Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Toen Abraham leefde had niemand nog ooit van een mogelijkheid om hemels leven te ontvangen gehoord

Abrahams bestemming

 

Genesis 22

 

Velen binnen de christenheid geloven in alle oprechtheid dat de bestemming van in God gelovige mensen de hemel is. Zij hebben dikwijls -door hun predikant of pastoor- horen verkondigen dat dit de gemeenschappelijke bestemming is voor gelovigen van alle tijden en zou dus ook voor de aartsvaders gelden, waaronder Abraham, "de vader van alle gelovigen" (Romeinen 4).

 

Zelden realiseren zulke kerkgangers zich dat, toen Abraham leefde, noch hij noch iemand anders ooit van zulk een mogelijkheid -hemels leven te ontvangen- hadden gehoord. En ook Hebreeën 11, het hoofdstuk waarin breed wordt uitgeweid over de OT-getrouwen,  geeft niet te kennen dar Abrahams bestemming hemels zou zijn. Wat we daar over Abrahams verwachtingen lezen is duidelijk

Gelovig stierven deze allen, terwijl zij de beloften niet ontvingen; maar zij zagen en begroetten ze van verre, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren. Want zij die zulke dingen zeggen, maken duidelijk dat zij op zoek zijn naar een vaderland. En indien zij waren blijven denken aan dat waaruit zij wegtrokken, zouden zij gelegenheid hebben gehad om terug te keren; maar nu streven zij naar een beter, dat is een tot de hemel behorend [vaderland]. Daarom schaamt God zich niet voor hen om als hun God aangeroepen te worden, want hij bereidde voor hen een stad.

Zij die zulke dingen zeggen zijn degenen onder de voorvaders der Hebreeën die zich niet thuis voelden in het goddeloze aeon [eeuw of wereldperiode] dat na de Vloed, in het bijzonder sedert de Spraakverwarring, tot bestaan kwam.
Zij voelden zich daarin vreemdelingen en bijwoners; zij waren op zoek naar een echt thuis, een vaderland waarin de hemel (God) voorziet.

Uit het verband blijkt dat het ook hier gaat om de stad met de fundamenten, de Tempelstad Nieuw Jeruzalem die volgens de Openbaring vanaf God zal neerdalen om als een Tent bij de mensheid op aarde te zijn.
God zelf heeft die Stad reeds ontworpen; volgens vers 10 is hij er immers de architect en bouwmeester van (Op 21:2-4). En zoals destijds Jeruzalem het centrum was van Koning Davids koninkrijk, zal evenzo Nieuw Jeruzalem de hoofdstad zijn van Jezus' Millenniumrijk, het Messiaanse Vrederijk waaromtrent Jezus zijn leerlingen onderwees te bidden (Mt 6).

Maar de zetel van dat 'vaderland' ligt bij God en Christus (met zijn gemeente) in de hemel. Nieuw Jeruzalem zal namelijk bestaan uit een hemels deel, de christelijke gemeente (Jeruzalem boven), en een aards deel, bestaande uit de joodse heiligen; door de opstanding aangevuld met tal van hun voorvaders, zoals Abraham.
Dat Abraham trouwens ook zelf naar een aardse opstanding uitzag blijkt uit de vv die volgen in Hb 11 (17 tm 19):

In geloof heeft Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaäk ten offer opgedragen, en hij die de beloften op zich nam, wilde de eniggeborene ten offer opdragen, hij tot wie werd gesproken: In Isaäk zal jou [het] zaad genoemd worden. Hij overwoog dat God bij machte is hem zelfs uit doden op te wekken, waaruit hij hem ook in zinnebeeld terugkreeg.

 

Voor de diepere betekenis van deze

aangrijpende geschiedenis, zie: Genesis 22:1-19

 

Abraham kon zich maar één soort opstanding voorstellen: hier op aarde. In zo'n opstanding verwachtte hij ook Isaäk terug, voor het geval dat hij werkelijk gedood moest worden.
Uitsluitend de christelijke gemeente is hemels wat bestemming betreft. Zij is immers de Bruid van de Messias, en daarom moet zij wel in de hemel met hem verenigd worden (!)

