Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Wanneer werd Adam geschapen en begon de Anno Mundi tijdrekening

Wanneer werd Adam geschapen en begon de Anno Mundi tijdrekening?

 

Klik hier voor ‘smal’ lezen

 

 

De ballingschap van Jojachin

De zekerheid van het jaar 587

Terugtellen naar de Exodus en Abraham

Aansluiting op de Anno Mundi kalender

De tegenbeeldige 7-jarige tempelbouw

 

Aanwijzingen voor 6023 – 6030 AM

1.) Het verloop van de Rustdag

2.) De zeventig Jaarweken

3.) Hosea 6:2

4.) Jakob bij de Jabbok

5.) De Zeven Tijden

6.) Ketura en haar zonen

7.) De 1:2 verhouding

8.) Jobs drie 'vrienden'

9.) De factor 3½

10.) Rechter Ibtsan

       11.) Michaëls conflict met Satan

12.) Jozef/de 7 jaar van hongersnood

 

De voltooiing van het tegenbeeldige tempelbouwwerk

 

 

De ballingschap van Jojachin

 

Voor de benadering van ons thema – Wanneer begon de Anno Mundi tijdrekening? – biedt de Bijbel diverse invalshoeken.

In deze Studie kiezen wij als vertrekpunt het jaar 587 v.Chr., gezien de vrij grote zekerheid dat in dat jaar voor de eerste maal de stad Jeruzalem met haar Eerste tempel, die welke onder leiding van koning Salomo was gebouwd, grondig werd verwoest.

 

Uit Ezechiël 1:1-2 vernemen wij dat die profeet in het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin voor de eerste maal apocalyptische visioenen begon te ontvangen. En dat moet het jaar 593 vóór onze tijdrekening geweest zijn. Waarom?

Omdat de wegvoering in ballingschap van Jojachin moet hebben plaats gevonden in het jaar 598, in het achtste jaar dat hij [Nebukadnezar, de koning van Babel] koning was (2 Koningen 24). Aangezien 605-604 Nebukadnezars eerste regeringsjaar was, komt zijn achtste jaar overeen met 598-597 in onze tijdrekening.

 

Voorts vernemen we uit Ez 24:1-2 dat Nebukadnezar zich op 10 Tebeth (dec/jan) in het negende jaar (van de ballingschap van Jojachin) op de stad Jeruzalem wierp. Jojachins negende jaar was 589-588 en 10 Tebeth viel in januari van het jaar 588. Toen begon een belegering die 18 maanden zou duren en die dus eindigde in de zomer van het jaar 587 met de val en verwoesting van de stad.

 

De Anno Mundi jaren vallen (helaas) niet samen met onze huidige wijze van jaarindeling (januari tm december). Van oudsher werden de jaren gerekend van herfst tot herfst en in de Joodse tijdrekening wordt dat nog altijd weerspiegeld doordat het burgerlijk jaar loopt van Tisjri tot en met Elul, hoewel Tisjri de zevende maand is binnen Israëls godsdienstige jaar.

Binnen onze tijdrekening, die volgens de Gregoriaanse kalender, verlopen de Anno Mundi jaren daarom in gedeelten van twee elkaar opvolgende jaren.

 

De zekerheid van het jaar 587

 

Vergelijk Zacharia, hoofdstuk 7.

 

In het vierde jaar van koning Darius, op de vierde dag van de negende maand, de maand Kislew, werd het woord van Jahwe tot Zacharia gericht. Betel had Sareser en Regem-melek met zijn mannen gezonden om de genade van Jahwe af te smeken; zij vroegen aan de priesters, die tot het huis van Jahwe van de machten behoorden, en aan de profeten: ‘Moet ik in de vijfde maand blijven treuren en vasten, zoals ik het nu al zoveel jaren gedaan heb?’ Toen werd het woord van Jahwe van de machten tot mij gericht: Zeg aan de gehele bevolking van het land en de priesters: ‘Wanneer gij in de vijfde en de zevende maand nu al zeventig jaar hebt gevast en geklaagd, hebt gij dat dan op mijn gezag gedaan?
(Zc 7:1-5; WV)

Hieruit vernemen wij dat door bepaalde Joden in het vierde jaar van koning Darius, het jaar 518-517 v.Chr., rond november/december 518, de vraag werd opgeworpen of men nog steeds de vasten van de vijfde maand in acht moest nemen, t.w. het treuren om de verbranding van het Huis van Jahweh, het afbreken van Jeruzalems muren, het deporteren van het volk, rampspoedige gebeurtenissen die zich alle in die maand hadden voorgedaan.

Tot dan toe, en wel 70 jaar lang, hadden de Joden het gebruik in acht genomen, maar nu naderde de herbouw van de (Tweede) tempel haar voltooiing en de vraag rees of met het oog daarop het (vormelijke) treuren nog wel voortgezet moest worden.
In het antwoord dat God aan die vragenstellers liet verschaffen, noemt hij niet alleen de vijfde maand, maar ook de zevende, geheel in lijn met 2 Koningen 25:8-11, 25-26.


Conclusie? Die ligt voor de hand: wanneer men 70 jaar terugtelt vanaf 518-517, dan belandt men uiteraard in 588-587.

De zelfde conclusie bereikt men ook aan de hand van 2 Koningen:

 

In de vijfde maand, op de zevende dag van de maand, in het negentiende regeringsjaar van Nebukadnessar, de koning van Babel, trok Nebuzaradan, commandant van de lijfwacht en adjudant van de koning van Babel, Jeruzalem binnen. Hij stak de tempel van Jahwe, het koninklijk paleis en alle huizen van Jeruzalem in brand; alle grote gebouwen liet hij in vlammen opgaan. Het leger van de Chaldeeërs, dat onder bevel stond van de commandant van de lijfwacht, sloopte de muur van Jeruzalem.

(2Kn 25:8-11; WV)

 

De regering van Nebukadnezar begon in 605. Zijn negentiende jaar was dus 587 v.Chr.

  

De 70 jaar waarvan door de profeet Daniël melding wordt gemaakt in Dn 9:1, 2 is overigens een andere, een op zichzelf staande periode.
Waardoor wordt die periode gekenmerkt? Om dit te weten te komen moeten wij niet bij Daniël zijn, want hijzelf geeft aan dat hij de profetische geschriften van Jeremia aan het raadplegen was en daarin was gestuit op een periode van 70 jaar.
Het is goed mogelijk dat hij de betreffende 70 jaar zelfs 2x bij Jeremia had aangetroffen:


(1) Jeremia 25:11 (in context gelezen volgens LV)
8
Daarom spreekt Jahwe der heirscharen aldus: Omdat gij naar mijn woorden niet geluisterd hebt, 9 ga ik ontbieden mijn dienaar Nebukadresar, de koning van Babel, en zal ik halen al de volksstammen van het Noorden, spreekt Jahwe, en hen brengen over dit land en zijn bewoners en over al de omwonende volken, die ik met de ban zal slaan en stellen tot een voorwerp van ontzetting, gesis en eeuwigdurende smaad11 Dit ganse land zal een puinhoop en een woestenij worden, en deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaren dienen.


Jeremia spreekt over een 70-jarige periode van dienstbaarheid van de volken in die regio (waaronder Juda) aan de koning van Babel.
En dat is precies wat de historie leert. Gedurende een periode van 70 jaar was Babel de overheersende macht (de Derde wereldmacht in relatie tot Gods volk Israël) in het Middenoosten, van 609 tot 539 v.Chr. In die periode veroverde Babel de haar omringende natiën, de een na de ander, en werden die volken haar dienstbaar.

 

De dienstbaarheid van Juda aan Babel begon reeds in het troonsbestijgingjaar van Nebukadnezar 605-604 v.Chr. Tijdens de regering van Jojakim kwam Nebukadnezar toen voor de eerste maal tegen Jeruzalem en maakte hij Jojakim schatplichtig aan hem en vond er een eerste deportatie plaats, waaronder de jonge Daniël en zijn drie metgezellen (Dn 1:1-7; 2:1).
Een tweede deportatie vond plaats in 597 ten tijde van Jojachin (2Kn 24:10-12) en een derde in 587.

De dienstbaarheid aan Babylon begon dus lang voor de verwoesting van Jeruzalem in dat jaar. Het woest liggen van het land heeft dan ook veel korter geduurd, ca. 49 jaar, van 587 tot 538 v.Chr. en vormde een sabbatsrust voor het land.

(2) Jeremia 29:10
Zo toch zegt Jahwe: Eerst wanneer zeventig jaren voor Babel verlopen zijn zal ik naar u omzien, en aan u mijn belofte gestand doen u herwaarts terug te brengen.

Dit schriftdeel is een verduidelijking van Jr 25:11 en handelt dan ook om dezelfde periode van 70 jaar. waarin Babel de overheersende macht in de regio zou zijn. De ballingen die reeds in Babel verbleven en tot wie Jeremia zich in een brief richtte, konden niet op bevrijding hopen voordat de 70 jaren voor Babel als wereldmacht volledig verstreken zouden zijn, hetgeen gebeurde in 539 v.Chr.

 

Opmerking: In Jr 29:10 is het voorzetsel le gebruikt in connectie met Babel. Er moet derhalve vertaald worden voor Babel en niet te Babel.

De 70 jaar verwijzen naar de Babylonische suprematie. En niet naar de joodse gevangenschap, en al helemaal niet naar het woest liggen en de ontvolking die volgde op de verwoesting van Jeruzalem in 587.
Aldus weergegeven is de tekst geheel in lijn met Jeremia’s woorden in Jr 25:11 wat betreft de 70-jarige dienstbaarheid. Zo lang Babels koning de suprematie behield, moesten andere natiën hem (gedwongen) dienen.


Dit vastgesteld hebbend, kunnen we met begrip Dn 9:1, 2 lezen (nbv):

In het eerste jaar nadat Darius, zoon van Xerxes en Mediër van geboorte, tot koning was gekroond over het rijk van de Chaldeeën, in het eerste jaar van zijn koningschap, leidde ik, Daniël, uit de boeken af hoeveel jaren het zou duren voordat de puinhopen van Jeruzalem verdwenen zouden zijn. Zoals de HEER [Jahweh] aan de profeet Jeremia had gezegd, waren dat er zeventig.


Hieruit kunnen we afleiden hoe het Daniël in 539 moet zijn vergaan. Zojuist was Babylon gevallen. Dat had hijzelf beleefd. Zou dat bevrijding voor zijn volk betekenen? Dat moest haast wel, want aan de hand van Jeremia’s geschriften stelde hij vast dat voor Babel als wereldmacht eerst 70 jaar moesten verlopen, en dát was nu het geval.
Onmiddellijk wendde Daniël zich in gebed tot zijn God, Jahweh (Dn 9:3-19).

Vroeg de profeet om inzicht in Jeremia’s profetie? In het geheel niet. De strekking van het profetische woord had hij begrepen. Dit moge blijken uit het feit dat hij meteen juist zó reageerde als Jeremia had geprofeteerd in Jr 29:11-14. Precies de strekking van die woorden kenmerkte Daniëls uitvoerige smeekbede.

God verhoorde zijn gebed door het zenden van Gabriel die aan hem de Jaarwekenprofetie overbracht.

