Schriftstudies.tk
Home
Overzicht studies
Blog
Reactie

Leviticus 23:33-36

Leviticus 23:33-36

Het Loofhuttenfeest

 

Lv 23:33

En YHWH sprak verder tot Mozes, zeggend:  

895

Lv 23:34

Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Op de vijftiende dag van deze zevende maand is het Loofhuttenfeest [volgens LXX >> ορτ σκηνν; lett.: feest van tenten], zeven dagen lang, voor YHWH.  

4278

Lv 23:35

Op de eerste dag is er een heilige samenkomst. Geen enkel soort van zwaar werk mogen jullie verrichten.

2794

Lv 23:36

Zeven dagen moeten jullie YHWH een vuuroffer aanbieden. Op de achtste dag moet er een heilige samenkomst voor jullie plaats vinden, en jullie moeten een vuuroffer aan YHWH aanbieden. Het is een plechtige vergadering. Geen enkel soort van zwaar werk mogen jullie verrichten.

6606

 

Totaal GW 14573 ≈≈ 2Ko 9:3 >> Maar ik zond de broeders opdat ons roemen over jullie in dit opzicht niet ijdel zou blijken, opdat jullie – zoals ik steeds zei – gereed zouden zijn.

 

Hoogst belangwekkend is het om te constateren dat het gematriaresultaat van deze passage de leden van de Christelijke Gemeente in beeld brengt. Enig commentaar ontleend aan die Twee Korinthebrief >>

 

Kennelijk verkeerde Paulus destijds met betrekking tot zijn Korinthische broeders in een delicate situatie; enerzijds had hij tegenover de Macedonische gemeenten met roem gesproken over hun vrijgevigheid, anderzijds moet hij schoorvoetend toegeven dat hijzelf eigenlijk geen grote verwachtingen koestert omtrent de inzameling te Korinthe. Vandaar dat hij het noodzakelijk had geacht om Titus met de broeders vooruit te zenden, zodat door hun invloed de collecte - door Paulus als 'zegen' [ευλογια] betiteld - klaar zou liggen wanneer Paulus zelf met zijn gezelschap te Korinthe zou arriveren. Zou dat niet het geval zijn dan zouden zowel hijzelf als de Korinthiers beschaamd staan.

 

In het bijzonder de heilige samenkomst – volgens vers 36 van Leviticus 23 - op de achtste dag blijkt voor ons, leden van de Christelijke Gemeente, in hoge mate belangwekkend te zijn! En daarnaast bovendien de GW (getalswaarde) van dat vers 36; t.w. 6606.

 

Christenen mogen zich namelijk sinds 33 AD verheugen in hun verzoening met God op grond van hun geloof in Yeshua’s vrijkopend slachtoffer. De Tweede Korinthebrief wijdt opvallend breed uit over die ‘vroege’ verzoening die de leden van Yeshua’ Bruidgemeente ten deel valt. In 2Ko 5:1-3 lezen we >>

 

Want wij weten dat wanneer onze aardse tentwoning [οικια του σκηνους] ontbonden zou worden, wij een gebouw vanuit God zullen hebben, een niet met handen gemaakte, eeuwige woning in de hemelen.

 

Dit vers (1) heeft, gecorrigeerd naar de tekst van de P46, de getalswaarde 10680.

Die GW is ook die van Mr 4:17 [een GW die overigens twijfelachtig is] >> Zij [die op de rotsachtige plekken zijn gezaaid; degenen die - zodra zij het woord hebben gehoord - het met vreugde aanvaarden] hebben echter geen wortel in zich, maar blijven een tijdlang; zodra er daarna wegens het woord verdrukking of vervolging ontstaat, worden zij tot struikelen gebracht. 

 

Want in deze [tentwoning] zuchten wij, terwijl wij er vurig naar verlangen ons te overkleden met de woning die uit de hemel is; als wij tenminste maar bekleed, niet naakt bevonden zullen worden.

