Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Het Nieuwe Verbond

Het Nieuwe Verbond

Er zijn een aantal principiële regels van bijbeluitleg die, vooral bij dit toch wel gecompliceerde thema, in acht moeten worden genomen.
Allereerst de profetieën die vanuit het OT worden gebruikt als uitgangspunt.
Wij doelen op Ezechiël 36:22-32Jeremia 31:31-34; Joël 2:28-32, en ook Amos 9:11-12, aangezien het argument van Handelingen 15:13-18 op die profetie is gebaseerd.

Al die profetische aankondigingen zijn gegeven binnen een Eindtijdsetting.

Dit is een eerste omstandigheid waarmee grondig rekening moet worden gehouden om niet van meet af aan de fout in te gaan.
Voor deze profetieën geldt het principe dat zij een toepassing hebben vanaf de Eerste eeuw in de Christelijke gemeente. Geen definitieve vervulling dus, maar een toepassing.

Waarop berust dit beginsel? Voornamelijk op twee punten, t.w.:

1. Aangezien zij Messiaans van karakter zijn, zijn zij toepasbaar in het Messiaanse tijdperk dat met de eerste komst van Yeshua (Jezus) een aanvang nam.
2. Omdat door Jezus bij die eerste aanwezigheid de losprijs werd betaald. Aangezien het bloed werd gestort waarop het Nieuw Verbond berust, was het vanaf die tijd mogelijk om de effectieve kracht van dat bloed, of de voordelen ervan, op de gelovigen in Messias Jezus toe te passen,wat dan ook vanaf de Pinksterdag met de uitstorting van de geest begon plaats te vinden.

Voordat we op de eschatologische [d.i. de leer betreffende de laatste dingen] aard van bedoelde profetieën ingaan, willen we eerst op deze twee punten wat uitweiden:


Ad 1 
Hoewel het Messiaanse tijdperk in de Eerste eeuw begon, werd het geleidelijk duidelijk dat de gezegende kenmerken ervan een voorlopig karakter hadden. 
Uit het probleem waarmee Johannes de Doper in dit opzicht worstelde, kunnen wij enkele dingen leren. Vanuit de gevangenis regelde hij het volgende:

 

En de leerlingen van Johannes berichtten hem over al deze dingen. En Johannes riep een tweetal van zijn discipelen tot zich en zond hen naar de Heer, zeggend: Zijt gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten? Toen nu de mannen bij hem waren gekomen, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons naar u toe gezonden, zeggend: Zijt gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten? In dat uur genas hij velen van kwalen en plagen en goddeloze geesten, en vele blinden begunstigde hij met zien. En in antwoord zei hij tot hen: Gaat heen, bericht Johannes de dingen die jullie gezien en gehoord hebben: blinden zien weer, lammen lopen [weer] rond, melaatsen worden gereinigd en doven horen; doden worden opgewekt, aan armen worden goede tijdingen verkondigd. En gelukkig is degene als hij aan mij geen aanstoot neemt!

 

In het kader van een eerste toepassing van de Elia-profetie uit Maleachi, had Johannes Jezus als de Messias bij Israël geïntroduceerd (Ml 4:5-6).

Maar, zoals veel andere Joden, vroeg ook hij zich af of men wel op het type Messias had gewacht waarin Jezus zich profileerde. Johannes had grootsere dingen verwacht bij de intrede van het Messiastijdperk en zeker niet dat het voor de aankondiger van de Messias op de gevangenis zou uitdraaien!

 

En hoewel uit het antwoord dat Jezus aan hem liet overbrengen, wel degelijk de bewijzen van diens Messianiteit konden worden afgeleid, bleken de wonderen waarvan hij melding maakte alle van voorlopige aard te zijn en bovendien niet algemeen, eerder incidenteel: Alle personen die van een of andere kwaal of ziekte waren genezen, werden toch oud en overleden na verloop van tijd.

Ook de zoon van de weduwe, de eerste van wie tot dan toe wordt vermeld dat Jezus hem opwekte, had het eeuwige leven niet (Lk 7:11-17).