 

In 2 Kronieken 36:20-21 wordt door de kroniekschrijver Ezra eveneens melding gemaakt van de 70 jaar waarover Jeremia profeteerde:
        

20 Bovendien voerde hij de overgeblevenen van het zwaard gevankelijk naar Babylon, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, totdat het koningshuis van Perzië de heerschappij verkreeg
21
om YHWH’s woord bij monde van Jeremia te vervullen, totdat het land zijn sabbatten had afbetaald. Al de dagen dat het woest lag, hield het sabbat, om zeventig jaar te vervullen (nwv)


Hier gaat het vooral om het juiste begrip van vers 21.
En dat is een kwestie van zaken 'ontrafelen' en uit elkaar houden.
Uitgangspunt is het profetische Woord dat Jeremia sprak omtrent de 70 jaarperiode!

En zoals we aan de hand van Jr 25:11 en 29:10 vaststelden wees zijn profeteren op de suprematie van Babel als wereldmacht, waarbij de natiën in die regio dienstbaar waren aan de koning van Babel. Die 70 jaar liepen van 609 tot 539 v.Chr.

En precies dat ook vermeldt Ezra aan het einde van vers 21:
om zeventig jaar te vervullen. Dus ook in deze tekst is 539 voor Chr. eindjaar.
Trouwens, dat lezen we immers ook in vers 20:
en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, totdat het koningshuis van Perzië de heerschappij verkreeg [in 539].

Voor sommigen levert het tussengedeelte van vers 21 enige moeilijkheid op. We lezen daar namelijk, helemaal los van Jeremia:
totdat het land zijn sabbatten had afbetaald. Al de dagen dat het woest lag, hield het sabbat.
Velen zijn van mening dat de 70 jaarperiode ook betrekking heeft op het woest liggen van het land, maar dat wordt hier niet expliciet gezegd. Bovendien is die gedachte strijdig met de werkelijkheid, aangezien het woest liggen van het land eerst een aanvang nam in 587 v.Chr. en hooguit ca. 49 jaar kan hebben geduurd: van 587 tot 538 v.Chr. Dat was de periode waarin het land zijn sabbatten afbetaalde.

Ezra grijpt wat dit deel van de tekst betreft terug op een fragment uit de Mozaïsche wetgeving en vlecht het als het ware in de tekst: Leviticus 26:32-35


32 En ik, van mijn kant, zal het land woest leggen, en uw vijanden die daarin wonen, zullen daarover eenvoudig star zijn van ontzetting.
33 En u zal ik onder de natiën verstrooien, en ik wil een zwaard achter u ontbloten; en uw land moet een woestenij worden, en uw steden zullen een verlaten ruïne worden.
34 In die tijd zal het land zijn sabbatten afbetalen, al de dagen dat het woest ligt, terwijl gij in het land van uw vijanden zijt. In die tijd zal het land sabbat houden, daar het zijn sabbatten moet terugbetalen.
35 Al de dagen dat het woest ligt, zal het sabbat houden, omdat het geen sabbat heeft gehouden gedurende uw sabbatten, toen gij er nog in woonde.
(nwv)

Noch hier, noch in 2 Kronieken, wordt gesuggereerd dat het om een periode van 70 jaar zou gaan. Er staat slechts: Al de dagen dat het woest ligt, zal het sabbat houden.
Men moet zaken goed van elkaar gescheiden houden en de voorzegging in Leviticus niet zomaar gelijkstellen aan Jeremia’s profetie omtrent de 70 jarige suprematie van Babel en de dienstbaarheid van de volken in die regio.

De zeventig jaar van Jeremia hebben betrekking op Babylon; het afbetalen van de sabbatten volgens Leviticus 26:34, echter op Israël. De overeenkomst is slechts gelegen in de omstandigheid dat beide perioden op het hetzelfde moment eindigden [539 v.Chr.]. Vandaar dat ze door Ezra, de kroniekschrijver, hier werden samengebracht.
 

Gezien het bovenstaande hebben wij heel wat redenen om het jaar 587 v.Chr. te beschouwen als een betrouwbaar jaartal op onze eigen, huidige kalender en derhalve om daarop de Anno Mundi kalender van de Bijbel aan te haken. Of omgekeerd: Als we aan de hand van de Bijbelse chronologie het Anno Mundi jaar voor de val van Jeruzalem kunnen vaststellen, hebben we ook het punt in de tijd waarop wij onze huidige Gregoriaanse kalender kunnen aanhaken.

 

Terugtellen naar de Exodus en Abraham

 

Met het jaar 587 v.Chr. als uitgangspunt kunnen we terugtellen in de tijd. In dat jaar eindigde immers het koninkrijk Juda doordat de laatste koning, Zedekia, door Nebukadnezar werd weggevoerd naar Babel.

Nu vermeldt de Bijbel de regeerperioden van alle koningen die vanaf de dood van Salomo, toen het Davidische Rijk werd verdeeld in het Zuidelijk koninkrijk Juda en het Noordelijk Tienstammenrijk, vanuit Jeruzalem over Juda hebben geheerst. Opgeteld  komen we uit op een tijdvak van ca. 390 jaar. Daarom vond de splitsing van het Rijk plaats in 587 + 390 = 977 v. Chr. en dat brengt ons verder terug naar het jaar 1017, het jaar waarin Salomo koning werd over heel Israel, als opvolger van zijn vader David. Salomo regeerde immers 40 jaar.

 

Nu laat de Bijbel ons weten dat Salomo in het vierde jaar van zijn regering op Gods aanwijzing begon met de tempelbouw. Bijgevolg was zijn vierde regeringsjaar het jaar 1014 [1017 minus 3]. En dat nu brengt ons naar de zeer waardevolle tekst 1 Koningen 6:1, want daarin wordt ons het volgende gemeld:

 

In het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, in het vierde jaar van zijn regering over Israël, in de maand Ziw - dat is de tweede maand - begon Salomo met de bouw van de tempel van Jahwe.

  

Op grond hiervan kunnen we duidelijk verder terugtellen, want deze tekst vertelt ons immers dat 1014 v.Chr. het 480ste jaar was ná de Exodus.
De Exodus vond dus plaats in 1493 v.Chr. [1014 + 479).

Maar in Ex 12:41, alsook in Gl 3:17, worden wij ingelicht over het feit dat er toen, in het jaar van de Uittocht, 430 jaren waren verstreken, gerekend vanaf het jaar dat Jahweh zijn grootse belofte aan Abraham deed. In een (toen nog) verre toekomst zou de mensheid gezegend worden door zijn nakomelingschap; zijn zaad:

 

Jahwe zei tot Abram: Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u aan zal wijzen. Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat gij een zegen zult zijn. Ik zal zegenen die u zegenen, maar die u versmaadt zal Ik vervloeken. Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde. Toen trok Abram weg, zoals Jahwe hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar toen hij Haran verliet.

 
Die belangrijke gebeurtenis moet dus hebben plaats gevonden in 1923 v.Chr. [1493 + 430].

Abraham was toen 75 jaar oud; hij moet dus geboren zijn in 1998 v.Chr. (1923 + 75).

Maar op zijn 75ste verliet hij op Gods aanwijzing Charan.
Volgens de Anno Mundi tijdrekening was dit het jaar 2084 AM. En het is bepaald niet moeilijk om dat feit vanuit de Bijbel zelf bevestigd te krijgen:

 

Aansluiting op de Anno Mundi kalender

 

Volgens de Hebreeuwse tekst van de Bijbel liggen er tussen Adams schepping en de Exodus 2513 jaar. De berekening daarvan gaat aldus:

a.) 
Van Adam tot de Vloed: 1656 jaar.
Deze telling steunt op de ongewoon hoge leeftijden die mensen bereikten in de periode voorafgaande aan de Vloed. Zie Genesis hoofdstuk 5.

b.)  Van de Vloed tot de 75-jarige Abraham aan wie door God de beloften werden gedaan, nader vastgelegd in wat gewoonlijk het Abrahamitische Verbond wordt genoemd, verliepen 427 jaar. Zie Genesis 12:1-5.
Bij deze telling komen de leeftijden zoals vermeld in het Genesis 11:10 – 12:4 in het beeld.

c.)  Volgens zowel Exodus 12:41 als Galaten 3:17 verliepen er toen nog eens 430 jaar tot de Uittocht en de Wetgeving op de Sinaï. Resultaat: 1656 + 427 + 430 = 2513 jaar.

In dat jaar van de Uittocht deed Jahweh God overigens iets bijzonders met de kalender die de Israëlieten tot op die tijd hadden gehanteerd.
Zie Exodus 12:1-2

Ná de 9e, maar nog vóór de 10e plaag, gaf YHWH Elohim de volgende instructie aan Mozes:

YHWH richtte het woord tot Mozes en Aaron in Egypte, en sprak: Deze maand moet gij beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar.
(WV78)

Zoals we eerder vermeldden liepen de jaren volgens de oude Bijbelse tijdsindeling van herfst tot herfst. Noach rekende het begin van het jaar in de herfst. Of met de aanwijzing van Nisan als de eerste maand vanuit Gods gezichtspunt ook een verandering kwam in de herfst-herfst jaartelling, kan op zich uit Ex 12:2 niet met zekerheid worden vastgesteld. Zowel Ex 23:16 en 34:22, als Lv 25:8-12 lijken echter aan te geven dat de telling der jaren ook nadien nog altijd begon met de maand Tisjri in het najaar.

Hoe dan ook, voor de Joden geldt tot op heden dat zij hun Rosj Hasjana, het joodse Nieuwjaar, vieren op de eerste van de zevende maand (Tisjri). Zie: Rosj Hasjana.

 

Of de instructie aan Mozes inhield dat het jaar 2513 AM (Anno Mundi) niet zou eindigen in de herfst (rond 1 oktober), maar in de lente, rond 1 april, weten we dus niet met zekerheid. Voor God zélf lijken de gematriawaarden van de 10 plagen echter aan te geven dat

- de Tiende plaag, de dood van alle eerstgeborenen;

- de viering van het Pascha,  

- de Uittocht,

- de wetgeving bij de Sinaï,

blijkbaar alle in het jaar 2514 AM plaats vonden. 

 

Zie: Wanneer vond de Exodus plaats?

 

Het jaar van Adams schepping moet daarom kennelijk 4007 v.Chr. zijn geweest; t.w. 1923 + 2084; of 1493 + 2514, naar gelang we ons baseren op de Belofte dan wel op de Exodus.
In het jaar 2514 AM [2084 + 430] werd Israël bevrijd uit de onderdrukkende dienstbaarheid van Egypte en ging het als een vrij volk op weg naar het Land der belofte.

En reeds in het volgende jaar van hun Uittocht werd in de wildernis de Tabernakel opgericht, het Tentheiligdom dat, naar later bleek, een afschaduwing was van de toekomstige Tempelstad Nieuw Jeruzalem.

 

Volgens 1Kn 6:1 werd met de bouw van de luisterrijke tempel door Salomo in  2993 AM een begin gemaakt (2514 + 479) het 480ste jaar na de Uittocht. Na 7 jaar bouwen werd, heel opvallend, die tempel dus ingewijd in het jaar 3000 AM, een jaartal dat ook in de joodse overlevering bekend is.

 

 

Volgens een joodse overlevering ligt er tussen het begin van de menselijke schepping en de voltooiing van Salomo’s tempel precies 3000 jaar.

 

Maar in het catastrofale jaar 587 v. Chr. werd die tempel alweer verwoest, tezamen met de stad Jeruzalem en dat moet dus hebben plaatsgevonden in 3420 AM (4007 minus 587).

