Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De laatste trompet

De laatste trompet

 

Voor smal lezen, zie: Blogexemplaar 

Inleiding

Wanneer?

Tien Nisan

Ezechiël 40

 

Inleiding

 

Zie! Ik vertel jullie een geheimenis: Wij zullen niet allen ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar moment, in een knippering van [het] oog, bij de laatste trompet. Want de trompet zal klinken en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen en dit sterfelijke [moet] onsterfelijkheid aandoen.

1Ko 15:51-53

 

Het blazen van de laatste trompet is een eschatologisch signaal en markeert het punt in de tijd waarop de Heer [Jezus] zelf vanuit de hemel neerdaalt voor het op gang brengen van de beslissende eindtijdgebeurtenissen.

 

In 1Th 4:15-17 wordt de zelfde gebeurtenis, bekend geworden als De Opname van de Gemeente, in de volgende bewoordingen aangekondigd:

 

Want dit zeggen wij jullie op gezag van [een] woord van [de] Heer: wij, de levenden, die overblijven tot de paroesie van de Heer, zullen de ontslapenen beslist niet voorgaan. Want de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van [de] aartsengel en met Gods trompet neerdalen vanaf [de] hemel en de doden in [de] Messias zullen eerst opstaan. Daarop zullen wij, de levenden die overblijven, tezamen met hen in wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen we altijd met [de] Heer zijn.

 

Het signaal leidt tevens de manifestatie van God in waarin hij zich op een allesbeslissende wijze kenbaar zal maken aan een totaal van hem vervreemde mensenwereld die haar climax van goddeloosheid heeft bereikt.

Het signaal dat wereldwijd door de laatste trompet zal klinken wordt algemeen in verband gebracht met het eerste van de drie najaarsfeesten welke Israël elk jaar volgens Leviticus 23 moest onderhouden t.w. trompet- of bazuingeschal op de eerste dag van de zevende maand:

 

In de zevende maand, op de eerste der maand, zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal, een heilige samenkomst.

(Lv 23:24; nbg)

 

Met Sjavoeot, het Wekenfeest [Pinksteren], werden de voorjaarsfeesten afgesloten (Lv 23:15-22). Er volgde dan een (betrekkelijk) lange periode tot dat eerste najaarsfeest, dat vooral gekenmerkt werd door het veelvuldig blazen op de ramshoorn, de sjofar.

De tegenbeeldige vervulling van het trompetgeschal, dat in de eerste plaats voor Gods oude Verbondsvolk Israël allerbelangrijkst zal zijn, zou ook voor de christelijke Gemeente van betekenis kunnen zijn. De Opname zou dan plaats kunnen vinden, en mocht dat het geval zijn dan is het alleen maar logisch dat een christen verwijlt bij de vraag: "Wanneer mag die gebeurtenis verwacht worden?" 

 

Maar de vervulling geldt toch allereerst Israël; het tegenbeeldige sjofarblazen zal immers tot doel hebben nederige Joden op te roepen tot bezinning, tot terugkeer en berouw. Voor zover zij dit tot dan toe nog niet gedaan mochten hebben, zal het voor hen van het hoogste belang zijn om dan alsnog tot inkeer te komen van hun hardnekkig verzet tegen en hun ongeloof in hun ware Messias, Jezus, Gods eigen Zoon.

 

 

In de voorafbeelding der feesten leidde het trompetgeschal tien dagen later tot de viering van Jom Kipoer, de Grote Verzoendag. Ook de tegenbeeldige vervulling daarvan komt voor Israël in de 70e Jaarweek, wanneer Jahweh God het deel van zijn volk dat in berouw tot hem terugkeert, zal zuiveren van schuld.

 

Dat bij het aanbreken van de eindtijd de beide gemeenten van Gods voornemen door de roep van de laatste bazuin worden bijeenvergaderd hoeft ons - indien die veronderstelling juist zou blijken te zijn - geenszins te verbazen, aangezien

 

• beide gemeenten tezamen tot het ene Israël Gods worden gemaakt dat - werkzaam vanuit de tempelstad Nieuw Jeruzalem – in het Millenniumkoninkrijk van de Messias dienstbaar zal zijn tot zegen van de Heidenvolken;

 

in Rm 11:25-26 wordt onthuld dat de verharding van Israël jegens haar Messias eindigt als de volheid der Heidenen is ingegaan en dat langs die weg het hele Israël Gods zal worden gered; 

 

de loskoop van de beide gemeenten samenvalt, zoals vooraf werd getoond in het Ruthverhaal: Nadat de 'antichristelijke' Peloni Almoni had erkend dat hij niet in staat was te lossen, ging Boaz – voorafbeelding van de Messias – er toe over door één daad de beide vrouwgemeenten te 'lossen'.

