervangend voor een verloren mensheid zou sterven, daarbij tevens - voor het van kracht kunnen worden van het Nieuwe Huwelijksverbond - het superieure offer tot loskoop verschaffend. 

Een bekend voorbeeld is de lijdende Ebed YHWH in de profetieën van Jesaja: 
Het slotgedeelte van hoofdstuk 52 is in werkelijkheid de opmaat voor wat volgt:


13 Ziet! Mijn Knecht zal met inzicht handelen. Hij zal een hoge positie bekleden en zal stellig verheven en zeer verhoogd worden.
14 In de mate dat velen star zijn geweest van ontzetting over hemzozeer was de misvorming met betrekking tot zijn uiterlijk, meer dan die van enige andere man, en met betrekking tot zijn statige gestalte, meer dan die van de mensenzonen
15 zal hij insgelijks vele Heidenvolken ontstellen. Om hem zullen koningen hun mond sluiten, want wat hun niet was verhaald, zullen zij werkelijk zien, en op wat zij niet hadden gehoord, moeten zij hun aandacht richten.


Gods knecht Yeshua zal inderdaad een hoge positie bekleden. 
Ook in het Boek Daniël werd dat op vele plaatsen aangekondigd. Het meest bekend is Dn 7:7-14, waar de profeet ons deelgenoot maakte van zijn ‘nachtgezichten’: 


Daarna zag ik in de nachtgezichten en zie, een vierde dier, vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk; het had grote, ijzeren tanden: het at en vermaalde, en wat overbleef, vertrad het met zijn poten; en dit dier verschilde van alle vorige, en het had tien horens. Terwijl ik op die horens lette, zie, daartussen verhief zich een andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor uitgerukt; en zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak…Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een Mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is.
(nbg)

Het contextuele verband van deze aankondiging laat ons bijvoorbaat zien dat Yeshua, de Mensenzoon die hij is geworden door zijn verblijf op aarde, het Messiasrijk aanvaardt in de laatste (70ste) Jaarweek, ten tijde van de tirannieke heerschappij van de Kleine Horen, een scheut van de oude Romeinse wereldmacht, waarschijnlijk - zoals het er nu op het wereldtoneel uitziet - een vorm van een hersteld (Islamitisch) Ottomaans Rijk.

We verwezen al eerder naar de 3½-jaar periode van Dn 7:25de benauwdheid voor Jakob.
Maar gelukkig, na afloop van die terreur wordt die Kleine Horen zijn macht door de hemel ontnomen en wordt hij aan volkomen verdelging overgegeven (vers 26). 
En vervolgens, wat een zegen, gaan de joodse heiligen op aarde delen in de heerschappij van de Masjiach. Zie maar vers 27 > Het koninkrijk en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder de ganse hemel werd gegeven aan de heiligen van het Opperwezen. 

Op die wijze zal alsnog de grootse belofte, aan Israël gedaan bij de Sinaï, vervuld worden: Gij zult mij een priesterlijk koninkrijk zijn en een heilig Volk (Exodus 19).

Maar terug naar Jesaja, want in het welbekende hoofdstuk 53 dat, zoals hierboven werd aangegeven, aansluit op de slotwoorden van hoofdstuk 52, lezen wij bij voorbaat hoe het joodse Overblijfsel van de eindtijd berouwvol zal terugblikken op hun hardnekkig ongeloof in die eigen Messias: 


Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar YHWH heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.
(Js 53:5-7; nbg aangepast). 


Eén van Yeshua’s leerlingen heeft als ooggetuige verslag gedaan van de verbrijzeling en misvorming van de Masjiach: 


Toen nam Pilatus dan Yeshua en geselde hem. En de soldaten vlochten een kroon van doornen en zetten die op zijn hoofd, en zij deden hem een purperen bovenkleed om, en zeiden: Gegroet, Koning van de Joden! En zij gaven hem slagen in het gezicht.
Pilatus dan kwam weer naar buiten en zei tegen hen: Zie, ik breng hem tot u naar buiten, opdat u weet dat ik geen schuld in hem vind. Yeshua dan kwam naar buiten met de doornenkroon op en het purperen bovenkleed aan. En Pilatus zei tegen hen: Zie, de Mens!
Toen dan de overpriesters en de dienaars hem zagen, schreeuwden zij: Aan de paal; aan de paal! Pilatus zei tegen hen: Neemt u hem en hangt hem aan een paal, want ik vind in hem geen schuld. De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en volgens onze wet moet hij sterven, want hij heeft zichzelf Gods Zoon gemaakt. Toen Pilatus dan deze woorden hoorde, werd hij nog meer bevreesd, en hij ging opnieuw het gerechtsgebouw in en zei tegen Yeshua: Waar komt u vandaan? Maar Yeshua gaf hem geen antwoord. Pilatus dan zei tegen hem: Spreekt u niet tot mij? Weet u niet dat ik macht heb u aan een paal te hangen, en macht heb u los te laten?
Yeshua antwoordde: U zou geen enkele macht tegen mij hebben, als het u niet van boven gegeven was; daarom heeft hij die mij aan u overleverde, een grotere zonde dan u. 


Van toen af probeerde Pilatus hem los te laten, maar de Joden schreeuwden: Als u deze loslaat, bent u niet Caesars vriend; iedereen die zichzelf koning maakt, verzet zich tegen Caesar. Toen Pilatus dan deze woorden gehoord had, bracht hij Yeshua naar buiten en ging op de rechterstoel zitten, op de plaats die Lithostrotos genoemd wordt, en in het Hebreeuws Gabbatha.
En het was de voorbereiding van Pesach, ongeveer het zesde uur; en hij zei tegen de Joden: Zie, uw Koning! Maar zij schreeuwden:
Weg, weg, aan de paal met hem! Pilatus zei tegen hen: Moet ik uw Koning aan een paal hangen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning dan Caesar. Toen leverde hij hem dan aan hen over om aan een paal te worden gehangen. En zij namen Yeshua mee en leidden hem weg.
(Johannes 19) 

Yeshua werd vervolgens inderdaad gedood; hij stierf aan de stauros, Grieks voor martelpaal. De Slang had een (voorlopige) overwinning behaald doordat hij erin was geslaagd het Zaad van de Vrouw een hielwond toe te brengen. 
Maar Yeshua’s sterven geschiedde wel plaatsvervangend, precies zoals in de slotverzen van Js 53 bijvoorbaat over Ebed YHWH was geprofeteerd: 


Maar het behaagde YHWH hem te verbrijzelen; Hij maakte hem ziek.
Als zijn ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nageslacht zien; hij zal de dagen verlengen; het welbehagen van YHWH zal door zijn hand voorspoedig zijn. Om de moeitevolle inspanning van zijn ziel zal hij het zien. Door de kennis van hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken, want hij zal hun ongerechtigheden dragen.
Daarom zal Ik hem veel toedelen, en met machtigen zal hij buit verdelen, omdat hij zijn ziel zelfs in de dood heeft uitgestort en onder de overtreders werd geteld, omdat hij de zonden van velen droeg en voor de overtreders ging bemiddelen.

 

De koninklijke Steen

Wanneer we in deze fase van onze studie een tussenbalans opmaken in verband met ons thema, moeten we wel concluderen dat de dagen van de Staat Israël geteld zijn. 
De vrees van Mordechai Kedar is terecht, de Staat Israël heeft [al bijna] zijn tijd gehad! 
Zie de Inleiding, alsook deze link.

En dat heeft niet in de eerste plaats te maken met de dreiging van een verschijnende parallelle Palestijnse Staat, maar veeleer met het voornemen van YHWH Elohim - zijn goddelijk plan - dat op veel plaatsen in de Tenach onder onze aandacht komt, maar wel bijzonder helder werd geformuleerd in Daniël 2:44-45 >>

En in de dagen van die koningen [van vers 43 > de ijzer/leem Rijken] zal de God des hemels evenwel een Koninkrijk oprichten dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die andere koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.
Daarom aanschouwde je
dat, niet door mensenhanden, uit de berg een steen werd gehouwen, die het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft aan de koning bekendgemaakt wat er hierna geschieden zal. De droom is waarachtig en de uitleg ervan betrouwbaar. 

De Staat Israël is niet uit YHWH Elohim; het is een menselijk politiek maaksel, niet verschillend van alle andere politieke heerschappijen. Ze berust op het Zionistische ideaal en functioneert op democratische grondslag, niet op een theocratische. 
Ze moet daarom in de eindtijd het veld ruimen – tezamen met alle vormen van menselijke heerschappij – om plaats te maken voor het te herstellen theocratische Rijk van David. 

In de vv 34 en 35 van Dn 2 had de profeet al, toen hij bezig was Nebukadnezars droom te verklaren, toegelicht hoe dat Davidische koninkrijk zou worden voortgebracht: als een Steen die uit de ‘berg’ van Gods absolute soevereiniteit zou worden gehouwen. 
Vervolgens zou die Steen met een ongelofelijke snelheid en kracht naar de voeten van het politieke wereldbestel suizen, en dat totaal verbrijzelen. De Steen zelf zou echter uitgroeien tot een grote Berg en de gehele aarde vullen. Zich richtend tot koning Nebukadnezar sprak Daniël: 

Hier keek u naar, totdat er - niet door mensenhanden - een steen werd afgehouwen. Die trof dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde die. Terstond werden toen het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud alle tezamen verbrijzeld. Ze werden als kaf op een zomerdorsvloer. De wind voerde ze weg, zodat er geen spoor van teruggevonden werd. Maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg en vulde de hele aarde.

Het is van het grootste belang om te onderscheiden van welke aard die ijzer/leem Rijken van de eindtijd zullen zijn, ten tijde dat het Masjiachrijk wordt opgericht. 

In de Studie De rol der demonen in de eindtijd  hebben we onder het kopje Daniël die kwestie behandeld, uiteraard met gebruikmaking van de vele aanwijzingen die Gods geïnspireerde Woord ons dienaangaande verschaft.

 
Nu er sinds de catastrofe van 70 AD niet minder dan 1944 jaar zijn verstreken schijnt men het vertrouwen dat Israël ertoe bestemd is om als een priesterlijk koninkrijk tot zegen te worden voor alle Heidenvolken, de Gojim, bijna geheel verloren te hebben.

Zie: Genesis 22:15-18 en Exodus 19:3-6

Sinds de cultische handelingen - door een Levitische priesterschap te verrichten binnen een tempelheiligdom - niet langer konden worden nagekomen, is de joodse godsdienstijver in de eeuwen na 70 geleidelijk steeds meer gekanaliseerd tot een nimmer aflatende Talmoedische Torahstudie. 
Intussen, na zoveel eeuwen, had men toch wel eens tot het inzicht mogen komen dat er in 70 AD iets onherstelbaars was gebeurd! 

Maar het is natuurlijk tevens onvoorstelbaar dat YHWH Elohim intussen, nu al meer dan 19 eeuwen, alsmaar stil zou hebben gezeten en heel zijn schitterende voornemen dat hij in Abraham kenbaar had gemaakt, op z’n beloop zou hebben gelaten! Het is toch niet aannemelijk om iets dergelijks te geloven! 
Vergelijk: Jesaja 55:9-11Zijn Woord keert niet ledig tot hem terug

Vanzelfsprekend niet! Het wordt daarom de hoogste tijd de ware feiten onder ogen te zien. En nu we het toch over de koninklijke Steen hebben, is het wellicht niet ongepast om elkaar te herinneren aan de noodzaak om het stenen hart jegens Masjiach Yeshua - mocht zo’n hart bij de lezer nog aanwezig zijn - te verwijderen.

Ezechiël zou ons aanraden: Laat dat stenen hart toch ‘smelten’. 

In werkelijkheid kleedede hij zijn oproep in volgens de ‘taal’ der goddelijke inspiratie door Elohims roeach, t.w. een stenen hart te vervangen door een hart van vlees (hdst 36):

Ik zal jullie uit de Heidenvolken halen en jullie uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik jullie naar het eigen land brengen. Ik zal rein water op jullie sprenkelen en jullie zult rein worden. Van al jullie onreinheden en van al jullie stinkgoden zal Ik jullie reinigen.
Dan zal Ik jullie een nieuw hart geven en een nieuwe geest in jullie binnenste.
 Ik zal het hart van steen uit jullie lichaam wegnemen en jullie een hart van vlees geven. Ik zal mijn geest in jullie binnenste geven. 

Eén manier om het (eventueel nog aanwezige) stenen hart te vervangen door een hart van vlees, is gelegen in de erkenning dat veel beelden en profetie uit de Tenach slechts dan tenvolle begrepen kunnen worden wanneer men ook de aanvullende informatie tot zich wil nemen die in de 27 Boeken van het Nieuwe Verbond gevonden worden, alle eveneens door YHWH Elohim ‘geademd’.


In zijn Romeinenbrief, hoofdstuk 9 schreef de bekende Saulus uit de stam Benjamin over de joodse situatie zoals zich die in zijn dagen bezig was te ontwikkelen: 

Ik spreek waarheid in Messias, ik lieg niet daar mijn geweten met mij getuigt in heilige geest, dat er bij mij een grote droefheid is, en een onophoudelijke pijn in mijn hart. Want ik zou wel wensen zelf vervloekt te zijn, weg van de Messias, ten gunste van mijn broeders, mijn verwanten naar vlees, die Israëlieten zijn; aan wie het zoonschap en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de dienst voor God en de beloften [behoren], van wie de vaderen [zijn], en uit wie de Messias [is] wat het vlees betreft. Hij die over alles is, God, gezegend tot in eeuwigheid. Amen!

Voor commentaar, zie deze link

Saulus (Paulus) moest echter ook erkennen dat YHWH Elohim zijn volksgenoten tegen die tijd, rond 57 AD, opgesloten had in hun ongehoorzame en halsstarrige houding jegens hun Masjiach. Aan zijn gelovige broeders uit de Gojim schreef hij het volgende: 


Want ik wil niet, broeders, dat jullie onwetend zijn van dit geheimenis - opdat jullie niet volgens eigen inzicht bezig zijn - dat er voor een deel verharding over Israël kwam, totdat de volheid der Heidenvolken is binnengekomen. 

 

De verharding is dus tijdelijk! Er komt een einde aan!

Hoewel tot op heden al meer dan 1980 jaar voortdurend, komt de verharding ten einde; althans in samenhang met een (nog) te verschijnen Overblijfsel. Wanneer?

De apostel geeft de bestemde tijd aan voor de definitieve wending: Wanneer alle leden van Yeshua’s Gemeente, die overwegend - naar het beeld van de Heidin Ruth – uit de Gojim werden geroepen, zijn ‘binnengekomen’.

Daarna kan de de laatste (70ste) Jaarweek aanbreken en zal de ‘klok’ voor de aardse gemeente van het Israël Gods weer gaan ‘lopen’.

Vandaar dat Paulus, onder inspiratie van Elohims roeach verder kon constateren:


En zo zal heel Israël
[het genoemde Israël Gods, hemels en aards] gered worden, zoals geschreven staat:
De
Verlosser zal uit Sion komen, hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit zal voor hen mijn verbond zijn, wanneer ik hun zonden zal hebben weggenomen.

Naar het Evangelie [zijn zij, de joodse ongelovigen] weliswaar vijanden omwille van jullie, maar naar de verkiezing [die altijd is gebleven] geliefden vanwege de vaderen. Want onberouwlijk [zijn] de genadegaven en de roeping van God.

Zie hier de verklaring voor Israëls godsdienstige situatie tijdens de afgelopen 20 eeuwen. Gods Vrouwnatie is in afwachting van zijn barmhartigheid: bevrijd worden uit de opsluiting in ongehoorzaamheid. Zoals de Gojim eens opgesloten zaten in ongehoorzaamheid, is Israël in de Eerste eeuw hetzelfde overkomen.

Voor uitgebreider commentaar, zie Romeinen 11.

De 70ste Week

 

Maar eerst terug naar de Jaarwekenprofetie van Daniel in Dn 9:27, waar wordt aangekondigd wat we van de Pseudomasjiach mogen verwachten in de 70ste Jaarweek. Indien de lezer nota wil nemen van deze link, zal hem ongetwijfeld helder worden wat die laatste Jaarweek voor Israël als volk zal brengen: 

1.) De Masjiach op wie Israël al zo lang wacht zal zich ontpoppen als een antimessiaanse macht. 

2.) Ondanks zijn twijfelachtige geloofsbrieven zal hij door het overgrote deel van het volk worden ingehaald omdat hij zich zal profileren als een Weldoener die de Levitische tempelcultus zal laten herleven. 

3.) Op de helft van de Week zal hij zijn masker afwerpen en zijn verbond met de Joden verbreken: Slachtoffer en spijsoffer zal hij doen ophouden. 
Js 33:7-8 wordt vervuld: Hij heeft het verbond verbroken, steden veracht, mensen niet geteld. 

In Jesaja 8:21-22 schijnt op die rampspoedige situatie gezinspeeld te worden:


Zij zullen in het land rondom gaan, zwaar gedrukt en hongerig; en als zij honger lijden, zullen zij toornig worden, en hun koning en hun God vervloeken; en zij zullen naar omhoog staren en zullen de aarde aanzien, en niets vinden dan droefenis en duisternis; want zij zijn verbijsterd door angst, en gaan dwalend in het duister. 

In Jesaja 9:3 wordt zijn tirannieke overheersing profetisch beschreven: 


Het juk dat zij torsten, de draagstang op hun schouders, de staf van hun drijvers hebt gij verbroken, als op de Midiansdag. 

4.) Hij zal zijn eigen cultus starten door het oprichten van een verwoestende gruwel.
De profeet Daniël beschreef (in Dn 12) die wending in de gebeurtenissen aldus: 


En vanaf het moment dat het dagelijks offer wordt afgeschaft en een verwoesting brengend afgodsbeeld is opgericht, zullen er twaalfhonderdnegentig dagen verstrijken

Zijn eigenlijke bedoelingen zullen voor iedereen openbaar worden: 
a.) Het uitoefenen van tirannieke macht; 
b.) Grove zelfverheerlijking; 
c.) De ware aanbidding van YHWH Elohim uitroeien. 

In het hoogst profetische Boek Daniël komen die zaken allemaal in beeld. Met name moeten we wijzen op Dn 7:25 en 12:7, waaruit we bij voorbaat vernemen dat die Pseudomasjiach tijdens de Tweede helft van de Week, dus 3½ jaar, een getrouw joods Overblijfsel hevig zal verdrukken: 


Hij zal zelfs woorden spreken tegen de Allerhoogste en de heiligen van het Opperwezen voortdurend bestoken. Hij zal eropuit zijn tijden en wet te veranderen en zij zullen in zijn hand worden gegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd. 

Israëls ontrouwe deel – uw broeders die jullie haten en buiten sluiten (Js 66:5) - zal hem, bij zijn onderdrukking van een getrouw joods overblijfsel, helaas maar al te graag ondersteunen. Dat zal die vijanden echter geen zegen brengen. Integendeel, het zal hun zeer slecht vergaan. In hun eigen vermeende ‘heiligdom’ zal Elohim hun afvalligheid jegens Hem met wraak vergelden zoals uit Js 66:6 blijkt.

 

Het Israël Gods

Al enkele malen hebben we aan de hand van de Jaarwekenprofetie, met name vers 26 van Daniël 9, met elkaar besproken dat er na afloop van de 69e Week - toen Masjiach Yeshua werd ‘afgesneden’ in een offerdood - sprake was van een ‘gap’ of tussenperiode die zou voortduren totdat tenslotte de 70ste Week zou aanbreken.

Zie dit commentaar.

In die tussenperiode, die in zomer 33 AD aanving en nu dus al eer dan 1980 jaar voortduurt, was (en is nog steeds) Israël aan zichzelf overgelaten, opgesloten in haar situatie van ongehoorzaamheid. Aan de in vers 24 genoemde overtreding is nog altijd geen einde gekomen, t.w. de overtreding bij uitstek. 
Hierboven gaven we eerder aan dat het voor YHWH Elohim ondenkbaar is dat Hijzelf in al die tussenliggende jaren werkeloos zou hebben toegezien. Iets dergelijks is volkomen uitgesloten. 


Van de wijze waarop Hij zijn voornemen in die ‘tussenperiode’ verder uitwerkte kregen we eveneens al eerder een indruk aan de hand van wat de Benjaminiet Saulus in Romeinen 11:25-26 schreef: 

Want ik wil niet, broeders, dat jullie onwetend zijn van dit geheimenis - opdat jullie niet volgens eigen inzicht bezig zijn - dat er voor een deel verharding over Israël kwam, totdat de volheid der Heidenvolken is binnengekomen. En zo zal heel Israël [het Israël Gods, hemels en aards] gered worden

Waar doelde Saulus op?
Antwoord: Op het bijeenbrengen van alle leden – Joden en Heidenen [Gojim] – die in Gods voornemen zijn geroepen om tot een andere gemeente te gaan behoren, namelijk tot de gemeente van de Masjiach zelf; een gemeente die in de boeken van het Nieuwe Verbond meestal wordt aangeduid als Yeshua’s Lichaam, d.i. zijn Gemeentelichaam waarvan hij Hoofd is. 

Het zal veel joodse mensen ongetwijfeld uiterst dubieus voorkomen dat er, naast de gemeente van natuurlijk Israël, bij de Sinaï gesticht, nog een tweede gemeente door Elohim tot bestaan zou worden geroepen. 
De belofte, aan Abraham gedaan – dat zijn zaad tot zegen zou worden voor de Gojim – wordt toch vervuld door Gods vanouds uitverkoren volk, en wel doordat Israël uiteindelijk tot een priesterlijk koninkrijk gemaakt zal worden!

Zeker, dat is volkomen juist. Het staat aangegeven in Exodus 19:3-6.
Maar…, Israël zal die taak hier, op deze aarde, vervullen in een menselijke hoedanigheid. Precies dus zoals aan aartsvader Jakob in zijn droom bij Luz (Bethel) werd toegezegd:

 


Ik ben YHWH, de God van je vader Abraham en de God van Isaäk. Het land, waarop je ligt, aan jou zal ik het geven en aan je zaad. Jouw zaad zal zijn als het stof der aarde; je zult je uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. En in jou en in jouw zaad zullen alle families van de aardbodem gezegend worden. 


Maar waaraan ontlenen mensen, zelfs zij die in een hoedanigheid van priesters dienen, de bovennatuurlijke vermogens om een doodzieke mensheid te genezen en op te heffen tot een Edense volmaaktheid? 

Dat lijkt mij niet alleen een goede, maar ook een zeer terechte vraag (!)

Aan welke bron ontlenen mensen op aarde - zelfs zij die in een hoedanigheid van priesters dienen - de bovennatuurlijke vermogens om een doodzieke mensheid te genezen en op te heffen tot een Edense volmaaktheid? 

Het antwoord is uiteraard overduidelijk: Die krachten moeten uit een bovennatuurlijke bron komen! 
Het bewijs daarvoor werd al tijdens Yeshua's dienst op aarde geleverd. Zelfs hij, de Masjiach zelf, erkende volmondig die waarheid: De Vader is groter dan ik
(Jh 14:28)


Toen hij eens door een menigte werd omringd benutte een vrouw die al 12 jaar aan een ernstige bloedvloeiing leed het gedrang om hem heen om ongezien bij hem te komen teneinde zijn kleed aan te raken, in de hoop op herstel. Gezien alle dingen die zij over Yeshua had vernomen, was zij bij zichzelf tot de conclusie gekomen: Als ik maar iets van zijn kleed aanraak, zal ik beter worden.

Zie het commentaar op Lukas 8:40-56 > Dochtertje van Jaïrus; de vrouw met de bloedvloeiing   

Zo’n actie was voor die vrouw een ongehoorde daad, gezien haar onreine toestand volgens de Wet (Lv 15:25). In die situatie mocht zij met niemand in contact komen, want daardoor zou zij haar onreinheid op die persoon overdragen. Maar vol geloof begaf zij zich tussen de menigte en slaagde er in bij de Masjiach te komen en hem aan te raken. En zij werd in haar geloof bevestigd: Onmiddellijk droogde de bron van haar bloed op. Ook zelf bemerkte zij dat genezing een feit was. 

Of zij iets wist van de diepere betekenis van het zonde-offer weten wij niet. In ieder geval ervoer zij wat in Lv 6:24-27 over de kracht van dat offer staat geschreven:


Op de plaats waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht van YHWH geslacht worden. Het is allerheiligst.
De priester die het als zondoffer offert, moet het ook eten. Op een heilige plaats moet het gegeten worden, in de voorhof van de tent van ontmoeting.
Ieder die het vlees ervan aanraakt, wordt erdoor geheiligd. 


In Lukas 8:45-48 lezen we wat er vervolgens plaats vond:


Yeshua zei: Wie is het die mij heeft aangeraakt? Toen nu allen ontkenden, zei Petrus: Meester, de menigten sluiten je volledig in en staan aan alle kanten te dringen. Maar Yeshua zei: Iemand heeft mij aangeraakt, want zelf heb ik bemerkt dat kracht van mij is uitgegaan. Toen nu de vrouw zag dat zij niet onopgemerkt was gebleven, kwam zij bevend [naderbij], en voor hem neervallend vertelde zij voor het aangezicht van heel het volk om welke reden zij hem had aangeraakt en hoe zij op hetzelfde ogenblik werd genezen. Hij nu zei tot haar: Dochter, je geloof heeft je gered, ga heen in vrede.


Velen in de menigte kwamen door het gedrang met Jezus in aanraking, maar zonder enig heilzaam gevolg voor hen. De aanraking door de vrouw die in geloof had plaats gevonden, had echter ogenblikkelijk effect.
Aangezien zij niet in de anonimiteit kon blijven zag deze vrouw zich genoodzaakt haar situatie - voor haar een bron van schaamte en verlegenheid- open te leggen. 

Daardoor werd echter ook voor iedereen duidelijk met welke edele motieven zij had gehandeld; haar volledig vertrouwen in de macht van de Masjiach, Yeshua, had haar geholpen alle scrupules opzij te zetten.
Maar in het bijzonder van belang is wat Yeshua zelf vaststelde: Iemand heeft mij aangeraakt, want zelf heb ik bemerkt dat kracht van mij is uitgegaan. 

Deze uitspraak levert bij hen die Yeshua als God en tegelijkertijd als mens bezien - zoals in de kerkelijke christenheid algemeen het geval is - een probleem op. Zij kunnen zich niet voorstellen dat de genezing buiten de wil van de Messias om was geschied en dat hij - op zinnelijk waarneembare wijze - kracht uit zichzelf had voelen gaan. 
Maar die personen gaan voorbij aan bepaalde bijbelse uitspraken, daarop neerkomend dat tijdens zijn bediening YHWH Elohim in werkelijkheid Degene was die alle wonderdaden verrichtte met zijn Zoon als intermediair.

Wij kunnen gemakkelijk inzien hoe diep in het lichamelijke organisme van de vrouw moest worden ingegrepen om de bloedvloeiing tot stilstand te brengen. Yeshua was als de ‘laatste Adam’ weliswaar een volmaakt mens, maar nog altijd volkomen menselijk (Lukas 1:26-33; 1 Korinthe 15:45). 
Zonder bovennatuurlijke invloed zou hij als slechts mens deze en andere wonderen nooit tot stand hebben kunnen brengen. Bovennatuurlijke invloed was een onontbeerlijke factor en daarin voorzag zijn Vader God door de werking van zijn heilige, werkzame kracht: zijn geest.

Precies zo zal het ook gaan in het Messiasrijk. De joodse heiligen zullen op aarde dat van origine hemelse Rijk vertegenwoordigen en tot zegen van de mensheid werkzaam zijn. Maar ook al worden zij, de leden van het aardse deel van het Israël Gods, tot een ‘nieuwe schepping’ gemaakt, hun invloed zal beperkt zijn. De bovennatuurlijke invloed van het hemelse deel zal tot de werkelijke genezing van de Heidenvolken [Gojim] leiden, en daarom de doorslaggevende factor vormen. 

Maar met die conclusie zijn we dan tevens terug bij die andere gemeente die in het voornemen van Elohim YHWH een plaats en bestemming heeft gekregen, de hemelse gemeente van het Israël Gods.

 

Zoals hierboven werd aangegeven kan men de geschiedenis over de bewuste vrouw en haar genezing nalezen in deze link: Lukas 8:40-56 > Dochtertje van Jaïrus; de vrouw met de bloedvloeiing   
Merk daarin op dat de genezing van de vrouw en de opwekking van het dochtertje van Jaïrus beide wonderdaden betroffen die geplaatst moeten worden in een eindtijd perspectief, wanneer er een ontwaken zal aanbreken voor een ogenschijnlijk dood nationaal Israël. De ‘dubbele’ 12 jaar lijkt aan die opvatting extra steun te verlenen. Het is eigenlijk één verhaal met twee aspecten.

 

Ja, die andere gemeente die in het voornemen van YHWH Elohim een plaats en bestemming heeft gekregen. En waarom?
Omdat alleen met bovennatuurlijke steun vanuit de hemel de aardse gemeente metterdaad tot zegen kan worden voor de Heidenvolken. 

Het betreft dus geen aardse, maar een hemelse gemeente. Weliswaar worden de leden daarvan hier op aarde als mensen ‘geroepen’ om tot die gemeente te gaan behoren, maar door middel van een hemelse opstanding zullen zij zich mettertijd in de hemelsferen met hun Hoofd, Masjiach Yeshua, verenigen tot één Lichaam. 
De al enkele malen geciteerde Saulus omschreef onder goddelijke inspiratie die bestemming in Efeziers 1:3-10 aldus: 


Gezegend de God en Vader van onze Heer Yeshua Masjiach, die ons zegende in alle geestelijke zegen in de hemelsferen in [de] Masjiach, gelijk hij ons in hem verkoos vóór [de] grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde bestemde hij ons tevoren tot zoonschap voor zichzelf, door Yeshua Masjiach, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof der heerlijkheid van zijn liefderijke gunst, waarmee hij ons in de Geliefde begunstigde. In wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving der overtredingen, naar de rijkdom van zijn liefderijke gunst, waarmee hij jegens ons overvloedig was, in alle wijsheid en inzicht. 

Hij maakte ons namelijk het geheimenis van zijn wil bekend, naar zijn welbehagen dat hij zich had voorgenomen in hem, voor een huisbestuur van de volheid der tijden, om alle dingen onder één Hoofd samen te brengen in de Masjiach; de dingen met betrekking tot de hemelen en de dingen op de aarde, in hem, in wie wij ook tot erfgenamen werden gemaakt, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van hem [Elohim] die alle dingen tot stand brengt naar het raadsbesluit van zijn wil.


Commentaar is te vinden bij deze link
Eigenlijk zouden joodse mensen - zij die geheel op YHWH Elohim en zijn regeling tot redding van de mensheid gericht zijn - de eersten moeten zijn om te onderscheiden dat er naast de (eigen) aardse gemeente, ook nog een hemelse tot bestaan zou moeten worden gebracht. Waarom?

Omdat de waarheden daaromtrent reeds [in voorafbeelding] onderscheiden konden worden in de wijze waarop de oorspronkelijke Tabernakelregeling functioneerde. 
Immers, in het Voorhof dienden zowel de priesters, de zonen van Aäron, als hun priesterlijke helpers, de Levieten. En zij allen waren aldaar voor iedereen zichtbaar.
Maar alleen de priesters gingen het werkelijke Heiligdom binnen. 


In die Eerste afdeling, het Heilige, waren zij niet voor anderen zichtbaar, en bovendien – allerbelangrijkst – verrichtten zij daar hun dienst in een hemelse sfeer, een bovennatuurlijke entourage. Zij waren namelijk aan alle zijden omringd door hemelse figuren, afbeeldingen van cherubim: 


De Tabernakel dient gij te maken maken van tien tentkleden, van dubbeldraads fijn linnen en blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol. Met cherubim erop, borduurderswerk, dient gij ze te maken (Ex 26:1). 


Daarover meer later, want allereerst is het noodzakelijk een groot misverstand uit de weg te ruimen. En wel een zeer groot misverstand: 

DE HEMELSE GEMEENTE, HET LICHAAM VAN DE MASJIACH, HEEFT NIETS, MAAR DAN OOK HELEMAAL NIETS TE MAKEN MET DE KERKELIJKE CHRISTENHEID. 


De tarwe en het onkruid


Die kerksystemen, waarvan de Roomskatholieke kerk (het Vaticaan), de Oosters-orthodoxe Kerk en de Protestantse stelsels de voornaamste zijn, en die door de eeuwen heen bergen van verdriet hebben gebracht over joodse mensen in hun diaspora-situatie, zijn slechts een aanfluiting geweest, een misvorming, een karikatuur van waar Christendom
En ook die waarheid had iedere aandachtige Bijbellezer al lang geleden voor zichzelf kunnen vaststellen, want Yeshua zelf gaf tijdens zijn verblijf op aarde al profetisch te kennen dat er heel vlug - na zijn heengaan - een dergelijke imitatie, een wanprodukt van de Satan, zou worden voortgebracht; een verdorven religieus stelsel maar dat wel zou claimen Yeshua’s ware Gemeente te zijn. 

Hij deed dat in een fase van zijn onderwijscampagne dat hij bij het aankondigen van het Messiasrijk – het koninkrijk der hemelen zoals hijzelf bij voorkeur zei – van het gebruik van eenvoudige, klare taal was overgegaan tot het spreken in parabels. 
Waarom die wending? 

Het antwoord luidt omdat de joodse elite van die dagen, de religieuze bovenlaag van het volk, in het bieden van hardnekkige tegenstand aan Yeshua toentertijd een grens had overschreden. Toen Gods Zoon namelijk, als ‘intermediair’ van zijn hemelse Vader, een door demonen bezeten mens - die bovendien blind en stom was - genas, schreven de religieuze leiders dat wonder boosaardig toe aan een werking van de Satan, Beëlzebub, hij die het opperhoofd is van de demonen.
Mattheüs heeft van die gebeurtenis aldus verslag gelegd: 


Toen bracht men een door demonen bezetene tot hem die blind en stom was; en hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag. Alle omstanders raakten eenvoudig in vervoering en zeiden: “Is dit niet misschien de Zoon van David?” 
Toen de Farizeeën dit hoorden, zeiden zij: “Deze mens werpt de demonen slechts uit door bemiddeling van Beëlzebub, de heerser der demonen.” 


Aangezien Yeshua wist wat zij dachten zei hij tot hen:

 

“Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, komt tot verwoesting en iedere stad of ieder huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal geen stand houden. Wanneer Satan dus Satan uitwerpt, is hij tegen zichzelf verdeeld geworden; hoe zal zijn koninkrijk dan standhouden.. ?

Maar als ik door de geest van God de demonen uitwerp, dan is het koninkrijk Gods werkelijk onverwachts tot jullie gekomen… Wie niet aan mijn zijde staat, is tegen mij, en wie niet met mij bijeenbrengt, verstrooit.
Daarom zeg ik jullie:
Iedere soort van zonde en lastering zal de mensen worden vergeven, maar de lastering tegen de geest zal niet worden vergeven. Spreekt iemand bijvoorbeeld een woord tegen de Mensenzoon, het zal hem worden vergeven; maar spreekt iemand tegen de heilige geest, het zal hem niet worden vergeven, neen, niet in deze eeuw, noch in de toekomende 
(Mt 12:22-32).


Bijgevolg ‘verpakte’ Yeshua de kostbare waarheden betreffende het koninkrijk der hemelen voortaan zorgvuldig in illustraties of parabels, welke door zijn joods gehoor met een hardnekkige gezindheid niet doorgrond konden worden. 
Erger nog, door de parabels zouden zij geheel 'op het verkeerde been worden gezet' en concluderen dat hij, Yeshua, wartaal sprak! 
Op een gegeven moment vroegen zijn eigen leerlingen naar de reden van zijn gewijzigde onderwijsmethode: 



De leerlingen dan kwamen naar hem toe en zeiden tot hem: “Waarom spreekt gij tot hen door middel van parabels?” Hij gaf ten antwoord: “Jullie is het gegeven de heilige geheimen van het koninkrijk der hemelen te begrijpen, maar hun is het niet gegeven. Want wie heeft, hem zal meer worden gegeven en hij zal overvloed verkrijgen; maar wie niet heeft, hem zal zelfs wat hij heeft, nog ontnomen worden. 

