Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De laatste trompet

De laatste trompet

 

Voor smal lezen, zie: Blogexemplaar 

Inleiding

Wanneer?

Tien Nisan

Ezechiël 40

 

Inleiding

 

Zie! Ik vertel jullie een geheimenis: Wij zullen niet allen ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar moment, in een knippering van [het] oog, bij de laatste trompet. Want de trompet zal klinken en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen en dit sterfelijke [moet] onsterfelijkheid aandoen.

1Ko 15:51-53

 

Het blazen van de laatste trompet is een eschatologisch signaal en markeert het punt in de tijd waarop de Heer [Jezus] zelf vanuit de hemel neerdaalt voor het op gang brengen van de beslissende eindtijdgebeurtenissen.

 

In 1Th 4:15-17 wordt de zelfde gebeurtenis, bekend geworden als De Opname van de Gemeente, in de volgende bewoordingen aangekondigd:

 

Want dit zeggen wij jullie op gezag van [een] woord van [de] Heer: wij, de levenden, die overblijven tot de paroesie van de Heer, zullen de ontslapenen beslist niet voorgaan. Want de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van [de] aartsengel en met Gods trompet neerdalen vanaf [de] hemel en de doden in [de] Messias zullen eerst opstaan. Daarop zullen wij, de levenden die overblijven, tezamen met hen in wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen we altijd met [de] Heer zijn.

 

Het signaal leidt tevens de manifestatie van God in waarin hij zich op een allesbeslissende wijze kenbaar zal maken aan een totaal van hem vervreemde mensenwereld die haar climax van goddeloosheid heeft bereikt.

Het signaal dat wereldwijd door de laatste trompet zal klinken wordt vaak in verband gebracht met het eerste van de drie najaarsfeesten welke Israël elk jaar volgens Leviticus 23 moest onderhouden t.w. trompet- of bazuingeschal op de eerste dag van de zevende maand:

 

In de zevende maand, op de eerste der maand, zult gij een dag van volkomen rust hebben, een gedenkdag door trompetgeschal, een heilige samenkomst.

(Lv 23:24)

 

Met Sjavuoth, het Wekenfeest [Pinksteren], werden de voorjaarsfeesten afgesloten (Lv 23:15-22). Er volgde dan een (betrekkelijk) lange periode tot dat eerste najaarsfeest, dat vooral gekenmerkt werd door het veelvuldig blazen op de ramshoorn, de sjofar. En velen denken dus dat dit trompetgeschal ook voor de christelijke Gemeente van betekenis kan zijn. Als tegenbeeld daarvan zou dan De Opname plaats kunnen vinden, en mocht dat het geval zijn dan is het vanzelfsprekend meer dan logisch dat een christen verwijlt bij de vraag: "Wanneer mag die gebeurtenis verwacht worden?”

 

Naar onze mening betreft de vervulling in tegenbeeld – voor zover het terecht is om daarvan uit te gaan - toch allereerst de natie Israël zelf. Het tegenbeeldige sjofarblazen zou dan tot doel hebben nederige Joden op te roepen tot bezinning, tot terugkeer en berouw. Voor zover zij dit tot dan toe nog niet gedaan mochten hebben, zal het voor hen van het hoogste belang zijn om uiteindelijk alsnog tot inkeer te komen van hun hardnekkig verzet tegen en hun ongeloof in hun ware Messias, Jezus, Gods eigen Zoon.

 

Die oproep tot bezinning, terugkeer en berouw, in combinatie met trompet- cq bazuingeschal, werd ook in Jeremia 4:4-5 profetisch vastgelegd:

 

Besnijdt je voor YHWH en doet weg de voorhuid van jullie hart, jullie mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem, opdat mijn gramschap niet losbarst als een vuur en onuitblusbaar brandt, vanwege de boosheid van je handelingen. Verkondigt [het] in Juda en laat horen in Jeruzalem en blaast de bazuin door heel het land. Roept luidkeels en zegt: “Verzamelt je en laten wij in de versterkte steden gaan”.  
 

En toen Jezus zijn Eindtijdrede op de Olijfberg uitsprak en met name liet weten door welke gebeurtenissen zijn Paroesie (Tegenwoordigheid) gekenmerkt zou worden, bevestigde ook hij niet alleen dat die oproep gedaan zou worden, maar ook dat zijn engelen daarin een rol zouden spelen:

 

En hij zal zijn engelen uitzenden met een luid trompetgeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste daarvan.

 

Ook Jesaja zinspeelde kennelijk op die gebeurtenis. Binnen een eindtijdsetting profeteerde hij over het sjofarblazen het volgende:

 

En op die dag zal het geschieden dat er op een grote hoorn geblazen zal worden, en degenen die in het land Assyr[het gebied van de antichristelijke macht] dreigen om te komen en de verdrevenen in het land Egypte [de huidige van God vervreemde wereld] zullen komen en zich neerbuigen voor YHWH op de heilige berg te Jeruzalem.

 

 

 

In de voorafbeelding der feesten leidde het trompetgeschal tien dagen later tot de viering van Jom Kipoer, de Grote Verzoendag. Ook de tegenbeeldige vervulling daarvan komt voor Israël in de 70e Jaarweek, wanneer Jahweh God het deel van zijn volk dat in berouw tot hem terugkeert, zal zuiveren van schuld.

 

Naar het ons toeschijnt is het niet uit te sluiten dat er een verband bestaat tussen de laatste trompet van 1 Korinthe 15 en het blazen  van de sjofar op de eerste van de zevende maand (Tisjri). Niettemin denken wij dat de laatste trompet een eigen specifieke betekenis heeft. Welke?

Ons antwoord: De bijeenvergadering in de eindtijd van de twee gemeenten die samen het ene Israël Gods vormen.

 

Dat die beide gemeenten, de christelijke- en de joodse gemeente, door de roep van de laatste trompet worden bijeenvergaderd hoeft ons helemaal niet te verbazen, aangezien

 

● beide gemeenten samen tot het ene Israël Gods worden gemaakt dat - werkzaam vanuit de tempelstad Nieuw Jeruzalem – in het Millenniumkoninkrijk van de Messias dienstbaar zal zijn tot zegen van de Heidenvolken;

 

in Rm 11:25-26 wordt onthuld dat de verharding van Israël jegens haar Messias eindigt als de volheid der Heidenen is ingegaan en dat langs die weg het hele Israël Gods zal worden gered; 

 

de loskoop van de beide gemeenten samenvalt, zoals vooraf werd getoond in het Ruthverhaal. Nadat de 'antichristelijke' Peloni Almoni had erkend dat hij niet in staat was te lossen, ging Boaz – voorafbeelding van de Messias – er toe over door één daad de beide vrouwgemeenten te 'lossen'.

