Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Het joodse erfdeel

Het joodse erfdeel

 

Gods volk Israël wacht nog een grote zegen. Naar wij hopen zullen huidige Messias (Jezus) belijdende Joden die - naast de Tenach - ook de Griekse Geschriften van het NT als door God geïnspireerde boeken van de (volledige) bijbel beschouwen, in hun hoop voor de toekomst erdoor worden gesterkt en aangemoedigd. Door zijn Zoon, Messias Jezus, leidt God namelijk vele zonen tot heerlijkheid. Dat is wat wij in Hb 2:10 lezen:

 

Want het paste hem, om wie alle dingen zijn en door wie alle dingen zijn, aangezien hij vele zonen tot heerlijkheid wilde leiden, de bewerker van hun redding door lijden tot volmaaktheid te brengen. 

 

Welke heerlijkheid heeft God daarbij op het oog? Het is dezelfde heerlijkheid die beloofd wordt in Psalm 8, de heerlijkheid waarvan de mens met de intrede van de zonde is afgevallen. Maar binnen het Nieuwe Verbond heeft God in een Redder en Middelaar voorzien om de mens naar de verloren heerlijkheid en het ware zoonschap terug te leiden.

 

De aanwijzingen daarvoor gaan terug tot op de tijd dat Jahweh God de mens schiep en hem een grootse toewijzing gaf. Het zijn ongetwijfeld bekende woorden voor de lezer, t.w. Genesis, hoofdstuk 1:

 

26 God zei: Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt. 27  God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. 28  Hij zegende hen en zei tegen hen: Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen (nbv).

 

Indrukwekkend is de toewijzing die de mens bij zijn ontstaan ontving: heerschappij voeren over de hele aarde met al haar levende have. Maar het tekstverband toont ook dat hij voor die taak bekwaam was: God had zijn aardse kinderen naar zijn beeld geschapen, toegerust met zijn eigen goddelijke hoedanigheden, zoals liefde, gerechtigheid, wijsheid en macht.

In de 8e Psalm - hoewel in principe profetisch - wordt in retrospectief gezinspeeld op die grootse opdracht die de mens bij de schepping ontving:

 

3  Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,

de maan en de sterren door u daar bevestigd,

4  wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt,

het mensenkind dat u naar hem omziet?

5  U hebt hem bijna een god gemaakt,

hem gekroond met glans en glorie,

6  hem toevertrouwd het werk van uw handen

en alles aan zijn voeten gelegd

(nbv)

 

De Psalmist bevestigt dat het mensenkind alsnog met heerlijkheid en eer wordt gekroond, met de bedoeling heerschappij te hebben over alle (aardse) werken van Gods handen.

Is die door God beoogde situatie al gerealiseerd? De mens is immers qua prestaties op ongekende hoge niveaus geraakt. Maar zien we thans ook de realiteit van Genesis 1 en Psalm 8? Voert de mens juiste heerschappij over de aardse schepping en dat niet volgens zijn eigen opvatting maar volgens Gods visie daarop?

 

In de Hebreeënbrief worden al die vragen ontkennend beantwoord. Die Brief, een goddelijk geïnspireerd joods-christelijk Geschrift met een krachtig eindtijdaccent, laat krachtig uitkomen dat wegens Adams val de huidige status van de mens aan Gods maatstaf tekort schiet. Voor het vervullen van de oorspronkelijke opdracht moet de mens tot zijn (oorspronkelijke) heerlijkheid worden hersteld, en - door wedergeboorte - het ware zoonschap deelachtig worden.

 

In een onderhoud met Nicodemus, een leraar van Israël, maakte de Messias duidelijk dat iemand het Messiaanse koninkrijk slechts kan binnengaan wanneer hij van boven wordt geboren uit water en geest. Toen Jezus die woorden sprak zinspeelde hij daarmee op Ez 36:24-28.

Aldaar, en wederom in een eindtijdsetting, wordt de wedergeboorte van Israël aangekondigd in een context van terugkeer en herstel. En die ontwikkeling der gebeurtenissen krijgt niet eerder zijn beslag dan bij het sluiten van het Nieuwe Verbond en het optreden van Messias Jezus als de priesterlijk Middelaar van dat Verbond (Hb 7:11-25).

