Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Verblindt God de ogen van mensen

Verblindt God de ogen van mensen?

 

In Johannes 12:37-40 gaf de evangelist Johannes een verklaring waarom de joden over het algemeen in ongeloof op hun Messias Jezus reageerden.
Volgens de Nieuwe Bijbel Vertaling (nbv) luidt die passage:

37 Ondanks de wondertekenen die hij voor hun ogen gedaan had, geloofden ze niet in hem.
38 Zo gingen de woorden van de profeet Jesaja in vervulling, die zei:

Heer, wie heeft onze boodschap geloofd?
Aan wie is de macht van de Heer geopenbaard?


39 Ze konden niet tot geloof komen, want Jesaja heeft ook gezegd:

40
Hij heeft hun ogen verblind
en hun hart gesloten,
anders zouden zij met hun ogen zien
en met hun hart begrijpen,
zij zouden zich omkeren
en ik zou hen genezen.

In vers 40 verwees Johannes naar Jesaja hoofdstuk 6 waar Israëls verharding in verband met de Messias werd voorzegd:

Toen zei Hij: Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor, maar verstaat niet, en ziet aldoor, maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde.
(Js 6:9-10; nbg)

Jesaja kreeg de opdracht om Gods boodschap aan het volk te doen horen. Maar God wist reeds dat verreweg de meerderheid geen gehoor zou geven. Ja, hoe meer zij met de waarheid zouden worden geconfronteerd, des te meer zij zich ervoor zouden afsluiten. Het is namelijk een boodschap die hun niet bevalt en die ze daarom in steeds grotere hardnekkigheid afwijzen.
Dat zij bijgevolg niet begrijpen om welke hoogst belangwekkende feiten het daarbij gaat, moet geheel aan henzelf worden toegeschreven. En ook dat zij om die reden niet 'genezen' worden. Ook daarvoor ligt de schuld volledig bij henzelf.

De apostel Paulus kreeg, net als Jezus, met dat hardnekkige verzet van het volk te maken.

Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen; en de overigen zijn verhard, zoals geschreven staat: God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.
(Rm 11:7-8)

"Het uitverkoren deel" komt overeen met "een overblijfsel" dat al in vers 5 was genoemd.
Dat overblijfsel, of uitverkoren deel, verscheen in de Eerste eeuw als gevolg van Gods genadige verkiezing. Zij ontvingen krachtens hun geloof wat Israël als geheel misliep: Gods gerechtigheid op basis van geloof in hun Messias.
Israël als geheel [d.i. het merendeel] vertegenwoordigde de overigen die wegens hun ongeloof in een toestand van verharding geraakten.

Daaruit mag overigens niet worden geconcludeerd dat de natie daarmee definitief werd verworpen; zie vv 23-25.
De afstomping of verharding van het overgrote deel was in vele profetische uitspraken door God in het OT voorzien. In dat Schriftdeel verwees de apostel naar diverse OT-passages, Zoals:
Deuteronomium 29:4;
Jesaja 29:10; en
Psalm 69:22-23.

Maar vooral gaat het om de vervulling van Jesaja 6:9-10.
De verharding die daar door Jahweh profetisch werd aangekondigd zou in de toekomst, en vooral in de Messiaanse tijd, als een goddelijke vergelding over het ongelovige deel van Israël komen.
De Engelse weergave van dit Schriftdeel luidt volgens de LXX-versie aldus:

And he said, Go, and say to this people,Ye shall hear indeed, but ye shall not understand; and ye shall see indeed, but ye shall not perceive. For the heart of this people has become gross, and their ears are dull of hearing, and their eyes have they closed; lest they should see with their eyes, and hear with their ears, and understand with their heart, and be converted, and I should heal them.

In Mt 13:13-15 verwijst Jezus naar die profetie in de LXX-versie:

Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij niet zien, ook al zien zij, en niet horen, ook al horen zij, en ook niet begrijpen. En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld die zegt:  Met het gehoor zult u horen, maar beslist niet begrijpen; en ziende zult u zien, maar beslist niet opmerken. Want het hart van dit volk is vet geworden, en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen (hsv).

om duidelijk te maken dat de door Jesaja voorzegde verharding van hun hart op dat ogenblik in Jezus’ bediening zichtbaar was geworden. Bijgevolg was ook de goddelijke vergelding al bezig zich te voltrekken aan die Joden die lasterlijk beweerden dat Jezus bij het verrichten van zijn wonderen met Satan samenwerkte; zie Mt 12:22-32.

Hoe kwam de goddelijke straf toen al over hen?
Doordat Jezus de kostbare waarheden betreffende het koninkrijk der hemelen voortaan zorgvuldig verpakte in illustraties of parabels, welke door die Joden met hun hardnekkige gezindheid niet doorgrond konden worden. Erger nog, omdat Jezus niet beantwoordde aan het profiel dat zij persoonlijk van de komende Messias voor ogen hadden, zouden zij door de parabels geheel en al op het verkeerde been worden gezet en concluderen dat Jezus wartaal sprak!

Vergelijk Mt 13:1-12.

Zie ook Paulus' toepassing van Jesaja 6 in Handelingen 28:23-28 in zijn gesprek dat hij te Rome had met enkele vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap aldaar, en hoe ook hij onderscheidt dat hun afstomping en verharding een goddelijke vergelding is voor hun ongeloof.