 

Zie aub: Ruth en de Antichrist .

 

het Bijbelboek Eén Korinthe deel uitmaakt van Spaak 2 van het Bijbelwiel, t.w.:

2  Exodus - 24  Jeremia - 46  Eén Korinthe

Bijgevolg is het niet toevallig dat in de Eén Korinthe brief de apostel zijn christelijke lezers, leden van de hemelse gemeente van het Israël Gods, attendeert op diverse sprekende voorbeelden uit het OT, waarbij de 'vaderen' betrokken waren, het Israël van de Exodus.

 

Terwijl de leden van dat geslacht zoveel voorrechten gemeenschappelijk hadden, gingen toch slechts weinigen van hen, eigenlijk maar twee, werkelijk het beloofde Land van melk en honing binnen. Paulus schreef wat er plaats vond ten tijde van de Exodus:

 

Ik wil namelijk niet, broeders, dat jullie onwetend zijn dat onze vaderen allen onder de wolk waren en allen door de zee heengingen, en allen tot Mozes werden gedoopt in de wolk en in de zee, en allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, en allen dezelfde geestelijke drank dronken; want zij plachten te drinken uit een [hen] volgende, geestelijke rots. De rots nu was de Messias. Maar [toch] schepte God in de meesten van hen geen behagen, want zij werden neergeveld in de wildernis. Die dingen nu zijn onze voorbeelden geworden.

 

Evenzo hebben wij, christenen van alle generaties binnen het hemelse deel van het Israël Gods, veel zaken gemeen: In onze verbondenheid met Messias Jezus door wedergeboorte hebben wij een grootse redding ervaren, evenals de Israëlieten ervoeren onder het leiderschap van Mozes. Zij werden tot Mozes gedoopt in de wolk en in de zee.

In onze verbondenheid met Gods Zoon geldt voor ons: Want waarlijk, in één geest werden wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen werden wij in één geest gedrenkt (1Ko 12:13).

 

Evenzo zal de laatste trompet voor het ware Israël van God een wereldomvattend signaal inhouden. Voor hen is dan het tijdstip aangebroken om het huidige, met Egypte overeenkomende hardvochtige- en geestelijk verpauperde wereldstelsel te verlaten.

In onze opvatting wordt in Openbaring, hoofdstuk 1, die benadering van het vraagstuk bevestigd. Op Patmos, zijn verbanningsoord, werd Johannes door geestvervoering vooruit geplaatst in de tijd, en wel in de Dag die de Heer toebehoort. Met het oog op de Joodse Eindtijdgemeenschap zou hij, in beelden, een reeks van indrukwekkende visioenen ontvangen, die hij bijvoorbaat aan de leden daarvan in geschrifte moest overbrengen:

 

Ik geraakte in geest in de Dag die de Heer toebehoort, en ik hoorde achter mij een luide stem als van een trompet, zeggend: Schrijf wat je ziet in een boek en zend [het] naar de zeven gemeenten. 

En ik draaide mij om ten einde de stem te zien die met mij aan het spreken was. En mij omkerend zag ik zeven gouden kandelaars. En te midden van de kandelaars [iemand] gelijk een Mensenzoon.

In onze opvatting kreeg Johannes hier, bijvoorbaat en op visionaire wijze, een voorproefje van het ‘blazen’ op de laatste trompet van 1 Korinthe 15. Het doel?

Om de joodse Eindtijdgemeenschap uit de diaspora bijeen te roepen voor vertrek uit het huidige, tegenbeeldige Egypte. Over die laatste bijeenvergadering van Gods Verbondsvolk uit hun diaspora moest ook Ezechiël profeteren:

 

Ik zal jullie uitleiden uit de volken en jullie bijeenbrengen uit de landen waarheen ik jullie met een krachtige hand en een uitgestrekte arm en met uitgestorte woede heb verstrooid. En ik zal jullie in de wildernis der volken brengen; dáár zal ik met jullie van aangezicht tot aangezicht in het gericht treden. Zoals ik met jullie vaderen een geschil had in de wildernis van het land Egypte, zo zal ik met jullie een geschil hebben; aankondiging van Jahweh. En ik zal jullie onder de staf doen doorgaan en jullie in de band van het [Nieuwe] Verbond brengen. En ik zal uit jullie midden de opstandigen en de overtreders tegen mij uitschiften. Uit het land waar zij als vreemdelingen vertoeven, zal ik hen uitleiden, maar op Israëls grond zullen zij niet komen. Aldus zullen jullie weten dat ik JHWH ben (Ez 20).

 

Maar de ‘stem’ van de laatste trompet wordt in de Openbaring nog verder gehoord, namelijk in 4:1 en aldaar met het oog op de Opname van de christelijke Gemeente die in de Openbaring, vanaf dit hoofdstuk 4, verschijnt onder het zinnebeeld van de 24 Oudsten: 

 

Na deze dingen zag ik, en zie een deur die geopend was in de hemel; en de eerste stem die ik als een trompet met mij had horen spreken, zei: Stijg op hierheen, en ik zal je de dingen tonen die na deze dingen moeten geschieden

 

Nadat hij eerst kennis had genomen van de situatie die binnen de joodse gemeenschap op aarde zal bestaan, wanneer de 70ste Jaarweek zal zijn aangebroken, krijgt Johannes hier te zien hoe in die tijd de omstandigheden in de hemel zullen zijn. Tot dan toe was de Gemeente (van christenen) nog niet in beeld geweest.

Om die reden acht men het niet onwaarschijnlijk dat Johannes zelf hier de Gemeente vertegenwoordigt en wel op het specifieke moment van de Opname

De uitnodiging in vers 1 aan hem: Stijg op hierheen, lijkt overeen te komen met de strekking van 1Th 4:16-17 >> 

 

Want de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met een stem ener aartsengel en met een trompet Gods neerdalen vanaf [de] hemel en de doden in [de] Messias zullen eerst opstaan.

Daarop zullen wij, de levenden die overblijven, tezamen met hen in wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen we altijd met [de] Heer zijn.