Dit is de reden waarom ik tot hen spreek door parabels,
omdat zij, ofschoon zij kijken, tevergeefs kijken, en ofschoon zij horen, tevergeefs horen, noch de betekenis ervan begrijpen; en ten aanzien van hen gaat de profetie van Jesaja in vervulling, welke luidt: 

Door te horen, zult gij horen, maar geenszins de betekenis ervan begrijpen, en door te kijken, zult gij kijken, maar geenszins zien. Want het hart van dit volk is vet geworden, en met hun oren hebben zij gehoord zonder te reageren, en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij nimmer met hun ogen zouden zien en met hun oren horen en met hun hart de betekenis ervan begrijpen en terugkeren, en ik hen gezond zou maken. 
(Ontleend aan Js 6:9-10; LXX)

Gelukkig zijn jullie ogen echter omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen.Want ik verzeker jullie: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd de dingen te zien die jullie aanschouwen en hebben ze niet gezien, en de dingen te horen die jullie horen en hebben ze niet gehoord.”
(Mt 13:10-17)


Welnu, precies binnen deze context sprak hij de parabel van de Tarwe en het Onkruid uit, welke achteraf bezien een profetische aankondiging bleek te zijn van de wijze waarop het door de Masjiach gezaaide Evangeliewoord al vlug binnen de afvallige kerkstelsels op Satanische wijze werd overwoekerd door onkruidachtige leringen.
Dit is wat de Masjiach sprak: 


“Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens die voortreffelijk zaad op zijn akker zaaide. Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid [dolik] overheen, midden tussen de tarwe, en ging weg. Toen de halmen opschoten en vrucht voortbrachten, kwam vervolgens ook het onkruid te voorschijn. Daarom gingen de slaven van de heer des huizes naar hem toe en zeiden: ’Meester, hebt gij niet voortreffelijk zaad op je akker gezaaid? Hoe komt het dan dat er onkruid op staat?’ Hij zei tot hen: ’Een vijand, een mens, heeft dit gedaan.’ Zij zeiden tot hem: ’Wilt gij dan dat wij heengaan en het verzamelen?’ Hij zei: ’Neen, opdat gij niet soms bij het verzamelen van het onkruid tegelijk daarmee de tarwe uittrekt. Laat beide tezamen opgroeien tot de oogst, en in de oogsttijd zal ik de oogsters zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bundels om het te verbranden, en gaat daarna de tarwe in mijn voorraadschuur bijeenbrengen.’”
(Mt 13:24-30).


Hoewel zijn leerlingen niet meteen alle aspecten van deze parabel naar waarde konden schatten, begrepen zij wel heel goed dat hun Masjiach iets onheilspellends had aangekondigd. Dus informeerden zij bij hem naar de juiste uitleg: 


„Verklaar ons de parabel van het onkruid [de dolik] op de akker.” 
Hij gaf ten antwoord: „De zaaier van het voortreffelijke zaad is de Mensenzoon; de akker is de wereld; het voortreffelijke zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk; maar het onkruid zijn de zonen van de goddeloze, en de vijand die het zaaide, is de Duivel.
 De oogst is
[de] voleinding der eeuw en de oogsters zijn engelen. Zoals daarom het onkruid wordt verzameld en met vuur wordt verbrand, zo zal het ook gaan in de voleinding der eeuw. De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden en zij zullen alle dingen die aanleiding tot struikelen geven en degenen die wetteloosheid bedrijven, uit zijn koninkrijk verzamelen, en zij zullen hen in de vuuroven werpen. Daar zullen [zij] wenen en knarsetanden. In die tijd zullen de rechtvaardigen zo helder schijnen als de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft, hij luistere. 
(Mt 13:36-43)

 

Voor uitgebreider commentaar op de Jesaja-profetie, zie: 

Verblindt God de ogen van mensen?

Yeshua’s parabel over de tarwe en het onkruid (dolik) bleek – en blijkt nog steeds - zeer onthullend te zijn met betrekking tot de werkelijke situatie van de hemelse gemeente. Al vroeg na haar begin, tijdens Sjavoeot van 33 AD, toen vanuit de hemel de geest werd uitgestort op de eerste 120 leden, en alle eeuwen door die daarna volgden - helemaal tot op de dag van heden - is ze vanwege het overwoekerende onkruid aan echte waarneming onttrokken gebleven. 
Toen hij de parabel vertelde bleek Yeshua reeds van tevoren te weten dat zijn gemeente uit het beeld zou verdwijnen, en dat die droevige situatie eeuwenlang zou voortduren.

En inderdaad, al snel na de dood van de apostelen – toen de mensen sliepen (Mt 13:25) - begonnen afvallige leraren vanuit de gemeente zelf de leiding in handen te nemen. Ze gingen verdraaide dingen spreken om de leerlingen achter zichzelf aan te trekken, precies zoals Paulus (Saulus) had voorzegd: 


Ik weet dat na mijn heengaan onderdrukkende wolven bij jullie zullen binnendringen die de kudde niet sparen; zelfs mannen uit jullie eigen kring zullen opstaan en verdraaide dingen spreken om de leerlingen achter zich aan te trekken.

(Handelingen 20:29, 30) 


Het gevolg was dat velen ’afvielen van het geloof’. Ze werden ’tot onware verhalen en leringen van demonen gekeerd’. Zie link

The New Dictionary of Theology zegt dat tegen de Vierde eeuw het katholieke ‘christendom’ de officiële godsdienst van het Romeinse Rijk was geworden. Er had een samensmelting van de kerkelijke en de burgerlijke samenleving plaats gevonden — een samengaan van Kerk en Staat dat lijnrecht in strijd was met de overtuiging van de vroege christenen. 

Hetzelfde naslagwerk zegt dat mettertijd de hele structuur en aard van de kerk en ook veel van de fundamentele geloofspunten radicaal veranderde, onder meer door de invloed van neoplatonische modellen. Yeshua’s ware leerlingen werden steeds meer aan het gezicht onttrokken, terwijl de namaakchristenen steeds talrijker werden.

Yeshua’s toehoorders wisten hoe moeilijk het was om echte tarwe te onderscheiden van onkruid, zoals de giftige dolik, die tijdens de groei veel op tarwe lijkt. Met zijn parabel maakte de Masjiach dus duidelijk dat het een tijdlang moeilijk zou zijn om ware christenen van namaakchristenen te onderscheiden. 

Zie: De Afval.

Dit wil overigens geenszins zeggen dat de christelijke, hemelse gemeente ophield te bestaan, de tarwe zou intussen wel blijven groeien. Ondanks alles hebben ware christenen — individueel of in kleine groepjes — door de eeuwen heen ongetwijfeld hun best gedaan om aan de gezonde leringen van de Masjiach vast te houden. Maar ze vormden geen duidelijk herkenbare, zichtbare groep, en al helemaal geen georganiseerd kerkelijk stelsel. Zij waren de eenvoudige naamlozen, precies zoals Paulus had aangegeven in de Eerste Korinthebrief.
Citaat: Ontleend aan 1Ko 1:26-29 >> 


Let namelijk op jullie roeping, broeders, dat er niet veel wijzen naar het vlees [zijn], niet veel invloedrijken, niet velen van adel. Maar God verkoos voor zichzelf het dwaze van de wereld om de wijzen te beschamen, en God verkoos voor zichzelf het zwakke der wereld om het sterke te beschamen, en het onedele der wereld en het verachtelijke verkoos God voor zichzelf, wat niet is, om wat is teniet te doen, zodat geen vlees zou roemen voor Gods aangezicht.

Nu we het toch over naamlozen hebben, personen die zich in de anonimiteit bevinden, uit de hele Bijbel, te beginnen met de Tenach, komt het opvallende feit naar voren dat zich meestel juist onder die personen de werkelijke dienaren van YHWH Elohim bevinden. In tegenstelling tot de elitaire bovenlaag van het volk welke niet zelden die godvruchtige naamlozen onderdrukt, met name in hun uitingen van werkelijk geloof.

We zagen dat reeds in onze beschouwing van Mattheüs 12. 
Toen de Masjiach de door demonen bezetene die ook blind en stom was, genas en de omstanders in vervoering raakten en zeiden: Is dit niet misschien de Zoon van David?, gingen de Farizeeën er meteen toe over die uitingen van geloof te onderdrukken. Om het volk maar zoveel mogelijk monddood te maken, merkten ze smalend op: “Deze mens werpt de demonen slechts uit door tussenkomst van Beëlzebub, de heerser der demonen.” 

Iets soortgelijks deed zich voor toen Yeshua in 32 AD, tijdens zijn laatste Soekot, te Jeruzalem verbleef. Aangezien de Farizeeën zich mateloos ergerden aan Yeshua’s onderwijs, stuurden zij beambten er op uit om hem te grijpen. Maar die keerden na enige tijd met lege handen bij die religieus elitairen terug. Waarom? Lees het verslag mee in Johannes 7:45-49 >>


De beambten gingen daarom naar de overpriesters en Farizeeën terug, en de laatsten zeiden tot hen: „Waarom hebben jullie hem niet meegebracht?” De beambten antwoordden: „Nooit heeft iemand op deze wijze gesproken.” 
Waarop de Farizeeën antwoordden: „Zijn jullie soms ook misleid? Heeft soms één van de regeerders of van de Farizeeën geloof in hem gesteld? Maar deze schare, die de Wet niet kent, vervloekt zijn zij.”

 


Samengevat:

(a) Degenen die sinds Sjavoeot 33 AD werkelijk door YHWH Elohim zijn geroepen om leden te zijn van Yeshua’s Gemeentelichaam bleken vooral de naamlozen onder de mensen zijn: Niet veel wijzen naar het vlees, niet veel invloedrijken, niet velen van adel. Maar eerder het dwaze, het zwakke, het onedele en het verachtelijke der wereld. 

(b) Die ‘tarwechristenen’ waren nagenoeg alle eeuwen door aan het zicht onttrokken door de imposante, maar onkruidachtige kerkstelsels.

Saulus (Paulus) heeft onthuld door welk beginsel Elohim zich laat leiden door zijn oog vooral te laten vallen op de geringen, de eenvoudigen, de naamlozen onder de mensen: Niemand heeft dan nog enige aanleiding voor ‘borstklopperij’, voor eigen roem: Zodat geen vlees zou roemen voor Gods aangezicht. Het is alles onverdiende gunst van Gods zijde. 

Met die ‘aanpak’ toont hij de zogenaamde wereldwijze personen – binnen bepaalde kringen ook wel de sages genoemd - wat werkelijk bij hem telt, dat zij die ogenschijnlijk niets zijn - die in de wereld niet van enig belang worden geacht - dankzij de Almachtige in werkelijkheid alles bezitten wat echt van waarde is: ware wijsheid, werkelijke kracht, waar adeldom. 

In Jeremia 9:22-23 lezen we dienaangaande: 

Zo spreekt YHWH:
De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid,
de sterke niet op zijn kracht,
de
rijke niet op zijn rijkdom.
Als iemand zich ergens op wil beroemen,
dan moet hij zich erop beroemen
dat hij inziet en erkent
dat Ik, YHWH, genade schenk,
en recht en gerechtigheid vestig op aarde,
want
daarin heb Ik welbehagen
– godsspraak van YHWH

De godvruchtige naamlozen

 

Het beginsel dat Elohim sinds 33 AD met betrekking tot de roeping van de hemelse gemeente hanteert was toen dus beslist niet nieuw te noemen. Integendeel, ook binnen de gemeente van Israël richtte hij vrij geregeld zijn blik vooral op de naamloos godvruchtigen onder het volk. 
Met name het begrip van een godvruchtig overblijvend deel van Israël komt daarbij in beeld. 

Toen Elia bijvoorbeeld na zijn vlucht voor de moordzuchtige Izebel de Horeb bereikte, verzuchtte hij in zijn neerslachtige gemoedsstemming: 


Ik heb mij zeer voor YHWH, de God van de legermachten, ingezet. De Israëlieten hebben immers Uw verbond verlaten, Uw altaren omvergehaald en Uw profeten met het zwaard gedood. Ik alleen ben overgebleven, en zij staan mij naar het leven om het mij te benemen. 


Elia die zo bijzonder door Elohim was gebruikt op de berg Karmel in de confrontatie met de aanbidders van Baäl - waarbij hij met bovennatuurlijke hulp vuur uit de hemel had laten neerdalen - zelfs deze gewoonlijk onverschrokken en Elohim toegewijde profeet leek geen perspectief meer te zien. Hij beschouwde zichzelf als de enige en laatste getrouwe Israëliet. Voor zijn besef was de geschiedenis van God met zijn volk tot een droevig einde gekomen.

Elia vergiste zich evenwel, want YHWH Elohim liet hem weten dat hij voor zichzelf 7000 man had laten overblijven, die hun knie niet voor de valse god Baäl hadden gebogen. Vers 18 (van 1 Koningen 19) >> 


En ik heb er zevenduizend in Israël overgelaten, alle knieën die zich niet voor Baäl hebben gebogen, en elke mond die hem niet heeft gekust. 


Weliswaar wees Elohim op de getrouwe houding van die 7000, maar de waarde van zijn verklaring is gelegen in het feit dat Hij in die situatie zelf de hand had: Hijzelf had ervoor gezorgd dat die 7000 er waren. De continuïteit van Israël als gemeente was daarmee gewaarborgd; dankzij zijn soevereine verkiezing. 

In hoofdstuk 11 van zijn Romeinenbrief leidde Saulus [Paulus] daaruit terecht af dat bij zulke dieptepunten in Israëls historie er niettemin telkenmaal een overblijfsel verscheen waarmee de Almachtige alsnog een nieuw begin kon maken en dat ook werkelijk deed. Let wel: Met de naamlozen onder het Volk! 
Ja, over Elohims belangstelling voor de naamlozen valt nog heel wat op te merken! 
Men behoeft bijvoorbeeld slechts nota te nemen van de wijze waarop de Masjiach bij Israël binnengeleid zou worden:


1. Mariam, de ‘draagmoeder’

 

Gezien het feit dat Gabriël in het boek Daniël de zeer opvallende taak vervulde om namens Elohim aan de profeet belangrijke koninkrijksprofetieën over te dragen, verwondert het ons in het geheel niet dat die boodschapper rond 4005 AM naar Nazareth werd gezonden om de onbekende Mariam te informeren omtrent de buitengewone wijze waarop Elohim voornemens was zich van haar te bedienen: 

In de zesde maand [van de zwangerschap van haar nicht Elizabeth die Johannes zou baren, Yeshua’s voorloper die hem in Israël zou introduceren] nu werd de engel Gabriël van God vandaan gezonden naar een stad van Galilea, genaamd Nazareth, tot een maagd die ten huwelijk beloofd was aan een man, genaamd Jozef, uit Davids huis; en de naam van de maagd: Mariam.
En nadat hij bij haar was binnengetreden, zei hij: Verheug je, hooglijk begunstigde, de Heer is met je. Zij echter werd diep verontrust over het woord en zij vroeg zich af wat voor een begroeting dit wel mocht zijn. En de engel zei tot haar: Wees niet bevreesd, Mariam, want je hebt gunst gevonden bij God, en zie,
je zult in
[je] schoot ontvangen en een zoon baren, en zijn naam moet je noemen: Jezus. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten worden genoemd, en de Heer God zal hem de troon van zijn vader David geven, en hij zal als koning over het huis van Jakob regeren tot in eeuwigheid, en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn. 

Mariam echter zei tot de engel: Hoe zal dit zijn, daar ik geen gemeenschap heb met een man? En in antwoord zei de engel tot haar: Heilige geest zal op je komen en kracht des Allerhoogsten zal je overschaduwen;
daarom ook zal het heilige dat verwekt wordt, Gods Zoon worden genoemd. En zie, Elisabet, je verwante, zelfs zij is zwanger geworden van een zoon in haar ouderdom; en dit is voor haar die onvruchtbaar heette
[de] zesde maand, want bij God zal geen enkele uitspraak een onmogelijkheid zijn. 
Mariam nu zei: Zie, de slavin van de Heer, moge mij geschieden naar uw uitspraak. En de engel ging van haar heen. 

Mariam begreep heel goed welke toewijzing zij van Godswege ontving en ook dat het geen gemakkelijke zou zijn. Integendeel, zij moet ingezien hebben dat er van de zijde der mensen - die niet goed geïnformeerd waren en dat ook niet konden zijn - moeilijkheden te verwachten waren. 
Haar voorhuwelijkse zwangerschap zou ongetwijfeld verkeerd uitgelegd worden en haar de afkeuring van de mensen in haar omgeving bezorgen. 
Maar evenals Hanna [Elohims ‘âmâh ], een andere naamloze, toonde Mariam zich volledig bereid om zich als Gods slavin aan zijn raadsbesluit te onderwerpen (1Sm 1:11).

Voor de leden van het ware Israël Gods vormt dit een aanmoediging om zich te allen tijde volledig op Elohim en zijn Zoon te verlaten, in het vertrouwen dat zij in staat zijn ons voorbij onze menselijke beperkingen te voeren. Zie link.

 

2. De Herders

 

Ondanks het feit dat Mariam, de ‘draagmoeder’ van Yeshua, in Nazareth woonde, werd Gods Zoon, de Masjiach, toch in Beth Lechem geboren, precies zoals was geprofeteerd bij monde van Micha: 

En gij, Beth Lechem Efratha,
al zijt gij klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal mij voortkomen die een Heerser zal zijn in Israël,
wiens oorsprong is van oudsher, van eeuwige dagen af.

Dat had alles te maken met een verordening tot registratie welke geproclameerd werd door de Romeinse Caesar met het oog op het heffen van belastingen en de werving van soldaten. Maar omdat YHWH God uiteraard zijn profetisch Woord door-en-door kent, had een en ander wel tot gevolg dat de Masjiach precies op de juiste tijd en plaats werd geboren, allerwaarschijnlijkst in het najaar van 2 v.Chr
Zoals Lukas optekende: 


Allen gingen op weg om ingeschreven te worden, ieder naar zijn eigen stad. Nu ging ook Jozef op van Galilea uit [de] stad Nazareth naar Judea, naar [de] stad van David die Bethlehem wordt genoemd, omdat hij uit het huis en het nageslacht van David was, om ingeschreven te worden samen met Mariam, die hem ten huwelijk beloofd was, [en] die zwanger was. 


Uit een andere Evangeliebron, die van Mattheüs, weten wij dat Jozef, een naamloze timmerman te Nazareth, zich intussen volledig vertrouwd had gemaakt met de gedachte dat zijn verloofde door bovennatuurlijke invloed zwanger was geraakt. In een droom had een engel geruststellend tot hem gezegd: Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Mariam, uw vrouw, mee naar huis te nemen, want dat wat in haar verwekt is, is door heilige geest. 

Lukas vertelt verder:


Het geschiedde nu toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij zou baren, en zij baarde haar zoon, de eerstgeborene, en zij wikkelde hem in doeken en legde hem neer in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het [stedelijk] nachtverblijf. 


Terecht is men door de eeuwen heen diep onder de indruk geweest van de nederige omstandigheden waaronder de Redder der mensheid ter wereld kwam. Er was voor hem en zijn ouders zelfs geen plaats in de zeer eenvoudige locatie, een zogenaamde khan, waar reizigers in een ten dele overdekte binnenplaats konden overnachten, tezamen met hun dieren. 
Uiteraard was van de aanwezigheid van ook maar één lid van Israels religieuze elite absoluut geen sprake. YHWH Elohim had niemand uit die kring nodig om te verifiëren of de zojuist geboren baby wel in het bezit was van de noodzakelijke Messiaanse ‘geloofsbrieven’ (!) 

Intussen vond in de velden buiten het stadje niettemin wel iets plaats waaruit bleek dat Elohim er zelf zorg voor droeg dat zijn Zoon op correcte wijze werd geïdentificeerd als de lang verbeide Heer van koning David (Psalm 110): 


En er waren herders in diezelfde landstreek, verblijvend in het open veld en tijdens de nachtwaken wacht houdend over hun kudde. En een engel van de Heer stond bij hen en heerlijkheid van de Heer omscheen hen, en zij werden zeer bevreesd. En de engel zei tot hen: Vreest niet, want zie, ik verkondig jullie goede tijdingen, een grote vreugde die voor heel het volk zal zijn. Want heden, in Davids stad, is jullie een redder geboren, die is [de] Messias, [de] Heer. En dit [is] voor jullie het teken: gij zult een kind vinden, gewikkeld in doeken en liggend in een voederbak. En plotseling geschiedde het dat er met de engel een menigte van een hemels leger was; zij loofden God en zeiden:

Heerlijkheid in de hoogste
[sferen] aan God,
en
op aarde vrede, onder mensen van welbehagen.

En het geschiedde toen de engelen van hen waren heengegaan naar de hemel dat de herders tot elkaar zeiden: Laten wij toch meteen naar Bethlehem gaan en zien
[hoe] deze uitspraak geschied is, wat de Heer ons bekendmaakte. En zij kwamen met spoed en vonden [uiteindelijk] zowel Mariam als Jozef, én het kind, liggend in de voederbak. Toen zij dan gezien hadden gaven zij bekendheid aan de uitspraak welke betreffende dit jongetje tot hen gesproken was. En allen die het hoorden stonden verbaasd over de dingen die door de herders tot hen werden gesproken. Mariam echter bewaarde zorgvuldig al deze uitspraken en overwoog ze in haar hart. En de herders keerden terug, God verheerlijkend en lovend om alle dingen die zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was


Herders vormden in die tijd geen sociale klasse die geacht werd. Integendeel, vanwege de aard van hun werk en hun omstandigheden werden zij als ceremonieel onrein bezien. Over het algemeen zag men hen als onbetrouwbaar; bijgevolg mochten zij niet als getuigen optreden voor het gerecht.

Het moet ons daarom wel opvallen dat, na geïnformeerd te zijn over de nederige omstandigheden waaronder Yeshua zelf geboren werd, het goede nieuws daaromtrent ook nog eens eerst aan mensen werd verkondigd die binnen de maatschappij een lage status genoten. Naarmate het verslag vordert zullen we bemerken dat Lukas daarmee een bepaalde toon zet; hij blijkt een bijzondere belangstelling te hebben voor die categorie van personen. Vanuit dat standpunt vertegenwoordigen de herders alle mensen van nederige afkomst en reputatie die dankzij Gods gunst het Evangelie ontvangen en het vreugdevol met anderen delen. 
Voor uitgebreid commentaar, klik hier.

Maar nogmaals, YHWH Elohim betrok zelfs niet één persoon uit de heersende religieuze bovenlaag van het volk om als getuige te kunnen optreden van het gebeuren. Is dat niet opvallend! 
Uit het verslag van Mattheüs vernemen we zowaar dat zij pas iets daarover vernamen toen zekere astrologen [magoi] uit oostelijke streken in Jeruzalem arriveerden met de voor koning Herodes verontrustende vraag: Waar is hij die als koning der Joden geboren is?

Op zijn beurt raadpleegde deze de toenmalige overpriesters en schriftgeleerden.
En het enige wat zij de koning konden antwoorden was: In Bethlehem, in Judea, want zo staat het geschreven door de profeet (Mt 2:1-5). 
Voor hen was de informatie, afkomstig van de astrologen, ook nieuw.


3. Simeon

Volgens Exodus 13:2 behoorde iedere mannelijke eerstgeborene die elke moederschoot opent onder de zonen van Israël, onder de mensen en de dieren, aan God toe en moest derhalve aan hem geheiligd worden. 
In Leviticus 12 lezen we aanvullend: 

YHWH sprak tot Mozes: Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer een vrouw een kind krijgt en het is een jongen, dan is zij zeven dagen onrein, net als tijdens de menstruatie. Op de achtste dag moet men de voorhuid van het kind besnijden. Drieëndertig dagen duurt het, voor zij rein is van het bloed van de geboorte. Zij mag niets aanraken wat heilig is en niet naar het heiligdom gaan, tot de dag van haar reiniging is aangebroken. 

Met het oog op het nakomen van die procedure volgens de Thorah waren Jozef en Mariam kennelijk na de geboorte van Masjiach Yeshua in Beth Lechem gebleven, gezien de nabijheid van de tempel, slechts enkele kilometers van het stadje verwijderd. Lukas vertelt daarover het volgende: 

En toen de dagen van hun reiniging naar de Wet van Mozes waren vervuld, voerden zij hem opwaarts naar Jeruzalem om [hem] aan de Heer aan te bieden
- gelijk geschreven staat in de Wet van de Heer: Al wat mannelijk is, dat de moederschoot volledig opent, zal de Heer heilig worden genoemd - en om een offer te brengen naar wat in de Wet van de Heer gezegd is: een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

Wegens zijn geringe economische situatie kon Jozef geen jonge ram ten brandoffer aanbieden. Niettemin behaagde het YHWH Elohim van Jozef twee duiven te aanvaarden: één voor een brandoffer en één voor een zondeoffer (Lv 12:8). 
Wat een opvallende gang van zaken toen YHWH Elohim zijn gunst begon te bewijzen aan een wereld van in principe verloren mensen: Eerst de nederige geboorte, de Masjiach neergelegd in een voederbak, en nu een offer gebracht uit de diepste armoede. 
Maar er vonden bij die aanbieding in het Heiligdom meer opvallende dingen plaats: 

En zie, er was een mens in Jeruzalem wiens naam [was] Simeon, en deze mens [was] rechtvaardig en bedachtzaam, in afwachting van Israëls vertroosting, en heilige geest was op hem. En hem was van Godswege geopenbaard door de heilige geest, geen dood te zien voordat hij de Messias van de Heer gezien zou hebben. En hij kwam in de geest de tempel binnen. En toen de ouders het jongetje Jezus binnenbrachten om naar het gebruik van de Wet betreffende hem te doen, nam ook hij het in de armen en hij zegende God en zei:
Nu laat gij, Meester, uw slaaf in vrede gaan naar uw woord,
want mijn ogen hebben uw redding gezien, welke gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: Een licht tot ontsluiering der Heidenvolken en een heerlijkheid van uw volk Israël.

 


Simeon behoorde ongetwijfeld tot het godvruchtige overblijfsel binnen het Israël van die dagen. Zoals er in de dagen van Elia een overblijfsel van naamlozen bestond, was ook Simeon publiekelijk een totaal onbekende, een naamloze, iemand die geen enkele invloed op het openbare leven uitoefende. Hij behoorde duidelijk tot “de stillen in het land”, zij die zonder aanzien zijn en daarom gemakkelijk verdrukt worden, zoals Psalm 35:20 leert: Want het woord vrede kennen zij [de messiaanse tegenstanders] niet, en tegen de stillen in het land smeden zij bedrieglijke plannen.

Maar Simeon, één van die geringe stillen, was voor Elohim rechtvaardig en bedachtzaam, een man die het Messiaanse ideaal der profeten ongerept bewaarde. Hij wankelde niet in zijn vertrouwen dat eenmaal voor Israël vertroosting en herstel [uit ballingschap] zou komen door de oprichting van het Messiaanse koninkrijk, met de beloofde permanente erfgenaam van David op Gods troon.


Welnu, YHWH Elohim had door de invloed van zijn geest laten weten dat hij de Messias nog tijdens zijn leven persoonlijk zou aanschouwen. Maar uit Lukas’ verslag blijkt ook dat YHWH Elohim dat naamloze lid van Israëls overblijfsel van die dagen wenste te gebruiken om de gang van zaken te voorzeggen die door Elohim in de volgende 2000 jaar gevolgd zou worden in het verder tot ontwikkeling brengen van Abrahams zaad: Het zaad der belofte dat uiteindelijk tot zegen moet worden voor de Heidenvolken. 
We citeren nogmaals Lukas [2:29-32] > 


Nu laat gij, Meester, uw slaaf in vrede gaan naar uw woord,
want mijn ogen hebben
uw redding gezien, welke gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: een licht tot ontsluiering der natiën en een heerlijkheid van uw volk Israël. 

En Simeon zegende hen en zei tot Mariam, zijn moeder:
Zie! Deze wordt gelegd tot een val en
[het weer] opstaan van velen in Israël en tot een teken dat weersproken wordt; ook zal door je eigen ziel een zwaard gaan, opdat de overwegingen uit vele harten blootgelegd worden.
(Lk 2:29-35)

Wat gaf YHWH bij monde van Simeon hier te kennen?
Welnu, de aeonen die toentertijd in samenhang met de Mozaïsche wetgeving zo’n 1500 jaar hadden gefunctioneerd en hun schaduwen vooruit hadden geworpen, waren nu bezig tot hun voleinding te komen. 
Elohim, Simeons Δεσποτης [Gebieder; Meester; Eigenaar], kon nu zijn ‘slaaf’ vrijlaten, dat is hem in vrede laten sterven. Nu de Masjiach verschenen was, was ook de redding van zijn volk verzekerd. 

Maar niet alleen redding voor Israël. Simeon sprak vanuit een bredere invalshoek, ja, vanuit een universeel standpunt: In de Messias was principieel redding voor alle volken beschikbaar gekomen, met inbegrip van zijn eigen uitverkoren volk Israël. 

Met de belofte aan Abraham in gedachten, noemde Simeon de Heidenvolken zelfs als eersten: een licht tot ontsluiering der Heidenvolken en een heerlijkheid van Israël, uw volk.
Zie eventueel Genesis 12:3; 22:18, en Jesaja 25:7; 52:10.

Simeon was daarmee geheel in lijn met Jesaja’s profetie omtrent de voornaamste onder Gods Knechtnatie Israël: Het is te gering, dat gij mij tot een knecht zou zijn om de stammen van Jakob weer op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel je ook tot een licht der volken [Gojim; Heidenen], opdat mijn redding mag reiken tot het einde der aarde (Js 49:6).

Maar in Simeons profetische uitspraak lag tegelijkertijd ook iets onheilspellends opgesloten, met name voor zijn eigen volk: Het kind namelijk dat hij op dat moment in zijn armen hield, zou dienen tot de val van velen in Israël, maar… gelukkig, naderhand ook tot herstel. Velen zouden door hem toch ook weer opstaan
Ook met die aankondiging greep Simeon, onder inspiratie van de geest, terug op bepaalde profetieën waarin de Messias als een "Steen" wordt voorgesteld:


De Steen, die de bouwlieden [de religieuze elite onder het volk] verachtten, is tot hoofd van de hoek geworden.
Vanwege YHWH is dit: een wonder in onze ogen!
(Psalm 118:22-23)


Pas zo’n (bijna) zestig jaar later, in zijn Romeinenbrief, lichtte Saulus (Paulus) toe welke goddelijke bedoeling achter Simeons profetische woorden schuil ging. Aan zijn broeders van de hemelse gemeente schreef hij vermanend: 


Want ik wil niet, broeders, dat jullie onwetend zijn van dit geheimenis - opdat jullie niet volgens eigen inzicht bezig zijn - dat er voor een deel verharding over Israël kwam, totdat de volheid der Heidenvolken is binnengekomen. En zo zal heel Israël gered worden, zoals geschreven staat.

En toen citeerde hij onder meer uit Jesaja 59:20-21 >> 


De Verlosser zal uit Sion komen,
hij
zal goddeloosheden van Jakob afwenden.
En dit zal voor hen
mijn verbond zijn,
wanneer
ik hun zonden zal hebben weggenomen.


In de 'kwestie Israël' stelde Paulus toen onder inspiratie enkele zeer gewichtige feiten vast, t.w.:
In de eindtijd, nadat de voltallige christelijke gemeente zich 'binnen' bevindt, moet nog iets zeer noodzakelijks aan Jakob-Israël voltrokken worden. Wat dan precies? Datgene waarop de profeet Daniël doelde toen hij zijn Jaarwekenprofetie aldus begon:


Zeventig zevens zijn toebedeeld betreffende uw volk en uw heilige stad
om een einde te maken aan de overtreding, en
om zonden te verzegelen, en
om ongerechtigheid te verzoenen
(Dn 9:24)

De overtreding van Jakob-Israël bij uitstek betreft de nationale afwijzing van hun Messias. Die grote misstap ligt opgesloten in het daar gebruikte Hebreeuwse woord פשע [peh-sja]. In de M-versie van Js 59:20 wordt פשע eveneens gebruikt:


En naar Sion komt de verlosser en tot hen die zich afkeren van overtreding [פשעin Jakob, uitspraak van YHWH.

 

Na de bijeenbrenging van de hemelse, christelijke Gemeente komt voor de oude Gemeente Israël alsnog een nieuwe gelegenheid om met YHWH Elohim verzoend te worden op grond van het nieuwe, nog te sluiten Huwelijksverbond, waarbij zijn Zoon, Masjiach Yeshua, als Middelaar optreedt. 

Maar waarop doelde Simeon toen hij tot Mariam zei: Ook zal door je eigen ziel een zwaard gaan?

Die vraag is, wanneer men zowel de context als de huidige ‘achteraf-kennis’ in aanmerking neemt, niet moeilijk te beantwoorden. 

Allereerst het contextuele verband: Toen Simeon zijn hemelse Meester loofde voor het feit dat hij nog vóór zijn dood de Masjiach in zijn armen mocht houden, gaf hij tevens te kennen dat die baby Gods middel tot redding zou zijn van het mensdom dat, buiten eigen schuld om, de dood erfde van ons aller voorvader Adam: 


Mijn ogen hebben uw redding gezien, welke gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: een licht tot ontsluiering der Heidenvolken en een heerlijkheid van uw volk Israël. 

Na Adams opstandige daad in Eden, kwamen wij allen, zijn nakomelingschap, tezamen met hem onder een doodsoordeel te staan. Tevens erfden we daarmee het onvermogen om jegens YHWH Elohim volkomen rechtvaardig te zijn, zodat Hij ons op grond van eigen verdienste blijvend leven zou moeten schenken. 

Volgens Job 14:4 moest ook de (betrekkelijk) rechtvaardige Job erkennen dat er nimmer een reine uit een onreine kan worden voortgebracht
Door hun zondige daad werd het eerste mensenpaar In Gods ogen onrein; door de zonde besmet. Noodzakelijkerwijs konden zij slechts onreinheid en moreel onvermogen aan ons doorgeven. 

Toen David zijn schuld beleed in verband met zijn zonde tegenover Uria, erkende hij dat hij in de eerste plaats ten aanzien van Elohim zelf had gezondigd. Niettemin hoopte hij op clementie op basis van zijn overgeërfde morele zwakheid. Morele zwakheid en onvermogen tot volkomen rechtvaardig handelen zetelde al in de genen van zowel zijn vader als moeder: 

Was mij schoon van mijn ongerechtigheid, reinig mij van mijn zonde.
Want ík ken mijn overtredingen, mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen, zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt en rein wanneer U oordeelt.
Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.
Psalm 51 

Het is bijgevolg een groot misverstand te denken dat de Thorah aan Israël werd gegeven om op eigen kracht rechtvaardig bij Elohim te worden. Het tegendeel is juist het geval, zoals ook Saulus [Paulus] onder verlichting van de geest onderscheidde. In Romeinen 7 (vers 5) licht hij de situatie toe toen nog niemand, ook hijzelf niet, het leven van Gods geest inwonend kon leiden: 

Toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden, die geprikkeld worden door de Wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood. 

De Wet die in principe tot een rechtvaardige levenswijze aanzette, prikkelde de Adamitische mens veeleer tot zondigen (!) Hoe kon dat? De apostel licht het toe: 

Wat zullen wij dan zeggen? [Is] de Wet zonde? Mag dat niet geschieden! Maar ik had de zonde niet leren kennen dan door wet, want ook de begeerte zou ik niet hebben leren kennen, indien de Wet niet zei: Gij zult niet begeren. De zonde echter, door het gebod in de gelegenheid gesteld, bewerkte in mij allerlei begeerte, want zonder wet [is] zonde dood.