Zie voor het gesprek met Nicodemus  Jh 3:1-10.

 

Bij een nadere bestudering van Psalm 8 blijkt dat die noodzaak tot wedergeboorte eigenlijk altijd al lag opgesloten in de woorden: Wat is dan de mens [enosj] dat u aan hem denkt, de mensenzoon dat u naar hem omziet?

Terwijl de Psalmist de grootsheid en de heerlijkheid van de hemellichamen beschouwde, moest hij onwillekeurig een vergelijking maken met de mens in zijn huidige situatie: de enosh, d.i. de frêle, ziekelijke, zwakke sterfelijke mens.

Vergelijk Ps 103:14-16, waar de sterveling van vers 15 de Hebreeuwse enosj is:

 

Want hijzelf weet zeer goed hoe wij zijn gevormd, gedachtig dat wij stof zijn. Wat de sterfelijke mens [enosj] betreft, zijn dagen zijn als die van het groene gras; als een bloesem van het veld, zo bloeit hij. Want er hoeft maar een wind over te gaan en hij is niet meer.

 

Zie voor enosj ook Job 4:17 en Ps 9:19-20.

  

In Hebreeën 2:5-10 wordt door de auteur, uiteraard onder inspiratie van de geest, de ware toepassing van Psalm 8 onthuld:

 

5  Want niet aan engelen onderwierp hij de toekomstige bewoonde aarde waarover wij spreken.  6  Maar iemand betuigde ergens, zeggend: 
Wat is een mens dat gij hem gedenkt, of mensenzoon dat gij naar hem omziet?  
7  Gij maakte hem een weinig lager dan engelen; met heerlijkheid en eer kroonde gij hem;  8  Alle dingen onderwierp gij onder zijn voeten. Want door alle dingen aan hem te onderwerpen, liet hij niets over wat niet aan hem onderworpen zou zijn. Thans zien wij echter nog niet dat alle dingen aan hem onderworpen zijn.  9  Maarwij zien Jezus -die een weinig lager dan engelen gemaakt was- wegens het lijden des doods met heerlijkheid en eer gekroond, opdat hij door Gods liefderijke gunst voor ieder de dood zou smaken. 10  Want het paste hem, om wie alle dingen zijn en door wie alle dingen zijn, aangezien hij vele zonen tot heerlijkheid wilde leiden, de bewerker van hun redding door lijden tot volmaaktheid te brengen.

 

Wat had de goddelijk geleide auteur in gedachten toen hij schreef: de komende bewoonde aarde waarover wij spreken? Was het thema al eerder in de Brief aangeroerd; er misschien reeds op gezinspeeld?

De uitdrukking is binnen het Rabbinisme algemeen gebruikelijk voor de joodse verwachting van "de komende wereld", een welbekend onderscheid dat Joden huldigen: nu de huidige wereld, maar hierna de heerschappij van de Messias, in de wereld die komt.

 

Op grond daarvan trekken wij de volgende conclusies:

 

a De Hebreeënbrief is door en door joods georiënteerd; zeker niet gericht tot de christelijke gemeente. De auteur richt de aandacht van zijn lezers op de algemeen onder Joden heersende verwachting: de wereld die aanbreekt in de Messiaanse tijd. En de verwezenlijking daarvan ligt, wat de Joden betreft, nog altijd in de toekomst.

 

b In dit document wordt de blik van de lezer niet gericht op de specifieke hoop die christenen koesteren. Aan de Gemeente-eeuw, de huidige wereldperiode in Gods voornemen, wordt eenvoudig voorbijgegaan; de toekomstblik wordt rechtstreeks gefocust op de tijd van de wederoprichting van het Messiaanse koninkrijk.

 

c De tekst Hb 2:5 vormt, gezien de inhoudelijke formulering, opnieuw een krachtig argument voor de these dat Hebreeën speciaal bedoeld is voor de joodse eindtijdheiligen.