  

Wanneer?

 

Zoals eerder opgemerkt was het Feest der Trompetten in het oude Israël een najaarsgebeurtenis:

 

In de zevende maand, op de eerste der maand, zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal, een heilige samenkomst.

Lv 23:24

 

Moeten wij het tegenbeeld van dit bazuingeschal eveneens in het najaar verwachten, op de gebruikelijke datum 1 Tisjri?

Dat hoeft niet per se het geval te zijn. Wij zullen dat moeten afwachten, daarbij bedenkend dat uit Lv 23:27 blijkt dat het Trompetgeschal op de Eerste dag feitelijk de opmaat was voor de Verzoendag Jom Kipoer, op de Tiende dag van die zelfde maand:

 

Maar op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen en Jahweh een vuuroffer brengen. 

 

Zelfs nu nog zijn de eerste tien dagen van de maand Tisjri, de zogenoemde Hoogheilige Dagen, de belangrijkste dagen van het hele Joodse jaar, dagen die joodse mensen tot bezinning en inkeer moeten leiden met het oog op goddelijk oordeel. Maar vanzelfsprekend zal de tegenbeeldige vervulling geen letterlijke tien dagen omvatten, zoals evenmin het geval was/is wat betreft de tijdsduur van het tegenbeeld van Pesach (Pascha).

In 1Ko 5:7-8 tekende de apostel Paulus het volgende op met betrekking tot de tegenbeeldige betekenis van het Pascha en het Feest der Ongezuurde broden:

 

Zuivert het oude zuurdeeg uit opdat jullie een nieuw deeg mogen zijn, zoals jullie ongezuurd zijn. Want ook ons Pascha, [de] Messias werd geslacht. Laten wij bijgevolg het feest vieren, niet in oud zuurdeeg noch in zuurdeeg van slechtheid en goddeloosheid maar in ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.

 

Paulus’ aanleiding daartoe was het goddeloos handelen van een zekere Korinthische christen. Diens immorele gedrag was als zuurdeeg, het zinnebeeld voor een verderfelijke, onheilige invloed. Slechts een weinig daarvan doorzuurt de hele massa, en precies dat was te Korinthe gebeurd.

Het zinnebeeld van het zuurdeeg ontleende de apostel aan het jaarlijkse Feest der Ongezuurde broden dat een week lang in aansluiting op het offeren van het Paschalam in Israël werd gevierd. Vergelijk Lv 23:4-8.

 

Voor de joodse vierders gold dat zij bij de aanvang van dat octaaf al het oude zuurdeeg uit hun huizen moesten verwijderen en enkel ongezuurd brood moesten eten, maar volgens Paulus was dat vroegere feest typologisch voor het hele christelijke tijdperk.

De Messias, ons Pascha, is geslachtofferd waardoor een grote verlossing in het vooruitzicht werd gesteld, niet slechts voor één volk maar voor alle mensen die er geloof in stellen, te beginnen met de leden van Jezus’ Gemeentelichaam. Het oude zuurdeeg, kenmerkend voor de onheilige praktijken binnen het Heidendom, moest daarom - als een belangrijk kenmerk van de viering in het tegenbeeld - uit hun midden worden weggedaan.

 

Soortgelijke beginselen gelden voor de tegenbeeldige Verzoendag.

In Israëls Heiligdom, aanvankelijk de Tabernakel, en later in het Tempelheiligdom, werd dienst verricht door een hogepriester die tot het Levitische huis van Aäron behoorde. Andere mannelijke leden van Aärons huis waren onderpriesters, en de overige mannelijke leden van de stam Levi verrichtten dienst als assistenten.

Op de jaarlijkse Verzoendag offerde de hogepriester twee dieren, en het bloed van elk van deze dieren werd op Gods aanwijzing afzonderlijk in het Allerheiligste aangeboden.

 

Eerst werd door de Aäronische hogepriester een jonge stier geofferd voor zichzelf en voor zijn Huis, waarbij de gehele stam Levi inbegrepen was (Lv 16:11, 14). Vervolgens werd er een bok als zondeoffer aangeboden voor het volk, de andere twaalf stammen (Lv 16:15). Bovendien werden de zonden van heel Israël over de kop van Azazel - een levende bok – uitgesproken, waarna die bok de wildernis in werd geleid (Lv 16:21-22).

In het tegenbeeld ging Gods Zoon Jezus, in het jaar 33 AD, als de tegenbeeldige Hogepriester, met de waarde van het bloed van zijn eigen, menselijke slachtoffer het hemelse Allerheiligste binnen. In Hb 9:10-11, 24-28 lichtte de apostel Paulus dat als volgt toe:

 

Toen [de] Messias echter [publiekelijk] optrad als Hogepriester van de goede dingen die geschied zijn, door de grotere en volmaaktere Tent, niet met handen gemaakt - dat is niet van deze schepping - ging hij, ook niet door bloed van bokken en jonge stieren, maar door het eigen bloed, eens voor altijd de meest heilige plaats binnen, een eeuwige verlossing verworven hebbend…

 

Want de Messias ging niet binnen in een met handen gemaakte meest heilige plaats, kopie van de ware, maar in de hemel zelf, om nu ten behoeve van ons voor Gods aangezicht te verschijnen. Ook niet opdat hij zichzelf dikwijls [ten offer] zou opdragen, zoals de hogepriester jaarlijks binnengaat in de meest heilige plaats met vreemd bloed; anders moest hij dikwijls lijden sinds [de] grondlegging der wereld. Maar nu is hij eens voor altijd, bij de voleinding der eeuwen, openbaar gemaakt voor terzijdestelling van de zonde door zijn slachtoffer. 

 

Sindsdien hebben gelovige mensen de geestelijke, levengevende voordelen van dat ene toereikende offer ontvangen. Vanaf Pinksteren 33 AD, met de uitstorting van de heilige geest, en helemaal tot op heden, hebben de leden van de christelijke Gemeente - degenen die ertoe geroepen zijn om met Gods Zoon erfgenamen te zijn – als eersten die voordelen ondervonden.

 

In ons commentaar op Twee Korintiërs 5:1-3, wordt toegelicht dat gedurende het tijdperk waarin alle leden van de christelijke Gemeente tot geloof worden geroepen, in hen principieel zowel de kenmerken van Yom Kipur, de Verzoendag, alsook van het daaropvolgende Loofhuttenfeest in vervulling zijn gegaan.