En voor alles: Waarom nam Jezus niet plaats op de troon van David? De Romeinen bleven gewoon aan de macht, zelfs in het land van de Messias! Ogenschijnlijk kwam met deze Messias niet de verlossing voor Israël.

Moeilijk kon Johannes weten dat de heerlijkheden die bij de Messias behoorden, pas bij een tweede komst en de daarop volgende paroesie openbaar zouden worden; zoals naderhand in 1Pt 1:10, 11 aan het licht begon te komen:

Betreffende welke redding profeten hebben uitgezocht en uitgevorst, die over de voor jullie [bestemde] genade profeteerden, terwijl zij onderzochten op welke of wat voor tijd de geest van [de] Messias in hen doelde, tevoren getuigend van het lijden voor[de] Messias en van de heerlijkheden daarna.


Eerst dus het lijden, en pas héél veel later, zoals we nu weten, de heerlijkheden. Precies zoals ook de auteur van de Hebreeënbrief impliceert in Hb 9:25-28


Ook niet opdat hij zichzelf dikwijls [ten offer] zou opdragen, zoals de hogepriester jaarlijks binnengaat in de meest heilige plaats met vreemd bloed; anders moest hij dikwijls lijden sinds [de] grondlegging der wereld. Maar nu is hij eens voor altijd, bij de voleinding der eeuwen, openbaar gemaakt voor terzijdestelling van de zonde door zijn slachtoffer.
En voor zover het voor de mensen is weggelegd eens voor altijd te sterven maar daarna een beoordeling, zo zal ook de Messias, die eens voor altijd 
[ten offer] werd opgedragen om de zonden van velen op zich te nemen, de tweede keer zonder zonde gezien worden tot redding voor hen die hem vurig verwachten.


De ware redding komt pas in beeld [of wellicht beter geformuleerd: wordt voltooid] bij de wederkomst. Intussen zien zij die op de Messias hun hoop stellen vurig naar die tijd uit.
Maar hebben zij niet een nieuwe geboorte ervaren; zijn zij niet tot een nieuwe schepping gemaakt (Titus 3:4-72Ko 5:17)?
Zeker, dat is allemaal waar en in dit opzicht zijn zij begonnen de effectieve kracht van het bloed van het verbond te proeven, maar alles in voorlopige zin (Mt 26:27, 28).

  
Waaruit blijkt dat? O.a. bij ons zelf. Wij zijn slechts nieuwe mensen bij de gratie van de inwoning van de geest. Ons menselijk organisme is nog steeds volledig Adamitisch; bijgevolg kunnen wij de strijd tussen vlees en geest alleen het hoofd bieden in de kracht van die geest (Gl 5:16-17, 24-25Rm 8:9-12).

In dit opzicht blijkt de Romeinenbrief dus erg onthullend te zijn, want hoewel wij als leden van de Gemeente de adoptie ervaren (Rm 8:14-16), staan wij er momenteel in zeker opzicht niet anders voor dan de rest van de schepping:


Want wij weten dat de gehele schepping tot nu toe voortdurend tezamen zucht en tezamen in barensnood verkeert. Dat niet alleen, maar ook wij, die de eerstelingsgave van de geest hebben, ook wij zuchten in onszelf, terwijl wij vurig wachten op de aanneming als zonen, het verlost worden van ons lichaam door loskoop (Rm 8:22, 23).


De adoptieprocedure moet dus nog voltooid worden; de effecten van het bloed van het verbond zijn nu nog beperkt. Wél zijn we dankzij de inwonende geest in het bezit van het onderpand van wat er in de toekomst, bij de paroesie, komen zal. En uiteraard is dat een buitengewoon grote gunst (2Ko 1:22).

Ad 2 
Tijdens Jezus’ laatste bijeenkomst met zijn leerlingen in de bovenzaal stelde hij het Avondmaal in.
Volgens Lukas (22:20) zou Jezus bij het rondgaan van de beker deze woorden hebben gesproken:


Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn bloed, dat ten behoeve van jullie vergoten zal worden.


