Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Elia, een mens van dezelfde gevoelens als wij

Elia, een mens van dezelfde gevoelens als wij

 

Klik hier voor ‘smal’ lezen

 

Inleiding

1 Koningen 17

De 3½ jaar

Geestelijke hongersnood

Elia- en Elisaperiode 

Andere beelden:

    Naboth

    Kaalkop

    Een werking van dwaling

    Jehu en Jonadab

    Elisa en de Opstanding

 

Inleiding

 

Elia was een mens van dezelfde gevoelens als wij, en hij bad met aandrang dat het niet zou regenen, en het regende drie jaar en zes maanden niet op de aarde (Jk 5:17)

 

Met de vermelding van Elia richtte de bijbelschrijver Jakobus, halfbroer van de Messias, de aandacht van de Messias belijdende Joden onder zijn broeders op de eindtijd en Jezus’ paroesie [tegenwoordigheid], zoals hij eerder deed in Jk 5:8.

Dan zal namelijk de tweede 'Elia' verschijnen waardoor de profetie van Maleachi volledig in vervulling zal gaan:

 

Zie, ik ga u de profeet Elia zenden voordat de dag van Jahwe komt, de grote, vreeswekkende dag. En hij zal het hart van de vaders naar de zonen keren en het hart van de zonen naar de vaders, zodat ik niet behoef te komen om het land met de ban te slaan.

(Ml 4:5-6; wv78)

 

Op grond van deze profetie hebben veel godsdienstige Joden door de eeuwen heen vol verwachting uitgezien naar de komst van 'Elia'. Zij hebben zelfs reeds een stoel voor hem gereed staan om hem, wanneer het zover is, met alle respect te ontvangen.

Maar zal 'Elia' letterlijk in persoon verschijnen, of is het wellicht zo dat een groep van personen - misschien wel het door JHWH God voor de eindtijd voorzegde godvruchtig joods overblijfsel - op het religieuze toneel van de wereld zal verschijnen om, naar het voorbeeld van Elia, een overeenkomstige profetentaak te vervullen? Op grond van het Profetische woord geloven wij stellig dat Gods Woord precies dát laatste te kennen geeft.

 

Een andere vraag die vervolgens gesteld kan worden luidt: Zal het joodse volk als geheel dan bereid zijn om aan zo’n 'Elia' gehoor te geven?

Een aperte vraag? Beslist niet! Vooral wanneer we in aanmerking nemen hoe hun voorvaders handelden met Johannes de Doper die destijds, in de Eerste eeuw, een voorbereidend werk verrichtte voor de intrede binnen Israël van de joodse Messias Jezus. Johannes verrichtte daarmee niet alleen op kleine schaal een 'Eliawerk', maar diende tevens als een prototype van de 'Elia' die in de eindtijd zal optreden; ook dan in samenhang met de (definitieve) vestiging van Jezus’ Messiasrijk van duizend jaar.

 

Wat Jezus persoonlijk dienaangaande heeft gezegd, geeft beslist te denken, vooral wanneer we Mt 17:10-13 lezen, waar de conversatie wordt verhaald die ontstond nadat drie van zijn leerlingen getuige waren geweest van het transfiguratievisioen, waarin ook 'Elia' was verschenen:

 

En de leerlingen vroegen hem, zeggend: Hoe kunnen dan de schriftgeleerden zeggen dat Elia eerst moet komen? Hij nu zei ten antwoord: Elia komt inderdaad en zal alle dingen herstellen, maar ik zeg jullie dat Elia reeds kwam [in de persoon van Johannes die toen op kleine schaal een 'Elia' werk verrichtte; zie Ml 3:1] en zij kenden hem niet maar deden hem alles aan wat zij maar wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hen lijden ondergaan. Toen begrepen de leerlingen dat hij tot hen over Johannes de Doper sprak.

 

Aan de hand van die uitspraak kunnen alle Joden definitief tot de conclusie komen dat hun verlangen naar de komst van 'Elia' in vervulling zal gaan. In de snel naderende eindtijd, wanneer de 70e Jaarweek voor Israël aanbreekt, ontvangen zij allen de gelegenheid hun voornemen om 'Elia' te ontvangen, waar te maken. Maar de kardinale vraag blijft: "Zullen zij van harte met de missie van die 'Elia' instemmen. Zij weten heus wel wat die missie inhoudt, tenminste op papier. Nogmaals Maleachi: Zie, ik zend jullie de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van JHWH komt; hij zal het hart der vaders terugbrengen tot dat der kinderen en het  hart der kinderen tot dat van hun vaders; opdat ik niet kom en het land met de ban tref.

 

Die profetische aankondiging welke de Joden altijd zo heeft geïntrigeerd, is duidelijk eschatologisch en moet daarom haar uiteindelijke vervulling krijgen in de 70e Week. Zie: Dn 9:24-27.

 

1 Koningen 17

 

Elia was een mens van dezelfde gevoelens als wij, en hij bad met aandrang dat het niet zou regenen, en het regende drie jaar en zes maanden niet op de aarde.

En hij bad wederom, en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort (Jk 5:17-18)

 

In de Bijbel wordt alleen van het tweede gebed melding gemaakt; of beter: erop gezinspeeld. In 1Kn 18:42 zien we Elia de vuurproef op de top van de Karmel neerhurken, kennelijk om in gebed God te verzoeken de 3½-jarige periode van droogte te beëindigen.

In de Hebreeuwse Geschriften zelf wordt niet specifiek vermeld dat Elia bad dat het niet zou regenen, ofschoon hij wel tevoren de droogte aankondigde:

 

En Elia, de Tisbiet, uit de bewoners van Gilead, sprak voorts tot Achab: Zo waar JHWH, de God van Israël, leeft, voor wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij op bevel van mijn woord! (1Kn 17:1).

 

Met deze aankondiging aan de goddeloze Achab en diens heidense gemalin, koningin Izebel, nam Elia’s profetische loopbaan een aanvang. Dat geschiedde in een tijd waarin het geloof binnen het verdorven Tienstammenrijk steeds meer afnam, precies zoals in deze moderne tijd het geval is.

Hoe goddeloos zijn zes voorgangers ook waren geweest, Achab was nog erger. Hij liet niet alleen de verdorven kalveraanbidding die door Jerobeam was ingevoerd in het land voortduren, maar hij trouwde ook met de buitenlandse prinses Izebel die van kindsbeen af door Baälaanbidding omringd was geweest, aangezien haar vader, Ethbaäl, een priester van Astoreth (Baäls vrouw) was. Door het plegen van diverse moorden was Izebel er in geslaagd zichzelf meester te maken van de troon van het rijk Sidon, dat ten Noorden van Israël was gelegen.

 

Eenmaal gehuwd met de moreel zwakke Achab was het voor Izebel eenvoudig een krachtiger vorm van de Baälaanbidding in Israël te vestigen dan het land ooit gekend had. En het duurde niet lang of Achab liet in Samaria een tempel voor Baäl bouwen; ook richtte hij een altaar voor die valse god op. Zie: 1 Koningen 16:30-33.

Al vlug ook dienden er in Samaria 450 profeten van Baäl, alsook 400 profeten van de godin Asjera en zij allen aten van de koninklijke tafel (1Kn 18:19). Fallussymbolen, vruchtbaarheidsriten, manlijke en vrouwlijke tempelprostituees, ja, zelfs het offeren van kinderen, waren enkele van de uiterlijke kenmerken van deze weerzinwekkende godsdienst, religieuze uitwassen die overigens met Achabs goedkeuring onbelemmerd binnen het Tienstammenrijk werden verbreid.

