Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

De Tarwe en het Onkruid

 

Inleiding

Resultaat van de Afval

Aanleiding voor de Parabel

De Parabel

Een misverstand

 

Inleiding

 

Om de parabel van de Tarwe en het Onkruid op verantwoorde wijze te duiden is het verhelderend nota te nemen van de onheilspellende boodschap welke de apostel Paulus - tijdens een samenkomst met de Oudsten van de gemeente Efeze in het jaar 57 AD – profetisch aan hen overbracht:

 

Ik weet dat na mijn heengaan onderdrukkende wolven bij jullie zullen binnendringen die de kudde niet sparen; zelfs mannen uit jullie eigen kring zullen opstaan en verdraaide dingen spreken om de leerlingen achter zich aan te trekken.

(Handelingen 20:29, 30) 


Geheel in overeenstemming met die voorzegging vond er al spoedig een massale afval van het geloof plaats. Zoals de apostel enige tijd later ook aan zijn trouwe metgezel Timotheüs liet weten:

 

Maar de geest zegt uitdrukkelijk dat in latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen, gehoor gevend aan dwaalgeesten en leringen van demonen, als gevolg van huichelarij van leugensprekers die hun eigen geweten hebben dichtgeschroeid,

 

En inderdaad, velen ‘vielen af van het geloof’. Ze werden tot onware verhalen en leringen van demonen gekeerd. Zie link


Resultaat van de Afval

 

The New Dictionary of Theology zegt dat tegen de Vierde eeuw het Katholieke ‘christendom’ de officiële godsdienst van het Romeinse Rijk was geworden. Er had een samensmelting van de kerkelijke en de burgerlijke samenleving plaats gevonden — een samengaan van Kerk en Staat dat lijnrecht in strijd was met de overtuiging van de vroege christenen. 

Hetzelfde naslagwerk meldt dat allengs de hele structuur en aard van de kerk en ook veel van de fundamentele geloofspunten radicaal veranderde, onder meer door de invloed van neoplatonische modellen. Jezus’ ware leerlingen werden steeds meer aan het gezicht onttrokken, terwijl de ‘namaakchristenen’ daarentegen alsmaar talrijker werden.

 

Vandaar dat Jezus’ de parabel over de tarwe en het onkruid in zijn onderwijs opnam! Daarmee ruimde hij namelijk bijvoorbaat een groot misverstand uit de weg. En wel een zeer groot misverstand. Welke? Dat de hemelse, christelijke gemeente, ook wel aangeduid als zijn Lichaam – niets, maar dan ook helemaal niets te maken heeft met de kerkelijke christenheid (!)

Die kerksystemen, waarvan de Rooms-katholieke kerk (het Vaticaan), de Oosters-orthodoxe Kerk en de Protestantse stelsels de voornaamste zijn, en die door de eeuwen heen bergen van verdriet hebben gebracht over joodse mensen in hun diasporasituatie, zijn slechts een aanfluiting geweest, een misvorming, een karikatuur van waar Christendom. 


Door zijn parabel gaf Jezus - hij die zelf de grondslag vormt voor waar Christendom – nog tijdens zijn verblijf op aarde profetisch te kennen, wat ook zijn apostel Paulus naderhand aankondigde, dat er heel vlug na zijn heengaan een imitatie Christendom zou worden voortgebracht. Een verdorven religieus stelsel zou verschijnen, t.w. een wanproduct van de Satan, maar dat wel zou claimen Jezus’ ware Gemeente te zijn. 

 

Aanleiding voor de parabel


Het is leerzaam om te vernemen welke zaken voor onze Messias aanleiding waren om die parabel uit te spreken. Hij deed dat namelijk in een fase van zijn onderwijscampagne dat hij bij het aankondigen van het Messiasrijk – 
het koninkrijk der hemelen zoals hijzelf bij voorkeur zei – van het gebruik van eenvoudige, klare taal was overgegaan tot het spreken in parabels. 


Vanwaar die wending? 
Omdat de joodse elite van die dagen, de religieuze bovenlaag van het volk, in het bieden van hardnekkige tegenstand aan zijn onderwijs een grens had overschreden. Toen Gods Zoon namelijk, als ‘intermediair’ van zijn hemelse Vader, een door demonen bezeten mens - die bovendien blind en stom was - genas, schreven de religieuze leiders dat wonder boosaardig toe aan een werking van de Satan, Beëlzebub, hij die het opperhoofd is van de demonen.
Mattheüs heeft van die gebeurtenis aldus verslag gelegd: 


Toen bracht men een door demonen bezetene tot hem die blind en stom was; en hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag. Alle omstanders raakten eenvoudig in vervoering en zeiden: “Is dit niet misschien de Zoon van David?” 
Toen de Farizeeën dit hoorden, zeiden zij: “Deze mens werpt de demonen slechts uit door bemiddeling van Beëlzebub, de heerser der demonen.” 