 

Maar ook de context geeft aanleiding voor de tekst en zijn specifieke formulering, die volgens de WV-versie luidt: Het is zeker dat God niet aan engelen de heerschappij heeft gegeven over die wereld der toekomst, die ons eigenlijk onderwerp is. 

Daarvoor gaan we allereerst terug tot Hb 1:6

Er is namelijk een duidelijke relatie tussen Hb 2:5 en Hb 1:6, de enige verzen in de Hebreeënbrief waar we de uitdrukking bewoonde wereld (Grieks:οικουμενη) tegenkomen.

 

Maar wanneer hij wederom de eerstgeborene binnenleidt in de bewoonde wereld [οικουμενη], zegt hij: En laten alle engelen Gods hem eer bewijzen.

 

Het vers verwijst naar de wederkomst van de Messias. De uitdrukking wederom bevestigt dat. Maar ook de frase binnenleiden in de bewoonde wereld heeft joodse reminiscenties. De term ziet terug op de tijd dat Jahweh Israël in het bezit stelde van Kanaän, het aan hen beloofde land:

 

Gij brengt hen binnen en plant hen op een berg van uw erfdeel; een vaste plaats voor U om te verblijven, die Gij hebt gemaakt, o Jahweh: een heiligdom, Heer, dat uw handen hebben bereid! Jahweh zal heersen voor eeuwig en immer! (Ex 15:17-18; pc).

 

Evenzo zal de Vader, bij de terugkeer van zijn Zoon naar de aarde, volgens Psalm 2 zeggen: Vraag mij en Ik zal natiën geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit

Bij zijn eerste (vroegere) komst ervoer de Zoon een verdrijving uit de wereld; vandaar de tegenstelling: wanneer hij wederom de eerstgeborene binnenleidt.

Kwaadaardig verdreven, maar (opnieuw) binnengaan in majesteit: hij zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader (Mt 16:27). En dan zal gezegd worden: Laten alle engelen van God zich neerwerpen voor hem. 

 

Het citaat komt uit Dt 32:43, hoewel Ps 97:7 ook in beeld is, beide volgens de LXX.

[ Dt 32:43 luidt in de LXX anders dan in de M.]

De beginregels luiden:

 

Verheugt u hemelen met hem,

en laten al Gods zonen zich voor hem neerwerpen;

verheugt u natiën met zijn volk,

 

en vervolgens:

 

en laten al Gods engelen sterk worden in hem

want hij zal het bloed van zijn zonen wreken,

en hij zal wraak oefenen en straf vergelden aan zijn vijanden,

en de haters zal hij vergelden;

en de Heer zal het land van zijn volk reinigen.

 

Volgens de M luidt Dt 32:43 :

 

Roept het uit van vreugde, jullie heidenen, met zijn volk; want hij zal het bloed van zijn dienaren wreken, en hij zal wraak oefenen aan zijn tegenstanders. Maar hij zal verzoening doen voor zijn grond, zijn volk. 

 

Er is ook een terugverwijzing naar Hb 1:13 - 2:4.

 

13  Tot wie van de engelen echter heeft hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand, totdat ik je vijanden stel tot voetbank van je voeten? 14  Zijn zij niet allen geesten in een openbare toewijzing, uitgezonden voor dienst ten behoeve van hen die redding gaan beërven? 1  Daarom moeten wij overvloediger acht geven op de dingen die gehoord zijn, opdat wij nooit afdrijven.  2  Want indien het woord door engelen gesproken vast bleek te zijn en elke overtreding en ongehoorzaamheid gerechte vergelding ontving, 3  hoe zullen wij ontkomen als wij zo’n grote redding zouden veronachtzamen, waarover - na een aanvang genomen te hebben - gesproken werd door de Heer, voor ons bevestigd door hen die het gehoord hadden, 4  God meegetuigend, zowel door tekenen als wonderen en diverse krachten en uitdelingen van heilige geest overeenkomstig zijn wil?