Als de lezer zulke diepzinnige uitspraken grondig wil overdenken - er is hier om zo te zeggen sprake van Hogeschool-theologie – verwijs ik naar deze link
Wat gemakkelijker te verstaan is de goddelijk geïnspireerde uitspraak door dezelfde Saulus in Hebreeën 10 >>

 
1 Want de Wet, een schaduw hebbend van de toekomstige goede dingen, niet het beeld der feiten zelf, is nimmer in staat met dezelfde slachtoffers die men voortdurend jaarlijks opdraagt, hen die naderen tot volmaaktheid te brengen. 
2 Zou anders het opdragen [van offers] niet opgehouden zijn, doordat zij die dienst voor God verrichten - eens voor altijd gereinigd zijnde - geen enkel bewustzijn van zonden meer zouden hebben? 
3 Maar in die [offers] is er jaarlijks een herinnering der zonden. 
4 Want het is niet mogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt.

Voor commentaar, zie deze link.
Met het bovenstaande in onze geestelijke 'rugzak' is het niet echt moeilijk meer om te onderscheiden dat de redding waarvan Simeon sprak slechts tot stand zou kunnen komen door een slachtoffer dat in waarde die van dieren verre te boven zou gaan. De goddelijk geïnspireerde woorden in Hebreen 10 hebben dus een geweldige impact.

Dat de offers binnen de oude, Aäronische orde telkens opnieuw gebracht moesten worden, bewees in zichzelf reeds hun absolute ontoereikendheid. De reden? 
De Wet waardoor de oude offercultus werd geregeld, bevatte slechts een schaduw der toekomstige goede dingen, dat wil zeggen van de werkelijkheden die in de Messias hun beslag zouden krijgen. In hém voltrekken zich namelijk de ware feiten, zoals ook elders, in Kolossenzen 2:16-17, wordt aangegeven:

Laat dan niemand jullie oordelen inzake eten en drinken of met betrekking tot een feest of nieuwe maan of sabbatten, welke zaken een schaduw zijn van de toekomstige dingen, maar het wezenlijke behoort de Messias toe. 

Bij onze bespreking van het Nieuwe, nog met Israël te voltrekken Huwelijksverbond van Jeremia 31:31-34, constateerden we al dat er geen herstel voor Israël kon komen door terugkoop op basis van het Oude (Wets-) Verbond, Gods oorspronkelijke huwelijksverbond met Israël. 
Offers van dieren volstaan niet; er was een superieur offer nodig.
De Psalmist zinspeelde reeds op die fundamentele waarheid in Psalm 49 >> 

Zij die zich op de overvloed van hun rijkdom beroemen, niemand van hen kan ooit een broeder op enigerlei wijze loskopen, noch God een losprijs voor hem betalen. De loskoopprijs voor hun ziel is zo kostbaar dat die voor altijd ontoereikend is, dat hij eeuwig zou voortleven, de groeve niet zou zien. 

Geen enkele Adamiet kan zijn Adamitische medemens loskopen. Beide hebben een losprijs nodig die in evenwicht is met Adams oorspronkelijke staat, toen hij nog niet door zondige overtreding onrein was geworden.
En precies daarom moest Yeshua bij Mariam door de werking van Gods heilige geest verwekt worden, waardoor hij een tweede of laatste Adam kon worden. 
Zie 1 Korinthe 15:45 en het beginsel Ziel voor ziel volgens de Thorah in Exodus 21:23

In 1 Timotheüs 2 gebruikte de apostel het Griekse αντιλυτρον om de noodzaak van een losprijs aan te geven welke van overeenkomstige waarde zou zijn als Adam toen hij nog in zijn zondeloze staat verkeerde:

 

Want er is één God, ook één Middelaar van God en mensen, mens Messias Jezus, die zichzelf gaf als overeenkomende losprijs [αντιλυτρον] ten behoeve van allen, het getuigenis voor specifieke tijdperken.


Maar daarvoor was een smetteloos loskoopoffer vereist. Vandaar wat Gabriël aan Mariam aankondigde: 


Wees niet bevreesd, Mariam, want je hebt gunst gevonden bij God, en zie, je zult in [je] schoot ontvangen en een zoon baren, en zijn naam moet je noemen: Jezus. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten worden genoemd, en de Heer God zal hem de troon van zijn vader David geven, en hij zal als koning over het huis van Jakob regeren tot in eeuwigheid, en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn… Heilige geest zal op je komen en kracht des Allerhoogsten zal je overschaduwen; daarom ook zal het heilige dat verwekt wordt, Gods Zoon worden genoemd. 

En precies ook daarom kon Simeon tot Elohim uitroepen: Mijn ogen hebben uw redding gezien, welke gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken. 
Maar juist om die reden ook kon hij tot Mariam zeggen: Ook zal door je eigen ziel een zwaard gaan, opdat de overwegingen uit vele harten blootgelegd worden. 


De Masjiach zou immers een offerdood moeten sterven, die bovendien nog aan een speciaal vereiste moest voldoen met betrekking tot zijn eigen volk Israël. Welke? Om de vloek weg te nemen die vanwege de Wet op het Volk rustte. Hoe dat zo?

Vanwege Israëls onvermogen om de Wet volkomen na te leven, kwam er een vloek op haar te rusten. Zoals geschreven staat in de Thorah (Dt 27:26): Vervloekt een ieder die de woorden van deze Wet niet metterdaad volbrengt.
In zijn Brief aan de Galaten heeft de Israëliet Saulus (Paulus) die zeer belangrijke zaak uitvoerig toegelicht:


De Messias kocht ons los van de vloek der Wet doordat hij voor ons een vloek werd, want er staat geschreven: "Vervloekt een ieder die aan een hout hangt". 

De verwijzing is naar Dt 21:23. 
Zie het commentaar op zijn meer uitvoerige uiteenzetting in Galaten 3.

Op grond van het voorgaande is het natuurlijk overduidelijk wanneer Mariams hart door een zwaard werd doorboord. Dat was op 3 april van het jaar 33 AD, de dag van het Pesach. Yeshua stierf toen aan een stauros, Grieks voor martelpaal, en wel als het tegenbeeldige Lam dat de zonden der wereld wegneemt: 


Toen nu de soldaten Jezus aan een paal hadden gehangen, namen zij zijn bovenklederen en deelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel, en het onderkleed. Maar het onderkleed was zonder naad, daar het van boven af aan één stuk geweven was. Daarom zeiden zij tot elkaar: „Laten wij het niet scheuren, maar erom loten van wie het zal zijn.” Dit was opdat de schriftplaats vervuld zou worden: „Zij hebben mijn bovenklederen onder zich verdeeld, en over mijn kleding hebben zij het lot geworpen.” En zo deden de soldaten deze dingen werkelijk.

Bij de martelpaal van Jezus stonden echter zijn moeder en de zuster van zijn moeder; Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. Toen nu Jezus zijn moeder zag staan en bij haar de leerling die hij liefhad, zei hij tot zijn moeder: „Vrouw, zie, uw zoon!” Vervolgens zei hij tot de leerling: „Zie, uw moeder!” En van dat uur af nam de leerling
[Johannes] haar bij zich in huis.
(Johannes 1:29 en 19:23-27)

 

Door tussenkomst van Simeon, toentertijd een naamloze in Israël, heeft YHWH Elohim dus het verloop der geschiedenis van de afgelopen 2000 jaar aangekondigd. Voorwaar, geen geringe zaak! 
Maar wat zo opvallend is in het hele gebeuren is het feit dat niet één vertegenwoordiger van de religieuze elite binnen Israël door Elohim betrokken werd in het binnenleiden van de Masjiach in de natie. 

 

Zie ook: Leviticus hoofdstuk 12 - Welke waarheden gaan schuil achter de reinigingsprocedures?

 


4. Anna


Daarentegen was er destijds nog een andere naamloze present in het Heiligdom, nota bene een vrouw om, naast Simeon, eveneens getuigenis af te leggen van Messias’ geboorte. Twee godvruchtige personen, vertegenwoordigers van een lange geschiedenis van een volk dat leefde in afwachting van de vervulling van Gods beloften; bij voortduring gevoed door het profetische Woord.

In Lukas 2 lezen we daarover verder: 


Ook was er Anna, een profetes, dochter van Fanuël, uit [de] stam Aser, die op zeer hoge leeftijd was gekomen. Vanaf haar maagdelijke staat had zij zeven jaar met [een] man geleefd, een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die zich niet van de tempel verwijderde, God dienend met vasten en smekingen, nacht en dag. En op dat zelfde uur kwam zij naderbij, bracht dank aan God en ging tot allen die naar de verlossing van Jeruzalem uitzagen, over hem spreken.

 

In tegenstelling tot Simeon wordt Anna profetes genoemd, wat inhield dat zij blijvend door Gods geest werd beïnvloed, een omstandigheid die kennelijk kracht wordt bijgezet door de betekenis van haar vaders naam:

FanuëlAangezicht van Elohim.
Vergelijk Genesis 32:30.

De vermelding dat Anna uit Aser stamde, herinnert aan datgene wat de patriarch Jakob op zijn sterfbed over die stam voorzei: Uit Aser zal zijn brood vet zijn, en hij levert koninklijke lekkernijen.
Elohim zou Aser met een overvloed aan rijk voedsel zegenen, zodat die stam de koninklijke tafel van delicatessen zou kunnen voorzien.
In zijn profetische zegen voorzei ook Mozes dat Aser welvaart zou genieten. De stam zou figuurlijk gesproken zijn voet in olie dompelen, wat op voorspoed duidt.
Zie Dt 33:24-25.

Inderdaad omvatte het aan Aser toegewezen stamgebied één van de vruchtbaarste landstreken van heel Israël. Er groeiden olijfbomen, die rijkelijk olie verschaften, en ook andere bomen, waarvan de vruchten tot de lekkernijen behoorden die op de tafel van de koning werden opgedist. De stam zou dus de Gezalfde van YHWH Elohim ten dienste staan. 

Een prachtig voorbeeld daarvan zien we terug in de wijze waarop de stam zich jegens de Gezalfde Hizkia opstelde toen deze zich inspande voor een grote religieuze revival in Israël.
Vele stammen lieten het toen afweten, maar niet Aser:


Hizkia zond nu een boodschap aan heel Israël en Juda, en hij schreef zelfs brieven naar Efraïm en Manasse, om naar het huis van YHWH in Jeruzalem te komen ten einde het Pesach voor YHWH, de God van Israël, te vieren… En de zaak was juist in de ogen van de koning en in de ogen van de hele gemeente. Zij besloten dus in heel Israël, van Berseba tot Dan, te doen omroepen dat men zou komen om het Pesach voor YHWH, de God van Israël, te Jeruzalem te vieren; want zij hadden het niet massaal gevierd, naar hetgeen geschreven staat.

Maar toen gebeurde er iets wat zo dikwijls binnen Israël, tot haar schande, plaats vond:


Maar men maakte hen [de boden] voortdurend belachelijk en bespotte hen. Slechts enkelingen uit Aser en Manasse en uit Zebulon verootmoedigden zich zodat zij naar Jeruzalem kwamen. De hand van God bleek ook in Juda te zijn ten einde hun één hart te geven om het gebod van de koning en de vorsten in de zaak van YHWH te volbrengen.
(2Kronieken 30:1-12)


Toen het tijdperk van de Wet ten einde begon te lopen bleek Anna evenwel een waardige vertegenwoordigster van die koninklijke dienstbaarheid te zijn.
Na de jonge Masjiach in de tempel aanschouwd te hebben, ging zij tot allen die naar de verlossing van Jeruzalem uitzagen, over hem spreken.
Anna had na zoveel eeuwen de voor Aser gekenmerkte gezindheid. Zij week niet van de tempel, maar diende Elohim, nacht en dag. Kennelijk hield een en ander in dat zij vanaf het morgen- tot en met het avondoffer present was.

 

5. Zijn Ouders

 

Na de aanbieding in het Heiligdom heeft de evangelist Lukas nog één specifieke gebeurtenis uit de vroege jaren van de Masjiach opgetekend:


Het jongetje nu groeide op en verwierf [steeds meer] kracht, werd [in toenemende mate] met wijsheid vervuld; en Gods gunst was [voortdurend] op hem. 
En zijn ouders waren gewoon jaarlijks naar Jeruzalem te gaan voor het feest van het Pesach. En toen hij twaalf jaar was geworden en zij volgens het gebruik van het feest waren opgegaan, en de dagen hadden voleindigd, bleef de jongen Jezus, toen zij terugkeerden, in Jeruzalem achter en zijn ouders wisten
[het] niet. In de mening verkerend dat hij zich onder het reisgezelschap bevond, reisden zij een dag lang en gingen hem toen bij de verwanten en bekenden zoeken. En toen zij [hem] niet vonden, keerden zij naar Jeruzalem terug, intensief naar hem op zoek. 

En het geschiedde op de derde dag dat zij hem in de tempel vonden, zittend te midden van de leraren, terwijl hij naar hen luisterde en hen ondervroeg. Allen nu die hem hoorden, waren buiten zichzelf [van verbazing] over zijn inzicht en antwoorden. 
En toen zij hem zagen, stonden zij versteld; en zijn moeder zei tot hem: Kind, waarom deed je ons dit aan? Zie, je vader en ik waren met smart naar je op zoek. En hij zei tot hen: Waarom gingen jullie mij zoeken? Wisten jullie niet dat ik in de dingen van mijn Vader moet zijn? En zij begrepen het woord niet dat hij tot hen sprak.
En hij daalde met hen af en kwam in Nazareth en was hun onderworpen. En zijn moeder bewaarde zorgvuldig al deze dingen in haar hart. En Jezus nam toe in de wijsheid en fysieke grootte en gunst bij God en mensen. 


Op grond van Ex 23:14-17 werd van iedere manlijke Israëliet verwacht dat hij driemaal per jaar voor het aangezicht van YHWH Elohim verscheen: bij het feest van de ongezuurde broden [Pesach], het oogstfeest van de eerste rijpe vruchten [Sjavoeot] en het feest der inzameling bij de afloop van het jaar [Soekot]. 

De verstrooiing maakte dit grotendeels onmogelijk, maar godvruchtige joodse mannen, zowel binnen als buiten Palestina, spanden zich in om tenminste jaarlijks het Pesach bij te wonen in Jeruzalem. Mariam placht Jozef daarbij te vergezellen, hoewel dit niet van vrouwen werd verlangd. 

Uit de context lijkt opgemaakt te kunnen worden dat de jeugdige Yeshua niet pas op zijn twaalfde voor het eerst meeging. Eerder blijkt uit het verband dat hij op die leeftijd afweek van de gewone gang van zaken. 
Wellicht dat Yeshua met het oog op zijn aanstaande bar mitswah het besluit had genomen om bij het Pesach en het feest van de ongezuurde broden in Jeruzalem achter te blijven, om voor oplettende waarnemers duidelijk te maken hoe diep en uniek zijn verhouding tot zijn hemelse Vader was en hoe groot zijn waardering voor de Wet.

Dat zij de dagen voleindigden betekent waarschijnlijk dat zij voor de volle duur van het feest in Jeruzalem verbleven, hoewel veel pelgrims reeds na de twee belangrijkste dagen de terugreis aanvaardden. We kunnen niet aannemen dat Yeshua uit een daad van ongehoorzaamheid achterbleef, maar eerder uit intense belangstelling voor de goddelijke zaken in het tempelgebied.

Hoe moeten wij ons het tafereel dat zijn ongeruste ‘ouders’ op de derde dag ontwaarden, voorstellen?
In één van de zuilengangen van de tempel discussieert een groepje joodse leraren over theologische kwesties. Iets wat niet ongewoon was tijdens de feestelijke bijeenkomsten en er veel publiek was.
Als leergierige knaap voegde Yeshua zich bij hen. Hij werpt enkele relevante vraagstukken op; al vlug is zijn betrokkenheid zo groot dat de leraren bijna vergeten dat zij met een 12-jarige van gedachten wisselen. Wat een inzicht heeft die knaap en hoe scherpzinnig reageert hij op hun commentaren! 

Dat het tafereel -Yeshua te midden van de leraren en met hen converserend - zijn ouders versteld deed staan, kan duiden op hun nederige sociale status, en ook op de grote kloof die er bestond tussen hen die tot het gewone volk behoorden, en de religieuze leiders, tegen wie met ontzag werd opgezien. Terwijl zij toch als eersten konden weten dat Yeshua speciaal was op grond van zijn herkomst, werden zij niettemin overrompeld door een situatie die geheel vreemd was aan de kring van mensen waarbinnen zij zich bewogen.

Uit Mariams verwijt kan eveneens opgemaakt worden dat zij en haar man helemaal met zichzelf en hun kleinburgerlijk bestaan bezig waren. Hoe kan dat? Er waren intussen 12 jaar verstreken sinds zijn wonderbare geboorte, en het gezin had zich inmiddels uitgebreid met halfbroers en –zusters. En te midden daarvan groeide Yeshua op als elk ander kind; op het oog een gewone jongen. Het leven had z’n gewone gang hernomen en er moest ongetwijfeld hard gewerkt worden om in de dagelijkse behoeften te voorzien.

Dit verklaart wellicht ook waarom zij niet doelgericht hadden gezocht. Dat blijkt uit Yeshua’ reactie. Volgens hem hadden zij zelfs in het geheel niet naar hem op zoek hoeven te gaan. Zij hadden zich rechtstreeks naar de enige plaats kunnen begeven waar hij verwacht mocht worden: de tempel, het huis van zijn Vader, waar zich bij uitstek de godsdienstige zaken voltrokken die met de aanbidding verband hielden. 

Uiting gevend aan zijn Messiaanse zelfbewustzijn luidt zijn antwoord - de eerste van door hem gesproken woorden die opgetekend werden - dan ook: Wisten jullie niet dat ik in de dingen van mijn Vader moet zijn?
Andere ouders hadden overal kunnen zoeken, maar niet de zijne! Buiten zijn onderworpenheid aan hen, verkeerde hij immers - en in de eerste plaats zelfs - in de speciale relatie met Hem die zijn ware Vader was. Vandaar het moeten dat uit die verhouding voortvloeide. 

Het groepje leraren was in ieder geval diep onder de indruk, en kennelijk omdat zij meenden dat zij van een 12-jarige niets te duchten hadden, reageerden zij welwillend. Twintig jaar later, toen hij in het openbaar optrad en de leringen van de rabbi’s openlijk aan de kaak stelde, was dat wel anders! 

Maar welke vragen zou de jonge Yeshua de leraren toen voorgelegd kunnen hebben? 
Men kan uiteraard met geen enkele zekerheid zeggen welke vragen de 12-jarige Yeshua destijds aan de leraren in het Heiligdom voorlegde, maar rekening houdend met de verdere verslagen over zijn leven – met name die welke geheel gaan over zijn 3½-jarige bediening - zou het goed mogelijk zijn dat dit gebeurde in de trant van Lukas 20:41-44, tezamen met Yeshua’s geregelde verwijzing naar Psalm 110. 

Eerder hadden we al aandacht voor die opmerkelijke Messiaanse Psalm.

Zie: De Hielwond.

Maar daar in relatie met het superieure offer dat voldoende kracht heeft tot loskoop, waardoor ook het Nieuwe Huwelijksverbond van kracht kan worden. Met Yeshua’s offerdood – de hielwond - was dat offer verschaft! 
Elohim, zijn Vader, ‘genas’ die 'hielwond' echter door zijn Zoon uit de dood op te wekken. Niet opnieuw als mens, maar als een glorierijk geestelijk schepsel wat hem in staat zou stellen mettertijd de Slang definitief uit te schakelen: vermorzeling in de kop. 
Maar intussen zou hij plaats nemen aan de rechterhand van zijn Vader in de hemel: 



1 Van David; een psalm. Zo spreekt YHWH tot mijn Heer: "Zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden leg tot een voetbank uwer voeten".
2 De scepter van uw sterkte zal YHWH vanuit Sion zenden: "Heers te midden van uw vijanden".
3 Uw volk zal zich gewillig aanbieden op de Dag van uw strijd. In de pracht der heiligheid, uit de schoot der dageraad, hebt gij de dauw van uw jeugd.
4 YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij zijt priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek".
5 De Heer aan uw rechterhand verplettert koningen op de Dag van zijn toorn.
6 Hij zal gericht houden onder de Heidenvolken; hoopt lijken op; verplettert het Hoofd van een volkrijk land. 

Zie deze link voor de Hebreeuwse tekst met interlineaire weergave.

Volgens Lukas 20:41-44 verwees Masjiach Yeshua aldus naar die Psalm >>


Hij nu zei tot hen [tijdens een gesprek met de Farizeeën]: Hoe zegt men dat de Messias Davids zoon is? Want David zelf zegt in het Boek der Psalmen: 


De Heer 
[YHWH] sprak tot mijn Heer:
Zet je aan mijn rechterhand,
totdat
ik je vijanden plaats
[tot] een voetbank van je voeten. 

David noemt hem dus Heer, hoe is hij dan zijn zoon?

Daarmee legde Yeshua de Farizeeën een heikele vraag voor; een vraag die de vanzelfsprekendheid van hun Messiasbeeld zo niet onderuithaalde, dan toch op z’n minst ter discussie stelde. 
Het begin is onschuldig: Hoe is het te verstaan om de Messias een zoon van David te noemen? 

Dat vertrekpunt was onomstreden, gezien teksten als 
Twee Samuël 7:12, 19
Jesaja 11:1
Jeremia 23:5-6
Psalm 89:21, 28-30, 35-38.

Maar dan komt de moeilijkheid, althans voor die Farizeeën, met name voor hun Schriftgeleerden: Die zoon wordt door David zelf in Psalm 110 mijn Heer genoemd. YHWH Elohim zou op zeker moment tegen hem - Davids Heer, maar natuurlijk ook de Heer van alle mensen - zeggen: Zet je aan mijn rechterhand, totdat ik je vijanden plaats [tot] een voetbank van je voeten. 
Hoe is het mogelijk dat David zijn nakomeling die 

- gezeten aan de rechterhand Gods, ontegenzeglijk in een bovennatuurlijke situatie; 
- als koning en scherprechter tegen de vijanden van het Messiasrijk zal optreden, 

ook aanduidt als mijn Heer. Hoe kan dat?

Voor de Schriftgeleerden moet die vraag inderdaad problematisch geweest zijn, te meer daar zij uit de Psalm eveneens konden weten dat die zoon en Heer van David ook nog een priesterlijke functie zou uitoefenen. 
Hij zou koning-priester zijn volgens een geheel nieuwe orde, niet volgens de orde van Aäron en de daarmee verbonden Levitische priesterschap, maar naar de wijze van Melchizedek. Vers 4 > YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij zijt priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek".

Uiteraard is er een oplossing voor het vraagstuk. 
Zijn leerling Petrus had daarvoor, volgens Mt 16:13-17, al beleden: Gij zijt de Messias, de Zoon van de levende God. 
Maar de Farizeeën piekerden er niet over om in verband met Yeshua die mogelijkheid zelfs maar te overwegen. Zij hadden hun eigen voorstelling van de Masjiach gevormd, en voor zichzelf al vastgesteld dat Yeshua van Nazareth niet aan dat beeld beantwoordde. 
Zij voelden heus wel aan op welk juist antwoord Yeshua met zijn vraag doelde, maar zij weigeren pertinent in die richting mee te gaan. Zij vervulden met die opstelling voor de zoveelste maal Elohims eigen opmerking tegenover Mosjeh: 


Ik heb naar dit volk gekeken, en zie, het is een halsstarrig volk. 
Exodus 32


Uiteraard verandert het loochenen van deze zaken, waarmee hun hedendaagse tegenhangers tot op de dag van vandaag hardnekkig zijn doorgegaan, niets in Gods voornemen om al die kostbare waarheden op zijn eigen bestemde tijden ten uitvoer te leggen. 
Het zou van hun zijde van wijsheid getuigen wanneer zij zich nederig voor de werkelijke, goddelijke feiten zouden openstellen.
Op welke wijze?

De goddelijke Bibliotheek

 

Ja, hoe zouden joodse mensen zich in alle nederigheid voor de werkelijke, goddelijke feiten omtrent hun Masjiach kunnen openstellen? 
Het antwoord is op zich eenvoudig: Zich zonder vooroordelen leergierig opstellen ten aanzien van de complete Bijbel, dus voor alle informatie welke in die goddelijke Bibliotheek van 66 Boeken (39 + 27) beschikbaar is gekomen. 


Het is misschien niet toevallig dat die 66 Boeken klaarblijkelijk corresponderen met de 66 hoofdstukken waarin het Boek Jesaja (Boek 23) verdeeld is. Te meer daar het in de laatste 27 hoofdstukken, dus vanaf hoofdstuk 40, vooral om Israëls herstel gaat en bijgevolg haar vertroosting:

Troost, troost mijn volk, zegt uw God. Spreek tot het hart van Jeruzalem

en roep het toe dat zijn diensttijd voorbij is, dat zijn schuld is voldaan,

dat het uit de hand van YHWH een dubbele straf voor al zijn zonden ontvangen heeft.  

Om die reden wordt dat tweede deel van het Boek Jesaja door sommigen wel aangeduid als Deuterojesaja

Er is alle aanleiding om aan de 27 Boeken waarmee de aanvankelijke Bibliotheek in de Eerste eeuw werd aangevuld, dezelfde waarde toe te kennen aangezien zij dezelfde tekenen van inspiratie door Elohims roeach blijken te vertonen. 
Met het oog op de situatie waarin de Joden van de eindtijd zouden komen te verkeren, blijken die aanvullende 27 Boeken veelal juist op die cruciale tijd gefocust te zijn, precies dus zoals met de vele Boeken van de ‘oude’ Profeten het geval blijkt te zijn. In de trant derhalve van Jesaja 2:2-5 >> 


Het zal geschieden in het laatste der dagen dat de berg van het huis van YHWH vast zal staan als de hoogste der bergen, verheven boven de heuvels, waarheen alle Heidenvolken zullen stromen.
Vele volken zullen gaan en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg van YHWH, naar het huis van de God van Jakob. Dan zal hij ons onderwijzen omtrent zijn wegen, en wij zullen zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem… 
Huis van Jakob, komt, laten wij wandelen in het licht van YHWH.


Merk vooral op dat er toen reeds, al zo lang geleden, door de profeet werd gezinspeeld op de noodzaak dat in de eindtijd aan het Huis van Jakob een ernstige oproep gericht zou moeten worden om toch vooral in YHWH Elohims licht te wandelen. 
Wat bereft het bereidwillig gehoor geven aan die oproep, moeten we evenwel opnieuw vaststellen - eveneens aan de hand van Jesaja - dat ook dan slechts een minderheid, een Rest of Overblijfsel onder Elohims Vrouwnatie, gelovig zal reageren. Zoals Jesaja 10:20-23 overduidelijk te kennen geeft: 

Op die dag zal het gebeuren dat zij die van Israël overblijven en wie van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet langer zullen steunen op hem die hen sloeg [de Valse Pseudomessias, hier verzinnebeeld door de Assyriër], maar zij zullen steunen op YHWH, de Heilige van Israël, in trouw. 
Een Rest zal terugkeren, de Rest van Jakob, naar de sterke God. Want, Israël, al zou uw volk als de zandkorrels der zee zijn, toch zal slechts een Rest daarvan 
[in berouw tot Elohim] terugkeren; tot verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.

In de Boeken Micha en Zefanja vinden we dezelfde verzekering: 

Wie is een God als gij, een die dwaling vergeeft en voorbijgaat aan de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel
Hij zal niet voor eeuwig aan zijn toorn vasthouden, want hij schept behagen in gunst. Hij zal ons wederom barmhartigheid betonen; hij zal onze dwalingen onderwerpen. 
En gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen. 
Gij zult
[de] aan Jakob [geschonken] waarachtigheid, [de] aan Abraham [geschonken] liefderijke goedheid geven, die gij vanaf de dagen van weleer onder ede aan onze voorvaders beloofd hebt.

Micha 7 

Maar van dat zelfde Overblijfsel wordt in Micha (5:7) tegelijkertijd voorzegd dat de overgeblevenen van Jakob te midden van vele volken moeten worden als dauw van YHWH, als overvloedige regenbuien op de plantengroei. 
Daarvoor zijn echter nederige personen nodig, zoals de naamloze Simeon en Anna.

 

Hooghartige leden van een elitaire religieuze bovenlaag zullen voor de Gojim nooit zo’n verfrissende dauw kunnen worden. De geschiedenis toont dat zij gewoonlijk ‘een sta-in-de-weg’ voor het gewone volk waren om in een goede relatie met YHWH Elohim te geraken.
Zie: Het Tarwe en het Onkruid

 

Zefanja (3:12-13) laat bijvoorbaat krachtig uitkomen dat Elohim zijn oog gericht heeft op de nederigen en de geringen, over wie we het al eerder hadden. 
Zefanja profeteerde namens YHWH namelijk treffend het volgende: 


Ik zal in uw midden een nederig en gering volk doen overblijven, dat zijn toevlucht zoekt bij de naam van YHWH. 
Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht meer doen, noch leugen spreken, noch zal er in hun mond een bedrieglijke tong worden gevonden; want zijzelf zullen weiden en zich uitgestrekt neerleggen, zonder door iemand oppgeschrikt te worden.

 

De 27 Boeken die – globaal gesproken - in de Griekse taal tot ons zijn gekomen, worden door vertalers die ze in het Hebreeuws hebben overgezet, gewoonlijk aangeduid als De Boeken van het Nieuwe Verbond. Duidelijk met een toespeling op Jeremia 31. 
Insiders weten echter dat het Nieuwe Verbond gesloten zal worden met de nakomelingen van de Exodusgeneratie >> 


Zie! Er komen dagen, verzekering van YHWH, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal; niet één gelijk het verbond dat ik met hun voorvaders heb gesloten op de dag dat ik hen bij de hand vatte om hen uit het land Egypte te leiden. 


Binnen de onkruidachtige kerkstelsels van de Christenheid leert men echter dat YHWH Elohim dat Verbond reeds gesloten zou hebben met Yeshua’s hemelse gemeente, die ontstond op Sjavoeot 33 AD. 
Wederom dus een grove dwaling binnen de ‘Kerk’. 
Een andere - eveneens grote misvatting binnen die religieuze denominaties - is de gedachte dat al de genoemde 27 Boeken gericht zouden zijn op uitsluitend die gemeente en de leden daarvan. 

Het laat zich gemakkelijk raden waartoe die twee grote dwalingen hebben geleid, namelijk tot de zogenaamde VERVANGINGSLEER, of substitutie-theologie, in essentie het idee dat 

● de ‘Kerk’ in Gods voornemen volledig de plaats van Israël heeft ingenomen; 
● de Joden niet langer Elohims uitverkoren volk zijn; 
● er voor Israël geen toekomst meer is; al haar voorrechten zouden van de ‘Synagoge’ op de ‘Kerk’ zijn overgegaan; de vele beloften die aan haar werden gedaan zouden binnen de ‘christelijke kerk’ vervuld worden. 

 

De substitutieleer van de christenheid is wel vergeleken met de actie van de Filistijnen die de ark van het verbond buit maakten op Israël (1Sm 4:5-11; 5:1 – 7:2). Maar die ark, of verbondskist, hoorde thuis in het Allerheiligste van de Verbondstent, de Tabernakel. Daar was YHWH Elohim door middel van het sjekinaschijnsel op vertegenwoordigende wijze aanwezig, als het ware tronend boven het verzoendeksel.

 

In Rm 3:25 identificeerde Paulus reeds Yeshua’s verzoenend, plaatsvervangend sterven met dat kappooreth, verzoendeksel: Hem stelde God als verzoendeksel door het geloof in zijn bloed, tot betoon van zijn rechtvaardigheid.

Op de jaarlijkse Verzoendag ging de hogepriester met het bloed van de offerdieren die achterste afdeling binnen, waarna hij het offerbloed in de richting van die Verbondskist spatte.  Voor Israël was de ark begrijpelijkerwijs het symbool dat YHWH zelf als hun Elohim en Melek te midden van hen aanwezig was en dat de zegen van het Verbond op hen rustte.

 

Vanuit deze optiek is de vergelijking van de vervangingsleer met de actie der Filistijnen niet onterecht, want zoals de Filistijnen geen baat hadden van de aanwezigheid van de verbondskist in hun midden, maar eerder groot nadeel daarvan ondervonden, geldt iets soortgelijks voor de christenheid. Zonder de aardse gemeente Israël kan het ware Israël Gods niet tot haar recht komen om als de Tempelstad Nieuw Jeruzalem, de tegenbeeldige Verbondstent, tot zegen te worden voor de Heidenvolken. De hemelse Priesterschap zou het dan immers moeten stellen zonder de aardse Levitische helpers.

 

Maar Op 7:15 geeft te kennen dat die aardse, priesterlijke medewerkers van de hemelse priesterschap op de drempel van Jezus’ Millenniumheerschappij wel degelijk in functie komen:

Om die reden zijn zij vóór de troon van God en verrichten zij dag en nacht voor hem heilige dienst in zijn tempelheiligdom.

Zie het commentaar op Op 7:15a

 

De Filistijnen gedroegen zich in de eeuwen dat zij Israëls naaste buren waren  vrijwel steeds als de gezworen vijanden van Elohims volk. En in dat opzicht heeft de afvallige christenheid zich dikwijls niet minder vijandig gedragen jegens het ware Israël Gods, zowel ten opzichte van de Joden zelf, die niet zelden met grote minachting bejegend werden, maar ook ten aanzien van christelijke minderheden die de noodzaak onderkenden zich los te maken van de christenheid wegens haar vele godonterende leringen en praktijken. Van niemand hebben de Joden de afgelopen twintig eeuwen meer te lijden gehad dan van de zijde der (schijn)christenen.


In werkelijkheid is ongeveer de helft van genoemde 27 Bijbelboeken geheel joods georiënteerd. Men zou ze kunnen aanduiden als De joods-messiaanse Geschriften.
Op deze Site worden ze sinds lang vermeld onder het kopje De Joods-christelijke geschriften
Bij de daar vermelde Boeken kan men ook nog de drie andere Evangeliën denken: Mattheüs, Markus en Johannes. 
De Boeken 40 tot en met 44 omvatten in volgorde: Mattheüs, Markus, Lukas, Johannes en De Handelingen der Apostelen. 
Daarna volgen de dertien Brieven die aan Saulus (Paulus) worden toegeschreven (45 tm 57) en waarvan men kan stellen dat ze specifieke informatie bevatten voor de universele Gemeente van Yeshua, het hemelse deel van het Israël Gods. 
Zie: Bijbelwiel

Niettemin zijn er zelfs binnen die Bijbelboeken geregeld verwijzingen naar de bestemming van de aardse, joodse Gemeente. En natuurlijk! Want in Elohims voornemen vormen beide gemeenten het ene Israël Gods waardoor YHWH Elohim de Gojim zal zegenen.
Met name vinden we zulke hints in de hoofdstukken 9, 10 en 11 van de Romeinenbrief.

Een voorbeeld waaruit blijkt dat ook bij Saulus (Paulus) absoluut geen sprake is van een Vervangingsleer. In Rm 9:1-5 schreef hij:


Ik zeg waarheid in [de] Messias, ik lieg niet daar mijn geweten met mij getuigt in heilige geest, dat er bij mij een grote droefheid is, en een onophoudelijke pijn in mijn hart. Want ik zou wel wensen zelf vervloekt te zijn, weg van de Messias, ten gunste van mijn broeders, mijn verwanten naar [het] vlees, die Israëlieten zijn; aan wie het zoonschap en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de dienst voor God en de beloften [behoren], van wie de vaderen [zijn], en uit wie de Messias [is] wat het vlees betreft. Hij die over alles is, God, gezegend tot in eeuwigheid. Amen!