De gevolgen daarvan laten zich gemakkelijk raden: Miljoenen Israëlieten keerden JHWH God, Israëls Heilige, de rug toe. Voor hen was het voortaan Baäl die het land aan het einde van het droge seizoen met regens zegende. Elk jaar zagen zij hoopvol op naar deze ’Wolkenberijder’, deze zogenaamde god van de vruchtbaarheid en van het regenseizoen, om een eind te maken aan de droge periode. Jaar na jaar kwamen de regens. Jaar na jaar werd de eer aan Baäl gegeven. 

Maar toen, geheel onverwacht en als het ware uit het niets - als een donderslag bij heldere hemel om zo te zeggen - verscheen daar Elia, de Tisbiet. Waarschijnlijk aan het einde van een lang zomerseizoen zonder regen kondigde hij met de woorden van 1Kn 17:1 een langdurige periode van droogte aan, juist op het moment dat het volk verwachtte dat Baäl de levengevende regens zou brengen.

Afkomstig uit de ruige heuvels van Gilead en gehuld in zijn eenvoudige haren kleed, had hij hij zich kennelijk tot binnen het koninklijk paleis gewaagd toen hij tot Achab zei: Zo waar JHWH, de God van Israël, leeft, voor wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij op bevel van mijn woord!

Op de plaats waar de aanbidding van Israëls ware God nagenoeg was uitgeroeid, laat deze dappere profeet aan Achab weten dat die god van hem, die Baäl, machteloos is; dat hij helemaal niets vermag: De komende jaren zal er geen regen of dauw zijn!

Meer dan duizend jaar na die aankondiging vertelde Jezus’ halfbroer Jakobus ons dat Elia een mens [was] van dezelfde gevoelens als wij, en [toch]  bad hij met aandrang dat het niet zou regenen, en drie jaar en zes maanden regende het niet op de aarde (Jk 5:17).

Elia was dus geen supermens, het enige waarop hij vertrouwde was het feit dat hij daar, in Achabs paleis, in werklijkheid voor een veel hogere troon stond dan die van Achab: Zo waar JHWH, de God van Israël, leeft, voor wiens aangezicht ik sta.

Wat had Elia, bezien vanuit dat standpunt, te vrezen van Achab, een nietige menselijke vorst die bovendien Gods zegen had verloren! En ongetwijfeld was het de profeet ook bekend dat JHWH God zijn volk al lang geleden had gewaarschuwd dat hij hen met droogte en hongersnood zou treffen als zij zich tot de aanbidding van valse goden zouden wenden (Dt 11:16-17). Hij kon dus vol vertrouwen zijn dat JHWH hem nabij was en hem steunde, te meer daar hij zeer waarschijnlijk in gebed God had verzocht dát profetische woord nu ook werkelijk waar te maken.

Niettemin was het directe resultaat van het nederig gehoor geven aan Gods leiding dat zijn leven in gevaar kwam te verkeren. Om in leven te blijven moest hij vol geloof Gods instructies opvolgen:

 

Ga weg vanhier, wend je naar het Oosten en verberg je bij de beek Krith, die aan de overzijde van de Jordaan stroomt. En het zal gebeuren dat je uit de beek zult drinken. Verder heb Ik de raven geboden om je daar van voedsel te voorzien.

1Kn 17:3-4

http://www.schriftstudies.tk/imghost/Elia%20-%20raven.jpg

Elia gehoorzaamde onmiddellijk. Indien hij de droogte en de hongersnood die zijn land troffen, wilde overleven, moest hij zich verlaten op alle voorzieningen die JHWH God voor hem zou treffen. Maar dat betekende wel dat hij zich schuil moest houden en maanden achtereen volledig geïsoleerd leven, en ja, dat hij zelfs  vlees en brood zou moeten eten dat hem door raven - aasetende vogels die in de Mozaïsche wet als onrein beschouwd werden - gebracht zouden worden!

Maar in de gegeven situatie waren juist die creaturen voor JHWH de ideale keuze. Niemand zou immers verwachten dat deze onbeduidende, onreine vogels die met hun stukjes voedsel de wildernis in vlogen, in feite Elia voedden, die door Achab en Izebel in alle koninkrijken rondom werd gezocht (1Kn 18:10).

 

De vervulling in tegenbeeld van dit opvallende, ‘onjoodse’ tafereel mogen wij kennelijk verwachten tijdens de Eerste helft van 3½ jaar van de laatste, de 70ste Jaarweek uit Daniël 9.

Elia verrichtte zijn werk binnen het Tienstammenrijk toen, naar hem later bleek, er slechts een Overblijfsel van ware aanbidders van Jahweh, hun Elohim, aanwezig was (1Kn 19:18 >> Jahweh had er 7000 overgelaten, allen die de knieën niet gebogen hadden voor de Baäl).

Het zelfde was het geval toen Johannes de Doper als eerste de Eliataak in tegenbeeld vervulde. Ook toen reageerde slechts een Overblijfsel in het gebied van Israël gunstig op zijn oproep.

 

In de 70ste Week, wanneer het Nieuwe Verbond met Israël zal worden gesloten, zal opnieuw een Overblijfsel binnen Israël verwekt worden om de Eliataak werkelijk ten uitvoer te brengen, in de omvang zoals in de voorzegging van Maleachi werd bedoeld: Voordat de dag van YHWH komt, de grote, vreeswekkende dag .

Het zeer belangrijke kenmerk van het Nieuwe Verbond, de uitstoring van de geest, zal dan in die Overgeblevenen zichtbaar zijn en wel precies zoals reeds door de apostel was aangegeven (in Rm 2:28-29):

 

Want niet hij is Jood die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt. Maar hij is Jood die het in het verborgene is, en besnijdenis is die van het hart, in geest, niet naar de letter; wiens lof niet uit mensen is, maar uit God. 

 

Micha 5 in het bijzonder, heeft al lang geleden de tweevoudige taak van dat Elia-overblijfsel profetisch geschilderd en wel in samenhang met

 

het werkelijke koningschap van de Messias, hij, de Rechter van Israël die eens op de wang werd geslagen, maar die dan zal optreden in de sterkte van Jahweh, in de majesteit van de naam van Jahweh, zijn God. En zij zullen veilig wonen, want nu zal hij groot zijn tot aan de einden der aarde. En deze moet vrede worden (de vv 1 en 4-5).

 

zijn grote Tegenspeler in die beslissende wereldfase: de Assyriër, Nimrod in tegenbeeld, de joodse Pseudomessias:

Wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij onze paleizen zal betreden, zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan en acht vorsten uit de mensen. Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard, het land van Nimrod met getrokken zwaarden. Zo zal hij ons redden van Assur, wanneer die in ons land zal komen en wanneer die ons gebied zal betreden (de vv 5 en 6; HSV).

 

t.w.:

De overgeblevenen van Jakob zullen zijn te midden van vele volken als dauw van Jahweh, als regendruppels op het gewas, dat niet uitziet naar iemand en niet hoopt op mensenkinderen.

 

in grote tegenstelling derhalve met wat Elia aankondigde voor het Israël van Achab: Zo waar JHWH, de God van Israël, leeft, voor wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij op bevel van mijn woord!

Dat dit Jakob-overblijfsel te midden van de Heidenvolken als verfrissende dauw zal zijn herinnert ons aan Jezus’ parabel van de schapen en bokken, de wijze waarop in die dagen de Gojim zullen worden ingedeeld voor de troon van de Messiaanse koning: de schapen zal hij aan zijn rechterhand plaatsen, maar de bokken aan zijn linkerhand.

 

En waarom valt de schapen die gunst ten deel? De koning geeft hun zelf het antwoord: Voor zoveel jullie het hebben gedaan aan één van de geringsten van deze broeders van mij, hebben jullie het aan mij gedaan. Wellicht zinspelend op de wijze waarin Elia werd bijgestaan door de raven, onreine aasetende vogels.