 

Vergelijk:

Hn 2:32-33;  Rm 8:14-17;  Ks 1:13-14.

 

Maar nog vele anderen zullen de voordelen van Jezus’ volmaakte offer ontvangen, maar te allen tijde slechts op grond van geloof in dat ene toereikende offer, dus zonder daarvoor zelf zwaar werk te verrichten, bijvoorbeeld vermeende, verdienstelijke werken der Mozaïsche Wet (Lv 23:25-28).

 

In de 70ste Jaarweek, ten tijde van Jezus’ paroesie (tegenwoordigheid), wanneer de laatste trompet klinkt, en nadat de Gemeente is weggerukt in de Opname, de Heer tegemoet in de lucht, zullen de voordelen ook een gelovig joods Overblijfsel ten deel vallen. Maar ook de Heidenvolken komen op Gods bestemde tijd in het beeld. Zoals Jezus zelf al aankondigde zullen de levengevende voordelen van zijn offer ook hen bereiken, met name in zijn Millenniumrijk:

 

Want God had de wereld zozeer lief dat hij zijn eniggeboren Zoon gaf, opdat een ieder die geloof oefent in hem niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben (Jh 3:16).

 

Conclusie:

Aangezien in de Eerste eeuw de tegenbeelden van de periodieke joodse feesten, zoals opgesomd in Leviticus hoofdstuk 23 – met name de ‘voorjaarsfeesten’ - steeds plaats vonden op de specifieke datums van die feestdagen, is het niet uit te sluiten dat dit ook het geval zou kunnen zijn met de feesten van de ‘najaarsperiode’ van het Israël Gods.

Elk feest bleek een zinnebeeldige betekenis te hebben in verband met Gods ‘plan’ van verlossing in zijn Zoon, Messias Jezus, t.w.:

 

● Pesach op 14 Nisan, als inleiding voor het 7-daagse feest der Ongezuurde broden. Naar het typologische voorbeeld, het eten van het Pesachlam, stierf Jezus op die dag zijn offerdood als het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt.

● Op 16 Nisan, de dag waarop de schoof van de eerstelingen der oogst als een beweegoffer aan JHWH God werd aangeboden, werd Gods Zoon uit de dood opgewekt.

● Op 6 Sivan werd Sjavuoth, het Wekenfeest (Pinksteren), gevierd, maar op diezelfde dag werd ook de Christelijke Gemeente gesticht doordat de geest werd uitgestort op de eerste 120 leden daarvan. Op die dag moest er een nieuw graanoffer aan God worden aangeboden: een beweegoffer in de vorm van twee gezuurde broden.

 

Vaak wordt door uitleggers van de Schrift gesuggereerd dat de twee gezuurde broden de christelijke Gemeente zouden afbeelden zoals ze samengesteld is uit zondige mensen die afkomstig zijn zowel uit de Joden als uit de Gojim (de Heidenvolken). Maar op grond van 1Ko 10:17 is die uitleg moeilijk houdbaar: Omdat [er sprake is van] één brood, zijn wij, de velen, één lichaam; want allen hebben wij deel aan het ene brood.

 

In de Bijbel spreekt bovendien het getal 2 van getuigenis en uit Handelingen, hoofdstuk 1, vernemen wij – over de gebeurtenissen in de ‘aanloop’ naar de Pinksterdag, met name tijdens de 40 dagen dat de opgestane Jezus nog te midden van de leerlingen verscheen – dat de Heer met hen sprak over de dingen betreffende het koninkrijk Gods (vers 3). Bijgevolg informeerden de leerlingen bij hem (in vers 6): Heer, herstelt gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël? Maar welk antwoord kregen zij van hem op die prangende vraag?

Vers 8 >> Jullie zullen kracht ontvangen wanneer de heilige geest op jullie komt en jullie zullen getuigen van mij zijn.

 

Ook in Hn 2:17, wanneer Petrus het gebeuren van de Pinksterdag toelicht met een verwijzing naar Joëls profetie, ligt de nadruk op het geven van het profetische getuigenis met betrekking tot het koninkrijk Gods. Er zal door de leden van het ware Israël Gods geprofeteerd worden.

Uiteindelijk zal dát Israël Gods uit twee gemeenten bestaan, de hemelse – die haar begin had op de Pinksterdag van 33 AD – en de aardse die in de Eindtijd zal verschijnen, kennelijk op de helft van de 70ste Jaarweek wanneer de definitieve vervulling aanbreekt van Joëls profetie (2:28-32). Het Joodse Overblijfsel van het aardse deel van het Israël Gods zal dan het profetische getuigenis van Mattheüs 24:14 aan alle Gojim geven met betrekking tot een dan werkelijk opgericht koninkrijk Gods, een koninkrijk dat dan inderdaad in werking is gekomen. Maar tot aan de Opname zal de hemelse Gemeente, eveneens op aarde, haar eigen profetische getuigenis afleggen van dat Koninkrijk.

Vergelijk: 1Ko 4:20; Rm 14:17; Ks 1:13.

Dat Jezus’ Gemeentelichaam uiteindelijk wel degelijk samengesteld zou zijn uit Joden alsook uit mensen afkomstig uit de Heidenvolken, wordt wellicht te kennen gegeven in de laatste gedachte van de perikoop over het feest van Sjavuoth (Pinksteren); dus vers 22, waarin we lezen over een nalezing:

 

En wanneer jullie de oogst van jullie land binnenhaalt, mogen jullie, wanneer jullie oogsten, de rand van jullie veld niet geheel afoogsten, en de nalezing van jullie oogst mogen jullie niet bijeenrapen. Jullie moeten die voor de ellendige en de inwonende vreemdeling overlaten. Ik ben YHWH, jullie God.

 

Vergelijk het verhaal over Ruth, de Moabitische (type van de Christelijke Gemeente), aan wie het door Boaz (Messias Jezus) werd toegestaan om op diens velden na te lezen, en wel vanaf de gerstoogst tot en met de tarweoogst.

(Ruth 2).