 

De verwoesting van Jeruzalem met haar tempel in 3420 AM maakte te zijner tijd een nieuwe 'Exodus' noodzakelijk. Waarom?

Omdat toen in het bijzonder de verstrooiing van Israël naar alle windstreken der aarde op gang kwam. Met de tweede verwoesting van Jeruzalem en haar (2e) tempel in het jaar 70 AD door de Romeinen leek die diaspora een definitief karakter te hebben gekregen.

 

Volgens Ezechiël, hoofdstuk 4, moest de profeet in voorafbeelding een schijnbelegering van Jeruzalem uitvoeren. Daarbij werd tevens aan hem te kennen gegeven dat de Israëlieten door hun verblijf onder de Heidenvolken niet aan verontreiniging zouden kunnen ontkomen. Het feit namelijk dat de profeet toestemming van God kreeg om zijn ronde gerstekoeken te bakken op de koeken van rundermest in plaats van op de drekkoeken van menselijke uitwerpselen, veranderde de betekenis van het opgevoerde beeld niet. Nog steeds werd er door afgebeeld dat de Israëlieten hun brood onrein zouden eten te midden van de Gojim waarheen God hen zou verdrijven (Ez 4:12-15).

En die situatie duurt tot op heden voort. Maar verandering voor hen is zeer nabij, gezien de hierboven weergegeven tijdrekening.

 

Overigens lijkt de genoemde ‘schijnbelegering’ het jaartal 3420 AM, of 587 v.Chr., te bevestigen als het jaar waarin de Eerste tempel werd verwoest. Ezechiel kreeg namelijk in verband daarmee een heel speciale opdracht:

Mensenkind, neem een tegel, leg die voor u, en teken daarop een stad: Jeruzalem. Sla er het beleg voor, bouw er een belegeringsdam tegen aan, werp er een wal tegen op, leg er legerkampen rondom, en breng aan alle kanten stormrammen in stelling. Neem vervolgens een ijzeren bakplaat; zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad en houd uw blik op de stad gericht: zo belegert ge de stad. Uw belegering zal voor het volk van Israël een teken zijn.

Ga dan op uw linkerzijde liggen om de schuld van het volk van Israël te dragen; zoveel dagen als ge zo zult liggen, zult ge hun schuld dragen. Ik reken het aantal jaren van hun schuld in dagen om: driehonderdnegentig dagen moet ge de schuld van het volk van Israël dragen.

Als die dagen om zijn, moet ge opnieuw gaan liggen, nu op uw rechterzijde, en de schuld van het volk van Juda dragen, veertig dagen lang; voor elk jaar leg Ik u een dag op. Ontbloot uw arm, richt uw blik op Jeruzalem en profeteer tegen de belegerde stad. Ik zal u met touwen knevelen, zodat ge u niet van de ene zijde op de andere kunt keren totdat de dagen der belegering voorbij zijn.

Het totaal aantal jaren schuld van de beide Huizen van Israel bedroeg dus 390 + 40 = 430 jaar, precies de periode van 2990 AM tot 3420 AM, welke begon met Salomo’s 40-jarige regering en gevolgd werd door de 390 jaar waarin beide Huizen gescheiden waren.

Vergelijk Ezechiël 4:1-8.

 

Eerder stelden we vast dat de scheuring van het Davidische koninkrijk plaats vond in 977 v. Chr., of 3030 AM. Het Noordelijk Tienstammenrijk - dat begon met de regering van koning Jerobeam, hij die de verderfelijke kalverencultus invoerde – hield veel eerder op te bestaan dan het Zuidelijk koninkrijk Juda, t.w. na ca. 257 jaar, dus in 720 v. Chr. (977 minus 257), of 3287 AM (3030 + 257).

In 2 Koningen 17, het hoofdstuk waarin de val van Samaria en de wegvoering in ballingschap van het Tienstammenrijk wordt verhaald, vinden we dat jaartal (3287 AM) terug, t.w. in de GW van vers 20. Zie ook deze link.

 

De tegenbeeldige 7-jarige tempelbouw

 

Zoals we zagen begon in 1014 v.Chr. de 7-jarige tempelbouw, en in 587 werd die tempel verwoest. Volgens de AM tijdrekening dus in 3420 AM [4007 minus 587].

Maar in die tempel was Jahweh wel zelf 'aanwezig' geweest, hoewel op vertegenwoordigende wijze. Hoe?

In de achterste afdeling, het Allerheiligste, bevond zich namelijk de Verbondsark en boven het verzoendeksel, tussen de twee cherubim, was het wonder van het zogeheten Sjekinah schijnsel zichtbaar; althans voor de hogepriester die eenmaal per jaar, op de Verzoendag, die afdeling mocht binnengaan.

 

Bij het aanbreken van de laatste [70e] Jaarweek voor Israël zal het tegenbeeld van de tempel worden opgericht, t.w. de Tempelstad Nieuw Jeruzalem. Oók dan start een periode van 7 jaar. Die laatste 'Week' zal immers beginnen met de Opname van de Gemeente, en uit de Openbaring weten wij dat dit deel van het Israël Gods de "naos [tempelheiligdom] in de hemel" zal vormen. Volgens de aanwijzingen die de Bijbel ons dienaangaande verleent, moet in 6023 AM die laatste Week voor Israël beginnen. Op welke aanwijzingen doelen we?

Antwoord: Op diverse zaken die we vanuit Gods Woord bijvoorbaat vernemen omtrent zijn Rustdag, de Zevende Dag van de scheppingsweek.

 

1.) Het verloop van de Rustdag

 

In Gn 1:27 kunnen wij lezen wat direct voorafging aan de Zevende Dag, Gods Rustdag:

En God schiep de mens naar zijn beeld;
naar Gods beeld schiep hij hem;
mannelijk
en vrouwelijk schiep hij hen.

Wanneer we deze tekst in zijn context beschouwen, bijvoorbeeld Gn 1:27 t/m 2:3, wordt ons duidelijk dat dit scheppingsgebeuren plaats vond tegen het einde van de Zesde Dag.
Volgens Hebreeën 4:3-4 vond met de schepping van mannelijk en vrouwelijk, "de grondlegging der wereld" plaats.
Want niet alleen was de menselijke schepping als mannelijk en vrouwelijk voortgebracht; Jahweh God had hen ook -nog steeds binnen die 6e Dag - de opdracht gegeven om vruchtbaar te zijn, tot velen te worden en de aarde te vullen. Bovendien was die opdracht vergezeld gegaan van zijn zegen.

 

O.i. wordt er door velen te gemakkelijk vanuit gegaan dat er weinig tijd zat tussen de schepping van Adam en de aanvullende scheppingsdaad van het voortbrengen van mannelijk en vrouwelijk, zoals beschreven in het zogeheten tweede scheppingverslag van Gn 2:21-22.

Niet velen staan stil bij de vraag: Wanneer werd mannelijk en vrouwelijk bij hem gescheiden?

 

In aanmerking nemend dat

 

a.) Adam er zeker jaren voor nodig had (volgens de vv 19 en 20) om de dierlijke schepping te bestuderen en vervolgens de dieren betekenisvolle namen te geven; en

b.) Jezus, de laatste Adam, niet eerder dan op 30-jarige leeftijd zijn door God voor hem bestemde taken op zich begon te nemen (1Ko 15:45; Lk 3:23),

 

achten wij het zeer aannemelijk, dat Adam in totaal 30 jaar alleen is gebleven.

En aangezien volgens Hb 4:3-5 de Rustdag aanving direct na het voortbrengen van mannelijk en vrouwelijk, moet die Zevende Dag begonnen zijn in 30 AM.

 

Daarnaast zijn er o.i. redenen om te geloven dat die Rustdag in totaal 7000 jaar in beslag zal nemen. Waarom?

Allereerst omdat hetzelfde Schriftdeel in Hebreeën 4 ons laat zien dat Gods Rust in de Eerste eeuw nog altijd voortduurde en dus toen reeds ruim 4000 jaar omvatte.

Maar in de tweede plaats omdat de Bijbel aankondigt dat er nog een 1000-jarige Sabbat moet komen, namelijk het Millenniumrijk van de Messias. Messias Jezus kondigde daaromtrent zelf het volgende aan toen hij de beschuldiging van zijn religieuze tegenstanders pareerde:

  

Hebben jullie zelfs dit niet gelezen wat David deed toen hij honger had, hijzelf en zij die bij hem waren? Hoe hij het huis van God binnenging en na de broden der voorzetting ontvangen te hebben, [ze] at en gaf aan hen die bij hem waren, welke niemand mag eten dan alleen de priesters? En hij zei tot hen: De Mensenzoon is Heer van de Sabbat.

 

Binnen de grote Rustdag van 7000 jaar zal de laatste (7e) duizend jaar periode een afzonderlijke Sabbat vormen. Na zes 'dagen' (van 1000 jaar) zwoegen onder Satans tirannieke juk, breekt de 7e 1000-jaar periode aan, het Millenniumrijk van de Messias, waarvan hijzelf dus zei: de Mensenzoon is ook Heer van de Sabbat.

Op grond van het voorgaande moet die Sabbat derhalve verwacht worden bij de overgang van 6030 naar 6031 AM [30 + 6000].

 

De zeventig Jaarweken

 

De 70ste Week voor Israël gaat daaraan nog vooraf, alsook – naar het schijnt – de extra 30 en 45 dagen die aan het einde van het Boek Daniël vermeld worden, in Dn 12:11-12.

Zie de toelichting op Op 1:9-11, waar in verband met de Dag van de Heer naar de Jaarwekenprofetie van Daniël 9 wordt verwezen, alsook naar Dn 12:7, 11-12.

 

Die laatste Jaarweek zou dan de 2520 dagen omvatten die geteld moeten worden van 6023 AM tot in 6030 AM, of uitgedrukt in onze jaartelling, (blijkbaar) vanaf 16 augustus 2018 AD tot 10 juli 2025 AD.

Zie de studie: Een mogelijk verloop van de Zeventigste Jaarweek , met name de update Een alternatieve benadering.   

 

Ter oriëntatie van de lezer laten wij hieronder twee schema’s volgen:

1.) De Zeventig Jaarwekenprofetie van Daniël 9

 

 

2.) Het verloop van de 70e Jaarweek

 

 

Zie ook: De 70e Week cruciaal, waarin aannemelijk wordt gemaakt waarom er in Gods voornemen met Israël tussen de 69e en de 70e Week een verloop in tijd van vele eeuwen moest plaats vinden.


3.) Hosea 6:2

 

Een ander voorbeeld kunnen we ontlenen aan het bijbelboek Hosea, naar aanleiding van de bruiloft te Kana, waar Jezus zijn eerste wonder verrichtte: water veranderen in voortreffelijke wijn. Dat bruiloftsfeest vond plaats op de derde dag (Jh 2:1), en dat herinnert ons weer aan de voorzegging in Hs 6:2.

Over Israëls toekomstig herstel lezen we het volgende:

 

Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht (NBG).

 

De avond van die derde Dag [van 1000 jaar] waarop het bruiloftsfeest van het Lam gevierd zal worden, nadert nu snel. Want dan komt Hs 3:4-5 tot vervulling:

 

Want de zonen van Israël zullen lange tijd wachten, zonder koning of vorst, zonder offer en wijsteen, zonder efod en huisgoden. Maar daarna zullen de zonen van Israël zich bekeren, zullen zij Jahwe, hun God, en David, hun koning, weer zoeken en bevend naar Jahwe en zijn goedheid komen, op het einde der tijden.