Met name de Boeken 58 tm 66, dus Hebreeën tot en met De Openbaring van Jezus Messias, zijn een goddelijk geïnspireerde gave om de aardse Gemeente van het Israël Gods tot leidraad te zijn in de eindtijd, te beginnen met de 70ste Jaarweek voor Israël. 
Vooralsnog willen wij ons thans tot één Boek speciaal beperken dat bekend is komen te staan als De Brief aan de Hebreeën

 

Hebreeën – Details

 

a. De nieuwe Priesterschap

 

Neem aub eens nota van de verzen waarmee dat Bijbelboek opent, namelijk al meteen met een verwijzing naar Psalm 110 >>

God, die in de oudheid veelvuldig en op veel manieren tot de vaders sprak in de profeten, sprak op het laatst van deze dagen tot ons in [een] Zoon die hij tot erfgenaam van alle dingen stelde; door wie hij ook de aeonen maakte. 
Hij die afstraling der heerlijkheid is en afdruk van zijn wezen, die ook alle dingen draagt door zijn krachtig woord, heeft, nadat hij reiniging der zonden bewerkte, plaatsgenomen aan de rechterhand der majesteit in verheven plaatsen,zoveel beter geworden dan de engelen in zoverre hij een uitnemender naam heeft geërfd dan zij.

 

Waarom vooral veel aandacht voor Boek 58, De Brief aan de Hebreeën

1. De vorm van theologie
Die verschilt namelijk geheel van die waardoor de typisch Paulinische Geschriften worden gekenmerkt welke duidelijk afgestemd zijn op de hemelse Gemeente, Yeshua’s Gemeentelichaam. 

- Het ideaalbeeld in Hebreeën is niet het zijn in Messias Jezus, maar - weliswaar eveneens op basis van het verzoenend offer - het op aanvaardbare wijze naderen tot God. 
Voorbeelden daarvan treft men aan in 4:16; 7:25; 10:22; 11:6; 12:18-22, waar telkens het werkwoord προσέρχομαι verschijnt: komen tot; naderbij komen.

- Geen uitweiding over het bij God gerechtvaardigd worden uit geloof in plaats van door werken der Wet, zoals kenmerkend is voor de Boeken Romeinen en Galaten. 
De Wet is zeker een belangrijk punt van uitgang, doch ze wordt veeleer benut om de profetische beelden die er altijd al in lagen opgesloten te verduidelijken, t.w.: 

de dienst bij de Tabernakel en de cultus van [dierlijke] offers; 
∙ de dienst van de Hogepriester op de jaarlijkse Verzoendag. 

In Hebreeën zijn dat uitgangspunten om de lezers van de waarheden over de Masjiach, Yeshua, te overtuigen. In hem wordt alle typologie tot werkelijkheden.

2. Het Boek is zeer Eindtijdgericht. 
De profetische afstemming is gefocust op de laatste (de 70ste) Jaarweek voor Israël, de gewichtige eindtijdfase waarin YHWH Elohim zijn Huwelijksverbond met de natie gaat vernieuwen. Een heel hoofdstuk (8) is uitgetrokken voor het beredeneren van die hoogst belangrijke zaak. 

Aan de hand van Psalm 110 stelden we al eerder vast dat Davids Heer, de Masjiach, na zijn dood en opstanding niet alleen plaats nam aan de rechterhand van Elohim, zijn Vader, maar dat hij volgens Elohims eed ook als koning-priester zal functioneren en dat volgens een geheel nieuwe orde, die van Melchizedek: 


4 YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij zijt priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek". 


Uiteraard zal die ontwikkeling grote gevolgen hebben voor de oude cultus: de Levitische priesterschap. En hoewel er geen twijfel over bestaat dat die zaak voor het merendeel der Joden een bijna niet te ‘verteren’ moeilijkheid zal vormen – even uitdagend als de acceptatie van Yeshua als hun Masjiach – schrikt de Hebreeënbrief er niet voor terug die kwestie in alle openheid aan te snijden en de noodzaak tot ingrijpende verandering te beredeneren. 

Laten we even vooruitgrijpen op één passage die de leden van het toekomstige Overblijfsel zich eigen zullen moeten maken, indien zij dit tenminste tot op heden niet hebben gedaan. 
Naar aanleiding van Psalm 110:4 wordt in Hb 7:11-12 namelijk het volgende geconcludeerd: 


Indien volmaaktheid dan werkelijk door het Levitische priesterschap was - want op grond daarvan werd het volk van wetten voorzien - waarom moest er dan nog gezegd worden dat een andere priester zou opstaan naar de orde van Melchizedek, en niet naar de orde van Aäron? Want als het priesterschap wordt veranderd, vindt er noodzakelijkerwijs ook verandering van wet plaats. 


Een logische constatering? Zeker! 
Gemakkelijk om de realiteit daarvan onder ogen te zien? Beslist niet! 

Hoe kunnen joodse mensen begrip opbrengen voor deze aankondiging?
Antwoord: Door terug te blikken op het verre verleden, het oerverleden van de aartsvaders! 

Destijds, na de uitleiding uit Egypte, bij de Sinaï, hadden de voorvaderen trouw en gehoorzaamheid toegezegd aan YHWH Elohim. Hij, van zijn kant, zegde hun toe dat slechts zij van alle volken op aarde Hem tot een speciaal bezit zouden zijn, een heilige natie die voor Hem als een koninkrijk van priesters zou fungeren (Ex 19:3-6). 

Het is vrijwel zeker dat destijds niemand binnen Israël ook maar enig idee had van datgene wat Elohims eigenlijke oogmerken waren. Hoe konden zij ooit doorgronden dat ook de koninklijke priesterschap waarop de wetgeving van het Verbond voornamelijk was gericht, slechts van typologische aard en dus qua functioneren tijdelijk zou zijn. 

De eenvoudige, maar tevens grootse waarheid is dat in het tafereel van Genesis 14, Abrahams ontmoeting met Melchizedek, de koning-priester van Salem, tevoren werd getoond dat de Belofte die in de omringende hoofdstukken, met name in Genesis 12 en 15, aan Abraham werd gedaan – tot zegen worden voor de Heidenwereld door tussenkomst van zijn zaad - vervuld zou worden binnen een koninklijke priesterschap onder supervisie van de Messiaanse koning-hogepriester zelf. 
En in die hoedanigheid werd hij al in een vroeg stadium afgebeeld door Melchizedek, de koning-priester van Salem. 

Het optreden van Melchizedek vond plaats in de oertijd, ver vóór het ontstaan van de Wet. En juist in dat tijdperk, de periode van de patriarchen, namen de zaken die later zo belangrijk bleken te zijn voor Israël, in Gods voornemen een aanvang. Tussen de verschillende taferelen in dat hoogst belangrijke deel van de Thorah bestaat namelijk een onmiskenbare samenhang! 

In Hebreeën beroept Saulus (Paulus) zich derhalve op die gouden periode van Israël om, mede aan de hand van Davids Psalm 110, de superioriteit van het Messiaanse priesterschap boven dat van Aäron aan te tonen: YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij [de Messiaanse koning] zijt priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek".

Het priesterschap van de Messias - hoewel die niettemin een overvloed aan tegenbeeldige kenmerken zal bevatten die afgeleid zijn van die van Aäron en zijn opvolgers - is van een hogere, bovennatuurlijke orde, volmaakt en derhalve blijvend. 

In Abrahams veel bewogen leven deden zich tal van gebeurtenissen voor die schaduwen vooruitwierpen. Slechts wanneer men zich dat goed realiseert, worden allerlei zaken veel duidelijker, ja, volledig opgehelderd. 
Enkele daarvan zijn de volgende: 

  De kwestie Isaäk / IsmaëI. 


Zie: Het lange termijn effect van Genesis 16:12

● Dezelfde kwestie, maar dan in het licht van twee Verbonden
T.w. het met Abraham gesloten Verbond voor een zaad dat tot zegen zou worden voor de Gojim, afgebeeld door de Vrije vrouw Sara, en het Wetsverbond, gekarakteriseerd door de Slaafvrouw Hagar. 

Zie : De Allegorie 

● De wonderbaarlijke geboorte van Isaäk als het zaad der Belofte, maar die vervolgens geofferd moest worden op de Moriaberg
ondubbelzinnig vooruitwijzend naar Gods Enige, zijn geliefde Zoon, die werkelijk een slachtofferdood ervoer om het zegenende Zaad te kunnen worden. 

Zie: Abrahams bestemming

● Het huwelijk van Isaäk met Rivqah (Rebekka)

voorafbeelding van de huwelijksrelatie tussen de Masjiach en zijn Gemeente. 

Zie: 

Op weg naar de Bruiloft – Deel 1 
en
Op weg naar de Bruiloft – Deel 2 

Wanneer men van al die gebeurtenissen, die dus belangrijke schaduwen vooruit wierpen, echt nota wil nemen, hoeft het beslist niemand te bevreemden dat ook Abrahams ontmoeting met die (mysterieuze) koning-priester Melchizedek van Salem een voorafbeeldende betekenis had: De ware Koninklijke priesterschap welke tot zegen zal worden voor de Gojim tijdens het aanstaande Messiasrijk. 

De les die allerbelangrijkst is in samenvatting:
De
Belofte aan Abraham gedaan wordt vervuld door tussenkomst van de Priesterschap die in de context van die Belofte verscheen.

 

De gevolgtrekking is onvermijdelijk: De oude cultus volgens de Wet zal plaats moeten maken voor de priesterorde van Melchizedek!

Voor sommige lezers wellicht schokkend om te vernemen. 
Zou men echter de Hebreeënbrief volledig beschouwen, dan zal men bemerken dat de geïnspireerde Paulus – wellicht tezamen met de co-auteur Apollos – zijn bewijsvoering stap-voor-stap opbouwde. Pas in hoofdstuk 7 kwam hij tot het kernpunt van zijn betoog, maar toen had hij al niet minder dan zes hoofdstukken benut om - aan de hand van passages uit de Tenach - aan te tonen hoeveel groter Masjiach Yeshua wel is boven de engelen, en verre superieur is aan zulke belangrijke leiders van het volk als Mosjeh en Jehosjoea, alsook aan de hogepriester Aharon. 

b. De superioriteit van de Zoon


Die superioriteit blijkt al meteen uit de inleidende woorden van Hoofdstuk 1, de vv 1 tm 4. De apostel leidt zijn betoog in met de constatering: 


God, die in de oudheid veelvuldig en op veel manieren tot de vaders sprak in de profeten, sprak op het laatst van deze dagen tot ons in [een] Zoon die hij tot erfgenaam van alle dingen stelde; door wie hij ook de aeonen maakte. Hij die afstraling der heerlijkheid is en afdruk van zijn wezen, die ook alle dingen draagt door zijn krachtig woord,heeft, nadat hij reiniging der zonden bewerkte, plaatsgenomen aan de rechterhand der majesteit in verheven plaatsen, zoveel beter geworden dan de engelen in zoverre hij een uitnemender naam heeft geërfd dan zij. 


Onvergelijkelijk groots is de Zoon. Dat is overduidelijk! YHWH Elohim schiep hem als zijn evenbeeld: Hij die afstraling der heerlijkheid is en afdruk van zijn wezen. 
Geen wonder dat deze Zoon door zijn offerdood daadwerkelijk een reiniging der zonden kon bewerken. 
Maar die Zoon was ook Elohims medewerker in het voortbrengen van de overige schepping: Door wie hij ook de aeonen [wereldperioden] maakte

In zijn pre-existentie had hij naast God, zijn Vader, in de hemel bestaan als diens evenbeeld. Als zodanig was hij door de Vader gebruikt om de aeonen [τους αιωνας; de eeuwen of wereldperioden] voort te brengen. In zijn Brief aan de christenen te Kolosse had de apostel een en ander al eerder uitvoerig toegelicht:


Hij is evenbeeld van de onzichtbare God, eerstgeborene van alle schepping, omdat in hem alle dingen werden geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare dingen; hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen. En zelf is hij vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen in hem…, hij die oorsprong is,…omdat het heel de Volheid goeddacht in hem te wonen.
(Ks 1:15-19)


Omdat alle dingen niet alleen door hem, maar ook tot hem zijn voortgebracht en tezamen in hem bestaan, begrijpen wij dat hier kan worden gezegd dat God hém, de Zoon, stelde tot erfgenaam van alle dingen. Hij is degene door wiens tussenkomst God heel de overige schepping voortbracht. 

Maar ook het voortbestaan van die schepping is geheel en al aan hem ‘opgehangen’, d.i. van hem afhankelijk gemaakt. Tevens is hij einddoel van het geschapene, en daarom wordt ze hem als erfenis geschonken. 
Ook in de Tenach ontbreken er geen teksten die zinspelen op de bijzondere oorsprong van die Messiaanse Zoon: 


Micha 5 >>

En gij, Beth Lechem Efratha,
al zijt gij klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal mij voortkomen die een Heerser zal zijn in Israël,
wiens oorsprong is van oudsher, van eeuwige dagen af.
 

Psalm 2:7-8 >> 

Laat mij melding maken van de verordening van YHWH; hij zei tot mij: „Jij bent mijn Zoon; heden heb ik je verwekt. Vraag van mij, opdat ik natiën tot je erfdeel mag geven; de einden der aarde tot je eigen bezitting. 

De leden van het christelijke Gemeentelichaam genieten het onuitsprekelijke voorrecht om met hun Hoofd in die erfenis te delen: 


De geest zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. Maar indien kinderen, ook erfgenamen; ja, erfgenamen van God, doch mede-erfgenamen van [de] Messias; indien wij althans met hem lijden, opdat wij ook tezamen verheerlijkt worden.
(Romeinen 8:16-17)

Maar zulke grondwaarheden omtrent Yeshua’s Gemeente worden hier, in Hebreeën, geheel buiten beeld gehouden, omdat de leden daarvan niet tot de specifieke kring van geadresseerden behoren. 
De geadresseerden van de Hebreeënbrief betreffen namelijk de leden van het aardse deel van het Israël Gods. 
Zie: Opschrift

c. De consequenties van afwijzing

 

Wanneer we ons realiseren dat in de Eerste eeuw - bij het aanbreken van de Messiaanse tijd, toen Yeshua publiekelijk ging optreden - YHWH Elohim opnieuw sprak, is het gemakkelijk te begrijpen hoe urgent het voor zijn joodse broeders was en ook thans is om aandacht te schenken. Vooral als men zich realiseert dat 

a. Gods spreken niet langer door tussenkomst van zijn profeten geschiedde, maar bij monde van zijn eigen Zoon; 
bnu alle aanwijzingen, waarover we op grond van die aanvullende openbaring beschikken, in de richting gaan van een zeer nabij zijnde eindtijd. 

Het wachten is nu op het vernemen van de klank van de laatste trompet
De hemelse gemeente wordt dan opgenomen, verenigd met haar Heer in de hemelsferen, terwijl de ‘klok’ voor de aardse gemeente weer begint te lopen, aangezien de laatste (de 70ste) Jaarweek dan is aangebroken. 

Zie: De Laatste trompet 


c1 Afdrijven

 

Men voelt de urgentie bij het lezen van Hebreeën 2:1-4 >> 


Daarom moeten wij overvloediger acht geven op de dingen die gehoord zijn, opdat wij nooit afdrijven. Want indien het woord door engelen gesproken vast bleek te zijn en elke overtreding en ongehoorzaamheid gerechte vergelding ontving, hoe zullen wij ontkomen als wij zo’n grote redding zouden veronachtzamen, waarover - na een aanvang genomen te hebben - gesproken werd door de Heer, voor ons bevestigd door hen die het gehoord hadden, God meegetuigend, zowel door tekenen als wonderen en diverse krachten en uitdelingen van heilige geest overeenkomstig zijn wil? 


Er wordt een vergelijking gemaakt met de oude openbaring, met name de Mozaïsche wetgeving, welke door de tussenkomst van engelen werd ontvangen. Die openbaring bleek een vast woord te zijn, gelet op de sancties die verbonden waren met elke overtreding (daad) en ongehoorzaamheid (een met God strijdige gezindheid).

Welnu, wanneer die oude openbaring niet ongestraft genegeerd kon worden, hoeveel te meer aandacht verdient dan de nieuwe die bovendien tot het joodse Volk is gekomen door tussenkomst van de Zoon die zoveel hoger is dan de engelen! 

Uit de bewoordingen lijken wij te kunnen opmaken dat de geadresseerden geneigd zijn om de nieuwe openbaring niet op haar superieure waarde te schatten. 
En de eeuwen die daarna zijn gevolgd, helemaal tot op de dag van heden, hebben die veronderstelling bevestigd. En vanzelfsprekend uiteraard, want YHWH Elohim kent de geneigdheid van zijn volk door-en-door! 

Maar dat is thans, nu we zo ver in de tijd zijn gevorderd, meer dan ooit een gevaarlijke ontwikkeling. Het tekstdeel toont ons immers dat niets minder dan σωτηρια, Grieks voor redding aan de orde is, t.w. ware bevrijding van de zonde en redding van een eeuwige dood. Die redding is dan ook van zodanige aard dat geen grotere denkbaar is, blijkens de uitdrukking zo’n grote redding.

In de Eerste eeuw, met de komst van de Masjiach, nam de verkondiging van die redding als goed nieuws (Evangelie) een aanvang. Yeshua zelf sprak er als eerste over en sindsdien is er niet meer over gezwegen; door elke generatie van (veelal naamloze) gelovigen werd de boodschap steeds weer bevestigd.

En Elohim zelf, van zijn kant, voegde zijn eigen getuigenis toe aan de menselijke verkondiging, met name in de begindagen. Die goddelijke bijdrage omvatte tekenen, wonderen, krachten en uitdelingen van heilige geest
Bij het laatste kunnen we denken aan de verscheidenheid van charismata (geestesuitingen). 
Het Bijbelboek Handelingen getuigt daarvan.

Dat de nieuwe openbaring zich ook inhoudelijk op een veel hoger niveau beweegt dan de oude, wordt te kennen gegeven door die ene samenvattende term σωτηρια ( redding ). 
De Wet schreef immers alleen maar voor, doch verleende niet de kracht ze volkomen na te leven; daarom was de Wet slechts aanleiding tot zonde en bijgevolg veroordeling. 

Een eerlijke beschouwing van het joodse 'plaatje' van de afgelopen 1950 jaar - sinds Hebreeën geschreven werd - bevestigt de waarheid dat, in plaats van overvloediger acht te geven op de dingen die gehoord zijn, de Joden als volk juist het tegenovergestelde hebben gedaan: Zowel hun Messias als dit soort Joods-Messiaanse Geschriften – waartoe ook Hebreeën behoort - zijn terzijde geschoven en in plaats daarvan heeft men zich voornamelijk beziggehouden met Talmoedische leringen. 

Maar hoe dan ook, voor een nog te verschijnen joods overblijfsel in de 70e Jaarweek ligt om zo te zeggen deze Brief, tezamen met alle andere Joods-Messiaanse Geschriften, gereed ter raadpleging zodra de leden van die Rest met Gods hulp uit de eeuwenlange verharding te voorschijn komen. 

In Hb 2:1-4 wordt vooralsnog slechts gewaarschuwd voor het gevaar van ‘afdrijven’, of meer letterlijk naar het Grieks eraan voorbij glijden, wat de betekenis is van het werkwoord παραρρυεω
Xenophon gebruikte het voor de voorbij stromende rivier. Vandaar de hier gebruikte metafoor afdrijven, iets wat gemakkelijk met een boot kan gebeuren als ze niet vastgelegd is aan het anker. 
Verderop in de Brief worden de waarschuwingen overigens ernstiger van aard.

 

Nader bezien hoeft het niemand te verbazen dat de Joden van de eindtijd in de Hebreeënbrief bij herhaling ernstig vermaand worden om niet voort te gaan in hun hardnekkige opstelling jegens Elohims regeling in Masjiach Yeshua. De Tenach zelf getuigt overvloedig van Israëls telkens terugkerende ongehoorzaamheid, ja, van regelrecht verzet jegens hun hemelse Meester. En ook het profetische woord waarschuwt er geregeld voor dat het in de Eindtijd niet anders zal zijn.

 

Zo wezen we er al eerder op dat we in de Tenach kunnen lezen dat slechts een Rest in berouw tot YHWH Elohim zal terugkeren. Zoals onder meer Zefanja voorzei:

 

Ik zal in uw midden een nederig en gering volk doen overblijven, dat zijn toevlucht zoekt bij de naam van YHWH. 
Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht meer doen
, noch leugen spreken, noch zal er in hun mond een bedrieglijke tong worden gevonden; want zijzelf zullen weiden en zich uitgestrekt neerleggen, zonder door iemand oppgeschrikt te worden.

 

Ook wordt geregeld terugverwezen naar Numeri 14 waar Israëls opstand uitvoerig wordt verhaald ten tijde van hun Exodus; voor de profeten vaak een aanleiding om namens Elohim profetisch aan te kondigen dat iets dergelijks opnieuw staat te gebeuren ten tijde van de laatste bijeenverzameling van Gods volk, bij hun terugkeer uit de diaspora. Luister maar naar Ezechiël:

 

Ik zal jullie uitleiden uit de volken en jullie bijeenbrengen uit de landen waarheen ik jullie met een krachtige hand en een uitgestrekte arm en met uitgestorte woede heb verstrooid. En ik zal jullie in de wildernis der volken brengen; dáár zal ik met jullie van aangezicht tot aangezicht in het gericht treden. Zoals ik met jullie vaderen een geschil had in de wildernis van het land Egypte, zo zal ik met jullie een geschil hebben; aankondiging van Jahweh. En ik zal jullie onder de staf doen doorgaan en jullie in de band van het Verbond brengen. En ik zal uit jullie midden de opstandigen en de overtreders tegen mij uitschiften. Uit het land waar zij als vreemdelingen vertoeven, zal ik hen uitleiden, maar op Israëls grond zullen zij niet komen. Aldus zullen jullie weten dat ik YHWH ben.

 

Hiermee werd in Ez 20:34-38 reeds door de profeet voorzegd dat het Nieuwe Verbond – waarvan de inwerkingtreding zal berusten op Yeshua’s superieure offer -binnen etnisch Israël een definitieve scheiding zal teweegbrengen, zich juist voltrekkend in de periode van hun terugkeer en herstel.

 

Men zou mogen verwachten dat dergelijke, ernstige profetische aankondigingen voor de huidige Israëlieten toch aanleiding zou moeten zijn voor een grondig zelfonderzoek; dat men zich ernstig afvraagt: “Waar sta ik in mijn verhouding tot YHWH Elohim en zijn regeling van redding in de Masjiach?”

 

c2  Gods Rust missen

 

Hoe ook afzonderlijke Joden zich tijdens de spectaculaire ontwikkelingen van de 70ste Week zullen gaan opstellen, de geïnspireerde auteur van de Hebreeënbrief verzuimt niet om, na op het gevaar van afdrijven in hoofdstuk 2 te hebben gewezen, in de hoofdstukken 3 en 4 een ernstiger toon aan te slaan. En ook hij grijpt terug op de onheilspellende tendens welke al ten tijde van de Exodus onder het Volk kenbaar was.

 

Zoals we allen weten bereikten de rampzalige gebeurtenissen destijds een climax te Kades toen de 12 verspieders bij hun terugkeer uit Kanaän een ontmoedigend bericht uitbrachten, althans 10 van hen. In hun opstand wilden de Israëlieten die niet meer tot rede waren te brengen, hun leider Mozes door een ander Hoofd vervangen en naar Egypte terugkeren. Zij beraadslaagden zelfs om Mozes en Aäron door steniging ter dood te brengen.


Dat leidde tot een breuk met YHWH, hun God en Koning.
Het gevolg was dat die opstandige Israëlieten 40 jaar de verantwoordelijkheid voor hun dwaling moesten dragen, gedurende welke periode de hele generatie van 20 jaar en ouder in de wildernis aan haar einde kwam (Numeri 14). Hun verblijf in de "eenzame, huilende woestijn" werd als gevolg daarvan op een pijnlijke wijze verlengd (Dt 32:10):


YHWH sprak tot Mozes en Aäron: "Mijn geduld met deze verdorven gemeenschap die tegen Mij mort, is uitgeput! Dat voortdurend gemor van de Israëlieten heb Ik nu genoeg gehoord. Zeg hun: Zo waar Ik leef - aldus spreekt YHWH - wat Ik u heb horen zeggen, dat zal Ik ook met u doen. In deze woestijn zullen de lijken liggen van allen die tegen Mij hebben gemord, van al uw ingeschrevenen, van ieder boven twintig jaar. Gij zult het land dat Ik u met opgeheven hand als woonplaats heb toegezegd, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, zoon van Jefunne, en Jozua, zoon van Nun.

 

Maar uw kleine kinderen van wie gij gezegd hebt, dat zij buitgemaakt zouden worden, die zal Ik er binnenvoeren en zij zullen het land leren kennen dat gij versmaad hebt. Uw lijken zullen in deze woestijn komen te liggen, en veertig jaren zullen uw zonen in de woestijn als herders rondzwerven en boeten voor uw ontrouw totdat uw lijken in de woestijn vergaan zijn. Voor elke dag van de veertig dat gij het land verkend hebt, zult gij een jaar uw misdaden boeten, veertig jaar in totaal, zodat gij weet wat het betekent u tegen Mij te verzetten. Ik Jahwe heb gesproken. Dit zal Ik zeker doen met heel deze verdorven gemeenschap die tegen Mij heeft samengespannen: in deze woestijn zullen zij tot de laatste man sterven".

 

Maar de auteur van Hebreeën gaat nog verder.

Met Psalm 95 als vertrekpunt waarschuwt hij Israëls Eindtijdgeneratie dat zij nog meer zullen mislopen dan hun opstandige voorvaders: Het al dan niet binnengaan van Elohims eigen Rust staat op het spel:

 

Daarom, gelijk de heilige geest zegt:
Heden, als jullie zijn stem horen,
verhardt jullie harten niet zoals in de opstandigheid,
ten tijde van de beproeving in de wildernis,
waar jullie vaderen
[mij] beproefden door [mij] te onderzoeken
en zij zagen mijn werken veertig jaar.
Daarom kreeg ik een afkeer van dit geslacht
en zei: "Altijd dwalen zij af met het hart;
juist zij leerden mijn wegen niet kennen",
zodat ik zwoer in mijn toorn:
"Indien zij zullen ingaan in mijn rust".

 In Psalm 95 legde koning David veel nadruk op de wijze waarop men in het ‘Heden’ handelt. Israël is van oudsher het volk van zijn weide en de schapen van zijn hand (vers 7). Als zodanig moeten zij zich er angstvallig voor hoeden tegen Elohim, hun Opperherder, in opstand te komen. Veeleer moeten zij op elk moment van het ‘Heden’ - d.i. telkens wanneer zij de goddelijke wil vernemen - gewillig gehoor geven en niet toelaten dat hun hart verstokt wordt, in opstandigheid verhard.

Zo niet, dan zou het hun nog erger vergaan dan de wildernisgeneratie.

De Hebreeuwse tekst van de Psalm drukt in vers 7 een wens uit: Och of gij heden naar zijn stem zoudt willen luisteren!

Maar in de Septuagint, welke de apostel hier volgt, wordt de wens tot een zin met een voorwaardelijk karakter: Heden, als jullie zijn stem horen.

 

Heden staat met heel zijn gewicht voorop. Heden is nu, op dit moment; voor de lezers van Hebreeën op z’n laatst wanneer zij in de 70ste Jaarweek nog eenmaal de gelegenheid ontvangen om gunstig te reageren op het feit dat Yeshua hun ware Masjiach is en de (dan te verschijnen) Pseudomasjiach de valse, ook al zal de laatste door velen in grote euforie worden binnengehaald als de Masjiach waarnaar zij - tijdens hun lange periode van verharding en verblijf in de diaspora - zo vurig uitzagen.

 

De realiteit van het Heden houdt namelijk in dat de Joden als volk Elohims wegen nog altijd niet echt hebben leren kennen.

Let vooral op de uitdrukking: Indien zij zullen ingaan in mijn rust…
De elliptische eedformule is typerend voor de Hebreeuwse wijze van uitdrukken. We zouden als volgt kunnen aanvullen: Ik ben niet de waarachtige God indien zij in mijn rust zouden ingaan.


Destijds, in de Oudheid, ging het om de rust die het volk in typologische zin zou kunnen genieten bij hun vestiging in het Beloofde Land: in vrede en voorspoed levend, een ieder zittend onder zijn eigen wijnstok en onder zijn eigen vijgenboom (1Kn 4:20-25).


Typologie moet evenwel te zijner tijd overgaan in de werkelijkheid van de (betere) tegenbeelden. 

Geen Hebreeër die oprecht en met een eerlijk hart de geschiedkundige verslagen van de eigen heilige Geschriften raadpleegt, kan voorbijgaan aan de trieste zaken die daarin omtrent Israël zijn vastgelegd. Hoewel zeer begunstigd als een door Elohim uitverkoren volk, heeft de meerderheid der Israëlieten [Hebreeën] Hem niet behaagd. Integendeel!


Zelfs voor de Joden van de eindtijd die meer dan ooit tevoren door God begunstigd zullen worden, doordat zij de zegeningen van een Nieuw met hen te sluiten Huwelijksverbond zullen ontvangen - waaronder het deel hebben aan de heilige geest die hen tot één gemeenschap verbindt - lopen het gevaar in het spoor van hun voorvaders te volharden.


Zoals de wildernisgeneratie de verlossing uit het Slavenhuis versmaadde, is het zeer wel denkbaar dat de eindtijdgeneratie zo’n grote redding veronachtzaamt.
Juist met het oog daarop schreef de Hebreeënauteur: Vermaant elkaar elke dag, zolang het 'Heden' genoemd wordt…


Een aanmoediging die beslist op z’n plaats is, maar voor veel diep religieuze Joden een grote uitdaging vormt! Waarom?
Omdat velen van hen niet van mening zijn dat zij ook maar van iemand raad en/of vermaning nodig zouden hebben. Niet weinigen zijn overtuigd van de eigen rechtschapenheid en rechtvaardigheid.
Ongetwijfeld is er veel hulp van de hemel nodig wil de gemiddelde joodse mens de parabel waarin hun Masjiach het roemen op de eigen uitnemendheid in hoge mate relativeerde, naar waarde schatten:


Hij nu sprak ook tot sommigen die van zichzelf overtuigd waren dat zij rechtvaardig waren en de overigen als niets achtten, deze parabel: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden, de één een Farizeeër en de ander een tollenaar. De Farizeeër bad, na zich daar opgesteld te hebben, bij zichzelf deze dingen: O God, ik dank u, dat ik niet ben zoals de overigen der mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook zoals deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al wat ik verwerf.

 


De tollenaar echter bleef op een afstand staan en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg zich aanhoudend op de borst, zeggend: O God, doe verzoening voor mij, de zondaar! Ik zeg jullie: deze daalde, in tegenstelling tot gene, gerechtvaardigd af naar zijn huis; want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd, maar wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
(
Lukas 18:9-14)


Wellicht heeft Yeshua in deze parabel reeds de vinger gelegd op datgene wat in de 70ste Jaarweek een moeilijk te overwinnen obstakel voor een jood zal vormen, ook voor hen die tot het Overblijfsel zullen blijken te behoren: nederig erkennen
¹ dat hij een zondaar is zoals alle andere mensen en daarom verzoening nodig heeft, en
² dat alleen YHWH die verzoening kan bewerken doordat Hij heeft voorzien in het toereikende slachtoffer. 

 

Maar wat betekent het Elohims eigen Rust te missen?

Bij het beantwoorden van die vraag moeten we nog verder aandacht hebben voor de uitdrukking Heden, afkomstig van Psalm 95. In de Hebreeënbrief heeft die namelijk een unieke, aanvullende betekenis gekregen.

Onder inspiratie van de goddelijke roeach wordt namelijk onderscheiden dat de Rust waarvan in Genesis 2:2-3 sprake is, t.w.:

 

En tegen de zevende dag kwam Elohim tot de voltooiing van zijn werk dat Hij gemaakt had, en Hij ging ertoe over op de Zevende dag te rusten van al zijn werk dat Hij gemaakt had. 

Voorts zegende Elohim de Zevende dag en hij heiligde die, omdat Hij daarop is blijven rusten van al zijn werk, dat Elohim scheppende tot stand had gebracht.

 

nog altijd voortduurt. Hebreeën 3:18 – 4:5 bevestigt bovenstaande weergave van die tekst in de Tenach:

 

Aan wie dan zwoer hij dat zij niet zouden ingaan in zijn Rust? Niet aan hen die ongehoorzaam waren? Zo zien wij dat zij niet konden ingaan vanwege ongeloof. Laten wij dan vrezen, aangezien er een belofte overblijft om in te gaan in zijn Rust, dat niemand van jullie ooit zou blijken achtergebleven te zijn…

Want wij die tot geloof kwamen, gaan binnen in de Rust, gelijk hij gezegd heeft: 
    
Zodat ik zwoer in mijn toorn: 
    
Indien zij in mijn rust zullen ingaan, 
en toch waren de werken sedert de grondlegging der wereld geschied. Want hij heeft ergens over de zevende
[dag] aldus gezegd: 
    
En God rustte op de zevende [dag] van al zijn werken. 
En daarom wederom: 
    
Indien zij in mijn rust zullen ingaan.

 

De passage lijkt moeilijk, maar wordt al veel begrijpelijker wanneer men terugdenkt aan de wijze waarop het gebod om wekelijks sabbat te houden in Exodus 20:11 wordt gemotiveerd: Want in zes dagen heeft YHWH de hemel en de aarde, de zee en alles wat daarin is, gemaakt, en vervolgens rustte Hij op de zevende dag. Daarom zegende YHWH de sabbatdag en heiligde Hij hem vervolgens.  

 

Terwijl Israël in 2514 AM, bij de Uittocht, voor het eerst sabbat ging houden (Ex 16:22-29), had YHWH Elohim al sedert de schepping van het eerste mensenpaar zijn eigen Grote Sabbat gehouden. Hij hield zijn eigen Rust.

Terwijl we immers bij het einde van elke scheppingsdag (of: scheppingsperiode) telkens lezen En het werd avond en het werd morgen een eerste – respectievelijk een tweede, derde, vierde, vijfde, zesde – dag, ontbreekt tot op heden een dergelijke verklaring voor de Zevende Dag. Die ‘Dag’ is wél aangevangen maar nog niet voltooid.

 

Aangezien YHWH Elohim bovendien die ‘Dag’ zegende en heilig maakte, mag er in alle redelijkheid verwacht worden dat aan het einde ervan door Elohim hetzelfde verklaard zal worden als bij het einde van de Zesde Dag: En zie! Het was zeer goed! 

Maar dan moeten er in de naaste toekomst wel drastisch betere toestanden op aarde aanbreken (!)

Want ook al verheugden Adam en Eva - verkerend in de situatie van hun volmaakte paradijsstaat - zich tezamen met Elohim in zijn Rust van de Zevende Dag, sedert hun ‘val’ ontstond er meteen een ontwikkeling die volkomen de verkeerde kant opging en…, nog steeds gaat.

 

Toen zij uit Eden werden verdreven, in een stervende staat kwamen te verkeren en al zwoegend de opbrengst van het veld aten, was het perspectief van die eerste mensen slechts dit: Totdat gij tot de aardbodem terugkeert… stof zijt gij en tot stof zult gij terugkeren.

 

Hoe dan ook, op het ogenblik van schrijven van de Hebreeënbrief – zo’n 4040 jaar na Eden en nadat het Messiaanse tijdperk al enkele tientallen jaren een aanvang had genomen – hield Elohim zelf nog altijd de Rust van de Zevende dag.

Daaruit kan men het volgende concluderen:

a  
De Kanaänrust moet slechts typologisch geweest zijn; het was voor Gods volk duidelijk niet de blijvende, definitieve rust.
b  Er moet sprake zijn van een andere, meer verheven vorm van ‘rust’.

c  Zo lang het ‘Heden’ is, blijft er een belofte gelden. Welke?

 

Om alsnog  Gods eigen ‘Rust’ binnen te gaan, geheel overeenkomstig de belofte van de Oude openbaring - eertijds door de vaderen ontvangen in de profeten –maar een belofte die vooral perspectief heeft gekregen binnen de nieuwe openbaring in de Zoon.

 

De Belofte, bij het leven van de aartsvaders gewekt, had namelijk, wat Israël betreft, van meet af een eschatologisch aspect!

Vandaar dan ook dat in Hb 4:8-9 wordt verklaard:

 

Want indien Jozua hen had doen rusten, zou hij niet over een andere, latere, dag gesproken hebben.

Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God.

 

Wordt daarmee dan wellicht niet alsnog gedoeld op het houden van de wekelijkse sabbat volgens de Thorah? 

Nee; dat is niet het geval. Dat blijkt namelijk uit de manier waarop het volgende vers (10) de verklaring motiveert:

 

Want wie inging in zijn Rust, rustte ook zelf van zijn werken, evenals God van de zijne.


Met die aanvullende uitleg begrijpen we dat het niet om de wekelijkse sabbat gaat, maar om Gods eigen Rust. Het verblijf in het Beloofde land hield voor Israël niet de werkelijke vervulling van Gods belofte in. Want dan zou Hij in Psalm 95 David niet geïnspireerd hebben om over een rust van een latere, toekomstige dag, te spreken. De rust waarop David doelde kan daarom niets anders zijn dan de Rust die YHWH Elohim zelf inging op de Zevende scheppingsdag. En die verheven Rust kunnen joodse mensen geheel mislopen als zij niet tijdig tot de erkenning komen dat

(1) Yeshua hun eigen, ware Masjiach is;

(2) hij door de offerdood van zijn eigen ziel in de superieure losprijs heeft voorzien.

Zij moeten niet aarzelen het genoemde ‘Heden’ van Psalm 95 zonder uitstel te benutten.

 

Toen YHWH Elohim met het aanbreken van de Zevende scheppingsdag er toe overging te rusten, kon hij dit doen in de zekerheid dat ook die 'Dag' afgesloten zou worden met dezelfde conclusie als bij het einde van de zes voorgaande 'Dagen': En zie, zeer goed! En het werd avond en het werd morgen: een Zevende dag.


Uiteraard was Hem tevoren bekend dat er al spoedig een ernstige 'verstoring' zou optreden door de rebellie van Satan waardoor ook zijn menselijke schepping zou worden geïnfecteerd. Daarom 'kende' Hij eveneens tevoren zijn Zoon in de rol van degene in wie alle verstoring 'goed gemaakt zou worden'.


We zagen al eerder dat Elohims scheppingswerken voltooid waren met het voortbrengen van een mensenpaar dat zich door voortplanting kon uitbreiden. Daarmee was de grondlegging der wereld een feit, maar ver daarvóór kende Hij zijn Zoon reeds als het Lam Gods, ja, zelfs reeds voorafgaand aan alle wereldperioden (aeonen).

In een ander Bijbelboek dat tot de Joods-Messiaanse Geschriften behoort schreef Kèfas (Petrus) dienaangaande:

 

Jullie werden niet vrijgekocht door vergankelijke dingen, door zilver of goud, van jullie nutteloze, door de vaderen doorgegeven levenswijze, maar door kostbaar bloed, als van een onberispelijk en onbevlekt lam: het bloed van de Messias. Die weliswaar tevoren gekend was, vóór de grondlegging der wereld, doch op het laatst der tijden openbaar gemaakt werd terwille van jullie.

(1Pt 1:18-20)

Dat bleek wel onmiddellijk toen die ernstige verstoring zich ook werkelijk voordeed. Gods remedie bleek bij voorbaat 'klaar te liggen'. Het voornaamste lid van het zaad van de Vrouw (Israël), Jezus, het eigenlijke Zelf van Israël, haar Messias, zou de Slang in de kop vermorzelen, nadat hijzelf eerst door diens 'zaad' in de hiel was vermorzeld (Genesis 3:15).

In Hebreeën 2:14-18 wordt precies die gang van zaken treffend verwoord:

 

Daar dan de kinderen [steunend op Jesaja 8:18] aan bloed en vlees deelachtig zijn, kreeg ook hijzelf op bijna gelijke wijze daaraan deel, opdat hij door de dood hem machteloos zou maken die het geweld des doods bezit, dat is de Duivel, en dezen zou bevrijden, zovelen als door vrees van de dood hun leven lang aan slavernij onderworpen waren. Want waarlijk, engelen komt hij niet te hulp, maar zaad van Abraham komt hij te hulp. Vandaar dat hij in alle opzichten aan de broeders gelijk moest worden gemaakt, opdat hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden in de dingen die God betreffen, om verzoening te doen voor de zonden van het volk. Want doordat hijzelf heeft geleden toen hij beproefd werd, kan hij hen die beproefd worden, helpen. 

 

Maar hoe houdt de Israëliet die in geloof op die regeling steunt rust van zijn werken evenals Elohim van de zijne?

De gelijkstelling van de rust van de mens met die van God zelf vordert ook een zekere gelijkwaardigheid wat betreft de werken waarvan gerust wordt.


Zoals we zagen is Elohims Rust gelegen in de zekerheid dat de schepping voltooid zal worden - in de zin dat de Zevende Dag alsnog zeer goed zal blijken te zijn - in zijn Zoon, Israëls Masjiach. Daarom moet de rust van de mens, wat betreft diens werken, eveneens in 'het werk' van de Zoon gezocht worden, met name zijn volbrachte werk aan de martelpaal waardoor hij plaatsvervangend stierf om het oordeel te dragen van de schuld der zonde van alle mensen. 

 

En aangezien een ieder slechts op basis van geloof kan ingaan in de goddelijke Rust, vindt de mens die geloof oefent in Yeshua’s verzoenend offer zelf ook rust. Hij hoeft zich niet langer zorgen te maken of hij misschien niet te kort schiet bij zijn inspanningen, bij het doen van al zijn goede werken, om iets bij YHWH Elohim te 'verdienen'.

 

We stelden al eerder vast dat Saulus (Paulus) in zijn Romeinenbrief Israëls herstel aankondigt. We verwezen daarom naar de hoofdstukken 9, 10 en 11, waarin hij diep is ingegaan op die aanstaande ommekeer. Maar in hoofdstuk 3 had hij al melding gemaakt van Israëls (blijvende) status van uitverkorenheid bij Elohim:

 

Wat dan is het meerdere van de Jood? Of wat is het voordeel van de besnijdenis? Veel, in alle opzichten. Zeker in de eerste plaats dat hun de uitspraken Gods werden toevertrouwd. Want wat is het geval? Indien sommigen ontrouw werden zal hun ontrouw toch niet de trouw van God tenietdoen? Mag dat niet geschieden!

(Rm 3:1-4)

 

In dat hoofdstuk heeft hij echter ook een indruk gegeven wat rust houden tezamen met YHWH Elohim behelst: Niet langer steunen op vermeende eigen verdiensten door ijverige Wetsbetrachting, maar dankbaar in geloof opzien naar Gods liefderijke gunst waardoor hij een ieder vrijelijk rechtvaardigt die vertrouwen stelt in de verlossing welke in de Masjiach en diens offerdood beschikbaar is gekomen.

 

Een greep uit dat hoofdstuk waarbij op unieke wijze in tegenbeeld de waarde verschijnt van het verzoendeksel dat de Verbondskist afdekte, het kappooreth ( כפרת ) of hilastèrion (Grieks ιλαστηριον):

 

Wat, dan? Hebben wij iets voor? Volstrekt niet! Wij beschuldigden immers eerder én Joden én Grieken dat zij allen onder zonde zijn, zoals geschreven staat (in Psalm 14:1):

Er is geen rechtvaardige, nog niet één…

Wij weten echter dat alle dingen die de Wet zegt, tot hen spreekt die onder de Wet zijn, opdat elke mond gestopt en de hele wereld strafwaardig voor God wordt. Daarom zal uit werken der Wet geen vlees voor zijn aangezicht gerechtvaardigd worden. Door [de] Wet is immers precieze kennis van zonde.

Maar nu is buiten [de] Wet om Gods rechtvaardigheid geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten wordt getuigd, namelijk Gods rechtvaardigheid wegens getrouwheid van Jezus Messias voor allen die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen zondigden en komen tekort aan de heerlijkheid Gods, en naar zijn liefderijke gunst worden zij vrijelijk gerechtvaardigd door de verlossing die in Messias Jezus [is]. Hem stelde God als verzoendeksel door het geloof in zijn bloed, tot betoon van zijn rechtvaardigheid, door voorbij te gaan aan de zonden die vroeger hadden plaatsgevonden tijdens de verdraagzaamheid van God.

 

Zoals wij allen weten ging de hogepriester op de jaarlijkse Verzoendag met het bloed van de offerdieren de achterste afdeling van het Tabernakelheiligdom binnen, waarna hij het offerbloed in de richting van die Verbondskist spatte.

Boven het gouden deksel waarmee de ark was afgedekt, werd Elohim echter zelf verondersteld te tronen, voor de hogepriester zichtbaar vertegenwoordigd door het Sjekinalicht tussen de cherubim.

 

Vandaar dat die Verbondskist met zijn gouden verzoendeksel een voorafbeelding werd van de troon van YHWH, de God van Israël, maar dan in de hemel zelf. Maar vandaar ook dat in het tegenbeeld Yeshua na zijn opstanding de hemel zelf moest binnengaan om de waarde van zijn eigen offerbloed aan Elohim, zijn Vader, aan te bieden.

 

Maar wat weten we over het verloop van de Zevende Dag, Elohims lange periode van Rust? Wanneer eindigt die Rustdag? 

In Gn 1:27 kunnen wij lezen wat direct voorafging aan de Zevende Dag, Gods Rustdag:

En God schiep de mens naar zijn beeld;
naar Gods beeld schiep hij hem;
mannelijk
en vrouwelijk schiep hij hen.

  

Wanneer we deze tekst in zijn context beschouwen, bijvoorbeeld Gn 1:27 t/m 2:3, wordt ons duidelijk dat dit scheppingsgebeuren plaats vond tegen het einde van de Zesde Dag.
Volgens Hebreeën 4:3-4 vond met de schepping van mannelijk en vrouwelijk de grondlegging der wereld plaats. Want niet alleen was de menselijke schepping als mannelijk en vrouwelijk voortgebracht; YHWH Elohim had hen ook - nog steeds binnen die Zesde Dag - de opdracht gegeven om vruchtbaar te zijn, tot velen te worden en de aarde te vullen. Bovendien was die opdracht vergezeld gegaan van zijn zegen.

 

O.i. wordt er door velen te gemakkelijk vanuit gegaan dat er weinig tijd zat tussen de schepping van Adam en de aanvullende scheppingsdaad van het voortbrengen van mannelijk en vrouwelijk, zoals beschreven in het zogeheten tweede scheppingverslag van Gn 2:21-22.

Niet velen staan stil bij de vraag: Wanneer werd mannelijk en vrouwelijk bij hem gescheiden?

 

In aanmerking nemend dat Adam er zeker jaren voor nodig had (volgens de vv 19 en 20) om de dierlijke schepping te bestuderen en vervolgens de dieren betekenisvolle namen te geven; en ook omdat Yeshua, de laatste Adam, niet eerder dan op 30-jarige leeftijd zijn door Elohim voor hem bestemde taken op zich begon te nemen, achten wij het zeer aannemelijk, dat Adam in totaal 30 jaar alleen is gebleven.

En aangezien volgens Hb 4:3-5 de Rustdag aanving direct na het voortbrengen van mannelijk en vrouwelijk, moet die Zevende Dag begonnen zijn bij de overgang van 30 naar 31 AM. In de joodse traditie houdt men het er op dat een en ander plaats vond in de periode die sedert de Vloed bekend staat als de herfst of het najaar, rond de datum 1 oktober.  Vergelijk Gn 8:22.

Vandaar ook dat het joodse nieuwjaar (Rosh hashana) nog steeds rond die kalenderdatum ‘gevierd’ wordt. 

 

Daarnaast zijn er o.i. redenen om te geloven dat die Rustdag in totaal 7000 jaar in beslag zal nemen. Waarom?

Allereerst omdat hetzelfde Schriftdeel in Hebreeën 4 ons laat zien dat Elohims Rust in de Eerste eeuw nog altijd voortduurde en dus toen reeds ruim 4000 jaar omvatte.

 

Maar in de tweede plaats omdat de Bijbel aankondigt dat er nog een 1000-jarige Sabbat moet komen, namelijk het Millenniumrijk van de Masjiach. Yeshua kondigde daaromtrent zelf het volgende aan toen hij de beschuldiging van zijn religieuze tegenstanders pareerde. Zij vielen er namelijk over dat de leerlingen op sabbat aren plukten, ze stuk wreven en vervolgens opaten:

  

Hebben jullie zelfs dit niet gelezen wat David deed toen hij honger had, hijzelf en zij die bij hem waren? Hoe hij het huis van God binnenging en na de broden der voorzetting ontvangen te hebben, [ze] at en gaf aan hen die bij hem waren, welke niemand mag eten dan alleen de priesters? En hij zei tot hen: De Mensenzoon is Heer van de Sabbat.

Markus 2:23-28

 

Binnen de grote Rustdag van 7000 jaar zal de laatste (7e) duizend jaar periode een afzonderlijke Sabbat vormen. Na zes 'dagen' (van 1000 jaar) zwoegen onder Satans tirannieke juk, breekt de 7e 1000-jaar periode aan, het Millenniumrijk van de Masjiach, waarvan hijzelf dus zei: de Mensenzoon is ook Heer van de Sabbat.

 

Op grond van het voorgaande moet die Sabbat derhalve verwacht worden bij de overgang van 6030 naar 6031 AM [30 + 6000].

De 70ste Week voor Israël gaat daaraan nog vooraf en zal dus de periode 6023-6030 AM omvatten.

 

c3  Berouw niet meer mogelijk

 

De urgentie van de noodzaak om het niet uit te stellen het ‘Heden’ van Psalm 95 te benutten, heeft de auteur van Hebreeën in hoofdstuk 6 met nog meer ernst aangegeven.

Zoals we ons nog zullen herinneren waarschuwde hij in hoofdstuk 2 voor het gevaar van afdrijven, in hoofdstuk 4 voor het mislopen van Elohims Rust. Maar in hoofdstuk 6 gaat hij een stap verder: Ondergang voor hen die Elohims voorzieningen in Masjiach Yeshua hardnekkig blijven afwijzen:  

 

Want het is onmogelijk hen die eens voor al verlicht werden en de hemelse gave smaakten en deelgenoten werden van heilige geest, en Gods voortreffelijke woord en krachten van een op handen zijnde eeuw smaakten, en die wegvielen, nogmaals te vernieuwen tot berouw, daar zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw aan een paal hebben gehangen en openlijk te schande maakten.

 

Want grond die de dikwijls daarop komende regen dronk en gewas voortbrengt, nuttig voor hen omwille van wie hij ook wordt bebouwd, krijgt zegen van God mee; maar brengt hij dorens en distels voort, [dan is hij] onbruikbaar en vervloeking nabij; het einde ervan verbranding.
(Hb 6:4-8)


Want verbindt deze verzen met wat in de Brief direct aan deze passage vooraf ging, t.w. ingewijd worden in de leer omtrent de volmaakte Hogepriester naar de orde van Melchizedek en op aarde deel krijgen aan die priesterorde. Een wonderbaar groot voorrecht waarmee alleen degenen onder de Hebreeën begunstigd zullen worden die de zegeningen van het Nieuwe Verbond - met hen te sluiten op basis van Yeshua’s offerdood - met een dankbaar hart aanvaarden.

In dit tekstdeel worden de Hebreeën namelijk vooruitgeplaatst in de 70ste Jaarweek en hun wordt een blik vooruit gegund op de wijze waarop het Nieuwe Verbond - dat dan met hen gesloten zal worden, op de helft van die Week - op hen uitwerkt.

 

Zoals in diverse herstelprofetieën wordt aangegeven, stort YHWH Elohim dan zijn geest uit op de natie; bijvoorbeeld

Js 32:15   << Totdat over ons de geest wordt uitgestort uit den hoge >> en

Js 44:1-5  <<  Ik zal mijn geest uitgieten op uw zaad >>

In de profetie van Joël, hoofdstuk 2 – geciteerd door Petrus in Hn 2:17 - wordt aangekondigd wat er in de laatste dagen zal geschieden:


Daarna zal het geschieden, dat ik mijn geest zal uitstorten op alle vlees [van Israël, mijn volk; vers 27], en jullie zonen en jullie dochters zullen profeteren; jullie ouden zullen dromen dromen, jullie jongemannen zullen visioenen zien. Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal ik in die dagen mijn geest uitstorten. En ik zal tekenen geven in de hemel en op de aarde bloed en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voor de komst van de grote en geduchte dag van YHWH. En het zal geschieden, dat een ieder die de naam van YHWH zal aanroepen, gered zal worden; want op de berg Sion en te Jeruzalem zal redding zijn, gelijk YHWH gezegd heeft, en onder hen die overblijven zij die YHWH zal roepen.
(Jl 2:28-32)

 

De profeet Jesaja bevestigt dat dit zal plaatsvinden nadat de Masjiach in zijn koninkrijk is geïnstalleerd en als koning regeert voor louter rechtvaardigheid.

In de hoedanigheid van hogepriester keert hij voor de tweede maal terug uit het ware Heiligdom in de hemel om op zijn volk de geest van omhoog uit te storten. De geestelijke situatie onder het volk die tot dan toe als een wildernis was - het resultaat van het wanbestuur door de Pseudomasjiach - verandert daardoor in een lieflijke boomgaard (Js 32:112-15). 

Er vindt een grote ommekeer plaats. De geest wordt niet alleen uitgestort om profeteren mogelijk te maken zoals door Joël wordt aangegeven, maar ook tot wederopleving, ja, als levenscheppend en een kracht die beweegt tot het volbrengen van de goddelijke wil (Ez 36:26-27; 37:1-14).

Schitterende dingen worden voor Israël profetisch aangekondigd in Js 59:20 – 60:3


Als verlosser komt Hij naar Sion, naar alle zonen van Jakob die hun weerspannigheid opgeven, zo luidt de godsspraak van YHWH. Wat Mij betreft: dit is mijn verbond [het Nieuwe Verbond] met hen, zegt YHWH: mijn geest, die op u rust, en de woorden die Ik in uw mond heb gelegd

Sta op en schitter, want uw licht is gekomen, de glorie van YHWH gaat over u op, en zie, de duisternis bedekt de aarde en donkerte de volken, maar over u gaat YHWH lichtend op, zijn glorie verschijnt over u. En volkeren komen naar uw licht, koningen naar de glans van uw dageraad. 
(WV78)

Maar hoe zullen al die begunstigde Joden reageren? Kennelijk ontvangen zij een mate van geestelijke verlichting door de werking van de uitgestorte geest. Bijgevolg zullen zij het voortreffelijke Woord van God en krachten van het op handen zijnde Millennium proeven [γευομαιsmaken; proeven; ervaren], in de zin van innig genieten, in toenemende mate vollediger ervaren.

 

Maar blijkbaar vormt al die gunst toch geen garantie dat een ieder zich resoluut van de Pseudomasjiach afwendt en zich achter de ware Masjiach schaart. 

Zoals is voorzegd in 2Th 2:4, verheft de Mens der wetteloosheid zich boven alles wat god of voorwerp van verering heet. Als een Meester-verleider zet hij zich zelfs neer in de (dan weer opgerichte Derde) Tempel om zichzelf als een Pseudo-god te vertonen en te laten bewieroken.

 

Uit 2Th 2:8-11 wordt duidelijk dat niets van dat alles bij toeval plaats vindt. Elohim zelf biedt Satan en zijn werktuig de gelegenheid om de Leugen tegenover de Waarheid [Masjiach Yeshua] te plaatsen, hetgeen kracht wordt bijgezet door opmerkelijke werken, leugenachtige tekenen en wonderen en in elk bedrog van onrechtvaardigheid

 

Het is Elohim zelf die aldus een werking van dwaling tot hen - vooral de Joden - zendt. Als resultaat van die actie zal de tweedeling in Israël zich nogmaals, maar dan ook voor het laatst, aftekenen: een getrouwe Rest tegenover een ontrouwe meerderheid.

Vandaar dat voorzien wordt dat velen alsnog tegen de heilige geest zullen ingaan. Welnu, volgens Yeshua’s eigen verzekering zal voor die zonde geen vergiffenis worden geschonken. Elke gelegenheid tot berouw is dan voorgoed afgesneden. 

In Mt 12:31-32 bracht hijzelf het criterium dat dan zal gelden, aldus onder woorden:

Om die reden zeg ik jullie: Elke zonde en lastering zal de mensen worden vergeven, maar de lastering van de geest zal niet worden vergeven. Spreekt iemand een woord tegen de Mensenzoon, het zal hem vergeven worden; maar hij die tegen de heilige geest spreekt, het zal hem niet vergeven worden; noch in deze eeuw, noch in de toekomende.

Of zoals hier, in Hebreeën 6, wordt verzekerd: Het is eenvoudig niet mogelijk hen die wegvielen, nogmaals te vernieuwen tot berouw, daar zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw aan een paal hebben gehangen en openlijk te schande maakten.

In het Grieks wordt de aorist van het werkwoord παραπιπτω [ernaast, terzijde vallen] gebruikt wat wijst op een definitief feit. Wie de onschatbare voorrechten van het Nieuwe Verbond ervaart en proeft en die toch moedwillig prijsgeeft, doet niet slechts een misstap waaruit herstel mogelijk is, maar breekt heel het werk van YHWH Elohim tot in het fundament af. 

 

De tautologie nogmaals vernieuwen tekent het onherstelbare van een dergelijke daad. Zulke grote dingen worden eens voor al aangeboden en niet een tweede maal geschonken. 

De ernst van de afval wordt nog benadrukt doordat van zulke personen gezegd wordt dat zij voor zichzelf Gods Zoon opnieuw aan een paal hangen en hem wederom op schandelijke wijze tentoonstellen [παραδειγματιζω].

 

Joden die zich aan zulk gedrag schuldig zullen maken zal niet toegestaan worden tot een neutrale houding terug te keren, omdat zij al die dingen willens en wetens zullen doen en zich bewust hebben aangesloten bij het kamp van hen die de uitgesproken vijanden van de Messias zijn.

 

De auteur van Hebreeën kan de ernst van deze zaak maar niet genoeg beklemtonen. Derhalve vult hij een en ander nog aan met een parabel: Want grond die de dikwijls daarop komende regen dronk en gewas voortbrengt, nuttig voor hen omwille van wie hij ook wordt bebouwd, krijgt zegen van God mee; maar brengt hij dorens en distels voort, [dan is hij] onbruikbaar en vervloeking nabij; het einde ervan verbranding.

 

De regen die geregeld op de aarde neerkomt en haar doordrenkt heeft tot gevolg dat ze nuttig gewas voortbrengt, althans dat mag volgens de rede verwacht worden. Zonder beeldspraak: 

God stort in de eindtijd op het joodse volk, de grond of aarde, de vijfvoudige zegen uit zoals opgesomd in de verzen 4 en 5

 

De ontvangers verkeren dus allen in één en dezelfde situatie, de regeling van het Nieuwe Verbond, onder Yeshua’ koninklijke heerschappij en hogepriesterschap.

Maar het is datgene wat de 'grond' voortbrengt wat voor iedereen duidelijk zal maken hoe hun werkelijke geaardheid is.

In de tuinbouwcultuur kan 'arme' grond soms niet direct onderscheiden worden van 'rijke' grond, aangezien een verfrissende regenbui beide grondsoorten een veelbelovend uiterlijk aspect kan verlenen. Pas wanneer er nuttig gewas verschijnt, weet men dat men met goede aarde te maken heeft. Evenzo begrijpt men dat het om slechte grond gaat, wanneer er dorens en distels worden voortgebracht. 

 

Naar die illustratie zullen de zaken zich ontwikkelen wanneer Elohim zijn geest uitstort op alle (joods) vlees. De innerlijke gesteldheid van de leden der joodse eindtijdgemeenschap zal openbaar worden in hun reactie op de regen die geregeld op hen neerdaalt, de vijf opgesomde zegeningen van hemelse origine.

Zullen allen God daarvoor dankbaar zijn, in nederige en spontane erkenning van Yeshua’s verdienste, de ware Masjiach die zij en hun vaders eeuwenlang versmaad hebben? Hij is immers de levende uitbeelding van hun dierbare Thorah geworden, en wel in de volgende belangrijke zaken: 

 

(a) in zijn liefde, waardoor haar geboden worden vervuld; 

(b) in de vervulling van de typen van het Tabernakelgebeuren, tastbaar geworden in zijn ene, toereikend offer en in de nieuwe, hogepriesterlijke dienst naar de orde van Melchizedek.

 

En zullen zij bovendien erkennen dat hun begunstiging Gods voornemen moet dienen, namelijk dat zij tot zegen voor de Heidenwereld dienen te worden? Want juist met het oog daarop worden zij als 'aarde' gecultiveerd.

In het boek Jesaja wordt op diverse plaatsen aangegeven dat slechts een Rest dit ook werkelijk zal doen; de meerderheid zal blijvend over haar eigen Messias struikelen. Voor hen zal hij de Steen blijven die de bouwlieden, hun voorvaders in de Eerste eeuw, al verwierpen (Js 8:14-15; 28:16).

 

Overigens komt deze parabel voor de ware jood niet uit de lucht vallen. Ze moet hem wel in gedachten terugvoeren naar de vermaning die YHWH Elohim aan de voorvaders gaf in verband met het goede Land waarheen Hij hen leidde om het in bezit te nemen. Zie: Dt 11:11-28.


Nu worden de Hebreeën zelf met het land vergeleken: aarde (grond) die gecultiveerd wordt met geestelijke zegen vanuit de hemel, en dat allemaal om vrucht voort te brengen tot grote baat van anderen, de Gojim. 

 

Maar zoals hun voorvaders zich moesten hoeden voor de hen omringende afgoderij, om niet door God vervloekt te worden, zullen ook de Hebreeën van de eindtijdperiode op hun tellen moeten passen opdat zij niet meegesleept worden in de algemene adoratie van de Pseudomasjiach die zich op de helft van de Jaarweek zelf tot 'god' verheft.

 

Als het zaad van God echt de gelegenheid wordt geboden zich in de bodem, hun harten, vast te zetten, zal vrucht tot Gods heerlijkheid het resultaat zijn. Maar waar het wordt afgewezen kan de 'regen' datgene wat reeds in de bodem aanwezig is, dorens en distels, alleen maar versneld doen groeien. Meer regen zal de zaak bijgevolg slechts erger, niet beter maken. Dergelijk vruchteloos land verdient de ultieme vervloeking door Elohim, en wordt dan ook door hem overgegeven aan verbranding, d.i. definitieve, volkomen ondergang.

 

Het is wel heel opmerkelijk dat in Hoofdstuk 10, de passage van de vv 26 tm 31, de dreiging voor ondergang nogmaals wordt bevestigd. Overeenkomstige redenen daarvoor, zoals opgesomd in 6:4-8, worden ook daar genoemd, t.w.: 

 

Want als wij moedwillig zondigen ná de verdiepte kennis der waarheid te hebben ontvangen, blijft er geen slachtoffer voor zonden meer over, maar een of andere vreselijke verwachting van oordeel en een vurige naijver die de tegenstanders zal verslinden. Iemand die de wet van Mozes verwerpt, sterft zonder mededogen op grond van twee of drie getuigen; hoeveel erger straf, menen jullie, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God met voeten trad, en het bloed van het Verbond waarin hij geheiligd werd, doodgewoon achtte, en de geest der liefderijke gunst krenkte? Want wij kennen hem die zei: 
Aan mij wraak, ik zal vergelden. En wederom: 
De Heer zal zijn volk oordelen. 
Het is iets vreselijks in handen te vallen van een levende God!

 

Voor commentaar, zie aub: Moedwillig zondigen onder het Nieuwe Verbond

 

Het joodse erfdeel

 

Het behoeft ons niet echt te bevreemden dat er in de Hebreeënbrief zo veelvuldig wordt gewaarschuwd voor afdrijven, afvalligheid en ondergang, aangezien Gods volk Israël nog een grote zegen wacht. Door zijn Zoon, Yeshua Masjiach, zal YHWH Elohim namelijk nog vele zonen van Israël tot heerlijkheid leiden. Want dat is precies datgene wat wij in Hoofdstuk 2, na de waarschuwing voor ‘afdrijven’ - vanaf vers 10 - lezen:

 

Want het paste hem, om wie alle dingen zijn en door wie alle dingen zijn, aangezien hij vele zonen tot heerlijkheid wilde leiden, de bewerker van hun redding door lijden tot volmaaktheid te brengen. 

 

Welke heerlijkheid heeft Elohim daarbij op het oog? Het is dezelfde heerlijkheid die beloofd wordt in Psalm 8, de heerlijkheid waarvan de mens met de intrede van de zonde is afgevallen. Maar binnen het Nieuwe Verbond voorziet YHWH in een Redder en Middelaar om de mens naar de verloren heerlijkheid en het ware zoonschap terug te leiden.

 

De aanwijzingen daarvoor gaan terug tot op de tijd dat YHWH de mens schiep en hem een grootse toewijzing gaf. Het zijn ongetwijfeld bekende woorden voor de lezer, t.w. Genesis, hoofdstuk 1:

 

26 God zei: Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt. 27  God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. 28  Hij zegende hen en zei tegen hen: Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: Heers over de vissen der zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen (nbv).

 

Indrukwekkend is de toewijzing die de mens bij zijn ontstaan ontving: heerschappij voeren over de hele aarde met al haar levende have. Maar het tekstverband toont ook dat hij voor die taak bekwaam was: Elohim had zijn aardse kinderen naar zijn beeld geschapen, toegerust met zijn eigen goddelijke hoedanigheden, zoals liefde, gerechtigheid, wijsheid en macht.

 

In de 8e Psalm - hoewel in principe profetisch - wordt in retrospectief gezinspeeld op die grootse opdracht die de mens bij de schepping ontving:

 

3  Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,

de maan en de sterren door u daar bevestigd,

4  wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt,

het mensenkind dat u naar hem omziet?

5  U hebt hem bijna een god gemaakt,

hem gekroond met glans en glorie,

6  hem toevertrouwd het werk van uw handen

en alles aan zijn voeten gelegd

(nbv)

 

De Psalmist bevestigt dat het mensenkind alsnog met heerlijkheid en eer wordt gekroond, met de bedoeling heerschappij te hebben over alle (aardse) werken van Gods handen.

Is die door Elohim beoogde situatie al gerealiseerd? De mens is immers qua prestaties op ongekende hoge niveaus geraakt. Maar zien we thans ook de realiteit van Genesis 1 en Psalm 8? 

Voert de mens juiste heerschappij over de aardse schepping en dat niet volgens zijn eigen opvatting maar volgens de goddelijke visie dienaangaande?

 

De Hebreeënbrief beantwoordt al die vragen ontkennend. De Brief laat krachtig uitkomen dat wegens Adams val de huidige status van de mens aan Elohims maatstaf tekort schiet. Voor het vervullen van de oorspronkelijke opdracht moet de mens tot zijn (oorspronkelijke) heerlijkheid worden hersteld, en - door wedergeboorte - het ware zoonschap deelachtig worden.

 

In een onderhoud met Nicodemus, een leraar van Israël, maakte de Masjiach duidelijk dat iemand het Messiaanse koninkrijk slechts kan binnengaan wanneer hij van boven wordt geboren uit water en geest. Toen Yeshua die woorden sprak zinspeelde hij daarmee op Ez 36:24-28, waarvan de essentie de volgende belofte inhoudt:

 

Ik zal jullie een nieuw hart geven en een nieuwe geest in jullie binnenste. Ik zal het hart van steen uit jullie lichaam wegnemen en jullie een hart van vlees geven. Ik zal mijn geest in jullie binnenste geven. 

 

Met die toezegging, gegeven in een eindtijdsetting, wordt de wedergeboorte van Israël aangekondigd in een context van terugkeer en herstel. En die ontwikkeling der gebeurtenissen krijgt niet eerder zijn beslag dan bij het sluiten van het Nieuwe Verbond en het optreden van Yeshua als de priesterlijk Middelaar van dat Verbond.

 

Zie Hb 7:11-25 >> Naar de orde van Melchizedek.

 

Over het gesprek met Nicodemus lezen we in Jh 3:1-10 het volgende:

1 En er was een mens uit de Farizeeën; zijn naam was Nicodemus, een leider van de Joden.

2 Deze kwam 's nachts naar Jezus en zei tegen hem: Rabbi, wij weten dat je van God gekomen bent als leraar, want niemand kan deze tekenen doen die jij doet, als God niet met hem is.

3 Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.4 Nicodemus zei tegen hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Hij kan toch niet voor de tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden?

5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: Als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.

6 Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de geest geboren is, is geest.

7 Verwonder je niet dat Ik tegen je zei: Je moet opnieuw geboren worden.

8 De wind waait waarheen hij wil en men hoort zijn geluid, maar men weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met een ieder die uit de geest geboren is.

9 Nicodemus antwoordde en zei tegen hem: Hoe kunnen deze dingen gebeuren?

10 Jezus antwoordde en zei tegen hem: Ben jij de leraar van Israël en deze dingen weet je niet?
Een terechte opmerking van Yeshua. In Ez 36 had deze leraar het zelf kunnen lezen!

 

Bij een nadere bestudering van Psalm 8 blijkt dat die noodzaak tot wedergeboorte eigenlijk altijd al lag opgesloten in de woorden: Wat is dan de mens [enosj] dat u aan hem denkt, de Mensenzoon dat u naar hem omziet?

Terwijl de Psalmist de grootsheid en de heerlijkheid van de hemellichamen beschouwde, moest hij onwillekeurig een vergelijking maken met de mens in zijn huidige situatie: de enosj, d.i. de frêle, ziekelijke, zwakke sterfelijke mens.

 

Vergelijk Ps 103:14-16, waar de sterveling van vers 15 de Hebreeuwse enosj is:

 

Want hijzelf weet zeer goed hoe wij zijn gevormd, gedachtig dat wij stof zijn. Wat de sterfelijke mens [enosj] betreft, zijn dagen zijn als die van het groene gras; als een bloesem van het veld, zo bloeit hij. Want er hoeft maar een wind over te gaan en hij is niet meer.

   

In Hebreeën 2:5-10 wordt door de auteur, uiteraard onder inspiratie van de geest, de ware toepassing van Psalm 8 onthuld:

 

5  Want niet aan engelen onderwierp hij de toekomstige bewoonde aarde waarover wij spreken.  6  Maar iemand betuigde ergens, zeggend:
Wat is een mens dat gij hem gedenkt, of Mensenzoon dat gij naar hem omziet?  
7  Gij maakte hem een weinig lager dan engelen; met heerlijkheid en eer kroonde gij hem;  8  Alle dingen onderwierp gij onder zijn voeten. Want door alle dingen aan hem te onderwerpen, liet hij niets over wat niet aan hem onderworpen zou zijn. Thans zien wij echter nog niet dat alle dingen aan hem onderworpen zijn.  

9  Maar wij zien Jezus -die een weinig lager dan engelen gemaakt was- wegens het lijden des doods met heerlijkheid en eer gekroond, opdat hij door Gods liefderijke gunst voor ieder de dood zou smaken. 10  Want het paste hem, om wie alle dingen zijn en door wie alle dingen zijn, aangezien hij vele zonen tot heerlijkheid wilde leiden, de bewerker van hun redding door lijden tot volmaaktheid te brengen.

 

Wat had de goddelijk geleide auteur in gedachten toen hij schreef: de komende bewoonde aarde waarover wij spreken? Was het thema al eerder in de Brief aangeroerd; er misschien reeds op gezinspeeld?

De uitdrukking is binnen het Rabbinisme algemeen gebruikelijk voor de joodse verwachting van "de komende wereld", een welbekend onderscheid dat Joden huldigen: nu de huidige wereld, maar hierna de heerschappij van de Masjiach, in de wereld die komt.

 

Op grond daarvan trekken wij, wellicht ten overvloede, de volgende conclusies:

 

a De Hebreeënbrief is door en door joods georiënteerd; zeker niet gericht tot de christelijke gemeente. De auteur richt de aandacht van zijn lezers op de algemeen onder Joden heersende verwachting: de wereld die aanbreekt in de Messiaanse tijd. En de verwezenlijking daarvan ligt, wat de Joden betreft, nog altijd in de toekomst, maar wel een toekomst die thans zeer nabij is gekomen.