 

Paulus kan zich niets groter voorstellen dan tezamen met [de] Messias te zijn, of zijn intrek te nemen bij de Heer, zoals hij in  de vv 4 tm 8 te kennen geeft:

 

Want ook wij die in de tent [εν τω σκηνει] zijn zuchten, bezwaard als we zijn; wij willen immers niet ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke door het leven verzwolgen wordt. Hij nu die ons juist daartoe bereidde [is] God die ons het onderpand van de geest gaf. Daarom altijd vol goede moed zijnde en wetend dat wij, zolang wij thuis in het lichaam zijn, afwezig zijn van de Heer. Want wij wandelen door geloof, niet door [het zien van een] gedaante.

Maar wij zijn vol goede moed en hebben er veeleer een welgevallen in afwezig te zijn, uit het lichaam, en thuis te zijn bij de Heer.

 

Volgens 1 Korinthe 15:42-54 zijn wij, Christenen, thans nog ‘bekleed’ met een fysiek- of zielenlichaam:

 

Zo ook de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in verderfelijkheid, er wordt opgewekt in onverderfelijkheid. Er wordt gezaaid in oneer, er wordt opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, er wordt opgewekt in kracht. Er wordt een zielenlichaam gezaaid, er wordt een geesteslichaam opgewekt; indien er een zielenlichaam is, is er ook een geesteslichaam.

De eerste mens Adam werd [namelijk] tot een levende ziel. De laatste Adam tot een levendmakende geest. Maar niet het geestelijke eerst, doch het bezielde, daarna het geestelijke.

De eerste mens uit aarde, stoffelijk, de tweede mens uit hemel. Zoals de stoffelijke, zodanig ook de stoffelijken; en zoals de hemelse, zodanig ook de hemelsen. En evenals wij het beeld van de stoffelijke droegen, zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen.

 

Dit zeg ik evenwel, broeders: Vlees en bloed kunnen Gods koninkrijk niet beërven, noch beërft het verderfelijke de onverderfelijkheid. Zie! Ik vertel jullie een geheimenis: Wij zullen niet allen ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar moment, in een knippering van oog, bij de laatste trompet. Want de trompet zal klinken en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen. Maar zodra dit verderfelijke onverderfelijkheid aandoet, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoet, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood werd verzwolgen tot overwinning.

 

Maar hier, in de Tweede Korinthebrief, wordt dat fysieke zielenlichaam door de apostel geduid als een kwetsbare tentwoning die zomaar in elkaar kan klappen, maar waarin wel Gods geest inwonend is. Zoals hij kort hierna in Rm 8:11 zou schrijven: De geest van hem die Jezus uit doden opwekte woont in jullie.

Kennelijk verbleven/verblijven alle christenen die sinds Shavuot (Pinksteren) 33 AD tot geloof werden geroepen in zulke tentwoningen, vergelijkbaar met de loofhutten die elk jaar door de Joden tijdens het Loofhuttenfeest worden opgezet.

Toen Messias Jezus in het najaar van 32 AD dát feest in Jeruzalem bijwoonde legde hij bij voorbaat, en wel op een zeer opvallende wijze een verband met die feestelijke viering en de situatie waarin christenen komen te verkeren door de uitstorting van de heilige geest:

 

Op de laatste, de grote dag van het feest nu, stond Jezus daar en riep uit: Als iemand dorst heeft, laat hij naar mij komen en drinken. Wie in mij gelooft, zoals de Schrift heeft gezegd: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zei hij echter betreffende de geest, welke zij die in hem zouden geloven, weldra zouden ontvangen; want er was er nog geen geest, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.

(Jh 7:37-39).

 

Op alle voorafgaande zeven dagen werd water uit de poel van Siloam naar het Voorhof van de tempel gebracht en daar uitgegoten in een zilveren bekken dat zich aan een der zijden van het grote brandofferaltaar bevond, een ceremonie overigens welke later werd toegevoegd en dus niet in de Torah wordt vermeld. Omdat die procedure op de achtste dag niet meer werd gevolgd kan Jezus die leemte ‘opgevuld’ hebben door te verwijzen naar een beter soort water dan dat van Siloam.