(WV78)

 

Dan zal Israëls ware Messias 'water in wijn veranderen'; hij zal de harten van een getrouw, gehoor gevend overblijfsel met ware vreugde vervullen. De beste wijn blijkt dan voor het laatst bewaard te zijn (Jh 2:10).

 

Bij het analyseren van Hs 6:1-3 kunnen wij Hs 3:4-5 niet buiten beschouwing laten.

De zonen van Israël zijn niet pas sinds de Eerste eeuw zonder koning, vorst, slachtoffer, efod en terafim.

Nadat in het jaar 3030 AM Salomo’s regering eindigde over heel Israël, scheidde de Noordelijke 10 stammen zich af. Er vond een scheuring van het koninkrijk van David en Salomo plaats.

Het Noordelijk koninkrijk ontbeerde sindsdien zowel een koning in de Davidische lijn als de offercultus door de Levitische priesterschap, want de stad Jeruzalem waar zich Davids troon en het heiligdom bevonden lag binnen het Zuidelijk koninkrijk Juda. Vergelijk 1Kn 12:12-17, 25-33.

 

De drie dagen van 1000 jaar lopen [volgens het principe van 2Pt 3:8] derhalve van 3030 AM tot 6030 AM, het overgangsjaar naar het Millennium.

Dus opnieuw: De 70e Jaarweek neemt de laatste 7 jaar van de Derde dag in beslag, dus van 6023 AM tot 6030 AM.

 

4.) Jakob bij de Jabbok

 

In de Studie Het lange termijneffect van Genesis 16:12 betreffende Ismaël wordt aan de hand van Gn 16:12 beredeneerd  dat het absolute hoogtepunt van Ismaëls vijandige houding, welke oorspronkelijk werd gewekt doordat hij werd gepasseerd ten gunste van zijn jongere halfbroer Isaäk, binnenkort verwacht moet worden. Op grond van Ezechiël 38 en 39 weten wij nu reeds dat de demonenvorst Gog een multinationale strijdmacht met een overwegend Islamitische achtergrond zal aanvoeren om daarmee een stormaanval op Gods volk te ondernemen.

 

Die aanval gaat plaatsvinden nadat Jahweh zijn volk uit de Heidenvolken bijeenvergaderde en terugbracht op de bergen van Israël, die voordien verwoest waren.

Gogs oogmerk zal zijn:

Laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt.

(Ps 83:6)

 

Toen Jakob in het jaar 2266 AM de rivier Jabbok overstak ging een 'man' met hem worstelen. Daardoor werd de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen ontzet. Diezelfde persoon deelde Jakob mee dat zijn naam voortaan Israël zou worden genoemd (Gn 32:24-30).

 

In de Studie Jakob had ik lief maar Esau haatte ik (2) wordt aannemelijk gemaakt dat achter die 'man' Esau’s alterego in de hemelsferen schuil ging, de demonenvorst Satan zelf, Gods grote Tegenstrever en de hater van Israël.

 

Bijgevolg kon het jaar 2266 AM voortaan aangemerkt worden als een nieuw vertrekpunt voor het tellen der jaren van Israëls geschiedenis; in het bijzonder wanneer het zou gaan om tijden van grote nood waaruit alleen God zijn uitverkoren volk van hun vijanden zou kunnen redden.

 

In genoemde Studie wordt aangetoond dat Ismaëls nakomelingen betrokken zullen zijn bij de aanval die door Gog van het land Magog in de eindtijd op het herstelde Israël Gods zal worden ondernomen.

De getalswaarden van Ismaël en zijn twaalf zonen zijn aldus: 451 – 462 – 304 – 38 – 382 – 450 – 55 – 341 – 16 – 451 – 225 – 440 – 149; bij elkaar opgeteld 3764.

Tellen we vervolgens vanaf 2266 AM, dan constateren we – overigens niet geheel onverwachts - dat de boosaardige aanval van Gog op Gods volk in de eindtijd precies bij de overgang naar het Millennium zal plaats vinden, d.i. het jaar 6030 AM.

 

In Ex 40:1, 12-15 wordt verhaald dat Mozes de opdracht kreeg om op de eerste dag van de maand Nisan, in het tweede jaar van hun Uittocht, de priesterschap te installeren. Vers 12, dat luidt Dan moet u Aäron en zijn zonen bij de ingang van de tent van ontmoeting laten komen, en hen met het water wassen heeft GW 3757. Gevoegd bij 2266 AM brengt ons dat naar het jaar 6023 AM, wellicht aangevend dat de hemelse priesterschap der 24 Oudsten dan wordt geïnstalleerd.

 

5.) De Zeven Tijden

 

In de Studies De Zeven Tijden

en Spraakverwarring en Tijden der Heidenen

wordt aannemelijk gemaakt dat

 

de Tijden der Heidenen van Lk 21:24 identiek zijn aan de Zeven Tijden van Daniël, hoofdstuk 4, in bredere zin.

de duur van één Tijd 600 jaar bedraagt en de Tijden der Heidenen dus 4200 jaar in beslag nemen (7 x 600).

die Tijden een aanvang namen in het jaar van de Spraakverwarring.

het jaar van de Spraakverwarring 1826 AM moet zijn geweest.

de Tijden der Heidenen dus zullen aflopen in 6026 AM (1826 + 4200).

 

En ook die uitkomst was te verwachten, omdat

1.) volgens Lk 21:24 dan ook een einde komt aan het 'vertreden' van Jeruzalem, de stad die tijdens de regeerperiodes van David en (vooral van) Salomo symbool werd voor het vredige 1000-jarige Messiasrijk; en

2.) het Millenniumrijk van Messias Jezus opgericht wordt op de helft van de 70e Jaarweek, zodat voor het joodse Overblijfsel er gelegenheid is om de blijde tijdingen omtrent dat koninkrijk gedurende de tweede helft van 3½ jaar van de Week aan te kondigen in geheel de bewoonde aarde, tot getuigenis van alle Heidenvolken. Eerst na afloop daarvan zal het einde komen (in 6030 AM).

Vergelijk:

Dn 2:44; 4:13-17; 7:14; Mt 24:14; Op 11:2, 15; 14:3, 6-7. 

 

6.) Ketura en haar zonen

 

Ketura [Hebreeuws: Qetoerah] was de vrouw die Abraham na de dood van Sara tot vrouw nam. Het is zeer betekenisvol dat de vermelding daarvan in Gn 25:1 aansluit op het voorgaande (laatste) vers (67) van hoofdstuk 24, waarin ons wordt verteld dat Isaäk zijn bruid Rivqah in de tent van zijn overleden moeder Sara bracht.

Door velen wordt namelijk verondersteld dat Qetoerah niemand anders was dan Hagar, maar dan in een nieuwe positie, niet alleen in waardigheid hersteld maar zelfs daarin verhoogd, precies datgene wat Israël zal ervaren krachtens het Nieuwe Verbond dat met haar wordt gesloten.

 

In de allegorie van Gl 4:22-31 is Hagar, de slavin, zinnebeeld voor Israël onder het Wetsverbond:

Deze zaken zijn tot een allegorie geworden; want deze [vrouwen (Sara en Hagar)] vertegenwoordigen twee verbonden: één afkomstig van berg Sinaï verwekt tot slavernij, hetwelk is Hagar. De Hagar nu is een Sinaï berg in Arabië, maar beantwoordt aan het Jeruzalem thans, want ze verkeert met haar kinderen in slavernij.

 

Maar Israël (Hagar) blijft niet in die positie. Op de helft van de Jaarweek sluit Jahweh met haar het door Jeremia voorzegde Nieuwe Verbond (Jr 31). Op die wijze vernieuwt God zijn huwelijksverbond met dat uitverkoren volk van hem. Israël wordt op grond daarvan in de positie gebracht om in het Millennium alsnog het zegenende zaad van Abraham op aarde te worden.

 

En dat wordt goed afgebeeld door het nakomelingschap van Qetoerah (Hagar). Want niet voor niets lezen we in Maleachi, een boek dat profetisch geheel op de eindtijd is gericht, dat de tijd zal aanbreken dat Jahwehs naam groot zal zijn onder de Heidenen [gojim]:

Want van de opkomst der zon tot waar hij ondergaat, zal mijn naam groot zijn onder de Heidenen; in elke plaats zal aan mijn naam offerrook gebracht worden, ja, een reine gave. Voorzeker, mijn naam zal groot zijn onder de Heidenen, spreekt Jahweh der legerscharen.

(Ml 1:11)

 

Er is in deze belangrijke profetie een duidelijke link naar Qetoerah, want haar naam betekent reukwerk of offerrook.

Zoals Sara eens stond voor het Abrahamitische Verbond en Hagar voor het Wetsverbond (Gl 4:21-25), zal het Nieuwe Verbond een binding hebben met Abrahams derde vrouw 'Qetoerah'.

 

Jezus, de grotere Isaäk, is immers de Middelaar van het Nieuwe Verbond, en Isaäk had in minstens twee opzichten een binding met Hagar. Beide hebben niet alleen de zelfde GW (getalswaarde) 208 maar beide hadden ook een relatie met Beër-Lachai-Roï, [ Put van de Levende die mij ziet ], waar Hagar vertroost werd door de engel van Jahweh toen ze was weggelopen voor haar meesteres Sara (Gn 16:13-14; 24:62; 25:11).

 

Zie ook de Studie Op weg naar de Bruiloft (deel 2), onder II - 7

 

Zorgvuldig en opvallend gedetailleerd worden de zonen van Ketura opgesomd in Gn 25:2-4; in drie gevallen de clan die uit hen voortkwam. Met hun bijbehorende getalswaarden luiden ze:

Zimran (297), Joksan (460), Medan (94), Midian (104), Jisbak (412), Suah (314), Scheba (303), Dedan (58), Assurim (547), Letusim (385), Leümmim (121), Efa (165), Efer (350), Hanoch (78), Abida (87), Eldaa (110).

Bij elkaar opgeteld: 3885. Hoe belangrijk is dat?

 

Welnu, Sara die was geboren in 2018 AM, stierf op 127-jarige leeftijd, dus in het jaar 2145 AM. Tellen wij 3885 jaar verder dan komen wij, opnieuw geheel volgens hetgeen verwacht mocht worden, uit in 6030 AM, bij de Overgang naar het Millenniumrijk waarin de Heidenvolken zegen ten deel zal vallen.

 

7.) De 1:2 verhouding

 

De verhouding waarop gedoeld wordt, treffen we aan in Leviticus, hoofdstuk 12. De 1:2 verhouding is inderdaad een bijzonder opvallend element in dat hoofdstuk. Ze doet zich namelijk tweevoudig voor. Bij de geboorte van een zoon was de vrouw 7 dagen onrein tot aan de besnijdenis; bij de geboorte van een dochter 14 dagen; de eerste verdubbeling.

Het zondoffer moest gebracht worden na 40, respectievelijk  80 dagen; de tweede verdubbeling.

In Bijbelse termen betekent zoiets "dat de zaak volkomen vaststaat bij God", waarbij we dan vooral moeten denken aan de tegenbeeldige vervulling (Gn 41:32).

 

Aan Leviticus 12 is de Studie ontleend:

Welke waarheden gaan schuil achter de reinigingsprocedures?