Waar komen zijn woorden op neer? Hij maakt melding van het Nieuwe Verbond uit Jeremia 31 en verklaart dat de basis voor dat verbond mijn bloed zal zijn. Verder laat hij uitkomen dat dit bloed (ook) ten behoeve van hen vergoten zal worden, zoals de volgende middag ook gebeurde. Mt 26:28 laat uitkomen dat inderdaad velen meer begunstigd zullen worden met de effectieve kracht van dat bloed, met de woorden: dit betekent mijn ’bloed van het verbond’, dat ten behoeve van velen vergoten zal worden tot vergeving van zonden.

Paulus beperkt zich in 1 Kor 11:25 tot slechts de verklaring: Deze beker betekent het nieuwe verbond in mijn bloed.

Hoe dan ook, Jezus spreekt er niet over dat hij dit Nieuwe Verbond nu ook met hen gaat sluiten.
Eerst enkele momenten later spreekt hij over het sluiten van een verbond met de overgebleven getrouwe apostelen, maar in dat verband brengt hij een heel andere regeling ter sprake (Lk 22:28-30):

Maar
 jullie zijn degenen die voortdurend bij mij zijn gebleven in mijn beproevingen. En ik beschik jullie, gelijk mijn Vader mij beschikte, een koninkrijk; opdat jullie in mijn koninkrijk aan mijn tafel mogen eten en drinken, en op tronen mogen zitten, oordelend de twaalf stammen van Israël.


Wat gebeurt hier?
Jezus maakt melding van het feit dat zijn Vader hem persoonlijk een koninkrijk beschikte, een bestemming die al lang geleden in Psalm 110:4 was vastgelegd:

 

YHWH heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Gij zijt priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek".


Melchizedek, de koningpriester, was destijds koning van Salem (Gn 14:18).

 

Ivm Melchizedek en zijn profetische Tegenhanger, de Mashiach, zie:

Geschikt om volmaakte Hogepriester te zijn.

 

In zijn koninkrijk zal Jezus evenzo Koning-Priester zijn op grond van Gods eed aan hem. In dat priesterlijke koninkrijk betrekt Jezus op zijn beurt zijn Gemeentelijke Lichaam, van wie de getrouwe apostelen hier - in Lukas 22 - als de representanten dienen. Dat moge o.a. blijken uit een fragment van het gebed dat Jezus later op die avond tot de Vader zou richten:


Niet alleen betreffende dezen doe ik een verzoek, maar ook betreffende hen die door hun woord geloof in mij stellen, opdat zij allen één mogen zijn (Jh 17:20-21).

Dit verzoek heeft zich door de eeuwen heen helemaal tot ons uitgestrekt: Op grond van het apostolische onderwijs is het ons, naast alle generaties die ons vooraf zijn gegaan, vergund geworden tot geloof te komen in de Messias. De Gemeente is gefundeerd op het getuigenis der apostelen.

 

Bijgevolg delen wij met de apostelen in hun geloof. Er is wat dat betreft sprake van eenheid.
In zijn beschikking van het koninkrijk betrekt Jezus daarom uiteindelijk zijn voltallige Bruidsgemeente. In zekere zin is het alsof een bruid uit een adellijke familie door huwelijk wordt verbonden aan een regerende monarch. Aldus geraakt zij in een positie waarin zij in zijn koninkrijksheerschappij deelt. 

Maar dit verklaart ook meteen waarom wij niet lezen dat Jezus met hen die avond het Nieuwe Verbond sloot, want voor dat Verbond geldt

adat het niet met de Christelijke Gemeente wordt gesloten, maar met het Israël naar het vlees (1Ko 10:18), en wel als een hernieuwd huwelijksverbond tussen YHWH en de Joodse gemeente; en

b. dat de tijd daarvoor pas aanbreekt in de dagen van de Eindtijd.