 

Vermeldenswaard in dit verband is de gematriawaarde 6-606 van Lv 23:36, zoals we hierboven kunnen nagaan.

Maar daardoor wordt die bijzondere 8e dag van het Loofhuttenfeest wel gelinkt aan de christelijke Ruthgemeente. 

De getalswaarde van Ruth is namelijk 606.

 

Wat betreft de GW 6-606, staat 6000 kennelijk voor de periode welke de mens – in zijn zeer onvolmaakte toestand – vergund is bezig te zijn met zijn steeds verdere ontwikkeling bij God vandaan. Maar zoals opgemerkt vertegenwoordigt 606 de GW van Ruth, de Moabitische, zij die een voorafbeelding werd van de christelijke Gemeente door haar huwelijk met Boaz, voorafbeelding van Messias Jezus, de ware Losser (een ga’al).  

Zie: Ruth en de Antichrist

 

Maar, zoals reeds is opgemerkt, namen vanaf Shavuot van het daaropvolgende jaar, bij de uitstorting van de geest, de zwakke ‘tentwoningen’ van christenen - maar wel wedergeboren door de werking van die geest in hen - in tegenbeeld de vorm aan van de sukkôth, de loofhutten.

Uit de beschrijving van het verloop van het zevendaagse feest in Lv 23:33-36, kan afgeleid worden dat de achtste dag heel bijzonder was, aangezien het feest van sukkôth dan afgesloten werd met een heilige samenkomst, een zeer plechtige vergadering, de ‘atsereth [of volgens de LXX εξοδιον: slot; afsluiting], welke gehouden moest worden als een sabbat, de grote dag van het feest zoals Johannes in Jh 7:37 te kennen gaf.

 

Om volledig te zijn tonen wij hieronder de gematria resultaten van

1.) Deuteronomium 16.

In die passage wordt het volk Israël immers ook geboden het Loofhuttenfeest te vieren.

Van de samenkomst op de 8e dag [atsereth] wordt daarin echter geen melding gemaakt.

 

Dt 16:13

Het Loofhuttenfeest moet je zeven dagen vieren wanneer je inzameling houdt van je dorsvloer en van je olie- en wijnpers. 

2847

Dt 16:14

En je moet je verheugen tijdens je feest, jij en je zoon en je dochter en je slaaf en je slavin en de Leviet en de inwonende vreemdeling en de vaderloze jongen en de weduwe die binnen je poorten zijn.  

4246

Dt 16:15

Zeven dagen zult moet je het feest vieren voor YHWH, je God, op de plaats die YHWH zal uitkiezen, want YHWH, je God, zal je zegenen in al je opbrengst en in al het werk van je hand, en je moet alleen maar verheugd worden.

4912

 

GW 12005 ≈≈ Hn 4:36 >> Zo bezat Jozef, die van de apostelen de bijnaam Barnabas had gekregen — hetgeen vertaald betekent: Zoon van vertroosting — een Leviet, van geboorte uit Cyprus [een stuk land].

 

2.) Nehemia 8.

 

Nh 8:14

Toen vonden zij in de Wet die YHWH door Mozes had geboden, geschreven dat de zonen van Israël tijdens het feest in de zevende maand in loofhutten moesten wonen, 

4817

Nh 8:15

en dat zij een proclamatie moesten uitvaardigen en in al hun steden en in Jeruzalem een oproep moesten laten rondgaan, die luidde: Trekt uit naar het bergland en haalt olijfbladeren en de bladeren van oliehoudende bomen en mirtebladeren en palmbladeren en de bladeren van wijdvertakte bomen, om loofhutten te maken, naar hetgeen geschreven staat.

7622

 

GW 12439 ≈≈ Hb 1:5 >> Want tot wie van de engelen heeft hij ooit gezegd: Jij bent mijn zoon, ik heb je heden verwekt? En wederom: Ik zal hem tot vader zijn, en hij zal mij tot zoon zijn?

