Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Genesis 32 – Jakobs worsteling

Genesis 32 – Jakobs worsteling

 

Gn 32:1

En wat Jakob betreft, hij ging zijns weegs, en de engelen van God ontmoetten hem nu.

873

Gn 32:2

Onmiddellijk zei Jakob, zodra hij hen zag: Dit is het kamp van God! Daarom gaf hij die plaats de naam Mahanaïm.

2415

Gn 32:3

Toen zond Jakob boden voor zich uit naar zijn broer Esau, naar het land Seïr, het veld van Edom,

2521

 

GW 5809 ≈≈ Nm 10:9 >> En ingeval jullie in jullie land ten strijde begeven tegen de verdrukker die jullie in het nauw brengt, dan moeten jullie op de trompetten een oorlogssignaal doen weerklinken, en jullie zullen stellig voor het aangezicht van YHWH jullie God, in gedachtenis worden gebracht en van jullie vijanden worden gered.

 

En voorts o.a. ook Js 43:20 >> Het wild gedierte van het veld zal mij verheerlijken, de jakhalzen en de struisvogels; want ik zal zelfs in de wildernis water gegeven hebben, rivieren in de woestijn, om mijn volk, mijn uitverkorene, te laten drinken.

 

En Ez 40:48 >> Daarop bracht hij mij in de voorhal van het Huis, en hij ging de zijpilaar van de voorhal meten: vijf el aan deze zijde en vijf el aan gene zijde. En de breedte van de poort was drie el aan deze zijde en drie el aan gene zijde.

 

 

Gn 32:4

en hij gebood hun en zei: Dit moeten jullie tot mijn heer, tot Esau, zeggen: Dit heeft je knecht Jakob gezegd: Bij Laban heb ik als vreemdeling vertoefd en ik ben daar lange tijd, tot nu toe, gebleven.

4160

Gn 32:5

En ik ben in het bezit gekomen van stieren en ezels, schapen, en dienstknechten en dienstmaagden, en ik zou het mijn heer graag laten weten, opdat ik gunst in je ogen mag vinden.

2337

 

GW 6497 ≈≈ Gn 32:10. Zie hieronder bij vers 10 >> ik ben al de liefderijke goedheden en al de trouw die gij jegens uw knecht hebt betracht, niet waardig, want slechts met mijn staf trok ik over deze Jordaan, en nu ben ik tot twee kampen geworden.

 

 

Gn 32:6

Na verloop van tijd keerden de boden tot Jakob terug en zeiden: Wij zijn bij je broer Esau gekomen, en hij komt je ook reeds tegemoet, met vierhonderd man bij zich.  

3498

Gn 32:7

En Jakob werd zeer bevreesd en kreeg het benauwd. Daarom verdeelde hij het volk dat bij hem was en de kleinveekudden en de runderen en de kamelen in twee kampen, 

 

Het beeld doet denken aan de Eindtijd waarin het godvruchtige Overblijfsel binnen Israël het eveneens zeer benauwd zal krijgen! Zoals profetisch wordt aangekondigd in Jeremia 30:6-7 >>

 

Vraagt en ziet of een man baart. Waarom dan heb ik iedere fysiek sterke man gezien met zijn handen op zijn lendenen als een barende vrouw, en zijn alle aangezichten bleek geworden? Wee! Want groot is die dag, zodat geen andere eraan gelijk is, en het is de tijd van benauwdheid voor Jakob.

Maar hij zal zelfs daaruit worden gered.

 

De zinsnede die dag [van benauwdheid voor Jakob], zodat geen andere eraan gelijk is herinnert ons bovendien aan Matth 24 >>

er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er sedert het begin der wereld tot nu toe niet is voorgekomen (vers 21).

 

En uiteraard ook aan Dn 12:1 >>

En gedurende die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst die staat ten behoeve van de zonen van jouw volk. En er zal zich stellig een tijd van benauwdheid voordoen zoals er niet is teweeggebracht sedert er een natie is ontstaan tot op die tijd. En gedurende die tijd zal uw volk ontkomen, een ieder die geschreven wordt bevonden in het boek.

 

4629

Gn 32:8

en hij zei: Indien Esau op het ene kamp afkomt en het aanvalt, dan zal er stellig een kamp overblijven om ontkoming te vinden.

2142

 

GW 10269 ≈≈ Mt 25:37 >> Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en u gevoed, of dorstig en u iets te drinken gegeven?

 

Sluit eveneens goed aan bij vers 7, maar dan zijn we, wat de Eindtijd betreft, bij Mt 25, waar we de ‘schapen’ uit de Heidenvolken het bovenstaande horen vragen. De Meester (Heer) zal hun dan antwoorden: Voor zover jullie het voor een van de geringsten van deze broeders van mij hebt gedaan, hebben jullie het voor mij gedaan.

 

 

Gn 32:9

Daarna zei Jakob: O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaäk, o YHWH, gij die tot mij zegt: Keer terug naar je land en naar je bloedverwanten en ik zal je stellig weldoen,

2690

Gn 32:10

ik ben al de liefderijke goedheden en al de trouw die gij jegens uw knecht hebt betracht, niet waardig, want slechts met mijn staf trok ik over deze Jordaan, en nu ben ik tot twee kampen geworden.