 

Maar anderzijds ook, en daarbij eveneens denkend aan de schapen en bokken, maar dan vooral aan de laatsten, de bokkige tegenstanders onder de Heidenvolken:

De overgeblevenen van Jakob zullen onder de Heidenvolken zijn – te midden van veel volken – als een leeuw onder de dieren van het woud, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt, en er is niemand die redt.

Zie: Schapen en Bokken

En merk daarbij tevens op dat zowel in Micha 5 als in Mattheüs 25 melding wordt gemaakt van de Heidenvolken, de Gojim respectievelijk de Ethnè; in het meervoud derhalve. Dat moet wel als consequentie hebben dat de leden van het joodse Overblijfsel zich dan eveneens overal op aarde te midden van die volken zullen bevinden. Een conclusie overigens die ook uit Mt 24:14 getrokken moet worden. Daarin immers werd door onze Heer zelf voor de 70ste Week voorzegd dat dit zelfde Overblijfsel het dan opgerichte Messiasrijk als goede tijdingen zou verkondigen in heel de oikoumenè [bewoonde wereld] tot een getuigenis aan alle Heidenvolken, alvorens het einde zal komen.

Maar terug naar Elia bij de Krith: Toen namelijk na enige tijd de stroom droog viel, gaf JHWH zijn profeet een volgende reeks instructies.

 

Sta op, ga naar Sarfath, dat aan Sidon toebehoort, en woon daar. Zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden om je van voedsel te voorzien.

1Kn 17:7-9.

Naar Sarfath! Maar die plaats behoorde aan de stad Sidon, waar Izebel vandaan kwam en waar haar eigen vader als koning geregeerd had! Kon het daar ooit veilig zijn? Wellicht dat Elia zich die vraag gesteld heeft. Maar wij lezen: Daarop maakte hij zich gereed en ging naar Sarfath (1Kn 17:10).

En die gehoorzame houding werd snel beloond. Precies zoals was voorzegd ontmoette hij niet alleen de weduwe maar trof hij in haar ook juist dat soort geloof aan dat zijn landgenoten zozeer ontbeerden. Weliswaar had zij nog slechts net genoeg meel en olie om een laatste maaltijd voor zichzelf en haar jonge zoon te maken. Toch was zij zelfs in haar uiterst behoeftige omstandigheden bereid eerst voor Elia brood te maken, vertrouwend op zijn belofte dat JHWH [uw God] haar kruik met olie en haar kruik met meel gevuld zou houden zolang dat nodig was (1Kn 17:10-16).

Geen wonder dat Jezus zijn ongelovige tijdgenoten aan het voorbeeld van deze gelovige weduwe herinnerde toen hij Israëls ongeloof aan de kaak stelde:

 

Ik zeg jullie naar waarheid: Er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israël, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood kwam over heel het land, en tot niemand van hen werd Elia gezonden dan naar Sarepta van Sidon, tot een vrouw, een weduwe. Lukas 4.

In weerwil van dit wonder werd het geloof van zowel de weduwe als van Elia vervolgens zwaar beproefd. Haar zoon stierf plotseling. Door verdriet overmand kon de vrouw alleen maar veronderstellen dat deze tragische klap iets te maken moest hebben met de aanwezigheid van Elia, de man van de ware God.

Zij vroeg zich af of zij soms gestraft werd voor een in het verleden begane zonde.

 

http://www.schriftstudies.tk/imghost/kind%20Sunem.jpg

 

Maar Elia nam haar levenloze zoon uit haar armen en droeg hem naar een bovenkamer. Hij wist dat JHWH God in nog veel meer dan onderhoud kon voorzien. Hij is immers de bron van het leven zelf (Ps 36:10)!

Dus bad Elia vurig en herhaaldelijk dat het leven [de ziel] van het kind in hem mocht terugkeren. De vreugde van zijn moeder moet overweldigend zijn geweest toen Elia haar zoon bij haar bracht met de eenvoudige woorden: Zie, je zoon leeft! (1Kn 17:17-24).

De weduwe van Sarfath - een Heidin in het gebied waar Duivelse godsdienstigheid de overhand had – voorafschaduwde kennelijk eveneens de ‘Schapen’ van Mattheüs 25 die in de Eindtijd het Elia-Overblijfsel te hulp zal schieten. Daarvoor zullen zij de zelfde goede reden hebben als die weduwe van weleer, maar ook als die van de heidense Rachab die met haar familie de ondergang van Jericho overleefde omdat zij in geloof de Israëlitische verspieders gastvrij ontving en later verborg (Jozua 6:22-25).

Die beweegreden ziet er aldus uit: Wij gaan met jullie mee, want wij hebben gehoord: God is met jullie (Zc 8:23).

Zie ook: Het oordeel van Mattheüs 25, waaruit de waarheid blijkt van Mt 10:40-42 ≥

Wie jullie ontvangt, ontvangt mij, en wie mij ontvangt, ontvangt hem die mij zond. Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is, zal het loon van een profeet krijgen, en wie een rechtvaardige opneemt omdat hij een rechtvaardige is, zal het loon van een rechtvaardige krijgen. En wie één van deze kleinen een beker koud water te drinken geeft omdat hij een leerling is, Ik verzeker jullie, zijn loon zal hem beslist niet ontgaan.

 

De weduwe van Sarfath die haar gestorven zoon terugontving, ervoer dat ‘loon’ in voorafbeelding (Hb 11:1-2, 32, 35).

 

De 3½ jaar

 

Zowel Jezus als Jakobus hebben verklaard dat het drie jaar en zes maanden niet regende in het land. Toch wordt er over Elia gezegd dat hij in het derde jaar voor Achab verscheen om een eind te maken aan de droogte, kennelijk doelend op de periode die gerekend moet worden vanaf de dag dat hij de droogte aankondigde. Bijgevolg moet onze conclusie zijn dat die eerste aankondiging plaats moet hebben gehad nadat er reeds een lang, droog seizoen zonder regen was geweest.

Zie 1Kn 17:1; 18:1-2; Lk 4:25-26; Jk 5:17.

De periode van 3½ jaar, of 3½ tijd, keert dan ook heel specifiek terug in het Profetische woord.

 

Zo weten wij nu al dat het Joodse Overblijfsel van de 70ste Jaarweek het Millenniumrijk van Messias Jezus gedurende de tweede helft van 3½ jaar van die Week zal aankondigen in geheel de bewoonde aarde, tot getuigenis van alle Heidenvolken (Mt 24:14). Eerst na afloop daarvan zal het einde komen

In Openbaring, hoofdstuk 11, worden wij dienaangaande bij voorbaat uitgebreid geïnformeerd.

 

Het effect op de Israëlitische maatschappij van de letterlijke droogte was destijds ruïneus (1Kn 18:5). Tijdens de overeenkomstige periode van 3½ jaar in de 70ste Jaarweek zal het voor Gods vijanden niet anders zijn; wat hen betreft zal er geen sprake zijn van ook maar enige geestelijke verfrissing voor de ziel. In de profetische verklaringen van Js 65:13 worden wij dienaangaande bij voorbaat geïnformeerd.

 

Geestelijke hongersnood

 

Na voor Israël een glorierijk herstel te hebben aangekondigd in Jesaja 65, richt de profeet zich in de vv 11-14 tot de ontrouwen onder zijn volk die in de 70e Week niet uit hun positie van ongehoorzaamheid zullen terugkeren (Rm 11:30-32). Aangezien zij in hun antichristelijke stemming hun ware Messias blijvend verwerpen ten gunste van de demonen, resteert er nog slechts oordeel voor hen:

 

Maar jullie zijn degenen die YHWH verlaten, die mijn heilige berg vergeten, die de tafel gereedmaken voor de god van het geluk, die gemengde drank schenken voor de god van het lot.