Over de aartsvaders lezen we in Lukas 13:22-30 het volgende:



Iemand nu zei tot hem: Heer, zijn degenen die gered worden weinigen? Hij nu zei tot hen: Strijdt om binnen te gaan door de nauwe deur; want velen, zeg ik jullie, zullen trachten binnen te gaan en niet in staat zijn.
Wanneer de Meester van het huis eenmaal is opgestaan en de deur heeft afgesloten, zullen jullie beginnen buiten te staan en op de deur te kloppen en te zeggen: Heer, doe ons open. Maar als antwoord zal hij tot jullie zeggen: Ik weet niet vanwaar jullie zijn. Dan zullen jullie beginnen te zeggen: Wij hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten onderricht gegeven. En hij zal zeker tot jullie zeggen: Ik weet niet vanwaar jullie zijn; gaat weg van mij, al jullie werkers van ongerechtigheid.
Daar zal het geween zijn en het tandengeknars,
wanneer jullie Abraham en Isaäk en Jakob zullen zien en al de profeten in het koninkrijk van God, maar jullie buitengesloten.
Ook zullen er komen van Oost en West, en van Noord en Zuid, en aanliggen in het koninkrijk van God.

Met opzet geven we de hele passage weer van dit gesprek dat Jezus had met zijn joodse broeders. We kunnen een en ander namelijk pas echt begrijpen als we onderscheiden dat hier een typisch joodse kwestie werd behandeld.
Op grond van OT voorzeggingen, zoals Js 10:22-23 en Zf 3:12-13, leefde binnen rabbijnse kringen de theologische vraag hoe groot/klein de Rest van geredde Joden wel zou zijn.
Jezus antwoordt niet rechtstreeks maar verpakt zijn antwoord en begeleidend onderricht in de vorm van een parabel:


Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan, want velen, zeg ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen (nbv).

De term velen wijst eigenlijk op geheel Israël. Uiteraard was het binnengaan van het Vrederijk van de Messias voor elke jood iets begerenswaardigs. Maar Jezus laat hun bij voorbaat weten dat de inspanningen van de meerderheid zouden stuklopen. Waarom?
Omdat zij op hun eigen manier zullen willen binnengaan, daarbij in het geheel geen rekening houdend met Gods besluit dat er
alleen redding is in de [ware] Messias, Jezus (Hn 4:12).

Tegen het einde van zijn paroesie [tegenwoordigheid] -die begint met de Opname van de Gemeente en eindigt met het oordeel- zal het punt bereikt worden dat Jezus, de Meester van het Huis, opstaat en de deur definitief toesluit. Het heeft geen zin dat joodse mensen dan nog op de deur gaan kloppen en redenen aanvoeren om hen toch binnen te laten. Zij mogen dan wel over Jezus’ en zijn prediking gehoord hebben, maar zij hebben er nooit echt notitie van genomen. Integendeel, zij hebben voor het merendeel zijn leer zelfs tegengestaan.

Zie ook Mt 25:1-12 waar iets dergelijks wordt besproken door Jezus in zijn parabel van de maagden.
Oók de Vijf dwaze maagden komen voor een gesloten deur; in hun geval die welke toegang verleent tot het Bruiloftsfeest.
De Messias-vijandiggezinde Joden van de eindtijd komen met die dwaze maagden overeen.

Omdat zij buitengesloten worden van het koninkrijk jammeren zij in hun verstoktheid over de vooruitzichten die zij zichzelf hadden toegedicht, maar die zij nu verloren zien gaan.
Vooral ook omdat zij geconfronteerd zullen worden met de verschijning van degenen op wie zij zich altijd hadden beroemd: de aartsvaders en de profeten, Oudtestamentische getrouwen van wie zij de Verbonden en de beloften hadden overgeërfd.
Maar in plaats dat zij met hen verenigd worden, ervaren zij voor zichzelf diskwalificatie en buitensluiting.

En niet zij, maar hun joodse broeders die zij verafschuwen en van afval betichten omdat die tot inkeer kwamen en alsnog geloof gingen stellen in Jezus als de ware Messias, zullen met de vroegere getrouwen worden verenigd en voor het oog van de hele wereld met hen worden geïdentificeerd (Op 7:13-17; 11:11-12).
Maar dat niet alleen, ook zullen die buitengeslotenen er nog getuige van zijn dat niet-Joden, Heidenen derhalve, afkomstig uit alle windstreken, met al die getrouwen het Millennium zullen binnengaan, teneinde aan te zitten aan
het feestmaal dat aangerecht zal worden voor alle volken (Js 25:6-8).