 

Zie aub: Ruth en de Antichrist .

 

Wanneer?

 

Het Feest der Trompetten was in het oude Israël een najaarsgebeurtenis:

 

In de zevende maand, op de eerste der maand, zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal, een heilige samenkomst.

Lv 23:24

 

Moeten wij het Tegenbeeld van dit bazuingeschal eveneens in het najaar verwachten,  op de gebruikelijke datum 1 Tisjri?

Wij zullen dit moeten afwachten, daarbij bedenkend dat uit Lv 23:27 blijkt dat het Trompetgeschal op de Eerste dag feitelijk de opmaat was voor de Verzoendag Jom Kipoer, op de Tiende dag van die zelfde maand:

 

Maar op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen en Jahweh een vuuroffer brengen. 

 

Zelfs nu nog zijn de eerste tien dagen van de maand Tisjri, de zogenoemde Hoogheilige Dagen, de belangrijkste dagen van het hele Joodse jaar, dagen die joodse mensen tot bezinning en inkeer moeten leiden met het oog op goddelijk oordeel. Maar vanzelfsprekend zal de tegenbeeldige vervulling geen letterlijke tien dagen omvatten, zoals evenmin het geval was/is wat betreft de tijdsduur van het tegenbeeld van Pesach (Pascha).

In 1Ko 5:7-8 tekende de apostel Paulus het volgende op met betrekking tot de tegenbeeldige betekenis van het Pascha en het Feest der Ongezuurde broden:

 

Zuivert het oude zuurdeeg uit opdat jullie een nieuw deeg mogen zijn, zoals jullie ongezuurd zijn. Want ook ons Pascha, [de] Messias werd geslacht. Laten wij bijgevolg het feest vieren, niet in oud zuurdeeg noch in zuurdeeg van slechtheid en goddeloosheid maar in ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.

 

Paulus’ aanleiding daartoe was het goddeloos handelen van een zekere Korinthische christen. Diens immorele gedrag was als zuurdeeg, het zinnebeeld voor een verderfelijke, onheilige invloed. Slechts een weinig daarvan doorzuurt de hele massa, en precies dat was te Korinthe gebeurd.

Het zinnebeeld van het zuurdeeg ontleende de apostel aan het jaarlijkse Feest der Ongezuurde broden dat een week lang in aansluiting op het offeren van het Paschalam in Israël werd gevierd. Vergelijk Lv 23:4-8.

 

Voor de joodse vierders gold dat zij bij de aanvang van dat octaaf al het oude zuurdeeg uit hun huizen moesten verwijderen en enkel ongezuurd brood moesten eten, maar volgens Paulus was dat vroegere feest typologisch voor het hele christelijke tijdperk. De Messias, ons Pascha, is geslachtofferd waardoor een grote verlossing in het vooruitzicht werd gesteld, niet slechts voor één volk maar voor alle mensen die er geloof in stellen, te beginnen met de leden van Jezus’ Gemeentelichaam. Het oude zuurdeeg, kenmerkend voor de onheilige praktijken binnen het Heidendom, moest derhalve - als een belangrijk kenmerk van de viering in het tegenbeeld - uit hun midden worden weggedaan.

 

Soortgelijke beginselen gelden voor de tegenbeeldige Verzoendag.

In Israëls Heiligdom, aanvankelijk de Tabernakel, en later in het Tempelheiligdom, werd dienst verricht door een hogepriester die tot het Levitische huis van Aäron behoorde. Andere mannelijke leden van Aärons huis waren onderpriesters, en de overige mannelijke leden van de stam Levi verrichtten dienst als assistenten.

Op de jaarlijkse Verzoendag offerde de hogepriester twee dieren, en het bloed van elk van deze dieren werd op Gods aanwijzing afzonderlijk in het Allerheiligste aangeboden.