 

In zijn commentaar op dit vers maakte Hiëronymus melding van een oud gebruik dat door de dienaren van de afgoden op de laatste dag van de laatste maand van hun jaar in acht namen: "Zij rechten een tafel aan met diverse soorten voedsel en een beker gevuld met zoete wijn om geluk te garanderen voor de vruchtbaarheid van óf het voorbijgegane óf het komende jaar".

 

Wij moeten echter vooral beseffen dat Jesaja (tevens) profetisch schreef met het oog op een toen nog verre toekomst. Uit de context kunnen wij immers afleiden dat hij profetisch vooruitblikte naar de eindtijd van de huidige goddeloze wereldperiode, met name naar de laatste Jaarweek voor Israël, waarin de schepping van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde definitief vorm zal aannemen. We leiden dat af uit vers 17. 

 

Op grond van zulke OT profetieën als hier in Js 65:17-19 alsook in Js 66:22, verwachtte de apostel Petrus reeds zo’n geheel nieuwe situatie nadat het oude, slechte wereldsysteem vernietigd zou zijn: Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont (2Pt 3:7, 12-13). In Op 21:1-4 zag de ziener Johannes die toekomstige werkelijkheid.

 

Voor de halsstarrige Joden die dan, op de drempel van die nieuwe regeling, alsnog de demonische Antimessias prefereren boven een Messias die hen werkelijk redden kan, heeft Jahweh een onheilspellende mededeling:

 

Ik zal jullie voor het zwaard bestemmen. Jullie zullen allen moeten neerknielen ter slachting, omdat Ik geroepen heb, maar jullie niet antwoordden; ik sprak, maar jullie niet luisterden en deden wat kwaad is in mijn ogen en veeleer datgene verkozen wat mij niet behaagde.

Daarom, zo spreekt de Heer Jahweh:

Ziet! Mijn knechten zullen eten, maar jullie zullen hongerlijden.

Ziet! Mijn knechten zullen drinken, maar jullie zullen dorst hebben.

Ziet! Mijn knechten zullen zich verheugen, maar jullie zullen beschaamd staan.

Ziet! Mijn knechten zullen juichen vanwege een hart vol vreugde, maar jullie zullen schreeuwen wegens hartepijn en weeklagen vanwege een gebroken geest.

 

Terwijl Gods knechten, het Elia-overblijfsel van de eindtijd, ondanks vervolging en verdrukking alle reden zullen hebben tot verheuging vanwege hun goede hartetoestand, zullen de hun vijandiggezinde 'broeders' slechts hartepijn ervaren. Door eigen schuld zullen zij 'honger lijden' doordat zij verstoken blijven van ware geestelijke voeding. Aangezien die laatsten willen blijven uitblinken in Torahgetrouwheid zullen zij de joods-christelijke Bijbelboeken Hebreeën tot en met Openbaring ten einde toe afwijzen als heidens en daarom voor hen onrein. De eersten daarentegen zullen, in het licht van 1 Koningen 17, die 'onreine' kost maar al te graag tot zich nemen, gedachtig Jahwehs woorden tot Elia: “Ik zal je aldus – door de raven bij de Krith - van voedsel voorzien”.

 

Vergelijk Amos 8:11 en Js 66:5.  En zie de joods-christelijke Bijbelboeken:

 

De Brief aan de Hebreeën 

De Brief van Jakobus
Eerste Brief van Petrus  Tweede Brief van Petrus
Eerste brief van Johannes
Tweede brief van Johannes Derde brief van Johannes

De Brief van Judas
De Openbaring van Messias Jezus:

01 02 03 04 05 06 07 08 09 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22

 

Vanzelfsprekend zijn ook de vier Evangeliën en het boek Handelingen der apostelen voor Joodse lezers van grote waarde, evenals de Paulinische Brieven vanaf Romeinen tot en met Filémon, teneinde een diep inzicht te verkrijgen in het tegenbeeldige ‘Tabernakelpersoneel’ van het ware Israël Gods.

Van deze Bijbelboeken zijn de onderstaande ook door ons becommentarieerd:

 

Het Evangelie volgens Lukas

 

De Brief aan de Galaten
De Brieven aan de Thessalonicenzen
De Eerste Korinthebrief
De Tweede Korinthebrief
De Brief aan de Romeinen
De Brief aan de Efeziërs
De Brief aan de Kolossenzen
De Brief aan de Filippenzen

 

Voor hen die geïnteresseerd zijn hoe de 66 Boeken van de volledige (geïnspireerde) Bijbel tezamen één grootse schepping van de ware God JHWH vormen, verwijzen wij graag naar het Bijbelwiel en in verband met Elia naar Spaak 11 van het ‘Wiel’, en dan in het bijzonder: Elijah the Tishbite.

 

Elia- en Elisaperiode

 

Zoals we zagen verscheen Elia, de Tisbiet, heel plotseling in het geïnspireerde verslag. Zomaar ineens bevindt hij zich voor Achab, de toenmalige koning binnen het Noordelijk Tienstammenkoninkrijk, en eveneens zonder enige verdere inleiding horen we hem tegen die goddeloze monarch zeggen: Zowaar Jahwe leeft, de God van Israël, in wiens dienst ik sta: er zal in de volgende jaren geen dauw of regen komen tenzij op mijn woord (1Kn 17:1; wv).

 

Het verslag over Elia’s activiteit loopt in de Bijbel door tot en met zijn wonderbaarlijke wegneming, zoals beschreven in 2Kn 2:14. Bij die gelegenheid nam Elisa zijn mantel, Elia’s officiële ambtsgewaad, van hem over:

 

En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan.  En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is Jahweh, de God van Elia, ja hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken (2Kn 2:11-14; nbg aangepast).

 

Tot op dat moment was Elisa grondig door Elia opgeleid; het was daarom niet vreemd dat Elisa hierna Elia’s taak verder ten uitvoer zou brengen. Bijgevolg kunnen wij echter, wat de eindtijd betreft waarin de tegenbeelden vervuld worden, spreken van de Elia-periode, respectievelijk de Elisa-periode, en het is bijzonder treffend om vast te stellen dat die twee profetische periodes, beschreven in 1 en 2 Koningen, ook worden teruggevonden in het profetische Bijbelboek bij uitstek, de Openbaring van Jezus Messias:

 

De Elia-periode in het blazen op de zeven trompetten volgens Openbaring 8 en 9.

De Elisa-periode in het uitgieten van de zeven schalen met de zeven laatste plagen zoals beschreven in de hoofdstukken 15 (de aankondiging) en 16 (het werkelijke uitgieten).

 

Elia is, buiten zijn wonderbaarlijke wegvoering richting hemel, vooral bekend geworden wegens de 'vuurproef' op de berg Karmel, waarbij toen de vraag Wie is de ware God ten gunste van Jahweh werd beslist (1Kn 18:36-40).

Vanwege de moordzuchtige Izebel - die de dood der Baälprofeten wilde wreken – moest Elia echter vluchten en meer dan 40 dagen was hij als het ware dood of inactief voor zijn volk Israël (1Kn 19:1-5).

 

Die periode komt kennelijk overeen met de 3½ dag van een op de dood gelijkende inactiviteit der Twee Getuigen, als gevolg van de actie door het Beest (Op 11:7-9):

 

En wanneer zij hun getuigenis hebben voltooid, zal het Beest dat uit de afgrond opstijgt oorlog met hen voeren, en het zal hen overwinnen en hen doden. En hun lijk op het plein van de grote stad die in geestelijke zin Sodom en Egypte wordt genoemd, alwaar ook hun Heer werd terechtgesteld. En [mensen] uit de volken en stammen en talen en natiën kijken naar hun lijk drie dagen en een halve [dag] en zij staan niet toe dat hun lijken in een gedenkgraf worden gelegd.