 

In dit Schriftdeel worden de Joden van de eindtijd geplaatst tegenover hun voorvaders, de Israëlieten, die leefden onder het vroegere Verbond dat bemiddeld werd door Mozes, zoals ook in Hb 12:18-24 wordt uiteengezet.

Mozes ontving toen de Wet door tussenkomst van engelen (Hn 7:38, 53Gl 3:19).

Op ongehoorzaam gedrag stonden (rechtvaardige) vergeldingen.

 

Maar hun nakomelingen van de eindtijd wordt krachtens het Nieuwe Verbond - dat in alle opzichten zoveel beter is en waarin Messias Jezus priesterlijk Middelaar is, iets zó groots in het vooruitzicht gesteld - zo’n grote redding – dat het versmaden daarvan werkelijk catastrofaal zal uitpakken.

In Hb 6:1-8 en 10:26-31 worden die (onontkoombare) consequenties nader uitgewerkt.

 

Welnu, op die grote redding haakt de auteur in wanneer hij in Hb 2:5 vervolgt met: Want niet aan engelen onderwierp hij de toekomstige bewoonde aarde, waarover wij spreken [ons eigenlijk onderwerp].

Om voor die stelling het bewijs te leveren grijpt hij terug op Psalm 8, waaruit bij nader inzien kan worden afgeleid dat

 

a. de genoemde grote redding al bij voorbaat in die Psalm was aangegeven, en verband blijkt te houden met de heerschappij die tijdens het Millennium over de bewoonde aarde zal worden uitgeoefend;

b. in die wereld der toekomst de mens, dat wil zeggen de joodse heiligen, en niet de engelen, alle dingen in onderworpenheid zal hebben; zoals ook in Dn 7:27 te kennen wordt gegeven:

 

En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen (nbg).

 

Merk - naar analogie van de mens in Psalm 8 - het gebruik van het enkelvoud op met betrekking tot het volk van de heiligen, en zijn koningschap. Volgens de LXX: και η βασιλεια αυτου.

 

Anders dan voor christenen is de hoop die Israël in het vooruitzicht wordt gesteld niet de hemel, maar een glorierijk koninkrijk op aarde, in rechtvaardigheid geregeerd door hun Messias (Js 32:1).

Die 'komende wereld' kan alleen aanbreken wanneer Jeruzalem niet langer vertreden wordt door de Heidenvolken. Derhalve moeten eerst de Tijden der Heidenen, ook wel aangeduid als de Zeven Tijden - die millennia lang door God werden vergund - vervuld worden. Zoals ook in Lk 21:24 wordt aangekondigd:

 

Jeruzalem zal door de Heidenvolken vertreden worden, totdat de Tijden der Heidenvolken vervuld zijn.

 

Dan zal de dwaling en de onwetendheid van het Heidendom plaats maken voor de nieuwe situatie van Js 11:9, de aarde vervuld van de kennis van Jahweh, zoals de wateren ook de zee bedekken

Slechts een dergelijke ontwikkeling in de gebeurtenissen kan er toe leiden dat alle kwaad en verderf op Gods heilige berg Sion wordt uitgebannen. Jeruzalem zal dan de verheuging worden van heel de aarde. Ook zal Jeruzalem gesteld worden tot een lof op aarde (Ps 48:1-3Js 62:7).

 

Zie: Jeruzalem en het Koninkrijk Gods

 

Tijdens zijn bediening maakte Messias Jezus die verwachting geregeld tot het centrale thema van zijn onderwijs. Hij bracht de verwezenlijking van Gods voornemen om de mensheid door tussenkomst van Abrahams zaad te zegenen, geregeld in verband met de wederoprichting van het koninkrijk voor Israël met Jeruzalem, de Stad van de Grote Koning, als centrum. Hij noemde Jeruzalem de stad van de grote koning (Mt 5:34-35Hn 1:6).

 

De woorden der profeten kunnen bij het herstel van het koninkrijk voor Israël werkelijkheid worden: zitten onder de eigen wijnstok en onder de eigen vijgenboom, zonder ook maar in enig opzicht verstoord te worden (Mc 4:4).