Aangezien Jezus wist wat zij dachten zei hij tot hen:

 

“Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, komt tot verwoesting en iedere stad of ieder huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal geen stand houden. Wanneer Satan dus Satan uitwerpt, is hij tegen zichzelf verdeeld geworden; hoe zal zijn koninkrijk dan standhouden.. ?

Maar als ik door de geest van God de demonen uitwerp, dan is het koninkrijk Gods werkelijk onverwachts tot jullie gekomen… Wie niet aan mijn zijde staat, is tegen mij, en wie niet met mij bijeenbrengt, verstrooit.
Daarom zeg ik jullie:
Iedere soort van zonde en lastering zal de mensen worden vergeven, maar de lastering tegen de geest zal niet worden vergeven. Spreekt iemand bijvoorbeeld een woord tegen de Mensenzoon, het zal hem worden vergeven; maar spreekt iemand tegen de heilige geest, het zal hem niet worden vergeven, neen, niet in deze eeuw, noch in de toekomende (Mt 12:22-32).


Bijgevolg verpakte Jezus de kostbare waarheden betreffende het koninkrijk der hemelen voortaan zorgvuldig in illustraties of parabels, welke door zijn joods gehoor met een hardnekkige gezindheid niet doorgrond kon worden. 
Erger nog, door de parabels zouden zij geheel 'op het verkeerde been worden gezet' en concluderen dat hij, Jezus, wartaal sprak! 
Op een gegeven moment vroegen zijn eigen leerlingen naar de reden van zijn gewijzigde onderwijsmethode: 


De leerlingen dan kwamen naar hem toe en zeiden tot hem: “Waarom spreekt gij tot hen door middel van parabels?” Hij gaf ten antwoord: “Jullie is het gegeven de heilige geheimen van het koninkrijk der hemelen te begrijpen, maar hun is het niet gegeven. Want wie heeft, hem zal meer worden gegeven en hij zal overvloed verkrijgen; maar wie niet heeft, hem zal zelfs wat hij heeft, nog ontnomen worden. 

Dit is de reden waarom ik tot hen spreek door parabels,
omdat zij, ofschoon zij kijken, tevergeefs kijken, en ofschoon zij horen, tevergeefs horen, noch de betekenis ervan begrijpen; en ten aanzien van hen gaat de profetie van Jesaja in vervulling, welke luidt:

 
Door te horen, zult gij horen, maar geenszins de betekenis ervan begrijpen, en door te kijken, zult gij kijken, maar geenszins zien. Want het hart van dit volk is vet geworden, en met hun oren hebben zij gehoord zonder te reageren, en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij nimmer met hun ogen zouden zien en met hun oren horen en met hun hart de betekenis ervan begrijpen en terugkeren, en ik hen gezond zou maken. (Ontleend aan Js 6:9-10; LXX)

Gelukkig zijn jullie ogen echter omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen. Want ik verzeker jullie: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd de dingen te zien die jullie aanschouwen en hebben ze niet gezien, en de dingen te horen die jullie horen en hebben ze niet gehoord.”
(Mt 13:10-17)

 

De Parabel

 

Welnu, precies binnen deze context sprak hij de parabel van de Tarwe en het Onkruid uit, welke achteraf bezien een profetische aankondiging bleek te zijn van de wijze waarop het door de Messias gezaaide Evangeliewoord al vlug binnen de afvallige kerkstelsels op Satanische wijze werd overwoekerd door onkruidachtige leringen.
Dit is wat Gods Zoon sprak: 


“Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens die voortreffelijk zaad op zijn akker zaaide. Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid [dolik] overheen, midden tussen de tarwe, en ging weg. Toen de halmen opschoten en vrucht voortbrachten, kwam vervolgens ook het onkruid te voorschijn. Daarom gingen de slaven van de heer des huizes naar hem toe en zeiden: ’Meester, hebt gij niet voortreffelijk zaad op je akker gezaaid? Hoe komt het dan dat er onkruid op staat?’ Hij zei tot hen: ’Een vijand, een mens, heeft dit gedaan.’ Zij zeiden tot hem: ’Wilt gij dan dat wij heengaan en het verzamelen?’ Hij zei: ’Neen, opdat gij niet soms bij het verzamelen van het onkruid tegelijk daarmee de tarwe uittrekt. Laat beide tezamen opgroeien tot de oogst, en in de oogsttijd zal ik de oogsters zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bundels om het te verbranden, en gaat daarna de tarwe in mijn voorraadschuur bijeenbrengen.’”
(Mt 13:24-30).