 

Naboth

 

Benaderd vanuit een ander incident uit de Eliaperiode zal die toekomstige werkelijkheid vergeleken kunnen worden met wat de godvrezende wijngaardenier Naboth, een lid van het toenmalige overblijfsel, trof.

Het zal zijn alsof het Naboth-overblijfsel van de 70e Week - terecht weigerachtig om de vruchtbare wijngaard van koninkrijksprediking prijs te geven ten gunste van het dan heersende, politieke Baälisme - op instigatie van de Izebelachtige Grote Hoer Babel wordt doodgestenigd.

 

http://www.schriftstudies.tk/imghost/Achab%20en%20Naboth.jpg

Jahweh verhoede dat ik het erfdeel van mijn vaderen aan u afsta

 

Vergelijk 1 Koningen 21:1-16 en zie Thyatira: Op 2:20-24; als ook Op 18:24.

 

Uit een vergelijking met hoofdstuk 21 van het Mattheüsevangelie – corresponderend met hoofdstuk 21 van 1 Koningen – kunnen wij concluderen dat het joodse Overblijfsel van de 70e Week dingen zullen overkomen vergelijkbaar met die van de Messias zelf, Gods eigen Zoon. Van de zijde der joodse religieuze elite ontving Jezus reeds in de Eerste eeuw de zelfde moordzuchtige behandeling die het deel werd van Naboth.

In zijn parabel van Mt 21:33-46 kondigde Jezus tevoren aan hoe de Farizeeën en de Schriftgeleerden die zijn Messianiteit ontkenden, hem boosaardig naar het leven zouden staan. In het parallelle gedeelte van de zelfde parabel in het Lukasevangelie hebben wij daarop uitgebreid commentaar gegeven.

Zie aub De Boze wijnbouwers.

 

Tijdens zijn verblijf bij de Horeb, op zijn vlucht voor Izebel, kwam Elia van Jahweh zelf te weten dat een Overblijfsel van 7000 personen niet gezwicht was voor de valse god Baäl. Jahweh had dat aantal, een overblijfsel, voor zichzelf gelaten (1Kn 19:18; Rm 11:4).

Vergelijk Op 11:13, waar die gang van zaken in tegenbeeld verschijnt:

 

En in dat uur geschiedde een grote aardbeving, en het tiende van de Stad viel, en in de aardbeving werden zeven duizend namen [van mensen] gedood, en de overigen werden bevreesd en zij gaven heerlijkheid aan de God des hemels.

 

Nadat hij zijn opvolger Elisa heeft gezalfd en opgeleid, wordt Elia tenslotte weggenomen uit het Noordelijk koninkrijk Israël, ten hemel gevoerd en overgezet in het Zuidelijk koninkrijk Juda waar de goede koning Josafat regeerde (1Kn 19:15-16; 2Kn 2:9-14; 2Kr 21:12). Vergelijk Op 11:11-12.

 

En na de drie en een halve dag kwam levensgeest van God in hen, en zij gingen op hun voeten staan, en grote vrees viel op hen die hen aanschouwden. En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Stijgt hierheen op!  En zij stegen op tot in de hemel in de wolk terwijl hun vijanden hen aanschouwen.

 

Zoals voorzegd voor de 'Elia' van de eindtijd zal hij velen terugbrengen tot Jahweh, zijn God (Ml 4:5-6), een activiteit die ook kenmerkend is voor het blazen op de trompetten. De trompetperiode is de tijd waarin

 

a. de deur tot berouw volledig openstaat;

b. voor de Heer een toebereid volk wordt gereedmaakt; en

c. alle dingen hersteld worden, en dat naar het patroon van de Eerste eeuw, toen Johannes de Doper als de voorloper van Messias Jezus als eerste de Eliarol in voorlopige zin vervulde.

Zie: Lk 1:13-17, 76-79; Mt 3:1-2; 11:10-14; 17:10-13; Hn 3:19-21.

 

Kenmerkend voor de Elisa-periode is Gods uitspraak tot Elia toen deze nog bij de Horeb verbleef:

 

Toen zei Jahwe tot hem: ‘Keer terug op uw schreden en ga door de woestijn naar Damascus; als ge daar gekomen zijt, moet ge Hazaël zalven tot koning van Aram.

Jehu, de zoon van Nimsi, moet ge zalven tot koning van Israël, en Elisa, de zoon van Safat uit Abel-Mechola, moet ge zalven tot uw opvolger als profeet.

Wie dan ontkomt aan het zwaard van Hazaël zal gedood worden door Jehu en wie ontkomt aan het zwaard van Jehu zal gedood worden door Elisa (1Kn 19:15-17, wv78).

 

Elia zelf heeft noch Hazaël noch Jehu gezalfd. Dat gebeurde in de Elisa-periode, en bij beide gelegenheden werd voorzegd dat het zwaard door Hazaël en Jehu ten oordeel gehanteerd zou worden. En aldus geschiedde ook, met betrekking tot Izebel en de Baälaanbidding, en het gehele Huis van Achab.

Zie: 2Kn 8:7-13; 9:1-10; 14-37; 10:1-28.

 

In het tegenbeeld zijn we daarmee dan niet langer in de periode van de trompetten, maar eerder in die van de schalen met de laatste plagen en het Derde Wee! 

En terwijl Elisa de Syrische legeroverste Naäman van zijn melaatsheid genas omdat die vertrouwen stelde in het feit dat er een profeet in Israël was, bracht hij een oordeel over ontrouwe leden van zijn volk (2 Kn 5:1-27).

 

Kaalkop

 

Volgens 2 Koningen 2:23-25 verscheurden twee berinnen tweeënveertig kinderen die betrokken waren bij de bespotting van Elisa toen deze, na Elia’s ambtsmantel ontvangen te hebben, opging naar Bethel [Huis van God]: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op! 

 

http://www.schriftstudies.tk/imghost/elisa%20kaalkop.jpg

Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!

 

Zie: Elisa en de 42 gedode ‘kinderen’ (Ontleend aan IB Studiehuis)

 

Tenslotte maken we nog melding van het scheiden der 'wateren'.

Vlak vóór Elia’s vertrek vond die wonderbaarlijke gebeurtenis voor het eerst plaats, maar ging met zijn opvolger Elisa verder. Zoals in de dagen van Jozua het geval was, vonden er ook tijdens de Elia- en Elisa-optredens bij de Jordaan wonderen Gods plaats (Jozua 3 en 4; 1Kn 17:2-6)

Zie: 2Kn 2:6-14 en Mt 25:31-46, waar we lezen over de scheiding van schapen en bokken tijdens Jezus’ paroesie.

 

En ook: Zc 2:10-11 (hsv); 8:20-23.

 

Een werking van dwaling

 

Met de moord op Naboth kwam Achabs goddeloze levenswandel tot een climax en werd zijn lot definitief bij God bezegeld. Tijdens de veldtocht die hij tezamen met Josafat ondernam om Ramoth-Gilead op de Syriërs te heroveren, brak voor Jahweh God de tijd aan om Achab naar zijn verdiende terechtstelling te leiden. Hoe zou hij dat doen?

Zie: Een werking van dwaling - Door God gezonden, en speciaal:

Aan koning Achab

 

Door de wijze waarop Jahweh God de goddeloze Achab naar zijn ondergang leidde krijgen wij meer zicht op de "werking van dwaling" die God tot de mensen zal laten gaan in de eindtijd, wanneer de Antichrist in de persoon van de Mens der Wetteloosheid actief zal zijn op het wereldtoneel. Zie 2 Thessalonicenzen 2.