 

Eerst werd door de Aäronische hogepriester een jonge stier geofferd voor zichzelf en voor zijn Huis, waarbij de gehele stam Levi inbegrepen was (Lv 16:11, 14). Vervolgens werd er een bok als zondeoffer aangeboden voor het volk, de andere twaalf stammen (Lv 16:15). Bovendien werden de zonden van heel Israël over de kop van Azazel - een levende bok – uitgesproken, waarna die bok de wildernis in werd geleid (Lv 16:21-22).

In het tegenbeeld ging Gods Zoon Jezus, in het jaar 33 AD, als de tegenbeeldige Hogepriester, met de waarde van het bloed van zijn eigen, menselijke slachtoffer het hemelse Allerheiligste binnen. In Hb 9:10-11, 24-28 lichtte de apostel Paulus dat als volgt toe:

 

Toen [de] Messias echter [publiekelijk] optrad als Hogepriester van de goede dingen die geschied zijn, door de grotere en volmaaktere Tent, niet met handen gemaakt - dat is niet van deze schepping - ging hij, ook niet door bloed van bokken en jonge stieren, maar door het eigen bloed, eens voor altijd de meest heilige plaats binnen, een eeuwige verlossing verworven hebbend

Want de Messias ging niet binnen in een met handen gemaakte meest heilige plaats, kopie van de ware, maar in de hemel zelf, om nu ten behoeve van ons voor Gods aangezicht te verschijnen. Ook niet opdat hij zichzelf dikwijls [ten offer] zou opdragen, zoals de hogepriester jaarlijks binnengaat in de meest heilige plaats met vreemd bloed; anders moest hij dikwijls lijden sinds [de] grondlegging der wereld. Maar nu is hij eens voor altijd, bij de voleinding der eeuwen, openbaar gemaakt voor terzijdestelling van de zonde door zijn slachtoffer. 

 

Sindsdien hebben gelovige mensen de geestelijke, levengevende voordelen van dat ene toereikende offer ontvangen. Vanaf Pinksteren 33 AD, met de uitstorting van de heilige geest, en helemaal tot op heden, hebben de leden van de christelijke Gemeente - degenen die ertoe geroepen zijn om met Gods Zoon erfgenamen te zijn – als eersten die voordelen ondervonden.

Vergelijk: Hn 2:32-33; Rm 8:14-17; Ks 1:13-14.

 

Maar nog vele anderen zullen de voordelen van Jezus’ volmaakte offer ontvangen, maar te allen tijde slechts op grond van geloof in dat ene toereikende offer, dus zonder daarvoor zelf zwaar werk te verrichten, zoals bijvoorbeeld vermeende, verdienstelijke werken der Mozaïsche Wet (Lv 23:25-28).

In de 70e Jaarweek, ten tijde van Jezus’ paroesie (tegenwoordigheid), wanneer de laatste trompet klinkt, en nadat de Gemeente is weggerukt in de Opname, de Heer tegemoet in de lucht, zullen de voordelen ook een gelovig joods Overblijfsel ten deel vallen. Maar ook de Heidenvolken komen op Gods bestemde tijd in het beeld. Zoals Jezus zelf al aankondigde zullen de levengevende voordelen van zijn offer ook hen bereiken, met name in zijn Millenniumrijk:

 

Want God had de wereld zozeer lief dat hij zijn eniggeboren Zoon gaf, opdat een ieder die geloof oefent in hem niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben (Jh 3:16).

 

Conclusie: Het tegenbeeldige bazuingeschal van de laatste trompet, evenals de tegenbeeldige Verzoendag welke daarop volgt lijken niet gebonden te zijn aan de traditioneel, gebruikelijke joodse feestdata van de zevende maand (Tisjri). De feesten van het najaar schijnen, qua vervulling, eerder te duiden op de ‘najaarsperiode’ van het Israël Gods, d.i. gedurende de gehele periode van de 70ste Jaarweek.

 

Wat betreft de tijd voor de Opname bezitten we, naar het schijnt, slechts één enkele, volkomen heldere aanwijzing. Welke?