Het gedeelte waarom het ons hier voornamelijk gaat behandelden wij in De verhouding 1:2

 

Zoals in zoveel kwesties onder de Wet het geval was, liet het zondoffer de dringende behoefte aan het volkomen zondoffer uitkomen, waarin te zijner tijd door de dood van Israëls Messias ook inderdaad werd voorzien.

In Lv 12 valt het ons op dat aan het einde van beide reinigingsprocedures dezelfde offers werden vereist. Dat duidt uiteraard op het feit dat in het tegenbeeld geen onderscheid wordt gemaakt voor wat betreft de toepassing van Jezus' offer op de ene of de andere groep van personen.

 

Wat het tegenbeeld betreft, het moge duidelijk zijn dat de Israëlitische vrouw die baart centraal staat. Het gaat immers steeds om háár reiniging, maar het is ook helder dat ze in het tegenbeeld in een 2-voudig aspect moet verschijnen.

De enige 'vrouw' die in de Bijbel aan dat vereiste beantwoordt is Vrouwe Sion. Door die zinnebeeldige 'Vrouw' zal uiteindelijk het ware Israël Gods worden voortgebracht, de twee gemeentes -respectievelijk hemels en aards- die tezamen de koninklijke priesterschap zullen vormen. En dat alles met de bedoeling om in het Millenniumrijk van de Messias tot zegen van de natiën te worden.

 

In de Eerste Eeuw begon Vrouwe Sion te 'baren', t.w. de leden die tot de hemelse Gemeente van het ware Israël Gods gingen behoren. De apostel Paulus verwoordde die historische daad aldus:

Het Jeruzalem [van] boven echter is vrij, hetwelk is onze moeder. Want er staat geschreven: "Verheug je, Onvruchtbare die niet baart; barst uit en roep, jij die geen barensweeën hebt, want de kinderen van de Verlatene zijn talrijker dan van haar die de echtgenoot heeft".
Jullie nu, broeders, zijn naar
[de wijze van] Isaäk kinderen van een belofte.

(Gl 4:26-28)

 

Die 'kinderen' beantwoordden aan de zoon die gebaard werd en op de 8e dag besneden moest worden. Precies zoals Paulus in Ks 2:11 verwoordde:

In hem [Messias Jezus] ook werden jullie besneden met een besnijdenis niet door handen verricht, in het wegnemen van het vleselijk lichaam, in de besnijdenis van de Messias.

 

In Fp 2:2-3  echter zet die zelfde Paulus zich juist op dit punt (van de tegenbeeldige besnijdenis) af tegen anderen, de zogeheten Judaïsten, joodse personen voor wie de Filippenzen speciaal op hun hoede moesten zijn:

Kijkt uit voor de honden, kijkt uit voor de slechte arbeiders, kijkt uit voor de versnijdenis. Want wij zijn de besnijdenis, die door de geest Gods dienstbaar zijn en roemen in Messias Jezus en niet in vlees vertrouwen stellen.

 

Die Joden hingen zogenaamd het Christendom aan, maar in werkelijkheid stelden zij alles in het werk om de nieuwe wijn in oude zakken op te bergen (Lk 5:37-39). Hun Christendom bleek niets anders te zijn dan een veredeld Jodendom.

 

Op dit punt zien we dan ook dat reeds vlug in die vroege periode waarin Vrouwe Sion begon te baren, een breuk ontstond tussen de (ware) christenen en de Joden die hun Messias niet ten volle of zelfs helemaal niet aanvaardden en die niets liever wilden dan voort te gaan in de Hagarsituatie onder de Wet:

De Hagar nu is een Sinaï berg in Arabië, maar beantwoordt aan het Jeruzalem thans, want ze verkeert met haar kinderen in slavernij.

 

De Joden van de Eerste eeuw gingen er over het algemeen zelfs toe over hen die de Messias beleden, zowel Joden als vroegere Heidenen, vijandig te bejegenen. En Paulus schreef geregeld over hen:

Maar zoals destijds hij [Ismaël] die naar het vlees verwekt was, hem [Isaäk] vervolgde die naar geest [was verwekt], zó ook nu. Maar wat zegt de Schrift? "Verdrijf de slavin en haar zoon; want de zoon van de slavin zal geenszins erven met de zoon van de vrije".

(Gl 4:25, 29-30)

 

Zo eveneens in 1Th 2:14-16, toen hij kort daarop aan een gemeente schreef die voornamelijk uit gelovigen met een heidense achtergrond bestond:

Want ook Gij hebt van de zijde van uw eigen landgenoten hetzelfde lijden te verduren gekregen van de zijde der joden, die zelfs de Heer Jezus en de profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Bovendien behagen zij God niet, maar zijn tegen alle mensen, daar zij ons trachten te verhinderen tot mensen uit de natiën te spreken opdat dezen gered zouden worden, met het gevolg dat zij altijd de maat van hun zonden vol maken. Maar zijn gramschap is tenslotte over hen gekomen.

(nwv)

 

Wat betekende dat?

1.) Dat de Joden van de Eerste eeuw over het algemeen aan het einde van de tegenbeeldige 40 dagen geen reiniging ervoeren.

2. ) Integendeel, Gods gramschap kwam over hen.

In Romeinen, hoofdstuk 11, licht Paulus ons er over in dat zij (voorlopig) in hun toestand van ongehoorzaamheid werden opgesloten. Terwijl de Heidengelovigen geënt werden op de Olijfboom van het ware Israël Gods (welke geworteld is in de Abrahamitische Belofte), werden zij juist van die 'boom' weggekapt.

3.) Voor Israël als natie werd -op grond van hun halsstarrige houding jegens de eigen Messias- de reiniging krachtens het ware zondoffer op een pijnlijke wijze verlengd naar een verre toekomst:

Een verharding is voor een gedeelte over Israël gekomen tot de tijd dat de volle maat der heidenen is binnengegaan, en op deze wijze zal heel Israël worden gered; zoals er staat geschreven.

 

Er zal dus wel degelijk sprake zijn van een herstel, een terugkeer in Gods gunst voor etnisch Israël, en we vernemen hier ook wanneer: Aan het einde van hun verharding, wat samenvalt met de tijd dat de volle maat der Heidenen de christelijke gemeente is binnengekomen.

 

4.) Een overblijfsel onder de Joden zal uiteindelijk alsnog tot de erkentenis komen dat Jezus van Nazareth toch de beloofde Messias is, en doordat zij zich in geloof tot hem zullen wenden, zal in hen ook het Jeruzalem van beneden de perfecte reiniging ten deel vallen. Het tegenbeeld van de 80 dagen wordt dan tot werkelijkheid. De kracht van het ware zondeoffer zal zich tenslotte ook tot dat overblijfsel uitstrekken.

 

Maar hoe moet de verhouding 1:2 (of: 40:80) in de tijd worden gesitueerd?

Het jaar 49/50 AD (of: 4055 AM) schijnt het 'scharnierende' jaar te zijn geworden, want toen werd de breuk tussen God en etnisch Israël officieel. Hoe?

De verslagen in Handelingen, volgens de hfst 13 tm 15, lichten een en ander toe. In Hn 13 lezen we wat er te Pisidisch Antiochië plaats vond tijdens de eerste zendingsreis die Paulus en Barnabas waren gestart omdat zij waren uitgezonden door de heilige geest (Hn 13:2-4):

De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van God te luisteren. Bij het zien van die grote menigte werden de Joden zeer afgunstig en beantwoordden de uiteenzetting van Paulus met beschimpingen. Toen verklaarden Paulus en Barnabas in alle vrijmoedigheid: 'Tot u moest wel het eerst het woord van God gesproken worden, maar omdat gij het afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig keurt, daarom richten wij ons voortaan tot de heidenen. Want aldus luidt de opdracht van de Heer tot ons: Ik heb u geplaatst als een licht voor de heidenen, opdat gij tot redding zou strekken tot aan het uiteinde van de aarde.' Toen de heidenen dit hoorden, waren zij verheugd en verheerlijkten het woord van God, en allen die tot het eeuwig leven waren voorbestemd namen het geloof aan. Het woord des Heren verbreidde zich door heel die streek.

(Hn 13:44-49; wv)

 

Vervolgens werd in het jaar 49/50 AD, tijdens het apostelconvent dat in Hn 15 wordt verhaald, de nieuw ontstane situatie officieel bevestigd. De algemene conclusie waartoe men gezamenlijk besloot luidde: God had nu zijn aandacht op de Heidenvolken gericht om uit hen een volk voor zijn naam te nemen (Hn 15:12-14)

 

Terwijl dus de oorsprong of het beginpunt bij Abraham lag, in het jaar 2084 AM - toen God de belofte aan hem deed en het Verbond in verband met zijn zaad dat tot zegen zou worden (het ware Israël Gods) tevoren bekrachtigd werd (Gl 3:17) - bleek 4055 AM (49/50 AD) het jaar te zijn waarin het tegenbeeld van de 40 dagen volkomen duidelijk werd. Dus nadat er 1971 jaar sinds de belofte (en het tevoren bekrachtigde Verbond) waren verlopen (4055 minus 2084).

 

Het is beslist waar dat reeds vóór 49/50 AD afzonderlijke Heidenen de christelijke gemeente waren binnengekomen; de centurion Cornelius en zijn huisgezin bijvoorbeeld. Maar vanaf dat jaar werd de Heidenen massaal de gelegenheid geboden tot geloof te komen en "toegevoegd" te worden aan de Gemeente (Hn 2:41).

Dit kwam verder aan het licht toen Paulus en Barnabas in Lystra kwamen en de heidense bevolking aldaar ervan moesten weerhouden offers aan hen op te dragen. Uit de woorden die zij toen tot hen richtten wordt nogmaals heel duidelijk dat de Heidenen - na vele eeuwen aan zichzelf te zijn overgelaten - metterdaad binnen Gods gezichtsveld waren gekomen om de boodschap van zijn redding te vernemen (Hn 14:17). En tijdens het apostelconvent in 49 AD werd dit alles in een officieel besluit Bijbels vastgelegd.

 

Voor de Joden (als natie) zou vervolgens pas na de tegenbeeldige 80 dagen reiniging in beeld komen. Op grond van de verhouding 1:2 (het principe der verdubbeling van Lv 12) mag dat dus in 6026 AM (of 2020/2021 AD) verwacht worden (4055 + 1971) of 49/50 + 1971 = 2020/2021.

 

En wederom kan gezegd worden dat een en ander alleen maar in de lijn der verwachtingen lag, want op de helft van de Jaarweek komt het Nieuwe Verbond met Israël in werking. Eén kenmerk van dat Verbond is: Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken (Jr 31:34).

 

8.) Jobs drie 'vrienden'

 

 

We spreken van zogenaamde 'vrienden' omdat het verslag over het lijden van "mijn knecht Job" (dat het lijden van Gods knecht  Israël voorschaduwde) duidelijk laat uitkomen dat zij in werkelijkheid schijnvertroosters waren:

Hierop antwoordde Job: Hoe lang blijven jullie mij nog pijnigen, hoe lang nog martelen met woorden? Keer op keer beschimpen jullie mij, is het geen schande mij zo te vernederen?