Vergelijk ook het parallelle gedeelte in Mt 8:5-12, waaruit geconcludeerd kan worden dat zij die uit alle windrichtingen komen, personen moeten zijn van buiten Israël.
Die mensen, met een niet-joodse achtergrond, zijn de rechtvaardige 'schapen' van Mt 25:31-4, die door de Koning aan zijn rechterhand van gunst worden geplaatst en het koninkrijk beërven dat sedert de grondlegging der wereld voor hen werd bereid.
Tijdens de Grote Verdrukking komen die personen -die
zich bij Jahweh aansluiten- namelijk het getrouwe Overblijfsel van Israël te hulp en doen al het mogelijke om hen in de moeilijkheden waarmee zij voortdurend worden bestookt, bij te staan (Dn 7:25).
Zij trotseren de dan algemeen heersende opinie, aangezien voor hen duidelijk zal zijn dat Gods gunst op die joodse minderheid rust. Dus zeggen zij:
Wij willen ons bij jullie aansluiten, want wij hebben gehoord dat God met jullie is (Mt 24:9; Zc 8:23; 2:10-11).

 

Voor meer details over dit thema van bestemmingen, zie de Studie:

 

Een aardse bestemming voor christenen - Is dat mogelijk?

 

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-

Genesis 22:2-19

 

Vers 2
En hij [God] zei [tot Abraham]:

Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaäk, en ga naar het land Moría, en offer hem daar tot een brandoffer op één der bergen die ik u noemen zal (nbg).

Achter deze opdracht aan de aartsvader wordt ons op een unieke wijze een inkijk vergund in de persoonlijke verhouding die er in de hemel bestaat tussen de Vader God en zijn eniggeboren Zoon. Die is werkelijk Gods geliefde Zoon - de Geliefde - enigverwekt goddelijk wezen die in de boezem van de Vader verblijft (Mt 3:17; Ef 1:6; Jh 1:18).
Maar hier vernemen we ook reeds 'in afbeelding' dat de Vader zijn Zoon
-je enige, van wie je zoveel houdt (nbv)- niet zou sparen met het oog op zijn voornemen om de mensheid te verlossen van haar Adamitische staat (Rm 8:32).

Vers 3
Toen stond Abraham des morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn knechten met zich, benevens zijn zoon Isaäk; hij kloofde hout voor het brandoffer, begaf zich op weg en ging naar de plaats die God hem genoemd had.

Hier zien we 'in afbeelding' hoe de Vader in zijn voornemen der eeuwen dat hij opvatte in de Messias Jezus onze Heer op progressieve wijze zaken in gereedheid zou brengen voor het ten offer brengen van zijn Enige (Ef 3:11).
Al op een vroeg tijdstip,
vóór de grondlegging der wereld, kende de Vader hem als het Lam Gods dat de zonde der wereld zou wegnemen: een onberispelijk en onbevlekt lam (Jh 1:29; 1Pt 1:18-20; Op 13:8).

Zie: Efeziërs 1:3-12 in de Studie Gods voorkennis

 

Weliswaar werd Jezus door de hand van wetteloze mensen aan een paal geslagen en om het leven gebracht, maar dat alles geschiedde geheel volgens de vastgestelde raad en voorkennis van God (Hn 2:23).

Vers 4, 5 en 6
Toen Abraham op de derde dag zijn ogen opsloeg, zag hij die plaats in de verte. En Abraham zei tot zijn knechten: Blijft gij hier met de ezel, terwijl ik en de jongen daarginds heengaan; wanneer we hebben aangebeden, zullen wij tot u terugkeren. Toen nam Abraham het hout voor het brandoffer, legde het op zijn zoon Isaäk en nam vuur en een mes met zich mede. Zo gingen die beiden tezamen.



Aldus werd tevoren getoond dat, wat later zou plaats vinden op de berg buiten Jeruzalem, uitsluitend een zaak zou zijn tussen de Vader en de Zoon. De twee bedienden waren er getuige van dat Isaäk het hout voor het brandoffer op zijn schouder de berg opdroeg, maar wat er plaats vond tussen hem en zijn vader bij het altaar, bleef voor hen verborgen (Jh 19:17).