Nadat de apostel in 1Th 4:15-17 de Wegrukking had beschreven, gaf hij direct daarop, in 1Th 5:1-3, dienaangaande de volgende indicatie:

 

Wat nu de tijden en de tijdperken betreft, broeders, hoeft men jullie niet te schrijven, want jullie zelf weten heel precies dat [de] dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Wanneer zij zeggen "Vrede en Veiligheid" zal juist dan een plotseling verderf over hen komen zoals het wee over een zwangere en zij zullen beslist niet ontkomen.

 

Zie hier het commentaar op die uitspraak.

 

Kennelijk zal de laatste generatie van 'levenden' vlak voor de paroesie wel degelijk naar een 'teken' kunnen uitzien, namelijk een opvallende manier waarop er over vrede en veiligheid zal worden gesproken.

Kijkend naar de wereldsituatie van thans kunnen we gemakkelijk inzien dat de wereld der mensen in het algemeen zich maar al te graag door stellige uitspraken dienaangaande in slaap zal willen laten sussen, in plaats van er acht op te geven als een (voor hen) onheilspellend signaal van Godswege.

 

Maar is er werkelijk niet meer?

Er zijn meerdere redenen om de lezer te attenderen op de datum 10 Nisan.

 

Tien Nisan

 

Waarom aandacht voor die joodse datum?

Antwoord: Omdat 10 Nisan door Jahweh God zelf kennelijk als niet zomaar een gewone datum wordt gezien. Beschouw:

 

* Toen God zijn volk aanwijzingen gaf voor het houden van het eerste Pesach in relatie tot de 10e plaag, de dood van Egypte’s eerstgeborenen, zei hij tot Mozes en Aäron:

Deze maand [Nisan] zal voor jullie het begin der maanden zijn; ze zal voor jullie de eerste der maanden van het jaar zijn. Spreekt tot de gehele vergadering van Israël en zegt: Op de tiende van deze maand dient [elke] man een lam te nemen voor het voorvaderlijk huis, een lam per gezin… En het moet bij jullie in bewaring blijven tot de veertiende dag van deze maand.

Ex 12:1-7

 

Hier is voor de eerste maal, in Nisan van het jaar 2514 AM, sprake van 10 Nisan als een speciale datum. Op die dag moesten er voorbereidingen getroffen worden voor het Pesach op de veertiende. Voor de eerste maal ook wordt in verband met Israëls bevrijding melding gemaakt van het offerlam, een beeld van de Messias, het Lam Gods dat ware bevrijding (verlossing) brengt: Het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt (Jh 1:29). 

 

Israël leerde de les dat alle ware zegen hen slechts zou kunnen bereiken op basis van diens te vergieten offerbloed. De apostel constateerde met betrekking tot het Israël Gods dan ook: Want ook ons Pascha, [de] Messias werd geslacht  (1Ko 5:7).

 

* Nagenoeg ‘op de kop af’ stak Israël veertig jaar later, op 10 Nisan van het jaar 2554 AM, de rivier Jordaan over om het Beloofde land binnen te gaan:

 

Het volk kwam op uit de Jordaan op de tiende der eerste maand en legerde zich te Gilgal, aan de Oostgrens van Jericho.

Jz 4:19

 

Wanneer men het verslag van de ‘oversteek’ in Jozua 3 en 4 er op naleest, is het onmiskenbaar duidelijk dat de priesterschap in het hele gebeuren een prominente rol vervulde. Op die 10e Nisan droegen zij de Verbondskist met het gouden troondeksel ongeveer 2000 el voor de Gemeente van Israël uit. Toen zij met hun voeten in het water van de rivier traden, werden de wateren die van bovenaf  kwamen tegengehouden. Staande met de ark in het midden van de rivierbedding kreeg de hele Gemeente de gelegenheid over te trekken.

 

De priesters nu, die de ark droegen, bleven midden in de Jordaan staan, totdat alles volbracht was, wat Jahweh Jozua bevolen had tot het volk te spreken, naar alles wat Mozes Jozua geboden had; en het volk trok met haast over (Jz 4:10).

 

In de Eerste Eeuw bracht de apostel Paulus het gouden verzoendeksel, volgens het Grieks hilastèrion, in verband met de rechtvaardigheid die verkregen wordt door geloof in Gods Zoon: Hem stelde God als verzoendeksel door het geloof in zijn bloed (Rm 3:25).