(Job 19:1-3; nbv)

 

En dat is precies datgene wat zij die eigenlijk de echte vrienden voor Israël hadden moeten zijn, de vooraanstaande figuren binnen de christenheid, hebben gedaan. Telkens weer heeft men zich juist vanuit die kringen met afschuw en afkeuring over het Job/Israël uitgelaten. Ja, eeuwenlang hebben velen van hun clerus zelfs beweerd dat Israël geheel bij God zou hebben afgedaan; zij zouden voorgoed door hem verworpen zijn.

 

Een volgende voor de hand liggende stap was voor die lieden om zichzelf alle geestelijke 'goederen' toe te eigenen die eigenlijk Israël toebehoorden; de welbekende vervangingsleer. Alle kostbare beloften die voor dat oude Godsvolk golden zouden met hun verwerping van Jezus als de Messias overgegaan zijn op de christelijke Gemeente.
Een kwalijke dwaling waarvan in de afgelopen decennia zich steeds meer exegeten zijn gaan distantiëren.

 

Hier komt, zoals ook het geval bleek te zijn met de 1:2 verhouding het jaar 49 AD (4055 AM) in beeld.

Want reeds in een vroeg stadium begonnen sommigen uit de Heidenen die beweerden christenen te zijn geworden, zich tegen de Joden te keren, ja, zich zelfs boven hen te verheffen. Want waren die ongelovige Joden niet als de takken die van de Olijfboom waren weggebroken? Dat was niet voor niets gebeurd! En waren niet juist zij voor hen in de plaats gekomen?

 

Als nu sommige takken van de edele olijfboom zijn afgebroken en jullie, loten van een wilde olijfboom, tussen de overgebleven takken zijn geënt en mogen delen in de vruchtbaarheid van de wortel, dan moeten jullie je niet boven de takken verheffen. Als jullie dat doen, moeten jullie goed bedenken dat niet jullie de wortel dragen, maar de wortel jullie. Maar nu zullen jullie tegenwerpen: Die takken zijn toch afgebroken zodat ik geënt kon worden? Zeker, ze zijn afgebroken vanwege hun ongeloof en jullie danken je plaats aan jullie geloof. Wees daarom echter niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: als hij de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou hij jullie dan wel sparen?

(Rm 11:17; 21 nbv aangepast)

 

In Job 2:11 worden Jobs valse vertroosters met naam en herkomst voorgesteld:

• De Temaniet Elifaz (GW 643),

en de Suhiet Bildad (GW 375),

en de Naämathiet Zofar (GW 957).

 

Met elkaar dus een totale getalswaarde van 1975; opgeteld bij het jaar 49/50 (4055 AM) komen we, geheel volgens verwachting, uit op 6030 AM (of 2024/2025 AD). Want dan, bij de overgang naar het Millenniumrijk, zullen die onware vrienden van Israël definitief worden ontmaskerd. Door God zelf:

 

Nadat Jahweh deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat Jahweh tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over mij gesproken, zoals mijn knecht Job. Neem daarom zeven jonge stieren en zeven rammen voor u, en ga naar mijn knecht Job. Breng brandoffers voor u en laat mijn knecht Job voor u bidden. Want alleen zijn gebed zal ik aannemen, zodat ik met u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet juist over mij gesproken, zoals mijn knecht Job.

 

Toen gingen Elifaz, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet en Zofar, de Naämathiet, heen, en deden zoals Jahweh tot hen gesproken had; en Jahweh nam het gebed van Job aan. En Jahweh bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. Jahweh vermeerderde alles wat Job bezeten had tot het dubbele toe.

(Job 42:7-10; HSV aangepast)

 

Wat een verrassende wending voor de zogenaamd christelijke vrienden van Job/Israël! Alleen door de tussenkomst van Gods Knechtnatie zullen er nog vooruitzichten voor hen zijn (Js 42:8-9; 43:10-12; Mt 24:45-47).

 

Terloops wordt hiermee ook aan ons onthuld dat die leden van de christenheid nooit deel uitmaakten van Jezus’ Gemeentelichaam. Want dat Lichaam werd (terugblikkend in de tijd) immers reeds aan het begin van de 70e Week met hun Hoofd in de hemel verenigd!   

 

9.) De factor 3½

 

De factor 3½ is een bekend Bijbels fenomeen en dat vooral in eschatologische zin, toegesneden op de profetische Grote Verdrukking waardoor Israël in de eindtijd door toedoen van de antichristelijke 'messias' zal worden getroffen.

Zie: Dn 7:25; 12:7 en Op 11:2-3, 9-11; 12:6, 14.

 

De oorsprong van het fenomeen ligt evenwel aanzienlijk verder terug in de bijbelse historie.

Zoals we zagen onder 5.) De Zeven Tijden kwam de Vloed in het jaar 1656 AM, ná afloop van 6 x 100 jaar van Noachs leven. Volgens Gn 9:28-29 leefde Noach na de geweldige Vloed nog 350 jaar; dus 3½ x 100.

 

De naam Noach betekent troost en houdt verband met de voorzegging die Lamech, Noachs vader, deed bij de geboorte van zijn zoon: Deze zal ons troosten voor ons werk en voor de smart van onze handen, vanwege de aardbodem, die door Jahweh vervloekt is (Gn 5:29).

Van belang is ook nog de GW van Noach. Die is namelijk 58 (50+8).

 

In het tweede jaar van de Vloed, in 1657 AM, toen de overlevenden de ark uitgingen, was de voorzegde troost een feit.

Oók waren de laatste 3½ x 100 jaren van Noachs leven begonnen en het opmerkelijke feit doet zich voor dat de vermenigvuldiging 3½ x 1657 de waarde 5800 oplevert; dus 100 maal 58

 

Conclusie: Dat wat zich in het leven van Noach uitdrukt als troost (of: vertroosting) voor de mensheid in voorlopige zin, t.w. 3½ x 100, wordt tevens uitgedrukt door een jaartal (1657) te vermenigvuldigen met de factor 3½.

 

Ware vertroosting zal uiteraard komen op grond van de verdienste van onze Messias Jezus en dat na 10 Tijden van 600 jaar, bij de overgang naar het levenbrengende nieuwe tijdperk van het Millennium, te beginnen met 6031 AM.

 

Zoals in 1.) Het verloop van de Rustdag aannemelijk werd gemaakt, vindt dat plaats na 6 x 1000 jaar van zwoegen onder de boosaardige tirannie van de Satan. De daarop volgende 7e jaarperiode zal immers een Sabbat van rust en bevrijding worden onder de vredige heerschappij van de Mensenzoon, de Heer van de Sabbat.

 

In het jaar 1723 AM werd in Sems geslachtslijn Heber geboren, degene die als de vader van alle Hebreeën wordt beschouwd (Gn 10:21).

De naam Heber betekent Overkant of Overzijde. In het jaar 6031 AM, wanneer de mensheid de 'oversteek' naar de Overzijde maakt, zal blijken dat die naam beslist van grote betekenis was! Waarom? Omdat de vermenigvuldiging van het jaar 1723 AM met de factor 3½ ons eveneens tot 6031 AM brengt!

 

Daarna volgt dus de 1000 jaar waarin de grootse belofte die Jahweh in 2084 AM aan Abraham deed (toen 75 jaar oud), werkelijkheid wordt: het zegenen van alle Heidenvolken door Abrahams zaad. En dat brengt ons als vanzelfsprekend naar het jaar 7030 AM, wanneer het Millennium eindigt.

Abrahams geboortejaar lag tussen 2008 en 2009 AM. En werkelijk! Passen we ook op zijn geboortejaar de factor 3½ toe, dan brengt ons dat naar 7030 AM, het laatste jaar van het Millennium. 

 

 

10.) Rechter Ibtsan

 

Rechter Ibtsan verschijnt in het verslag van het boek Rechters in Rc 12:8.

En na hem [Jefta] richtte Ibtsan, [die] uit Bethlehem [was], Israël.

 

Omdat ook Boaz uit Bethlehem was en bovendien in de zelfde tijd leefde als de rechters, is men in rabbijnse kringen de mening toegedaan dat hij dezelfde moet zijn als Ibtsan (Rt 1:1).

 

En die opvatting zou juist kunnen zijn. De GW van Boaz is namelijk 79 [2+70+7] en die van Ibtsan 143 [1+2+90+50]; een vermeerdering derhalve van 64. Die GW 64 is opvallend aanwezig in het werkwoord oordelen:

Dan zal zijn volk oordelen (Gn 49:16). En ook: Jahweh zal zijn volk oordelen (Dt 32:36).

 

Terwijl in het Ruthverhaal Jezus als de tegenbeeldige Boaz de loskoper wordt van de twee vrouwgemeenten die tezamen het ene Israël Gods vormen, wordt hij als het tegenbeeld van Ibtsan óók de rechter van Israël. Wanneer in het bijzonder? Blijkens de twee volgende verzen tijdens de zeven jaar van de laatste Week voor Israël:

 

(9) En hij bleek dertig zonen te hebben, alsook dertig dochters die hij naar de buitenwereld liet gaan, terwijl hij voor zijn zonen dertig dochters vanuit de buitenwereld binnen bracht. En hij bleef Israël zeven jaar richten.

(10) Toen stierf Ibtsan en hij werd begaven te Bethlehem.

 

Het merkwaardige vers 9, dat overigens moeilijk is weer te geven, heeft de waarde 6023!

Daardoor valt de duur van Jezus’ rechterschap samen met de zeven jaar van de 70e Week; de periode 6023 - 6030 AM derhalve. Enkele kanttekeningen daarbij:

 

1.) Ibtsan was rijk aan kinderen.

Gerelateerd aan zijn tegenbeeld Jezus, doet ons dat denken aan het feit dat Jezus volgens Jesaja 9 een eeuwige vader wordt voor allen die in geloof zullen steunen op de loskopende waarde van zijn offer.

Opvallend daarbij is dat het getal 30 tot driemaal toe verschijnt. Dat herinnert aan de stam Juda (Jehoedah; GW 30) -waartoe Boaz/Ibtsan en Jezus behoorden- én aan de Joden in het algemeen, zoals de Israëlieten in latere tijden bekend kwamen te staan.

 

Jehoedah betekent Geprezen; Lofprijzing.

In zijn sterfbedprofetie zei Jakob over de stam Juda: Wat u betreft, Jehoedah, uw broeders zullen u prijzen (Gn 49:8).

 

En volgens Rm 2:28-29 is niet hij een jood die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt. Maar hij is een jood die het in het verborgene is, en besnijdenis is die van het hart, in geest, niet naar de letter; wiens lof niet uit mensen is, maar uit God.

 

In het Overblijfsel zullen zulke ware Joden in de 70e Week weer op het religieuze toneel van de wereld verschijnen, vooral vanaf 6026 AM wanneer krachtens het Nieuwe Verbond Gods geest op hen wordt uitgestort. Ook zullen dan vele personen uit de Heidenvolken zich met die ware Joden identificeren omdat zij zullen opmerken dat van alle religieuze denominaties slechts zij namens God zullen handelen; dat hij uitsluitend hen machtigt om als zijn woordvoerders op te treden.

 

In Zc 8:23 is al lang geleden profetisch aangegeven dat mensen uit alle talen der Heidenvolken (de "schapen" van Mt 25:31-46) in die dagen zullen vastgrijpen, ja, zij zullen vastgrijpen de slip van het kleed van een man, een Jood, en zeggen: Wij gaan met je mee, want wij hebben gehoord dat God met jullie is.