6497

 

GW 9187 ≈≈ Jh 5:29 >> en te voorschijn zullen komen, zij die goede dingen hebben gedaan, tot een opstanding des levens, zij die verachtelijke dingen hebben beoefend, tot een opstanding des oordeels.

 

 

Gn 32:10

ik ben al de liefderijke goedheden en al de trouw die gij jegens uw knecht hebt betracht, niet waardig, want slechts met mijn staf trok ik over deze Jordaan, en nu ben ik tot twee kampen geworden.

6497

Gn 32:11

Ik bid u, bevrijd mij uit de hand van mijn broer, uit Esau’s hand, want ik ben bevreesd voor hem, dat hij misschien komt en mij stellig, met moeder en kinderen, aanvalt.

 1961

 

GW 8458 ≈≈ Lk 13:12 >> Toen nu Jezus haar zag, riep hij haar bij zich en zei tot haar: Vrouw, je bent verlost van je zwakheid.

En ook Jh 19:14 >> Nu was het de voorbereiding van het Pascha; het was ongeveer het zesde uur. En hij zei tot de Joden: Ziet! Jullie koning!

 

Gn 32:11

Ik bid u, bevrijd mij uit de hand van mijn broer, uit Esau’s hand, want ik ben bevreesd voor hem, dat hij misschien komt en mij stellig, met moeder en kinderen, aanvalt.

1961

Gn 32:12

En gij, gij hebt gezegd: Ik zal je ongetwijfeld weldoen en je zaad stellig maken als de zandkorrels der zee, die wegens het grote aantal niet geteld kunnen worden.

3938

 

GW 2354 ≈≈ Am 7:2 >> En het geschiedde dat toen die [de sprinkhanenzwerm] de plantengroei van het land volledig had opgegeten, ik vervolgens zei: O Heer YHWH, vergeef alstublieft. Wie zal er van Jakob opstaan? Want hij is klein!

 

Gn 32:13

En hij bleef daar die nacht nog over. Toen nam hij van wat in zijn hand was gekomen, een geschenk voor zijn broer Esau:  

1308

Gn 32:14

tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, 

3500

Gn 32:15

dertig zogende kamelen en hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien volwassen ezels.

5824

 

GW 10632 ≈≈ 1Kn 7:16 >> En twee kapitelen maakte hij om die op de toppen van de zuilen te plaatsen, gegoten uit koper.  Vijf el was de hoogte van het ene kapiteel en vijf el was de hoogte van het andere kapiteel.

 

Gn 32:16

Daarna gaf hij de ene kudde na de andere afzonderlijk aan zijn knechten over en zei herhaaldelijk tot zijn knechten: Trekt voor mij uit naar de overkant, en jullie moeten een ruimte open laten tussen kudde en kudde.

3646

Gn 32:17

Verder gebood hij de eerste en zei: Ingeval mijn broer Esau je ontmoet en je als volgt vraagt: Wie behoort gij toe, en waar gaat gij heen en aan wie behoren die daar vóór je toe?, 

4122

Gn 32:18

dan moet je zeggen: Aan je knecht, aan Jakob. Een geschenk is het, gezonden aan mijn heer, aan Esau, en zie! hijzelf komt ook achter ons aan.

2346

 

GW 10114 ≈≈ Lk 1:55 >> Zoals hij sprak tot onze vaderen - jegens Abraham en diens zaad, voor altijd.

 

En ook Hn 2:34 >> David immers is niet naar de hemelen opgestegen, maar hij zegt zelf: [De] Heer zei tot mijn Heer: Zit aan mijn rechterhand.

 

Gn 32:19

Vervolgens gebood hij ook de tweede, ook de derde, ook allen die de kudden volgden, en zei: Overeenkomstig dit woord moeten jullie tot Esau spreken wanneer jullie hem ontmoeten.

5355

Gn 32:20

En jullie moeten ook zeggen: Zie, je knecht Jakob komt achter ons aan. Want hij zei bij zichzelf: Wellicht kan ik hem gunstig stemmen door het geschenk dat voor mij uit gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien. Misschien zal hij een vriendelijke ontvangst bereiden.   

3947

Gn 32:21

Het geschenk ging dus voor hem uit naar de overkant, maar zelf bracht hij die nacht in het kamp door.

1329

 

GW 10631 ≈≈ Lk 22:56 >> Een zeker dienstmeisje echter zag hem bij het schijnsel zitten en na hem aandachtig te hebben opgenomen, zei zij: Ook deze was bij hem. 

 

Gn 32:22

Later gedurende die nacht stond hij op en nam zijn twee vrouwen en zijn twee dienstmaagden en zijn elf jonge zonen en trok de doorwaadbare plaats van de Jabbok over. 

 

GW 5930 is ook die van Mr 9:8 [in het transfiguratievisioen] >> Plotseling echter keken zij rond en zagen niemand anders meer bij zich dan alleen Jezus.

5930

Gn 32:23

Hij nam hen dus en bracht hen over het stroomdal, en hij bracht wat hij had naar de overkant.