Zie de studie: Ruth en de Antichrist, vooral het onderkopje

De Typologie van het boek Ruth

Engelse aangepaste versie: The Ga’al who could not redeem  

 

Het tegenbeeldige bazuingeschal - wellicht identiek aan de laatste trompet - alsook de tegenbeeldige Verzoendag en het tegenbeeldige Loofhuttenfeest die daarop volgen, zouden eveneens kunnen samenvallen met de traditioneel, gebruikelijke joodse feestdata van de zevende maand (Tisjri), hoewel niet noodzakelijk in één en hetzelfde jaar. Die twee andere ‘najaarsfeesten’ kunnen hun tegenbeeldige vervulling hebben vanaf de helft, respectievelijk vanaf het einde van de 70ste Jaarweek.

 

Tegelijkertijd realiseren wij ons ook dat de tegenbeelden van de ‘najaarsfeesten’ niet noodzakelijkerwijs hoeven plaats te vinden ten tijde van de specifieke datums van die feestdagen. De term ‘najaarsfeesten’ zou er ook eenvoudig op kunnen duiden dat hun tegenbeeldige vervulling in de Eindtijd komt! 

 

Zoals we aangaven in de Inleiding werd in Eén Thessalonicenzen 4 voor de eerste maal door de apostel aangegeven hoe trompetgeluid het signaal zal zijn voor de Opname van de Gemeente: de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem ener aartsengel en met Gods trompet neerdalen vanaf [de] hemel en de doden in [de] Messias zullen eerst opstaan.

En dat signaal zou al dan niet kunnen samenvallen met het tegenbeeldige bazuingeschal van 1 Tisjri, in de Hebreeuwse tekst van Lv 23:23-25 aangeduid als תרועה  (Theroeaah), trompetgeschal door het blazen van de sjofar.

 

De GW (getalswaarde) van תרועה is 681, en het is wel heel bijzonder dat de GW van vers 2 van Ruth 2 in totaal 4-681 bedraagt. Daar lezen we hoe Ruth aan Naomi te kennen geeft naar het veld te willen gaan om achter de oogsters aan aren te lezen:

Ruth, de Moabitische, zei tegen Naomi: “Ik wil naar het veld gaan en aren lezen achter hem in wiens ogen ik genade vind”. Zij zei tegen haar “Ga, mijn dochter”.

Waarom bijzonder? Omdat

 

a. in Leviticus 23, direct voorafgaand aan de passage over het bazuingeschal van 1 Tisjri, in vers 22 de regeling voor nalezing bij de oogst uiteengezet wordt;

 

b. Ruth, type van de Christelijke Gemeente, bij haar activiteit op het veld voor het eerst rechtstreeks in de nabijheid van Boaz, type van de ‘losser’ Jezus, komt te verkeren. Bovendien heeft de GW van dát vers 22 (t.w. 5-960) diverse eindtijd reminiscenties. Vergelijk Jezus’ parabel van de Tarwe en het Onkruid, waarin tijdens de voleinding der eeuw de oogsters de engelen zijn.

 

c. het boek Ruth tot spaak 8 van het Bijbelwiel behoort, t.w.

8  Ruth - 30  Amos  - 52  Eén Thessalonicenzen

 

Zie ook: Ruth en de Antichrist

 

Wat betreft de tijd voor de Opname bezitten we, naar het schijnt, ook nog een andere aanwijzing. Welke?

Nadat de apostel in 1Th 4:15-17 de Wegrukking had beschreven, gaf hij direct daarop, in 1Th 5:1-3, dienaangaande de volgende indicatie:

 

Wat nu de tijden en de tijdperken betreft, broeders, hoeft men jullie niet te schrijven, want jullie zelf weten heel precies dat [de] dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Wanneer zij zeggen "Vrede en Veiligheid" zal juist dan een plotseling verderf over hen komen zoals het wee over een zwangere en zij zullen beslist niet ontkomen.

 

Zie hier het commentaar op die uitspraak.

 

Kennelijk zal de laatste generatie van 'levenden' vlak voor de Opname ook naar dat 'teken' kunnen uitzien: de opvallende manier waarop er in de wereld over vrede en veiligheid zal worden gesproken, althans over de noodzakelijkheid daarvan

Kijkend naar de wereldsituatie van thans kunnen we gemakkelijk inzien dat de wereld der mensen in het algemeen zich maar al te graag door stellige uitspraken dienaangaande in slaap zal willen laten sussen, in plaats van er acht op te geven als een (voor hen) onheilspellend signaal van Godswege.

 

Naast dit alles, zijn er meerdere redenen om de lezer ook te attenderen op de datum 10 Nisan.

 

Tien Nisan

 

Waarom aandacht voor die joodse datum?

Antwoord: Omdat 10 Nisan door Jahweh God zelf kennelijk als niet zomaar een gewone datum wordt gezien. Beschouw:

 

  • Toen God zijn volk aanwijzingen gaf voor het houden van het eerste Pesach in relatie tot de 10e plaag, de dood van Egypte’s eerstgeborenen, zei hij tot Mozes en Aäron: Deze maand [Nisan] zal voor jullie het begin der maanden zijn; ze zal voor jullie de eerste der maanden van het jaar zijn. Spreekt tot de gehele vergadering van Israël en zegt: Op de tiende van deze maand dient [elke] man een lam te nemen voor het voorvaderlijk huis, een lam per gezin… En het moet bij jullie in bewaring blijven tot de veertiende dag van deze maand. Ex 12:1-7

 

Hier is voor de eerste maal, in Nisan van het jaar 2514 AM, sprake van 10 Nisan als een speciale datum. Op die dag moesten er voorbereidingen getroffen worden voor het Pesach op de veertiende. Voor de eerste maal ook wordt in verband met Israëls bevrijding melding gemaakt van het offerlam, een beeld van de Messias, het Lam Gods dat ware bevrijding (verlossing) brengt: Het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt (Jh 1:29). 

 

Israël leerde de les dat alle ware zegen hen slechts zou kunnen bereiken op basis van diens te vergieten offerbloed. De apostel constateerde met betrekking tot het Israël Gods dan ook: Want ook ons Pascha[de] Messias werd geslacht  (1Ko 5:7).

 

* Nagenoeg ‘op de kop af’ stak Israël veertig jaar later, op 10 Nisan van het jaar 2554 AM, de rivier Jordaan over om het Beloofde land binnen te gaan:

 

Het volk kwam op uit de Jordaan op de tiende der eerste maand en legerde zich te Gilgal, aan de Oostgrens van Jericho.