 

Vanuit dat gezichtspunt valt het te verklaren dat Ibtsan voor zijn dertig zonen dertig dochters vanuit de buitenwereld binnen bracht, en tegelijkertijd zijn eigen dertig dochters naar de buitenwereld liet gaan.

De verbintenis tussen de 'schapen' uit de Heidenvolken en de ware Joden in de eindtijd wordt als het ware tot een huwelijksverbond, wat ook moge blijken uit de zinsnede de slip vastgrijpen van het kleed van een man die een Jood is.

Vergelijk Rt 3:9 en Ez 16:8 waar "slip" symbool staat voor de huwelijksrelatie.

 

2.) De mannen die in het boek Rechters als 'rechters' optraden waren personen die door Israëls God Jahweh bij speciale gelegenheden werden verwekt, meestal om leiding te geven aan acties om het volk te bevrijden van de dienstbaarheid aan heidense overheersing, waaraan zij door hun ontrouw eerder door God zelf waren overgegeven (Rc 2:11-16).

 

Volgens de kritische tekst van Nestle-Aland die tegenwoordig gewoonlijk bij het vertalen van het NT wordt gebruikt, ziet Hn 13:19-20 er letterlijk weergegeven ongeveer aldus uit:

19 En hebbend overweldigd zeven natiën in [het] land Kanaän, wees hij het land van hen als erfenis toe 20 om en bij de vierhonderd en vijftig jaren. Na deze dingen gaf hij rechters tot op Samuël de profeet.

Hoe moeten de 450 jaren worden geduid?
Vrij helder is wanneer zij eindigden, namelijk toen onder leiding van Jozua het land zo goed als veroverd was en de stammen hun erfdelen kregen toegewezen.

Uit Jz 14:7-10 kan afgeleid worden dat een en ander 45 jaren na de Exodus geschiedde, dus rond 2559-2560 AM, aangezien de Exodus plaats vond in 2514 AM.
Hierna is het nog een kwestie van terugtellen: 2559 AM minus 450 jaren = 2109 AM. En dat is het jaar waarin Abrahams zoon Isaäk werd geboren. Abrahams geboortejaar is namelijk 2009 AM en bij de geboorte van Isaäk was hij 100 jaar oud.
Strookt deze conclusie met de toespraak die Paulus hield in de synagoge van Pisidisch Antiochië?

 

Zeker; want in zijn rede ging hij bij het memoreren van Israëls geschiedenis terug naar hun voorouders:
17
De God van dit volk Israël verkoos onze (voor)vaders20 om en bij de vierhonderd en vijftig jaren. Na deze dingen gaf hij rechters tot op Samuël de profeet.

De periode van de rechters moet bijgevolg gerekend worden vanaf 2560 AM en kwam ten einde in 2910 AM toen Saul de eerste koning in Israël werd. In totaal dus 350 jaar. Opvallend hierbij is wederom het verschijnen van de factor 3½. Zie: 9.) De factor 3½

 

In de hoofdstukken 4 en 5 van het boek Micha verschijnt profetisch de Rechter van Israël, Jezus Messias. Blijkens Mc 4:1 in een eindtijdsetting, waarmee we dus weer terug zijn bij 6023 - 6030 AM:

Het zal echter in het laatste der dagen geschieden

dat de berg van het huis van Jahweh vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat de volken ernaartoe zullen stromen. Vele heidenvolken zullen op weg gaan en zeggen:

   Kom, laten wij opgaan naar de berg van Jahweh,

   naar het huis van de God van Jakob;

   dan zal hij ons onderwijzen aangaande zijn wegen,

   en zullen wij zijn paden bewandelen.

 

Want uit Sion zal de wet uitgaan en het woord van Jahweh uit Jeruzalem. Hij zal oordelen tussen vele volken en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen.

Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren. Maar zij zullen zitten, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, niemand zal ze schrik aanjagen, want de mond van Jahweh van de legermachten heeft het gesproken. Want alle volken gaan op weg, elk in de naam van zijn god, maar wij zullen op weg gaan

in de naam van Jahweh, onze God, voor eeuwig en altijd.

 

Op die dag, spreekt Jahweh, zal ik verzamelen wie mank gaat,

bijeenbrengen wie verdreven is en wie ik kwaad aangedaan heb. Ik zal wie mank gaat, stellen tot een overblijfsel en wie verdreven was tot een machtig volk, en Jahweh zal over hen koning zijn op de berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid.

En u, Schaapstoren, Ofel van de dochter van Sion, naar u zal gaan, ja, naar u zal komen de heerschappij van vroeger, het koningschap van de dochter van Jeruzalem.

 

Nu verzamelen zich tegen u vele heidenvolken.

Zij zeggen:

   Laat haar ontheiligd worden,

   en laten onze ogen Sion aanschouwen.

Zíj echter kennen de gedachten van Jahweh niet. Zij begrijpen zijn raadsbesluit niet: dat hij hen bijeengebracht heeft als graanschoven op de dorsvloer.

   Sta op en dors, dochter van Sion, want ik zal uw hoorn van  ijzer maken en uw hoeven van brons. U zult vele volken verpletteren en ik zal hun winstbejag met de ban slaan: het is voor Jahweh, hun vermogen is voor de Heer van heel de aarde.

 

Nu, groepeer u, dochter van de strijdbende! Zij gaan een belegering tegen ons opzetten. Zij zullen met een stok

de rechter van Israël op de kaak slaan. En u, Bethlehem-Efratha, al bent u klein onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af.

 

Hij zal staan en hen weiden in de kracht van Jahweh,

in de majesteit van de naam van Jahweh, zijn God.

Zij zullen veilig wonen, want nu zal hij groot zijn

tot aan de einden van de aarde. Hij zal Vrede zijn.

 

Wanneer Assur in ons land zal komen en wanneer hij onze paleizen zal betreden, zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan en acht vorsten uit de mensen.

Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard, het land van Nimrod met getrokken zwaarden. Zo zal hij ons redden van Assur, wanneer die in ons land zal komen en wanneer die ons gebied zal betreden.

 

Het overblijfsel van Jakob zal zijn te midden van vele volken

als dauw van Jahweh, als regendruppels op het gewas, dat niet uitziet naar iemand en niet hoopt op mensenkinderen..

(HSV; aangepast)

 

In schitterende profetische bewoordingen tekent Micha het verloop van de 70e Week voor Israël:

• De aanbidding van Jahweh wordt hoog verheven in het verschijnen van de Tempelstad Nieuw Jeruzalem.

• Mensen uit de Heidenvolken die de ware aanbidding willen beoefenen dienen zich daarheen te wenden.

• Terwijl de mensen uit die volken in grote meerderheid zullen blijven doen wat zij altijd al gewoon waren te doen - het nalopen van hen die geen goden zijn, in het bijzonder de agressieve, antichristelijke Assyriër - zal het Overblijfsel van Jakob uitsluitend wandelen in de naam van Jahweh.

• Voor de minderheid uit de Heidenvolken die zich daarin bij hen aansluiten, zullen zij als dauw van Jahweh worden.

• Israëls ware Rechter, hun Messias, zal door de meerderheid nog steeds worden afgewezen; zinnebeeldig slaat men hem met de stok op de wang. Vergelijk Mt 26:67-68; 27:30.

• Maar die Rechter is de enige die werkelijk aan het van Godswege verschafte profiel beantwoordt. Hij bezit de echte 'geloofsbrieven': De uit Bethlehem afkomstige Bestuurder; uit het Huis des Broods, maar wiens oorsprong veel verder teruggaat, helemaal naar oude tijden in een ver verleden, toen hij vanaf een begin bij God was; in zijn pre-existentie.

 

Voor Jezus’ rol als de tegenbeeldige Boaz in het Ruthverhaal, zie: Ruth en de Antichrist

 

11.) Michaëls conflict met Satan

 

Michaël is volgens de Bijbel onder Gods engelen de voornaamste. Bijgevolg wordt hij aangeduid als de aartsengel (Judas 9), d.i. de eerste onder de engelen. In werkelijkheid is hij niemand anders dan Gods Zoon Jezus, maar in zijn geestelijke, hemelse staat wordt hij aan ons voorgesteld als Michaël.

In 1Th 4:16 wordt hij vereenzelvigd met de Heer zelf die neerdaalt vanaf de hemel met de stem [ener] aartsengel.

Vooral Dn 12:1 is doorslaggevend voor zijn identificatie:

Te
dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden.

Een vergelijking met Dn 11:20-21 leert dat dit 'opstaan' de betekenis heeft van koning worden. De strekking van die uitdrukking komt overeen met hetgeen Dn 2:44 en 7:14 aangeven omtrent het koningschap van de Mensenzoon.
Dat er op dit opstaan
een tijd van grote benauwdheid volgt, kan verklaard worden uit Op 12:5-12, waar Michaël eveneens in beeld komt.

Uit de samenhang van dat Schriftdeel blijkt dat de geboorte van het manlijk kind duidt op de oprichting en in actie komen van het Messiaanse koninkrijk:

En ik hoorde een luide stem in de hemel, zeggend:

Thans werd werkelijkheid de redding en de kracht en het koninkrijk van onze God en de macht van zijn Messias, aangezien de beschuldiger van onze broeders die hen dag en nacht voor onze God beschuldigt, werd [neer] geworpen.

Het ligt zeer voor de hand dat de koning zélf de strijd in de hemel leidt en daarin zijn engelen aanvoert; in vers 7 wordt die rol aan Michaël toegeschreven:

 

En in de hemel vond [een] oorlog plaats. Michaël en zijn engelen voerden oorlog met de Draak.

 

In de hemelsferen, in het bijzonder in zijn strijd tegen de demonen, wordt de Zoon van God aangeduid als Michaël, maar in de aardse sfeer is hij de Heer Jezus, of de Mensenzoon.

 

Dit verklaart tevens het verschil in bewoordingen van enerzijds 1Th 4:15-17 (Want de Heer zelf zal neerdalen vanaf de hemel met een bevelende roep, met de stem [ener] aartsengel) in verband met de hemelse opstanding; met anderzijds Jh 5:28-29 (Er komt een uur waarin allen die in de graven [zijn], zijn stem [die van de Mensenzoon; v 27)] zullen horen en te voorschijn zullen komen) waar de aardse opstanding in beeld is.


Zoals we zagen in Dn 12:1 verschijnt
Michaël als de grote vorst die de zonen van uw [Daniëls] volk terzijde staat.

In zijn voormenselijk bestaan vergezelde hij in die hoedanigheid als de engel van Jahweh het volk Israël op haar tocht door de wildernis.
Met het oog daarop was het vrijwel een vanzelfsprekende zaak dat juist die engel in een geschil geraakte met de Duivel bij het begraven van Mozes’ lichaam:

 

Toen de aartsengel Michaël evenwel een geschil had met de Duivel en disputeerde over het lichaam van Mozes, durfde hij geen oordeel van lastering uit te brengen, maar zei: "Moge de Heer je bestraffen"!

Deze NT-tekst neemt ons dus helemaal terug naar 2554 AM toen Mozes stierf en Jahweh, volgens Dt 34:5-7, zelf zorg droeg voor zijn begrafenis. Uit de tekst van Judas kan echter begrepen worden dat Israëls geestenvorst Michaël daarbij betrokken moet zijn geweest, de engel van Jahweh die het volk vanuit de hemelsferen leidde op hun tocht naar het land van de Belofte.

Vergelijk: Ex 13:21-22; 14:19, 24; 23:20-23; 32:34; Jz 5:13-15.