Aangezien God zelf in de Tabernakel geacht werd boven die Verbondskist te tronen, nam dat gouden verzoendeksel als het ware de betekenis aan van Gods troon, zijn Genadetroon.

 

Welnu, die voorstelling van zaken - dat Tabernakeltafereel, maar dan op de schouders van de priesterschap - zien we zinnebeeldig ook terug in Openbaring, de hoofdstukken 4 en 5. De visionair Johannes raakte zelf bij het hemelse tafereel betrokken:

 

Na deze dingen zag ik en zie een deur die geopend was in de hemel; en de eerste stem die ik als een trompet [bij aanvang van de Dag des Heren] met mij had horen spreken, zei: Stijg op hierheen [beeld van de Opname], en ik zal je de dingen tonen die na deze dingen moeten geschieden. 

Onmiddellijk geraakte ik in geest; en zie een troon rustte in de hemel, en op de troon [iemand] zittend. En hij [God] die op de troon is gezeten van aanzien gelijk een jaspis- en sardissteen… En rondom de troon vierentwintig tronen, en op de tronen zittend vierentwintig Oudsten [de opgenomen Gemeente] gekleed in witte bovenklederen, en op hun hoofden gouden kronen... En in het midden van de troon… zag ik een lam staande als zijnde geslacht, hebbend zeven horens en zeven ogen, welke zijn de zeven geesten Gods die uitgezonden zijn tot geheel de aarde.

 

Zie de commentaren op Openbaring  1:9-11, waar we eveneens de laatste trompet horen klinken bij de aanvang van de Dag die de Heer toebehoort, teneinde de joodse Eindtijdgemeenschap bijeen te roepen.

4:1-4 en 5:6-7.

 

Matthew Henry merkte ten aanzien van 10 Nisan als de datum van overtocht op: “He so ordered things here that Israel entered Canaan four days before the annual solemnity of the Passover, and on the very day when the preparation for it was begun, for He would have them enter into Canaan graced and sanctified with that religious feast, and would have them to be reminded of their deliverance from Egypt that, combining the two together, God might be glorified as the Alpha and Omega of their blessing" .

 

 

* Na op 9 Nisan van het jaar 33 AD zijn triomfantelijke intocht in de Stad van de Grote Koning te hebben gemaakt, reinigde Jezus de volgende dag, dus op 10 Nisan, Jeruzalems tempel:

Ook spreidden velen hun kleren op de weg uit en anderen hakten twijgen van de bomen en spreidden ze op de weg uit. En zij die vooropliepen en zij die volgden, riepen: Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer! Gezegend het Koninkrijk van onze vader David

En de volgende dag, toen zij uit Bethanië gingen… kwamen zij in Jeruzalem; en toen Jezus de tempel binnengegaan was, begon hij hen die in de tempel verkochten en kochten, naar buiten te drijven; en de tafels van de wisselaars en de stoelen van hen die de duiven verkochten, keerde hij om… en hij zei tegen hen: Staat er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken? Maar u hebt er een rovershol van gemaakt.

 

Waarom maakt de tempelreiniging ook hier de datum 10 Nisan zo speciaal?

Omdat bij de Opname van de Gemeente eigenlijk niet veel anders plaats vindt. Wanneer immers de laatste generatie van christenen in wolken is weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht - overigens tezamen met alle vroegere, opgewekte leden van Jezus’ Lichaam - zal de Heer aldus eveneens een grondige scheiding veroorzaakt hebben: Al wat op aarde aan ‘Christendom’ achterblijft blijkt dan van het onwaarachtige soort te zijn, en zij die het aanhingen worden ontmaskerd als zijnde ‘namaakchristenen’.

 

Daarnaast is het van het hoogste belang om op te merken dat met de vorige dag, 9 Nisan - bij Jezus’ zegepralende intocht - de 69e Jaarweek ten einde kwam. We leiden dat af uit Lukas’ verslag van dat gebeuren:

 

Terwijl hij nu voorttrok, spreidden zij hun kleren op de weg. Toen hij dan reeds nabij de afdaling van de Berg der Olijven kwam, begon de hele groep der leerlingen vol vreugde God met luider stem te loven voor alle krachtige daden die zij gezien hadden, zeggend:

Gezegend hij die komt,

de koning, in naam van de Heer!