 

Wanneer men het verslag van de ‘oversteek’ in Jozua 3 en 4 er op naleest, is het onmiskenbaar duidelijk dat de priesterschap in het hele gebeuren een prominente rol vervulde. Op die 10e Nisan droegen zij de Verbondskist met het gouden troondeksel ongeveer 2000 el voor de Gemeente van Israël uit. Toen zij met hun voeten in het water van de rivier traden, werden de wateren die van bovenaf  kwamen tegengehouden. Staande met de ark in het midden van de rivierbedding kreeg de hele Gemeente de gelegenheid over te trekken.

 

De priesters nu, die de ark droegen, bleven midden in de Jordaan staan, totdat alles volbracht was, wat Jahweh Jozua bevolen had tot het volk te spreken, naar alles wat Mozes Jozua geboden had; en het volk trok met haast over (Jz 4:10).

 

In de Eerste Eeuw bracht de apostel Paulus het gouden verzoendeksel, volgens het Grieks hilastèrion, in verband met de rechtvaardigheid die verkregen wordt door geloof in Gods Zoon: Hem stelde God als verzoendeksel door het geloof in zijn bloed (Rm 3:25).

Aangezien God zelf in de Tabernakel geacht werd boven die Verbondskist te tronen, nam dat gouden verzoendeksel als het ware de betekenis aan van Gods troon, zijn Genadetroon.

 

Welnu, die voorstelling van zaken - dat Tabernakeltafereel, maar dan op de schouders van de priesterschap - zien we zinnebeeldig ook terug in Openbaring, de hoofdstukken 4 en 5. De visionair Johannes raakte zelf bij het hemelse tafereel betrokken:

 

Na deze dingen zag ik en zie een deur die geopend was in de hemel; en de eerste stem die ik als een trompet met mij had horen spreken, zei: Stijg op hierheen [beeld van de Opname], en ik zal je de dingen tonen die na deze dingen moeten geschieden. 

Onmiddellijk geraakte ik in geest; en zie een troon rustte in de hemel, en op de troon [iemand] zittend. En hij [God] die op de troon is gezeten van aanzien gelijk een jaspis- en sardissteen… En rondom de troon vierentwintig tronen, en op de tronen zittend vierentwintig Oudsten [de opgenomen Gemeente] gekleed in witte bovenklederen, en op hun hoofden gouden kronen... En in het midden van de troon… zag ik een lam staande als zijnde geslacht, hebbend zeven horens en zeven ogen, welke zijn de zeven geesten Gods die uitgezonden zijn tot geheel de aarde.

 

Zie de commentaren op Openbaring  1:9-11, waar we eveneens de laatste trompet horen klinken bij de aanvang van de Dag die de Heer toebehoort, teneinde de joodse Eindtijdgemeenschap bijeen te roepen.

4:1-4 en 5:6-7.

 

Matthew Henry merkte ten aanzien van 10 Nisan als de datum van overtocht op: “He so ordered things here that Israel entered Canaan four days before the annual solemnity of the Passover, and on the very day when the preparation for it was begun, for He would have them enter into Canaan graced and sanctified with that religious feast, and would have them to be reminded of their deliverance from Egypt that, combining the two together, God might be glorified as the Alpha and Omega of their blessing" .

 

Na op 9 Nisan van het jaar 33 AD zijn triomfantelijke intocht in de Stad van de Grote Koning te hebben gemaakt, reinigde Jezus de volgende dag, dus op 10 Nisan, Jeruzalems tempel:

 

Ook spreidden velen hun kleren op de weg uit en anderen hakten twijgen van de bomen en spreidden ze op de weg uit. En zij die vooropliepen en zij die volgden, riepen: Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer! Gezegend het Koninkrijk van onze vader David… En de volgende dag, toen zij uit Bethanië gingen… kwamen zij in Jeruzalem; en toen Jezus de tempel binnengegaan was, begon hij hen die in de tempel verkochten en kochten, naar buiten te drijven; en de tafels van de wisselaars en de stoelen van hen die de duiven verkochten, keerde hij om… en hij zei tegen hen: Staat er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken? Maar u hebt er een rovershol van gemaakt.

 

Bij de Opname van de Gemeente zal iets plaats vinden wat van de zelfde orde is. Wanneer immers de laatste generatie van christenen in wolken is weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht - overigens samen met alle vroegere, opgewekte leden van Jezus’ Lichaam - zal de Heer op die wijze eveneens een grondige scheiding veroorzaakt hebben: Al wat op aarde aan ‘Christendom’ achterblijft blijkt dan van het onwaarachtige soort te zijn, en zij die het aanhingen worden ontmaskerd als zijnde ‘namaakchristenen’.

 

Daarnaast is het niet onbelangrijk om op te merken dat met de vorige dag, 9 Nisan - bij Jezus’ zegepralende intocht - de 69e Jaarweek ten einde kwam. We leiden dat af uit Lukas’ verslag van dat gebeuren:

 

Terwijl hij nu voorttrok, spreidden zij hun kleren op de weg. Toen hij dan reeds nabij de afdaling van de Berg der Olijven kwam, begon de hele groep der leerlingen vol vreugde God met luider stem te loven voor alle krachtige daden die zij gezien hadden, zeggend:

Gezegend hij die komt,

de koning, in naam van de Heer!

In de hemel vrede, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen…

 

En toen hij naderbij kwam, de stad zag, weeklaagde hij over haar, zeggend: Indien gij, ja gij, op deze dag de dingen onderscheidde tot vrede – nu echter zijn ze voor je ogen verborgen. Want er zullen dagen over je komen en je vijanden zullen een palissade tegen je oprichten, en je omsingelen en je van alle kanten insluiten; en zij zullen jou en je kinderen in jou tegen de grond verpletteren; en zij zullen in jou geen steen op de andere laten, omdat je de tijd waarin naar je werd omgezien, niet onderscheidde.

Lk 19:36-44

 

Wat is dit voor "zegevierende" intocht? De aanstaande koning weent over zijn hoofdstad en heft een klaagzang aan over zijn onderdanen, en dat terwijl hij een schitterend gezicht op de stad moet hebben gehad, in het bijzonder op het glorierijke, door Herodes gerestaureerde tempelheiligdom.

Maar terwijl de menigte in extase verkeert, breken Jezus de tranen uit. Zijn gedachten waren in werkelijkheid bij Daniëls leringen over de Jaarweken. In de parabel die hij kort daarvoor had verteld, die over de tien minen, maar die bij Lukas onmiddellijk voorafgaat aan diens verslag over de intocht, was dat ook al het geval.