En met die verifieerbare feiten zijn we terug bij het profetische woord. 

In Jr 31:31-34 lezen we immers het volgende:

Zie
! Er komen dagen, verzekering van YHWH, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een Nieuw Verbond zal sluiten. Niet één gelijk het Verbond dat ik met hun voorvaders heb gesloten op de dag dat ik hen bij de hand vatte om hen uit het land Egypte te leiden, mijn Verbond dat zij verbroken hebben, terwijl ik hen als echtgenoot bezat. Maar dit is het Verbond dat ik na die dagen met het huis van Israël zal sluiten, luidt het woord van YHWH: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen, en die in hun hart schrijven. En ik zal hun tot God zijn en zíj zullen mij tot volk zijn. En zij zullen niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren, door te zeggen: Kent YHWH, want zij allen zullen mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord van YHWH. Want ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonde zal ik niet meer gedenken.


Dat hier sprake is van Gods terugkeer tot zijn Israëlitische Vrouwgemeente, doordat hij zijn Verbond met hen vernieuwt, daarvan spreekt het gedeelte voor zich. 
Een zekere bijbelgeleerde die het boek Jeremia zowel heeft vertaald als van commentaar voorzien, heeft dus helemaal gelijk als hij schrijft:


De partijen van het Verbond blijven dezelfde: YHWH en Israël; vroeger de vaderen, nu de afstammelingen. Het vroegere Verbond werd gesloten bij de Uittocht uit Egypte; het is het Verbond van de Sinaï. Dit volgt eveneens uit het feit dat het Nieuwe Verbond geschreven wordt in het hart, een zinspeling op het vroegere Verbond dat op stenen tafelen werd geschreven. In die dagen had YHWH zich over het volk ontfermd en het uit Egypte gevoerd. In zijn ondankbaarheid heeft het volk zich niet aan de gesloten overeenkomst gehouden (Hosea 11:1-2). 


Het Oude verbond werd dus gesloten bij de Sinaï, tijdens de Uittocht. Waar ligt dat tijdstip bij het Nieuwe Verbond? De hierboven geciteerde auteur verwees naar Israëls ontrouw zoals beschreven en afgebeeld in bijbelboek Hosea. En daar ook vinden we het antwoord op onze vraag: In de 'story' van Hosea en Gomer. Want daarin wordt op treffende wijze de historische gang van zaken verbeeld wat betreft de eeuwenlange verhouding tussen YHWH en zijn Vrouwgemeente Israël.

Na een aanvankelijke breuk met Gomereen vrouw van hoererij, neemt Hosea op Gods aanwijzing die vrouw toch als echtgenote terug.

Zie vooral de gedeelten Hs 1:2, 10; 2:17-20 en 3:1-5.


Uit Hs 3:4-5 wordt ons duidelijk dat het herstel van de verhouding tussen YHWH Elohim en Israël pas gaat plaats vinden in de Eindtijd, wanneer
David, hun koning door hen 'gezocht' zal worden, naast YHWH, hun God.

Het is omdat de zonen van Israël vele dagen zonder koning en zonder vorst en zonder slachtoffer en zonder zuil en zonder efod en terafim zullen wonen. Daarna zullen de zonen van Israël terugkeren en stellig JHWH, hun God, en David, hun koning, zoeken; en zij zullen stellig sidderend tot JHWH en tot zijn goedheid komen, in het laatst der dagen.

Dat pas in die tijd, in het laatst der dagen, Gods huwelijksverbond met de natie wordt vernieuwd, wordt ook gesuggereerd in Hs 2:19, 20


En ik wil u voor onbepaalde tijd aan mij verloven, en ik wil u aan mij verloven in rechtvaardigheid en in gerechtigheid en in liefderijke goedheid en in barmhartigheden. En ik wil u aan mij verloven in getrouwheid; en gij zult YHWH stellig kennen.