2212

 

GW 8142 ≈≈ Hn 8:29 >> Toen zei de geest tot Filippus: Ga erheen en voeg je bij deze wagen.

 

En ook 1Tm 5:19 >> Aanvaard geen beschuldiging tegen een oudste, tenzij ten overstaan van twee of drie getuigen.

 

Gn 32:24

Ten slotte bleef Jakob alleen achter. Nu ging er een ‘man’ met hem worstelen totdat de dageraad opklom. 

 

De GW 2485 is ook die van Ps 40:7, waarin profetisch naar de Heer Yeshua Mashiach wordt gehint >> Met het oog daarop zei ik: Zie, ik ben gekomen; in de boekrol staat over mij geschreven.

Vergelijk Hb 10:5-10.

 

In Hosea 12:4 wordt eveneens melding gemaakt van Jakobs worsteling met de ‘man’. Maar aldaar wordt ook definitief duidelijk dat het om een engel van YHWH Elohim ging.

 

˘˘

Hs 12:2

En YHWH heeft een rechtsgeding met Juda, ja, om Jakob rekenschap te vragen overeenkomstig zijn wegen; overeenkomstig zijn handelingen zal hij hem vergelden.  

1740

Hs 12:3

In de buik greep hij zijn broer bij de hiel, en met zijn dynamische energie streed hij met God.  

1724

Hs 12:4

En hij bleef strijden met een engel en kreeg ten slotte de overhand. Hij weende, om gunst voor zich af te smeken. Te Bethel vond Hij hem ten slotte, en daar ging Hij met hem spreken.

2659

 

Totaal GW 6123 ≈≈ Ez 20:41 >> [Vers 40 >> Want op mijn heilige berg, op de berg van de hoogte van Israël, luidt het woord van de Heer YHWH, daar zullen zij, het huis van Israël in zijn geheel, mij dienen, in het land. Daar zal ik een welgevallen aan hen hebben en daar zal ik jullie bijdragen eisen en de eerstelingen van jullie aanbiedingen met betrekking tot al jullie heilige dingen].   

Wegens de rustig stemmende geur zal ik een welgevallen aan jullie hebben, wanneer ik jullie uitleid uit de volken en ik jullie bijeenbreng uit de landen waarheen jullie verstrooid zijn, en ik wil in jullie geheiligd worden voor de ogen der Heidenvolken.

 

2485

Gn 32:25

Toen hij nu zag dat hij niet over hem had gezegevierd, raakte hij voorts de gewrichtsholte van zijn dijbeen aan; en de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen werd ontzet bij zijn worsteling met hem.   

2121

Gn 32:26

Daarna zei hij: Laat mij gaan, want de dageraad is opgeklommen. Hierop zei hij: Ik zal u niet laten gaan, tenzij gij mij eerst zegent.

2703

 

GW 7309 ≈≈ Ex 28:27 >> En gij moet twee gouden ringen maken en ze op de twee schouderstukken van de efod zetten, onderaan, aan de voorkant ervan, vlak bij de plaats waar hij samengevoegd is, boven de gordel van de efod.

 

En ook Ez 43:3 >> En het was als de verschijning van het visioen dat ik had gezien, gelijk het visioen dat ik zag toen ik kwam om de stad te verderven; en er waren verschijningen gelijk de verschijning die ik zag aan de rivier de Kebar, en ik viel voorts op mijn aangezicht.

 

Gn 32:27

Derhalve zei hij tot hem: Hoe is je naam?, waarop hij zei: Jakob.

1148

Gn 32:28

Toen zei hij: Je naam zal niet langer Jakob worden genoemd, maar Israël, want gij hebt met God en met mensen gestreden, zodat gij ten laatste hebt gezegevierd.  

3888

Gn 32:29

Op zijn beurt informeerde Jakob en zei: Zeg mij alstublieft uw naam. Hij zei echter: Waarom informeert gij naar mijn naam? Toen zegende hij hem daar.

3664

 

GW 8700 ≈≈ Rc 15:6 >> Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? Waarop men zei: Simson, de schoonzoon van de Timniet, omdat deze zijn vrouw heeft genomen en haar vervolgens aan zijn bruiloftsgezel heeft gegeven. Toen trokken de Filistijnen op en verbrandden haar en haar vader met vuur.

 

Gn 32:29

Op zijn beurt informeerde Jakob en zei: Zeg mij alstublieft uw naam. Hij zei echter: Waarom informeert gij naar mijn naam? Toen zegende hij hem daar.

3664

Gn 32:30

Daarom gaf Jakob de plaats de naam Pniël, want, om zijn woorden aan te halen: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en toch werd mijn ziel bevrijd.

3345

Gn 32:31

En de zon wierp haar eerste stralen op hem zodra hij Pnuël voorbij was, maar hij ging mank aan zijn dijbeen.

2817

 

GW 9826 ≈≈ Mt 22:10 >> En zo gingen die slaven heen naar de wegen en brachten allen die zij vonden bijeen, zowel slechten als goeden; en de zaal voor de huwelijksceremoniën werd gevuld met hen die aan tafel aanlagen.