 

b In dit document wordt de blik van de lezer niet gericht op de specifieke hoop die christenen koesteren. Aan de Gemeente-eeuw, de huidige wereldperiode in Gods voornemen, wordt eenvoudig voorbijgegaan; de toekomstblik wordt rechtstreeks gefocust op de tijd van de wederoprichting van het Messiaanse Rijk.

 

c De tekst Hb 2:5 vormt, gezien de inhoudelijke formulering, opnieuw een krachtig argument voor de these dat Hebreeën speciaal bedoeld is voor de joodse eindtijdheiligen.

 

Maar ook de context geeft aanleiding voor de tekst en zijn specifieke formulering, die volgens de WV-versie luidt: Het is zeker dat God niet aan engelen de heerschappij heeft gegeven over die wereld der toekomst, die ons eigenlijk onderwerp is. 

Daarvoor gaan we allereerst terug tot Hb 1:6

Er is namelijk een duidelijke relatie tussen Hb 2:5 en Hb 1:6, de enige verzen in de Hebreeënbrief waar we de uitdrukking bewoonde wereld (Grieks: οικουμενη) tegenkomen.

 

Maar wanneer hij wederom de Eerstgeborene binnenleidt in de bewoonde wereld [οικουμενη], zegt hij: En laten alle engelen Gods hem eer bewijzen.

 

Het vers verwijst naar de tweede komst van de Masjiach. De uitdrukking wederom bevestigt dat. Maar ook de frase binnenleiden in de bewoonde wereld heeft joodse reminiscenties. De term ziet terug op de tijd dat YHWH Elohim Israël in het bezit stelde van Kanaän, het aan hen Beloofde land:

 

Gij brengt hen binnen en plant hen op een berg van uw erfdeel; een vaste plaats voor U om te verblijven, die Gij hebt gemaakt, o YHWH: een heiligdom, Heer, dat uw handen hebben bereid! YHWH zal heersen voor eeuwig en immer(Ex 15:17-18; pc).

 

Evenzo zal de Vader, bij de terugkeer van zijn Zoon naar de aarde, volgens Psalm 2 zeggen: Vraag mij en Ik zal natiën geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit

Bij zijn eerste (vroegere) komst ervoer de Zoon een verdrijving uit de wereld; vandaar de tegenstelling: wanneer hij wederom de eerstgeborene binnenleidt.

 

Kwaadaardig verdreven, maar (opnieuw) binnengaan in majesteit: hij zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader (Mt 16:27; of hier). En dan zal gezegd worden: Laten alle engelen van God zich neerwerpen voor hem. 

 

Het citaat komt uit Dt 32:43, hoewel Ps 97:7 ook in beeld is, beide volgens de LXX.

[ Dt 32:43 luidt in de LXX anders dan in de M.]

De beginregels luiden:

 

Verheugt u hemelen met hem,

en laten al Gods zonen zich voor hem neerwerpen;

verheugt u natiën met zijn volk,

 

en vervolgens:

 

en laten al Gods engelen sterk worden in hem

want hij zal het bloed van zijn zonen wreken,

en hij zal wraak oefenen en straf vergelden aan zijn vijanden,

en de haters zal hij vergelden;

en de Heer zal het land van zijn volk reinigen.

 

 Volgens de M luidt Dt 32:43 :

 

Roept het uit van vreugde, jullie heidenen, met zijn volk; want hij zal het bloed van zijn dienaren wreken, en hij zal wraak oefenen aan zijn tegenstanders. Maar hij zal verzoening doen voor zijn grond, zijn volk. 

 

Wat betreft de verhouding die er bestaat tussen de Zoon en de (overige) engelen lezen we in Hb 1:13 - 2:4 het volgende:

 

13  Tot wie van de engelen echter heeft hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand, totdat ik je vijanden stel tot voetbank van je voeten? 

14  Zijn zij niet allen geesten in een openbare toewijzing, uitgezonden voor dienst ten behoeve van hen die redding gaan beërven? 

1  Daarom moeten wij [de ware leden van het Israël Gods] overvloediger acht geven op de dingen die gehoord zijn, opdat wij nooit afdrijven.  

2 Want indien het woord door engelen gesproken [bij het overbrengen van de Wet] vast bleek te zijn en elke overtreding en ongehoorzaamheid gerechte vergelding ontving, 

3  hoe zullen wij ontkomen als wij zo’n grote redding zouden veronachtzamen, waarover - na een aanvang genomen te hebben - gesproken werd door de Heer, voor ons bevestigd door hen die het gehoord hadden, 

4  God meegetuigend, zowel door tekenen als wonderen en diverse krachten en uitdelingen van heilige geest overeenkomstig zijn wil?

 

In dit Schriftdeel worden de Joden van de eindtijd geplaatst tegenover hun voorvaders, de Israëlieten, die leefden onder het vroegere Verbond dat bemiddeld werd door Mosjeh. Hij ontving toen de Wet door tussenkomst van engelen. Op ongehoorzaam gedrag stonden (rechtvaardige) vergeldingen.

 

Maar hun nakomelingen van de eindtijd wordt krachtens het Nieuwe Verbond - dat in alle opzichten zoveel beter is en waarin de Masjiach priesterlijk Middelaar is, iets zó groots in het vooruitzicht gesteld - zo’n grote redding – dat het versmaden daarvan werkelijk catastrofaal zal uitpakken. Die (onontkoombare) consequenties hebben we hierboven al uitvoerig nader uitgewerkt.

 

Welnu, op die grote redding haakt de auteur in wanneer hij in Hb 2:5 vervolgt met: Want niet aan engelen onderwierp hij de toekomstige bewoonde aarde, waarover wij spreken [ons eigenlijk onderwerp].

Om voor die stelling het bewijs te leveren grijpt hij terug op Psalm 8, waaruit bij nader inzien kan worden afgeleid dat

 

a. de genoemde grote redding al bij voorbaat in die Psalm was aangegeven, en verband blijkt te houden met de heerschappij die tijdens het Millennium over de bewoonde aarde zal worden uitgeoefend;

b. in die wereld der toekomst de mens, dat wil zeggen de joodse heiligen, en niet de engelen, alle dingen in onderworpenheid zullen hebben; zoals ook in Dn 7:27 te kennen wordt gegeven:

 

En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen (nbg).

 

Merk - naar analogie van de mens in Psalm 8 - het gebruik van het enkelvoud op met betrekking tot het volk van de heiligen, en zijn koningschap. Volgens de LXX: και η βασιλεια αυτου.

 

Anders dan voor christenen is de hoop die Israël in het vooruitzicht wordt gesteld niet de hemel, maar een glorierijk koninkrijk op aarde, in rechtvaardigheid geregeerd door hun Masjiach (Js 32:1).

Die 'komende wereld' kan alleen aanbreken wanneer Jeruzalem niet langer vertreden wordt door de Heidenvolken. Derhalve moeten eerst de Tijden der Heidenen, ook wel aangeduid als de Zeven Tijden - die millennia lang door God werden vergund - vervuld worden. Zoals ook in Lk 21:24 wordt aangekondigd:

 

Jeruzalem zal door de Heidenvolken vertreden worden, totdat de Tijden der Heidenvolken vervuld zijn.

 

Dan zal de dwaling en de onwetendheid van het Heidendom plaats maken voor de nieuwe situatie van Js 11:9 >> de aarde vervuld van de kennis van YHWH, zoals de wateren ook de zee bedekken

Slechts een dergelijke ontwikkeling in de gebeurtenissen kan er toe leiden dat alle kwaad en verderf op Gods heilige berg Sion wordt uitgebannen. Jeruzalem zal dan de verheuging worden van heel de aarde. Ook zal Jeruzalem gesteld worden tot een lof op aarde (Ps 48:1-3Js 62:7).

 

Zie: Jeruzalem en het Koninkrijk Gods

 

Tijdens zijn bediening maakte Masjiach Yeshua die verwachting tot het centrale thema van zijn onderwijs. Hij bracht de verwezenlijking van Elohims voornemen om de mensheid door tussenkomst van Abrahams zaad te zegenen, geregeld in verband met de wederoprichting van het koninkrijk voor Israël met Jeruzalem, de Stad van de Grote Koning, als centrum (Mt 5:34-35Hn 1:6).

 

De woorden der profeten kunnen bij het herstel van het koninkrijk voor Israël werkelijkheid worden: Zitten onder de eigen wijnstok en onder de eigen vijgenboom, zonder ook maar in enig opzicht verstoord te worden (Mc 4:1-4).

 

In de Hebreeënbrief, met name in de context van Hb 2:5-10, komt goed tot uitdrukking dat de opgesomde vooruitzichten tot het joodse erfdeel behoren, iets wat eveneens door de profeten werd aangekondigd:

 

In de komende dagen zal Jakob wortel schieten, Israël bloeien en uitspruiten, zodat zij het aangezicht der wereld [Hebr: tevel; Grieks oikoumenè] met vruchten vervullen

(Js 27:6).

 

Zie, ik zal in die tijd afrekenen met allen die u verdrukken, maar ik zal haar die kreupel gaat redden en haar die verstrooid is verzamelen; Ik zal tot een lof en tot een naam geven hen, wier schande was over de gehele aarde. In die tijd zal ik u terugleiden, ja, in de tijd dat ik u verzamelen zal. Want ik zal u geven tot een naam en tot een lof onder alle volken der aarde, wanneer ik voor uw ogen een keer breng in uw gevangenschap, spreekt YHWH (Zf 3:19-20).

 

In het Millenniumrijk van de Masjiach, de wereld die komt (de komende bewoonde aarde), zal de voornaamste plaats niet door engelen worden ingenomen, maar door 'de mens' van Psalm 8. En die plaats is niet slechts een voorname, maar een zeer bijzondere: alles zal aan hem onderworpen zijn!

Zoals aangekondigd in Op 21:5 - Zie! Ik maak alle dingen nieuw - zal ook dit een geheel nieuwe situatie inluiden.

 

In het thans bestaande wereldbestel (bewoonde aarde: oikoumenè), is de heerschappij in handen van engelen: Satan en zijn demonen. Mocht iemand twijfelen aan de juistheid van deze bewering, dan zullen enkele Bijbelcitaten hem wel uit de droom helpen:

Bij de verzoeking in de woestijn zei Satan tot Jezus, nadat hij hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid had getoond:

 

Aan jou zal ik al deze macht en de heerlijkheid ervan geven, want aan mij is ze overgegeven en aan wie ik ook wil, geef ik ze. Jij dan, indien je voor mijn aangezicht een daad van aanbidding verricht, zal alles van jou zijn (Lk 4:6-7)

 

Hoe reageerde Yeshua op dat aanbod? Trok hij de claim van de Duivel wellicht in twijfel?

Nee! Hij wees de claim van de Duivel - dat de heerschappij toen en thans nog steeds - over de bewoonde aarde bij Elohims grote Tegenstander berust, niet verontwaardigd van de hand.

 

Hij wist als geen ander, onder meer op grond van Daniël, hoofdstuk 10, dat Satan macht over wereldrijken en andere wereldse regeringen aan zijn engelen delegeert. Er is namelijk sprake van de vorst van Perzië, alsook van de vorst van Griekenland, demonenvorsten die YHWH Elohim, zijn getrouwe engelen en ook zijn dienstknechten op aarde, zoals Daniël, tegenstaan (Dn 10:12-1420-21).

 

Zie: Michaël, de aartsengel, in conflict met Satans Rijk 

 

Ook Saulus [Paulus] was bekend met dit gegeven. Zie Ef 6:11-12 >>

 

Doet de volle wapenrusting Gods aan, om stand te kunnen houden tegen de listige daden van de Duivel. Want onze worsteling is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen.

Trouwens, op de avond voorafgaande aan zijn offerdood - toen hij nog uitgebreid sprak met zijn leerlingen - zei Masjiach Yeshua zelf over Satan: Ik zal niet veel meer met jullie spreken, want de heerser van de wereld is op komst. En hij heeft in mij helemaal niets (Jh 14:30).

Hoe had die gang van zaken - het op die wijze voeren van heerschappij over de aarde - ooit kunnen ontstaan?

 

Antwoord: Het hangt alles samen met wat Yeshua noemde de Tijden der Heidenvolken (natiën), waarover we het eerder hadden bij de bespreking van de Jaarwekenprofetie.

 

Toen hij de rampzalige gebeurtenissen van het jaar 70 AD voorzag, sprak hij volgens Lk 21:23-24 daarover de volgende profetische woorden: 

 

Er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen worden weggevoerd naar alle natiën; en Jeruzalem zal door de Heidenvolken vertreden worden, totdat de tijden der Heidenvolken vervuld zijn.

In Handelingen 14:16 kunnen we lezen hoe de apostel Paulus die tijden typeerde: In de voorbijgegane geslachten heeft hij [Elohim] alle Heidenvolken toegestaan hun eigen wegen te gaan.

Die verklaring verschaft een sleutel tot begrip: 

De periode waarin de mensen van de (huidige) bewoonde aarde hun eigen gang mochten gaan in onafhankelijkheid van YHWH Elohim, is terug te voeren op het debacle van Babel toen Hij de spraak der mensen verwarde (Gn 11:1-9).

 

Door die daad werden de bouwers van het torenproject gedwongen overeenkomstig hun taalgroepen uiteen te gaan. Dat leidde als vanzelfsprekend tot de vorming van etnische groepen met hun eigen cultuur en vorm van bestuur. Elohim liet hen voor een zekere, door hem van tevoren bepaalde tijd hun eigen gang gaan. Gn 10:32 vermeldt het resultaat: 

 

Dit waren de families van de zonen van Noach naar hun familieafstamming, volgens hun natiën, en uit dezen hebben de Heidenvolken zich na de geweldige vloed over de aarde verspreid.

Het behoeft nauwelijks betoog dat, aangezien YHWH Elohim zijn (bestuurlijke) handen van die nieuw gevormde natiën aftrok, Satan meteen dat bestuursvacuüm opvulde.

Ja zeker! Toen YHWH Elohim bij de Spraakverwarring de Heidenvolken voortaan hun eigen wegen liet gaan, stond Hij Satan toe om het bestuursvacuüm dat daardoor ontstond op te vullen. En dat deed die Tegenstander ook en wel meteen!

 

Vandaar dat hij tot Yeshua de waarheid sprak toen hij deze wilde verlokken met het aanbod hem de macht over alle koninkrijken der bewoonde wereld te verlenen:

 

Aan jou zal ik al deze macht en de heerlijkheid ervan geven, want aan mij is ze overgegeven en aan wie ik ook wil, geef ik ze. Jij dan, indien je voor mijn aangezicht een daad van aanbidding verricht, zal alles van jou zijn

(Lukas 4)

 

In Daniël, hoofdstuk 4 wordt onder het zinnebeeld van een zeer hoge boom die

- met zijn top tot de hemel reikte,

- van de uiteinden der aarde zichtbaar was,

- en waarvan al wat leeft werd gevoed, 

de tijdelijke opschorting van Gods heerschappij over de oikoumenè afgebeeld.

 

Voor de duur van Zeven tijden ligt de boom geveld ter aarde, de wortelstronk stevig omsloten door banden van koper en ijzer, opdat de stervelingen erkennen dat de Allerhoogste beschikt over het menselijk koningschap en het kan geven aan wie Hij wil en dat Hij zelfs de geringste onder de mensen tot die waardigheid kan verheffen (Dn 4:10-17; wv).

 

Wanneer op de helft van de 70e Week het Messiaanse koninkrijk wordt opgericht en daarmee Elohims heerschappij in de oikoumenè wordt hersteld, klinken er volgens Op 11:15-17 dan ook blijde stemmen in de hemel die uitroepen:

 

Het koninkrijk der wereld werd van onze Heer en van zijn Messias, en hij zal als koning regeren tot in alle eeuwigheid. En de vierentwintig Oudsten die vóór God op hun tronen zitten, vielen op hun aangezicht en aanbaden God zeggend: Wij danken u Heer God, de Almachtige, die is en die was, dat gij uw grote kracht hebt opgenomen en als koning zijt gaan regeren.

 

De Tijden der Heidenvolken (natiën) lopen met die gebeurtenis af. Jeruzalem, dat altijd is geïdentificeerd met het Messiaanse koninkrijk, wordt dan niet langer vertreden; het is gedaan met de (corrupte) engelenheerschappij.

Als een bewijs daarvoor worden de Duivel en zijn engelen in de oorlog die naar aanleiding van deze gebeurtenis in de hemel gestreden wordt, door Michaël verslagen en naar de aarde geworpen (Op 12:5-10).

 

Wanneer we ons metterdaad vergewissen van die profetische aankondiging omtrent een aanstaande oorlog in de hemelsferen, zullen we begrijpen dat het bij de Duivel -  na uitgeworpen te zijn tezamen met zijn demonenengelen - bekend zal zijn dat hij daarna nog maar over een weinig tijd kan beschikken. Zoals wordt aangegeven:

 

Weest hierom verheugd, gij hemelen en zij die daarin hun verblijf hebben. Wee de aarde en de zee! Want de Duivel is tot jullie afgedaald in grote toorn, wetend dat hij weinig tijd heeft.

 

Zijn laatste 1335 dagen zullen de tweede helft van de 70ste Jaarweek omvatten (1260 dagen, cq 3½ tijd) plus nog de 75 dagen waarin het oordeel aan de Heidenvolken voltrokken zal worden. Volgens Openbaring 20:1-3 wordt hij daarna voor 1000 jaar gebonden en in de afgrond van inactiviteit geslingerd.

Zie ook Daniël 12:12

 

Zijn engelen, de demonen, die de 1000 jaar in geen enkel opzicht meemaken, aangezien zij na afloop van de genoemde 75 dagen reeds beland zullen zijn in het eeuwige vuur dat voor de Duivel en zijn engelen is bereid, d.i. in de volledige vernietiging gedompeld.

Vergelijk Mt 25:31-46.

 

Die hemelse acties, geleid door de verheerlijkte Mensenzoon, worden in Op 19:11, 19-20 weer op een andere, zinnebeeldige manier beschreven:

 

En ik zag de hemel geopend, en zie! Een wit paard en hij die erop gezeten is, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig. En hij oordeelt en voert oorlog in rechtvaardigheid… En ik zag het Beest en de koningen der aarde en hun legers verzameld om de oorlog te voeren met hem die op het paard is gezeten en met zijn legers.  En het Beest werd gegrepen en met hem de Valse Profeet die de tekenen voor zijn aangezicht deed, waarmee hij hen misleidde die het merkteken van het Beest ontvingen en die zijn Beeld aanbaden. Levend werden de twee geworpen in het meer van vuur dat met zwavel brandt.  

 

Met het duo Beest en Valse Profeet - twee uitingsvormen van de Antichrist, de Pseudomasjiach van de eindtijd – wordt gedoeld op het collectief van demonenengelen die in de periode welke aan de Vloed voorafging tot zonde vervielen. Bijgevolg werden zij gestraft met de Tartarustoestand, d.i overgegeven aan afgronden van dikke (geestelijke) duisternis.

Blijkens Twee Petrus 2:4 en Judas 6 worden zij in die situatie voor het oordeel bewaard om nog een rol te vervullen in Gods voornemen.

 

Zie: De rol der demonen in de eindtijd

 

Uit Jesaja 14:16-17 is profetisch duidelijk dat de Pseudomasjiach - in die context onder het zinnebeeld van de koning van Babel - in zijn korte, desastreuze loopbaan verwoestend zal optreden. In zijn haatdragende kwaadaardigheid zal hij er op uit zijn de oikoumenè, waarover de demonen zo lang hun beestachtige, tirannieke heerschappij uitoefenden, te gronde te richten:

 

Is dit de man, die de aarde deed sidderen, die koninkrijken deed beven; die de bewoonde aarde [tevel] tot een wildernis maakte en haar steden verwoestte? Die zijn gevangenen nooit liet gaan?

 

In het Bijbelboek Jesaja wordt echter ook het einde aangekondigd van alle heerschappij door de demonenengelen, maar ook van het politieke bestuur der mensen die onder hun supervisie een zichtbaar wanbestuur uitoefenden.

Wederom in een context van de bewoonde aarde lezen we in Js 34:1-2 >>

 

Treedt nader, Heidenvolken, om te horen; en jullie, volkgemeenschappen, schenkt aandacht. Laat de aarde en haar volheid luisteren, de bewoonde wereld [tevel] en al wat uit haar ontspruit. Want YHWHs verbolgenheid is over al de Heidenvolken en woede tegen heel hun heerleger. Hij zal hen stellig aan de vernietiging prijsgeven; hen overgeven ter slachting.

 

Daarom zal - zoals reeds gememoreerd - in het Millenniumrijk van de Masjiach de voornaamste plaats niet door engelen worden ingenomen, maar door de mens van Psalm 8. Een zeer bijzondere plaats, want alles zal YHWH Elohim aan diens ‘voeten’ onderwerpen!

Met de verheffing van Masjiach Yeshua - al vlug volgend op zijn vernedering tot in de dood - is reeds lang geleden een aanzet tot de vervulling van die voorzegging gegeven, zoals we in Hb 2:9 lezen: Maar wij zien Jezus - die een weinig lager dan engelen gemaakt was - wegens het lijden des doods met heerlijkheid en eer gekroond, opdat hij door Gods liefderijke gunst voor ieder de dood zou smaken.

 

Hij is de voornaamste onder zijn broeders, het eigenlijke Zelf van het ware Israël. In hem nam de vervulling van de profetische Psalm 8 reeds een aanvang.

Maar de kroning van Yeshua met heerlijkheid en eer staat garant voor de uiteindelijke verheffing van zijn eigen volk.

 

Dat Yeshua zelf zich innig met die broeders van hem vereenzelvigt, toont de context in Hb 2:11-13 >> 

 

Want zowel hij die heiligt als zij die geheiligd worden, [stammen] allen uit één; om welke reden hij zich niet schaamt hen broeders te noemen, zeggend: Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen,
in het midden der gemeente zal ik u lofzingen.

En wederom: Ik zal mijn vertrouwen stellen op hem. En wederom: Zie, ik en de kinderen die God mij gegeven heeft.

 

Yeshua en zijn broeders hebben een gemeenschappelijke achtergrond als het zaad ter zegening dat aan Abraham beloofd was; bijgevolg citeert de apostel uit de bekende Messiaanse Psalm 22:23 >> Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik u lofzingen.

 

Die (joodse) broeders zullen te zijner tijd de vervulling van Hb 2:7-8 ervaren. Met de zekerheid van het profetische futurum [toekomende tijd] schreef David (aldaar in Hebreeën geciteerd):

 

Met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond en hem gesteld over de werken van uw handen; alles hebt U onder zijn voeten onderworpen

 

Zover  is het thans duidelijk nog niet, hetgeen ook de auteur zelf constateert door te vervolgen met: Maar nu zien wij nog niet alles aan hem onderworpen.

Maar er is iets wat we wél zien, namelijk datgene wat destijds – al in de Eerste eeuw - in Hebreeën 2:9 werd onthuld:

 

Maar wij zien Jezus, die een weinig minder dan de engelen gemaakt werd, met heerlijkheid en eer gekroond omdat hij de dood heeft ondergaan, opdat hij door Gods genade voor iedereen de dood zou smaken.

 

Het voornemen van YHWH Elohim beweegt zich voort in een gestadig proces waarin op ordelijke wijze de ene stap na de andere wordt gezet bij het verwezenlijken van zijn doelstelling. Teneinde zijn broeders in een positie van heerlijkheid te kunnen brengen, moest Yeshua zelf eerst een tijd lang minder dan engelen gemaakt worden, zodat hij door zijn dood een volmaakt, toereikend offer kon brengen dat de kracht tot ware verlossing (loskoop) zou hebben. De basis om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, was daarmee gelegd.

 

Maar met dat onderdeel van het proces zal pas in de 70ste Jaarweek daadwerkelijk een begin worden gemaakt.

In die tussenperiode ligt Gods bemoeienis met de natie Israël namelijk stil en wordt eerst de volheid der Heidenvolken binnengebracht tijdens de Gemeente-eeuw.

 

Zie: Romeinen, hoofdstuk 11.

 

In de 70ste Week, wanneer het Messiaanse koninkrijk in werking komt, breekt volgens Ps 110:3 de tijd aan dat de Heer, Masjiach Yeshua, in de pracht der heiligheid, uit de schoot der dageraad, de dauw van uw jeugd zal hebben: zijn eigen volk dat zich gewillig aan hem zal aanbieden, bestaande uit herboren zonen Gods, de joodse heiligen van de eindtijd.

Vergelijk Hs 1:10-11 .

 

Het Hebreeuwse woord voor pracht in vers 3 van Psalm 110, wordt in Psalm 8:6 weergegeven met eer of luister:

 

Gij hebt hem met heerlijkheid en luister gekroond.

 

De joodse heiligen zullen naast eer, ook met heerlijkheid worden gekroond.

Dit laat uitkomen dat zij verheven zullen worden tot een glorierijke positie van aanzien, passend voor de plaats die zij op de Nieuwe Aarde zullen innemen: de koninklijke, priesterlijke vertegenwoordigers van hun koning, de Masjiach.

 

In het Bijbelboek Openbaring dat ook al profetisch gefocust is op het verloop van de 70ste Jaarweek, precies dus zoals met de Hebreeënbrief het geval is, lezen we bij herhaling eveneens over die glorierijke toekomst van Israël. Met name in Openbaring 2 en 3 richt Masjiach Yeshua zich in de vorm van zeven boodschappen uitnodigend tot de gehele joodse eindtijdgemeenschap:

 

Wie overwint en hij die tot het einde mijn werken onderhoudt, aan hem zal ik macht geven over de Heidenvolken, … Hem die overwint zal ik geven om met mij op mijn troon plaats te nemen, gelijk ook ik overwon en met mijn Vader plaats nam op zijn troon. Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt.

(Op 2:26 en 3:21-22)

 

Dit bedoelen we met de joodse erfenis : de toekomende bewoonde aarde onderworpen aan de heiligen; alle dingen hebt Gij onder zijn voeten gelegd.

Op 21:7 beschrijft dit als een erfenis die hun, die ware zonen van God worden, ten deel valt:

 

Hij die overwint zal deze dingen beërven, en ik zal hem tot God zijn en hij zal mij een zoon zijn.

 

De correcte toepassing van Psalm 8 ligt dus bij de Masjiach en zijn broeders: Zie, ik en de kinderen die God mij gegeven heeft.

Met hen begint de Vader een geheel nieuwe orde op aarde ten behoeve van de mensheid, de eeuw van het Millennium (Gn 22:18). Het is de toekomende bewoonde aarde, al zo lang onderwerp van bespreking in joodse kringen, maar ook in de Hebreeënbrief. 

 

Het laat zich gemakkelijk raden wat die ontwikkeling inhoudt voor de huidige politieke Staat Israël!

Uit al het aangevoerde Bijbelse bewijsmateriaal blijkt overduidelijk dat haar dagen bij YHWH Elohim geteld zijn. Haar einde is nabij, zoals trouwens geldt voor alle politieke, menselijke heerschappij.

 

Zeker, alle politieke heerschappij staat op het punt te verdwijnen, inclusief de huidige Staat Israël! Al die heerschappij van menselijke origine zal plaats moeten maken voor het lang beloofde Davidische koninkrijk.

Nee; niet weer een miniatuurkoninkrijkje zoals het destijds heel kort bestond in voorafbeelding tijdens de regeerperiodes van David en zijn zoon Salomo. Maar wereldomvattend, zoals in de Messiaanse Psalm 72:8 kan worden gelezen: 

 

Hij [de Masjiach] zal heersen van zee tot zee, van de rivier [de Eufraat] tot de einden der aarde.

 

Dat koninkrijk kondigde Gabriël aan toen hij Mariam het volgende meedeelde over de zoon die uit haar geboren zou worden:

 

Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogste worden genoemd, en de Heer God zal hem de troon van zijn vader David geven, en hij zal als koning over het huis van Jakob regeren tot in eeuwigheid, en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn. - Lukas 1.

 

Ja, als de permanente erfgenaam van zijn voorvader David zou Yeshua voor altijd diens troon bezetten.

In hem vindt de definitieve vervulling van 2Sm 7:11-29 plaats. Tot David immers zei Nathan als Elohims woordvoerder het volgende: Uw huis en uw koninkrijk zullen voor eeuwig bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal voor eeuwig bevestigd zijn; waarna we lezen:

 

Daarop ging koning David naar binnen [kennelijk in het Heiligdom] en zette zich neer voor het aangezicht van YHWH en zei: Wie ben ik, Heer YHWH, en wat is mijn huis dat u mij tot hiertoe gebracht hebt? En dit was in uw ogen nog gering, Heer YHWH, en u hebt ook nog over het huis van uw dienaar gesproken tot in verre tijden; en dit overeenkomstig de wet voor de mensheid, Heer YHWH!

En wat zal David nog meer tot u spreken? Ú kent uw dienaar immers, Heer YHWH. Omwille van uw woord en naar uw hart hebt u al deze grote dingen gedaan, en aan uw dienaar bekendgemaakt. Daarom bent u groot, Heer YHWH, want er is niemand zoals u...
Nu dan, YHWH Elohim, laat dit woord dat u over uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bestaan, en doe zoals u gesproken hebt. En laat uw naam tot in eeuwigheid grootgemaakt worden...
Moge het dan nu behagen het huis van uw dienaar te zegenen, 
dat het voor eeuwig voor uw aangezicht zal zijn; want u, Heer YHWH, hebt het toegezegd, en met uw zegen zal het huis van uw dienaar voor eeuwig gezegend worden.

 

Maar, zoals reeds opgemerkt, dat blijvende konkrijk van de Masjiach zal heel de aarde omspannen. Meer nog! Het zal zich zelfs vanaf de hemel naar de aarde uitstrekken. Zoals geschreven staat: Dit heeft YHWH gesproken: "De hemel is mijn troon en de aarde mijn voetbank" (Js 66:1).

 

En wat wellicht nog belangrijker is. Die uitspraak werd niet alleen gedaan in een Eindtijdcontext maar ook om aan te geven dat Elohims ware Heiligdom zich uitstrekt vanaf de hemel naar de aarde. Precies dus zoals de aartsvader van Israël ervoer te Luz, een plaats echter die naderhand Bethel werd genoemd omdat Jakob zich realiseerde dat YHWHs Heiligdom (Huis) zich inderdaad uitstrekt van de hemel naar de aarde. 

 

Ik ben YHWH, Elohim van je vader Abraham en Elohim van Isaäk. Het land, waarop je ligt, aan jou zal ik het geven en aan je zaad. Jouw zaad zal zijn als het stof der aarde; je zult je uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. En in jou en in jouw zaad zullen alle families van de aardbodem gezegend worden.

 

Die wederkerigheid tussen hemel en aarde is uiteraard niet onopvallend gebleven.

In de Rabbijnse literatuur wordt de onverbrekelijke band tussen het hemelse en het aardse Jeruzalem benadrukt. Naar verluidt zou Rabbi Jochanan ben Zakkai die opvatting reeds geleerd hebben. Sprekend over de verlossing van het Jeruzalem op aarde, zou hij gezegd hebben, met een verwijzing naar Psalm 122:3 >>

Het hemelse Jeruzalem kan niet volledig zijn zolang de aardse stad niet verlost is. 

De bewuste Psalm, een pelgrimslied van koning David, begint aldus:

 

Ik verheug mij wanneer zij tegen mij zeggen: Laten wij opgaan naar het huis van YHWH!  Onze voeten staan binnen uw poorten, o Jeruzalem!  Jeruzalem is gebouwd als een stad die in eenheid is samengevoegd.

 

Om goede Bijbelse redenen is er derhalve aanleiding om te spreken over Jeruzalem-hemels en Jeruzalem-aards.

Tijdens de aanval op Jeruzalem in 70 AD leidde genoemde Jochanan ben Zakkai in het geheim besprekingen met de Romeinen. Daarbij was hij eropuit toestemming te verkrijgen om in Javne een religieus centrum te vestigen, als alternatief voor de stad Jeruzalem. Zijn bedoeling was namelijk om aldus de voortzetting van de Halachisch gefundeerde religie te verzekeren.

 

In zijn tijd kwam men tot de opvatting dat de stad van de Tempel - het concrete Jeruzalem waarvoor eventueel gevochten moest worden en een normaal leven gehandhaafd - verdrongen was door een soort Hemels Jeruzalem waar geen belasting werd geïnd en geen rioolwater-problemen bestonden. Het was het Jeruzalem van engelen, van goud en kristal, daken van smaragd, etc.

 

Het aardse Jeruzalem was in die tijd niet iets om over te onderhandelen. Na de val van de stad staken de Romeinen alles in brand wat maar brandbaar was. Naderhand, toen zij de stad hadden herbouwd, doopten zij het Aelia Capitolina.

Kijken wij evenwel met een profetische blik naar Openbaring 21:1-4, dan zien we daar in zinnebeeld datgene waarop Jochanan zijn hoop had gesteld: het aardse Jeruzalem in een staat van verlossing:

 

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde gingen heen, en de zee is niet meer. En de heilige Stad, Nieuw Jeruzalem, zag ik neerdalend uit de hemel vanaf God, toebereid als een bruid, versierd voor haar echtgenoot. En ik hoorde een luide stem vanuit de troon, zeggend: Zie! De Tent van God bij de mensen, en hij zal zijn tent bij hen opslaan en zij zullen zijn volken zijn, en God zelf zal met hen zijn. En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de Dood zal niet meer zijn, noch rouw noch geschreeuw noch pijn zal er meer zijn; de eerste dingen gingen heen.

In de zinnebeelden van het boek Openbaring worden we hier in de tijd vooruit geplaatst naar het begin van het Millenniumrijk van de Masjiach. De oude regeling waarbij de demonen achter de schermen van onzichtbaarheid heersten over de verdorven maatschappij op aarde, zal uit het zicht zijn; geheel verdwenen. Het Messiaanse koninkrijk is nog de enige macht, op aarde zichtbaar vertegenwoordigd door het volk der heiligen van het Opperwezen.

Vergelijk Dn 2:44-45 en 7:13-14, 27.

 

In Openbaring 7 wordt ons dat volk der heiligen van het Opperwezen eveneens bijvoorbaat getoond. Als een vervulling van Jesaja 49 zien wij hen in zinnebeeld voor Elohims troon en die van het 'Lam' (zinnebeeld van de geofferde Masjiach):

 

Dezen zijn zij die komen uit de Grote Verdrukking, en zij wasten hun gewaden en maakten ze wit in het bloed van het Lam. Om die reden zijn zij vóór de troon van God en verrichten zij dag en nacht voor hem heilige dienst in zijn tempelheiligdom. En Hij die op de troon zit zal zijn tent over hen vestigen. Zij zullen geen honger of dorst meer hebben; de zon noch enige andere hitte zal op hen vallen. Want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen geleiden naar bronnen van wateren des levens. En God zal elke traan uit hun ogen wegwissen.

In die Grote Menigte, zoals ze in vers 7 van dit hoofdstuk worden aangeduid en waarvan de leden uit de Grote Verdrukking komen, signaleren we allerlei terugverwijzingen naar de Tenach. Zij verkeren immers in een geestelijk reine toestand aangezien zij hun (symbolische) kledij gewassen hebben en witgemaakt in het offerbloed van het Lam, Yeshua Masjiach. Bijgevolg kunnen zij aanvaardbare heilige dienst verrichten in het aardse deel van de naos, Grieks voor tempelheiligdom.  We noemen:

 

Daniël 12

Dat hoofdstuk, helemaal gefocust op de tijd van het einde (vers 9), verplaatst ons in vers 1 al meteen naar het ‘opstaan’ van Michaël, de Grote Vorst, en wel in de zin dat Masjiach Yeshua, de geringste onder de mensen, koninklijke macht aanvaardt in het koninkrijk der mensheid (Dn 4:17). In werkelijkheid de Mensenzoon van Dn 7:13-14 die komt met de wolken des hemels en verschijnt voor YHWH zijn Elohim, de Oude van dagen, teneinde voor onbepaalde tijd [Aramees alamheerschappij, waardigheid en koninklijke macht te ontvangen.