 

Zij die tijdens Jezus’ paroesie tonen dat zij geen werkelijke liefde voor de waarheid hebben - d.i. de Waarheid die in Gods Zoon besloten ligt - zullen de gelegenheid ontvangen om dat voor iedereen zichtbaar te laten zien. Ja, zelfs meer dan dat: Zij kunnen aan iedereen kenbaar maken, aan hemel en aarde, dat zij veeleer gehecht zijn aan de Leugen bij uitstek; dat zij  liever onrechtvaardig bedrog accepteren en daarin een welgevallen hebben.

 

Jehu en Jonadab

 

Toen Elia bij de Horeb verbleef had God hem geboden:

 

Keer terug op uw schreden en ga door de woestijn naar Damascus; als ge daar gekomen zijt, moet ge Hazaël zalven tot koning van Aram (Syrië).

Jehu, de zoon van Nimsi, moet ge zalven tot koning van Israël

 

Zoals we al eerder vaststelden heeft Elia zelf noch Hazaël noch Jehu gezalfd. Dat gebeurde in de Elisa-periode, en bij beide gelegenheden werd voorzegd dat het zwaard door Hazaël en Jehu ten oordeel gehanteerd zou worden. En aldus geschiedde ook, met name met betrekking tot Achab, Izebel en de Baälaanbidding.

 

Toen Jehu namelijk op Gods aanwijzing tot koning over het Tienstammenrijk Israël werd gezalfd, kreeg hij te horen dat zijn voornaamste taak er in zou bestaan om allen die tot het goddeloze huis van koning Achab behoorden te vernietigen, met inbegrip van koningin Izébel, die de Baälaanbidding in Israël had bevorderd en had geprobeerd de aanbidding van Jahweh God uit te roeien.

Jonadab, een Keniet - dus geen Israëliet - was blijkbaar op de hoogte van die opdracht aan Jehu en aangezien er kennelijk tevens een band van vriendschap tussen hen bestond, ging hij Jehu tegemoet:

 

Nadat hij vandaar verder was gegaan, trof hij Jonadab, de zoon van Rekab aan, die hem tegemoet kwam; hij groette hem en vroeg hem: Is jouw hart mij even oprecht toegedaan als mijn hart jou? Jonadab antwoordde: Ja.

Indien het zo is, geef mij dan je hand. En hij gaf hem de hand. Hij liet hem bij zich op de wagen klimmen. Hij zei: Ga met mij mee en zie mijn ijver voor Jahweh. Zo lieten zij hem op zijn strijdwagen rijden.

2Kn 10:15-16

 

Ook Jonadab identificeerde zich openlijk als iemand die de vaste overtuiging had dat alleen Jahweh, de ware God, Israëls God, aanbeden moest worden.

Zie ook:  Dt 6:13-15.

 

In Samária had Jehu al eerder Izebel uit het raam laten gooien en haar vervolgens met zijn strijdwagen overreden, waarna de honden haar vleesdelen opaten zodat er van haar niets meer overbleef dan de schedel, de voeten en de handpalmen (2Kn 9:30-37).

In Op 17:15-18 wordt een daarmee overeenkomende actie aangekondigd die door de tien horens van het Antichristelijke Beest in de eindtijd zal worden ondernomen tegen het hoerachtige Grote Babel, maar wel een actie die hun door God zal worden ingegeven:

 

En de tien horens die je zag en het Beest, dezen zullen de Hoer haten en haar woest maken en naakt; en zij zullen haar vleesdelen eten en haar in vuur verbranden. Want God gaf in hun harten zijn gezindheid te volbrengen, ja, één gezindheid te volbrengen en hun koninkrijk aan het Beest te geven totdat de woorden van God voleindigd zullen worden. En de Vrouw die je zag is de Grote Stad die een koninkrijk op de koningen der aarde heeft  

 

In hun haat jegens haar zullen die tien horens Gods oordeel uitvoeren: volledige verwoesting van de Hoer, alsof het Beest haar vlees verslindt; alsof ze door vuur wordt verbrand, vergelijkbaar met de wijze waarop Jehu Izebel aan haar einde liet komen.

 

Maar nu - volgens 2 Koningen 10:15-28, in het gezelschap van Jonadab - trekt Jehu er op uit om ook de laatste sporen van de verdorven Baälaanbidding in Israël uit te roeien. Daartoe treft hij maatregelen die van alle Baälaanbidders eisen dat zij zich duidelijk als zodanig identificeren. De profeten, de priesters en alle aanbidders van Baäl roept Jehu bijeen voor een groot offerfeest in het huis van Baäl, en hij laat hun weten dat wie niet komt zijn leven verliest. Vervolgens laat hij voor alle Baälaanbidders kleren halen die zij verplicht moeten dragen om duidelijk herkenbaar te zijn. Allen die beweren aanbidders van Jahweh te zijn, worden aldus eveneens gedwongen zich kenbaar te maken.

 

Op de Karmel, ten tijde van de vuurproef door Elia, luidde de strijdvraag: Wie is de ware God? Jahweh of Baäl?  Maar nu, in de Elisafase, komt elke individuele Israëliet in beeld: Ben je een aanbidder en dienaar van Jahweh, of misschien toch van Baäl?  Niemand kan onder die strijdvraag uit; elkeen zal zich dienaangaande openlijk moeten identificeren!

 

Jehu en Jonadab gaan nu ook zelf het Huis van Baäl binnen en Jehu sommeert de aanbidders van Baäl om alsnog een onderzoek in te stellen teneinde te waarborgen dat er zich in hun midden geen enkele aanbidder van Jahweh ophoudt. Vervolgens gaat de ceremonie van start, maar intussen maken Jehu’s mannen zich buiten gereed, en op een teken van hem gaan zij tot actie over. Zijn bevel luidde namelijk: Slaat hen neer! Laat er niet één uitgaan.

Bijgevolg ontkwam geen enkele aanbidder van Baäl aan de dood en Baäls Huis werd afgebroken. Aldus verdelgde Jehu Baäl uit Israël, lezen wij dan ook in het goddelijke verslag.

 

Bij al die gebeurtenissen bevond Jonadab zich dus als getuige aan Jehu’s zijde. Naar wie, of specifieker, naar welke groep van mensen moeten we kijken die in de eindtijd als zijn tegenhanger zal fungeren?

Bij het overdenken van die vraag moeten we ons realiseren dat Jonadab zelf geen Israëliet was, maar een heidense Keniet. Dus welke personen, buiten het joodse Overblijfsel van die dagen, zullen zich ten tijde van de uitroeiing van alle Duivelaanbidding van harte vereenzelvigen met Messias Jezus?

 

Hij, de Mensenzoon, zal immers 

        volgens Dn 7:13-14 op de helft van de 70ste Week van de Oude van dagen, God zelf, koninklijke macht ontvangen en die koninklijke heerschappij dan ook metterdaad gaan uitoefenen, en

  • volgens Op 14:14-20 niet alleen een gezegende oogst aan mensen binnenhalen maar er ook op toezien dat de goddeloze wijnstok der aarde met al zijn trossen van slechte druiven wordt ingezameld:  

 

En ik zag, en zie! Een witte wolk, en op de wolk [iemand] gezeten gelijk een Mensenzoon, hebbend op zijn hoofd een gouden kroon en in zijn hand een scherpe sikkel. En een andere engel kwam uit het tempelheiligdom, luidkeels roepend tot hem die op de wolk gezeten is: Zend je sikkel en oogst, want het uur om te oogsten kwam aangezien de oogst der aarde droog werd. En hij die op de wolk is gezeten wierp zijn sikkel op de aarde en de aarde werd geoogst. 