 

In de Hebreeënbrief, met name in de context van Hb 2:5-10, komt goed tot uitdrukking dat de opgesomde vooruitzichten tot het joodse erfdeel behoren, iets wat eveneens door de profeten werd aangekondigd:

 

In de komende dagen zal Jakob wortel schieten, Israël bloeien en uitspruiten, zodat zij het aangezicht der wereld [Hebr: tevel; enigszins overeenkomend met Grieks oikoumenè] met vruchten vervullen

(Js 27:6).

 

 

Zie, ik zal in die tijd afrekenen met allen die  u verdrukken, maar ik zal haar die kreupel gaat redden en haar die verstrooid is verzamelen; Ik zal tot een lof en tot een naam geven hen, wier schande was over de gehele aarde. In die tijd zal ik u terugleiden, ja, in de tijd dat ik u verzamelen zal. Want ik zal u geven tot een naam en tot een lof onder alle volken der aarde, wanneer ik voor uw ogen een keer breng in uw gevangenschap, spreekt Jahweh (Zf 3:19-20).

 

In het Millennium, de wereld die komt (de komende bewoonde aarde), zal de voornaamste plaats niet door engelen worden ingenomen, maar door 'de mens' van Psalm 8. En die plaats is niet slechts een voorname, maar een zeer bijzondere: alles zal aan hem onderworpen zijn!

Zoals aangekondigd in Op 21:5 - Zie! Ik maak alle dingen nieuw - zal ook dit een geheel nieuwe situatie inluiden.

 

In het thans bestaande wereldbestel (bewoonde aarde: oikoumenè), is de heerschappij in handen van engelen: Satan en zijn demonen. Mocht iemand twijfelen aan de juistheid van deze bewering, dan zullen enkele Bijbelcitaten hem wel uit de droom helpen:

Bij de verzoeking in de woestijn zei Satan tot Jezus, nadat hij hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid had getoond:

 

Aan jou zal ik al deze macht en de heerlijkheid ervan geven, want aan mij is ze overgegeven en aan wie ik ook wil, geef ik ze. Jij dan, indien je voor mijn aangezicht een daad van aanbidding verricht, zal alles van jou zijn (Lk 4:6-7)

 

Jezus wees de claim van de Duivel dat de heerschappij over de bewoonde aarde bij hem berust, niet verontwaardigd van de hand. Hij wist bijvoorbeeld uit Daniël, hoofdstuk 10, dat Satan macht over wereldrijken en andere wereldse regeringen aan zijn engelen delegeert. Er is namelijk sprake van de vorst van Perzië en van de vorst van Griekenland, demonenvorsten die God, zijn getrouwe engelen en ook Gods dienstknechten op aarde, zoals Daniël, tegenstaan (Dn 10:12-1420-21). Zie: Michaël, de aartsengel, in conflict met Satans Rijk  

 

Ook Paulus was bekend met dit gegeven. Zie Ef 6:11-12:

 

Doet de volle wapenrusting Gods aan, om stand te kunnen houden tegen de listige daden van de Duivel. Want onze worsteling is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen.

 

Trouwens, op de avond voorafgaande aan zijn dood, zei Jezus zelf over Satan:

 

Ik zal niet veel meer met jullie spreken, want de heerser van de wereld is op komst. En hij heeft in mij helemaal niets (Jh 14:30).

 

Hoe kon deze gang van zaken wat betreft heerschappij over de aarde ooit ontstaan? Ze hangt samen met wat Jezus noemde de Tijden der Heidenvolken (natiën), waarover we het in dit deel eerder hadden. 

Zie Lk 21:23-24 ≥

 

Er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen worden weggevoerd naar alle natiën [wat geschiedde in 70 AD]; en Jeruzalem zal door de Heidenvolken vertreden worden, totdat de tijden der Heidenvolken vervuld zijn.

 

In Hn 14:16 kunnen we lezen hoe de apostel Paulus die tijden typeert:

 

In de voorbijgegane geslachten heeft hij [God] alle Heidenvolken toegestaan hun eigen wegen te gaan.