In de hemel vrede, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen…

 

En toen hij naderbij kwam, de stad zag, weeklaagde hij over haar, zeggend: Indien gij, ja gij, op deze dag de dingen onderscheidde tot vrede – nu echter zijn ze voor je ogen verborgen. Want er zullen dagen over je komen en je vijanden zullen een palissade tegen je oprichten, en je omsingelen en je van alle kanten insluiten; en zij zullen jou en je kinderen in jou tegen de grond verpletteren; en zij zullen in jou geen steen op de andere laten, omdat je de tijd waarin naar je werd omgezien, niet onderscheidde.

Lk 19:36-44

 

Wat is dit voor "zegevierende" intocht? De aanstaande koning weent over zijn hoofdstad en heft een klaagzang aan over zijn onderdanen, en dat terwijl hij een schitterend gezicht op de stad moet hebben gehad, in het bijzonder op het glorierijke, door Herodes gerestaureerde tempelheiligdom.

Maar terwijl de menigte in extase verkeert, breken Jezus de tranen uit. Zijn gedachten waren in werkelijkheid bij Daniëls leringen over de Jaarweken. In de parabel die hij kort daarvoor had verteld, die over de tien minen, maar die bij Lukas onmiddellijk voorafgaat aan diens verslag over de intocht, was dat ook al het geval.

 

Zie: Lukas 19:20-27 en ook Daniël 9:25

 

Voor de volledigheid voegen we hier nog aan toe dat de datums 9 en 10 Nisan van het jaar 33 AD, wat onze huidige kalender betreft overeenkomen met Zondag 29, en Maandag 30 Maart. Jezus stierf op Vrijdag, 3 april 33 AD.

Zie: The Seventy Weeks of Daniel – Part II

 

Jezus weet daarom precies wat er volgens de Jaarwekenprofetie na afloop van de 69e Week zal plaats vinden:

 

En na de tweeënzestig weken zal Messias worden afgesneden en niets voor hem. En de stad en het heiligdom zullen door het volk van een vorst die [nog] komt, verwoest worden.

(Dn 9:26)

 

De Koning komt tot zijn koninklijke hoofdstad, maar de stad met haar bevolking, onder aanvoering van haar leiders, heeft geen oog voor hem noch voor de dingen die met vrede en redding te maken hebben. In de persoon van zijn Zoon ziet God in gunst naar hen om, maar dat wordt niet door hen onderscheiden. 

 

Integendeel, nog maar enkele dagen en dan zal de huidige euforie omslaan en zal het volk, op aandringen van de religieuze elite, Jezus’ dood eisen. Hij zal worden afgesneden, zonder ook maar iets te ontvangen wat op grond van zijn koninklijke intocht verwacht mocht worden:

 

de scepter die niet van Juda zou wijken;

installatie als Gods koning, op Sion, zijn heilige berg;

de gehoorzaamheid der volken.

 

Vergelijk: Gn 49:10; Ps 2:6, 8; 45:7; Dn 7:14.

 

Maar op die Dag, 9 Nisan van het jaar 33 AD, de Dag die Israël niet onderscheidde, eindigde dus de 69e Jaarweek voor de natie en direct daarna, op de volgende dag (10 Nisan 33 AD) reinigde Jezus de tempel. 

 

Conclusie: Al het voorgaande in aanmerking nemend zou men de gehele 70ste Week kunnen zien in  het licht van de datum 10 Nisan. 

Op basis van de verdienste van het ware Pesachlam Gods staat de hemelse priesterschap tijdens de volle duur van de Week bemiddelend in het midden van de drooggevallen ‘Jordaan’ waardoor Israëls Rest, tezamen met de mensen uit de Heidenvolken die zich in geloof bij hen voegen, de ‘oversteek’ naar het Millenniumrijk van de Messias kunnen maken.

Daarna zullen de Adamitische ‘wateren’ - die bij de plaats ‘Adam’ tijdelijk werden tegengehouden - onbelemmerd afvloeien naar het dode milieu van de zee der Araba, de Zoutzee.

 

Vergelijk: Op 4:4-5 met Op 5:6. En zie:  Jz 3:14-17; Ez 47:8.