 

Zie: Lukas 19:20-27 en ook Daniël 9:25

 

Jezus weet daarom precies wat er volgens de Jaarwekenprofetie na afloop van de 69e Week zal plaats vinden:

 

En na de tweeënzestig weken zal Messias worden afgesneden en niets voor hem. En de stad en het heiligdom zullen door het volk van een vorst die [nog] komt, verwoest worden.

(Dn 9:26)

 

De Koning komt tot zijn koninklijke hoofdstad, maar de stad met haar bevolking, onder aanvoering van haar leiders, heeft geen oog voor hem noch voor de dingen die met vrede en redding te maken hebben. In de persoon van zijn Zoon ziet God in gunst naar hen om, maar dat wordt niet door hen onderscheiden. 

 

Integendeel, nog maar enkele dagen en dan zal de huidige euforie omslaan en zal het volk, op aandringen van de religieuze elite, Jezus’ dood eisen. Hij zal worden afgesneden, zonder ook maar iets te ontvangen wat op grond van zijn koninklijke intocht verwacht mocht worden:

 

de scepter die niet van Juda zou wijken;

installatie als Gods koning, op Sion, zijn heilige berg;

de gehoorzaamheid der volken.

 

Vergelijk: Gn 49:10; Ps 2:6, 8; 45:7; Dn 7:14.

 

Maar op die Dag, 9 Nisan van het jaar 33 AD, de Dag die Israël niet onderscheidde, eindigde dus de 69e Jaarweek voor de natie en direct daarna, op de volgende dag (10 Nisan 33 AD) reinigde Jezus de tempel. 

 

Conclusie:

Al het voorgaande in aanmerking nemend zou men de gehele 70ste Week ook kunnen zien in  het licht van de datum 10 Nisan. 

Op basis van de verdienste van het ware Pesachlam Gods zal de hemelse priesterschap zich blijkbaar na de Opname, kennelijk vroeg in de 70ste Week, voor de verdere duur van die Week bemiddelend in het midden van de drooggevallen ‘Jordaan’ bevinden waardoor Israëls Rest, tezamen met de mensen uit de Heidenvolken die zich in geloof bij hen voegen, de ‘oversteek’ naar het Millenniumrijk van de Messias kunnen maken.

Daarna zullen de Adamitische ‘wateren’ - die bij de plaats ‘Adam’ tijdelijk werden tegengehouden - onbelemmerd afvloeien naar het dode milieu van de zee der Araba, de Zoutzee.

 

Vergelijk: Op 4:4-5 met Op 5:6. En zie:  Jz 3:14-17; Ez 47:8.

 

Een en ander zou tevens zeer in overeenstemming zijn met het ‘Eliawerk’, respectievelijk het ‘Elisawerk’, waardoor de 70ste Week op een in een het oog lopende wijze gekenmerkt zal worden. Wij hoeven slechts terug te denken aan het scheiden van de Jordaanwateren waarover wij in 2 Koningen 2:1-15 lezen. Zowel Elia als Elisa waren bij die wonderen van diepe profetische betekenis betrokken.

 

Zie: Elia- en Elisaperiode in de Studie Elia, een mens van dezelfde gevoelens als wij.

 

Opmerking 1: In 2017 valt 10 Nisan op 6 April.

 

Opmerking 2:

In de studie Wanneer werd Adam geschapen en begon de Anno Mundi tijdrekening? werd onder het kopje Jakob bij de Jabbok aannemelijk gemaakt dat het jaar 2266 AM, waarin die overtocht plaats vond, voortaan aangemerkt kon worden als een nieuw vertrekpunt voor het tellen der jaren van Israëls geschiedenis. Vooral wanneer het zou gaan om tijden van grote nood waaruit alleen God zijn uitverkoren volk van hun vijanden zou kunnen redden.

 

Er werd ook verwezen naar Exodus 40, het hoofdstuk in Boek 2, waarin wordt verhaald dat Mozes op de eerste dag van de maand Nisan, in het tweede jaar van de Uittocht, volgens YHWHs instructies de priesterschap installeerde.

Vers 12, dat luidt: Dan moet u Aäron en zijn zonen bij de ingang van de tent van ontmoeting laten komen, en hen met het water wassen - heeft GW 3757. Gevoegd bij 2266 AM brengt ons dat naar het jaar 6023 AM, wellicht aangevend dat de hemelse priesterschap der 24 Oudsten dan wordt geïnstalleerd.

 

In 2017 valt 1 Nisan op 28 maart.

 

Zoals hierboven al werd aangegeven, is het interessante in deze zaak dat Boek 2, Exodus, (uiteraard) behoort tot Spaak 2 van het Bijbelwiel, t.w.:

Boek 2 Exodus, Boek 24 Jeremia en Boek 46 Eén Korinthe.

En we weten dat in 1Ko 15:51-52 wordt aangekondigd dat de Gemeente wordt opgenomen bij de laatste trompet: Want de trompet zal klinken en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.

 

Voorts realiseren we ons ook dat Exodus 40 ons herinnert aan Boek 40, Mattheüs, en dat in hoofdstuk 24 van dat Evangelie – niet toevallig precies het getal der 24 Oudsten in Openbaring 4 – sprake is van een luid trompetgeschal (vers 31):

En hij zal zijn engelen uitzenden met een luid trompetgeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenvergaderen van de vier windstreken, van het ene uiteinde der hemelen tot het andere uiteinde daarvan.

 

Weliswaar wordt in die context gedoeld op de laatste bijeenbrenging van de Joodse uitverkorenen, het Eindtijdoverblijfsel, maar die omstandigheid accentueert te meer dat de Laatste trompet kennelijk een signaal inhoudt voor de slot-bijeenvergadering van het gehele Israël Gods.

 

Ezechiël 40

 

Maar terug naar de betekenis van 10 Nisan, die opmerkelijke datum in Israëls historie!

Volgens Ez 40:1-2 werd de profeet Ezechiël [ook al] op 10 Nisan in visioenen van God overgebracht naar de stad Jeruzalem, waar God hem neerzette op een zeer hoge berg, alwaar hij een visionaire tempel te zien kreeg. Volgens hemzelf: Iets als het bouwsel van een stad.