 

Volgens Dn 10:1 trad de engel Gabriël in het derde jaar van Cyrus, de koning van Perzië, d.i. het jaar 535 v.Chr., of 3472 AM (4007 minus 535), met Daniël in contact. Vanuit de hemel werd Gabriël gestuurd om aan Daniël een gewichtig profetisch bericht over te brengen hoe het de wereldmacht van dat moment (Perzië), alsook de daarop volgende wereldrijken (Hellas en Rome) zou vergaan, helemaal tot in de eindtijd.

Maar de demonische geestenvorst van Perzië stelde alles in het werk om de zending van Gabriël te verijdelen. Michaël kwam hem bijgevolg met succes te hulp.     

 

Welnu, in 2554 AM had Michaël een 'zaak' met Satan in verband met Mozes, maar op de helft van de 70ste Jaarweek zal hij, tezamen met zijn engelen, wederom een strijd voeren met Satan (de Draak in de Openbaring) om hem uit de heilige hemelen te verwijderen, tezamen met diens engelen. Als resultaat daarvan zal het Satan dan niet langer mogelijk zijn om, voor de troon van God, de getrouwe dienaren van de Allerhoogste te beschuldigen van (vermeende) deloyaliteit, zoals hij bijvoorbeeld deed in het geval van Gods knecht Job.

(Job 1 en 2; Op 12:10).

Zie: Michaël, de aartsengel, in conflict met Satans Rijk

 

Op de helft van de 70ste Jaarweek - in 6026 AM - staat de Messias (Michael) dus weer een confrontatie met de Duivel te wachten en opvallend: dat zal plaats vinden 3472 jaar na de eerste, in de Bijbel geregistreerde schermutseling in 2554 AM (2554 + 3472 = 6026).

 

12.) Jozef/de 7 jaar van hongersnood

  

Toen Jozef aan Farao diens dubbele droom uitlegde van de 7 vette/magere koeien en de 7 volle/lege korenaren, gaf hij daarvan de volgende verklaring:

 

Zie, de komende zeven jaren zal er in heel het land Egypte een grote overvloed zijn. Maar daarna zullen er zeven jaren van hongersnood aanbreken; dan zal al die overvloed in het land Egypte vergeten zijn, en de honger zal het land verwoesten.

Ook zal er niets van de overvloed te merken zijn in het land, vanwege de honger die daarna zal komen, want die zal zeer zwaar zijn. Dat de farao deze droom twee keer gekregen heeft, is omdat de zaak bij God vaststaat en God Zich haast om die uit te voeren.

(Gn 41:29-32; HSV)

 

Het tegenbeeld van de beide 7-jaarperiodes kunnen we (wederom) in de 70e Jaarweek verwachten; alleen vallen beide periodes dan samen. Jesaja liet dat uitkomen:

Daarom, zo spreekt de Heer, Jahwe: Mijn dienstknechten zullen eten, maar gij zult honger hebben; mijn dienstknechten zullen drinken, maar gij zult dorstig zijn; mijn dienstknechten zullen zich verheugen, maar gij zult beschaamd staan. Mijn dienstknechten zullen van harte juichen, maar gij zult van harteleed schreien en wenen van verdriet.

(Js 65:13-14; wv78)

 

Zoals ook Amos profetisch te kennen gaf:

Zie, de dagen komen - zo luidt de godsspraak van de Heer, Jahwe - dat Ik honger breng in het land, geen honger naar brood, geen dorst naar water, maar honger en dorst om het woord van Jahwe te horen. Dan zullen zij zwerven van zee naar zee, dwalen van het noorden naar het oosten overal zoekend naar het woord van Jahwe, maar zij zullen het niet vinden.

(Am 8:11-12; wv78)

 

Messias Jezus, Jozefs tegenbeeld, zal in de 70e Week de ware Voedselbeheerder van geestelijk voedsel blijken te zijn.

Maar merk vooral op (in Genesis 45) wat hij zei tot zijn broers toen hij zich aan hen bekendmaakte:

 

(5 tm 9) God heeft mij vóór jullie uit gezonden tot behoud van leven. Deze twee jaren is er immers honger geweest in het midden van het land, en er [komen] nog vijf jaren waarin er geen ploegen of oogsten zal zijn. God heeft mij vóór jullie uit gezonden, om voor jullie een overblijfsel [veilig] te stellen op aarde, en jullie door een grote uitredding in leven te houden. Nu dan, niet jullie hebben mij hiernaartoe gestuurd, maar God. Hij heeft mij aangesteld als een vader voor de farao, als heer over heel zijn huis en heerser over heel het land Egypte. Maak haast, ga naar mijn vader en zeg tegen hem: Dit zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot heer over heel Egypte aangesteld; kom naar mij toe, wacht er niet mee…

 

(27) Maar toen zij hem [Jakob] alle woorden overgebracht hadden die Jozef tot hen gesproken had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op.

 

Dit alles vond plaats in het tweede jaar van de 7-jarige hongerperiode. In het tegenbeeld is dat derhalve het jaar 6024 AM. En natuurlijk is het geen toeval dat vers 27 de getalswaarde 6024 heeft (!)

 

 

Hierboven becommentarieerden we meer dan 10 aanwijzingen die we hebben voor de situering in de tijd van de 70ste  Jaarweek. Naar onze overtuiging moeten er zeker meer zijn; genoemde gevallen hebben we alleen wat meer uitgewerkt.

Waarom? Omdat het profetische Woord als geheel convergeert richting die Week; de vele onderdelen ervan komen in die ene beslissende Week tezamen.

 

We noemen nog drie gevallen, maar laten het aan de lezer over die zelf na te gaan:

 

  De laatste tijdsaanduiding in het Boek Ezechiël treffen we aan in Ez 40:1-2, t.w.:

 

In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, in de aanvang van het jaar, op de tiende der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad was gevallen, op diezelfde dag, was de hand van Jahweh op mij en Hij bracht mij daarheen: in gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg; daarop was iets als een stad gebouwd aan de zuidzijde.

 

Op die tiende Nisan van dat specifieke jaar werd Ezechiël dus in visioenen verplaatst naar de stad Jeruzalem waar hij iets zag gebouwd als een stad. In werkelijkheid ziet hij echter de voltooide visionaire tempel, welke nu gereed is om gemeten te worden (de vv 3 en 4).

 

In de Studie Een mogelijk verloop van de Zeventigste Jaarweek  

wordt verwezen naar de tekst Ez 44:20 waarin de toewijzing van de hemelse priesterschap, de Levitische priesters, de zonen van Zadok, nader wordt omschreven. De GW van die tekst, 2595, is, in dagen, opmerkelijk gezien de duur van de 70ste Jaarweek plus de aanvullende 75 dagen die daarna nog verlopen tot op de datum 10 Nisan van het Anno Mundi jaar 6030.

 

  Rechters, hoofdstuk 6. Want daar is sprake van 

- een 7-jarige overheersing van Israël in de tijd van Gideon.

- een vijandelijke macht (Midian, Amalek en de Oosterlingen) zo talrijk als de sprinkhanen (Joël 2 en Openbaring 9).

- de getalswaarde 6029 (vers 37).

 

● Esther, hoofdstuk 9.

Vers 15 heeft GW 6030(!)

Zie eventueel ook: Esther, zij die zich verborgen hield,

met name Redding uit een zekere ondergang.

 

 

De voltooiing van het tegenbeeldige tempelbouwwerk

 

Zoals opgemerkt start met 6023 AM (2017/2018 AD) wederom een periode van 7 jaar 'tempelbouw', maar dan het daadwerkelijk optrekken van de Tempelstad Nieuw Jeruzalem, 3030 jaar nadat begonnen werd met de bouw van de tempel onder Salomo’s leiding, in 2993 AM.

Waarom kunnen wij daarvan zeker zij? Omdat het begin van die laatste 'Week' gekenmerkt zal worden door de Opname van de Gemeente, het hemelse deel van het Israël Gods; in (onder meer) Op 11:19 de "naos [tempelheiligdom] in de hemel" genoemd.

 

De 'stenen' die tijdens de Gemeente-eeuw bij de groeve gereed waren gemaakt, worden dan (geruisloos) in het hemelse deel van de naos gelegd.

Na de vermelding in 1 Koningen 6, vers 1, dat Salomo de 7 jaar durende tempelbouw aanving na afloop van de 479 jaar sedert de Exodus, dus in 2993 AM (2514 + 479), vertelt vers 7 ons:

 

Toen het huis gebouwd werd, werd het opgetrokken van steen, afgewerkt aan de groeve, en geen hamer of beitel of enig ijzeren gereedschap werd gehoord bij het bouwen van het huis.

  

Het komt ons voor dat de woorden van Ef 2:10 hier toepasselijk zijn, maar dan met betrekking tot het tegenbeeld, Jezus’ Gemeente:
Want
zijn maaksel zijn wij, in Messias Jezus geschapen [met het oog] op goede werken, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

Efeze 2 is immers het hoofdstuk waarin we geïnformeerd worden over het optrekken van het tegenbeeldige tempelbouwwerk, maar alles in voorlopige zin:

Zo zijn jullie dan niet langer vreemdelingen en bijwoners, maar jullie zijn medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods, opgebouwd op het fundament der apostelen en profeten, terwijl Messias Jezus zelf hoeksteen is, in wie elk bouwwerk, samengevoegd, uitgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer; in wie ook jullie mede opgebouwd worden tot een woonplaats Gods in geest.

Ef 2:19-22

 

Wanneer kunnen we de voltooiing van het tegenbeeldige tempelbouwwerk verwachten? Kennelijk in de loop van het jaar 6030 AM.

 

Gods paleisachtig heiligdom zal zich dan uitstrekken vanuit de hemel naar de aarde (Js 66:1). De naos bestond oorspronkelijk uit het Heilige en het Allerheiligste als het eigenlijke heiligdom, alsook het Voorhof buiten dat heiligdom, wat typologisch was/is voor de twee Gemeentes die God in zijn voornemen - om door het zaad van Abraham de wereld te zegenen – tot bestaan bracht: hemels voor Jezus' Bruidgemeente, en aards voor de gemeente van Gods vrouw Israël.

 

Te oordelen naar de bewoordingen in Op 11:1-2 (er is namelijk ook sprake van een Voorhof) moeten we denken aan het tegenbeeld van het oorspronkelijke heiligdom dat zich destijds te midden van het volk Israël bevond, eerst de Tabernakel en later de door Salomo gebouwde (Eerste) tempel. In de Openbaring wordt het tempelheiligdom (naos) gewoonlijk voorgesteld onder het beeld van de Tent of Tabernakel in de wildernis, het centrale punt waaromheen het kamp van Israël was gelegerd.

 

Dat in de Openbaring de naos teruggaat op de Tabernakel en niet op de latere tempels, is om verschillende redenen van belang. In Op 11:1 dient zich bijvoorbeeld niet de vraag aan welk Voorhof bedoeld wordt, want de Tabernakel had maar één Voorhof, dat waar de priesters met hun helpers, de Levieten, de offers verzorgden op het brandofferaltaar. 

 

In het Allerheiligste van de Tabernakel bevond zich destijds de Verbondsark met het gouden verzoendeksel waarboven God werd gedacht te tronen, tussen de cherubs.

Zie svp voor verdere details: (Hb 9:3-5), Tien Nisan en Het Israël Gods.

 

-.-.-.-