 

En een andere engel kwam uit het tempelheiligdom dat in de hemel [is], óók hij hebbend een scherpe sikkel. En een andere engel, hij die macht heeft over het vuur, [kwam] van het altaar; en hij riep met luide stem tot hem die de scherpe sikkel heeft, zeggend: Zend je scherpe sikkel en zamel de trossen van de wijnstok der aarde in, omdat haar druiven rijp werden. En de engel wierp zijn sikkel naar de aarde en hij verzamelde de wijnstok der aarde en wierp haar in de grote wijnpers van Gods toorn. En de wijnpers werd getreden buiten de stad, en er kwam bloed uit de wijnpers tot aan de tomen der paarden, vanaf 1600 stadiën.

 

In ons commentaar op Openbaring 14 identificeerden wij beide oogsten aan de hand van Mt 25:31-46, respectievelijk de Schapen en de Bokken uit die parabel van de Mensenzoon. Maar nadrukkelijk stelden we ook het volgende vast:

 

Opgemerkt moet nog worden dat de wijnperssituatie en de ondergang van de 'bokken' in de eeuwige afsnijding (Mt 25:46) niet volledig parallel zijn. De bokken behoren immers, tezamen met de schapen, tot de mensen der natiën, de Heidenen dus (Mt 25:31-33).

In de wijnpers evenwel vindt de gehele aanhang van het Beest zijn einde, waaronder ook de afvallige Joden (Js 65:11-15; 66:5-6, 14-17).

 

Overigens wordt in het Bijbelboek Mattheüs ook hun rampzalig einde in zinnebeeldige termen vermeld, t.w. in hoofdstuk 13, binnen de parabel van het onkruid op het veld  (Mt 13:30, 36, 38, 40-42).

 

De hedendaagse Baäldienst zal dus niet meteen met de ondergang van de Izebelachtige Hoer tot een volledig einde komen; een systeem kan ten onder gaan maar de praktijk leert dat haar menselijke aanhang zich niet meteen van de ideeën welke het systeem propageerde distantieert. Babylonische leringen zitten gewoonlijk diep in een menselijke geest verankerd. 

Om die reden moet er in de eindtijd, na Babels ondergang, nog een definitieve beproeving van de aardbewoners plaats vinden. Zij moeten nog de gelegenheid krijgen een definitieve keuze te maken tussen Gods Waarheid en de Duivelse Leugen. 

Vandaar de noodzaak van de Werking van dwaling die in 2 Thessalonicenzen 2 wordt aangekondigd en welke we hierboven in deze Studie al eerder toelichtten.

 

Overleving, voor zowel Joden als Heidenen, zal afhangen van de bereidheid om alle praktijken waardoor beoefenaars van de hedendaagse Baälreligie geïdentificeerd worden, de rug toe te keren. In degenen onder de Heidenvolken die ondubbelzinning hun standpunt zullen innemen aan de zijde van het joodse Overblijfsel, Jezus’ broeders die hij dan op aarde zal hebben, herkennen we niet alleen de Schapen’ van Mattheüs 25, maar ook de tegenbeeldige Jonadab van 2 Koningen 10.

 

Als Jonadab, een niet-Israëlitische aanbidder van Jahweh God, zullen zij zich in de Eindtijd openlijk vereenzelvigen met de Grotere Jehu en met zijn getrouwe joodse broeders op aarde die dan zwaar verdrukt zullen worden door de antichristelijke, Baälistische machten aan wie zelfs de meerderheid der Joden dan hun steun zullen verlenen. En waarom? Omdat zij tot het einde toe blijk zullen geven van een onuitblusbare haat jegens Gods Zoon Jezus, hun ware Messias.

 

Hardnekkig en onberouwvol zullen zij loyaal zijn aan de messias van hun eigen keuze, de demonische Antichrist. In de dag der wraak van de zijde van onze God zullen zij echter even zeker hun einde vinden als de fervente Baälisten van destijds (Js 66:1-6; 61:1-3).

De Jonadabmensen zullen dan echter, samen met het joodse Overblijfsel, openlijk blijk geven van hun steun aan en instemming met Gods oordeelsvoltrekker. Opnieuw zal dan gezegd kunnen worden: Zo verdelgde Jehu Baäl uit Israël (2 Kn 10:28).

 

Met die gang van zaken zal overigens tevens een opmerkelijke profetie van Jeremia in vervulling gaan welke hij zo’n 300 jaar na deze gebeurtenissen optekende:

 

Daarom heeft Jahweh der legerscharen, de God van Israël, aldus gezegd: Nimmer zal het Jonadab, de zoon van Rechab, ontbreken aan een man, die voor mijn aangezicht staat alle dagen.

 

Vanwaar die stellige verzekering van Gods zijde?

In Jeremia 35 wordt de reden daarvoor uitvoerig door Jeremia beschreven. Gods uitspraak had alles te maken met de voorbeeldige trouw waarmee Jonadabs nakomelingen, de Rechabieten, aan de geboden van hun voorvader vasthielden, en dat geplaatst tegenover de ongehoorzaamheid waarvan de bevolking van Juda en Jeruzalem in die dagen tegenover God blijk gaf.

 

Jonadab had de Rechabieten namelijk geboden in tenten te wonen, geen zaad te zaaien, geen wijngaarden te planten en geen wijn te drinken.

Toen Jeremia hun dan ook wijn aanbood – overigens op Gods aanwijzing - weigerden zij die pertinent, waarbij zij naar het gebod van hun voorvader Jonadab verwezen.

En het was wegens die getrouwheid dat Jahweh hun de belofte deed: Nimmer zal het Jonadab, de zoon van Rechab, ontbreken aan een man, die voor mijn aangezicht staat alle dagen.

 

Elisa en de opstanding

 

Toen Elia uit zijn toewijzing in het Tienstammenkoninkrijk vertrok ging dat met een spectaculaire manifestatie gepaard, hij voer als het ware in het beeld van ‘strijdwagens van Israël en zijn ruiters’ ten hemel.

In het geval van Elisa was er volgens 2Kn 13: 14-21 sprake van een geheel ander beeld:

 

Elisa lag ziek aan de ziekte, waaraan hij zou sterven. Joas, de koning van Israël, kwam tot hem en weende over hem en zei: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël!... Daarna stierf Elisa en men begroef hem. Nu plachten de benden van de Moabieten bij het aanbreken van het jaar in het land te komen. Terwijl men eens bezig was iemand te begraven, zie, daar zagen zij een bende: toen wierpen zij de man in het graf van Elisa en liepen weg. En toen de man met het gebeente van Elisa in aanraking kwam, werd hij levend, en rees overeind op zijn voeten.

(nbg)

 

http://www.schriftstudies.tk/imghost/grafspelonk.jpg

 

In het geval van Elisa’s graf moeten we eerder denken aan een spelonk dan een gegraven graf

 

Door de geest van God en geheel buiten zijn bewustzijn om, ‘verrichtte’ Elisa hier zijn laatste wonder, het 16e, daarmee het dubbele aantal van die van Elia (8) volmakend. Vergelijk 2Kn 2:9-10.

Hoewel naar het leek minder spectaculair dan dat van Elia, was Elisa’s afscheid niettemin ook heel bijzonder, want het vertegenwoordigde niet minder dan bij Elia Gods zegel op al zijn activiteiten. Jahweh, Israëls God, was Elisa’s Heer geweest tijdens diens leven, maar bleef dat ook na zijn dood (Lk 20:37-38). Daarnaast onthulde hij met Elisa’s laatste wonder bij voorbaat dat het ‘Elisawerk’ van de eindtijd ook het aspect opstanding zou omvatten.

 

Waaraan moeten wij dan denken?

Wij suggereren om Lk 13:22-30 te beschouwen: Binnen de rabbijnse kringen van Jezus’ dagen was op grond van zulke teksten als Js 10:21-22 en Zf 3:12-13, de theologische vraag actueel hoe groot of hoe klein de voorzegde Rest van geredden wel zou zijn.