 

Die opmerking verschaft een sleutel om te begrijpen dat de periode waarin de mensen van de (huidige) bewoonde aarde – of: zij die de aarde bewonen – hun eigen gang mochten gaan in onafhankelijkheid van God, terug te voeren is op het debacle van Babel toen Jahweh de spraak der mensen verwarde (Gn 11:1-9).

Door die daad werden de bouwers van het torenproject gedwongen overeenkomstig hun taalgroepen uiteen te gaan. Dat leidde als vanzelfsprekend tot de vorming van etnische groepen met hun eigen cultuur en vorm van bestuur. God liet hen voor een zekere, door hem van tevoren bepaalde tijd hun eigen gang gaan. Gn 10:32 vermeldt het resultaat:

 

Dit waren de families van de zonen van Noach naar hun familieafstamming, volgens hun natiën, en uit dezen hebben de natiën zich na de geweldige vloed over de aarde verspreid.

 

Het behoeft nauwelijks betoog dat, aangezien God zijn (bestuurlijke) handen van die nieuw gevormde natiën aftrok, Satan meteen dat bestuursvacuüm opvulde. Vandaar ook dat hij tot Jezus kon zeggen: Al deze macht en de heerlijkheid ervan geven, want aan mij is ze overgegeven en aan wie ik ook wil, geef ik ze. 

 

In Daniël, hoofdstuk 4 wordt onder het zinnebeeld van een zeer hoge boom die met zijn top tot de hemel reikte, van de uiteinden der aarde zichtbaar was, en waarvan al wat leeft werd gevoed, de tijdelijke opschorting van Gods heerschappij over de oikoumenè afgebeeld. Voor de duur van zeven tijden ligt de boom geveld ter aarde, de wortelstronk stevig omsloten door banden van koper en ijzer, opdat de stervelingen erkennen dat de Allerhoogste beschikt over het menselijk koningschap en het kan geven aan wie Hij wil en dat Hij zelfs de geringste onder de mensen tot die waardigheid kan verheffen (Dn 4:10-17; wv).

 

Wanneer op de helft van de 70e Week het Messiaanse koninkrijk wordt opgericht en daarmee Gods heerschappij in de oikoumenè wordt hersteld, klinken er volgens Op 11:15-17 dan ook blijde stemmen in de hemel die uitroepen:

 

Het koninkrijk der wereld werd van onze Heer en van zijn Messias, en hij zal als koning regeren tot in alle eeuwigheid. En de vierentwintig Oudsten die vóór God op hun tronen zitten, vielen op hun aangezicht en aanbaden God zeggend: Wij danken u Heer God, de Almachtige, die is en die was, dat gij uw grote kracht hebt opgenomen en als koning zijt gaan regeren

 

De Tijden der Heidenvolken (natiën) lopen met die gebeurtenis af. Jeruzalem, dat altijd is geïdentificeerd met het Messiaanse koninkrijk, wordt dan niet langer vertreden; het is gedaan met de (corrupte) engelenheerschappij.

Als een bewijs daarvoor worden de Duivel en zijn engelen in de oorlog die naar aanleiding van deze gebeurtenis in de hemel gestreden wordt, door Michaël verslagen en naar de aarde geworpen (Op 12:5-10).

 

De Duivel weet dan dat hij nog maar over een weinig tijd kan beschikken – om precies te zijn 1260 dagen cq 3½ tijd (de vv 12-14), d.i. de tweede helft van de Jaarweek – voordat hij voor 1000 jaar wordt gebonden en in de afgrond van inactiviteit geslingerd (Op 20:1-3).