 

Een en ander zou tevens zeer in overeenstemming zijn met het ‘Eliawerk’, respectievelijk het ‘Elisawerk’, waardoor de 70ste Week op een in een het oog lopende wijze gekenmerkt zal worden. Wij behoeven slechts terug te denken aan het scheiden van de Jordaanwateren waarover wij in 2 Koningen 2:1-15 lezen. Zowel Elia als Elisa waren bij die wonderen van diepe profetische betekenis betrokken.

Zie: Elia- en Elisaperiode in de Studie Elia, een mens van dezelfde gevoelens als wij.

 

 

Ezechiël 40

 

Volgens Ez 40:1-2 werd de profeet Ezechiël op 10 Nisan in visioenen van God overgebracht naar de stad Jeruzalem, waar God hem neerzette op een zeer hoge berg, alwaar hij een visionaire tempel te zien kreeg. Volgens hemzelf: iets als het bouwsel van een stad.

 

Volgens de NBG-versie lezen we in Ez 40:1-2 het volgende: 

 

In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, in de aanvang van het jaar, op de tiende der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad was gevallen, op diezelfde dag, was de hand van Jahweh op mij en Hij bracht mij daarheen: in gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg; daarop was iets als een stad gebouwd aan de zuidzijde (aangepast).

 

Ook hier is sprake van de 10e dag, en naar velen menen van de maand Tisjri, aangezien in het Hebreeuws van de M-tekst de aanvang van het jaar wordt weergegeven met rosj hasjanah, de aanduiding die in het Jodendom nog steeds gebruikt wordt voor het joodse Nieuwjaar, te beginnen op 1 Tisjri, wanneer het bazuingeschal klinkt, zoals hierboven al uitvoerig werd beschreven.

Zie: Inleiding

 

De LXX tekst noopt ons echter om (wederom) aan 10 Nisan te denken en dus niet aan 10 Tisjri, de datum voor Jom Kipoer, de joodse Verzoendag. 

Zoals we hieronder kunnen zien laat de Septuagint daarvoor geen ruimte:

 

και εγενετο [En het geschiedde] εν [in] τω [de] πρωτω [eerste] μηνι [maand] δεκατη [op tiende] του μηνος εν [van de maand], etc.  

 

Op die tiende Nisan werd Ezechiël dus in visioenen verplaatst naar de stad Jeruzalem waar hij iets zag gebouwd als een stad. In werkelijkheid ziet hij echter wat men bij voorkeur aangeeft met de uitdrukking de visionaire tempel.

 

Ezechiël vertelt ons verder wat hij ziet en hoort:

 

In de poort stond een man die eruitzag alsof hij van brons was. Deze man had een linnen koord en een meetstok in zijn hand. Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nauwkeurig toe, luister aandachtig en let goed op bij alles wat ik je zal laten zien. Want je bent hierheen gebracht om dit te zien te krijgen. Alles wat je ziet moet je aan de Israëlieten vertellen (Ez 40:3-4, nbv).

 

Wanneer de profeet inderdaad toekijkt, ziet hij dat de man met het meetriet het Heiligdom – gelijk het bouwsel van een stad - begint te meten, ongetwijfeld de Tempelstad Nieuw Jeruzalem, maar dan beschreven vanuit een joods gezichtspunt.

 

Zie de overeenkomst in het beeld van de Levenswaterstroom van respectievelijk Op 22:1-2 en Ez 47:1-12.

 

De LXX heeft voor meetriet καλαμος μετρου [kalamos metrou], en dat is precies ook de term die we in Op 11:1-2 aantreffen, wanneer de visionair Johannes de opdracht krijgt die zelfde Tempelstad te meten:

 

En mij werd een meetriet [kalamos] gegeven gelijk een staf, zeggend: Sta op en meet het tempelheiligdom van God en het altaar en hen die daarin aanbidden. En het voorhof dat buiten het tempelheiligdom is moet je er buiten houden en niet meten want het is aan de Heidenen gegeven, en zij zullen de heilige Stad tweeënveertig maanden vertreden.

 

Zie: Het commentaar bij Openbaring 11:1-2, waarin beredeneerd wordt dat de hemelse Gemeente van de Tempelstad bij de aanvang van de 70e Jaarweek voor Israël gemeten kan worden; de Opname heeft dan plaats gevonden. Bij het begin van de 70e Week bevinden de leden van de christelijke Gemeente zich, zoals we al zagen, onder het zinnebeeld van de 24 Oudsten rondom de troon van God, ook zelf zittend op tronen en gekroond met gouden kronen (Op 4:4).