 

Vers 1 van Dn 12 attendeert ons er op dat in verband daarmee de joodse eindtijd heiligen het met die ontwikkelingen – die op zichzelf groots zijn en waarnaar eeuwenlang werd uitgezien – echter ook meteen zwaar te verduren krijgen. Het zal een weergaloos grote tijd van benauwdheid voor hen inhouden, maar zij komen daaruit te voorschijn, en wel na 3½ tijd(en), zoals ook in vers 7 bijvoorbaat wordt aangekondigd. De in linnen geklede man boven de wateren bezweert het hun:

 

Het zal zijn voor een vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een helft. En zodra er een einde zal zijn gemaakt aan het verpletteren van de macht [lett.handvan het heilige volk, zullen al deze dingen een einde nemen.

 

Op grond waarvan zal het mogelijk zijn dat de Grote menigte uit die Benauwdheid voor Jakob (Jeremia 30:7) overwinnend te voorschijn komt?

In Openbaring 7 zegt een Oudste dat zij dit danken aan het feit dat zij hun gewaden wasten en wit maakten in het bloed van het Lam. Maar in vers 10 van Dn 12 bleek die hemelse man boven de wateren dat toen al te weten:

 

Velen zullen gereinigd, zuiver wit gemaakt en gelouterd worden. De goddelozen echter zullen goddeloos handelen en geen enkele van de goddelozen zal het begrijpen, maar de verstandigen zullen het begrijpen.

 

De man boven de wateren kende dus ver tevoren alle details van de Eindtijd. Oók dat zich wederom, maar dan voor de allerlaatste keer, de bekende tweedeling onder Elohims volk Israël zal voordoen. Hoewel velen, maar toch slechts weer een Rest of Overblijfsel, gereinigd zullen worden op grond van Yeshua’s offerbloed, zullen niettemin velen jegens hem verhard blijven en hem nooit willen erkennen. Het zal hun eigen schuld zijn dat zij, voordat zij ten onder gaan, nooit ook maar een syllabe begrepen zullen hebben van de wijze waarop Elohims plan van verlossing voor zijn Volk ten uitvoer werd/wordt gelegd.

 

Een boute verklaring? Nee! Het is beslist niet te veel gezegd dat Elohims plan van verlossing voor zijn Volk voor het merendeel der Joden onbegrepen zal blijven voordat zij op zijn Grote Dag ten onder gaan.

 

Een dergelijke bewering komt immers niet uit ‘eigen koker’. Daniël heeft het zelf opgetekend uit de mond van de in linnen geklede man die boven de wateren van de stroom was, namelijk de Masjiach zelf, maar dan in zijn pre-existentie.

Dat die in linnen geklede man inderdaad met de voormenselijke Messias vereenzelvigd moet worden, blijkt ook uit het boek Openbaring. In Op 10:1, 5-6 ontvouwt zich voor de aandachtige lezer namelijk [in zinnebeeld] een vergelijkbaar tafereel:

 

En ik zag een andere sterke engel neerdalen uit de hemel, getooid met een wolk, en de regenboog op zijn hoofd, en zijn gelaat als de zon, en zijn voeten als vuurzuilen … En de engel die ik op de zee en op het land zag staan hief zijn rechterhand op naar de hemel en hij zwoer bij hem die leeft in alle eeuwigheid, die de hemel schiep en alle dingen daarin, en de aarde en alle dingen daarin, en de zee en alle dingen daarin: Er zal geen uitstel meer zijn…

 

In Op 1:12-16 wordt alle twijfel omtrent zijn identiteit weggenomen, want de wijze waarop hij aldaar wordt beschreven - de Mensenzoon die spreekt met het geluid van een trompet (volgens vers 10) – is geheel in overeenstemming met Openbaring 10.

Ook doet hij sterk denken aan de engel van YHWH, eveneens Yeshua in diens voormenselijk bestaan, die het volk Israël vergezelde op haar tocht door de wildernis.

Als de Michaël van Dn 12:1, de grote vorst die de zonen van uw [Daniëls] volk terzijde staat, verschijnt hij altijd wanneer Israël in Elohims programma vooraan in beeld komt.

 

Voor meer details, zie: Michaël, de aartsengel, in conflict met Satans Rijk 

 

In Jesaja 66 wordt ons bovendien onthuld in welke richting vooral degenen onder het joodse volk gezocht moeten worden die ten einde toe verhard zullen blijven jegens Yeshua en die zich daarbij als vanouds haatdragend zullen keren tegen hun volksgenoten die zich wel zullen reinigen en witmaken in het offerbloed van het tegenbeeldige Pesachlam.

 

Wat ons dienaangaande aldaar volgens het profetische Woord wordt ontsluierd mag onthutsend, maar tegelijkertijd ook zeer realistisch genoemd worden, geheel in overeenstemming met de tendensen die in de huidige tijd steeds zichtbaarder en meer tastbaar worden onder degenen die blijven steken in de warwinkel van eigen uitgedachte leringen, welke niets van doen hebben met het Woord dat uitgaat uit Elohims eigen mond: 

 

Mijn gedachten zijn niet jullie gedachten, en jullie wegen zijn niet mijn wegen, spreekt YHWH.
Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, 
zo zijn mijn wegen hoger dan jullie wegen en mijn gedachten dan jullie gedachten. Want zoals regen of sneeuw neerdaalt van de hemel en daarheen niet terugkeert, maar de aarde doorvochtigt en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen, zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter, zo zal mijn Woord zijn dat uit mijn mond uitgaat: het zal niet vruchteloos tot mij terugkeren, maar het zal doen wat mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe ik het zend 
(Js 55).

 

Jesaja 66 is zo’n Woord dat beslist niet zonder effect zal uitgaan van YHWHs mond:

66:1 >>

 

Zo spreekt YHWH: De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank van mijn voeten; waar zou dan het huis zijn dat jullie voor mij bouwen, en waar de plaats van mijn rust? 

 

De profetie geeft te kennen dat er alsnog werkelijk een Derde Tempel zal komen, maar dan wel op grond van een verbond dat de Antichrist, de Pseudomasjiach van de eindtijd, met de Joden zal sluiten (Dn 9:27).

 

Het is evenwel zeer onthullend hoe Israëls Elohim zelf tegen de offercultus die dan weer op gang zal komen, polemiseert: Hij heeft geen Huis van deze afvalligen nodig.

De tijd voor Nieuwe hemelen en een Nieuwe aarde is dan juist aangebroken en YHWH Elohim heeft zijn eigen Tempelstad, het Nieuwe Jeruzalem (Op 21:1-4).

66:2 >>

 

Want mijn hand heeft al die dingen gemaakt… Op zulken sla ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft. 

 

Te midden van de afvalligen zal er opnieuw (en voor het laatst) een godvruchtig Overblijfsel zijn, Joden die in hun benarde situatie naar YHWH hun Elohim - in het Boek Jesaja zichzelf geregeld de Heilige van Israël noemend - opzien en acht slaan op zijn woord. Deze personen belooft hij te begunstigen.

66:3 >>

 

Wie een stier slacht slaat een man neer. Wie een schaap offert breekt een hond de nek. Wie een spijsoffer brengt - zwijnebloed!  

 

Gedoeld wordt kennelijk op het laten herleven van de offercultus volgens de Mozaïsche wetgeving. Maar de offers van die afvalligen zullen walgelijk zijn in Gods ogen, aangezien het duidelijk is dat zij daarmee willens en wetens het ene superieure offer van zijn eigen Zoon afwijzen. Aangezien zij opnieuw zijn leiding verwerpen en in plaats daarvan naar demonen opzien, lopen zij het gevaar dat YHWH Elohim hun geen verder berouw zal toestaan.

 

Zie: Berouw niet meer mogelijk

 

66:4 >>

 

Dat wat zij vrezen zal ik over hen brengen, want toen ik riep gaf niemand antwoord; toen ik sprak luisterde niemand. Zij deden wat kwaad is in mijn ogen en verkozen wat mij mishaagt.

 

Door ijverige Thorabetrachting hopen zulke Joden Elohims oordeel af te wenden. Maar juist dat zal hen treffen. Waarom? Omdat zij ten einde toe hardnekkig bleven weigeren om naar Hem te luisteren wat Hij bij monde van zijn Messiaanse Zoon tot hen sprak.

Vergelijk Hb 1:1-4 

 

66:5 >>

 

Hoort het woord van YHWH, jullie die beven voor zijn woord! Jullie eigen broeders die jullie haten, die jullie verstoten om mijn naam, hebben gezegd: Laat YHWH zijn glorie tonen, wij zullen graag jullie vreugde zien! Zij zullen zelf beschaamd staan. 

 

Na kennis te hebben genomen van alles wat hierboven is uiteengezet over Gods handelen in de Eindtijd, hoeft niemand zich meer af te vragen uit welke ‘hoek’ die haatdragende houding zal komen. Het betreft natuurlijk die oude, blinde haat in verband met alle goddelijke voorzieningen die YHWH Elohim zelf heeft getroffen in de persoon van zijn eigen Zoon.

Maar met hen die tot het einde toe van zulk een onbuigzame opstelling blijk zullen geven, kan het uiteraard niet goed aflopen. En dat is precies ook datgene wat het volgende vers ons toont. 

 

Ja, vers 6 van Jesaja 66 bevat een onheilspellende aankondiging voor degenen onder Elohims volk die tegen alle goddelijke aanwijzingen in alsnog de oude tempelcultus nieuw leven willen inblazen. In zijn ogen betreft het pure rebellie tegen zijn oppergezag en de zaak krijgt in het bijzonder een ernstig karakter doordat die rebellen zich bereid tonen zich afhankelijk te maken van een demonische Pseudomasjiach om hun zeer begeerde doeleinden te verwezenlijken.

Zij wensen zich niets aan te trekken van de waarschuwing welke dienaangaande ligt opgesloten in het laatste vers van Daniëls Jaarwekenprofetie:

 

En naar velen zal hij [de valse Masjiach] het [oude Mozaïsche] verbond kracht bijzetten één week. 

 

Wanneer die Pseudomasjiach zijn entree op het wereldtoneel zal maken zal hij zich aan het joodse Volk presenteren als hun lang verbeide Verlosser. Omdat op een geloofwaardige wijze voor elkaar te krijgen zal hij zich blijkbaar profileren als hun Weldoener die het oude, Mozaïsche Wetsverbond nieuw leven inblaast zodat een lang gekoesterde joodse droom verwezenlijkt kan worden: Het laten verrijzen van de Derde tempel zodat zij hun ijver voor de Wet als nooit tevoren kunnen tonen door de voorgeschreven dierlijke offers aan te bieden. Met zijn bovennatuurlijke vermogens kan de Antichrist het verbond veel kracht bijzetten.

 

Het is bijvoorbeeld denkbaar dat hij beweert te weten welke personen zich tot de stam Levi mogen rekenen, en wie onder hen uit het priestergeslacht van Aäron stammen.

Mochten de zaken zich aldus ontwikkelen, dan zullen die Joden zich wederom zeer schuldig maken in Gods ogen. Want sinds Yeshua het ene, volledig toereikende offer eens en voor altijd heeft gebracht, zullen alle verdere offers voor YHWH Elohim absoluut verwerpelijk zijn, ja, afschuwelijk!

Vandaar die onheilspellende aankondiging in vers 6 van Js 66 >>

 

Hoort! Uit de stad klinkt tumult! Gedruis uit de tempel! De stem van YHWH, die zijn vijanden hun verdiende loon betaalt!

 

Ja, YHWH Elohim betaalt hun het loon uit dat zij verdienen, te meer omdat die rebellen - zoals wij al in vers 5 vaststelden - blijk geven van een diep gekoesterde haat jegens hun 'broeders' die steunen op de kracht van Yeshua's offerbloed.

Maar hoe ziet dat 'loon' er uit? Waaraan moeten wij dan denken?

 

Voordat wij dieper ingaan op dat punt, willen we hier eerst duidelijk stellen dat het textuele verband waarin dit oordeel van YHWH Elohim in Js 66:6 wordt aangekondigd opmerkelijk is. Het betreft wel degelijk een eindtijdtafereel, want dit alles gaat plaatsvinden binnen de context van herstel en wedergeboorte van Sion:

 

Nog voor zij weeën krijgt moet zij baren, nog voor de pijnen haar overvallen, wordt zij van een manlijk kind verlost. Wie heeft zoiets ooit gehoord, zoiets ooit gezien? Werd ooit een land in één dag ter wereld gebracht, een volk in één keer gebaard? Maar nauwelijks is zij in haar weeën, of Sion baart haar zonen (Js 66:7-8).

 

De haatdragende tegenstand van het gedeelte van het volk dat de ware Masjiach afwijst, verhindert YHWH Elohim vanzelfsprekend niet om met Sions ware zonen plotseling een nieuw begin te maken. Volgens de wijze waarop dit deel van Jesaja’s profetie wordt toegepast in Openbaring 12, duidt Sions verlossing van het manlijk kind namelijk op de geboorte van het Messiasrijk op de Helft van de 70ste Jaarweek: 

 

En zij baarde een zoon, een manlijk kind dat alle Heidenen zal weiden met een ijzeren scepter; en haar kind werd weggerukt tot God en tot zijn troon. En de Vrouw vluchtte naar de wildernis waar zij een door God bereide plaats heeft opdat zij haar aldaar zouden voeden 1260 dagen…


En ik hoorde een grote stem in de hemel, zeggend: 
Thans is geschied de redding en de kracht en het koninkrijk van onze God en de macht van zijn Messias, aangezien de beschuldiger van onze broeders die hen dag en nacht voor onze God beschuldigt, werd (neer)geworpen. En zij hebben hem overwonnen wegens het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun ziel niet liefgehad tot de dood. Weest hierom verheugd, gij hemelen en zij die daarin hun verblijf hebben. Wee de aarde en de zee! Want de Duivel is tot jullie afgedaald in grote toorn, wetend dat hij weinig tijd heeft.

Op 12:6, 10-12)

 

Maar nu verder met de vraag: Waaraan moeten wij denken als we in Js 66:6 lezen dat YHWH Elohim de joodse rebellen - die in de eindtijd zo vermetel zijn hun eigen verdraaide weg te gaan - het hun verdiende loon zal betalen? Iets wat bovendien zal geschieden in samenhang met het derde tempelcomplex waarin zij met de hulp van de Pseudomasjiach de oude offercultus laten herleven: Gedruis uit de tempel! De stem van YHWH, die zijn vijanden hun verdiende loon betaalt!  

 

Welnu, die dreiging staat in de Tenach niet op zichzelf; we kunnen op nog verschillende andere profetische aankondigingen wijzen die dezelfde richting uitgaan! Allereerst de opvallende taferelen die in Ezechiël, de hoofdstukken 8 en 9, worden geschilderd.

In de Hebreeënbrief, hoofdstuk 10, wordt - zoals we al eerder zagen - Elohims oordeel aangekondigd over degenen onder zijn volk die zijn goddelijke naijver wekken door hun moedwillige zonde:

 

Want als wij moedwillig zondigen ná de verdiepte kennis der waarheid te hebben ontvangen, blijft er geen slachtoffer voor zonden meer over, maar een of andere vreselijke verwachting van oordeel en een vurige na-ijver die de tegenstanders zal verslinden. Iemand die de Wet van Mozes verwerpt, sterft zonder mededogen op grond van twee of drie getuigen; hoeveel erger straf, menen jullie, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God met voeten trad, en het bloed van het Verbond waarin hij geheiligd werd, doodgewoon achtte, en de geest der liefderijke gunst krenkte?

Want wij kennen hem die zei: Aan mij de wraak, ik zal vergelden. En wederom:
De
Heer zal zijn volk oordelen. Het is iets vreselijks in handen te vallen van een levende God!

 

Zie: Berouw niet meer mogelijk

 

Welnu, die vurige na-ijver [Hebreeuws קנאה] zien we terug in de taferelen van Ezechiël 8 en 9.

In Ez 9:1-11 wordt profetisch - in een visionair tafereel - een levendig beeld verschaft van de maatregelen die YHWH Elohim neemt om het Overblijfsel van zijn volk te sparen voor de ondergang die hij brengt over het ontrouwe deel van het Huis Israël.

Zes 'mannen', kennelijk van hemelse oorsprong, staan gereed om met vernietigingswapens in de hand, heel dat Huis van Israël en van Juda neer te slaan. Waarom? Omdat hun dwaling zeer, zeer groot is, het land met bloedvergieten is gevuld en de stad Jeruzalem vol verkeerdheid is (Ez 9:9).

 

De nadruk ligt op Jeruzalem, de letterlijke stad, want dáár, in het heiligdom, worden de meest afschuwelijke dingen bedreven.

In verband daarmee kunnen wij niet genoeg benadrukken hoe afschuwelijk ontrouw het overgrote deel van Elohims volk in de Eindtijd jegens hem zal handelen: Juist als de tijd aanbreekt dat Hij met het Huis van Israël en met het Huis van Juda een Nieuw verbond zal sluiten  - en dat met de goedgunstige bedoeling om de huwelijksverhouding met zijn Vrouwgemeente te vernieuwen – begaat de meerderheid van het Huis van Israël en van Juda de meest afschuwelijke daden op godsdienstig gebied.

 

De afschuwelijke zaken waarop we doelen werden in hoofdstuk 8 van Ezechiël al opgesomd. Het betreft taferelen die de heilige Elohim onteren en die in een of andere vorm ook verschijnen in het Boek Openbaring van Yeshua Masjiach in verband met de afgodische verering van het Beest en zijn Beeld (Op 13).

 

Zie met name Ez 8:3-18.

 

Let bijvoorbeeld op Ez 8:3 en 5.

 

Toen hief de geest mij op tussen aarde en hemel en bracht mij in visioenen Gods naar Jeruzalem, bij de ingang van de binnenste poort, die op het Noorden uitziet, waar het afgodsbeeld zich bevond, het voorwerp van na-ijver, dat naijver opwekt... Mensenzoon, richt uw blik naar het Noorden! Toen richtte ik mijn blik naar het Noorden, en zie, ten Noorden van de poort bij het altaar stond aan de ingang dat afgodsbeeld, het voorwerp van na-ijver.

 

Uit vers 14 blijkt dat het afgodsbeeld vereenzelvigd moet worden met Tammuz, een van de mystieke benamingen van Nimrod die gewelddadig ter dood werd gebracht en die bijgevolg een voorafbeelding werd van het Beest dat de zwaardslag had (Op 13:311-12).

Vergelijk ook Mt 24:15 waar door Yeshua zelf een identiek tafereel werd opgeroepen: de verwoestende gruwel in de 'heilige plaats'.

 

Zie: De mens achter het getal 666

 

Ez 8:17-18 is een overgang naar Ez 9:1 >>

 

Hij zei tot mij: Hebt gij dat gezien, mensenkind? Was het voor het huis Juda nog niet genoeg om de gruwelen te doen, die zij hier bedrijven, dat zij ook het land met geweld vullen en Mij telkens weer krenken? En zie, zij houden een wijnrank bij hun neus. Daarom zal Ik in grimmigheid met hen handelen. Ik zal niet ontzien en geen deernis hebben. Al roepen zij met luider stem aan mijn oren, toch zal Ik naar hen niet horen (nbg).

 

Voor de Joden die YHWH Elohim totaal de rug toekeren ten gunste van de Antimasjiach schetst hoofdstuk 9 van Ezechiël een onheilspellende afloop:

 

1 Een machtige stem weerklonk in mijn oren: De kastijders der stad zijn nabijgekomen, ieder met zijn werktuig des verderfs in de hand. 2 En zie, daar kwamen zes mannen van de kant der naar het Noorden gekeerde Bovenpoort, ieder met zijn knots in de hand, in hun midden één, in linnen gekleed, met een schrijfkoker aan zijn middel; zij kwamen en gingen naast het koperen altaar staan. 3 Inmiddels was de heerlijkheid van de God Israëls van de cherub, waarop zij zat, opgerezen en naar de drempel van de tempel gegaan. Daar riep hij tot de in linnen geklede man die de schrijfkoker aan zijn middel droeg. 4 Jahwe zei tot hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een teken op het voorhoofd der mannen die zuchten en steunen over al de afschuwelijkheden die in haar midden bedreven worden. 
5 En tot de anderen zei hij te mijnen aanhoren: Trekt achter hem de stad door en velt neer! Verschoont niet en spaart niet. 6 Grijsaard, jongeling, maagd, kind en vrouw—slaat ze dood ten verderve. Maar roert niemand aan op wie het teken staat. Begint bij mijn heiligdom! Zo begonnen zij met de mannen die voor de tempel stonden. 7 Daarop zei hij tot hen: Verontreinigt de tempel; vult de voorhoven met verslagenen; gaat dan naar buiten, en velt neer in de stad. (Leidse Vert.)

 

Komt het bevel Verontreinigt de tempel; vult de voorhoven met verslagenen niet treffend overeen met Js 66:6 >> Gedruis uit de tempel! De stem van YHWH, die zijn vijanden hun verdiende loon betaalt! 

Maar ook hier, bij Ezechiël, wordt beveiliging van de getrouwe Rest gegarandeerd. In dit geval doordat de leden ervan op hun voorhoofden worden gekentekend. De man in linnen gekleed met schrijfgerei aan zijn heup selecteert hen uit. Hij moet wel Yeshua, de verheerlijkte Masjiach en Zoon Gods, afbeelden, immers aan hem heeft de Vader het gehele oordeel toevertrouwd (Jh 5:22).

 

Aan de hand van Openbaring 7 - het hoofdstuk waarin Johannes bij het aanschouwen van zijn visionaire taferelen de Grote Menigte gered te voorschijn zag komen uit de weergaloos Grote Verdrukking – stelden we eerder vast dat het Overblijfsel die redding toeschrijft aan onze God die op de troon zit en aan het Lam (vers 10).

Als nadere verklaring voegde een oudste er aan toe – in vers 14 - dat die redding alles te maken had met het feit dat zij hun gewaden wasten en ze witmaakten in het bloed van het Lam, geheel volgens hetgeen was voorzegd door de in linnen geklede man boven de stroom in Dn 12:7-10.

 

Welnu, in dat zelfde hoofdstuk 7 van de Apocalyps vernemen we dat het tafereel van Ezechiël 9 – het plaatsen van het beschermende kenteken op de voorhoofden van hen die kermen en zuchten over alle gruwelijkheden die in het tempelheiligdom worden bedreven – in die Grote Menigte vervuld wordt:

 

Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien op de aarde noch op de zee noch over enige boom. En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, in het bezit van een zegel van een levende God; en hij riep luidkeels tot de vier engelen aan wie het werd gegeven om schade toe te brengen aan de aarde en de zee, zeggend: Brengt geen schade toe aan de aarde noch aan de zee noch aan de bomen tot wij de dienaren van onze God op hun voorhoofden hebben gezegeld.

 

Terloops stellen we daarmee tevens vast dat de zinnebeelden van Ezechiël, in de hdfst 8 en 9, verschaft werden met de bedoeling om in de Eindtijd vervuld te worden. In zijn barmhartigheid jegens zijn Volk houdt YHWH Elohim er niet mee op om de goedwillenden onder hen te attenderen op de weg die tot ontkoming aan de komende grote onheilen leidt.

Volgens Lukas 21:36 had Yeshua trouwens ook al het joodse Overblijfsel van de eindtijd passende raad in die richting gegeven:

 

Blijft dan wakker, te allen tijde smekend dat jullie in staat mogen zijn te ontkomen aan al deze dingen die op het punt staan te geschieden, en te staan voor het aangezicht van de Mensenzoon.

 

De zaak is derhalve duidelijk: Er moeten door alle joodse mensen die het leven liefhebben tijdig stappen worden gedaan tot overleving (!)

 

De wederkerigheid tussen de twee Jeruzalems

 

Maar laten wij terugkeren – profetisch – naar de tijd dat het Koninkrijk van YHWH Elohim nog de enige heerschappij op aarde zal zijn en er sprake zal zijn van de wederkerigheid tussen

a Jeruzalem-hemels, de opgenomen christelijke gemeente, en

b Jeruzalem-aards, de joodse Gemeente.

 

Kortom de situatie welke – zoals we hierboven eerder aangaven - ook Jochanan Ben Zakkai voor ogen stond, maar waarvan hij destijds geen flauw vermoeden had hoe YHWH Elohim die gewenste toestand – het tegenbeeld van de Tabernakelsituatie – zou gaan verwezenlijken.

 

Maar eerst dan kunnen beide gemeenten volledig beantwoorden aan het doel waarvoor Elohim ze verkoos en riep: Tot zegen worden voor de Gojim, de Heidenvolken. En dat geheel overeenkomstig de Abrahamitische Belofte, zoals YHWHs engel in Genesis 22 tot de aartsvader sprak:

 

16 Waarlijk, ik zweer bij mijzelf, spreekt YHWH: Omdat je dit gedaan hebt en mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden [in voorafbeelding Elohims eigen Zoon, Yeshua Masjiach],

17 zal ik je beslist rijk zegenen en je zaad beslist vermenigvuldigen, als de sterren aan de hemel en als de zandkorrels die aan de oever van de zee zijn [wellicht al zinspelend op de tweeledigheid van het ‘zaad’].

Jouw zaad zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.

18 En in jouw zaad zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat je mijn stem gehoorzaam bent geweest.

 

Zoals we evenwel eerder concludeerden, kan Israël pas in haar toestand van verlossing op aarde een zegen worden voor de Heidenvolken. Haar eigen situatie die haar voor die taak geschikt maakt, zal dan precies zo zijn als voorzegd, in (bijvoorbeeld) Ezechiël 36:24-28. We herhalen het nog maar eens:

 

Ik zal jullie uit de Heidenvolken halen en jullie bijeenbrengen uit alle landen en brengen op jullie grond.  En ik zal rein water op jullie sprenkelen, en jullie zullen rein worden; van al jullie onreinheden en van al jullie drekgoden zal ik jullie reinigen. En ik zal jullie een nieuw hart geven, en een nieuwe geest in jullie binnenste leggen. Het stenen hart zal ik uit jullie vlees wegnemen en jullie een hart van vlees geven. En mijn geest zal ik in jullie binnenste leggen, en dusdanig handelen dat jullie in mijn voorschriften zullen wandelen en mijn rechterlijke beslissingen zullen onderhouden en werkelijk zullen uitvoeren. En jullie zullen beslist wonen in het land dat ik aan jullie voorvaderen gaf, en jullie zullen mijn volk worden en ikzelf jullie God.

 

Op deze prachtige profetische aankondiging kan niet genoeg nadruk worden gelegd, want de vervulling daarvan zal Jeruzalem-aards tot een 'nieuwe schepping' maken. Eerder vond dat plaats met betrekking tot Jeruzalen-hemels, namelijk

tijdens de ruim 19 eeuwen van Israëls verharding. In die tussenperiode - waarin Elohims bemoeienis met de natie Israël stil lag - werd eerst de volheid der Heidenvolken binnengebracht. 

 

Vergelijk nogmaals Romeinen 11, maar dan met name vanaf vers 23: het weggekapt worden wegens ongeloof, respectievelijk het teruggeënt worden van de ‘joodse takken’ op de Olijfboom waarvan de wortel der vettigheid (vers 17) terug gaat op de aartsvaders, met name Abraham aan wie de beloften werden gedaan en met wie Elohim zijn Verbond sloot. 

 

Indien de wortel heilig [is, dan] ook de takken.

 

Maar als ook Jeruzalem-aards tot een 'nieuwe schepping' is gemaakt, zal ze volkomen geschikt zijn om het Bestuur van de Tempelstad Nieuw Jeruzalem op aarde te vertegenwoordigen, en dat tot groot geestelijk voordeel van de Gojim.

Om die Heidenvolken echter op te heffen uit de van Adam geërfde situatie zijn beide gemeenten nodig.

Waarom kunnen we dat met zekerheid zeggen?

 

Om goed te onderscheiden dat wederkerigheid noodzakelijk is tussen de aardse en de hemelse gemeente teneinde tijdens het Millenniumrijk van de Masjiach tot zegen te kunnen worden voor de Gojim, kunnen we verwijzen naar Yeshua’s eigen bediening tijdens diens aardse loopbaan van 3½ jaar.  

In Handelingen 10:37-38 laat Petrus in zijn toespraak tot de centurion Cornelius namelijk uitkomen hoe effectief het optreden was van hem die als het eigenlijke Zelf van Israël in de eerste plaats als Abrahams zaad tot zegen van de mensheid is geworden: 

 

Jullie weten wat er in heel het joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God - na de doop waartoe Johannes opriep - Jezus uit Nazareth met de heilige geest heeft gezalfd en met kracht bekleedde. Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de Duivel was, want God stond hem bij.

 

Yeshua was met heilige geest gezalfd en met kracht bekleed. Maar de wonderbare werken die hij verrichtte, waren uiteindelijk slechts mogelijk doordat God met hem was. Ja, in werkelijkheid was YHWH Elohim Degene die de tekenen, wonderen en krachtige werken tot stand bracht (Handelingen 2:22).

 

In Lukas 5:12-26 verhaalt de Evangelist twee opmerkelijke genezingen die Yeshua na elkaar verrichtte; eerst een man die overdekt was met melaatsheid en vervolgens een mens die verlamd was. Wij kunnen gemakkelijk begrijpen hoe diep in het lichamelijke organisme van beide personen moest worden ingegrepen om genezing tot stand te brengen. 

De Masjiach was als de laatste Adam volmaakt (1Ko 15:45), maar wel volkomen mens. Zonder bovennatuurlijke invloed had hij als slechts mens de genoemde wonderen nooit tot stand kunnen brengen.

 

De bovenmenselijke factor was onmisbaar en uiteindelijk datgene wat echt telde.

Veelzeggend is dan ook Lukas’ opmerking in vers 17: Er was kracht van de Heer zodat hij gezond kon maken. 

Uit een vergelijking met Markus 6:5 mogen wij blijkbaar afleiden dat Yeshua ook zelf geheel afhankelijk was van de nabijheid van Gods geest, ja, zelfs van Gods bereidheid om de krachtige werking ervan al dan niet te kunnen aanwenden. Alleen wanneer zijn Vader het wenselijk oordeelde, verrichtte hij krachtige werken, wonderen en tekenen door de tussenkomst van zijn Zoon.

 

Wanneer diezelfde Lukas dan ook in hoofdstuk 8 van zijn Evangelie de genezing beschrijft van de vrouw die al twaalf jaar aan een bloedvloeiing leed, signaleert hij de volgende opmerkelijke gang van zaken:

 

En een vrouw die al twaalf jaar aan een bloedvloeiing leed, welke -heel haar levensonderhoud aan geneesheren uitgegeven hebbend - door niemand kon worden genezen, kwam van achteren naar hem toe en raakte de kwast van zijn kleed aan, en op hetzelfde ogenblik hield haar bloedvloeiing op. En Jezus zei: Wie is het die mij heeft aangeraakt? Toen nu allen ontkenden, zei Petrus: Meester, de menigten sluiten je volledig in en staan aan alle kanten te dringen. Maar Jezus zei: Iemand heeft mij aangeraakt, want zelf heb ik bemerkt dat kracht van mij is uitgegaan. 

 

Te midden van de menigte had YHWH Elohim door zijn Messiaanse Zoon als intermediair zijn werk verrichtDe bovennatuurlijke invloed was de doorslaggevende factor.

 

Zo zal het ook gaan in de wereldperiode (eeuw) van het Millenniumrijk. De joodse heiligen zullen op aarde de geliefde Stad, het Nieuwe Jeruzalem, vertegenwoordigen om tot zegen voor de mensheid te zijn (Op 20:9). Maar ook al zijn de leden daarvan tot een nieuwe schepping geworden, hun invloed is beperkt. De bovennatuurlijke werkzaamheid van Jeruzalem-hemels zal tot de werkelijke genezing van de Heidenvolken leiden. 

 

Nog een voorbeeld uit Yeshua’s eigen bediening die de noodzaak van wederkerigheid beklemtoont tussen de hemelse en de aardse gemeente.

Daarvoor moeten we ons wenden tot het verslag van Lukas over de genezing van 10 melaatsen volgens Lukas 17 >>

 

En het geschiedde terwijl hij op reis was naar Jeruzalem, dat hij door het grensgebied van Samaria en Galilea trok. En toen hij een zeker dorp binnenging, kwamen hem tien melaatse mannen tegemoet, die op een afstand bleven staan; en zij verhieven hun stem, zeggend: Jezus, Meester, heb medelijden met ons! En toen hij hen zag, zei hij tot hen: Gaat heen, toont je aan de priesters. En het geschiedde terwijl zij heengingen, dat zij werden gereinigd.

 

Eén van hen nu, toen hij zag dat hij gezond was geworden, keerde terug, terwijl hij met luider stem God verheerlijkte. En hij viel op zijn aangezicht aan zijn voeten, hem dankend; en hij was een Samaritaan.

 

Jezus nu zei ten antwoord: Werden niet de tien gereinigd? Waar [zijn] dan de negen? Werden er geen gevonden die terugkeerden om God heerlijkheid te geven dan deze van een ander volk? En hij zei tot hem: Sta op en ga heen; je geloof heeft je gered.

 

Om het verslag naar juiste waarde te schatten is het nodig te weten dat Yeshua - op weg naar Jeruzalem - langs de grens van de beide gebieden Samaria en Galilea reist. Dat was toen namelijk een manier om moeilijkheden met de Samaritaanse bevolking te vermijden. Dezen legden Joden die in Noordelijke richting reisden meestal niets in de weg, maar wanneer die Zuidwaarts trokken om op te gaan naar Jeruzalem voor het bijwonen van de feesten, konden zij zich heel agressief opstellen.

 

Maar het verklaart wel waarom de groep was samengesteld uit joodse en Samaritaanse melaatsen. Hun gemeenschappelijke aandoening had hen tezamen gebracht. Omdat zij onrein waren stonden zij op een afstand. Uit de hoofdstukken 13 en 14 van Leviticus kan geconcludeerd worden dat Bijbelse melaatsheid in bepaalde stadia besmettelijk was maar niet in andere.

 

De priesters hadden volgens de Wet de taak om te beoordelen of iemand van de ziekte was genezen. Aangezien de Samaritanen de Pentateuch aanvaardden, kenden zij op z’n minst die procedure:

 

YHWH sprak tot Mozes: Dit is de wet voor de melaatse op de dag van zijn reiniging. Hij moet naar de priester gebracht worden, en de priester moet buiten het kamp gaan. Heeft de priester vervolgens gezien dat – zie! – de plaag der melaatsheid bij de melaatse genezen is, dan moet de priester bevel geven [voor de procedure der reiniging] (Lv 14:1-4).

 

Merk op dat het tiental blijk gaf van een mate van geloof, want zij deden een beroep op Yeshua als Meester en gehoorzaamden zijn aanwijzing om zich aan de priesters te vertonen, ondanks het feit dat er zich op dat moment nog geen verandering in hun situatie had voorgedaan. En dat is opmerkelijk, want zeer waarschijnlijk hadden zij, toen zij zich tot Yeshua richtten, de hoop gekoesterd dat hij hen zou genezen door aanraking. In plaats daarvan kregen zij een opdracht welke inhield dat zij tegen de tijd dat zij bij de priester aankwamen, genezing ervaren zouden hebben. En in die gang van zaken stelden zij dus geloof.

 

In het geval van de man die overdekt was met melaatsheid, in Lk 5:12-14, verdween de melaatsheid onmiddellijk nadat Jezus hem had aangeraakt. En toen pas kreeg hij de opdracht om zich aan de priester te laten zien.

Bij de tien stelde Jezus hun geloof dus op de proef en toen zij hem gehoor gaven, genas hij hen op afstand. Vergelijk het geval van de Syrische legeroverste Naäman in 2Kn 5:10-14.

 

Deze geschiedenis leert ons dus ondermeer hoe belangrijk het is dat men Yeshua’s woord vertrouwt en er gehoor aan geeft.

 

 

Werden niet de tien gereinigd? Waar [zijn] dan de negen?

 

Met die vraag signaleerde Yeshua de ondankbaarheid van die negen. Slechts één van de tien keerde terug om Elohim, zijn Vader, te verheerlijken en Yeshua te danken. De Samaritaan begreep heel goed dat YHWH door tussenkomst van zijn Zoon had gehandeld. Voor hem ook was Yeshua als de Masjiach van meer belang dan de priesters.