 

Zijn engelen zijn dan - bij de afloop van de Week – al beland in het eeuwige vuur dat voor de Duivel en zijn engelen is bereid, d.i volledige vernietiging (Mt 25:41). Een hemelse actie, geleid door de verheerlijkte Mensenzoon, welke in Op 19:11, 19-20 weer op een andere, zinnebeeldige manier wordt beschreven:

 

En ik zag de hemel geopend, en zie! Een wit paard en hij die erop gezeten is, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig. En hij oordeelt en voert oorlog in rechtvaardigheid… En ik zag het Beest en de koningen der aarde en hun legers verzameld om de oorlog te voeren met hem die op het paard is gezeten en met zijn legers.  En het Beest werd gegrepen en met hem de Valse Profeet die de tekenen voor zijn aangezicht deed, waarmee hij hen misleidde die het merkteken van het Beest ontvingen en die zijn Beeld aanbaden. Levend werden de twee geworpen in het meer van vuur dat met zwavel brandt.

 

Het duo Beest en Valse Profeet, twee uitingsvormen van de ene Antichrist van de eindtijd, het collectief van demonenengelen die in de periode die aan de Vloed voorafging, zondigden en bijgevolg gestraft werden met de Tartarustoestand – d.i overgegeven aan afgronden van dikke (geestelijke) duisternis - worden blijkens 2Pt 2:4 en Judas 6 voor het oordeel bewaard om nog een rol te spelen in Gods voornemen.

Zie: De rol der demonen in de eindtijd

 

Een impressie van die rol ontvangen we door het bestuderen van passages als

Mt 24:15, 20-222Th 2:3-12Op 9:1-2113:3-8, 11-1717:8-17.

 

Uit Js 14:16-17 is profetisch duidelijk dat de Antichrist - in die context onder het zinnebeeld van de koning van Babel - in zijn korte, desastreuze loopbaan verwoestend zal optreden. In zijn haatdragende kwaadaardigheid zal hij er op uit zijn de oikoumenè, waarover de demonen zo lang hun beestachtige, tirannieke heerschappij uitoefenden, te gronde te richten:

 

Is dit de man, die de aarde deed sidderen, die koninkrijken deed beven; die de bewoonde aarde [tevel] tot een wildernis maakte en haar steden verwoestte? Die zijn gevangenen nooit liet gaan?

 

In het Bijbelboek Jesaja wordt echter ook het einde aangekondigd van alle heerschappij door de demonenengelen, maar ook die der mensen die onder hun supervisie een zichtbaar bestuur uitoefenden; wederom in een context van de bewoonde aarde:

 

Treedt nader, Heidenvolken, om te horen; en jullie, volkgemeenschappen, schenkt aandacht. Laat de aarde en haar volheid luisteren, de bewoonde wereld [tevel] en al wat uit haar ontspruit. Want Jahwehs verbolgenheid is over al de Heidenvolken en woede tegen heel hun heerleger. Hij zal hen stellig aan de vernietiging prijsgeven; hen overgeven ter slachting (Js 34:1-2).

 

Daarom zal in het Millenniumrijk van de Messias, zoals reeds gememoreerd, de voornaamste plaats niet door engelen worden ingenomen, maar door de mens van Psalm 8. Een zeer bijzondere plaats, want  alles zal God aan zijn voeten onderwerpen! Met de verheffing van Messias Jezus, ná zijn vernedering tot in de dood, is al een aanzet tot de vervulling van die voorzegging gegeven (Hb 2:9). Hij is de voornaamste onder zijn broeders, het eigenlijke Zelf van het ware Israël. In hem nam de vervulling van de profetische Psalm 8 reeds een aanvang.

Maar de kroning van Jezus met heerlijkheid en eer staat garant voor de uiteindelijke verheffing van zijn eigen volk.

 

Dat Jezus zelf zich innig met die broeders van hem vereenzelvigt, toont de context in Hb 2:11-13.

Want zowel hij die heiligt als zij die geheiligd worden, [stammen] allen uit één; om welke reden hij zich niet schaamt hen broeders te noemen, zeggend:
Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, 
in het midden der gemeente zal ik u lofzingen.

En wederom: 
Ik zal mijn vertrouwen stellen op hem. 
En wederom: 
Zie, ik en de kinderen die God mij gegeven heeft.

 

Jezus en zijn broeders hebben een gemeenschappelijke achtergrond als het zaad ter zegening dat aan Abraham beloofd was; bijgevolg citeert de apostel uit de bekende Messiaanse Psalm 22:23 > Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik u lofzingen.