Misschien heeft u bij het lezen van het Engelse citaat uit de Septuagint Jesaja 6 en Jezus’ verwijzing daarnaar in Mt 13 hierboven, opgemerkt dat ze enigszins afwijken van de gebruikelijke Jesaja tekst -d.i. de zogeheten Masoretische tekst – en milder lijken te klinken.
Het was in de Eerste eeuw gebruikelijk dat de evangelisten en ook Paulus gewoonlijk citeerden uit de Septuagint (LXX), de Griekse weergave van de Hebreeuwse tekst. Maar het is interessant te vernemen dat kenners van de in de LXX getoonde vertaalkwaliteit, hebben vastgesteld dat Jesaja het boek is waarin het Hebreeuws het meest pover door de vertaler is weergeven in het Grieks.
In de Introduction van The SEPTUAGINT Greek and English door Sir Lancelot C.L. Brenton wordt het volgende gezegd over de bekwaamheid van de vele vertalers:

"The variety of the translators is proved by the unequal character of the version : some books show that the translators were by no means competent to the task, while others, on the contrary, exhibit on the whole a careful translation. The Pentateuch is considered to be the part the best executed, while the book of Isaiah appears to be the very worst. In estimating the general character of the version, it must be remembered that the translators were Jews, full of traditional thoughts of their own as to the meaning of Scripture; and thus nothing short of a miracle could have prevented them from infusing into their version the thoughts which were current in their own minds. They could only translate passages as they themselves understood them. This is evidently the case when their work is examined".


Bijgevolg is het waarschijnlijker dat God inderdaad tot Jesaja zei:

Verhard de geest van dit volk, maak zijn oren doof, strijk zijn ogen dicht, opdat het met zijn ogen niet ziet, met zijn oren niet hoort, opdat zijn geest niet begrijpt, opdat het zich niet bekeert, en geen genezing vindt.’
(Js 6:10; WV78)

en niet zoals de LXX weergeeft:
For the heart of this people has become gross, and their ears are dull of hearing, and their eyes have they closed; lest they should see with their eyes, and hear with their ears, and understand with their heart, and be converted, and I should heal them.

Een vergelijking van de Masoretische– met de Septuagint tekst lijdt niet echt tot een ander begrip van de reden waarom Israel zich verhardde voor het Evangelie.
Alleen laat de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst sterker uitkomen dat God zelf dit bewerkte door de aard van de boodschap die hij liet bekendmaken, daarmee onthullend dat de reactie der Joden in zijn goddelijk raadsbesluit besloten lag.
Niettemin kon Israel het slechts zichzelf aanrekenen dat het in ongeloof reageerde. De schuld van hun verharding en verblinding lag bij henzelf.

Wij kunnen dan ook het vertrouwen koesteren dat God toeziet op de correcte bewaring van zijn Woord. Zijn vastberadenheid in dit opzicht komt tot uiting in Js 40:8 >>
Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord van onze God houdt eeuwig stand.

In 1Pt 1:23 verwijst Petrus naar die uitspraak in Jesaja en laat hij de niet te onderschatten kracht daarvan uitkomen. Hij brengt dat levende en blijvende Woord van God namelijk in verband met het begrip van de wedergeboorte. De wedergeboorte [of: wederverwekking], zegt hij, ontstaat niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, d.i. door Gods levend en blijvend Woord.
De conclusie welke daaraan verbonden moet worden is duidelijk: Zaad dat zoiets van zulk een waarde voortbrengt, dient zuiver te blijven; welnu, God zelf ziet er op toe dat dit gebeurt!

Dat het trouwens Gods wens is dat zoveel mogelijk mensen worden gered -doordat zij dankbaar en in geloof het offer van zijn Zoon aanvaarden- blijkt uit heel wat Bijbelpassages:

Dat is goed en welgevallig in de ogen van God, onze Redder, die wil dat alle mensen worden gered en de waarheid nauwkeurig leren kennen.
(1Tm 2:3-4)

Ook geldt voor iedereen Jh 3:16

God had de wereld zozeer lief dat hij zijn eniggeboren Zoon gaf, opdat een ieder die geloof oefent in hem niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben.

En die Zoon zelf wilde ook maar al te graag dat zijn eigen volk, de Joden, redding zou verkrijgen, zelfs de eigenzinnigen onder hen:

Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot u zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild.
(Mt 23:37; Telos)

Maar die zelfde Jezus sprak ook ronduit over Gods vergelding jegens degenen die alles ontkennen wat de heilige geest - voor iedereen waarneembaar - tot stand brengt:

Daarom zeg Ik u: elke zonde en lastering zal de mensen worden vergeven; maar de lastering van de Geest zal niet worden vergeven. En wie een woord spreekt tegen de Zoon des mensen, het zal hem worden vergeven; maar wie tegen de Heilige Geest spreekt, het zal hem niet worden vergeven, niet in deze eeuw en niet in de toekomstige.

Die woorden richtte Jezus tot hen die de grootse daden die hij in de kracht van de geest verrichtte, boosaardig toeschreven aan de Duivel, de heerser der demonen (Mt 12:22-32).
Precies daarom verpakte Jezus de kostbare waarheden betreffende het koninkrijk voortaan zo zorgvuldig in parabels, niet te doorgronden voor die Joden. Integendeel, hun oren zouden voor de hen niet te vatten leringen alsmaar meer toegesloten worden, hun ogen steeds meer dichtgestreken.

Wij hoeven JHWH God op zulke specifieke en andere daden niet te beoordelen; wij kunnen dat trouwens niet eens.
Mozes had met het volk van alles meegemaakt en wat schreef hij aan het einde van 40 jaar rondzwerven met dat - grotendeels hardnekkige – volk?

Jahwe’s naam roep ik uit: Breng hulde aan onze God! Hij is de rots, wat Hij doet is volmaakt, al zijn wegen zijn recht; een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig is Hij en waarachtig.
(Dt 32:3-4; wv)

 

-.-.-.-