 
Jahweh God en zijn Messiaanse Zoon hebben in de twee gemeenten die het Israël Gods vormen hun menselijke getuigen van Jezus' lijden en dood, maar wat er precies plaats vond binnen de relatie Vader-Zoon op weg naar en bij het 'altaar' van Golgotha, is ook aan hen niet onthuld. Dat zij
, die beiden, tezamen gingen, toont ons in ieder geval dat de Vader en de Zoon volmaakt met elkaar in overeenstemming waren (Jh 8:28-29; 10:30).
Vergelijk: Mt 26:36-46; 27:45-46, 50; Hn 10:37-43.

Vers 7 en 8
Toen sprak Isaäk tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader, en deze zei: Hier ben ik, mijn zoon. En hij zei: Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer? En Abraham zei: God zal zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon. Zo gingen die beiden tezamen.

Het is waar dat door de offerdood van het ware Lam Gods de zonden der wereld kunnen worden weggenomen, maar God heeft toch in de eerste plaats voor zichzelf in het offer van zijn zondeloze Zoon voorzien! Alléén God kon verschaffen wat in staat was aan zijn rechtvaardige vereisten te voldoen (Lk 1:35; Hb 10:5).
Nogmaals, het is waar dat de Messias stierf voor zondaars (Rm 5:8), maar hij stierf allereerst voor God!


Maar nu is, buiten de Wet om, Gods rechtvaardigheid geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten getuigenis wordt afgelegd, namelijk Gods rechtvaardigheid wegens [de] getrouwheid van Jezus Messias voor allen die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen zondigden en komen te kort aan de heerlijkheid Gods; en naar zijn genade worden zij vrijelijk gerechtvaardigd, door de verlossing die in Messias Jezus [is]. Hem stelde God als zoenoffer [letterlijk: verzoendeksel; ιλαστηριον] door geloof in zijn bloed, tot betoon van zijn rechtvaardigheid, door voorbij te gaan aan de zonden die vroeger waren geschied tijdens de verdraagzaamheid van God. Om zijn rechtvaardigheid te tonen in de tegenwoordige tijd, opdat hijzelf rechtvaardig is, ook als hij hem rechtvaardigt die uit het geloof in Jezus is.
(Rm 3:21-26)

 

Vers 19
Toen keerde Abraham terug tot zijn knechten, en zij gingen tezamen op weg naar Berséba, en Abraham woonde te Berséba.

Wij weten dat Isaäk gered werd van het altaar. In Gods voorziening nam een ram zijn plaats in (vers 13), zinnebeeld voor het plaatsvervangend sterven van de Messias. Voor Isaäk echter was die ervaring 'in zinnebeeld' als een opstanding uit de doden.

En nu lezen wij hier alsof Abraham alleen bij de twee knechten terugkeerde. Het zinnebeeld laat Isaäk achter op de berg! Voor de toekijkende knechten was hij er als het ware niet meer! Toen Jezus op de derde dag opstond uit de dood [vergelijk vers 4] bleek hij verdwenen te zijn; voor het menselijk oog onzichtbaar. Vervolgens, op de veertigste dag, steeg hij van de berg bij Jeruzalem op en voer ten hemel (Lk 24:50-51; Hn 1:9).

 

Hierna wordt in het Boek Genesis pas weer in hoofdstuk 24 melding gemaakt van Isaäk, namelijk wanneer Abraham, ná de dood van zijn vrouw Sara, zijn voornaamste knecht Eliëzer er opuitstuurt om een geschikte vrouw voor zijn zoon Isaäk te vinden. Een en ander leidt tot de huwelijksverbintenis tussen Rebekka en Isaäk en algemeen wordt erkend dat die verbintenis typologisch is geworden voor het huwelijk tussen Messias Jezus en zijn gemeente, de hemelse gemeente van het Israël Gods. Tevens zijn velen van mening dat Abrahams knecht binnen die typologie Gods geest afbeeldt waardoor die 'Rebekkagemeente' wordt geroepen en vervolgens naar haar bestemming geleid (Gn 24:10).


Dat alles komt treffend overeen met de volgorde der gebeurtenissen in de Eerste eeuw tot op heden. Ná de dood, opstanding en hemelvaart van Gods Zoon, is vanaf Pinksteren 33 AD Gods geest werkzaam geweest om de leden van de christelijke Bruid te roepen en tot hun Messiaanse echtgenoot te leiden.

Vergelijk: Hn 2:32-33; 2Ko 11:2; Ef 5:25-32 en Op 21:2.

En zie: Op weg naar de Bruiloft, Deel 1 en Deel 2 

 

-.-.-.-.-.-.