 

Die (joodse) broeders zullen te zijner tijd de vervulling van Hb 2:7-8 ervaren. Met de zekerheid van het profetische futurum [toekomende tijd] schreef David (aldaar in Hebreeën geciteerd):

 

Met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond en hem gesteld over de werken van uw handen; alles hebt U onder zijn voeten onderworpen. 

 

Zover  is het thans duidelijk nog niet, hetgeen ook de auteur zelf constateert door te vervolgen met: Maar nu zien wij nog niet alles aan hem onderworpen.

Accoord!

Maar er is iets wat we wél zien:

 

Maar wij zien Jezus, die een weinig minder dan de engelen gemaakt werd, met heerlijkheid en eer gekroond omdat hij de dood heeft ondergaan, opdat hij door Gods genade voor iedereen de dood zou smaken.

 

Gods voornemen beweegt zich voort in een gestadig proces waarin op ordelijke wijze de ene stap na de andere wordt gezet bij het verwezenlijken van zijn doelstelling. Teneinde zijn broeders in een positie van heerlijkheid te kunnen brengen, moest Jezus zelf eerst een tijd lang minder dan engelen gemaakt worden, zodat hij door zijn dood een volmaakt, toereikend offer kon brengen dat de kracht tot verlossing (loskoop) zou hebben. De basis om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, was daarmee gelegd.

Maar met dat onderdeel van het proces zal pas in de 70e Jaarweek een begin worden gemaakt.

In die tussenperiode ligt Gods bemoeienis met de natie Israël namelijk stil en wordt eerst de volheid der Heidenvolken binnengebracht tijdens de Gemeente-eeuw. Zie: Romeinen, hoofdstuk 11.

 

In de 70e Week, wanneer het Messiaanse koninkrijk in werking komt, breekt volgens Ps 110:3 de tijd aan dat de Heer, Jezus de Messias, in de pracht der heiligheid, uit de schoot der dageraad, de dauw van uw jeugd zal hebben: zijn eigen volk dat zich gewillig aan hem zal aanbieden, bestaande uit herboren zonen Gods, de joodse heiligen van de eindtijd.

Vergelijk Hs 1:10-11 .

 

Het Hebreeuwse woord voor pracht hier, in vers 3, wordt in Ps 8:6 weergegeven met eer of luister:

 

Gij hebt hem met heerlijkheid en luister gekroond.

 

De joodse heiligen zullen naast eer, ook met heerlijkheid worden gekroond.

Dit laat uitkomen dat zij verheven zullen worden tot een glorierijke positie van aanzien, passend voor de plaats die zij op de Nieuwe Aarde zullen innemen: de koninklijke, priesterlijke vertegenwoordigers van hun koning, de Messias.

Zoals Op 2:26 en 3:21-22 aan hen toezegt:

 

Wie overwint en hij die tot het einde mijn werken onderhoudt, aan hem zal ik macht geven over de Heidenvolken, … Hem die overwint zal ik geven om met mij op mijn troon plaats te nemen, gelijk ook ik overwon en met mijn Vader plaats nam op zijn troon. Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt.

 

Dit bedoelen we met de joodse erfenis : de toekomende bewoonde aarde onderworpen aan de heiligen; alle dingen hebt Gij onder zijn voeten gelegd.

Op 21:7 beschrijft dit als een erfenis die hun, die ware zonen van God worden, ten deel valt:

 

Hij die overwint zal deze dingen beërven, en ik zal hem tot God zijn en hij zal mij een zoon zijn.

 

De correcte toepassing van Psalm 8 ligt dus bij de Messias en zijn broeders: Zie, ik en de kinderen die God mij gegeven heeft.

Met hen begint de Vader een geheel nieuwe orde op aarde ten behoeve van de mensheid, de eeuw van het Millennium (Gn 22:18). Het is de toekomende bewoonde aarde, al zo lang het onderwerp van bespreking in joodse kringen, maar ook in de Hebreeënbrief. 

 

-.-.-.-.-

 Zie verder  Overzicht Studies