 

Het feit dat zijn gezondmaking hem er toe bracht zich dankbaar op God en zijn Zoon te richten, had voor hem bovendien meer dan fysieke genezing tot gevolg.

Dat kan geconcludeerd worden uit Jezus’ laatste opmerking: Je geloof heeft je gered.

Met die kostbare verzekering aan hem doelde Jezus niet op de fysieke toestand van deze Samaritaan, want ook de negen anderen waren gezond gemaakt. Maar alleen deze man ervoer ook geestelijke genezing, en die ervaring was van veel grotere waarde dan wat de priester voor hem kon doen, want die zou slechts kunnen bevestigen dat de melaatsheid verdwenen was.

 

Wat leren wij verder uit dit alles?

Alles wijst er op dat het goddelijk geïnspireerde Woord ons, buiten wat Lukas optekende, nog veel meer heeft te zeggen over de plaag van melaatsheid, ook in een zinnebeeldige toepassing.

In het tafereel van de tien melaatsen zagen we immers:

 

a. Yeshua in het grensgebied van Samaria en Galilea, afbeeldend dat hij, de Masjiach, zich te midden van de mensenwereld had begeven; niet met de bedoeling om die te oordelen maar om ze te redden (Jh 3:17).

 

b. Het tiental was van zowel joodse als heidense achtergrond.

Het getal 10 vertegenwoordigt in de Bijbelse getallensymboliek volledigheid in aards opzicht.

 

c. Het goddelijk Woord geeft te kennen – mede aan de hand van Leviticus 13 en 14 - dat melaatsheid ook in symbolische zin een toepassing heeft, namelijk op de gehele van Adam afstammende mensheid die geestelijk ziek is vanwege de zonde; ‘melaats’ in zinnebeeldige betekenis.

  

Toen de Syrische legeroverste Naäman van zijn melaatsheid werd gereinigd keerde hij vol dankbaarheid terug naar de profeet Elisa die hem, teneinde rein te worden, had opgedragen zich zevenmaal in de rivier de Jordaan onder te dompelen:

 

Toen ging hij naar de Jordaan en dompelde zich zevenmaal onder, zoals de man Gods gezegd had. Zijn huid werd weer als die van een klein kind en hij was gereinigd. Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug, trad het huis binnen, ging voor hem staan en zei: `Nu weet ik dat er alleen in Israël een God is, en nergens anders op aarde. Wil daarom een huldeblijk van uw dienaar aanvaarden.' Maar Elisa antwoordde: `Zowaar Jahwe leeft, in wiens dienst ik sta, ik neem niets van u aan.' En hoewel Naäman er bij hem op aandrong iets aan te nemen, bleef hij weigeren. Toen zei Naäman: `Laat tenminste aan uw dienaar een last aarde geven, zoveel als een koppel muildieren dragen kan, want uw dienaar wil aan geen andere goden brand - of slachtoffers meer opdragen dan aan Jahwe alleen.

(2Kn 5:14-17; WV78)

 

Naäman wilde zijn aanbidding voortaan nog alleen richten op YHWH, Israëls Elohim. Evenzo verheerlijkte ook de Samaritaanse man God met luider stem en dankte hij Yeshua voor zijn reiniging. Doch die moest de vraag stellen: Werden niet de tien gereinigd? Waar [zijn] dan de negen?

 

Uiteraard waren die negen blij met hun reiniging, maar zij bleven in gebreke Elohim te verheerlijken en zijn Messiaanse Zoon te bedanken. Kennelijk een (trieste) vingerwijzing naar de toekomst toe wanneer tijdens de Millenniumheerschappij van het koninkrijk Gods velen weliswaar van de zonde gereinigd zullen worden, maar zich niet vol overgave zullen richten op de aanbidding van de ware God en het toegewijd dienstbaar zijn aan zijn Zoon, de koning.

En dat brengt ons tot een vierde leerpunt:

 

d. De priesterschap van de hemelse gemeente – afgebeeld door de zonen van Aharon - zal een grote betrokkenheid hebben bij de gang van zaken die op aarde tijdens het Millenniumrijk moet leiden tot de volle, geestelijke gezondheid van het mensdom. De leden van die hemelse priesterschap zullen zich geregeld ‘buiten het kamp’ moeten begeven:

 

Het kamp der heiligen en de geliefde Stad … En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande vóór de troon, en boekrollen werden geopend. Ook een andere boekrol werd geopend, welke is des levens. En de doden werden geoordeeld uit de dingen geschreven zijnde in de boekrollen overeenkomstig hun werken… [Opdat hun namen tenslotte worden] gevonden geschreven in de boekrol des levens.

(Op 20:9 en 11-15)

 

Zie voor een uitvoerige behandeling van dit thema: De schepping in barensnood 

Beide gemeentes zullen dus nauw samenwerken. Er zal sprake zijn van wederkerigheid. Op een geheel andere wijze komt dat tot uitdrukking in Ezechiël 38:12:

 

Om buit te maken en roof te behalen, om mijn hand te keren tegen bewoonde ruïnes en tegen een volk dat uit de Heidenvolken bijeengebracht is, dat zich  bezit verwerft, vermogen vormt, en het middelpunt [de navel; Hebr.tab(b)urder aarde bewoont.

 

De profeet geeft een bijzondere beschrijving van de toestanden waarin Israëls land en volk zich zullen bevinden wanneer de mysterieuze figuur Gog hen in de eindtijd overvalt. Het land zal te voren lang woest hebben gelegen, maar in de tijd waarin Gog komt, is het van het zwaard teruggebracht en weer bebouwd. Israël is uit de volken bijeengebracht, terug in haar land waarin het veilig woont, als het ware op de navel der aarde.

 

De plaats die overeenkomt met de navel der aarde, moet de plaats aanduiden waar Elohims nieuwe Heiligdom, de Tempelstad Nieuw Jeruzalem, op aarde in de eerste plaats wordt vertegenwoordigd en van waaruit zijn geest en zijn zegen naar alle zijden stroomt.

Werkelijk het middelpunt der aarde, en ook als de navel waardoor het voedend bloed der moeder geleid wordt in de zich ontwikkelende vrucht. Zulk een middelpunt van de levenwekkende geest te zijn, is de bestemming van Jeruzalem.

 

Op de navel der aarde wonen, roept het beeld op van een kosmologie die hemel en aarde als een biologisch geheel (moeder en kind) ziet. In dat beeld wordt de Stad Jeruzalem beschouwd als het punt waar de levensband tussen hemel en aarde begint.

Vergelijk Ezechiël 5:5 >>

 

Dit heeft Adonai YHWH gezegd:

Ik heb dit Jeruzalem te midden van de Gojim gesteld, met landen rondom.

 

Die verheven plaats, door Elohim aan de Stad op aarde gegeven, wordt voorgesteld als het centrale punt der aarde, waarbij zijn Volk en de Stad zich in het centrum bevinden van de door de Hemel geleide wereldontwikkeling. Aldaar plaatst YHWH Elohim de troon van zijn genadige gunst, geheel in overeenstemming met de beelden die onder meer in Gn 28:12-14 en Js 66:1 worden opgeroepen. Vanuit dat centrum gaan Wet en Recht uit voor de Gojim, tot hun redding.

 

Het profetische Woord getuigt daarvan, maar allereerst moet die Tempelstad veilig door de aanstaande wereldberoering geleid worden, zoals in Psalm 46 wordt aangekondigd >>

 

Elohim is ons een toevlucht en vesting; in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden. Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van plaats; al wankelen de bergen in het hart van de zeeën.

Laat bruisen, laat schuimen haar wateren; laat de bergen beven door haar onstuimigheid. Sela

Een rivier – haar stromen verheugen de stad van Elohim, de heilige, grootse Tabernakel van de Allerhoogste.

Elohim is in haar midden, zij zal niet wankelen;

Elohim zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.

 

Zoals we hiervoor al concludeerden betekent Ez 5:5 >> Dit heeft Adonai YHWH gezegd: Ik heb dit Jeruzalem te midden van de Gojim gesteld, met landen rondom dat vanuit dat centrum Wet en Recht uitgaan ten behoeve van de Gojim rondom; alles met het oog op  hun redding. 

Dat verheven centrum voor de hele wereld – Jeruzalem op de navel der aarde -wordt in Jesaja 2:2-5 vereenzelvigd met de Berg van YHWHs Huis. Vandaar zal een Bestuur zegeningen leiden naar de natiën rondom:

 

En het moet geschieden in het laatst der dagen: De berg van het Huis van YHWH zal stevig bevestigd worden boven de top der bergen. Hij zal verheven worden boven de heuvels, en daarheen moeten alle Heidenvolken stromen. En vele volken zullen beslist heengaan en zeggen: Komt, en laten wij opgaan naar de berg van YHWH, naar het Huis van Jakobs God, en Hij zal ons onderrichten omtrent zijn wegen, en wij willen zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. En Hij zal rechtspreken onder de Heidenvolken en de zaken rechtzetten met betrekking tot vele volken. En zij zullen hun zwaarden tot ploegscharen smeden en hun speren tot snoeimessen. Natie zal tegen natie geen zwaard opheffen, ook zullen zij de oorlog niet meer leren. O huis van Jakob, komt en laten wij in het licht van YHWH wandelen.

 

Zowel hier, als in Ezechiël 38:12, wordt Jeruzalem gezien als het Centrum van de gehele aarde, door YHWH Elohim zo geregeld om het ware licht in alle richtingen over de Heidenvolken uit te stralen.

Vergelijk Jesaja 60.

 

Geen Stad als Jeruzalem, of land als Kanaän, kon beter door hem uitgekozen zijn voor het volbrengen van die missie. Een optimale geografische situatie van waaruit zijn uitverkoren Gemeente, het joodse volk, op een passende en succesvolle wijze haar invloed naar het Heidendom van de wereld kan laten gelden.

 

Die situering van Israël is dan ook niet door Elohim gearrangeerd voor Israëls eigen, wellicht zelfzuchtige doeleinden, maar veeleer met de bedoeling dat ze de geestelijke weldoenster zou worden van de gehele wereld; om als de begunstigde en Geliefde Stad een zegen te zijn in moreel opzicht voor de Heidenvolken.

In Jesaja 61:5-7 lezen we profetisch over die priesterlijke toewijzing voor Jeruzalem-aards:

 

Vreemden zullen gereed staan en jullie kudden weiden; vreemdelingen zullen jullie landbouwers en wijngaardeniers zijn. Maar jullie zullen de priesters van YHWH heten, dienaren van onze God genoemd worden. Jullie zullen het vermogen der Gojim genieten en je beroemen op hun heerlijkheid. In plaats van je schande zal er een dubbel deel zijn, en in plaats van smaad zullen zij jubelen over hun deel. Daarom zullen zij in hun land dubbele vergoeding verkrijgen.

 

 Precies dit zal Israël ervaren, geheel naar het patroon van "mijn Knecht Job". Want merk op in Job 42:7-10 dat Job van YHWH Elohim dubbel vergoed werd en daarnaast de toewijzing kreeg priesterlijk te bemiddelen met betrekking tot zijn 'vrienden' Elifaz, Bildad en Zofar.

 

Met het oog op de verwezenlijking van dit voornemen, is er voorzien in de noodzakelijke wederkerigheid tussen Jeruzalem-aards en Jeruzalem-hemels.

Dit wordt verder verduidelijkt in de twee laatste hoofdstukken van het Bijbelboek Openbaring.

 

Daarin wordt de onverbrekelijke eenheid geschilderd van Nieuw Jeruzalem, de heilige Stad die uit de hemel, vanaf YHWH Elohim, neerdaalt.

In die situatie is zij als de Tent van God bij de mensen, het tegenbeeld van de wildernistent. Het directe resultaat zal zijn: Niet langer tranen, dood, rouw, geschreeuw of pijn. Zie Op 21:1-4.   

 

Het hemelse deel van de Stad - Yeshua’s Bruid, de opgenomen christelijke Gemeente - is via de navelstreng – de Rivier van water des levens – verbonden met het aardse deel, de joodse Gemeente:

 

En hij toonde mij een rivier van water des levens helder als kristal, voortkomend uit de troon van God en van het Lam, in het midden van haar brede straat; en aan deze en gene zijde van de rivier geboomte des levens, voortbrengend twaalf oogsten, maandelijks zijn vrucht leverend; en de bladeren van het geboomte tot genezing der Heidenvolken

(Op 22:1-2)

 

Insiders zullen hierin onmiddellijk het zinnebeeld van Ezechiël 47 herkennen.

Zie: Nieuw Jeruzalem – De heilige Stad

 

 

In Jesaja 66:10-14 wordt op een schitterende wijze dit voornemen zinnebeeldig aan ons voorgesteld, doordat er een beeld wordt opgeroepen van een moeder die haar kind voedt: 

 

Verheugt U met Jeruzalem en weest blij met haar, gij allen die haar liefhebt. Weest in hoge mate uitbundig verheugd met haar, gij allen die over haar blijft treuren.. Want dit heeft YHWH gezegd: Ziet, ik doe haar vrede toestromen net als een rivier en de heerlijkheid der Heidenvolken… En de hand van YHWH zal stellig aan zijn knechten bekendgemaakt worden, maar hij zal zijn vijanden werkelijk openlijk veroordelen.

 

Ja, die vijanden!

 

De demonische Gog - Magog

 

Als de begunstigde en Geliefde Stad zal Nieuw Jeruzalem dus tot een grote zegen in moreel opzicht voor de Heidenvolken worden, reden waarom zij ook met afgunst bezien zou worden door haar (nooit ontbrekende) vijanden.

 

In Psalm 68 lezen we volgens de NBV :

 

Machtige berg, berg van Basan, veeltoppige berg, berg van Basan,

waarom afgunstig, veeltoppig gebergte, op de berg die God als zetel koos? De HEER woont daar voor eeuwig.

 

Met die afgunst, welke voor Elohims volk steeds weer de vorm van vijandschap aannam, zijn we tenslotte terug bij datgene wat een hersteld Israël in de ‘laatste dagen’ nog te wachten staat. En ‘Basan’ zal daarin wederom een voorname rol spelen, precies zoals in het verre verleden het geval was.

 

Alvorens Israël immers het Land der Belofte kon binnentrekken moest er worden afgerekend met de twee reuzenvolken onder respectievelijk Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan (Nm 21:31-35Dt 3:1-11).

 

In Dt 33:22 legde Mosjeh - toen hij bij zijn afscheid met betrekking tot de twaalf stammen profetische woorden sprak - een verband tussen het verschijnen van de Antimasjiach en de stam Dan: 

 

Dan is een leeuwenwelp; uit Basan stormt hij tevoorschijn.

 

Basan - het gebied der Refaïeten, een reuzengeslacht – wedijvert derhalve met de aanspraken van de ware Masjiach uit de stam Juda. De demonen slaan vanuit dat ‘gebied’ afgunstig de berg Sion gade, de berg die YHWH Elohim zichzelf als zetel verkoos om aldaar voor altijd verblijf te houden.

De HSV geeft Jacobs sterfbedprofetie van Gn 49 aldus weer:

 

Juda is een leeuwenwelp; van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon.

Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?

De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzamen.

 

Op de helft van de 70ste Jaarweek, wanneer de (zeven) Tijden der Heidenen eindigen, zal Silo - de Mensenzoon van Daniël 7 - op Sion het koninkrijk van YHWH Elohim, de Oude van dagen, in ontvangst nemen.

 

En zoals we kunnen lezen vindt dat precies plaats in de tijd dat ook de demonische Kleine Horen zich op de kop van het Romeinse Beest verheft, om Israëls heiligen 3½ tijd te belagen (Dn 7:8-14, 26).

 

In zijn sterfbedprofetie had Jakob ook op die ontwikkeling geattendeerd, en wel toen hij, al ver voor Mosjeh, over de stam Dan deze profetische uitspraak deed:

 

Dan zal zijn volk richten als één der stammen van Israël. Dan blijke een slang aan de kant van de weg te zijn, een hoornslang aan de kant van het pad, die het paard in de hielen bijt, zodat zijn berijder achterover stort.  

Vandaar Jakobs smeekbede:

Op uw redding wacht ik, o YHWH.

(Gn 49:16-18)

 

Maar in Ezechiel 38 en 39 verschijnt die demonische macht als Gog van het land Magog. En wij hoeven ons niet af te vragen waarop die vijand uit is!

Ja, het oogmerk van Gog/Magog is bekend.

Vanuit Psalm 83 wordt dat heel helder; daarin worden wij profetisch gewaarschuwd voor de ultieme aanval op hersteld Israël door een alliantie van haar boosaardige vijanden:

 

1 Een lied, een psalm van Asaf. 

2 O God, zwijg niet, houd U niet doof,
wees niet stil, o God!

3 Want zie, Uw vijanden tieren,
wie
U haten, steken hun hoofd omhoog.

4 Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk
en beraadslagen tegen Uw beschermelingen.

5 Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt.

6 Want samen hebben zij in hun hart beraadslaagd;
dezen
hebben een verbond tegen U gesloten:

7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de Hagrieten,

8 Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de bewoners van Tyrus.

9 Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten, zij zijn voor de zonen van Lot een sterke arm geweest. 

 

Naar men denkt kwam de Psalm tot stand bij de gelegenheid dat tijdens de regering van Josafat, de koning van Juda, een massale inval werd gepleegd in zijn Rijk, waarbij Ammonieten, Moabieten en andere volken betrokken waren. 

De gemeente van Israël kwam toen massaal in de tempel bijeen om YHWH te zoeken (2Kr 20:1-30).

 

Maar merk vooral op dat in vers 7 van de Psalm de Ismaëlieten - samen met Edom - als eersten onder de vijandige volken worden genoemd die Israël het liefst als volk volkomen zullen willen uitroeien. Ja, zo grondig dat aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt.

Voorzeker het absolute hoogtepunt van Ismaëls vijandige houding, welke oorspronkelijk werd gewekt doordat hij – nota bene Abrahams eerstgeborene - werd gepasseerd ten gunste van zijn jongere halfbroer Isaäk. Want niet in zijn geslachtslijn maar in die van zijn 'broertje' zou het zaad van Abraham spruiten dat - naar de belofte van YHWH Elohim - tot zegen van de mensenwereld zou worden.

 

In dat verband zouden we over het lange termijneffect van Genesis 16:12 kunnen spreken. Toen YHWHs engel - Elohims Zoon in zijn pre-existentie – aan Hagar verscheen, schilderde hij profetisch de loopbaan van Abrahams zoon van wie zij op dat moment zwanger was:

 

Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en voor het aangezicht van al zijn broeders zal hij wonen.

 

Zoals gebruikelijk bij dit soort voorzeggingen blijken de zaken die worden aangekondigd eerder in de nakomelingen vervuld te worden dan in de stamvader zelf. Vroege gebeurtenissen in het leven van een stamvader zetten dikwijls de toon voor de wijze waarop door het nageslacht wordt opgetreden, zelfs na vele, vele generaties.

 

Eén zo'n gebeurtenis wordt in Genesis, hoofdstuk 21, verhaald. Toen Isaäk, de 'vrije zoon' die Sara alsnog volgens Elohims voorzegging had gebaard, ongeveer vijf jaar was, rechtte Abraham, zijn vader, een groot feestmaal aan op de dag waarop Isaäk gespeend werd.

Maar het ontging Sara niet dat Ismaël, die nu ongeveer negentien jaar was, met de kleine Isaäk de spot dreef. En dat was geen onschuldig kinderspel. Zoals uit het verslag kan worden opgemaakt, speelde bij de bespotting van Isaäk blijkbaar het erfrecht een zekere rol:

 

Toen zag Sara dat de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, de spot dreef, en zij zei tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaäk. Dit nu mishaagde Abraham zeer ter wille van zijn zoon. Maar Elohim zei tot Abraham: Laat dit niet kwaad zijn in je ogen, om de jongen en om je slavin. In alles wat Sara tot je zegt, moet je naar haar luisteren, want door Isaäk zal men van je zaad [זרע zeh'rah] spreken. Maar ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk stellen, omdat hij je zaad is.

(Gn 21:9-13)

 

We concluderen dan ook dat Ismaël bij die gelegenheid de eerste tekenen vertoonde van de vijandige gezindheid die hij volgens de voorzegging van YHWHs engel aan de dag zou leggen

Maar met de aanval door Gog/Magog naderen we thans kennelijk snel het hoogtepunt van die vijandige houding, want laten we niet vergeten dat de Arabische stammen claimen dat hun afstamming teruggaat op Ismaël. De traditionele visie is dat Mohammeds afstamming kan worden teruggevoerd op Hadad, de achtste zoon van Ismaël, en dat via de stam der Qoeraisj.

 

Zie: Gn 25:12-16.

 

Welnu, de animositeit van ‘Ismaël’ jegens ‘Isaäk’ is nooit echt geluwd. Integendeel, ze is krachtiger dan ooit, en dat zal heel spoedig, in een zeer nabije toekomst, zeker tot uitdrukking komen. Want vergeet niet dat men binnen Ismaëls nageslacht haar eigen Masjiach of Mahdi nog verwacht, ook al verscheen in Isaäks geslachtslijn reeds de voornaamste van het ‘zaad’ dat aan Abraham was toegezegd: Elohims eigen Zoon, Israëls ware Masjiach. 

 

De komst van de Mahdi behoort tot het geloof van zowel Soennitische als Shi'itische gelovigen, maar hun Mahdi vertoont de trekken van de Bijbelse Antimasjiach, de opponent van de ware (joodse) Masjiach Yeshua. In dat verband worden wij in het Bijbelboek Ezechiël, de hoofdstukken 38 en 39, profetisch geïnformeerd omtrent een laatste boosaardige aanval welke die pseudomasjiach - onder de mysterieuze benaming Gog - in de eindtijd zal uitvoeren op Elohims uitverkoren volk Israël.

En dat in een fase van Israëls geschiedenis dat velen vanuit de de Heidenvolken, waarheen hun voorvaders ooit verstrooid werden, bijeenvergaderd zullen zijn.

 

Vergelijk vooral: Deuteronomium 30:1-9.

 

Het woord van YHWH kwam tot mij: Mensenzoon, richt je blik op Gog, het land van Magog, de oppervorst van Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem. Zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zál je, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal! Ik zal je omkeren, haken in je kaken slaan en je doen uittrekken: Gij, met heel je leger, paarden en ruiters, allen uitmuntend gekleed, een grote strijdmacht met grote en kleine schilden, die allen het zwaard hanteren.

Bij hen zijn 
Perzen, Cusjieten en Puteeërs, allen met schild en helm, Gomer met al zijn troepen, Huis-Togarma, aan de zijden van het noorden, met al zijn troepen, vele volken met jou. Wees bereid en maak je gereed, jij en je hele strijdmacht, die bij jou bijeengekomen is. Wees een wachter voor hen.
Na vele dagen zal er aandacht aan je worden geschonken. Aan het einde der jaren zal je komen in 
een land dat hersteld is van het zwaard, bijeengebracht uit vele volken op de bergen van Israël, die tot een blijvende verwoesting waren geworden. Uitgeleid uit de volken, wonen zij allen onbezorgd. Je zult oprukken, komen als een verwoesting. Je zult als een wolk zijn en het land bedekken, jij en al je troepen en vele volken met je.

Zo zegt Adonai YHWH: Op die dag zal het gebeuren dat er overleggingen in je hart zullen opkomen en dat je een kwaad plan zult beramen. Je zult zeggen: Ik zal optrekken tegen een niet ommuurd land, komen bij mensen die rustig en onbezorgd wonen, die allen zonder muur en grendel wonen en geen poorten hebben, om roof te plegen, buit te roven, je hand tegen de nu bewoonde puinhopen te keren en tegen een volk dat uit de Heidenvolken verzameld is, dat vee en bezit verworven heeft, dat 
op de navel der aarde woont. 

 

Merk op welke volken worden vermeld die naast Magog, Mesech en Tubal, tot Gogs enorme strijdmacht zullen behoren. De Perzen worden als eersten vermeld.

De geschiedenis herhaalt zich(!)

Want wie moet er in zo’n situatie niet denken aan de gebeurtenissen die het feest van Purim bij ons oproepen en dat in 2017 op 12 maart [14 Adar] wordt gevierd.

 

Wij allen kennen het verhaal van Xerxes I, de koning van Perzië die zijn ongehoorzame vrouw Vasthi verstiet en voor wie de joodse Esther, een nicht van Mordekai, naderhand in de plaats kwam.

Kort daarop beraamde Haman - die door Xerxes was verhoogd boven alle andere vorsten in zijn Rijk - de dood van Mordekai en van trouwens alle Joden. Alles op grond van de eeuwenoude vijandschap die sinds de Exodus bestond tussen het volk Amalek en Elohims volk Israël.

 

Maar eigenlijk gaat Elohims oordeel over Amalek nog verder terug in de geschiedenis dan ten tijde van de Exodus. Amalek was immers een kleinzoon van Esau, de door-en-door vleselijke mens der ontwikkeling die van YHWH Elohim vandaan voert.

 

Spaak 17 van het Bijbelwiel is dienaangaande wel heel onthullend(!)

Het is zeker niet toevallig te noemen dat in Maleachi - het tweede Boek van Spaak 17 dat met Esther begint en met Twee Petrus eindigt – reeds in de inleiding melding wordt gemaakt van Elohims haat jegens Edom [Esau], daar aangeduid als het gebied der goddeloosheid en het volk waarop Jahweh voor altijd verontwaardigd is.

 

Zie: Jakob had ik lief maar Esau haatte ik (1), waarin ondermeer wordt aangetoond dat - gezien de zeer krachtige termen in de godsspraak waarmee YHWH zijn eeuwig oordeel over Esau (Edom) bekendmaakte - achter Edom de wereld der demonen schuil gaat; dus veel meer dan het lot van het letterlijke volk Edom.

 

Die conclusie wordt echter bevestigd in Megillat Esther zelf. Hoe?

Het blijkt uit de getalswaarden van Haman en zijn tien zonen, t.w.:

 

● Haman zoon van Hammedatha de Agagiet.

De GW daarvan is 95 + 52 + 450 + 22 = 619.

 

● De 10 zonen, respectievelijk volgens Es 9:7-10.

 1035 + 170 + 542 + 687 + 46 + 616 + 1021 + 281 + 225 + 424 = 5047.

 

Totaal derhalve 5-666 [619 + 5047].

 

Maar de waarde 666 is het getal van het demonische Beest, Satans parodie in de persoon van de Antimasjiach, maar hier in Esther inclusief de bovennatuurlijke waarde 5000.

Zie: Openbaring 13:18

AlsookRedding uit een zekere ondergang

 

Geen wonder dus dat de demonische Gog/Magog, de tegenbeeldige Haman, de volken rondom Israël zal mobiliseren - met Perzië [Iran] voorop – teneinde het tot herstel gebrachte volk van YHWH alsnog voorgoed weg te vagen. Dat unieke volk wordt immers vereenzelvigd met de navel der aarde, waar de Tempelstad Nieuw Jeruzalem in de eerste plaats op aarde wordt vertegenwoordigd en van waaruit de geest van YHWH Elohim naar alle zijden zal stromen. De demonenkrachten zullen dat centrum maar al te graag willen vernietigen.

Maar wat laat Ezechiël 38 ons bijvoorbaat weten over de afloop van die boosaardige aanval:

 

21 Op al mijn bergen zal Ik een zwaard tegen hem oproepen, spreekt Adonai YHWH. Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn.

22 Ikzelf zal met hem in het gericht treden door pest en door bloed. Ik zal een alles wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, op zijn krijgsbenden en op de vele volken die met hem zullen zijn.

23 Zo zal Ik mijn grootheid tonen en Ik zal mijzelf heiligen en voor de ogen van vele heidenvolken bekend worden. Dan zullen zij weten dat Ik YHWH ben.

 

Wonderlijk dat in dit laatste vers (23) de zinsnede en Ik zal mijzelf heiligen de getalswaarde 1225 heeft, precies die van de tekst Gn 16:12, ons vertrekpunt.

Zie:

1.  Bezien vanuit de gematria.

 

2.  Het lange termijneffect van Genesis 16:12 betreffende Ismaël.

 

We gaven al aan dat de drie Boeken die Spaak 17 vormen eenduidig zijn wat betreft expliciete verwijzingen naar ongekende demonenactiviteit in de 70ste Jaarweek. We sommen nog even op:

 

Boek 17 - Esther >> De tegenbeeldige Haman en diens zonen: GW 5-666.

Vergelijk innercycle Openbaring 17:12

 

En de tien horens die je zag zijn tien koningen, zij die nog geen koninkrijk ontvingen, maar zij zullen één uur macht als koningen ontvangen met het Beest.

 

Zie: Esther, zij die zich verborgen hield

 

Boek 39 – Maleachi >> Edom [Esau], het gebied der goddeloosheid en het volk waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is.

 

Zie: Jakob had ik lief maar Esau haatte ik (Deel 1)

 

Boek 62 – Twee Petrus >> De engelen die zondigden in de periode van 120 jaar die uiteindelijk leidden tot de Vloed:

 

Want indien God engelen die gezondigd hadden niet spaarde, maar aan ketenen van duisternis - door opsluiting in Tartarus - overleverde om voor een oordeel bewaard te worden (2Pt 2:4)

 

Al in zijn Eerste brief, in 1Pt 3:19-20, had Petrus melding gemaakt van de geesten in verzekerde bewaring, die eens ongehoorzaam waren toen de lankmoedigheid van God ten einde toe afwachtte in Noachs dagen.

 

Zoals ons allen bekend is uit Genesis 6:1-4 hadden die ontrouwe geestenzonen van YHWH Elohim zich in de periode die aan de Vloed voorafging, gematerialiseerd teneinde huwelijksverbintenissen te kunnen aangegaan met de mooie dochters der mensen. Bij de komst van de Vloed zagen zij zich echter gedwongen zich van hun gematerialiseerde lichamen te ontdoen; van Elohim kregen zij toen niet meer de gelegenheid om alsnog terug te keren in de kring van de getrouwe, uitverkoren engelen.

 

Hier, in zijn Tweede brief, schreef hij dat die ongehoorzame engelen toen door YHWH Elohim werden overgeleverd aan ketenen van duisternis, wat hij nader omschrijft als opsluiting in Tartarus.

In die zin spaarde YHWH die opstandige zonen Gods niet, maar bestrafte hij hen.

Kennelijk bevinden de demonen zich sindsdien in een ‘kerker’ van geestelijke duisternis, verstoken van alle goddelijk licht, waarbij het gebruik van de term Tartarus duidt op een plaats van de allerdiepste vernedering.

 

En aldaar, in Tartarus, worden die onreine geesten niet slechts bewaard in afwachting van hun definitieve ondergang bij het laatste oordeel, zoals sommigen zeggen; want in dat geval had YHWH Elohim hen wel meteen kunnen vernietigen toen de Vloed kwam en zij zich moesten dematerialiseren.

 

Nog meer dan de mensen die in de Vloed omkwamen hadden die Nefilim - gevallen engelen – een dergelijke straf volkomen verdiend (Gn 6:1-4).

Blijkbaar wil Elohim hen nog een zekere rol in zijn oordeel laten spelen. Petrus zegt immers dat God hen juist daarvoor heeft bewaard.

 

Vergelijk Openbaring hdst 20, waar we te weten komen dat ook de Duivel zelf 1000 jaar lang in de Afgrond ‘achter de hand zal worden gehouden’, om aan het einde van het Millenniumrijk van de Masjiach nog een korte tijd losgelaten te worden, ook dán met het oog om Elohims doeleinden te dienen.

 

Samenvatting

 

Samenvattend kunnen we, met de beschikbaarheid van de volledige goddelijke Bibliotheek , de volgende conclusies trekken:

 

  De politieke Staat Israël nadert haar einde.

Ze was/is in haar bestaan slechts een uitdrukking van een typisch menselijk, politiek getint ideaal, in alle opzichten verstoken van het te verwachten Masjiachrijk in de geslachtslijn van David, waarvoor zal gelden:

 

YHWH is immers onze Rechter, YHWH is onze Wetgever, YHWH is onze Koning; Híjzelf zal ons verlossen.

  

Die theocratische beginselverklaring wint nog meer aan betekenis wanneer we ons realiseren dat we ze aantreffen in Jesaja 33, waarin profetisch de blik wordt gericht op de eindtijd en Israël nog de vervulling zal meemaken van het verraad door de haarzelf verkozen Antimasjiach: Hij heeft het verbond verbroken, de steden veracht, de sterveling niet in aanmerking genomen (vers 8).

 

  Pas wanneer de laatste dagen voor het huidige wereldaeon - dat met de Spraakverwarring een aanvang nam - zich zullen aandienen, zal er een kentering optreden voor Israëls situatie als Elohims uitverkoren volk.

Met name bij het aanbreken van de 70ste Jaarweek - aangekondigd in Dn 9:27 en nu kennelijk zeer nabij - zal YHWH Elohim op aarde weer al zijn aandacht geven aan jouw [Daniels] volk en jouw Heilige Stad (Dn 9:24).

 

▪  Allerbelangrijkst in die periode is het feit dat er een einde komt aan DE overtreding [פשע pesha , of Grieks: παραπτωμα], t.w. de nationale afwijzing van Yeshua, de ware joodse Masjiach. Maar we weten nu reeds dat slechts een Overblijfsel of Rest aan die ommekeer gevolg zal geven, zoals altijd gebruikelijk is geweest in Israëls historie. Maar eerst dan ook is vrede en veiligheid gewaarborgd

 

Sinds 70 AD, en zelfs tot op de huidige dag binnen de politieke Staat Israël, is immers gebleken dat men buiten de Vrijstad - Elohims regeling van verzoening door Masjiach Yeshua, de ware Hogepriester - niet werkelijk veilig is. Miljoenen zijn in de loop der eeuwen omgekomen. Op ontzettende wijze is gebleken, dat het "buiten de Vrijstad" gevaarlijk toeven is.

 

Vergelijk Dt 28:63-68 en zie: De Toevluchtsstad

 

  Aan de situatie Lo-Ammi en Lo-Ruchama zal dan een einde komen. Elohim neemt zijn Vrouwnatie terug en sluit met haar het Nieuwe Huwelijksverbond van Jeremia 31.

In de Hebreeënbrief wordt Israël bij herhaling ernstig gewaarschuwd om de grondslag van dat Verbond – Yeshua’s eigen vergoten bloed – niet van profane waarde te achten. YHWH Elohim zal hen die aan die oproep geen gehoor wensen te geven, niet langer de gelegenheid tot inkeer verlenen, aangezien zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw aan een paal hangen en openlijk te schande maken.

 

▪  Op grond van 1 Koningen 19:18 en andere Schriftuurlijke aanwijzingen, kan verwacht worden dat het vooral de ‘naamlozen’ onder het Volk zullen zijn die nederig gehoor zullen geven, een volledig aantal van 7000 >> Ik heb er zevenduizend in Israël overgelaten, alle knieën die zich niet voor Baäl hebben gebogen, en elke mond die hem niet heeft gekust. 

 

De continuïteit van Israël als gemeente is gewaarborgd, zoals profetisch bevestigd wordt in Openbaring 11:13. Vooral echter Romeinen 11 verschaft dienaangaande argumenten die van doorslaggevende betekenis zijn.

 

  Het Joodse erfdeel is bijgevolg schitterend te noemen, t.w.:

Als het aardse deel van het Israël Gods onder Koning Yeshua, priester naar de orde van Melchizedek, het Bestuur van de Tempelstad Nieuw Jeruzalem hier op aarde vertegenwoordigen (Psalm 110).

 

 

 

En hij voerde mij in geest weg op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de heilige Stad Jeruzalem neerdalend uit de hemel vanaf God, hebbend de heerlijkheid van God. Haar glans gelijk een zeer kostbaar gesteente, als een kristalhelder schijnende jaspissteen; hebbend een grote en hoge muur die twaalf poorten heeft, en op de poorten twaalf engelen en namen geschreven, welke zijn de namen van de twaalf stammen der zonen Israëls.

 

-.-.-.-