 

Volgens de NBG-versie lezen we in Ez 40:1-2 het volgende: 

 

In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, in de aanvang van het jaar, op de tiende der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad was gevallen, op diezelfde dag, was de hand van Jahweh op mij en Hij bracht mij daarheen: in gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg; daarop was iets als een stad gebouwd aan de zuidzijde (aangepast).

 

Ook hier is sprake van de 10e dag, en naar velen menen van de maand Tisjri, aangezien in het Hebreeuws van de M-tekst de aanvang van het jaar wordt weergegeven met rosj hasjanah, de aanduiding die in het Jodendom nog steeds gebruikt wordt voor het joodse Nieuwjaar, te beginnen op 1 Tisjri, wanneer het bazuingeschal klinkt, zoals hierboven al uitvoerig werd beschreven.

Zie: Inleiding

De LXX tekst noopt ons echter om (wederom) aan 10 Nisan te denken en dus niet aan 10 Tisjri, de datum voor Jom Kipoer, de joodse Verzoendag. 

Zoals we hieronder kunnen zien laat de Septuagint daarvoor geen ruimte:

 

και εγενετο [En het geschiedde] εν [in] τω [de] πρωτω [eerste] μηνι [maand] δεκατη [op tiende] του μηνος εν [van de maand], etc.  

Op die tiende Nisan werd Ezechiël dus in visioenen verplaatst naar de stad Jeruzalem waar hij iets zag gebouwd als een stad. In werkelijkheid aanschouwde hij echter wat men bij voorkeur aangeeft met de uitdrukking de visionaire tempel.

 

Ezechiël vertelt ons verder wat hij ziet en hoort:

 

In de poort stond een man met het uiterlijk als van koper, en hij had in zijn hand een snoer van vlas en een meetriet. De man zei tegen mij: ‘Mensenzoon, zie met je ogen en luister aandachtig met je oren en let goed op bij alles wat ik je zal laten zien. Want met dat doel ben je hierheen gebracht. Alles wat je ziet moet je aan het Huis van Israël vertellen’ (Ez 40:3-4).

 

Wanneer de profeet inderdaad toekijkt, ziet hij dat de man met het meetriet het Heiligdom – gelijk de bouw van een stad - begint te meten: Ongetwijfeld de Tempelstad Nieuw Jeruzalem, maar dan beschreven vanuit een Joods gezichtspunt.

 

Zie de overeenkomst in het beeld van de Levenswaterstroom van respectievelijk Op 22:1-2 en Ez 47:1-12.

 

De LXX heeft voor meetriet καλαμος μετρου [kalamos metrou], en dat is precies ook de term die we in Op 11:1-2 aantreffen, wanneer de visionair Johannes de opdracht krijgt die zelfde Tempelstad te meten:

 

En mij werd een meetriet [kalamos] gegeven gelijk een staf, zeggend: Sta op en meet het tempelheiligdom van God en het altaar en hen die daarin aanbidden. En het voorhof dat buiten het tempelheiligdom is moet je er buiten houden en niet meten want het is aan de Heidenen gegeven, en zij zullen de heilige Stad tweeënveertig maanden vertreden.

 

Zie:

Het commentaar bij Openbaring 11:1-2, waarin beredeneerd wordt dat de hemelse Gemeente van de Tempelstad in de beginfase van de 70ste Jaarweek voor Israël gemeten kan worden. De Opname heeft dan plaats gevonden en de leden van de christelijke Gemeente bevinden zich dan onder het zinnebeeld van de 24 Oudsten rondom de troon van God, ook zelf zittend op tronen en gekroond met gouden kronen (Op 4:4).

 

Niets staat Johannes daarom in de weg die hemelse Gemeente te 'meten', dat wil zeggen het vaststellen van haar geestelijke dimensies, de staat waarin ze verkeert.

Zij is gereed voor haar aandeel in de taak om binnen het koninkrijk voor Israël tot een zegen voor de Heidenvolken te worden (Gn 22:17-18).

 

Met de aardse joodse Gemeente ligt de zaak anders. Voorlopig kan die Gemeente niet gemeten worden. Althans volgens Openbaring 11, maar onderzoeken wij zorgvuldig de hdst 40 tm 48 in Ezechiël, dan blijkt dat het gehele Heiligdom reeds gereed is voor meting. Bijgevolg moet kennelijk hier aan het genoemde tijdstip van 10 Nisan 6030 AM gedacht worden, wanneer het einde van de 70ste Jaarweek nog de 75 dagen van Dn 12:11 en 12 volgen. In dat geval zou het meten eerder overeenkomen met Op 21:15-21, dan met Op 11:1-2.

In Openbaring 21, de vv 15 tm 17, lezen we:

 

En hij die met mij spreekt hanteerde als maatstaf een gouden meetriet [kalamos] om de Stad en haar poorten en haar muur te meten. En de stad ligt [als een] vierkant, even lang als breed. En hij mat de Stad met de meetriet op twaalfduizend stadiën; haar lengte, breedte en hoogte zijn gelijk. En hij mat haar muur: honderd vier en veertig el, mensenmaat, welke is van een engel. 

 

Zowel In Ezechiël 40 als in Openbaring 21 lijken we ons voorbij het einde van de 70ste Week te bevinden, alsmede bij het einde van Jezus’ paroesie welke, volgens Mt 24:27-30, na afloop van de Week alsnog tot een climax moet komen. 

Het Heiligdom, waarvan YHWH in Ez 37:26-27 aankondigt dat hij het te midden van hersteld Israël zal plaatsen, zien we na de [mislukte] aanval door Gog van Magog in de hfdst 38 en 39 volledig opgericht in 40:1-2.

 

Evenzo de Tempelstad Nieuw Jeruzalem. Oók die Stad zien we, de ondergang van het antichristelijk duo Beest en Valse profeet in Op 19:19-21, uit de hemel neerdalen in de fase dat er sprake is van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, in Op 21:1-4.

 

Conclusie:

De gevolgde gedachtegang leidt in dit geval tot de slotsom dat de datum 10 Nisan inderdaad wederom van grote betekenis zou kunnen zijn. Op grond daarvan is het immers denkbaar dat rond die datum de Grote Schare van Op 7:9-17, eenmaal gekomen uit de Grote Verdrukking, inderdaad kan aanvangen met haar priesterlijke dienst in Gods tempelheiligdom, zoals in Op 7:13-15 wordt aangegeven.

  

-.-.-.-