Aangezien men Jezus zich meerdere malen had horen uiten over de hardnekkige verstoktheid van de natie, moest déze Rabbi wel de mening zijn toegedaan dat het aantal geredden gering zou zijn. Bij een zekere gelegenheid vroeg iemand dan ook aan Jezus om zich over die stelling uit te spreken.

Jezus antwoordde niet rechtstreeks maar verpakte zijn antwoord, zoals hij zo vaak deed, in de vorm van een parabel. Tegelijkertijd echter greep hij de gelegenheid aan om te onthullen wat ‘vriend en vijand’, maar vooral de geredden, op de drempel van het Millenniumkoninkrijk zouden gaan meemaken:

 

Iemand nu zei tot hem: Heer, zijn degenen die gered worden weinigen? Hij nu zei tot hen: Strijdt om binnen te gaan door de nauwe deur; want velen, zeg ik jullie, zullen trachten binnen te gaan en niet in staat zijn. Wanneer de Meester van het huis eenmaal is opgestaan en de deur heeft afgesloten, zullen jullie beginnen buiten te staan en op de deur te kloppen en te zeggen: Heer, doe ons open. Maar als antwoord zal hij tot jullie zeggen: Ik weet niet vanwaar jullie zijn. Dan zullen jullie beginnen te zeggen: Wij hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten onderricht gegeven. En hij zal zeker tot jullie zeggen: Ik weet niet vanwaar jullie zijn; gaat weg van mij, al jullie werkers van ongerechtigheid. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars, wanneer jullie Abraham en Isaäk en Jakob zullen zien en al de profeten in het koninkrijk van God, maar jullie buitengesloten. Ook zullen er komen van Oost en West, en van Noord en Zuid, en aanliggen in het koninkrijk van God. En zie, er zijn laatsten die eersten zullen zijn; en er zijn eersten die laatsten zullen zijn.

Lk 13:22-30 

 

De strekking van het parabelantwoord vertoont veel overeenkomst met de parabel van de Dwaze en wijze maagden in Mt 25:1-14 en is daarom eindtijd gericht, want Jezus vertelde die parabel als één van de vele tekenen die zijn paroesie zouden kenmerken (Mt 24:3). Evenals de Vijf dwaze maagden komen ook zij die niet tot het Overblijfsel behoren – degenen onder de Joden die dus niet gered worden – voor een gesloten deur. Hun zal geen toegang verleend worden tot het Bruiloftsfeest.

Uiteraard was het binnengaan van het Vrederijk van de Messias voor elke jood iets begerenswaardigs. Maar Jezus laat hun bij voorbaat weten dat de inspanningen van de meerderheid zullen stuklopen. Waarom? Omdat zij op hun eigen manier zullen willen binnengaan, daarbij in het geheel geen rekening houdend met Gods besluit dat er alleen redding is in de [ware] Messias, Jezus (Hn 4:12).

 

Tegen het einde van zijn paroesie zal het punt bereikt worden dat hij, de Meester van het Huis, opstaat en de deur definitief toesluit. Het heeft geen zin dat zij dan op de deur gaan kloppen en redenen aanvoeren om hen toch binnen te laten. Zij mogen dan wel in Jezus’ nabijheid hebben verkeerd en hem horen prediken, maar zij hebben niet werkelijk notitie van hem genomen, noch zijn vermanend onderricht ter harte genomen; erger nog, zij hebben voor het merendeel zijn leer zelfs tegengestaan.

 

Dit laat zien dat de Joden die buitengesloten worden van het koninkrijk, niet huilen van verdriet over hun onberouwvol hart. Integendeel, zij jammeren in hun verstoktheid over de vooruitzichten die zij zichzelf hadden toegedicht, maar die zij nu verloren zien gaan. Ook worden zij geconfronteerd met de verschijning van degenen op wie zij zich altijd hadden beroemd: de aartsvaders en de profeten, Oudtestamentische getrouwen van wie zij de verbonden en de beloften hadden overgeërfd. Maar in plaats dat zij met hen verenigd worden, ervaren zij voor zichzelf diskwalificatie en buitensluiting.

 

Blijkbaar zullen zij, met de rest van de mensenwereld, op de drempel van het Millennium, nog voordat de Messias het oordeel voltrekt, getuige zijn van de opstanding der rechtvaardigen.

 

Zie: Dn 12:1-2a; Lk 14:14; Jh 5:29a; Hn 24:15.

Vergelijk ook Js 26:19-21 waar die volgorde in de eindtijdgebeurtenissen lijkt te zijn aangegeven.

 

En niet zij, maar hun joodse broeders die zij verafschuwen en van afval betichten omdat die tot inkeer komen en alsnog geloof gaan stellen in Jezus als de ware Messias, zullen met de vroegere getrouwen worden verenigd en voor het oog van de hele wereld met hen worden geïdentificeerd (Op 7:13-17; 11:11-12).

 

Maar dat niet alleen, ook zullen die buitengeslotenen er nog getuige van zijn dat niet-Joden, Heidenen derhalve, afkomstig uit alle windstreken, met al die getrouwen het Millennium zullen binnengaan, teneinde aan te zitten aan het feestmaal dat aangerecht zal worden voor alle volken (Js 25:6-8).

Vergelijk het parallelle gedeelte in Mt 8:5-12, waaruit geconcludeerd kan worden dat zij die uit alle windrichtingen komen, personen moeten zijn van buiten Israël.

 

Die mensen, met een niet-joodse achtergrond, zijn de rechtvaardige 'schapen' van Mt 25:31-40, die door de Koning aan zijn rechterhand van gunst worden geplaatsts en het koninkrijk beërven dat sedert de grondlegging der wereld voor hen werd bereid.

Tijdens de Grote Verdrukking komen zij namelijk het getrouwe Overblijfsel van Israël te hulp en doen al het mogelijke om hen in de moeilijkheden waarmee zij voortdurend worden bestookt, bij te staan (Dn 7:25).

 

Die 'schapen' trotseren de dan algemeen heersende opinie, aangezien voor hen duidelijk zal zijn dat Gods gunst op die joodse minderheid rust. Dus zeggen zij: Wij willen ons bij jullie aansluiten, want wij hebben gehoord dat God met jullie is (Mt 24:9; Zc 8:23; 2:10-11).

 

Wij sluiten niet uit dat de situatie waarin de dode man tot leven kwam door aanraking met Elisa’s gebeente, ook een beeld zou kunnen zijn van de herleving van het volk Israël in de eindtijd, zoals in Ez 37 profetisch wordt getoond:

 

De hand van Jahweh was op mij, en Jahweh bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen. Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor. Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heer Jahweh, Ú weet het!

 

Toen zei hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van Jahweh. Zo zegt de Heer Jahweh tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in je brengen en je zult tot leven komen. Ik zal pezen op je leggen, vlees op je doen komen, een huid over je heen trekken, en geest in je geven, zodat je tot leven komt. Dan zul je weten dat ik Jahweh ben.

Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, elk been bij het bijbehorende been. En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.

 

Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heer Jahweh: Geest, kom uit de vier windstreken en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen. Ik profeteerde zoals hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger. Toen zei hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!

 

Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heer Jahweh: Zie, Ik zal jullie graven openen en ik zal jullie uit jullie graven doen oprijzen, mijn volk, en ik zal jullie brengen in het land van Israël. Dan zullen jullie weten dat ik Jahweh ben, als ik jullie graven open en als ik jullie uit jullie graven doe oprijzen, mijn volk. Ik zal mijn geest in jullie geven, jullie zullen tot leven komen en Ik zal jullie in jullie land zetten. Dan zullen jullie weten dat Ík, Jahweh, dit gesproken en gedaan heb, spreekt Jahweh.

(hsv; aangepast)

 

-.-.-.-.-