 

Niets staat Johannes daarom in de weg die hemelse Gemeente te 'meten', dat wil zeggen het vaststellen van haar geestelijke dimensies, de staat waarin ze verkeert.

Zij is gereed voor haar aandeel in de taak om binnen het koninkrijk voor Israël tot een zegen voor de Heidenvolken te worden (Gn 22:17-18).

 

Met de aardse joodse Gemeente ligt de zaak anders. Voorlopig kan die Gemeente niet gemeten worden. Althans volgens Openbaring 11, maar onderzoeken wij zorgvuldig de hdst 40 tm 48 in Ezechiël, dan blijkt dat het gehele Heiligdom reeds gereed is voor meting. Bijgevolg moet kennelijk hier aan het genoemde tijdstip van 10 Nisan 6030 AM gedacht worden, wanneer ná het einde van de 70e Jaarweek nog de 75 dagen van Dn 12:11 en 12 volgen. In dat geval zou het meten eerder overeenkomen met Op 21:15-21, dan met Op 11:1-2.

In Openbaring 21, de vv 15 tm 17, lezen we:

 

En hij die met mij spreekt hanteerde als maatstaf een gouden meetriet [kalamos] om de Stad en haar poorten en haar muur te meten. En de stad ligt [als een] vierkant, even lang als breed. En hij mat de Stad met de meetriet op twaalfduizend stadiën; haar lengte, breedte en hoogte zijn gelijk. En hij mat haar muur: honderd vier en veertig el, mensenmaat, welke is van een engel. 

 

Zowel In Ezechiël 40 als in Openbaring 21 lijken we ons voorbij het einde van de 70e Week te bevinden, alsmede bij het einde van Jezus’ paroesie welke, volgens Mt 24:27-30, na afloop van de Week alsnog tot een climax moet komen. 

Het Heiligdom, waarvan Jahweh in Ez 37:26-27 aankondigt dat hij het te midden van hersteld Israël zal plaatsen, zien we na de [mislukte] aanval door Gog van Magog in de hfdst 38 en 39 volledig opgericht in 40:1-2.

Evenzo de Tempelstad Nieuw Jeruzalem; óók die Stad zien we, ná de ondergang van het antichristelijk duo Beest en Valse profeet in Op 19:19-21, uit de hemel neerdalen in de fase dat er sprake is van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, in Op 21:1-4.

 

Conclusie: De gevolgde gedachtegang leidt in dit geval tot de slotsom dat de datum 10 Nisan inderdaad wederom van grote betekenis zou kunnen zijn. Op grond daarvan is het immers denkbaar dat rond die datum de Grote Schare van Op 7:9-17, eenmaal gekomen uit de Grote Verdrukking, inderdaad kan aanvangen met haar priesterlijke dienst in Gods tempelheiligdom, zoals in Op 7:13-15 wordt aangegeven.  

 

Rekening houdend derhalve met de 75 extra dagen welke op grond van Daniël 12 (de vv 11 en 12) nog moeten volgen na afloop van de 70ste Jaarweek, zou het wellicht kunnen dat de 70ste Jaarweek begint op 16 augustus 2018 (5 Elul 6023 AM), en 7 profetische jaren verder eindigt op 10 Juli 2025 (14 Tammuz 6030 AM).

Vijfenzeventig dagen verder, bij de overgang naar het Millennium, op 23 september 2025 (1 Tisjri 6031), zou dan de Tempelstad Nieuw Jeruzalem volledig ‘gemeten’ kunnen worden.  

 

Gods Heiligdom zou dan in rechten staat hersteld zijn, zodat de tegenbeeldige Levieten daarin God voortdurend kunnen dienen. Het Loofhuttenfeest van het Millennium - het feest van de grote inzameling - kan gevierd worden (Dn 8:14). 

 

Vergelijk Zc 14:16-19; Lv 23:33-36, 39-43; Dt 16:13-15.

 

Zie: Een mogelijk verloop van de Zeventigste Jaarweek, in het bijzonder de update Een alternatieve benadering.

 

-.-.-.-