 

Nh 8:16

Toen trok het volk uit en haalde en maakte zich loofhutten, ieder op zijn eigen dak en op hun binnenplaatsen en in de voorhoven van het Huis van de God en op het openbare plein van de Waterpoort en op het openbare plein van de Efraïmpoort.   

5629

Nh 8:17

Zo maakte de gehele Gemeente van hen die uit de gevangenschap waren teruggekomen loofhutten, en zij gingen in de loofhutten wonen; want de zonen van Israël hadden zo niet gedaan sinds de dagen van Jozua, de zoon van Nun, tot op die dag, zodat er een zeer uitbundig vreugdebetoon ontstond. 

5417

Nh 8:18

En dag aan dag werd er voorgelezen uit het boek van de wet van de God, van de eerste dag tot de laatste dag; en zij bleven het feest zeven dagen vieren, en op de achtste dag was er een plechtige vergadering, overeenkomstig de regel.

 

De GW 5951 is ook die van Hn 9:42 >> Dit [de opstanding van Tabitha] werd in heel Joppe bekend en velen werden gelovigen in de Heer.

Zie de studie Johannes 3 en 7 bij Nehemia 8:14-18.

5951

 

GW 16997 ≈≈ Ks 4:12 >> Jullie groet Epafras, die uit jullie midden is, een slaaf van Messias Jezus, die zich altijd voor jullie inspant in de gebeden, opdat jullie mogen vaststaan in heel Gods wil, volmaakt en volledig overtuigd.

 

3.) Zacharia 14.

 

Zc 14:16

En het moet geschieden, wat elk betreft die overblijft uit alle Goyim die tegen Jeruzalem komen, zij ook van jaar tot jaar moeten opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, YHWH der legerscharen, en om het Loofhuttenfeest te vieren.    

5257

Zc 14:17

En het moet geschieden dat, wat ieder betreft uit de families der aarde die niet opgaat naar Jeruzalem om zich voor de Koning, YHWH der legerscharen, neer te buigen, ja, over hen geen stortregen zal komen.    

5225

Zc 14:18

En indien zelfs de familie van Egypte niet opgaat en niet werkelijk binnengaat, zal er ook over hen geen zijn. De gesel zal komen waarmee YHWH de Goyim geselt die niet opgaan om het Loofhuttenfeest te vieren.

5258

 

GW 15740 ≈≈ Jh 6:27 >> Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft voor het eeuwige leven,  dat de Mensenzoon jullie zal geven; want op hem heeft de Vader, ja God, zijn zegel gedrukt.

En ook Jh 20:26 >> Acht dagen later nu waren zijn leerlingen weer binnenshuis, en Thomas was bij hen. Ofschoon de deuren op slot waren, kwam Jezus, en hij trad in hun midden en zei: Vrede zij jullie.

 

Zc 14:19

Ja, dit zal de zonde van Egypte blijken te zijn en de zonde van alle Goyim die niet opgaan om het Loofhuttenfeest te vieren.  

3756

Zc 14:20

Op die dag zal er op de bellen van het paard blijken te staan: Heiligheid behoort YHWH toe! En de kookpotten met wijde opening in het Huis van YHWH moeten worden als de schalen vóór het altaar.    

3158

Zc 14:21

En elke kookpot met wijde opening in Jeruzalem en in Juda moet iets heiligs worden dat YHWH der legerscharen toebehoort, en al degenen die slachtoffers brengen, moeten binnenkomen en daarvan nemen en moeten daarin koken. En op die dag zal er geen Kanaäniet meer in het Huis van YHWH der legerscharen blijken te zijn.

4055

 

GW 10969 ≈≈ Lk 2:36 >> Ook was er Anna, een profetes, dochter van Fanuël, uit stam Aser, die op zeer hoge leeftijd was gekomen. Vanaf haar maagdelijke staat had zij zeven jaar met [een] man geleefd. 

-.-.-.-