 


Hoewel zijn leerlingen niet meteen alle aspecten van deze parabel naar waarde konden schatten, begrepen zij wel heel goed dat Gods Zoon iets onheilspellends had aangekondigd. Dus informeerden zij bij hem naar de juiste uitleg: 


„Verklaar ons de parabel van het onkruid [de dolik] op de akker.” 
Hij gaf ten antwoord: „De zaaier van het voortreffelijke zaad is de Mensenzoon; de akker is de wereld; het voortreffelijke zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk; maar het onkruid zijn de zonen van de goddeloze, en de vijand die het zaaide, is de Duivel.
 

De oogst is [de] voleinding der eeuw en de oogsters zijn engelen. Zoals daarom het onkruid wordt verzameld en met vuur wordt verbrand, zo zal het ook gaan in de voleinding der eeuw. De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden en zij zullen alle dingen die aanleiding tot struikelen geven en degenen die wetteloosheid bedrijven, uit zijn koninkrijk verzamelen, en zij zullen hen in de vuuroven werpen. Daar zullen [zij] wenen en knarsetanden. In die tijd zullen de rechtvaardigen zo helder schijnen als de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft, hij luistere. 
(Mt 13:36-43)

 

Voor uitgebreider commentaar op de Jesaja-profetie, zie: 

Verblindt God de ogen van mensen?

Jezus’ parabel over de tarwe en het onkruid (dolik) bleek – en blijkt nog steeds - zeer onthullend te zijn met betrekking tot de werkelijke situatie van de hemelse gemeente. Al vroeg na haar begin, tijdens het Pinksterfeest van het jaar 33 AD, toen vanuit de hemel de geest werd uitgestort op de eerste 120 leden, en alle eeuwen door die daarna volgden - helemaal tot op de dag van heden - is ze vanwege het overwoekerende onkruid aan echte waarneming onttrokken gebleven. 


Toen hij de parabel vertelde bleek Gods Zoon al van tevoren te weten dat zijn Gemeente uit het beeld zou verdwijnen, en dat die droevige situatie eeuwenlang zou voortduren.
En inderdaad, al snel na de dood van de apostelen
– toen de mensen sliepen (Mt 13:25) - begonnen afvallige leraren vanuit de gemeente zelf de leiding in handen te nemen. Ze gingen verdraaide dingen spreken om de leerlingen achter zichzelf aan te trekken, precies zoals Paulus (Saulus) in Handelingen 20:29-30 had voorzegd. 

 

Jezus’ toehoorders wisten hoe moeilijk het was om echte tarwe te onderscheiden van onkruid, zoals de giftige dolik, die tijdens de groei veel op tarwe lijkt. Met zijn parabel maakte de Masjiach dus duidelijk dat het een tijdlang moeilijk zou zijn om ware christenen van namaakchristenen te onderscheiden. 

Zie:
 De Afval.

Dat wil overigens helemaal niet zeggen dat de christelijke, hemelse gemeente ophield te bestaan, de tarwe zou intussen wel blijven groeien. Ondanks alles hebben ware christenen — individueel of in kleine groepjes — door de eeuwen heen ongetwijfeld hun best gedaan om aan de gezonde leringen van de Masjiach vast te houden. Maar ze vormden geen duidelijk herkenbare, zichtbare groep, en al helemaal geen georganiseerd kerkelijk stelsel. Zij waren de eenvoudige naamlozen, precies zoals Paulus had aangegeven in de Eerste Korinthebrief:


Let namelijk op jullie roeping, broeders, dat er niet veel wijzen naar het vlees [zijn], niet veel invloedrijken, niet velen van adel. Maar God verkoos voor zichzelf het dwaze van de wereld om de wijzen te beschamen, en God verkoos voor zichzelf het zwakke der wereld om het sterke te beschamen, en het onedele der wereld en het verachtelijke verkoos God voor zichzelf, wat niet is, om wat is teniet te doen, zodat geen vlees zou roemen voor Gods aangezicht. (1Ko 1:26-29)

Een misverstand

 

De traditionele uitleg van de parabel, namelijk dat ze in haar geheel betrekking zou hebben op de leden van Jezus’ Gemeentelichaam, plaatst werkelijk nadenkende personen voor een dilemma.

Vers 39 bijvoorbeeld vertelt ons dat het in de Eindtijd de engelen zullen zijn die door de Mensenzoon als zijn oogsters gebruikt zullen worden: De oogst is [de] voleinding der eeuw en de oogsters zijn engelen.

Uiteraad conflicteert die uitspraak met wat wij weten over de Opname van de Gemeente. Bij die gebeurtenis zijn immers in het geheel geen engelen betrokken.
De 'wegrukking' is in alle opzichten een zaak van onze Heer die zelf neerdaalt vanuit de hemel en de dode christenen
met een bevelende roep uit hun doodsslaap wekt, waarna zij tezamen met de overgeblevenen, de nog in leven zijnde generatie van christenen, de Heer tegemoet zullen gaan in de lucht.