Let, behalve op het gehanteerde taalgebruik dat zinspeelt op het gegeven dat YHWH zijn ontrouwe vrouw terugneemt, vooral ook op de zinsnede: en gij zult YHWH kennen.
Voor velen zal het een verrassing zijn dat al - meer dan een eeuw vóór Jeremia - met die verklaring op één van de belangrijke condities van het Nieuwe Verbond werd gezinspeeld: Men zal YHWH kennen, van de geringste tot de grootste onder hen (Jr 31:34). 

 

Zie de studie >> Een historisch geval van huwelijksontrouw

 

Daarmee wordt het idee dat het Nieuwe Verbond gesloten zou zijn met de wedergeboren Israëlieten in 33 AD, absoluut weersproken. Die Joden keerden beslist niet terug in een herstelde huwelijksverhouding met God, maar gingen in plaats daarvan als eersten deel uitmaken van de Bruid, de Vrouw van het Lam, de Christelijke Vrouwgemeente!

Wedergeboorte zal echter ook aan de orde zijn wanneer Israël in de Eindtijd in haar huwelijksverhouding tot YHWH, haar Elohim, zal worden hersteld!

Toen Mashiach Yeshua namelijk in een vroeg stadium van zijn bediening een gesprek had met een leraar van Israël – Nikodemus, die heimelijk in de nacht tot hem was gekomen - bleek ook bij hem het zwaartepunt te liggen op de geest van wedergeboorte, want vooral over de werking daarvan weidde hij uit (Jh 3:5-8), een punt dat ook geregeld terugkeert in de herstelprofetieën.

Zie ondermeer Ez 36:25-27, maar merk daarbij tevens op dat in dergelijke profetische aankondigen van herstel ook steevast de terugkeer uit de diaspora wordt betrokken (vers 28):

 

Ik zal rein water over op jullie sprenkelen, en jullie zullen rein worden. Van al jullie onreinheden en van al jullie afgoden zal ik jullie reinigen. Een nieuw hart en een nieuwe geest zal ik in jullie binnenste geven. Het hart van steen zal ik uit jullie lichaam wegnemen en ik zal jullie een hart van vlees geven. Mijn geest zal ik in jullie binnenste geven en maken dat jullie in mijn inzettingen wandelen en ijverig mijn verordeningen onderhouden. Jullie zullen wonen in het land dat ik jullie vaderen gegeven heb. Jullie zullen mij tot een volk zijn en ik zal jullie tot God zijn.

Treffend in dit opzicht is ook het Schriftdeel Jr 32:37-41, waarin de hierboven reeds genoemde elementen worden teruggevonden: Terugkeer uit alle landen waarheen zij verstrooid waren; het sluiten van het Verbond en de werking van de geest in hun hart om hen tot nieuwe mensen, een ‘nieuwe schepping’ te maken:


Zie, ik ga hen bijeenbrengen uit al de landen waarheen ik hen in mijn toorn, in mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid verdreven zal hebben, en ik zal hen terugbrengen naar deze plaats en hen onbezorgd doen wonen. Zij zullen mij tot een volk zijn, en ik zal hun tot God zijn. Ik zal hun één hart en één weg geven om mij te vrezen, alle dagen, hun ten goede, en hun kinderen na hen. Ik zal een eeuwig Verbond met hen sluiten, dat ik mij van achter hen niet zal afwenden, opdat ik hun goeddoe. En ik zal mijn vrees in hun hart geven, zodat zij niet van mij afwijken. Ik zal mij over hen verblijden en hun goeddoen. En ik zal hen in getrouwheid in dit land planten, met heel mijn hart en met heel mijn ziel.

 
In Jeremia staan deze profetieën gewoonlijk in een context van de (typologische) bevrijding uit de gevangenschap in Babel. Dit komt omdat het uiteindelijke herstel van de Joodse Vrouwgemeente evenzo met een bevrijding gepaard zal gaan, maar dan vanuit een geestelijke gevangenschap van een veel groter (gevallen) Babylon. VandaarGaat uit van haar mijn volk, uit haar! 

Zie: Op 18:1-8.