De lezer merke vooral op dat die gebeurtenis gaat plaats vinden bij Jezus' paroesie:
Want dit zeggen wij jullie op gezag van [het] woord van [de] Heer: Wij, de levenden, die overblijven tot in de paroesie van de Heer, zullen de ontslapenen beslist niet voorgaan. 

 

En uit Mt 24:3 weten wij ook dat die paroesie [tegenwoordigheid] samenvalt met de voleinding der eeuw. Jezus’ leerlingen vroegen hem immers: Wat zal het teken zijn van je paroesie en van de voleinding der eeuw?
En juist die term vinden we terug in de parabel van de Tarwe en het Onkruid.

Om deze parabel goed te duiden moeten we ons derhalve twee zaken terdege realiseren:

1.  Mattheüs schreef zijn Evangelie vooral met het oog op de Joden.

2.  Het gaat in Mt 13 om parabels die het Koninkrijk tot centraal punt hebben; het zijn koninkrijksillustraties. 

Op deze Site is herhaaldelijk uitgelegd dat in dat komende Koninkrijk van de Messias er twee gemeenten zullen functioneren om samen, onder Jezus' leiding, tot zegen te worden voor de Heidenvolken. Die beide gemeenten, de hemelse en de aardse, zullen tezamen het ene Israël Gods vormen (Gl 6:15-16).
Welnu, Jezus' koninkrijksillustraties kunnen gewoonlijk dan ook pas echt begrepen worden indien men zich realiseert dat die beide gemeenten ieder daarin een plaats zullen innemen.
En bij de Tarwe/Onkruid parabel is dat ook zeker het geval.

En vanuit die optiek wordt alles eenvoudig! De scheidslijn ligt bij het tijdstip dat de oogst aanbreekt (vers 30), want vers 39 licht toe: 
De oogst is de voleinding der eeuw.

Tot op dat tijdstip is vooral de hemelse gemeente in beeld geweest. Al de eeuwen door was ze vanwege het overwoekerende onkruid aan echte waarneming onttrokken.
Maar bij het aanbreken van die voleinding vindt haar Opname plaats. Het is immers ook de tijd van de paroesie!

Gevolg?
De oogst betreft de aardse gemeente van het Israel Gods, dus de joodse gemeente, aangezien de oogsttijd ook samenvalt met de 70e Jaarweek voor Israël.

Dan kan namelijk het onkruid echt, zonder enige twijfel, van de tarwe worden gescheiden. Waarom?

Omdat de joodse gemeente dan weer helemaal bij God in beeld is en Hij hen de keuze geeft tussen hun ware Messias, Jezus, of de Pseudomessias, de demonische Antichrist.

De rechtvaardigen die dan zo helder als de zon zullen schijnen in het koninkrijk van hun Vader (vers 43) worden dan vanzelfsprekend gevormd door een gelovig joods Overblijfsel dat tegen die tijd op het religieuze toneel van de wereld verschenen zal zijn. 

Zij zijn degenen die het koninkrijk op aarde, zichtbaar, gaan vertegenwoordigen.
Zij hebben nog tijdig, zelfs tot verrassing van Johannes in het visioen van de Openbaring, 
hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam. Johannes’ reactie was immers: Waar zijn die zo plotseling vandaan gekomen?  (Op 7:13-14)

Zie ook Dn 12:7-10 waar we dezelfde verbanden ontdekken.

 

Paulus had het weer eens helemaal bij het rechte eind toen hij in Ks 3:1-4 schreef:

 

Indien jullie samen met de Messias werden opgewekt, zoekt dan de dingen boven, waar de Messias is, gezeten aan Gods rechterhand. Bedenkt de dingen boven, niet de dingen op de aarde. Want jullie stierven en jullie leven is samen met de Messias verborgen in God. Wanneer de Messias, jullie leven, openbaar wordt gemaakt, dan zullen ook jullie samen met hem openbaar gemaakt worden in heerlijkheid.

Zoals God zelf verborgen is voor de ogen van de mensenwereld in het algemeen, is het leven van de leden der christelijke Gemeente verborgen voor het oog der mensen die ons omringen.
Dat heeft voor hen alles te maken met hun verbondenheid met hun Hoofd, de Messias. De wereld die Jezus thans niet ziet houdt bijgevolg ook geen rekening met het bovennatuurlijke leven van christenen, zijn lichaamsleden. Hoewel zij zich dagelijks te midden van hen bevinden, hebben zij geen notie wie zij in geestelijk opzicht werkelijk zijn.

 

-.-.-.-