Overigens is ook bij Jeremia zelf, zoals bij zijn aankondiging van het Nieuwe Verbond in Jr 31:31, de factor tijd te verifiëren. Hij leidt zich namelijk in met de woorden: 
Zie! Er komen dagen, is de uitspraak van YHWH. 
Die frase komen we meer tegen in Jeremia als een aanduiding om ons te verplaatsen naar het Messiaanse tijdperk, in het bijzonder in de tijd van de wederkomst, wanneer de heerlijkheden aanbreken (1Pt 1:11).
Jr 23:5-8 is daarvan een goed voorbeeld:


Zie, er komen dagen, spreekt YHWH, dat ik voor David een rechtvaardige Spruit zal doen opstaan. Hij zal als koning regeren en verstandig handelen, hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde. In zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël onbezorgd wonen. Dit zal zijn naam zijn waarmee men hem noemen zal:

YHWH ONZE GERECHTIGHEID.

Daarom zie, er komen dagen, spreekt YHWH, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar YHWH leeft, die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte, maar: Zo waar YHWH leeft, die het zaad van het huis van Israël geleid heeft en die het gebracht heeft uit het land in het Noorden en uit al de landen waarheen ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun eigen land.

 
Ook in de Ezechiël profetieën worden wij naar de eindtijd overgeplaatst. Let op bepaalde zinsneden die daarop duiden. Zie buiten Ez 36:22-28 als voorbeeld ook Ez 34:23-25.

Ik zal over hen één Herder doen opstaan en die zal hen weiden: Mijn knecht David. Híj zal hen weiden en híj zal een herder voor hen zijn. En ik, YHWH, zal een God voor hen zijn, en mijn Knecht David zal vorst zijn in hun midden. Ik, YHWH, heb gesproken. Ik zal een Verbond van vrede met hen sluiten en de wilde dieren uit het land wegdoen. Zij zullen onbezorgd wonen in de wildernis en slapen in de wouden.

 
Als de vervulling voor het volk Israël komt, zal dat ook in hun geval er toe leiden dat zij tot nieuwe mensen worden gemaakt, dus tot een nieuwe schepping worden. Waarom is dat nodig? 
Omdat zij, als het aardse deel van het Abrahamitische zaad, de zichtbare vertegenwoordigers zullen zijn van het Nieuwe Jeruzalem, in het bijzonder wat betreft de vervulling van de belofte
en in uw zaad zullen alle natiën gezegend worden.

De positie die zij daarbij op aarde zullen gaan innemen, wordt o.a. profetisch aangegeven in zulke schriftdelen als Ex 19:6Ps 45:16Js 32:1; 61:6.

Kennelijk zal dat dan niet langer meer gebeuren in een voorlopige zin zoals in het geval van de christelijke gemeente. Het Nieuwe verbond is dan immers ten volle van kracht geworden en dus is de tijd gekomen om de effecten van het loskoopoffer zonder enige beperking toe te dienen.

Kortom, de leden van de Grote Schare - d.i. de getrouwe joodse Rest die door de Grote Verdrukking heengevoerd wordt - zullen als eersten door het Lam naar de bronnen van de wateren des levens van Op 7:17 geleid worden.

 

Zie het Studiedeel Op 7:9-17 dat nader uitweidt over de profetieën van herstel in Jesaja 49.

Als verdere profetische bewijsplaatsen voor dat komende herstel verwijzen wij ook naar Jr 30:1-9 en Dn 12:1, 10.

Bijzonder is het, om aan de hand van de bekende sleuteltekst Rm 11:25 te constateren, dat in die zelfde fase van Gods reddingsplan de Christelijke Gemeente haar bestemming ten volle bereikt; het tijdperk van het onderpand is dan voorbij:
En
op deze wijze zal heel Israël worden gered, d.i. het Israël Gods zoals ze wordt vertegenwoordigd door de twee Gemeentes waarover het in de Bijbel voornamelijk gaat (Rm 11:26). 

Zie de studie van Romeinen 11.

 

-.-.-.-